Ga direct naar de content

Jrg. 33, editie 1637

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 22 1948

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Econ

,…Id.:

omisc

tatistisc e

.1

.

Be–richten’-..-.’

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVÉ ,VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

33E
JAARGANG

WOENSDAG 22 SEPTEMBER 1948

No. 1637

• COMMISSIE VAN REDACTIE:

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries;.

– •

J. H. Lubbers (Rdacteur-Secretaris).

Assistent-Redacteur: A. de Wit.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:

J. E. Mertens; R. Miry; J. can Tichelen; R. Vandputte;

F. Versichelen.

Gegeeens 09cr adressen, abonnementen enz. op de laatste

bladzijde can dit nummer.

IMIOUD:

De artikelen van deze week ……..743

Sornmaire,

sum-maries

…………….743

Geen ambtenaren-regiment door Prof. 1? 1. P. de Vooys
744

huidige situatie en perspectief van het Indische bank-

wezen
door Dr J. Ii. Spiegelenberg …………..
744

De jongste ontwikkeling in de export van onze ka-

toenen mantfacturn
door Dr 1V. T. Kroese. ……
747

Behandeling an Duitse merken bij liet toekomstige

vredesverdrag
dooi . Dr C. Schouten…………..
749

Aantekening:

De

)lIllioiientiota

………………………..

..

75

Internationale notities:

De A iii
erikaatise investeringen in liet bii ten land
………
756

Do ecOiloin iSclie otitwilikeli lig
VUIL
Chili
…………….
756

Geld- en kapitaalmarkt

……………………
756

S t a t i s t i e k e n

Dankstaten
Overzicht dor laatste vier verkorte halanseji van
j)e

Nederlan(lselIe Bank
…………………………
757

Stiuid,.van
‘s Rijks KaS
…………………………
758

DEZER DAGEN

zet men- zich officieel tot werken. De instellingen van
hoger onderwijs in Nederland onder wijze woorden hunner

rectores magnifici, de algemene vergadering van de Ver-.
enigde Naties onder bezwerende toespraken, onze Staten-

Generaal onder een Troonrede,. die samenhang vertoont.
Velen echter zijn reeds eerder hard aan het werk geweest,

zoals kan blijken uit de millioenennota en het als economi-sche achtergrond toegevoegde nationale budget voor 1949.
Al is het getal van de tekortschietende guldens op de
Nederlandse staatsrekening nog geen

iuttel hoopken, de
slagzij naar stuurboord vermindert verblijdend. ,,Scerp

van relcenynhe” ziet een bekend middeleeuws lied als
een trek van de Vlaming. Men zou, gezien deze bégroting,
meer vertrouwen krijgen in de psychologische stamver-
wantschap en zo in de totstandkoming van de economische
unie.

Floe. groot oOk de door de Minister van Financiën ge-
toonde arbeidskracht, de gemidclëlde arbeidsprodiictiviteit

ligt nog tien pCt onder de vooroorlogse. Bij het vrhelpen. van dit euvel is, blijkens de Troonrede, de door Breughel
5

geschilderde strijd tussen het vasten en carnaval nog in
volle gang. ,,Groote platteelen, lecker morseelen – als
kenmerk der Hollanders vstgelegd – zijn voor sommigen
de richtingwijzers naar ijverig werken. Anderen, ingetoge-
ner van aaid, parafraseren een hard spreekwoord tot:
,,wie niet eerst werkt, zal weinig in de winkels vinden”.

Daarachter woedt het befaamde ,,schriklijk pleit” tussen dwang en vrijheid. Verhelderend kan hier werken een zin-
snede uit de dissertatie van de huidige Ministei’• van

Economische Zaken: ,,men stapt niet in een gebonden
maatschappij,
omdat
zij gebonden is d.i. ls in éen
pleizierboot -“.

hard werken loont; dat doceerde de Britse opperarbei-
der, aan economie en financiën tegelijk, Sir Stafford Cripps.
Het tekort op de Britse betalingsbalans voor het lopende
jaar is meer dan gehalveerd in vergelijking tot 1947; dit
ondnks eente boven gaan-van deinvoerramingen door de
stijging van het prijspeil. Zo kwamen de, protesterend

bijeengekomen leden van de oppositie, onverwacht tot
toejuichingen, temeer daar
de
gestage druk op de arheids-
kraclitën in de richting ,van de essentiële industrieën ge
leidelijk begint door te werken.

Bizonia lia evenzeer een verkzaam aandeel in de
economische normalisering. I)e productie van staal be-
r’eikte in Augustus een peil, waarop men hiet voor J-
nuari had gerekend; de oogstresultaten bleken bevredigend.

liet economische toont op deze wijze de tot activiteit
prikkelende zijde van de herfst. Het politiek nieuws,
helaas, steunt hen, die de herfst zien als het somber sei-
zoen van vallende blaren en schimmelvorming.

Bij de voortgaande woekering van de OostW
7
est:con
troverse kwam de kille agressie door India op Hyderabad gepleegd. De rouw om de dood van een idealist als Graaf
Beritaaolte wordt erdoor verdiept. – .

TV

N.V. KONINKLIJKE

N ED ER 1 A N D S C H E

ZOUTINDUSTRIE

Boekelo Hengels

ZOUTZIEDERIJ

Fabriek van.

zontzunr, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

chloorbleekloog

natronloog, Caustic soda.

ROTTERDAMSCHE

BANK

225 VESTIGINGEN
IN NEDERLAND

VOLLEDIG

BEHEER

VAN.

VERMOGENS


—.

t

94
de aedw&%ing uart de

taeanô uan S.tu1cneiië een aaiut4-

zitzt
uoe een aanme’de&j4 ecwuL-

mict,etee?

Zie hiervoor de Septemberaflevering van het.

Economisch-

Statistisch

Kwartaalbericht

Research
uitgave van

het
Nederlandsch
Economisch
Instituut

Jaarabonnementen
f6,50


voor cibonné’s E.-S.B.
f 5,-

Telefoon 38340, Rotterdam – Giro no. 8408

S

CASSA’.

172SO

KASSIERSINSTEWNG

OPGERICHT IN 1806

Behandeling van alle

bankaaken

* *

Bezorging van alle

HEERENGRACHT 179 • AMSTERDAM-C

assurantiën.
MA

Verliesposten Voorkomend Systeem

bestaande uit 4
Diensten


V.V.S.

Het V.V.S. is ee,, onmisbaar hulpmiddel bij het
gezondhouden van uitstaande credieten. Aan-
vaard als onderdeel der debiteuren-administra-
tie, zal het van groote practische waarde blijken

IN
te zijn.

Onze V.V.S.-brochurc wordt op aanvrage kosteloos toegezonden

Yan der Graaf I Co’s hureaux voor den handel H.V.
Amstelstraat 14-18, Amaterdam-C, Telefoon 38631 (5 lijnen)

instituut voor Sociale Wetenschappen

Nieuwe m o n d e Ii n g e cursussen

NED.
en
IND. RECHT
(univ. ex.)

M.O. ECONOMIE

MODERNE BEDRIJFSADM.

De cursussen worden gegeven:
Economie:
‘s-Graven-
hage, Rotterdam, Amsterdam, Arnhem, Rindhoven,
Groningen, Haarlem, Heerlen, ‘s-Hertogenbosch,
Hilversum. Leeuwarden, Leiden. Tilburg en Utrecht.
Ned. en md. Recht:
Amsterdam en ‘s-Gravenhage.

Moderne Bedrijfsadministratie:
‘s-Gravenhage, Rotter-
dam, Amsterdam, Utrecht, Haarlem, Leiden en Arnhem.

Prospectus en inlichtingen:
‘s.Gravenhage, Wassenaarseweg 39 d, Tel. 775382

R. MEES & ZOOEN
BANKIERS EN ASSURANTIE-MAKEL.AARS –
AMSTERDAM
. ROTTERDAM
.
S-GRAVENHAOE
DELPT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

EMB

:I

,,HOLLANDIA”

HOLLANDSCHE FABRIEK VAN MELK-
PRODUCTEN EN VdEDINGSMIDDELEN N.V.

HOOFDKANTOOR TE

VLAARDINGEN

Kcninklijke

Nederlandsche

Boekd rukkerij

H. A. M. Roelunts

Schiedam

22 September 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

743

t –

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

Prof. Ir T. P. de
‘Vooys,
Geen -ambtenaren-regiment.

Een diepvertakte bureaucratie leidt tot velvaarts-

vermindering als gevolg van een sterke verandering in

•de yerhouding tussen producerencie en controlerende per-

sonen. Voorbeelden: het Nazi-Duitsland, Rusland en
zijn vazalstaten. Ook in de ria-oorlogse democratische

Staten vertoont zich liet verschijnsel van liet functio-

narisme Een vorm van reactie daartegen is: bedrijfs-

organisatie
met ordenende beaoedheid;
dezë heeft thans

grotere betekenis gekregen door cle indiening van liet
wetson l;werp op cle Algemene Bedrijfsorganisatie. Schr.
schetst – voor zover dat i.v.m. de ingewikkelde en moei-

lijk te overziene opzet van liet nieuwe staatsorgaan

mogelijk is – in hoeverre liet bedrijfsleven aan de greep

van een ambtenaren-regiment kan ontsnappen. De orga-
nisatie van hel bedrijfsleven is slechts gerechtvaardigd
als zij leidt tot herstel van welvaart, maar ook van vrij-

heici.

J)L’ J.
H.
Spiegelenberg,
Huidige situatie en perspectief

aan het Indische bankwezen.

Jloewel de ontdooiing der vooroorlogse vorderingen en
schulden tot sanering van de balans- en liquiditeits-
pdsitie der banken strekte, zijn nog meer en ingrijpender

maatregelen noodzakelijk om weer tot een gezond geld-,
crediet- en bankwezen te geraken. Dit geldt t.a.v. rechts-
herstel, gecon’isce’erde kassen, ,rentevraagstuk, delegatie-
en steuribetalingen en de oorlogsschadevergoeding. De
sedert enige tijd behoorlijke rentabiliteit der banken,

ondanks het feit, dat waarschijnlijk slechts een besclieide?i gedeelte der binnengevloeide gelden emplooi heeft kunnen
vinden, leidt tot de conclusie, dat bij een bevredigende
oplossing der bovengenoemde vraagstukken de naaste
toekomst van het Indische bankwezen me’t vertrouwen
tegemoet mag worden gezien.

Dr
W. T. Kroese,
De jongste ontwikkeling in de export
aan onze katoenen manufacturen (III).

De heroriëntering op commercieel gebied (zie ,,E.-S.B.”
van vorige week) heeft zijn..terugslag gehad op de pro-
ductie, waarin een grotere verscheidenheid wordt nage-
streefd. Men hoede zich echter ‘voor de gevaren van een

onlogische productiedeviatie, terwijl bôvendien de per-
fectionnering van de massale serieproductie niet mag
worden verwaarloosd. Gelukkig vond de industrie bij de
handel eenzelfde neiging naar verbreding van het werk-

terrein. Voor die gebieden, die buiten de invloedssfeer
van de Indische importhuizen lagen, viel de industrie
echter terug op de oude beproefde wijze van individualis-
tische marktbewerking. Het laat zich aanzien, dat deze
straks, hij de terugkeer van een felle concurrentie, meer
en meer moet worden vervangen door een collectieve
poging, tot handhaving van de export. Symj3tomen, die
op een aarzelend inslaan van deze weg wijzen, zijn reeds
kenbaar.

Mr Fr C. . Schoiten,
Behandeling aan Duitse merken bij
het toekomstige aredesaerdrag.

Ook in de houding t.a.v. de Duitse merken is een ken-
tering waarneembaar ten gunste van de Duitsers. Dit
blijkbaar, onder invloed van practische overwegingen.
Bij het komende, vredesverdrag zal echter op individuele
behandeling van deze merken door elk land aanspraak
moeten worden gemaakt. Het ten behoeve van ons land

gebruiken van de Duitse merken is gerechtvaardigd en
dient te worden voortgezet. Ook moeten die merken
kunnen worden geblokkeerd, die inverband met deindus-
trialisatie een toekomstige industrie kunnen steunen.
De overblijvende merken kunnen aan de Duitsers worden
gerestitueerd of aan de Nederlandse importeurs worden
overgedragen.

SOMMAIRE.
Professeur
1. P.
de Vooys,
Pas de pléthore de fonctionnaires.

Une forme de réaction contre le fonctionnarisine,
menant
ui
une diminution

de la prospérité générale, con-

siste dans l’organisation professionnelle â cornpétence
réglementaire. Le projet de bi sui’ l’organisation profes’

sionnelle générale octioie plus d’autorité ii cette insti-
lu tion. l,’au teun esquisse dans quelle mesure le secteui privé
poii”a échappei.
it
l’emprise cl’une pléthore de fonction-

naires grâce ,k ce noïivel organisme parastatal.

Dr
J. II.
Spiegeleiiherg,
La si’tuation actuelie ei le.ç perspec-
hoes, des ban ques indonésiennes.

Le déblocage des créances et des dettes d’avant la guerre

a eu pour effet d’assainir les balances et les liquidités

bancaires. D’autres mesui’es plus radicales encore sont

nécessaires pouk’ résoudre tout un nombre de problémes.
Si ces derniers tt’ouvent une solution gatisfaisante, ii est

permis, eu égard au rendement actuel des capitaux, d’envi-

sager l’avenir des hanques indonésiennes avec confiance.

Dr
W. T. Kroese,
L’éaolution- récente de l’exportation néer-
landaise de l’industrie cotonnière (III). –

L’industrie cotonnière néerlandaise recherche non seule-
ment il. étendre ses débouchés mais également â produire des articles plus variés. L’industrie régressa l& de vieilles méthodes individualistas’pour opérersur les mrcliés situés

hors des sphères d’influence des maisons d’exportation
ndonésiennes. Une collaboration étroite pour maintenir
l’exportation f son niveau sera encore plus nécessaire alli

moment oû la concurrence va reprendre tous ses droits

i)i C. Sclioutni,
Les marqies de fabrique ‘alleman des et lê
Traité de Paix.

Lorsqu’on ‘négociera le traité le Paix, chaque pays
aevra exiger une discussion individuelle en.ce qui concerne
les marques de fabrique allemandes. L’exploitation de ces
nrques en faveur des Pays-Bas est justifiée, même les
marques susceptibles de soutenir une industrie future
doivent être bloquées. Les autres marques peuvent être
si’estituées aux Allemands.

SUMMAR1ES

‘Professor
1. P. de
‘Vooys,
No bureaucracy.
The bill on ,,Public Organisation of Business”, with the
possibility of giving lauv-making power to business organi-
sati’ons, may be a means to escape from the grip of govern-
mentemployees with its harmful’ influence on prosperity.

Fr J. H.
Spiegelenberg,
Present situation and outlook of
banking in Indonesia.

The balance- and liquidity-position of the banks has
improved after the defreezing of,prewar dehts and claims.
However, more problems have to be attacked. Rendability
is satisfactory at the moment and a reasonable solutidn
of the problems would give a hopeful outlook.
,Fr
W.
T. Kroese,
The Dutch export of cotton goods (III).

Besides the necessity of finding new export markets,
the Dutch cotton industry has to reach a wider variety
in its production, however. without losing the advantages
1
of large scale production. The export drive, especially
as far as the market concerns outside the indonesian
area, has to be organized more collectively as competition
is increasing.

Dr C. Schouten,
Ge,’man brands in the future peace. tieaty.

In the future peace treaty each country must have the
right, to deal individually with German’ brands, and to
use them in their own interest. Also a blockade of the marks, heing perhaps of interest for future industries,
must be possible. Other marks may be restituted.

744

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

22 September 1948

GEEN AMBTENAREN-REGIMENT.

De Amerikaanse schrijver Burnham heeft door zijn

boek: ,,Functionarisme” niet alleen de taal met een nieuw

,,isme” verrijkt en het aantal dezer ,,isme”-stelsels met

één aangevuld. Getrouw aan het profetisch karakter van

de uitvinders op dit gebied heeft hij ook aan zijn systeem
een toekomstige overwinning voorspeld.

Hij maakt het echter niet moeilijk om te weigeren

daaraan te geloven, want het beeld, dat hij in zijn boek

tekent, mist elke aantrekkelijkheid. 1-let mist ook de

ideologische glans en schittering van de voorgangers.

Op één gevaar heeft hij echter gewezen, het gevaar voor

de burgerlijke vrijheid. De Overheid, die zich bemoeit mt
alle dagelijkse behoeften van woning, kleding, voeding,

bovenal van eigendom en daardoor allerlei voorschriften
vaststelt, kan de toepassing en handhaving ervan slechts

uitvoeren met een uitgebreide Organisatie van ambtenaren,

wederom gecontroleerd door een niet minder omvangrijke

administratie en politie. Afgezien van de welvaarts-
vermindering, die het gevolg moet zijn van een sterke

verandering in de verhouding tussen producerende en

controlerende personen in de staatshuishouding, betekent
het ontstaan en polypenachtig groeien ener diepvertakte

bureaucratie een omvorming der maatschappij. Die wordt
zodoende verdeeld in een groep burgers, ploeterend voor
hun bestaan en welzijn en steeds verdacht van over-

tredingen. En een andere groep, die er aldoor op uit is om

al bazende voor hen regelen op te stellen en de overtreders

te snappen. Een afschrikwekkend beeld ervan was te zien
in het Nazi-Duitsland en in de autocratisch geregeerde

landen als Rusland en zijn vazalstaten.
Doch ook de na-oorlogse democratische Staten gaan
niet vrij uit. Ook daar vertoont zich het verschijnsel van

het functionarisme, zij het ook door de oude volksgewoon-

ten aanvankelijk in zeer verzachte vormen.
Zo’n beweging eenmaal ingezet en zulke organisaties

eenmaal gevormd, vertonen echter steeds. de neiging om zich uit te breiden en, in haar streven naar compleetheid,

de bevelende houding te verscherpen. Een reactie daar-
tegen is dan ook in vrijheidlievende landen vanzelfsprekend.

Daarom echter nog niet onmiddellijk krachtig genoeg om-
rsultaten te bereiken. De noden; die door.de oorlog en
zijn gevolgen wërden ondervonden, hadden een diepe in-
druk achtergelaten. De gevoelens van solidariteit, die zij

verwekten, hadden stevig wortel geschoten.
Een lange en voortgezette ervaring is nodig om te leren
inzien, dat geneesmiddelen ook erger dan de kwaal kunnen
zijn. Afschaffing der vrijheidbelemmerende regelingen
wordt, nog aarzelend, tot doel gesteld. De belofte, dat
zulks geleidelijk zal geschieden, brengt al een.berustende
verluchting.

Een andere reactie-gaat niet zover. De niet-ambtelijke
kringén hebben zelfs in vele gevallen lichtzijden en voor-
delen gezien in de getroffen regelingen. Zij vragen slechts
om deze voorschriften zelve te mogen opstellen en door-
voeren. Daarvoor bestond reeds lang voor de oorlog de
politieke formule, nI. bedrijfsorganisatie met ordenende
bevoegdheid. Thans heeft dit streven een grotere betekenis.
Vooral omdat een oude belofte nu schijnt te worden inge-
lost. Een uitvoerig wetsontwerp op de Algemene Bedrijfs-
organisatie is ingediend en met de behandeling schijnt spoed
te worden gemaakt. –

De nieuwe bureaucratie heeft dit voorstel uitgewerkt
en zichzélf daarbij geenszins vergeten. De talloze beper-
kingen van zelfbestuur gaan schuil achter nog te maken
wetten, koninklijke besluiten en ministeriële beslissingen.
Bovendien draagt samenstelling en redactie van het

ontwerp zeer duidelijk het karakter van wat tegenwoordig
de bureaucratie vootbrengt. –
Ieder, die het lijvig boek hoofdstuk-, titel- en artikel-
gewijze wil lezen, zal een meesterhand als in de Thorbecki-
aanse organiekewetten, volkomen missen. Met enige moeite

en dan vooral uit de toelichting, kan men zich wel een

beeld maken van wat tenslotte is bedoeld; de wets-
redactie zelf echter doet dit niet.

lIet begin is w’el goed. De vorming van een zelfstandige

algemene bedrijfsorganisatie met.een grotendeels eigen-

gekozen bestuur van de Sociaal-Economische Raad. Deze
kan zijn oordeel aan de Regering kenbaar maken over alle
economische aangelegenheden. Het lijkt een forse figuur.
Doch onmiddellijk wordt eraan geknaagd. De minister en

zijn ambtenaren en deskundigen houden vanaf dat forse

begin een oogje in het zeil. En meer dan dat. Alle beslis-
singen kunnen geschôrst en ongedaan worden’. gemaakt.

Door benoemingen van door de Regering aan te wijzen
voorzitters en secretarissen, dus van ambtenaren, ook voor

vele, dikwijls meer dan het bestuur zelfstandige, onder-

organen kan het departement de leiding aan zich trekken.

De gehele opzet is al ingewikkeld en moejlijk te overzien,

daar de onderorganen slechts geleidelijk tot stand zullen
komen. Over de werking in de praktijk kan men zich nog

moeilijker een denkbeeld vormen. Toch ware het een en

ânder noodzakelijk om het nieuwe staatsorgaan krachtens
art. 155 der Grondwet goed te kunnen beoordelen. Vooral
in hoeverre het bedrijfsleven – met de arbeiders daarin

opgenomen – aan de greep van een ambtenaren-regiment
kan ontsnappen.

De organisatie van het bedrijfsleven kan nimmer be-

tekenen, dat de Regering op economisch..gebied van .de

haar in Wet of door de nood gegeven macht moet abdi-

ceren. Evenmin dat de Staten Generaal van het laatst

woord afstand doet. Tenslotte kan tegenwoordig geen
regering bestaan zonder de steun van toegewijde en be-
kwame ambtenaren. Dat moet voor ieder, pok voor het
bedrijfsleven, sous-entendu zijn.

Het ligt geheel en al op het gebied der politiek ervoor te
zorgen, dat de ministers competent zijn. En deze zorgen

w’ederom, dat hun ambtelijk ressort voor de taken van de
dag is opgewassen. Doel van dit alles-is herstelde welvaart,
maar ook vrijheid. Dat mag nooit worden vergeten hij het

bedenken, – formuleren en toepassen van regelingep, die
slechts gerechtvaardigd zijn als middelen naar het ene grote

doel. Daartoe moet ook de organisatie van het bedrijfs-
leven leiden. Deze dient nooit een bdi1-al te zijn voor de
Regering, maar een steun. Het bedrijfslevcn,.waarop de
welvaart van het gehele volk berust, moet vertrouwen

genieten, en hetopen oor hebben der Regering. Daarom
passen in het wetsontwerp niet de vele op allerlei mogelijke

gevallen berekende contrôlemaatregelen. Zij zijn niet
groot gezien. Het zijn bedenksels uit een kleine ambte-
naarsgeest gerezen. Die echter bij het bedrijfsleven wan-

trouwen kunnen wekken en daarom beter voorbehouden

bleven tot latere aanvullingen en verbeteringen.
Zal de medezeggenschap van het bedrijfsleven in de
Regering slagen, dan moet geen vrees kunnen ontstaan
voor een ambtenaren-regiment, doch moet het werk be-
– ginnen in de geest van de eendraclît, die onze scheidende
vorstin als laatste vermaanwoord aan ons volk uitsprak.

Arnhem.

1. P. DE VOOYS.

HUIDIGE SITUATIE EN PERSPECTIEF VAN

HET INDISCHE BANKWEZEN.

– Gaarne voldoe ik aan het verzoek van de redactie, in
dit blad een beknopte uiteenzetting te geven over de
huidige situatie in het Indische bankwezen en (voor zover daarover in dit land in deze tijd iets verstandigs te zeggen
valt) zijn perspectief voor de (naaste) toekomst.
• Het behoeft niet te verwonderen, dat men zich in

Nederland ook op dit punt onvoldoende georiënteerd acht.
Ook voor wie in Indië woont en werkt toch is het – be-
houdens voor een deel dergenen, die zelf in het Indische
bankbedrijf werkzaam zijn – uiterst moeilijk, zo niet
onmôgelijk, zich ten deze een wat meer gedetailleerd en

22 September 1048

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

.

745

géfundeerd ooi’deel te vormen, een oordeel, dat ‘geen ge-

no’egen neemt met het constateren van enkele algemèen

bekende feiten, veelal samenhangend met gepubliceerde overheidsmaatregelen, en met een speculatie omtrent de
door die maatregelen teweeg gebrachte gevolgen. Zulks

is o.p zijn beurt te verklaren uit het simpele feit, dat tot
dusver nog geen der h.t.l. werkende Ned.-Indisc’he banken

(d.z. De Javasche Bank, de Ned. handel Mij., de Ned.-
md. 1-handelsbank en de Ned.-lnd. Escompto ihij) sedert
de bevrijding een jaarverslag in eigenlijke zin heeft ge-

publiceerd. Het grote publiek moest zich tot dusver te-

vreden stellen met enkele berichten aan aandeelhouders, waarin wel in meer of minder beknopte vorm
1)
ii’iedede-
ling werd gedaan van de lotgevallen der betreffende bank
gedurende de Japanse bezetting, maar waarbij tegelijk

uitstel moest worden gevraagd voor het afleggen van een
cijfermatige verantwoording omdat (1) de door de Japan-
ners veroorzaakte administratieve chaos nog niet tot klaar-
heid was gebracht, (2) grote gebieden, van Ned.-Indië en
daarmee een aanmerkelijk gedeelte van de belangensfeer

der banken aanvankelijk nog ‘ontoegankelijk resp. o’nover-
zichtelijk waren, (3) een aantal door oorlog, bezetting en
de Japanse ,,liquidatie”-activiteit teweeg gebrachte pro-
blemen nog onopgelost waren.
In verschillende opzichten is de situatie bereids zodanig
ten gunste veranderd, dat men, naar het wil voorkomen,
nog in de loop, van dit jaar van alle vier Ned.-Indische

banken (de Chinese en andere buitenlandse banken blijven
hier buiten beschouwing) eindelijk weer een ,,jaar”-verslag
in gebruikelijke zin mag verwachten. De administratieve achterstand is inmiddels grotendeels ingehaald. De poli-
tionele actie bracht, in aansluiting op de geweldloze
her-,,ontsluiting” van andere gebieden, het merendeel
harer belangen weer binnen de gezichtskring der banken. Ook• de moeilijkheden, verbonden aan de aanvulling der
door oorlog en bezetting gedecimeerde pei’soneelsformatie,
mogen inmiddels voor het grootste deel overwonnen heten.

Onopgeloste problemen.

In ernstige mate worden de Ned.-Indische banken echter
hij voortduring gehandicapt door het uitblijven van een
oplossing van verschillende der hierboven sub (3) bedoelde

vraagstukken. Het lijkt gepast om aan dit punt enige meer-
dere aandacht te wijden, omdat juist de oplossing van die problemen van beslissende in
loed zal zijn op de balans-

positie der Indische banken aan het einde van deze periode
van verwarring en destructie en daarmee op de vraag,
of de banken eerlang in staat zullen zijn in die mate bij
te dragen tot de financiering van de (verdere) wederopbouw
dezer gewesten als van haar wordt verwacht en als zij ook
zelf ongetwijfeld gaarne zouden ‘wensen, indien en zodra
er althans wederom (ongeacht de aard van de nieuwe
staatkundige structuur van ,,Indonesië”) redelijke waar-
borgen voor ‘orde, veiligheid en rechtszekerheid h.t.l.

zullen zijn geschapen (het n’ogsteeds – nu al drie jaar
na de zgn. ,,bevrijding” – ontbreken van die waarborgen
is meer dan iets anders de oorzaak, dat de economische
wederopbouw. van deze gewesten – enkele spectaculaire,
partiëleesiiltaten
2)
ten spijt – in feite nogvoor nauwelijks

iieer dan een fractie tot uitvoering gekômen mag heten).
Ruim twee jaar geledeh stelde de toenmalige Directeur
van Financiën een commissie in, die tot taak kreeg hem
van advies te dienen over de vraagstukken, verband hou-
dend met de financiering van de reconstructie van Ned.-

‘)
Het uitvocrigst en best gedocunienteerci waren cle ,,Beknopte
mededelingen van den President (van De Javasche Bank) met be-
trekking.tot de periode 1941-1946″, Cd. 18 November 1946 en het
,,Eericht (van de Ned. InC. Escornpto Mij) aan Aandeelhouders”,
Cd. 5 November 1947.
‘) Daaronder hetfeit, dat de gepubliceerde cijfers van de Indische
in- en uitvoer sedert April jI.. voor het eerst sedert de bevrijding,
een actief saldo te zien geven. In de zeer aanzienlijke na-oorlogse
winsten, met name van het Indische importbedrijf, manifesteert zich
helaas geen algemene welvaart, maar integendeel de armoede der
Indische gemeenschap als geheel (daarnaast uiteraard ook de heer-
sende inflatie èn – niet te vergeten – het vrijwel geheel ontbreken
van invloed van cle Overheid op het binnenlandse prijspeil).

Indië. De arbeid dezer commissie resulteerde in een aantal
waardevolle prad-adviezen, die evenwel (helaas) tot dusver

niet voor publicatie werden vrijgegeven. Ik meen echter
geen indiscretie te begaan wanneer ik hier mededeel,

dat een van de onderwerpen, waarover de commissie advies

uitbracht, de vraag was, of – en, zo ja, welke – speciale
maatregelen nodig waren te achten om het particuliere
bankwezen in staat te stellen zijn taak in dit land wederom

naar behoren te vervullen ;-dat deze vraag, terecht, beves-

tigend werd beantwoord en dat als zodanige maatregelen
werden genoemd
):

het treffen van een regeling met betrekking tot de

rechtsgeldigheid van handelingen, door de Japanse
,liquidateurs” verricht t.o.v. de vooroorlogse debi-
touren en crediteuren’ der banken;

het treffen van een regeling met betrekking tot de
ddor de Japanners geroofde en in beslag genomen kas-
gelden der banken;.

het uitvaardigen van voorschriften betreffende de
vraag, of over de bezettingstijd al of niet rente be-

rekend, resp. vergoed zal mogen resp. moeten worden;
het treffen van een regeling voor de afwikkeling van

de zgn. delegatie- en steunbetalingen,door de Hol-
-lancise kantoren der banken sedert 10 Mei 1940 aldaar
gedaan tan hen, die door de oorlog’van hun normale
inkomstenbron waren afgesneden;
een regeling of op zijn minst een principiële uitspraak
met betrekking tot het oorlogsschadeprobleem, waar-
bij ook de banken direct en indirect betrokken zijn;
het opheffen van de bevriezing van de vooroorlogse
vorderingen der banken.

Bovenstaande desiderata werden aldus bijna twee jaar geleden geformuleerd. lIet is bedroevend maar waart dat
sedert nog slechts op de sub
a.
en
f.
vermelde punten een
regeling tot stand kwam.

Rechishersiel.

De oplossing van het sub
a.
bedoelde zgn. Debiteuren/
Crediteuren-vraagstuk was vervat in de ,,Ordonnantie
1-lerstel Rechtsverkeei” (Indisch Stbl. 1947 No. 70 dd. 8
Mei 1947), zulks echter in zodanige termen, dat, zou het daarbij blijven, in feite nauwelijks van een ,,oplossing” –

van een het rechtsgevoel bevredigende regeling – zou
kunnen. worden gesproken, om redenen als in liet kort
werden uiteengezet in het hogerbedoelde ,,Bericht (van
de Ned.-Ind. ‘Escompto Mij) aan Aandeelhouders” dd. 5
November 1947.

Gecon/isceerde kassen.

Het sub
b.
bedoelde vraagstuk heeft betrekkiiig op de
kasgelden, die de banken op instructie van de Regering
hadden aangehouden – nadat aanvankelijk tot vernieti-
ging was besloten – en die vervolgens, bij en na de inval,
door de Japanners werden geconfisceerd. De, terzake van
de uit dezen hoofde door de banken geleden schade (welke,
met.inbegrip vân De Javasche Bank, meer dan f 100 m/m
beloopt) aan haar toekomende claim vond, ondanks haar
evidentie – gedekt als ‘die schade werd door een Rege-
ringsgarantie (zonder dewelke de banken, gezien de toen
geldende omstandigheden, onmogelijk aan de wens der
Regering tot aanhouding der, kasgelden .hadden kunnen voldoen) – nog steeds geen onvoorwaardelijke erkenning’
bij de daarbij betrokken overheidsinstanties, laat staan
honorering.

Renteoraagstuk.

Het sub
c.
bedoelde vraagstuk van de renteberekening
over de bezettingstijd scheen onlangs eindelijk tot een
oplossing te zullen komen: het was aan de tot bestudering

. Men vgl.de aantekening in ,,E.-S.B.” No. 1546 dcl. 24 December
5946 inzake ,,De Javasche Bank van 1941-1946″ en het artikel
van cle heer H. J. Manschotin ,,E.-S.B.” No. 1507 dd. 27 Maart
1946 inzake ,,Het geld-, bank- en credietwezen in Ned.-Indiê in de
bezettingsjaren 1942/45″.

746

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

22 September 1948

van dat vraagstuk enkele jaren (!) geleden ingestelde

commissie (Nederland heeft waarlijk geen monopolie van

het instituut der staats- en andere comfnissies!), na uit-

gebreide discussies, tenslotte gelukt te komen tot de

formulering van een voor alle belanghebbenden, naar het• wilde voorkomen, redelijk aanvaardbaar compromis. De

sedert toegepaste, procedure doet echter vrezen, dat ook

teze ,,knoop” voorlopig nog een knoop zal blijven. Voor
wie niet een volslagen leek op dit gebied is, moet liet

zonder meer duidelijk zijn, hoe onaangenaam het gebrek aan

hesluitvaardigheid van de financiële autoriteiten van dit
land, (lat zich ook (immers blijkens dit artikel niet alleen)

iii de onderhavige aangelegenheid manifesteert, met name

voor de (daarbij weer voor vele millioenen betrokken)

banken is uit een oogpunt van positiehepaling.

Delegatie- en steunbetalin gen.

Wd het sub
d.
bedoelde vraagstuk betreft, kan worden

medegedeeld, dat ook hiervoor een algemene regeling tot

dusver achterwege bleef. Een zodanige regeling zou be-

tekenen, dat het Gouvernement resp. het Ministerie van
Overzeese Gebiedsdelen de bahken voor de onderhavige,
destijds op zijn instigatie gedane betalingen (aanvankelijk
voor de vier banken in totaal een kleine f 10 m/m. be-
lopende, waarvan echter inmiddels een gedeelte tot af-
wikkeling is gekomen) zonder meer zou compenseren,

uiteraard onder overneming van de vorderingen zijner-

zijds. Niet alleen bleef zulk een regeling nog steeds (alweer:

hoe vanzelfsprekend ij bij objectieve beschouwing ook
moge lijken) achterwege, zij schijnt voor het Gouvernement

zelfs geen Punt van overweging te vormen. De banken zullen dan ook ernstig rekening moeten houden met de
mogelijkheid, dat met de finale afwikkeling van haar
onderhavige belang nog geruime tijd zal zijn gemoeid.

Zulks temeer, omdat het Ned.-lndisch Deviezeninstituut
tot dusver weigerde transfer naar Nederland te verlenen
voor hetgeen de banken zelf uit clezen hoofde h.t.l. be-
taald zouden kunnen krijgen, weshalve het in ontvangst

nemen van zodanige betalingen in Indisch courant tei’
delging van in Nederlands courant luidende verplichtin-

gen voor de banken uiteraard niet mogelijk is.

Oorlogsschade (eergoeding)

Wat het siib
e.
bedoelde vraagstuk betreft (het verhaal
dreigt eentonig te worden!), hebben de lezers van dit blad

in het artikel van Mr A. F. Poggenbeek inzake ,,De

herstelfinanciering van Ned.-Indië”
4)
kunnen lezen, dat-

nu omstreeks drie jaar na de capitulatie der Japanners
h.t.l. – de eerste stap om te geraken tot een (gehele of
partiële) vergoeding van de (tot enkele milliarden voor-
oorlogse guldens) geleden oorlogsschade nog moet worden

gedaan. Weliswaar is het

rechtstreekse belang van de

banken hierbij aanzienlijk kleiner dan dat van een be-
vredigende (en spoedige!) oplossing der eerder genoemde problemen. Uit een oogpunt van herstel van het priductie-
vermogen van het land, daarmee van zijn algemene wel-
vaartspeil, daarmee van het normale arbeidsveld en dus
van de rendementspositie der banken zijn echter ook zij
in hoge mate geïnteresseerd bij een bevredigende regeling
van het oorlogsschadeprobleem.
Nopen de voorgaande beschouwingen tot de conilusie,
dat het voorde lndische,banken nog steeds niet mogelijk
kan zijn – gezien de vele nog hangende vraagstukken –
een evèn klaar en duidelijk beeld te projecteren van haar
feitelijke positie op dit moment als men dat voor de
oorlog gewend was, en suggereren die beschouwingen de
buitenstaander zelfs een méér dan voorzichtige beoor-
deling, dit betoog zou eenzijdig en daardoor jegens de
banken bepaald niet ,,rechtvaardig” zijn, indien niet ook
in het kort werd gewezen op een aantal lichtpunten.

Gunstige aspecten en recente ontwikkelingen.

Daar is in de eerste plaats de waarschijnlijkheid, dat

) In ,E.-S.B.” ijo. 1622, dd. 9 Juni ji.

de sedert het hegin van de hervatting vn haar bedrijf

(d.i. omstreeks Februari/Maart 1946) en met name in de

afgelopen maanden van dit •jaar door de banken met

haar nieuwe, lopende zaken behaalde resultaten bevre-
digend zijn geweest. Aangenomen mag worden, dat vooral

haar bemoeienissen met de financiering van im- en export
de banken geen,windeieren hebben opgeleverd.
Er is anderzijds reden voor de veronderstelling, dat het

bankwezen h.t.l. lang niet in die nate heeft geprofiteerd

en profiteert van de heersende geldruhute (samenhangend

o.a. met de deficitfinanciering van het Gouvernement)
9)

als dat met het NederIandsbankwezen het geval is; dat

al. de Indische banken wel tot aanzienlijke bedragen gelden

van derden bij zich zullen hebben zien hinnenvloeien,

maar dat zij slechts voor een bescheiden gedeelte .daarvan

emplooi zullen hebben kunnen vinden:

le. doordat zij – althans de particuliere banken (in

onderscheid dus van De Javasche Bank) – in veel mindere

mate dan zulks in Nederland liet geval
is,
deelnèmen aan

de rechtstreekse financiering van de Overheid (nu als

vroeger slechts een betrekkelijk bescheiden bezit aan

schatkistpapier);
2e. doordat belangrijke delen van liet bedrijfsleven

ôf geen (ïf weinig behoefte hadden en vooralsnog hebben

aan bankcrediet (dit zal met name gelden voor de Chinese

sector van handel en bedrijf, die momenteel veelal ruim

voorzien is van eigen middelen) Ôf veel meer dan aan

bedrijfscrediet in eigenlijke zin behoefte hebben aan lang

crediet ter vervanging van ontbrekend eigen risicodragend

kapitaal, waarvan de verstrekking principieel niet op de Sveg van liet bestaande (Ned.-Indische) bankwezen ligt
(daaronder mede begrepen De Javasche Bank, voor zover
zij zich hew’eegt op het terrein des’ commerciële crediet-

verlening) en ter voorziening waarin dan ook, zoals be-

kend, de oprichting van een ,,IIerstelbarik voor Indo-

nesië” wordt beoogd.
• Aanzienlijke omvang schijnt daarentegen sedert enkele
maanden de indirecte financiering van het Gouvernement

door de vier banken te hebben verkregen,
al.
door de

financiering van het Voedingsmiddelenfonds, dt de laatste
maanden weer een belangrijke invloed is gaan oefenen

01) de rijstvoorziening van deze gewesten.
Vermeldiiig.vei’dient in het kader van deze uiteenzetting
omtrent de vermoedelijke ontwikkeling van middelen en

uitzettingen der banken voorts:
le. tdat de banken (met intrekking van het haar te

dien aanzien indertijd in het kader van de ,,voorwaarden
tot heropening” door de Overheid opgelegde verbod) met
ingang van 1 ‘April jl. de bevoegdheid werd toegekend

om
fop
de voet van art. 6 der Bevriezingsordonnantie-

1945) wederom vrijwillig te voldoen aan haar ingevolge
die ordonnantie voorshands nog opgeschorte, vooroorlogse
verplichtingen (voorzover door crediteurn der banken
van de daardoor ontstane mogelijkheid om over hun
vooroorlogse saldi te beschikken gebruik werd en wordt
gemaakt, betekent dit uiteraard geen vergroting van de
totale geldcirculatie, wel echter een omzetting van giraal
in chartaal geld, theoretisch ten koste dus van de be-
wegingsvrijheid ‘met name van de particuliere banken;
haar rentabiliteit zou er echter, naar mag worden aan-
gesiomen, voorshands hoegenaamd niet door worden be-
invloed, doordat zij nog ruimschoots in staat mogen worden

geacht, dergelijke onttrekkingen op te .vangen door ver-
mindering van haar renteloze saldo bij de Circulatiebank
instede van door inkrimping harer rentegevende uitzet-

tingen);
2e. de heractivering van het oude Javase bankpapier

‘)
Het Gouvernement van Ned.-Indie is ook in zoverre in gebreke,
dat nog steeds sedert de bevrijding geen begroting werd gepubli-
ceerd; onzeker is intussen niet zozeer 6f een zodanige begroting een
tekort te zien zou geven, noch hoe dat tekort in hoofdzaak werd en
wordt gefinancierd
(fl1.
enerzijds door de uitgifte van muntbiljetten
en schatkistpapier en anderzijds – vooral – door trekking op de
Circulatiebank), als wel
hoe groot
dat tekort is. Gering zal het niet
1
zijn.
/

.1

22 September 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

747

op 26 Mei ji. daarentegen strekte wel tot een verruiming
van de totale geldcirculatie (echter onder aftrek van het-
geen van dat papier hereids door de banken vasevoor-
schot) en dus tegelijk tot verdere vermindering van de

toch al betrekkelijk geringe binnenlandse credietbehoefte;

3e. belangrijk is tenslotte, dat per
7
Juli jl. ook de

bevriezing van cle (bulk der) vooroorlogse vorderingen der

banken
6)
een einde nam (zij het ook, dat debiteuren in

principe nog een beroep op de 1

lerstelrechter werd gelaten).

Tot die’datum verkeerden de banken in de onmogelijk-

heid, haar oude vorderingen te innen (van de mogelijkheid

tot vrijwillige betaling werd slechts in geringe mate door dehiteuren gebruik gemaakt), waren zij dus genoodzaakt
de aan die uitzettingen verbonden risicö’s te blijven

dragen, ook waar dit (zd’als in vele gevallen, met name,

van Oostere debiteuren) economisch geenszins langer
noodzakelijk leek in het licht van dehiteur’s’ momentele

omstandigheden.

Conclusie en erspectief.

De ontdooiing der vooroorlogse vorderingen en schulden

strekte, uiteraard tot sanering van de (balans- èn liqui-

diteits-)positie der banken, en deze harerzijds trouwens

reeds sinds geruime tijd bepleite maatregel kon dan ook
door haar slechts worden toegejuicht. Dit mag echter niet
voorbij doen zien, dat overigens nog heel wat meer èn
ingrijpender maatregelen nodig zullen zijn, wil h.t,l. weer

sprake. kunnen zijn van een als voorheen gezond geld-,
crediet- en bankwezen, hoczeer ook, wat het bankw’ezen
betreft, dit qua apparaat reeds nu weer de toets ener
critiek naar vooroorlogse maatstaven goed
4
zou’ kunnen
doorstaan.
Verheugend is daarnaast, dat dat bankwezen, zoals
reeds terloops werd opgemerkt, zi6h. naar het wil voor-

komen, sedert enige tijd in een behoorlijke rentabiliteit
mag verheugen (do sterk gestegen personeelskosten ten
spijt). Was het voör de oorlog h.t.l. gebruikelijk, dat het bankbedrijf in eigenlijke zjn zichzelf nauwelijks wist te

bedruipen en de dividenden det’ Indische banken in’ feite
geheel of-grotendeels werden opgebracht dooi haar ,,doch-

ters” en andere bedrijven en cultures, waarin zij waren
geïnteresseerd, thans lijken zij
01)
beide
fronten te profi-
teren van de heersende inflatie, die maakt dat allerwegen
in het bedrijfsleven hij veelal nog steeds meer of mijider
onder-normale reële omzetten niettemin zeer aanzienlijke
winsten worden gemaakt, hetgeen onvermijdelijk mccle ten
goede komt aan de banken.
Wanneer nu bovendien eindelijk ook voor de hierboven

vermelde nog steeds hangende vraagstukken een bevre-
digende oplossing wordt’ gevonden, lijkt het verantwoord,
de naaste toekomst voor het Indische bankwezen met
vertrouwen tegemoet te zien. 1-let uitspreken van een’
prognose voor een verder verwijderde toekomt daaren-
tegen lijkt, zo voor het bankwezen als in meer algemene
zin, bepaald niet verstandig. Dit ge overiens niet
alleen voor dit land, ook al heeft dat 66i zijn eigen, interne
moeilijkheden en problemen.

Batavia,-16 Augustus 1948.

J. 15. SPIE&ELENBERG.

‘) Vgl. het hierboven sub
1.
vermelde diesideraturn


DE JONGSTE ONTWIKKELING

IN DE EXPORT VANONZE KATOENEN

MANUFACTUREN
(III).,

Jre,.schuQi,jge,z in de productie

Men kan zich wel hardnekkig verzetten tegen het voor-
spellen, doch aan de waarheid, dat in het stellen van de diagnose het begin .vai’i de prognose besloten ligt, valt
niet te ontkomen. – Het is dus logisch, dat na het consta-
teren van hétstreen naar risicôverdeling door het stimu-

leren van de omzetten in het binnenland, in Indië en op

een grote verscheidenheid van internationale markten,
de vraag rijst: zal het straks mogelijk zijn deze politiek
te continueren?

Ofschoon het hij gebrelc aan gegevens omtrent de arbeids-

kosten onmogelijk is hier met zekerheid een antwoord op

te geven, .loont het el de moeite na te gaan of wij, wat
betreft de methode van werken, op cle goede weg zijn;

of dus in de wijze van produceren en distribueren al of

niet veranderingen moeten w’orden aangebracht teneinde
het beoogde doel te be’eiken.
Uit de deviezenaanvragen voor de aankoop van nieuwe
machines blijkt reeds, dat de investeringen niet alleen

bedoeld zijn om geleden oörlogsschade te herstellen;

ook voor het inhalen van de achterstand sedert 1940 zijn

vele plannen beraamd, en terecht. Want zij, die zich dodr
een recent bezoek aan Zwitserlaiid, Engeland en vooral aan
dë U.S.A. op de hoogte konden stellen van de huidige
stand der techniek in de katoenindustrie, zullen ‘direct

hebben geconstateerd, dat wij op velerlei gebied, vooral
op chemisch terrein, niet meer ,,bij” zijn. Daarnaast,

komen dan nog de wijzigingen, die in het productieproces
moeten worden aanebracht om de heroriëntering in
binnen- en buitenland mog’elijk te maken.
Nu is de basis, waarop de katoenindustrie stoelt, ge-
lukkig gezond. V66r de oorlog beschikten Twente en
Brabant over een goed uitgebalanceerd, redelijk modern
machinepark. Volgens de leuze, die na de bevrijding ge-
meengoed werd, zou aan dit apparaat vooral geschaafd
en verbeterd moeten orden om het gecompliceerde

goederen met een maximum, aan toegevoegde waarde te
doen produceren. Dât toch zou de weg zijn, de Nederland moest inslaan om met zijn ,,falitasierijk intellect” de strijd
om het bestaan met suçces te kunnen vooretten, de
klasse der grove en middelzware weefsels zodoende aan
de nieuw opkomende concurrenten in de agrarische landen
en aan de sterk op massaproductie ingestelde klassieke
mededingers overlatend.

Inderdaad is er veel voor •te zeggen deze richtlijn ie
volgen, mits men zich terdege voom’ overdrijving hoede.
Zet meii alles op dè kaart der zgn . ,,lioogwaam’dige” arti
kelen, dan vrezen wij, dat de industrie zeer kwotsbaat- en
sterk conjunctuui’gevoelig woi’dt. Zelfs in de huidige
periode vancle ,,sellers’ market” zien wij maat’ al te dikwijls,
hoe een regering, wakende voor de deviezenschal, van het
land, direct klaar staat cle import van luxe artikelen
te w’eren, een gedragslijn, die in tijclemi van depressie
automatisch doch niet minder rigoureus zal worden dooi’-
gevoerd.

Bovendien meten w’ij ervoor zorgen, dat cle productie-
deviatie, die uit deze opvoering’ van de kwaliteit voOrt-
vloeit, steeds binnen redelijke economische grenzen blijft.
Een verschuiving van een onderdeel van een massaal
seriebedrijf naar meer variabele productie is toelaatbaar.
,,Opduwend” kan de sector der vam’iabhle bedrijven zich
geleidelijk op de ultra-variabiliteit i-ichten. Een totale
collectieve ovei’schakehing op het voortbrengen van uit-
sluitend gecompliceerde artikelen zou oi. fataal worden.
Vandaar dat meer aandacht moet worden geschonken
aan een handhaven en vooral ‘verdiepen’ van de massale
productie, mits deze tot in de perfectie gespecialiseerd en
gQstandaardiseerd wordt. In vergelijking met het andere uiterste lijkt deze pi’oductiewijze ogenschijnlijk het een-
voudigst door te voeren; ih wezen zullen ei’ echter de
grootste hindernissen voom’ overwonnen moeten wom’den.-
1-let ligt veel meer in de lijn van het Nederlandse individua-
lisme de op kleinere leest geschoeide variabele bedrijven
uit te bouwen, dan voor een tot in de uiterste consequenties
door te voeren specialisatie en standaardisatie,concessies
van arbeiders en i’erkgevërs af te dwingen. Concessies
als daar zijn het abandonneren van het waTnbegrip,’ dat aan
het antal getouweii – per wever bediend- — eéns -en-
vooral een maximum is gesteld of het strijden tegen de

r

748

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

22 September 1948

achtrdocht t.o.v. de samenwerking, die de grote Twentse
bedrijven zowel op economisch-technisch als op commer-

cieel gebied moeten nastreven, willen zij straks de export
van serie-artikelen handhaven.
Of het peil, dat in de Verenigde Staten op het gebied

van de specialisatie en standaardisatie behaald is, door

ons ooit kan worden bereikt, is zeêr de vraag. Het valt

immers niet mee de handicap te overwinnen van een
kleiner en minder homogeen afzetgebied, van een geringer

rechtstreeks contact met de grondstoffenleveranciers, van

een op individualistische leest gechoeide bedrijfsopbouv

of van een volmaakt verscliillende arbeidersmentaliteit

(aversie tegen het ploegenstelsel)
1).

Slechts als de kern uitgebuit wordt, die geheel in ons
voordeel is, nl. het gewend zijn aan het hanteren van

oneindig veel gecompliceerder problemen, kunnen wij

enigszins hopen ook op dat punt onze rivalen te weerstaan.
Een voortgaan’ op de weg naar samenwerking, welke op

intern bedrijfsorganisatorisch gebied slechts schoorvoetend

en alleen in technisch consuitatieve zin betreden is, dient
daarbij echter wel als conditie te worden gesteld. Even-

zeer trouwens het opvoeren van de arbeidsproductiviteit,,
waarbij ook het doorboren van het loonplafond ernstige

overweging verdient.
Aanpassingen bp commercieel gebied.

Meer nog dan op het terrein van de productie heeft de

katoenindustrie haar commercieel apparaat aan de ge-

wijzigde omstandigheden moeten anpassen. Het eind
van dit proces is trouwens nog niet te zien.

– In het verleden werd de afzet door een betrekkelijk
kleine staf verzorgd. De handel in het binnenland ver-
eiste, op enkele
uitzondeiuingen
na, geen omvangrijke

organisatie, terw’ijl de export grotendeels via de historische
relaties met Indische importhuizen en door middel van
agenten in het buitenland werd verzorgd.
De spreiding der risico’s, zowel door het bewerke
fl
van
een groter aantal gebieden als door het ter hand nemen
van de productie van afwijkende artikelen, eiste echter
reeds een reconstructie van het verkoopapparaat, terwijl

te verwachten is, dat men hierbij nog maar aan ht begin

staat.
Wat de Nederlandse markt betreft, is het interessant
t.z.t. een overzicht te krijgen over de verschuivingen, die

van blijvende aard zullen zijn. Velen, die nu hun toe
vlucht hebben gezocht in het op een bijzondere wijze
veredelen van hun producten, zullen hun verkooporgani-satie op deze grotere range van artikelen moeten afstem-
men, willen zij hun plaats op de markt blijvend veroveren.
Over de methode van handeldrijven in Indonesië valt

nog weinig te zeggen. Weliswaar staat de overdracht
aan dè particuliere handel voor de deur, doch de afzet-
‘verhoudingen zijn er nog niet zodanig gestabiliseerd, dat
bijv. aan een terugkeer tot het consignatiestelsel gedacht
kan worden. De relatie met de oude vertrouwde impor-
teurs is echter weer aangeknoopt
2)
en dit niet alleen voor
Indië. Ook de handel heeft het gevaar van een eenzijdige oriëntering op onze Overzeese Gebiedsdelen ingezien en
het behoeft geen betoog, dat de industrie dankbaar
gebruik gemaakt heeft van deze heroriëntering, door ook
haar belangen buiten Indië in vele gevallen aan de buiten-
landse kantoren der op Java gevestigde importeurs toe

te vertrouwen.
Daarnaast was de katoeninidustrie in vele gevallen ge-

‘) Niet alleen het rendabele exploiteren van cle peperdure nieuwe
machine-installaties maakt hetwerken in twee ploegen noodzakelijk;
daarnaast geeft liet weder invoeren van deze werkmetliode de
grote exporthedrijven de reactiesnelheid terug, clie zij voor liet be-
dienen van grote markten als Indonesi9 nimmer kunnen ontberen.
) Bij lietbeoorclelen van de verschuivingen in de exporten dient niet verzuimd te worden de voorliefde van gelegenheidsexporteurs
voor de binnen hun gezichtskring gelegen Europese markten in
aanmerking te nemen.
Als
straks de uitvoeren weer door de litetori-
sche exporteurs worden verzorgd, zal blijken, dat zij de Aziatische
markten meer trouw bleven, dan uit de hier geproduceerde cijfers
zou blijken.

noodzaakt zelf voor exploratie van nieuwe markten te

zorgen; vooral waar het afzetgebieden betrof, die buiten

de Oost-Aziatische sfeer lagen. Ook hier werd, evenals

bij de spreiding van de productie, in hoofdzaak individua-
listisch te werk gegaan. T-Jet behpef t daarom ook geen

verwondering te baren, dat men in nieuwe gebieden de

agenten vaneen veertigtal exporthuizen aantreft, om nog

niet te spreken van de- vele indirecte – exporten van de

overige dertig gelegenheidsexporteurs
3).

Zolang het prijspeil gunstig blijft en de ,,sellers’ market”

ook het grote bezwaar van de
inde
aanloopperiode der

productie nog te geringe partijgrootten ondervangt, kan

een dergelijk continueren van de vooroorlogse afzetmetho-

den nog zonder ongelukken verlopen. ItIen moet zich
echter wel afvragen, of de industrie zich ook straks de

weelcie kan veroorbiven haar eigen boontjes te doppen.

De tijden, waarin, men hoofdzakelijk kon volstaan met de

concurrent, stad- of streekgenoot, gade te slaan, zijn

voorbij en evenals politieke conflicten niet langer tot de

onderlinge strijd van steden en provincies beperkt blijven,
doch landengroeperingen en continenten omvatten, zo

zal ook straks de industriële strijd veeleer tussen landen
en landengroepen – (Benelux) dan tussen de individuele
bedrijven gaan.

FIet is niet alleen’ dit externe gevaar, dat -tot het inslaan

van nieuwe wegen noopt, er iseen tweede gevaar van

interne aard. 1-Toe mèer men alles zelf wil doen, hoe groter

de kans, dat men le productiedeviatie opvoert, gehoor

gevende aan de drang van vertegenwoordigers en afnemers

om per productie-eenheid een zo volledig mogelijke
kwaliteitenreeks te brengen. Heeft men immers op een
bepaalde makt in een product een goede afzet, dan is de
verleiding dikwijls maar al te groot om om deze kern heen
een grotere variatie op te bouwen. Vooral dreigt dit bij

de massabedrijvea, welke door een te grote versnippering

de voordelen van lage productiekosten, voortspruitende
uit grote productiepartijen, verliezen, zonder er de sou-
plesse en het snelle reactievermogen van dle klein ere be-

drijven voor in de plaats te krijgen. –
De Ideineren zullen wel sneller hun range kunnen aan-
vullen. Bij hen ligt het knelpunt veèleer in een te gering
commerciële staf, waardoor het gevaar van een gelegen-

heidsexport via exportagenten kan dreigen. –
Het is een geluk, dat een samenwerking op commercieel
terrein gemakkelijker is door te voeren
4).
Dit, gepaard
aan het feit, dat ook .in de kringen dér industriëlen een open oog bestaat voor het ontoereikende van het eigen
commerciële apparaat, gaf reeds het ontstaan te zienvan
enkele vormen van samenwerking voor die gebieden,
waar de Nederlandse handel onvoldoende vertegenwoor
digd was.

– Eén dezer symptomen is een gemeenschappelijke research,
ondernomen door de Vakgroepen Katoen-, Kunstzijde-
en Linnen-Industrie in Scandinavië, en het Nabije- en

Midden-Oosten. Een derde reis, naar Afrika, staat nu op
het proSramma. Direct concreet voordeel is er van een
dergelijke collectieve research uit den aard der zaak niet
te verwachten. Eigenlijk spreken de resultaten ook het
meest In de periode direct na de chaos der oorlogsjaren
toen allen zich zelfs op bekende afzetgebieden opnieuw
moesten oriënteren, zonder dat elke onderneming zèlf
tot een dergelijk onderzoek in staat was. –
Voortbouwende op deze reizen ziet men thans enkele
combinaties van fabrieken- ontstaan, die gezamenlijk een

Een enctutte van de Vakroep Katoenindustrie wee’s uit, dat
in
1938 40
ondernemingen katoenen weefsels exporteerden;
31,2
pOt van hun piductie werd naar Ned:-rndie uitgevoerd,
10,8
pct
naar andere landen.
8
ondernemingen namen toentertijd
71
pCt
van deze export voor hun rekening; 7ij vertegenwoordigden
44,4
pCt van de totale productie der
69
katoenwevenijen. Het totaal
aantal deelnemerS aan de export-drive moge groot schijnen, wat
dan te zeggen van Laneashire, waar in
1940/’t 1 750
,,converters”
zich met de export van katöenen en rayon-weefsels bezig hielden (Cotton Working Party Report).
In de periode
1929-1939
bestonden er in de. Nederlandse
katoenindustrie 26
vormen van samenwerking op economisch ter

rein, die zich vrijwel alle binnen de commerci8le sfeer bewogen.

22 September 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

749
1

landengroep bewerken
5
). Voorlopig zijn deze combinaties
nog zeer los èn beogen zij meer de verschillende agenten
een compleet ,,gamma”
8)
uit de katoensector aan te
kunnen bieden. 1-let is echter waarschijnlijk, dat deze

samenwerking de kern zal vormen voor meer hechte
organisaties, al zal het nuttig zijn de moeilijkheden, die

zich daarbij zullen vo6rdoen, niet te onderschatten.

Niet voor niets kunnen immers de financieel sterke Neder-landse ondernemingen trots zijn op hun door eigen kunnen

opgebouwde bedrijven; een trots, die onder bejaalde
‘omstandighden een grote weerstand kan opwekken.

lIet is echter al mooi, dat deze principiële breuk met de
individualistische tactiek van de jaren véôr 1940 het de
oude concurrenten mogelijk maakt zich min öf meer

als collega’s op elkaar in te spelen. De tijd van de felle

concurrentie op cle internationale markt ir immers niet
ver meer
7)
en dan is het te verwachten, dat alleen een
gezamenlijk koesteren van elke kleine uitvoermogelijk-
heid de industrie op de been kan houden.

Samenauing.

• liet antwoord op de ons gestelde vraag over de h%Iidige
stand van zaken der exporten van Nederlandse kat’oenen
manufacturen kan tenslotte het beste als volgt worden
samengevat.

1-loewel Tweitte en Brabant er in geslaagd zijn hun pro-ductie-apparaat na de oorlog weer snel op gang te brengen,

is het tempo in het tweede rehabilitatiestadium – dat
der consolidatie – danig tegengevallen. De arbeidsproduc-
tiviteit alsmede het garentekort vormden hiervoor wel cle
grootste knelpuhten.

Ook de monetaire bottleneck dient echter bij dit alles
niet uit het oog te worden verloren. Voor de rehabilitatie
van het machinepark is Nederland nl. aangewezen op de
klassieke industrielanden als Engeland, Zwitserland,
België en in zekere zin Amerika; meest alle landen dus
met een ,,harde” valuta. Voor de aankoop van grond-
stoffen ligt het accent nog sterker op de behoefte aan
,,hard currency”; katoen blijft immers voor minstens
60 pCt een dollargrondstof. Katoenen garens konden slechtt
in te verwaarlözen quantiteiten uit Engeland worden betrokken, terwijl belangrijke hoeveelheden garens –
in 1947 meer dan
4/
van de totale import – tegen
harde valuta moesten worden geïmporteerd.
De productie aan weefsels werd na de oorlog steeds meer
verspreid over verschillende afzetgebieden teneinde de
risico’s zo veel mogelijk te verdelen. In volgorde van
belangrijkheid noemden wij: de binnenlandse markt
(kunstmatig op cen te laag niveau van 85 punten, d.w.z.
nauwelijks 50 pCt van de vooroorlogse consumptie, omlaag
geschroefd), Indië (waarvoor de prima kwaliteiten echter
nog in te geringe hoeveelheden gemaakt kunnen worden)
en een grote verscheidenheid van exportmarkten.
«
Bij deze laatste kan het accent niet op de dollar-area
liggen, daar de U.S.A. enerzijds meer grondstoffen im-
porteert dan industrieproducten en Zuid-Amerika zich anderzijds gedeeltelijk redt, gedeeltelijk in snel tempo
zal industrialiseren.

Het is dus gewènst, dat de driehoeksverhouding Neder-
land – Indië – U.S.A. weer zo spoedig mogelijk wordt
hersteld, al dier.en wij niet uit het oog te verliezen, dat
Nederland slechts bij de terugkeer van de multilaterale

‘)
O.a. voor Scandinavie, Amerika en liet Nabije- en Midden-
Oosten.
Onder
een
,,gainma” wordt een collectie verstaan, clie de gehele
range van gebleekte, geverf(le, hech

uk

te, hontgcweven en fancy-
weefsels omvat.
‘)
De huidige hausse op de internationale textielmarkt, teweeg
gebracht door de oorlogsschaarste, mag de inkrimping van deze
markt niet uit het oog doen verliezen:
1913 1928 1937
Tegen een zich uitbreidende Consumptie van
ruwe katoen stond immers een inkrimpend 100

118

13&
internationaal handelsverkeer in katoenen
manufacturen

100

88

62
De strijd op deze verkleinde markt beloft heftig te worden.

verhoudingen in het economisch verkeer op een soepele transfer der valuta kan rekenen.

Deze heroriëntering op commercieel gebied heeft zijn terugslag gehad op de productie, waarin een grotere ver-

scheidenheid wordt nagestreefd. Alen hoede zich echter

voor de gevaren van een onlogische productiedeviatie,
terwijl bovendien de perfectionnering van de massale
serieproductie niet mag worden verwaarloosd.

Ook het verkoopapparaat heeft zich aan moeten passen
aan de gewijzigde omstandigheden. Gelukkig vond de

industr.e bij de handel eenzelfde neiging naar verbreding

van het werkterrein. Voor die g’ebieden, die buten de
invloedssfeer van de Indische importhuizen lagen, vie]
de industrie echter terug op de oude beproefde wijze

van individualistische marktbewerking. Het laat zich aan-

zien, dat deze straks, bij de terugkeer van een felle con-
currentie, mèer en meer vervangen moet worden door een
ollectieve poging tot handhaving van de export. Symp-

tomen, die op een aarzelend inslaan van deze weg wijzen, zijn reeds kenbaar.

Het dollarprobleem als zodanig is voor de katoenin-
dustrie intern natuurlijk niet op te lossen. Wel bieden

Brabant en Twente aan Nederland zeer waardevolle
deviezeninkomsten. Het is te verwachten, dat de katoen-
industrie er alles op zal zetten in de naaste toekomst haar
eervolle plaats op de ranglijst der beste Nederlandse
exportïndustrieën te behouden.

Almelo’

Dr W. T. KROESE.

BEHANDELING VAN DUITSE MERKEN BIJ

HET TOEKOMSTIGE VREDESVERDRAG.

Evenals er in de houding van de grote geallieerden, die
Duitsland bezet houden, sedert de overeenkomst van

Potsdam ten aanzien van het door hen bezette land in
drie jaren tijds een opmerkelijke w’endirig is gekomen,
kan men een dergelijke principiële ommekeer evenzeer
op een gehéel ander gebied vaststellen, nl. in de adviezen
van de Internationale Kamer van Koophandel te Parijs,
betreffende de behandeling van de Duitse warenmerken.

Doel van dit artikel is, na te gaan, wat er op dit gebied,
echter niet alleen door genoemde Kamer van Koophandel,
is besloten resp. geadviseerd en in hoeverre een navolging
van die besluiten voor ons land wenselijk ware.

Artikel 6 van het slot van de besluiten der Parijse Her-
stelconferentie van 14 Januari 1946 legt aan elk der
ondertekenende Staten de plicht op, de vijandige Duitse
activa, welke zich op zijn territoir bevinden, in beslag te

nemen en daarmede aldus te handelen, dat zij niet meer in
Duits eigendom of onder Duitse contrôle kunnen terug-
keren. Onder deze onbeperkte redactie vallen uiteraard
ook de Duitse warenmerken.

Afgezien vn de maatregelen, welke elke geallieerde Staat reeds eerder ten aanzien van Duitse vermogens-
waarden in het algemeen en/of merkenrechten in •het
bijzonder had genomen, wordt bovendien nog door even-
genoemd artjkel aan die Staten volkomen handelings-
vrijheid gelaten, mits zij er maar voor zorgen, dat de merken niet direct of indirect weer in Duitse handen

geraken. Met name geldt derhalve voor merken niet
dat, wat de Londense overeenkomst van 27 Juli 1947 ten
aanzien van octrooien wèl uitdrukkelijk voorschrijft,
namelijk om de merken voor iedereen verkrijgbaar en
bruikbaar te maken resp.- gratis licenties te verlenen.

Artikel 6 van de Parijse Herstelconferentie heeft der-
halve niet slechts de individuele volkomen . vrijheid,
doch daarmede ook de verwarring, welke op het gebied.
van Duitse warenmerken door de oorlog reeds was ont-
staan, hetzij bestendigd, hetzij nog verergerd. Want
reeds een oppervlakkige blik- op de vôérdien resp. daarna
door de verschillende regeringen genomen maatregelen is voldoende om .de beschouwer van het onderling vol-

750

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

22 September 1948

slagen afwijkend karakter van clie maatiegelen te over-

tuigen.

De kenteicng der opvattingen.

Reeds een, zij het niet op de voorgrond geplaatste,

gewijzigde houding kan mën aantreffen in een advies,
hetwelk de Internationale Kamer van Koophandel aan het congres van Montreux van Juli 1946 als grondslag

verstrekte. Het door dit congres overeenkomstig het
advies opgestelde ontwerp voor de in het toekomstige

vredesverdrag op te nernen desbetreffende bepalingen is
kennelijk geïnspireerd door art. 297 van het Verdrag van

Versailles en bepaalt in art. 3, dat de geallieerde Staten

zich alle rechten ten aanzien van de industriële eigendom

voorbehouden, zodat zonder hun toestemming geen

mogelijkheid voor een Duitse staatsburger bestaat om

daarover te beschikken. Hier wordt dus reeds voor elke
Staat individieel de mogelijkheid geopend om al of niet

op bepaalde voorwaarden aan een Duitser de beschikking

over industriële eigendom terug te geven. 1-liermede

wordt mitsdien reeds inbreuk gemaakt op de in de aanhef genoemde bepaling van de Herstelconferentie van Parijs,

waarin zulks aanstonds uitdrukkelijk was uitgesloten.

Toegegevbn moet worden, dat de volgende stap in

zoverre een grote verbetering was, als meo daarmede te
Icennen gaf, dat de op dit gebied vanzelf reeds ontstane

en door de I-Ierstelconfereitie gesanctionneerde verwar-.

ring in: strijd is met het belang van de gehele economische

wereld. Deze stap ging wederom van de Internationale
Kamer van Koophandel uit en werd in haar advies van

25 Februari. 1948 neergelegd. Volgens dit advies zouden
in alle landen de Duitse merken moeten worden doorge-

haald :

• In de verschillende publicaties, welke over dit onder-

werp van Duitse zijde zijn verschenen, doet men het voor-
komen, dat de verwarring, welke de oorlog heeft gebr
.
acht,

in strijd is met het beginsel, hetwelk is neergelegd in de

conventies van Parijs (1883) en Madrid (1891) en het

daarin tot uiting gebrachte streven. Volgens die publicaties
zou.het doel van de genoemde confeienties het brengen van

eenheid in le landelijke wetgevingen zijn. Dit is echter een
onjuistheid, welke aan opzet grenst. De Unie van Parijs
heeft immers slechts ten doel de rechten, welke aan eigen
onderdaîien op grond van het door hen deponeren van

eën merk (of octrooi) toekomen, ook aan vreemdelingen
•toe te kennen (art. 2). De conventie van Madrid behelst
een techniche maatregel, dienende ter vei’gemakkelijking
van het te Parijs overeengelcomen beginsel, nl. ,de auto-
inatische erkenning van het merk, door het deponeren

daarvan t
e
Brn,
:
00k in de andere aangesloten landen.
Men zou derhalve met meer recht kunnen beweren, dat
de genoemde cdnventies de verscheidenheid in de lande-
lijke wetgevingen juist erkennen, althans daarmede relce-
ni9g houden.
Gezien de moeilijkheden, welke uit de practische toe-
passing van zulk een verdragsbepaling als in het advies

van’ de Internationale Kamer van Koophandel van
Februari 1948 bedoeld, nl. de doorhaling in alle landen van
de Duitse merken, noodzakelijk zouden voortvloeien

(vooral ten gevolge van het feit,,dat de meeste regeringen
intussen reeds op een of andere wijze over de Duitse merken
hadden beschikt), misschien ook ten gevolge van een
intussen doorgebroken gewijzigde houding en veranderd economisch inzicht, ligt liet volgende advies, van
3
Juni
,
jl., van dezelfde Kamer van. Koophandel, slechts diie

maanden na het vorige, voor ons.
In dit nieuwste advies, in velks aanhef terecht de wens

wordt geuit zo snel mogelijk naar een normale internatio-
nale ordening van deindusriële eigendom terug te keren,
wordt nl. niet slechts door in art. 1 een in alle Staten
ielfde behandelingswijze van de Duitse merkett aan te
bevelen, de in Februari 1948 ingeslagen weg
tr

verder be-

eden, neen, een bijna opzienbarende – wijziging van

de houding tegenover die merken is neergelegd in de

volgende artikelen (2-4), waarin tot uitdrukking wordt

gebracht, dat het gewenst is, dat de merken, onder in-
achtneming natuurlijkvan de landelijke bepalingen, aan

de vroegere Duitse eigenaren worden teruggegeven.

Volgens art. 5 van het advies zouden de voorafgaande

artikelen echter niet moeten worden toegepast, indien over

een merk reeds beschikt is, zodat het thans het eigendom

van een derde is. – –
In de zitting van de Internationale Kamer yan I(oop- –

handel, waarin het bedoelde besluit werd genomen, varen

de volgende landen vertegenwoordigd: België, Bulgarije,

Frankrijk, Groot-Brittannië, Indo-Cliina, Italië, Neder-

land,
rpsjeclloslowakije
de Verenigde Staten, Zweden en

Zwitserland. Het advies werd, bij de onthouding van

stemmen door Nederland en Tsjechoslowakije, eenstemmig’
aangenomen, doch heeft Nederland later alsnog zijn

stem aan het advies gegeven.
Een ongeveer evenwijdige ontwikkeling, zij het slechts
in de practijk en niet in schriftelijke adviezen neergelegd,

kan men’ opmerken in Duitsland zelf. Volgens de Wet

No. 5,van 30 October 1945 van de
Geallieerde
Bestuurs-

raad is het Duitse vermogen in,het buitenland, waaronder

dus ook de merkenrechten, op de vier grote mogendheden,
die de Geallieerde Bestuusraad in Duitsland vormen,
overgegaan. (Deze bepaling geldt voor alle Duitse merken

buiten Duitsland–ook op het grondgebied van anderd

landen dan dat van de vier grote mogendheden, overschrijdt

daarmede dus – onbegrijpelijkerw’ijze – het territoriale
beginsel, doch heeft natuurlijk slechts zin voor zover het
het Duitse gebied-resp. dat van deze mogendheden ieder
voor zich betreft).
De Duitse fabrikanten begaan derhalve een overtreding

telkens wanneer zij goederen van een merk voorzien en
uitvoeren naar een land, waar dat merk is ingeschreven.
Niet alleen echter heeft de Geallieerde Bestuursrad
zulk een overtreding nog nooit willen vaststellen, uit zijn

streven de uitvoer van Duitsland op allerlei wijzen te
willen bevorderen blijkt integendeel, dat hij de gebruik-

making van.,de merken, in het belang van de verkrijging

.van deviezen, zelfs w’enst.
Er moet dus een merkbare kentering in de opvattingen

ten aanzien van de Duitse merken worden geconstateerd.
Deze kentering is niet, zoals de muitsers het zo graag.
willen doen voorkomen, een ge’volg van terugkeer door de

geallieerden naar de hais van recht en gezond verstand,
welke immers door hen niet werd verlaten. Neen, blijk-
baar heeft men zich, in het bijzonder in de kringen van de
Internationale Kamer van Koophandel, dôor de volgende
Duitse argumenten laten leiden:
de Duitse merken zouden, in de handen van gealli-

eerde pt-oducenteii gekomen,. geen w’aarhorg
v
o
or
kwali-
teit meer bieden;
de daaraan verbonden, indirecte nadelen zouden
niet te overzien zijn;
de voordelen, voortvloeinde uit een verhandelen,
door de Staat, van de Duitse merken, zouden grotendeels
imaginair en in geen geval blijvend zijn;
de ervaring van de laatste jaren zou de verwarde
toestandop het onderwerpelijke terrein vdldoende aan-

getoond hebben.

Nederland’s houding bij liet komende i’i-edesvcrdrag.

Welke houding dient o.i. de Nederlandse Regering ten
aanzien van cle Duitse merken hij liet komende vredes-
verdrag – vooropgezet al, dat zij bij machte zal blijken
hij het opstellen daarvan haar stem te doen gelden –

in te nemen? Het moet worden erkend,
dat:
de merken

eeii moeilijk verteerbare massa in de Duitse buitenlandse
boedel vertegenwoordigen. Niettemin dient dé handelwijze
an de Nederlandse Regering erop gebaseerd te. zijn
aan de ene kant, dat aan het streven naar volkomen

onteigening en mobilisatie van het Duitse eigendom,
/

22 September 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

751

waar ook en welk ook, gezien het feit, dat het gehele
Düitse volk zonder noemenswaardige uitzondering op
fanatieke wijze en met inzet van alles aan de vernietiging

en onderwerping van andere volkeren krachtig heeft

medegew’erkl, in naam van het Recht onveranderU worde

vastgehouden, /
aan de andere kant, dt deze gedragsw’ijze natuurlijk

de grootste kans van slagen biedt, indien men de Duitse

activa
01)
de voor ôns beste, d.w.z. me’est econoihische,

wijze besteedt. .
Wij nemen aan, dat het eerste gedeelté van deze basis

niet voor tegenspraak van enige zijde vatbaar is; evenmin
het tweede gedeelte, doch dat de toepassing van dit be-

ginsel daarentegen
OJ)
uiteenlopende inzichten, ook in

ons eigen land – en deze beschouwing is voor ons land

geschreven – zal stuiten. Daarop wijst imihers de aarze-

lende houding van Nederland bij de besluitneming van de

In teinationale Kamer van Koophandel.
Indien de vrédesconferentie zich op het gebied van de
Duitse merken met het advies van de IrUernationale
Kamer van Koophandel solidair zou verklaren, zou zij

zeker de eenvoudigste oplossing kiezen. Van deze handel-

w’ijze zijn echter reeds aanstonds die merken uitgesloten,
waarover intussen door deverschillende regeringen, ook

de onze, reeds
is
beschikt. In vele staten zijn immers

Duitse merken inderdaad reeds door deBegering verkht.
Als voorbeeld van deze handelwijze kan men vooral de
Nôord- en Zuid-Amerikaanse Staten noemen. Daar kon
reeds van 1942 af over de Duitse merken worden beschikt,
in de bezette Europese landen pas na de capitulatie.
Er is niettemin bijna geen. land te noemen, waarin niet
althans enkele Duitse merken op een andere eigenaar zijn
overgegaan. InNederland iszulks slechts geschied, waar

het merk hehorde aan een Duits dôchterbedrijf hier te

lande, of indien door een Nederlands bedrijf reeds eerder,
uit hoofde van een overeenkomst met een Duits bedrijf,
ârtikelen met een aan dat Duitse bedrijf in eigendom
toebehorend merk werden geproduceerd. –
In de zo beperkte beschikking – hetzij door verkoop,
hetzij door uitgifte van eer licentie over.de Duitse merken,
als in ons land werd toegepast, nl. slechts indien de
waarborg voor de voortgezette productie’ van de vroegere
kwaliteit aanwezig kan worden geacht -, mag mende
eerbied veronderstellen, welke de Regering voor een merk

met recht dient te hebben. Immers, het merk béhoort wel
aan de fabrikant als producent van.het bepaalde product
toe, doch het is door hem aangenomen, omdat hij weet,
dat zijn afnemers, wegens de daarin gelegen waarborg
voor een standaardkwaliteit, ernaar vragen. Hoewel
j
de,

vrag naar het product in het voordeel van de producent

is – dit is immers bij elk artikel het geval – is het waren-merk daarop in het bijzonder ten behoeve van dé groot-
handelaar, de detaillist

en vooral van de verbruiker,
aangebracli t. 1-let warenmerk heeft eenmaal vertrouwen
geschapen en boezem t bij elke nieuwe koop ‘wederom vertrouwen in. Het is dus plicht van de Staat tegenover

de producenten en afnemers, ook de buitenlandse, om het principe van orde, waarop de merken steunen, niet omver
•te werpen. De schade door blijvend verlies aan internatio-
naal vertrouwen staat in geen verhouding tot de voorbij-
gaande geringe winst, welke de. verkoopvan een merk in

de Schatkist zou brengen. .
De Duitseis beweren, dat, tengevolge van de verkoop van het merk door de Staat aan een ander, de verbruiker
altijd schade lijdt; reeds het feit op zich zelf – zo immers
zeggen zij -, dat cle geallieerde producent zijn artikel
van een Duits merk wenst te voorzien, zou reeds bewijzen,
dat zijn product wel van mindere kwaliteit moet zijn..
Anders zou hij dat Duitse merk nit nodig hebben en zou hij reedi éerder zijn eigen merk met sicces voeren.
Na de bovenstaande uiteenzetting van het wezen van
het merk en van de voorzichtige en uitzonderlijke wijze,
waarop door de Nederlandse Regering tot dusver over de

Duitse merken is beschikt, blijkt voldoende, dat althans

tegenover ons land, de Duitse redenering van elke grond

is ontbloot. Er is verder voor ons land nog een andere nfogelijkheid

van vrucltbare en. rechtmatige toepassing van Duitse merken[ nl. daar waar de Nederlandse producent een-

reeds beproefd of ook een nieuw artikel, van dezelfde
kwaliteit als het Duitse, wil lanceren en zich daartoe

van het Duitse merk wil bedienen om zich de jarenlange

noodzakelijke reclame en de introductie van het artikel
hij het publiek te kunnen besparen. Bij de voortschrijdende

in dustrialisatie in Nederland kan deze toepasingsmogelij k-
heid aan waarde en belangrijkheid winnen. Ook dan zal

zonder twijfel de waarborg, welke
,
het merk aan het pu-

bliek tot dusver bood,. gehandhaafd blijven. Een produ-

cent immers, die weet, welke jarenlange ervaring, proef-

nemingen en hoge uitgaven aan het aannemen van een
merk moesten voorafgaan – en deze laatste nu in de
vorm van een Icoopsom of licenlierechten aan de Staat ho-

.taalt — zal zicl van.de
verantwoording, welke hij aan zijn
reputatie schuldig is, wel degelijk bewust zijn.

Tenslotte kalE het blokkeren van een merk, het erbod
het te gebruiken, ‘oor ons land voordeligblijen, indien

daardoör een ander binnenlands merk wordt beschermd en het gebruik van liet artikel gestimuleerd. Bij een voortzetting van de tot dusver in ons land ge-
voerde voorzichtige. politiek kan van directe nadelen van
liet gebruik van Duitse merken door andere rechthebben-

den dan van v6r 1945 wel geen slirake zijn. Evenmin
zou dan een, ten gevolge van de officieel gesanctionneerde
onzekerheid, groeiend wantrôuwen ‘ tegen elk merken-

artikel mogelijk
zijn.
Noch zou liet verkopen van Duitse

merken, door de Staat zich tegen de eigen economische
orde richten en tegen het vertrouwen, dat zijn artikelen

in binnen- en buitenland tot dusver genoten; noch zou
van enig andei indirect nadeel sprake kunnen zijn, alles
argumenten, welke slechts in Duitse bieinen, als uitvloeisel

van Duitse verbeelding, konden ontstaan.
In verband met het bovenstaande is ook duidelijk,

dat de voordelen; voortvloeiende uit een verhandelen,
door de Staat, van de Duite merken, volstrekt niet imagi-
flair .of vai tijdelijke aard behoeven te zijn. Zo ergens, dan mag men hier niet ‘generaliseren ..Er zijn merken,
welke belangrijke baten voor de Schatkist en cle onder-
neminen kunnen opleveren, andere weer, waaraan letter-lijk niets te verdienen zal zijn. Men zou zich bijv.kunnen

voorstellen dat de invoer van clie Duitse artikelen, op de
productie vaarvan het industriële apparaat van ons land
.-althâns voorlopig geen uitzicht biedt en welke toch in
ons land benodigd worden, zoals kleurstoffen en pharma-
ceutica, zou möeten worden voortgezet, terwijl de baten,

voortvloeiende uit het gebruikvan de betrekkelijke merken,
voor de Schatkist van ondergeschikte hetelcenis zijn.
lIet voordeel voor ons land zou echter
01)
elk ander ge-

bied kun nen’worden opgevoerd, indien slechts het contrôle-
apparaat vaii de Overheid groter ware; . bij gebreke van

zulk een contrale-apparaat genieten de Duitse merken
een grotere vrijheid in ons land dan nodig en ook dan wel

wenselijk ware.
Dat er na 1945 t.a.v. sommige l)uitse merken een zekere
verwarring is ontstaan, moet worden toegegeven, vooi’

zover het enkele belangrijke merken, vah internationale
faam betreft. Even uitdrukkelijk moet echter worcicn
geconstateerd, dat deze verwarring niet tav. . Duitsliiid
zelf bestaat, doch juist in sommige landen7 buiten Duits-
land, met name dooi misbruik van enige pharmaceutische
merken, nI. het gebruik daarvan, voor andere artikelen
dan waarvoor zij véérdïen werden gebezigd. Dit feit
wordt natuurlijk door de Duitser als propaganda gebruikt:
liet welzijn van de mensheid – daarop is de Duitser
immers zo.gesteld, hetgeen Europa en niet het minst ons
land op onvergetelijke wijze aan den lijve heeft ervaren –
is door de onverantwoordelijke na-oorlogse merkenpolitiek

752

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

22 September
.
1948

in gevaar gebracht! Maar ook al valt hier endaar enige

verwarring te constateren, zo behoeft de algehele terug-

gave van alle merken aan de vroegere Duitse eigenaars

nog niet ht middel te zijn hieraan een einde te ‘maken.’

Conclusie:

Resumerende komt men tot de conclusie, dat er, wil

men blijven vastho’tiden aan de mobilisatie van de Duitse
eigendom op de meest economische wijze, van eé’n uniforme

behandeling bij het toekomstige vredesverdrag van alle

Duitse merken – voorzover daarover nog niet reeds is beschikt – althans voor ons land’geen sprake kan zijn.

Daarbij ware het volgende in liet ‘oog te houden.

De beschikking over Duitse merken’ is volstrekt niet in

strijd met de conventies van Parijs en Madrid, waarbuiten
de Duitsers zich bovendien door eigen opzet, immers door
het ontketenen van de grootste aller ‘oorlogen, zelf hebben
geplaatst; een oorlog, waarin zij in de bezette landen –

in ons land zijn daarvan voorbeeldn teover, vide bijv. de

behandeling van de BPM en de Staatsmijnen – onder
,

het motto ,,Krieg ist Krieg” en ,,I3efehl ist Befehl’ die

conventies zelf met voeten hebben getreden.

De plicht om op de Duitsers ook op het onderwerpelijke

gebied – ook al zou dit maar een druppel in de zee van

materiële schuld van Duitsland, aan Nederland betekenen –
te verhalen wat maar mogelijk is, brengt een niet-general!-

serende behandeling van de Duitse merken mede, al naar
de belangen vai ons land, resp. de vaak uiteenlopende

belangen van handel en industrie, zulks medebrengen.

De tot dusver gevolgde gedragslijn, de Duitse merken ten
behoeve van ons land op voorzichtige wijze te gebruiken, nl. door verkoop tegelijk met of licentièverlening aan een

het merk reeds eerder gebruikende onderneming, of aan
een onderneming, die de waarborg biedt het artikel in

dezelfde kwaliteit te kunnen produceren, of door blokkeren

ten behoev van een’ ander merk, dient zo lang mogelijk
te worden voortgezet. Deze merken zouden in elk geval

niet aan Duitsers moeten worden gerestitueei’d.

Moet tenslotte de eindafrekening worden opgemaakt,
dan dient de mcgelijkheid tot het blokkeren van die merken

te worden geëist, welke, in verband met de voortschrij-

dende industrialisatie van ons land, er toe zouden kunnen
dienen een zelfs. toekomstige industrie te steunen. Met
name zou tot het dooi-halen van merken niet moetOn
worden besloten, daar zij dan ter algemene beschikking
zouden ‘komen,

De overblijvende merken zouden dan aan de Duitsers
kunnen – worden gerestitueei’d of aan de Nederlandse
importeur worden overgedragen. In de meeste gevdlle’n

zal dit op hetzelfde neerkomen, daar-hun belangen even-
wijdig lopen. Dit zal dus het geval zijn met die merken,

welke voor ons land geen pi-actische waarde hebben en
met die, welke bij artikelen behoren, ‘op de verdere invoer
waarvan ons land, daar het ze nodig heeft, hoge pi’ijs stelt.
Op het recht op individuele behandeling van de merken
door elk land zal derhalve aanspraak dienen te worden
gemaakt. Ongetwijfeld zal daarnaast voor die beroemde
wereldmerken, waarbij alle landen belang hebben, de
buiten Duitsland ontstane ve1warring dienen te worden

opgelost. Deze merken zijn echter juist degene, waarover
in de meeste landen, met name in die met een sterk –
ontwikkelde chemische industrie, i’eeds is beschikt. De
behandeling van deze merken zal dus niet bij het vredes-

verdrag ter sprake komen, daar men te .hunnen aanzien
reeds tegenover een voldingch feit is geplaatst. Zij zouden

het onderwerp moeten zijn van een conferentie, welke
indirect het gevolg van de ‘oorlog zou zijn en zich dan zou moeten bezighouden met ‘de inter-geallieerde behandeling
van vroegere Duitse merken, welke, ten dele reeds van

1940 af, in geallieerde handen zijn overgegaan. Zulk een
conferentie is wel ‘noodzakelijk, waar het hier veelal
pharmaceutica betreft en het merkenrecht van de produ-
cerende onderdaan van de ene staat vooral dient tot

bescherming van de kopende onderdaan van de andere.

Dit artikel zou niet volledig zijn, indien niet werd ge-

wezen op het argument, hetwelk de Duitsers t.a.v. ons

land nog in het bijzonder in het geding brengen, nl. dat
art. 20 van.de Merkenwet bepaalt, dat het merk aan liet

producerende bedrijf’ls gebonden. Zij vergeten daarbij
echter, dat deze bepaling practisch waardeloos is, daar

men het merk kan doorhalen en onmiddellijk w’eer op een

ander kan doen inschrijven.

Tenslotte vragen wij de Duitsers, die een ethisch-juri-

disch argument in het geding brengen en thans zo voor het

recht opkomen, vooral hen, die ons in talrijke mondelinge
gesprekken verzekerden, dat zij deze houding ook tijdens
het nazi-régime zouden hebben aangenomen (!), welk

onrecht er wel steekt in het inheslagnenien van Duitse
merken? 1

loewel ideële eigendom en daardoor in de Duitse

buitenlandse boedel moeilijker te likwideren dan de mate-

riële, vormen de merken niettemin een deel van de Duitse

eigendommen in het hüitenland, waarop’ direct verhaal

mogelijk is. Door ‘verstandige, geselecteerde likwidatie

ten eigen bate mede van de vroegere Duitse merken,

voor zover daarmede het belang van ons land is gediend,
schendt Nederland, met recht de verpersoonlijking vn

het internationale juridische geweten, allerminst zijn

traditie en vervult daardoor tevens zijn dure plicht de
Duitse eigendommen ten behoeve van het eigen volk
zo veel mogelijk dienstbaar te maken.

Schieveningen.

. Mr Dr’C. SCIJOUTE

AANTEKENING.

DE ML I:LIoENsor4.

Met de opening ‘van de gewone jaarlijksé zitting der

Staten-Generaal op de derde Dinsdag in September

heeft de gebruikelijke indiening van het Ontwerp Rijks-
begroting, ditmaal voor 11et dienstjaar 1919′ met de bijhe-

horende ,,Nota betreffende de toestand van ‘s Rijks

financiën” plaatsgevonden.

Na de inleiding geeft de Nota een overzicht van de
dienstjaren 1940.t/m 1948, vervolgens een beschouwing

over de vermogenspositie van Jiet Rijk, een bespreking
in onderdelen van de Ontwerp Begroting 1949, een uiteen–
zetting betreffende het door het Centraal Planbureau
opgestelde Nationale Budget voor 1949 en een bespreking

van afzonderlijke onderwerpen. In een slotbeschouwing
wordt een samenvattende typering gegeven van het
stadium, waarin het economisch en financieel herstel zich
bevindt.

A. Inleiding.

In de inleiding gewaagt de Minister met dankbaarheid,

dat in het jaar van het gouden Regeringsjubileum van
KoninginiWilhelmina – liet jaar ook van de overgalig der
Koninklijke waardigheid in handen van Koningin Juliana
– de Nota, betreffende de toestand van ‘s Rijks financiën,
een minder somber geluid kan doen horen dan de vooraf-
gaande jaren sedert Nederlands bevrijding het geval is
geweest.
De geleidelijke verbetering van de financiële toestand
des. lands zal weldra een stadium hebben bereikt, waarin
niet alleen – zoals in 1948 – de Gewone Dienst een groot
overschot laat, maar waarin ook de Buitengewone Dienst T
(de dienst van uitgaven van aflopend karakter, uit oorlog
en bezetting . volgend) nagenoeg geheel uit de gewone
middelen zal kunnen w’orden gefinancierd.
Dit moge blijken’ uit de tabel bovenaan op blz. 753.
1-lierbij wordt aangetekend, dat in de Ontwerp-Begroting

voor 1949 rekening moest worden gehoudenmet dé nieuwe
wet op de financiële verhouding tussen hét Rijk en de
gemeenten, waardoor de laatste f100 millioen meer ont-
vangen dan volgens de oude regeling.

22 September 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

753

astge_
Gecorri-
Ont” erp-
OMSGHRIJV.EN&
St

Id

begroting
er le
begroting
begroting

1948 1948
1949

GEWONE DIENST
(in millioenen guldens)

Uitgaven

……………
2.427 2.738

1
2.367

1
2.417
Middelen

……………
3.191
3.156

Toordcljg .saldo
311
824
739
13UITENOEVONE DIENST
1
Ultgaveii cii ontvangsten van
atlopeiid karakter
1.091
1.141
816
54
54
76
Uitgaven

…………….

1.037
1.087
740

Middelen

…………….

(lEVONE
DIENSt’
EN
J1UITENÇiEWONE
DIENST
1
3.518 3.508
3.233

Nadelig saldo

…………

2.792
3.245
3.232
Uitgaven

…………….

Ndelig saldo
726
263
1

Middelen

………………

Nadelig saldo

Landbouw-
Egalisatiefoncls
498
602
365
1.224
865
366
Het werkelijk saldo 1948
van hot Land bouw-Egalisa-
tiefonds zal naar thans ho;
kende gegevens meer he-
– dragen

Totaal nadelig saldo .
BUITENGEWONE DIENST IE
KaDitaalsultgavoli en -ont-
vangsten
Uilgaven
Middelen
Saldo

………………1

423

t

429

1

294

Bij de bovenstaande vergelijking dient men voorts in
aanmerking te nemen, dat de uitgaven ten laste van de
Buitengewone Dienst 1 voor een belangrijk deel, hoewel
niet het staatsvermogen vermeerderend, naar haar ard
met kapitaalsuitgaven gelijk zijn te stellen, vöor zover zij

fl1. het nationale vermogen versterken. Dit geldt in meer
of mindere mate voor de belangrijke uitgaven w’egens
herstel van oorlogssehade ad
f
482. millioen.
in het wetsontwerp Materiële Oorlogsschaden wordt
voor deze uitgaven een speciale dekking voorzien, ni.
jaarlijks terugkerende belastinginkomsten tot een bedrag
van ca f 250 millioen en, voor zover de stand der middelen
daartoe noodzaakt, leningen voôr het restant. Zou het
systeem van het wetsontwerp Materiële Oorlogsschaden
reeds bij het opstellen van deze begroting hebben gegolden,
dan zou het resultaat zijn géweest, dat – indien de op-
brengst der voorgenomen belastingen als baten tegen-

over de uitgaven voor herstel van oorlogsschade zouden
zijn opgevoerd— het saldo van de Gewone Dienst en
Buitengewone Dienst 1 1250 millioen gunstiger zou zijn
géweest, namelijk in plaats van î 0,7 millioen nadelig,
ruim f 249 millioen voordelig.
iliertegenover staat echter, dat – in overeenstemming met de procedure van voorafgaande jarën – het nadelig
saldo van het Landbouw-Egalisatiefonds bij de raming
der uitgaven zowel op de Gewone Dienst als op de Buiten-
gewone Dienst 1 buiten beschouwing is gelaten. Feitelijk zou dit nadelig saldo van f 365 millioen ten laste van één
der genoemde onderdelen van de begroting moeten komen.
liet consumptief karakter van deze uitgaven staat immers – op de voorgrond:
Betrekt men ook deze factor in de beschouwingen, dan
slaat de balans weer naar de andere zijde door en resulteert
een nadelig saldo van f 365 millioen min f 249 millioen is

1116 in III joen
De Buitengewone. Dienst II wijst een tekort aan van
1 294 millioen. hierbij dient echter onmiddellijk te worden
opgemerkt, dat de .kapïtaalsuitgaven bij definitie en af-gezien van financiële conjunctuurpolitiek door lenings-
gelden mogen worden gedekt. In het raam ener financiële
conjunctuurpolitiek zou, kunnen worden gesteld, dat dit-
maal zelfs de kapitaalsuitgaven uit de belastingopbrengsten’ zouden moeten worden gedekt. Een dergelijke fiscale poli-

t

/

tiek zou echter een zo zware last op het bedrijfsleven
leggen — omdat kapitaaldienst en herstel tezamen een

te groot offer vereisen – dat het herstel niet bereikt

zou worden.

Na B een overzicht der dienstjaren 1940 t/m ’48, volgt

een behandeling van

,,De eermogensposite ean het Rijk”

De staatsbalans per 31 December .1947 kan als volgt

worden samengevat:

Stceatsbalans per 31 December 1947.

(in millioenen guldens)
Activa
…………..
19.375

S1iultlen
Nadelig saldo .. 15.224

korte
…………
15.764
lange
…………
9.208
34.599

Diverse passiva

9.627

34.599
.

De betekenis van de hier samengevatte balans moet
vnl. hierin worden gezocht, dat ‘deze in beknopte vorm

een overzicht geeft van de grootte en samenstelling der
staatsschuld (in ruime zin) en van de daartegenover

staande liquide middelen, vorderingen en andere activa.

Onlroei’p-Begroting 1949.

In de inleiding werden reeds de uitgaven der vast-
gestelde begroting 1948 en die der Ontwerp13egroting
1949 vermeld.

liet hierna volgende overzicht geeft een inzicht in de ver-
deling der uitgaven over de diverse doeleinden (zie tabel
bovenaan op blz. 754).

Hierbij dient te worden opgemerkt, dat een vergelijking
met oorspronkelijk vastgestelde begrotingen niet anders•
dan onvolledig kan zijn. Na liet
vaststellen der begrotings-
ontwerpen, welke ontwerpen in hoofdzaak zijn gebaseerd
op de ramingsgegevens, welke in de eerste helft van het
aan het begrotingsjaar voorafgegane kalenderjaar
bekend waren, kunnen zich uiteraard tal van omstandig-

lieden voordoen, zowel aan de uitgaven- als aan de midde-
lenzijde, welke het begrotingsbeeld belangrijk wijzigen.
Gezien de overgangsti,jd, waarin wij leven, is dit ten aan-
zien van de begroting 1948 zelfs in sterkere mate het geval
dan in de normale jaren van vôér de oorlog.
Rekening houdende met a. de te verwachten suppletoire
verhogingen op grond van wet of op grond van wet of
besluit en op grond van te laag gebleken ramingen, b. de
onbesehikt blijvende bedragen en c. de verhoogde middelen-
raming voor 1948, geeft een vergelijking van de ontwerp-
begroting 1949 met de gecorrigeerde begroting 1948 een
beeld, zoals blijkt uit de eerste tabel.
Zo gezien wijst de Ontwerp-Begroting voor 1949 dus,
wat de Gewone Dienst, de Buitengewone Dienst 1 en het
Landbouw-Egalisatiefonds gezamenlijk betreft, een budget-
verbetering aan van 1 499 millioen.
Dit resultaat is bereikt door den lagere raming der uit-
gaven van de Rijksbegroting ad f 275 millioen, een lagere
middelenraming ad 113 millioen en een lagere raming
van het nadelig saldo van het Landbouw-Egalisatiefonds
ad 1 237 millioen.
Wat tenslotte de middelen betreft, geven we in onder-staande tabel de raming der belastingophrengsten.

itaming voor 1948, na
aftrek uitkeringen

Ransing 1949
provincie engenieenten

Inkomstenbe]. ,,na aftrek
Opbrengsten in millioenen guldens
van voorlieffingen”
621
639
Omzetbelasting
488
712
Loonbelasting
329
456
invoerrechten
167

.
215
1 70

.
200
Accijns op tabak

. . .
137 155
pjjotsrhap51a5tjng
100 160

Vereveningsheffing
……

Andere belastingen

. . .
322
382

Totaal

…………

2.334
2.919

104

1.328

865x

366

473

479

366
50 ‘

50

72

/

754

ECONOMISCH-STATISTICHE BERICHTEN

22 September 1948

Categorieën

Buitengewone

Ge
Buitengewone
Dienst 1

Dienst II

wone dienst

(Uitgaven van

arlopend karakter)

(Kapitaalsuitgaven)

1948

1
1

1949

1948

I


19I9

1948

1

1949

(in

inillioenen
guldens)
558 544
17
52


34
1
1


Nationale

Schuld

…………………………………..
.
Buitenlandse

Dienst

.
……………………………….32
Politie

en

Justitie

………………………………..
.
25
..
173 46
29
.

3
5
Onderwijs,

Kunsten

en

Wetenschappen

………………..
.
795
337
1
0 6
8
Herstel oorlogsschade
1)
58
52
610
491
1
t)
409
.

.

497
240-
137
45
173
71
73

.


67
73 16
7

4
9
16
12

28
19
Uitgaven ter bevordering van handel en nijverheid, niet opge-

..
Militaire

uitgaven

…………………………………..
Waterstaat

……………………………………..
..

19
lo
0 o
si
64
Uitgaven ter bevordering van landbouw en visserij, niet opge-
nornen

hij

een

der andere categorieën

………………
..

nomen

hij

een

der andere

categorieën

………………
..
48 55
IS
3
10
.

$
Distributie-, contrôle- en

prijsbeheersingsapparaat
48
24
49 30

Prijssubsidies, exclusief Lamlbouw-Egalisatiefonds
– –
50
’18

Verkeer
…………………………………………
..

332
346
39
,

30
1
1

Luchtvaart

……………………………………..
..

Volksliuisvesling

…………………………………..
’20
31
94$
54 2
1
9
10


Algemene uitkeringen aan gemeenten en provinciëli
200
– –



– –
12


Overzeese

Gehiedsdelen

…………………………….
..

Bestüurskosten, niet opgenomen hij een der andere categorieën
117
915
0
1
5
3

Sociale

voorzieningen

…………………………….
..

57
‘-
– –
d

4

..

16

3

Goederen,

bestemd

voor

doorverkoop

…………………
..

Pensioenen

…………….. ………………………
..
Wachtgelden,

nou-activiteitsweden,

e.d.

……. ………..
..

2.427 2.417
1.091

816
472
366
498 365


Totaal

…………………………………………
..
Landbouw-Egalisatiefonds

…………………………..
..

Totaal-Generaal

………………………………….
.
2.427 2.417
1.589
1.181
472
366

‘)
Inbegrepen uitgaven, welke niet vllen onder die,

waarvoor
in

liet

wetsontwerp
op
de’ materiële-
oorlogsschaclen
een
speciale
dekkingsregeling is voorzien.

In
.

E. Bij ksbegrottng en IVationaal Budget 1949.

De Regering heeft uitvoering gegeven aan haar voor-

nemen in de Nota betreffnde de toestand van ‘s Rijks
financiën een Nationaal Budget voor 1949 op te nemen.
Een• zodanig budget immers verschaft een duidelijk

inzicht in de onderlinge samenhang tussen de verschil-

lende sectoren van het economisch leven. Met name
bicdt het een achtergrond waartegen de voorstellen t.a.v.

het overheidsbeleid kunnen worden geplaatst.

lIet budget is gebaseerd op een aantal voorstellen van
het Centraal Planbureau, ten aanzien waarvan de Regering

haar standpunt evenwel nog niet heeft bepaald. Deze zijn

voornamelijk gericht op een vcrai’itwoord deficit in het
handelsverkeer met het buitenland en een verdere toene-
ming van het productieve nationaal vermogen. Dit zal
het naar de mening van het Centraal Planbureau o.a. nood-

zakelijk maken de invoer van dc thans gerantsoeneerde
verbruiksartikelen niet te verhogen boven het niveau van
1 uli 1948,.naar mogelijkheid de invoer van niet-essentiële
goederen en die uit de dollargebieden te beperken, de uit-
voer te stimuleren, de industribI6 investeringen op te
voeren en voorts te streven naar het herstel van hel inter-
Europese multilateraal handelsvei-keei-.

De genoemde voorstellen resulteren in een productie-
toeneming van ca
6
pCt ten opzichte van 1948, een toene-

ming van het nationaal vermogn mei ruim f 1 millias’d,
een netto-hedrijfsinvestering in prod uctiemiddelen (met
inbegrip van w’oningen) en voorraden van ca 1 1,9 milliard
en een overall-tekort in het goederen- en dienstenverkeer
met het buitenland van ruim 1 0,8 â 1 0,9 milliard.

In een vijftal rekeningen en een samenvattend diagram,
dat wij hieronder afdrukkn, zijn de geld- en goederen-
stromen weergegeven, welke zich hij de uitvoering van de

genoemde voorstellen vermoedelijk zullen bewegen tussen
de verschillende groepen van huishoudingen.

Slot beschouwing.

In zijnsiotbeschouwing geeft de Minister een samenvat-
tende typering van het stadium, waarin het economisch
en financieel herstel zich bevindt. – –

Na te hebben gereleveerd, dat de reeds in het vorig jaar
uitgesproken verwachting van een niet onbevredigende
ontwikkeling vn de economische toestand van Nederland,
wat de binnenlandse -verhoudingen aangaat, bevestiging
yindt
,
in de huidige omstandigheden, neemt de Minister

enkele onderdelen van het economisch leven in beschou
ving.

De bruto-productie-index in 1948 zal, naar wordt ver-
wacht, die van 1938 met 8 pCt overtreffen. Dit betekent
echter nog geen volledig herstel van het productieniveau
van vôér de oorlog, omdat de bevolking sedert 1938 met
ca 13 pCl”is toegenomen, zodat bij een evenredige ver-

meerdering de productie-index tot 113 moest zijn gestegen.

De productiviteit per hoofd van’ de bevolking bedraagt nog slechts 90 pCt van die van 1938., hierin zal inhoofcl-

zaak doôi’ verdere aanvulling en ntoclernisei’ing var( de

industriële en agrarische outillage verbetering moeten

worden gebracht; doch ook de arbeidsinspanning zal
moeten worden verhoogd. Over het geheel is de voorraad:

positie der industrie bevredigend, misschien zelfs op ver-
schillende plaatsen ovei’vloedig.
Vervolgens beziet de Minister de situatie de,’ industriële productie naar enkele der meest belangrijke bedrijfstakken
en constateert daarbij, dat niet-alle branches in voldoende
male tot de bereikte vooruitgang hebben kunnen bijdragen;
o.a. is dit het geval ten aanzien van de bouwnijverheid,

die met verschillende moeilij khed en, waarvan de onvol-
doende materiaalvoorziening er slechts één is, te

kampen heeft gehad. Ook de productie-indices- van de
grafische industrie, de steenkolenrnijnbouw, van de agra-
rische sector, de houtvooribrenging en van de kleding-
industi’ie bleven in meel’ of mindere mate bij de algemene
neiging tot verbetering achter.

De w’ei’eldmarktprijzen liggeh over het alge.meen nog
op een hoog niveau. Niettemin is in de agrarische sectot-
reeds een prijsdaling waarneembaar; welke – naast een
ingrijpende wijziging in het beleid – een der oorzaken is

van de lagere “amingen der uitgavén. tbn laste van, het
Landbouw-Egalisatiefonds.

De vermindering van het nadelig saldo van dit fonds
weerspiegelt ondei andere een belangrijke stap in de
richting van een beperking van de politiek der prijssubsi-

clies en van opheffing van vele belemmerende bepalingen
ten aanzien van de goeerèncirculatie. Verdergaande
stappen op dit laatste gebied zijn in verband met de
deviezenpositie in hoge mate afhankèlijk van de omvang,
der buitenlandse hulpverlening, die in de komende tijd zal
kunnen worden verkregen. 1-loe ruimer deze wordt ver-
leend, des te sneller en vollediger zal op deze weg kunnen
worden voortgegaan, waarmede dan tevens een der ‘on-

0
4

z

0

1

(n

—J

0

>

UJ

cn

Ô

z

-j

w
w

z

22 September 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

755

E

Ck

41)
c
Q)

0′


D

00

0

w

iisbare voorwaarden wordt vervuld voor de verwezen-
,
lijking van de Economische Unie met België en Luxemburg.
Hierbij zal nauwgezet rekening worden gehouden met de
gevolgen daarvan voor de kosten van levensonderhoud, terwijl op het gebied van de loon- en prijspolitiek de in-
standhouding van sociaal gerechtvaardigde en economisch verantwoorde loon- en prijsnormen zal worden bevorderd.
Na in het kort het nog bestaande ongunstige verschil
tussen in- en uitvoer, alsmede de pogingen, om binnen het
raam van de aan het Marshall-plan deelnemende landen,
ter oplossing van de ook voor Nederland belangrijke
problemen van bet Europese handelsverkeer, te komen
tot een veelzijdig betalingsverkeer, in zijn slotbeschouwing
te hebben betrokken, spreekt de Minister de overtuiging

uit, dat van de hulpverlening ingevolge het Marshall-plan
alleen een resultaat van blijvende waarde wordt bereikt,
wanneer de besteding wordt gericht, niet alleen op dat-gene wat bevorderlijk is om de arbeidsproductiviteit in
stand te houden, maar in het bijzonder op alles wat er toe kan dienen om de industrialisatie krachtig te bevorderen,

de landbouw technisch te verbeteren en de productie-
kosten in het algemeen door rationalisatie te doen dalen. Evenals het vorig jaar roept de Minister het Nederlandse
volk op tot besparing en uiterste zuinigheid in de consump-
tieve sfeer en wat de productiebedrijven betreft tot matig-
heid in de winstuitkeringen en voorzichtigheid bij het aan-
houden van voorraden, gezien het daaraan verbonden
prijsrisico.

756

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

22 September 1948

t

De’financiële toestand laat zijns inziens toe deze oproep

thans te doen vergezeld gaan van de aankondiging van

enkele fiscale maatregelen, die hierop zullen aansluiten.

Eén bemoedigend teken is, dat aan de intering van het

nationale vermogen een einde is gekomen. Uit berekeningen

vanhet Centraal Planbureau blijkt, dat voor een bedrag

van f 540 millioen meer is geproduceerd dan verbruikt,,.
zodat het nationapl vermogen met dit bedrag is toege-

nomen. :

Ondanks deguntigefactoren,welke zijn te onderkennen,

verheelt de Minister zich niet, dat ook thans de gevaren
voo’ onze financiële en economische verhoudingen niet

voor goed zijn geweken; niet alleen in dier voege, dat nog
steeds een latente dreiging aanwezig is, maar ook in die

zin, dat het herstel der financieel-economische verhou-
dingen nog slechts naar een evenwicht tendeert, een
evenwicht, dat niet meer dan labiel is.

Een belangrijke moeilijkheid ligt o.m daarin, dat, naar-

mate de buitenlandse schuld als negatieve component
van het nationale’ vermogen toeneemt, daartegenover de

in omvang eveneens toenemende positieve componenten

gezamenlijk een dusdanig rendement in deviezen zullen
moeten afwerpen, dat hierdoor de groeiende lasten in

deviezen, welke uit de aan het buitenland verschuldigde

rente en aflossing voortvloeien, zullen kunnen worden
gedekt.

Bovendien moet w’orden erkend, dat het herstel van de

gewenste welvaartsverhoudingen binnen enkele jaren

zal nopeh tot verlaging van belastingdruk, waarmede de
Minister zich dan ook voorstelt reeds dit jaar een begin

te maken. Slechts door voortgaande beperking van rijks-
uitgaven, door liquidatie van instanties voor oorlogs- en
crisiseconomie, door afsnijding van wat binnen het raam
van een verantwoord en constructief beleid maar even

kan worden gemist en door uiterste rationaliteit in datgene
wat moet blijven verricht, is de vereiste stabiliteit in de

binnenlandse politiek te bereiken; een stabiliteit, waarbij

de financiële draagkracht van ons volk niet wordt over-
spannen,, maar anderdeels toch wordt opgebracht, wat

voor voortgang an het herstel onmisbaar is te achtem

INTERNATIONALE NOTITIES.

DE AMERIKAANSE LNVESTERINGEN IN HET BUITENLAND.

De Amerikaanse investeringen in , het buitenland,
zowel van de Regering als van particulieren, namen ge-
durende 1947 toe met $ 8.100 mln tot
3
28.800 mln. Van
dit totale bedrag varen $ 16.700 mln particuliere investe-
ringen, de i’est
(S
12.100 mln) regeringscredieten. Deze
cijfers zijn schattingen van het ,,United States Department
of Comierce” als resultaat van een gedetailleerde studie
over de internationale transacties gedurende 1946-47,
welke dit ‘jaar zullen worden gepubliceerd, aldus ,,The
Statist” van4 Séptember 1948. De investeringen van .het
buitenland in de Verenigde Staten bleven gedurende 1947
ongeveer op dezelfde hoogte als in 1946, d.i. ongeveer
gelijk aan de particuliere investeringen van Amerika aan
het buitenland: $ 16.500 mln. –
Van de genoemde toeneming met S 8.100 mln komt
S 1.100 mln op rekening van de particuliere Amerikaanse
investeringen; dit is de grootste stijging sedert 1928, toen

de netto particuliere investeringen stegen met S 1.500
mln. 1-let karakter van deze investeringen was echter
in 1928 geheel anders dan in 1947: in 1928 investeringen

in dollarobligaties van tal van landen, in 1947 financiering
van gecontroleerde ondernemingen en van de Intèrnatio-.
nale Bank. De Internationale Bank en het Internationale
Monetaire Fonds trokken het grootste deel van de toene-

ming van de investeringen der Amerikaanse Regering
naar zich. Groot-Brittannië genoot het grootste crediet
(S 2.850 mln), dat de Amerikaanse Regering aan een
land verleende. Onder de toeneming van de regerings-

investeringen in het buitenland vielen voorts $ 800 mln
aan leningen
.
aan de Export-Import Bank, $ 300 mln

aan credieten bij de verkoop van surplusgoederen en

schepen en $ 200 mln bij terughetalingen van leningen
door andere landen.

DE ECONOMISCHE ON’I’WIKKELINtJ VAN
ChILI.

De economische toestand in Chili vertoont grote ôver-

eenkomst met die in de meeste andere Zuid-Amèrikaanse
landen: devïezenmoéilijkheden als gevolg van een acuut
dollartekort, toenemende industrialisatie, grote. particu-liere en overheidsinvesteringen. De valutavoorraad .van

de centrale bank van Chili is van U.S. $ 110 mln in 1945

tot ongeveer U.S. S 50 mln eind 1947 gedaald. In 1946

bedroeg het overschot “.an de buitenlandse handel, bij

exporten ten bedrage van 1.049 mln pesos ‘en importen

van 953 mln pesos, 96 mln Chileense pesos. In 1947 daalde

het actievesaldo, doordat de importen Sterker’stegen dan

de exporten, tot 64 mlri pesos. De import bedroeg al. in

dat jaar 1.288 mln pesos, terwijl de export een waarde
van 1.352 mln pesos bereikte. Dientengevolge moest de
structuur van de buitenlandse handel wijziging ondergaan

en een ,,deviezenbegrcting” worden opgesteld, waardoor in

de meest dringende behoeften zou kunnen wordenvoor-

zien. Voor de invoer werd een drietal koersen vastgesteld,

t.w. voor essentiële goederen, als levensmiddelen, industriële

grondstoffen en bepaalde machines, de officiële dollarkoers
van 31 pesos per Ainerikaanse dollar, daarnaast een kors van

43 pesos per dollar voor de import van ,,minder noodzake-

lijke” goederen en tenslotte worden voor andere invoer-
goederen, zoals luxe goederen, slechts vergunningen ver-

strekt, zonder ‘koersvaststelling, d.w.z. de importeurs
moeten hun benodigde d&viezen kopen op de vrije markt,
waar de koers momenteel op 5 60 pesos per dollar ligt.

Door deze hoge koers w’ordt de invoer van tal van artikelen

sterk belemmerd. De uit de export verkregen deviezen

worden,, al naar geland de goederensoort, tegen tussen-
koersen tussen de ,,oude” dollarprijs van 31 en de ,,nieuwe”

van 43 pesos, verrekend.
De ontwikkeling van de productie is – zo vernemen wij

verder uit de ,,Neue Zürcher Zeitung” van 18 September

1948 — in Chili als gunstig te beschouwen: de productie
van salpetei heeft in 1947/’48 ongeveer 1,8 mln ton be-
dragen, het hoogste productiecijfer sedert 1934; de koper-
productie wordt voor het lopende jaar op 0,5 mln ton
geschat. Ook de steenkoolproductie vertoont stijgende

cijfers. Voor de uitbreiding van de salpeter- en koperpro-
ductie zijn investeringsprogramma’s vooi lange termijn

uitgewerkt. Ook Noord-Amerikaanse credietn worden
voor de uitbreiding van de Chileense industriële productie
aangewend, bijv., een crediet van de Export-Import Bank
van
5
66 mln; $ 28 mln van dit crediet zijn bestemd voor
de staalindustrie. De Internationale Bank voor Weder-
opbouw verleent een crediet van $ 16 niln, waarvan
$ 2,5 mln voor de modernisering van de landbouw en
$ 13,5 mln voor de uitbreiding van waterkrachtinstallaties
zijn l5estemd. Men hoopt in Chili in 1950 te ‘kunnen be-
ginnen met de voortbrenging van staal. Hoogovens, met
een capaciteit van 600 ton zijn in aanbouw De staal-
bedrijven zullen tezamen met de eveneens in aanbouw
zijnde tinsmelterijen een jaarproductie van 165.000 ton_.
bereiken.

GELD- EN KAPITAALMARKT.
De discontonoteringen voor schatkistpromessen gaven,
althans wat dekortere termijnen betreft, in de afgelopen
week een voortgaande daling te zién. Dit werd ‘vooral
veroorzaakt door de omstandigheid, dat de bnken niet
alleen het provenu van vervallen promessen .h’erbelegden in jaarpapier, dat van deAgentwerçl afgenomen, doch ook
door aankoop in de open markt de lege maanden in hun

22 September 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

.

.

757

schatkistpapierportefeuilles

enigszins

trachtten

aan

te met uitzondering van de handeisvennootsehappen
,
waarvoor
vul],en.

Zodoende was

er een

regelmatige

vraag naar
de winstkansen vrij goed schijnen te zijn.
December- t/m

Februaripapier,

zonder

nochtans

veel
De staatsfondsenmarkt was in de verslagperiode vrijwel
aanbod te ontmoeten. Het marktdisconto voor December-
onbewogen.

De

koerseh

handhaafden

zich

nagenoeg

promessen daalde dan ook tot 1
1
/
16
pCt, terwijl Januari-
op het peil van de voorgaande week, zodat bijv. de 3-31
en Februaripapier practisch

1
1
/
8
pCt noteerden.

In de
pCt 1947 aan het einde der week 97
15
/
16
noteerde en de
marktdisconto’s vôor de langere termijneil kwam vrijwel
3 pCt investeringscertificaten

pCt.

geen verandering. Cailgeld was gedurende de gehele week
Onderstaande tabel geeft een overzicht yan de verande-

zeer ruim aangeboden tegen j pCt.

.
ringen in de koersen van enige belangrijke fondsen ge-
De aandelenmarkt toonde gedurende de gehele week
durende de afgelopen week.

een Vrij lusteloos beeld; bij zeer geringe omzetten brokkel-

den

de

koersen van

vrijwel

alle fondsen

enigszins

af.

10 Sept.

17 Sept.

Vooral scheepvaartwaarden

stonden

nogal onder druk,
1948

1948

waardoor enige koersverliezen

optraden. •Deze tak van
A.K.0.

………………….

161*

157+
bedrijf is van oudsher zeer conjunctuurgevoelig en naar,

v.• Berkel’s

Patent …………..129+

125+
het schijnt, beginnen zich hier reeds merkbare tekenen
Lever Bros. Unilever Cv.A.

….

294

289
van toenemende concurrentie en daling der vrachtprïjzen
Philips

G.b.v.A.

…………..

254

252
voor

td doen, met name onder invloed van een gedeelte-
Koninklijke Petioleum

……….350+

345
*
lijke

mobilisering

der

Amerikaanse

koopvaardijvloot,
H.A.L .

……………………

196

188*
welke uit kostprijsoverwegingen

tot

nu toe minder ge-
N.S.0.

……………………

183*

179+
wicht in de schaal legde, doch bij de uitvoering van het
I-I.V.A.

……………………

268

263*
Marshall-plan gedwongen voor de helft der.overzeese ver-
Deli

Mij.

C.v.A.

…………..

161+

160
voeren

w’ordt ingeschakeld.

Ook

de

Indische

fondsen
Amsterdam Rubber

…………-

172k-
konden zich niet aan de.algemene koersdaling onttrekken,
Internatio

………………..191

1971-

STATISTIEKEN.
.
BANK .VAN
FRANKRIJK. (
oornaatnste
posten in millioenen francs).
FEI)ERAL RESERVE )IANKS.
___________

e
Voorschotten aan de Staat (Vornaarnste
posten in mii’ioenen dollars).

Data
o
Itietaaivoorraad,
Other
U.S. GovI
Goudcer-
a a
cash
secutlt.ies
Totaal
tificaten
5

.
5

31

Dec.

1346 18.381
17.587
268
23.350
26 Dec.

1946
94.817
118.302
59.449 67.900
426:000
19 Aug. 1948
22.440 21.828
268 21.551
26 Aug. 1948
22.650
21.838
271
21.460
19 Aug.

1948
52.817
245.536 125.042
155.300
426.000
2 Sept. 1948
22.469
21.853
263
21.411
26 A.ug.

1948
52.817
244.595
125.042
156.800
426.000
2 Sept.

‘1948
52.817
248.503
125.042
165.500 426.000

-bi-
Deposito’s
Data
jetten

in
Data

.

Bankbil-
.

.
Deposito’s
-.

Totaal
Staat
Diversen
circulatie.
Totaal
Govt
?rcu1atie

31

Dec.

1946
24.945
17.353
.

393
16.139
6 Dec.

1946
721.865
63.458
765
62.693
19 Aug. 1948
23.863
20.531 1.963
17.603
19 Aug.

19
1
8
835.764
210.194
853
207.660
26 Aug. 1948
23.864.
20.412
1.902
17.668
26 Aug.

1948
844.896
204.325
858
202.001
2 Sept. 1948
23.952
20.271 1.693
17.724
2 Sept.

1948
877.41 t
196.626
805
194.222

OVERZIChT DER LAATSTE VIER VERTIOR1’E
BALANSEN
VAN
DE NEDERLANDSOFEE BANK.
(in millioenen
guldens).

A1ieî

,

data
23-8-’48
30-8-48
7-9-’48
13-9-’48
Passief

data
23-8-’48
30-8-48
1

7-9-48
13-9-’48
Wissels,

proinessen

en
20,0
20,0
20,0 20,0
schuldbrieven in disconto
-‘)
-‘)
-‘) -‘)
12,8
12,8
12,8
12,8
Vissels.

schatl,itpapier

cii
Bijzondere reserves
54,5
545
54,4
54,6
schuldhrieven

door

de

Kapitaal

………………

20,0
20,0
20,1
20,1
Bank gekocht



.

Reservefonds

…………..

Bankbiljetten

in

omloop
Schatkistpapie.r.

door

de

Pensioenfonds

…………

117,6 117,2
116,9 116,7
Bank

overgenomen

van (oude

uilgiften)

……….
Bankbiljetten

in

omloop
de,

Staat

der

Nedor-
(nieuwe uitgifte)
3.009,5 3.077,5
3.064,5
3.060,7
landen

ingevolge

over-
Bankassignaties

in

omloop
0,1
0,7

0,1
een komst van 26 Februari
Rekening-courant saldo’s:
1947

………………
1.800,0
1.800,0
1.800,0 1.800,0
‘s Rijks Schat kist
636,1 523,1
526,6
507,2
Beleningen

…………..
143,71)
146,7′) 147,9′)
144,6
2
)
Geblokkeerde saldo’s van
Voorschotten

aan liet Rijk


-,
banken

…………
46,4
43,1
61,6
67,5
Boekvordering op de Slaat
Geblokkeerde saldo’s van
der Nederianden ingevol-
anderen

………….
21,6
‘19,7 21,7
22,5′
ge overeenkomst van 26
Vrije

saldo’s

……….
549,4 600,7
620,5 635,4
1.500,0
1.500,0

1.500,0
1.500,0
Diverse rekeningen
201,5

..

227,9
228,7
229,1
SIuni en munt materiaal

..

Gouden munt en gouden
481,7 454,8 454,8 454,8
Zilveren munt,
cr17
0,9
0,9 1,0
1,0.
Papier op het builenland,.
297,7 304,3 304,0
313,2
Tegoed hij correspondenten

..

in hel buitenland
130,7

..

146,6 156,6 146,7

Februari

1367

.

….

….

Bui eni. betaalmiddelen

.
5,5

..

5,8
5,8 5,8
Belegging van

kapital, re-
serves en pensioi’nfonds.,
105,6 104,7 102,6 106,7

Gebouwen en inventaris

.
2,5 2.5 2,5
2,5

muntniateriaal

……….

Diverse rekeningen
221,2
250,9 252,6 253,4

4.726,5
4.689,5

4.717,2
4.727,8
4.726,5 4.689,5
4.717,214.727,8

‘) Waarvan schatkistpapier
_

rechtstreeks door cie Bank
in disconto genomen
, . , ,


Girculatie

der

door

de
‘) Waarvan aan Ned.-Indiê
Bank

namens

de

Staat
(Wet van 15-3-33 Staats-
In

het

verkeer gebrachte
bid no. 99
)

1
)36,9
‘) 36,9 ‘) 36,9
1)36,9
munthilietten
145,7
‘146,9
146,6
145,8

758


ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

22 September 1948

DE NEDERLANDSCIrE
DANK.

Verkorte belans op 20 Septe1nl)er 1948.

Activa.

j’ I-Ioofdbank f

1)

h
in

., Bijhank

f

1
900 –‘)
Wissels, schatkistpapier en schuldi)rieven
(1001
de Bank gekocht (art. 15, sub 4, van de
Bankwet 1948) …………. ………….
.-
Schatkistpapier, door dc Bank overgenomen van
de Staat der Nederlandeli ingevoige overeen-
komst van 26 Februari1947
………… ..1 .800.000.000,-
Beloningen:

( Hoofdbank’ ‘1 137.364.01 3,522)
(mcl.

schotten in ie-

Bijbank

,,

359.425,56
kening-courant
1.
op onderpand)
L
Agentseli..

,,

5.051.110,77

T 162.775.449,85
Op effecten, eni. ………. ..142.023.178,312)
Op goederen en celen 752.271,54
1142.775.449,85 ‘) Voorschotten aan het Rijk (art. 20 van de Bank-
wet 1948)

………………………….


Boekvordering op de Staat (Ier Nederlanden
ingevolge overeenkomst van 26 Februari 1947 ,, 1.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal:
Gouden munt en gouden
muntmateriaal ……..T 454.862.923,20
Zilveren munt, enz ……. ..

1.114.575,16
455.017.1,98,36
Papier op liet buitenland .. f 321.126.900,-
Tegoed bij correspondenten in
het buitenland ………. ..149,864.704,87
Buitenlandse betaal-
middelen :………………..5.826.208,31
476.817.813,18
Belegging van kapitaal, reseives en pensioen-


fonds

……………………………….10
1
.
698
.
620
,
58

Gebouwen en inventaris

………………..
2
.500.
000
,

Diverse rekeningen

……………………248.38
5
.
310
,
96

T 4.728.159.603,93

Passiva.

Kapitaal

…………………………..
T

20.000.000,-
Reservefonds

.

…………….
…………..
12.759.703,05
Bijzondere

reserves

……………………..
54.4
47
.566,03
Pensioenfonds

……………………….
..

20.059.817,62
Bankbiljettenin omloop (oude uitgiften)

……
116.219.505,-
Bankbiljetten in omloop (nieuwe uitgifte) ……
3,0 15.669.705,-
Bankassignaties in

omloop ……………..

101.721,-
Rekening-courant saldo’s:
‘5
Rijks Schatkist

……’T

504.049.278,37
Geblokkeerde

saldo’s

van
banken

……………

..68.282.593,62

Geblokkeerde

saldo’s

van anderen

…………..

..

20.788.937,45
Vrije

saldo’s

………….666.663.054,36
1,259.783.863,80
Diverse ‘rekeningen

……………. . …….
229.117.720,32

4.728.159.601,93

1)
Waarv’an

schatkistpapier’ rechtstreeks

door
de Bank in disconto genomen

……….
1′

‘)
Waarvan aan Nederlands-Indië (Wet van 15
Maart

1933,

Staatsblad no.

99)

………..
..36.894.550,-

Circulatie der door de Bank namens de Staat
in het verkeer gebrachte muntbiljetten

……
144.779.156,-

DANK VAN ENGELAND.

(Voornaamste postëfl in millioenen ponden).

2)
.
.2i-

‘n

.2

”2)

P.

.4)

f’

bb

25 Dec. ’46
0,2

1.449,1

1.450

1.428,2

22,1
25 Aug.’48
0,2

1.299,2

1.300


1.253,3

46,9
1 Sept.’48
0,2

1.299,2.

8.300

1.249,0

51,3
8 Sept.’48
0,2

1.299,2

1.300

1.248,2

52,0

Othersecurities

Deposits

2)

.

2)

Pk
E
‘°

,

lPq

25 Dec. ’46 .25 Aug.’48
-1 Sept.’48 S Sept.’48

1
1
3
1
1
1
1,2
1,0

311,8 383,7 401,0
397,5

13,6
5,4 3,9
8,5

15,8 22,0 21,7 21,3

346,5
440,7
460,5 461,9

10,3 16,9
10,1
10,5

278,9
300,3
307,0
305,1

DE NEOERLANDSOHE BANK.
(Voornaamste posten in duizenden guldens).

2)
Eci

‘5
2)
as

2_s)
.2

‘.
Cr

,2
Cd
s.n

E-C’-
bQ)

30 Dec. ’46

700.876

4.434.786

100.816

103

153.109
Q

9 Aug.’48

482.358

323.146

146.175

19.210

143.639
16

’48

482.480

520.800

125.086

1.510

144.989
23

,,

’48

482.546

297.741

136.166

14

143.703
30,,

’48

455.763

304.270

15 2.3 72

1′

146.677
7 Sept. ’48

455.831

305.032

162.373

14

147.878
13

‘415

455.840

313.164

152.469

14

144.394
20 .

’48

455.9(7

321.127

1 55.691

5

142.775

Saldi in rekening-courant

ce
°
5)

5
0

“4)’


2.2O

))”‘5


25…,

2.),n

ç.b..e2)ce
2w

30 Dec, ’46

2.744.151

1.099.855

90.071

43.706

590.858
9 Aug.’48

3.020.518

684.628

39.041

23.636

546.422
16

,,

’48

3.003.618

656.484

46.203

25.472

543.127
23

,,

’48

3.009.528

636.102

46.416

21.603

549.426
30

’48

3.077.543

.523.136

43.112

19.716

600.685
7 Sept.’48

3.064.494

526.549

41.614

21.729

620.499
13.

’48

3.040.744

507.221

.,67.501

22.460

635.423
20

’48

3.0 15.670

504.049

68.283

20.789

666.663

sr.tN1) VAN
‘s
ItI.IKS KAS.

V o r d e r i n g e n

7 Sept 1948

30 ‘Aug. 1948

Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij.De Nederl. Bank N.V.T

526.549.207,39

1 .523.135.887,08
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij de Bank voor Neder-
landsche

Gemeenten

.’

116.464,’i4

,,

731.995
)
51
Kasvorderingen wegens ere-
dietverstrekking

aan

het
buitenland

…. . ………
Daggeldlening

tegen

onder-
……-

Saldo der postrekeningen van
pand

………………….

Rijkscomptabelen

……..,

550.601.580,90

,,

532.466.408,71
Voorschotten op ultimo Juli
1948

aan

de

gemeenten
wegens aan

haar uit

te

Vorderingen in rekening-cou-


keren belastingen ………….37.218.233,36

,,

37.218.233,36

rant

op

Nederlands-Indië

1078.596.834,86

,,1070.172.844,01

Het Algemeen Burgerlijk Pen-
Curaçao

………………………-

Het staatsbedrijf der P., T.

Suriname

……………..

…..31309.662,54

,,

31.309.662,54

enT
.

………………

sioenfonds

…………………..-

Andere staatsbedrijven en in-
………-

.

stellingen

…………..’

256.427.918,95

,,

252.328.825,95

Verplichtingen

Voorschot,

door

De Nederl.
Bank N.V. ‘verstrekt

.


Voorschot, door De

Neder

landsche’

Bank

N.V.

in

..
rekening-courant verstrekt


Schuld aan de Bank voor Ne
derlandsche Gemeenten

Schatkistliiljetten in omloop

fl556.633.800,-

fl544.633.100,-
Schatkistpromessen

hij

De
Nederlandsche Dank N.V.
ingevolge’ overeenkomst
van ’26 Februari 1947… ….. 1800.000.000,-

,,1800.000.000,-
Schatkistpromessen in omloop
(rechtstreeks hij De Nederl.
Bank N..V.is geplaatst nihil)
/ 6.074,9 m/ni w.o. garantie Bretton V,Toods 1804 mill

,,5270.900.000-

,,5231.000.000,-
Daggeldieningen

Schuld

op ultimo Juli 1948
aan de gemeenten wegens
aan

haar

uit

te

keren

Muntbiljetten in omloop ……..146.542.160,-

,,
146.875.842,-;

belastingen

…………
Schuld in rek-courant aan:

Suriname

….
……….

…….’ –

Het Algemeen Burgerlijk Pen-

………-


Nederlands-Indië ……….

Het staatsbedrijf der P., T.

Curaçao

…………….
……1.872.792,-

,,

1.872.792,-

Andere staatsbedrijven

sioenfonds

…………..

…..14.873.947,84

,,

11.401.148,57

Schuld aan diverse instellin-

en

T

………………….622.799.806,32

,,

672.839.331,12

gen in rekening met ‘s Rijks
Schatkist

……… . …. …2475.438.739,49

,,2473.931.481,08


S
/

ACTIEF

Kassa, Kassiers
en Daggeldle-
ningen

Nederlands
schatkistpapier

Ander over
heidspapier

Wissels

Bankiers in bin-
nen en buiten-
land

—Effecten en syn.
dicaten
Prolongatiën
en voorschotten
tegen Effecten

Debiteurèn

Deelnemingen

Gebouwen

24.703.995,88

830.223.600,00

14.423.500,00

1.249.644,24
48.781.887,44

5.047.21601

19.808.701,96

204.940.530,19

16.296.853,67

6.613.708,51

fl.172.089.637,90

Vacat,trct4

+

GEMEENTE ‘s-GRAVENHAGE.
Bij de Dienst der Stadsontwikkeling en Volks-
huisvesting kan worden geplaatst een algemeen
ontwikkeld

ingenieur

of econoom (bij voorkeur met economisch-com-
merciële ervaring), of
candidaat-notaris.
Belangstelling voor en inzicht in stedebouw-
kundige aangelegenheden is gewenst.
Aanstelling geschiedt, naar gelang van ge-
schiktheid en ervaring, in een daarvoor in aan-
merking komende rang.
T.Titvoerige sollicitaties, met vermelding vn ge-
boortedatum en -plaats, dienen onder no. 221 te worden gezonden aan de Directeur van het Ge-
meentelijk Bureau voor Personeelsvoorziening,
Waldeck Pyrmontkade 120, ‘s-Gravênhage.

Bij diverse Gouvernementsdiensten in Indone-
sië kunnen worden geplaatst:•

adjunct
accountants

in het bezit van M.O. boekhouden of S.P.D. Be-
zoldiging volgens Indische bezoldigingsregeling, verhoogd met overbruggingsbezoldiging, duurte-
toeslag, gezinstoelage en event. kindertoelage.
Uitzending voor 3 jaar. Bij afloop contract
wordt kortverbandtoelage uitgekeerd, bedragende
25 pCt. der bezoldiging (mcl. overbruggings-
bezoldiging). Bovendien wordt, dan voor elk jaar
dienst een maand salaris als bonus uitgekeerd.
Brieven ifiet uitvoerige inlichtingen omtrent op-
leiding en praktijkervaring richten aan Hoofd
Afdeling Aanneming, Kamer 142, Ministerie van
Overzeese Gebiedsdelen, Binnenhof 7, ‘s’Graven-
hage.

Bij de Provinciale Stedebouwkundige Dienst in
Zuid-Holland bestaat gelegenheid tot plaatsing
van een

sociograa1, soc.-geograaf of

écon.-geograaf

Het .met goed gevolg afgelegd doctoraal examen
in een der bovengenoemde wetenschappen strekt
tot aanbeveling.
Ook personen met
M.O. acte Staathuishoud-
kunde of Aardrjkskunde, met belangstelling en
ervaring in soc.-economisch researchwerk kunnen
in aanmerking komen.
Sollicitaties te richten aan de Directeur van
bovengenoemde dienst, Riouwstraat 178, ‘s-Gra-
venhage.’

Vd
DEMI(4

Ar”Af.

P

NEDE1TLANDSCIIE STAALFADRIEKEN

Ø

‘vfh
J. M. De
Mulneic
Keizer
N.V. te Utrecht

vraagt ter assistentie van de chef van de Admi-
histratie

Ø

Ø

een bekwame kracht /,
.0
met acte M.O. Boekhouden (of Universitaire Op-
leiding) en ervaring in de moderne fabrieksadmini-
stratie. Sollicitaties met uilvoerige inlichtingen onder
0
bijvoeging van pasfoto, onder no. 36 aan dc Afd.
Personeel, Havenweg 7 –

L
4r4r4r4r4r 44

Ook voor Beschikbaie Krachten.
Is
een annonce in
,,Economisch-Statistische Berichten” de aangewezen weg. Annonces, waarvan de tekst ‘s Maandags in ons
bezit is, kunnen, plaatsruimte ,’oorbehouden, In het
nummer van dezelfde week worden opgenomen.

Grootho
,
del

Algem. Weekblad, gewijd

aan de belangen van binnen-

en buitenlandse groothan-

del, waarin dpgénomen de

mededelingen van de be-

drijfsgroep Groothandel

Abonnementsprijs t 15,— per
jaar, buitenland 117,— per
jaar. – Giro 5858

Hoofdredacteur: W. G. N. cle
Keizer, met geregelde mede-
werking van: Prof. Dr. 0.
Bakker, Dr. J. Buter, J.
M.
Fentener van Vlissingen, Mr.
G. M. Greup, Mr. G. A. 1-lun-
gcrink, Mr. G. E. Kruseman,
Jhr. Mr. E. van Lennep, Mr.
W. F. Lichtenauer, Drs. C. A.
A.
van
Luttervelt, R. J. itlul-
Ier, Dr. H. T. .W. van der Poel,
Jhr. Mr. II. A. Quarles van
TJfford, Mr. Luc Schenderling,
Dr. Mr. T. A.
Al.
van Staay

Uitgave: H. A. M. Roelants

Schiedam -, Tel. 69300

PASSIEF

Kapitaal

/
70.010.000,00
Reserve
32.500.000,00
Bouwreserye
4.000.000,00
Depositos op
termijn
83.001.425,55
Crediteuren

•,
938.150.938,1
2
Kassiers en
genomen dag-
geldieningen
7.500.000,00
Geaccepteer.
de Wissels
85.462,41
Door derden
geaccepteerd

,,
7.016.923,74
Diverse
rekeningen
29.824.888,08

fl.172.089.637,90

AMSTERDAMSCHE BANK
N.V.,
INCASSO.BANK
N.V.

MAANDSTAAT PER 31 AUGUSTUS 1948

1

(ItIIlDMJ

Het

Nederlands

Instituut

voor

Efficiency
vraagt voor zijn Bureau een

directeur
Gegadigden behoren te beschikken over kennis

Bij de Gouvernements-.

en Belasting-Accoun-
van wetenschappelijke bedrijfsorganisatie en bij

tantsdiensten in Indonesië kunnen worden ge-
voorkeur in het bezit te zijn van een graad van

plaatst:

.
universiteit of hogeschool. Salaris nader overeen

accountants
te komen. Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen
aan: Secretaris van het N.I.V.E.-Bestuur, Willem
Vitsenplein 6, ‘s-Gravenhage. Bezoldiging volgens Indische bezoldigingsrege-

ling,

verhoogd

met

overbruggingsbezoldiging,
duurtetoeslag, gezinstoelage, event. kindertoela-
ge en speciale accountantstoelage ad
f
300.— per

maand.
(T
Uitzending voor 3 jaar. Bij

afloop

contract
wordt kortverbandtoelage uitgekeerd, bedragende
25 pCt. der bezoldiging
(mcl.
overbruggingsb-
zoldiging). Bovendien wordt dan voor elk jaar
dienst een maand salaris als bonus uitgekeerd.
Brieven met uitvoerige inlichtingen omtrent op-
leiding en praktijkervaring richten aan Hoofd
Afdeling

Aanneming,

Kamer

142,

Ministerie
Overzeese Gebiedsdelen, Binnenhof 7, ‘s-Graven-
hage.
LEVER IIROTHERS
&
UNILEVER N.V.

,,fle Koninklijke Stoomweverj te Nijverdal,
N.V.”

roept sollicitanten op voör de functie van
[IN JONG ACCOUNTANT
personeelschef

Deze functionaris moet in staat zijn de Directie in
Lid

N.W.A.

of V.A.G.A., met
allé personeelsaangelegenheden ten aanzien van

een groot personeel te vervangen.


ervaring

in

en

grote

belang-
Vereist

wordt:

representatieve

verschijning,
stelling voor de administratieve
ruime algemene ontwikkeling, goede stijl, econo-
en

bedrijfs-economische

‘arbeid
mische en sociale kennis en belangstelling, enige

administratieve ervaring om leiding te kunnen
in

Industriële

Bedrijven. Goede

geven aan de afd. personeelsadministratie.
vooruitzichten en salariërina
L eeftijd circa 35 jaar.
-‘

Sollicitatiebrieven in handschrift,

voorzien

vn

recente foto te zenden onder motto
,,Personeels-
Sollicitaties

met

uitvoerige

gegevens over op-

chef” aan het Twentsch
Instituut voor Bedrjfs-
leiding

en

practijk,

uitsluitend

schriftelijk

te

psychologie, Grundellaan
18,
Hengelo (0.).
richten

onder I No.

47

aan

de Centrale Per-

soneelafdeling, Museumpark 1, Rotterdam

De Afdeling Nijverheid van het
Departement van
Economische Zaken
te Batavia roept op voor

spoedige indiensttreding aldaar op zgn. kort-ver-

band overeenkornst

jonge economen en juristen

In leidinggevende functies zullen zij als weten-

schappelijke werkers in het bijzonder worden

belast met het zich inwerken in en de behande-

ling van fçderaie nijverheidsaangelegenheden (o.a.

industriële planning, ordeningswetgeving en uit-

vonring). Basissalaris 275-825, vermeerderd met

50-75 pCt. toelagen, afhankelijk van grootte ge-

zin, plus 25 pCt. kort-verband uitkering na af-

loop 3-jarig contract.

Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen omtrent

opleiding en praktijkervaring te richten aan:

Hoofd Aannes

iing, Kamer 142, Ministerie Over-

zeese Gebiedsdelen, Den Haag.

1__

Econômisch – Statistische

Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.).
Telefoon: Redactie 38040, Administratie 38340. Giro 8408
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie, 14, Universiteitstraat, Cent.
Abonnementen:
Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.).
Bankiers Ban que de Commerce, Brussel.

Abonnempntsprijs, franco per post, voor .Nederland 126* per jaar,
voor België/Luxemburg
/
28 per jaar, te voldoen door storting van de
tegenwaarde in franco bij de Ban que de Commerce te Brussel. Overzeese
gebiedsdelen (per zeepoot) /26, overige landen f28 per jaar. Abonnemen-
ten
kunnen
ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per
ultimo van het kalenderjaar.

Aan getekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Weotzee-
dijk, Rotterdam (W.). –

ADVERTENTIItS.

Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven zr, Schiedam (Telefoon
69300,.toestel 6).

Losse nummers
75 cents, resp. 12 B. francs.

Auteur