Meest gelezen

1 reactie

Het bovenstaande onzerzoek intrigeert me, maar verbaasd me ook. Allereerst wil ik de auteurs complimenteren met de reikwijdte van het onderzoek. Ze hebben veel meegenomen en dat geeft een gedegen beeld van de situatie. De conclusie dat er nog steeds teveel mannen als leidinggevenden voorkomen is denk ik terecht en punt van aandacht.

Daar staat tegenover dat er wel enige objectiviteit/realiteitszin ontbreekt. Om met dat laatste (wat zo hard overkomt) te beginnen: Een verdeling van 42-58 wordt in het artikel bekritiseerd als 'bijna 1,5 keer zoveel'. Los van het feit dat er maar 38% tussen zit (en geen 50%), gaat het mij erom dat we ons moeten realiseren dat perfect 50-50 onhaalbaar is. Er moet dus enige marge zijn die we als acceptabel aanvaarden. 40-60 (eender welke kant op) lijkt mij gebalanceerd, omdat het in de buurt va. 50-50 ligt.

Verder is het taalgebruik in het artikel eenzijdig. Als mannen oververtegenwoordigd zijn wordt dit als negatief/onwenselijk omschreven, terwijl als het percentage vrouwen hoger ligt dan in werkelijkheid, dan is de omkaderende woordkeuze niet negatief van lading.

Tot slot (ik ben docent economie voor havo 4-5 en vwo 4-5-6) wil ik nog even opmerken dat de referentie over het eindexamen economie (2018) achterhaald is. Dit jaar telde het eerste tijdvak vwo (2022-1) 1 man en 5 vrouwen. Navraag leert dat hier geen klachten over binnengekomen zijn, terwijl dat in de periode rond 2018 inderdaad wel het geval was toen dit andersom was.

Kortom, dit soort analyses hebben hun waarde, mits er vooraf objectieve kaders vastgesteld worden wat wenselijk is (en wellicht ook met een marge wat enigszins acceptabel is). Vervolgens dient de analyse objectief gemaakt te worden, waarbij in beide richtingen de uitspraak kan zijn dat over/ondervertegenwoordiging onwenselijk is.

J. de Vries

Reactie niet ok? Meld misbruik bij de redactie.

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn.

Inloggen