Ga direct naar de content

Beperken inflatie vergt verdeling ruilvoetverlies door sociale partners

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: februari 19 2025

Inflatie wordt doorgaans bestreden met rentebeleid. Maar het uitsluitend bestrijden via rentebeleid gaat eraan voorbij dat inflatie die samengaat met een ruilvoetverlies ook een ­verdelingsprobleem is. Hoe kan een te hoge inflatie dan het beste bestreden worden?

In het kort

  • Het bestrijden van de inflatie die na 2021 is opgetreden met ­rentestijgingen brengt hoge kosten met zich mee.
  • Als de inflatie enkel wordt bestreden met rentebeleid raakt dat mensen met minder draagkracht het meest.
  • De inflatie moet aan de onderhandelingstafel tussen werk­gevers en werknemers worden bestreden.

Na een aantal jaren van lage inflatie, en zelfs jaren met angst voor deflatie, schoot de inflatie in 2021 omhoog. Problemen aan de aanbodkant van de economie in de nasleep van corona, gevolgd door de geopolitieke ontwikkelingen in Oost-Europa, hebben geleid tot stijgende importprijzen en daarmee de inflatie veroorzaakt. De inflatie is dus geïmporteerd.

Sinds het beleid ter bestrijding van inflatie in handen van de centrale banken is gelegd, is het inzetten van het rente-instrument het standaardantwoord op een oplopende inflatie. Rentestijgingen remmen de vraag en daarmee de inflatiedruk, zo is de gedachte.

In dit artikel gaan we aan de hand van de economische literatuur in op de nadelen van het uitsluitend voeren van monetair beleid ter bestrijding van inflatie, en bespreken we alternatieve instrumenten. Onze analyse sluit aan bij de post-keynesiaanse theorie waarin inflatie het gevolg is van een conflict over de verdeling van het inkomen over arbeid en kapitaal (Lavoie, 2022).

Geïmporteerde inflatie leidt tot ruilvoetverlies

Vanaf 2021 leidde geïmporteerde inflatie, naast stijgende prijzen, tot een ruilvoetverlies – de prijs van import stijgt ten opzichte van die van export. Zo’n ruilvoetverlies kan aanzienlijk zijn. Voor 2022 werd dit geschat op 3,3 procent van het bruto binnenlands product, ongeveer 31 miljard euro (CPB, 2023). Geïmporteerde inflatie leidde ook in de jaren zeventig tot een ruilvoetverlies.

De centrale vraag bij zo’n ruilvoetverlies is wie de kosten ervan gaan dragen, of wie bereid is om deze kosten te dragen. Zijn dit de werknemers, door een daling van de reële lonen, of zullen de bedrijven genoegen moeten nemen met lagere winsten?

Er treedt met de inflatie dus ook een verdelingsprobleem op. Hasekamp (2022) spreekt in dit kader over inflatie-­ongelijkheid: “Uiteindelijk gaat het om de verdeling van de pijn. We zien nu inflatie-­ongelijkheid: bij consumenten een zeer laag consumentenvertrouwen en dalende koopkracht, vooral aan de onderkant. Bij bedrijven juist een hoog producentenvertrouwen, een hoog winstaandeel in het nationaal inkomen en historisch lage faillissementscijfers.”

De inflatie en het verdelingsprobleem als gevolg van een ruilvoetverlies kunnen alleen tegen zeer hoge kosten met rentebeleid worden opgelost. Zo stellen Van der Ploeg en Willems (2024): “De inflatie kan beteugeld worden door de strijd om de verdeling van het nationale inkomen te beslechten. Bij bovenmatige inflatie kan dit door de rente te verhogen en de werkloosheid te laten stijgen, om zo aspiraties van werknemers en bedrijven te dempen”.

Een stijgende rente gaat derhalve ook ten koste van mensen met minder draagkracht en minder gunstige positie op de arbeidsmarkt. Zij worden gebruikt om ‘de markt te disciplineren’.

Toch wordt het voeren van enkel monetair beleid ter bestrijding van inflatie breed ondersteund (Bernoth et al., 2023). Wij beschouwen dit als een ongewenste politieke keuze, die ten onrechte wordt gepresenteerd als onvermijdelijk.

Iemand moet het ruilvoetverlies nemen

In een aantal opzichten doet de geïmporteerde inflatie vanaf 2021 denken aan de inflatie van de jaren zeventig en begin tachtig. Destijds stegen de olieprijzen in hoog tempo als gevolg van een conflict tussen Israël en de Arabische wereld. Ook toen resulteerde dit in een plotselinge en sterke stijging van de inflatie. De automatische prijscompensatie die destijds nog in vrijwel alle CAO’s was opgenomen, zorgde voor een loon-prijsspiraal, waarbij geen enkele partij bereid was de kosten van het ruilvoetverlies te dragen. Tezamen met een inzakkende wereldhandel en oplopende werkloosheid leidde dit tot een periode van stagflatie.

De ervaringen van de jaren zeventig en tachtig hebben ons geleerd dat de kosten van het beteugelen van de inflatie door de rente te verhogen hoog kunnen zijn. Het inzetten van het rente-instrument leidde tot nominale (lange) rentepercentages van respectievelijk tien en elf procent in 1980 en 1981, met als gevolg een daling van de economische groei en de consumptie van de huishoudens, daling van de investeringen, een teruglopende werkgelegenheid en een stijging van de werkloosheid. Met name in de periode 1977–1984 waren de gevolgen groot, met negatieve groeicijfers in 1981 en 1982, en een werkloosheid van negen procent in 1983 (CPB, 2024).

De oplossing voor deze problemen kwam uit de polder: werkgevers en werknemers hebben hun verantwoordelijkheid getoond en in 1982 het Akkoord van Wassenaar gesloten. In dit Akkoord werd afgesproken om via loonmatiging en arbeidstijdverkorting de werkgelegenheid te stimuleren. “Behoud van werk en creatie van nieuw werk werd belangrijker gevonden dan hogere lonen.” (Van Duijn, 1989). Zo droegen beide partijen bij aan het dragen van het ruilvoetverlies. Hoewel niet formeel afgesproken, luidde het Akkoord ook het einde in van de automatische prijscompensatie.

Risico op loon-prijsspiraal is er ook nu

De ervaring van de jaren zeventig en tachtig leert ons dat het verdelingsprobleem dat ontstaat als gevolg van ruilvoetverlies snel en efficiënt dient te worden opgelost. In de jaren zeventig en tachtig heeft in eerste instantie niemand de kosten van het ruilvoetverlies willen dragen. De kosten zijn afgewenteld op de samenleving in de vorm van lagere groei en een recessie, wat gepaard ging met hoge en langdurige werkloosheid en achterblijvende groei. Zo werd het kind met het badwater weggegooid.

Ook nu is er het risico op een loon-prijsspiraal als niemand het ruilvoerverlies neemt. Er is wel een belangrijk verschil met de situatie van de jaren zeventig en tachtig: de oorzaak van het risico op een loon-prijssspiraal is verschoven van de automatische prijscompensatie naar de krappe arbeidsmarktsituatie en het gedaalde arbeidsaandeel in het nationaal inkomen (Van Riel en De Vries, 2023). 

De herverdeling van het inkomen ten gunste van het winstaandeel (kader 1) is voor de vakbonden een van de redenen om voor 2024 en 2025 met forse looneisen en herstel van de automatische prijscompensatie te komen (FNV, 2024).

In het licht van de discussie over winstinflatie, waarvan in Nederland sprake zou kunnen zijn geweest (Klein et al., 2024; De Vos en Koopmans, 2025), is het risico dat werkgevers en werknemers het ruilvoetverlies op elkaar af blijven proberen te wentelen. In dat geval dreigt eenzelfde situatie als in de jaren tachtig, waarbij de inflatie hoog is en de pogingen om die via de rente te drukken de economie schaden. Niet voor niets waarschuwt de president van De Nederlandsche Bank voortdurend voor zo’n spiraal. Indachtig de lessen van de jaren zeventig en tachtig, roept hij sociale partners op om hun verantwoordelijkheid te nemen om dit te voorkomen. Het is dus van groot belang dat de sociale partners hun verantwoordelijkheid nemen.

Kader 1: Arbeidsaandeel in nationaal inkomen sterk gedaald

Vergeleken met de jaren tachtig is het arbeidsaandeel in het nationale inkomen (arbeidsinkomensquote; AIQ) sterk gedaald. Ondanks de terugkerende discussies over het concept en de wijzen van berekening van de AIQ geeft de AIQ een goed beeld van de ontwikkeling van het aandeel van de factor arbeid in het nationaal inkomen (Koopmans en De Vos, 2023). De AIQ van bedrijven is na een stijging van 75,7 procent in 1970 tot 79,5 procent in 1980, geleidelijk gedaald naar 70,8 procent in 2024 (CPB, 2024). Dit impliceert dat het winstaandeel fors is gestegen.

 

Met de daling van van het arbeidsaandeel naar circa 71 procent is de AIQ ver verwijderd geraakt het advies van de Sociaal-Economische Raad uit 1998 om het aandeel op het niveau van tachtig procent te houden (Tweede Kamer, 2024).

 

De daling van het arbeidsaandeel in het inkomen is het resultaat van niet benutte loonruimte: de lonen zijn minder gestegen dan de arbeidsproductiviteit. Als de nominale loonstijging gelijketred houdt met de nominale productiviteitsstijging blijft het arbeidsaandeel immers constant.

Aanbevelingen

Het verdelingsconflict dat door de inflatie opnieuw is aangewakkerd, lijkt te weinig te worden onderkend. Monetair beleid is niet het primaire medicijn om deze inflatie, samenhangend met ruilvoetverlies, te bestrijden en het verdelingsconflict op te lossen. Een rentestijging, terwijl het winstaandeel stijgt en het loonaandeel daalt, zal leiden tot een verdere herverdeling over de loon- en winstaandelen. Immers, zoals Van der Ploeg en Willems (2024) ook aangeven, op deze wijze wordt verdere loonmatiging afgedwongen via een stijging van de werkloosheid. Dit versterkt ook de inflatie-ongelijkheid.

Naast de herverdelingseffecten remt het inzetten van het rente-instrument ter bestrijding van de aanbodgestuurde inflatie ook de investeringen die juist nodig zijn om de aanbodkant van de economie te versterken (Mertens, 2022). Erkenning dat de inflatie niet alleen wordt veroorzaakt door de vraagzijde maar ook door de aanbodzijde van de economie heeft beleidsconsequenties, en vraagt om andere keuzes dan het bestrijden van de inflatie via enkel het monetaire beleid.

Voor loon- en prijsbeleid en inkomensbeleid

Zo kan de overheid nog steeds loon- en prijsbeleid en inkomensbeleid voeren. Dit type beleid voor de bestrijding van inflatie is sinds de jaren zeventig naar de achtergrond verschoven, maar kan nog steeds worden ingezet.

De overheid moet niet bang zijn om, waar nodig, selectief prijsbeleid te voeren zoals met de energieprijzen het geval was (Van ’t Klooster, 2022). Voor de komende jaren kan gedacht worden aan prijsbeleid om de stijging van de btw en de woonlasten te beperken (De Vos en Koopmans, 2025). De mogelijkheden om in te grijpen bij prijsstijgingen zijn beperkt, maar een versterking van het mededingingsbeleid heeft ook een dempende werking op prijzen en excessieve winsten in bepaalde sectoren (Eeckhout, 2021).

Ook kan de overheid een door haar ongewenste ontwikkeling van het loonvormingsproces beïnvloeden met haar minimumloonbeleid en gerichte inkomenssteun.

Actievere rol sociale partners

In het Nederlandse poldermodel zijn centrales van werkgevers en werknemers heel goed in staat om verdelingsproblemen op te lossen teneinde een mogelijke loon-prijsspiraal te voorkomen. Een verdelingsconflict dat resulteert in een ongewenst hoge inflatie kan, net als in de jaren zeventig en tachtig, ook nu worden bestreden door een ‘herenakkoord’ tussen werkgevers en werknemers, zoals het Akkoord van Wassenaar uit 1982. Dit vraagt om een sterkere en meer sturende rol van de vakcentrales en de centrales van werkgevers in het loonvormingsproces – terug naar het poldermodel (Van Riel en Bos, 2020). Zo’n actievere rol van de overheid en de sociale partners wordt ook bepleit door Hasekamp (2022).

De oproep aan de sociale partners is dit keer geen impliciet pleidooi voor loonmatiging. Als het SER-advies uit 1998 om te streven naar een AIQ van tachtig procent wordt opgevolgd, of als onder druk van de arbeidsmarktkrapte het loonaandeel zal stijgen, zal loonstijging de productiviteitsstijging de komende jaren moeten overtreffen.

Hoe dan ook zal in de onderhandelingen tussen de sociale partners de verdeling van het ruilvoetverlies centraal moeten staan om de inflatie te beteugelen.

Chris van Veen (VNO) en Wim Kok (FNV), ondertekenaars van het Akkoord van ­Wassenaar

Literatuur

Bernoth, K., V. Sterk en T. Willems (red.) (2023) Monetair beleid: Preadviezen 2023. Amsterdam: Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde.

CPB (2023) Macro Economische Verkenning 2023. CPB Raming, september.

CPB (2024) Macro Economische Verkenning 2024. CPB Raming, september.

Duijn, J.J. van (1989) Lonen. ESB, 74(3693), 127.

Eeckhout, J. (2021) The profit paradox. Princeton: Princeton University Press.

FNV (2024) FNV looneis 2024: 5% tot 14% loonsverhoging, automatische prijscompensatie en minimumloon snel naar 16 euro. FNV Persbericht, 18 september.

Hasekamp, P. (2022) Gevolgen van de inflatie zijn ongelijk verdeeld. Het Financieele Dagblad, 20 mei.

Klein, T., M.P. Schinkel en S. van Tartwijk (2024) Graaiflatiespoken zien. ESB, 109(4829), 11.

Klooster, J. van ’t (2022) Bestrijd inflatie via prijsplafond en winstmeevallerbelasting. ESB, 107(4812), 365.

Koopmans, J.-J. en T. de Vos (2023) Achterhaalde kritiek op de dalende arbeidsinkomensquote frustreert loonvorming. Blog op esb.nu, 11 juli.

Lavoie, M. (2022) Post-Keynesian economics, new foundations, 2nd edition. Cheltenham: Edward Elgar.

Mertens, B. (2022) Inflatie biedt unieke kans om energietransitie en ongelijkheid aan te pakken. ESB, 107(4808), 180–183.

Ploeg, R. van der, en T. Willems (2024) Succesvol monetair beleid beslecht de strijd om de verdeling van het inkomen. ESB, 109(4829), 27–29.

Riel, B. van, en M. Bos (2020) Overlegeconomie is cruciaal in zoektocht naar draagvlak voor beleid. ESB, 105(4786S), 16–19.

Riel, A. van, en C. de Vries (2023) Trek lessen over inflatie en rente uit de jaren zeventig. ESB, 108(4822), 256–258.

Tweede Kamer (2024) Vragen gesteld door leden der Kamer, (Patijn), 2024. Z05757.

Vos, T. de, en J.-J. Koopmans (2025) Niet lonen maar winsten verklaren relatief hoge inflatie in Nederland. ESB, 110(4842), 60–62.

Auteurs

  • Huub Meijers

    Universitair hoofddocent aan de Universiteit Maastricht (UM)

  • Joan Muysken

    Emeritus hoogleraar aan de UM

  • Tom van Veen

    Emeritus hoogleraar aan de UM en aan Nyenrode Business Universiteit

Plaats een reactie