Ga direct naar de content

Energiescenario’s

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 3 1980

Energiekroniek
SP

Energiescenario’s
DR. W. L. M. ADRIAANSEN*

Inleiding
In juni van dit jaar heeft de (voorlopige) Algemene Energieraad (AER),
desgevraagd, de minister van Economische Zaken geadviseerd over het laten uitwerken van tweeenergiescenario’s
ten behoeve van de start van de maatschappelijke discussie over (kern)energie. De wenseliikheid te kunnen beschikken over enkeíe alternatieve scenario’s of draaiboeken was reeds door de
Raad bepleit in een commentaar op
deel 1 van de Nota energiebeleid I). In
deze nota zijn ineen bijlage twee energiescenario’s opgenomen, die zijn gebaseerd
op een voortgaande ~ ~ p – ~ r o e i 2 tot
van
3% per jaar. Nu de groei van het BNP
aanzienlijk lager uitval: zou het naar de
mening van de Raad goed zijn ook met
dit gegeven als uitgangspunt de mogelijkheden en beperkingen van een te voeren energiebeleid te onderkennen. Daarnaast wordt vooral in milieukringen de
wenselijkheid van economische groei ten
principale ter discussie gesteld, rekening
houdend met het beslag dat wordt gelegd
op het leefmilieu en het gebruik van
schaarse grondstoffen en fossieleenergie.
~ i estaan twee uitgangspuntenduilder
lijk tegenover elkaar. Er iseen groepering
die economische groei als een voorwaarde ziet om een aantal verworvenheden
in onze maatschappij te kunnen behouden, een andere groep ziet juist de consequenties van een voortgaande niet-beheerste groei als een ernstige bedreiging
voor het handhaven van een aantal verworvenheden. Beide groeperingen leggen hun prioriteiten anders, maar van
een duidelijke zwart-wittegenstelling is
toch geen sprake.
Scenario Centrum voor
Energiebesparing
In een korte karakteristiek van een
scenario dat door het Centrum voor
Energiebesparing is uitgewerkt wordt als
doelstelling welvaartsbevordering op
lange termijn genoemd. Daarbij wordt
welvaart uitdrukkelijk niet, gelijkgesteld
aan produktievolume of groei van het
nationaal inkomen; welvaart omvat ook
elementen als milieukwaliteit, toekomstzekerheid, risicovermijding, onafhankelijkheid, werkgelegenheid, kwaliteit van

het werk, inkomensverdeling e.d. Naast
de relatie produktielmilieu zal in dit
scenario grote aandacht worden gegeven
aan de terugkoppeling van inspanningen
en investeringen gericht op welvaartsbehoud op langere termijn en de hierdoor veroorzaakte negatieve effecten op
de groeimogelijkheden van de produktie.
De hiervóór genoemde globale uitwerkingen van deze visie geven aan dat
hoogstwaarschijnlijk het veiligstellen
van de welvaart – in bovenbedoelde
zin – tot gevolg zal hebben dat groei van
het nationaal inkomen op kortere termijn is uitgesloten. Het Centrum propageert dus niet een nulgroei, maar wenst
de voor- en nadelen van groei met betrekking tot de welvaartsontwikkeling
duidelijk vast te stellen en zichtbaar te
maken, zodat een afweging mogelijk
wordt. De informatie voor deze keuzemogelijkheden ontbreekt thans vrijwel
geheel, maar is in het kader van de
(brede) maatschappelijke discussie onontbeerliik.
Globale uitwerkingen geven eveneens
aan dat een hogere prioriteit voor welvaartsbehoud op lange termijn boven
de prioriteit van produktiegroei aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de
nationale brandstofbehoefte. Naar verwachting zal dit samengaan met een
absolute daling van de brandstofbehoefte, hetgeen aansluit op de wens tot een
grotere mate van onafhankelijkheid, vermijding van het risico verbonden aan de
invoering van kolen en kernenergie op
grote schaal, en op de wens tot behoud
van een hoge milieukwaliteit 2). In een
scenario dat in opdracht van de minister
van Economische Zaken wordt uitgewerkt staat de verwezenlijking van een
aantal na te streven doeleinden als uitgangspunt voorop, waarvan worden genoemd: een aanvaardbaar niveau van
werkgelegenheid, een evenwichtige ontwikkeling van de betalingsbalans, en een
grens aan de omvang van het financieringstekort van de overheid 3). In deel 1
van de Nota energiebeleid zijn daarnaast genoemd: beperking van de inflatie, een rechtvaardige inkomensverdeling, en een bevredigende ontwikkeling
van het reële inkomen per hoofd van de
bevolking.
Hoewel er geen vaste relatie wordt geconstateerd tussen de groei van het BNP
en de werkloosheid wordt toch vastge-

steld dat een vermindering van de werkloosheid zeer wordt bemoeilijkt wanneer
de BNP-groei daalt beneden een zekere
minimumwaarde. Daarbij komt dat de
groei van de beroepsgeschikte bevolking
gedurende dit decennium hogere eisen
stelt aan het tempo van de economische
groei dan in de jaren negentig, wanneer
het arbeidsaanbod zich naar verwachting
zal stabiliseren 4). Dit pleit voor een
BNP-groei van 2 a 3% per jaar, waarnaast in ander verband al is gewezen op
ruilvoetverlies als gevolg van het afnemen van de aardgasexport en incidentele loonsverhogingen 5).
Het scenario van het Centrum voor
Energiebesparing zoals hiervoor kort
aangeduid en waarvan de onderliggende
gedachten nader zijn uitgewerkt in Her
vergelen scenario van ir. Th. Potma 6),
heeft de steun van het Landelijk Milieu
Overleg en de Werkgroep Energiediskussie, waarin de voorbereiding van de komende maatschappelijke discussie wordt
gecoördineerd van een groot aantal
organisaties op verschillend terrein.
Scenariotechniek
Het begrip scenario of draaiboek is nog
betrekkelijk nieuw. Het wordt gebruikt
in twee betekenissen. De eerste is een
aantal samenhangende veronderstellingen of uitgangspunten, die een concept
vormen voor de ontwikkeling in de toekomst van een bepaalde grootheid, zoals
bijvoorbeeld het energieverbruik. Dit
zou men als ,,scenario’s in enge zin” of
,,nulde-orde benaderingen” kunnen aanduiden. Een voorbeeld daarvan zijn de
beide hiervóór beschreven scenario’s.
Een ,,scenario in ruime zin” houdt in een
consistente uitwerking van deze uitgangspunten, zodat ook de consequenties op ander terrein zichtbaar worden.
Die uitwerking geschiedt veelal met behulp van een model, dat een verkorte,
op de problematiek toegesneden, weergave is van de in de praktijk geconstateerde samenhang tussen relevante grootheden.
De waarde van een scenario is even
groot als de realiteit van de uitgangsveronderstellingen en de kwaliteit van
het gebruikte model. Er kan dus niet

* Secretaris van de (voorlopige) Algemene

Energieraad.
I ) AER, Advies naar aanleiding van de Nota
energiebeleid, deel 1.22 november 1979.
2) AER, Advies energiescenario ‘s, 18 juni
1980. ‘s-Gravenhage, blz. 13.
3) Idem, blz. 14
4) Zie in dit verband J. A. H. Bron, Arbeidsaanbod-projecties 1980-2000, serie Voorstudies en achtergronden WRR, S-Gravenhage,
1980.
5 ) Dr. F. W. Rutten in een inleiding tijdensde
studiedag over energie van de Economische
Faculteits Vereniging te Rotterdam in oktober 1979.
6) Ir. Theo Potma, Het vergeten scenario.
Amsterdam, 1979.

r
F

i
i

meer uitkomen dan er wordt ingestopt,
zodat de betekenis ervan beperkt is. Een
scenario geeft -in ruime zingenomeneen inzicht in de mogelijke consequenties van een situatie die men nader wil
bezien. Onder dezelfde beperkingen kan
men een aantal scenario’s naast elkaar
ontwikkelen, waardoor een vergelijking
mogeliik wordt tussen alternatieven. Aldus-kinnen scenario’s een hulpmiddel
zijn voor het te voeren beleid.
Scenario’s zijn geen prognoses, want
voor het doen van een prognose moet
men de gave der profetie hebben, hetgeen bij het weerbericht al lastig is, laat
staan bii het veel complexere economische ; maatschappeiijke gebeuren.
f
Er ziin vele onzekerheden. die onderling
op eikaar kunnen inwerken en aldus de
tóekomstige ontwikkeling bepalen. De
scenariotechniek biedt de mogeliikheid
– .
in dit complexe terrein enkele contouren
te tekenen, die het inzicht kunnen verhelderen.
De beleidsbepaling – het zij benadrukt – is een meer omvattend, vaak
iteratief proces, met daarin vele subjectieve elementen, die moeilijk zijn te
kwantificeren. In het rapport Kolen en
uraan van de AER, dat in 1979 is gepubliceerd, wordt in een bijlage 7) een overzicht gegeven van een aantal energiescenario’s dat in de achter ons liggende
jaren voor verschillende doeleinden is
opgesteld. De Landelijke Stuurgroep
Energieonderzoek (LSEO), de voorloper
van de huidige voorlopige Raad voor het
Energie-onderzoek, stelde in l976 enkele
energiescenario’s op om mogelijke knelpunten op te sporen op grond waarvan
onderzoekprogramma’s zouden kunnen
worden opgesteld. In volgende jaren vinden we scenario’s voor de Nederlandse
energiesituatie in publikaties van het
IEA en WAES, waaraan instanties in
ons land hebben bijgedragen. In 1977
publiceerde ir. Potma de eerste beschouwing over zijn op beperking van
de groei geënt Vergeten scenario. Een
jaar later volgde het rapport van de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid De komende vijfentwintig
jaren, met daarin een A-variant die uitgaat van een tot nul afnemende groei van
het BNP in een periode van circa tien
jaar als gevolg van strenge randvoorwaarden op het terrein van leefmilieu
en energie. Het rekenwerk werd verricht
door het CPB. dat in de veriode daarna
in opdracht van ~conomiiche
zaken nog
enkele varianten doorrekende. In dezelfde periode publiceerden de oliemaatschappijen Shell en ESSO energiescenario’s, die nogal wat aandacht hebben getrokken.
Zonder te willen stellen dat dit overzicht volledig is blijkt dat alle scenario’s
die bekend zijn een direct raakvlak hebben met het bepalen van het beleid van
de overheid (op verschillend terrein) of
de anticipatie daarop door ondernemingen. Een benadering van deze problemaESB 27-8-1 980

tiek of een visie op dit gebeuren vanuit
de universitaire wereld ontbreekt.

Modellen
De AER heeft zich in het onlangs uitgebrachte advies niet willen begeven in
een discussie over energiemodellen voor
het uitwerken van scenario’s. Omdat de
minister de resultaten van het werk bij
het begin van de maatschappelijke discussie, begin 1981, tot zijn beschikking
wil hebben, kan alleen gebruik worden
gemaakt van reeds voorhanden modellen. De tijd om nieuwe modellen te maken of bestaande te verbeteren of uit
te breiden ontbreekt. De modellen die
er wèl zijn, zijn het energiemodel van
het CPB, dat uitgaat van de vraagzijde,
en een aanbodmodel van het Energie
Studie Centrum (ESC) te Petten. Het
advies aan de minister is dan ook geweest met behulp van deze modellen de
beide eerdergenoemde scenario’s te laten
doorrekenen. Daarmee kan een dubbel
doel zijn gediend: de uitwerking levert
een vergelijkbaar beeld van beide scenario’s, eventueel een beperkt beeld wanneer niet op alle vragen een antwoord
kan worden gegeven. Maar tegelijkertijd
krijgt men een beeld van manco’s in
kennis, hetgeen richtinggevend kan zijn
voor verdere werkzaamheden op dit
terrein.
Noodzaak van verdergaand onderzoek
Een model is – het woord zegt het
reeds – een verengde weergave van de
werkelijkheid. Een model wordt voor
een bepaald doel gemaakt en bevat in het
algemeen alleen voor dat doel relevante
gegevens. Voor een ander doel heeft men
dan een aangepast of ander model nodig.
De vraag is dan ook gesteld of het energiemodel van het CPB wel bruikbaar is
om een scenario met een strenge randvoorwaarde op het terrein van het milieu, zoals dat van het Centmm voor
Energiebesparing, uit te werken. Het
Centrum heeft reeds een aanvullende
studie bepleit voor een meer milieubewust model.
Op modelgebied kan, naar het zich
laat aanzien, wel een aansluiting worden
gevonden met het werk dat op enkele
universiteiten en hogescholen plaatsvindt. Bij de voorbereiding van het rapport Plaats en toekomst van de Nederlandse indusrrie is, in opdracht van de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. reeds een aantal deelstudies
uitgevoerd, waarbij praktisch alle economische faculteiten – afzonderliik zijn betrokken geweest 8). In dit kader is
een aantal sectormodellen, of aanzetten
daartoe, gemaakt die binnenkort beschikbaar komen. Dit materiaal zou een
basis kunnen vormen voor een verdere
ontwikkeling van energiemodellen,
vooral door een uitsplitsing naar secto-

ren van bedrijvigheid, die elk hun eigen
energieverbruikspatroon kennen. De belasting van het milieu en de splitsing van
toegevoegde waarde naar milieu, energie, veiligheid en andere grootheden
zijn eveneens onderwerp van studie.
Er bestaat reeds een Interuniversitair
Overleg Energie (IOE), dat voor een zekere afstemming zou kunnen zorgdragen.
De AER heeft bepleit dat middelen
worden vrijgemaakt om verdergaand
onderzoek mogelijk te maken. De
hoofdlijnen voor dit onderzoek en de
financiering zouden kunnen worden
aangegeven door de REO, waarbij het
ESC kan worden ingeschakeld. Enerzijds houdt dit in steun aan de onderhanden werkzaamheden, anderzijds ook
een onderlinge afstemming daarvan.
Vooral dit laatste is van belang, omdat
slechts een bundeling van kennis en ervaring in ons land, zowel op universiteiten
als daarbuiten, op redelijk korte termijn
kan leiden tot het beoogde resultaat. Met
het oog daarop hebben de R E 0 en het
ESC reeds een Werkgroep Integrale
Energie Scenario’s (WIES) opgericht,
waarbij ook de AER is betrokken. In de
WIES vindt thans een inventarisatie
plaats van onderhanden werkzaamheden aan modellen, scenario’s en andere
technieken. Dit kan een aanzet worden
voor een meer geïntegreerde aanpak, om
te komen tot een lange-termijnvisie met
betrekking tot de energietoekomst van
Nederland, zoals de werkgroep het zelf
heeft geformuleerd. Daarbij kan ook gebruik worden gemaakt van de resultaten
van werk dat op het onderhavige terrein
in andere landen plaatsvindt.
Slot
In dit artikel is het belang onderstreept
van scenario’s als hulpmiddel bij de
beleidsvoorbereiding. Vooral voor een
verkenning van de wat verder van ons
afliggende toekomst is deze techniek
nuttig. Tevens is gepoogd een overzicht te
geven van onderhanden werkzaamheden, zonder dat is ingegaan op de scenario- of modeltechniek zelf 9). Daarnaast is een coördinatie van onderhanden
werkzaamheden bepleit. Wellicht dat het
AER-advies over energiescenario’s een
stimulans daartoe kan zijn, zodat verscheidene doelen tegelijk worden gediend.
W. L. M. Adriaansen

AER, Kolen en uraan. S-Gravenhage,
1980, blz. 29-34.
8) W R R , Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie. ‘~Cravenhage, 1980. De
acht bedoelde deelstudies worden in de serie
,,Voorstudies en achtergronden” van de
W R R eveneens uitgebracht.
9) Een interessant overzicht vindt men.ook in
J. A. Hartog, Intuïtie of deductie? Enkele
methodologische aspecten van het Interfuturesrapport, ESB, 14 mei 1980, blz. 573.
7)

Auteur