ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
UITGAVE VAN DE
11/18 APRIL 1979
t=sbECONOMISCH
STICHTING HET NEDERLANDS
64eJAARGANG
INSTITUUT
No. 3200
Consumptief krediet
Het lijkt erop dat nogal wat mensen moeite hebben hun
consumptieve aspiraties aan te passen aan de verminderde
inkomensgroei. Dat valt althans af te leiden uit het feit
dat de laatste jaren de volumestijging van de particuliere
consumptie de stijging van het reëel Vrij beschikbaar inkomen
te boven is gegaan. In verband daarmee wordt, vooral de laatste tijd, met een
beschuldigende Vinger gewezen naar de sterkeexpansie van de
consumptieve kredietverlening. In 1978 bedroegen de totale
verstrekkingen aan consumptief krediet bijna f. 9 mrd. en
per ultimo 1978 was de totale consumptieve schuld bijna f. 11
mrd. (een toename van ruim f. 2 mrd. ten opzichte van ultimo
1977). Nu kunnen, vooral in de economie, cijfers Vaak
ZO
worden gepresenteerd, dat er toch nog lichtpuntjes kunnen
worden waargenomen. Zo kan men constateren dat
de groei
van de consumptieve kredietverlening in 1978 ten opzichte
van 1977 is
gehalveerd.
Het kabinet-Van Agt lijkt Voor
deze interpretatie evenwel niet gevoelig te zijn. In de
Nota over de voortgang van Bestek ’81
kondigt het kabinet
aan, dat er maatregelen worden voorbereid die tot een afrem-
ming van het consumptief krediet moeten leiden.
Voor het kabinet is er inderdaad reden de groei
van de consumptieve kredietverlening met zorg te volgen.
In het recent verschenen Centraal Economisch Plan 1979
constateert het Centraal Planbureau een toenemende invoer-
penetratie bij de consumptieve bestedingen. De marginale
directe
invoerquote (de directe toename van de invoer
gerelateerd aan de toename van het consumptievolume) is ge-
stegen tot zo’n
30%;
in de jaren zestig lag de marginale
directe invoerquote op ruim
20%.
Als rekening wordt gehou-
den met de invoer van grondstoffen en halffabrikaten voor
de binnenlandse consumptiegoederenindustrie en met het
toeristische reisverkeer naar het buitenland, komt de margi-
nale invoerquote ver boven de
50%.
Waarschijnlijk geldt
voor de duurzame consumptiegoederen (zoals auto’s, stereo-
installaties ed.) een nog hogere marginale invoerquote.
Het is juist voor de aanschaf van deze goederen dat het con-
sumptief krediet wordt gebruikt. Gezien het huidige tekort op
de betalingsbalans, en meer nog de snelle omslag van een
overschotsituatie naar een tekortsituatie, zal het duidelijk
zijn dat maatregelen die de import kunnen afremmen, zoals
het terugdringen van het consumptief krediet, vanuit econo-
misch-politieke overwegingen aantrekkelijk zijn. Het blijkt de regering niet te gaan om de (eventueel onge-
wenste) ontwikkeling van het consumptief krediet
op zich.
In de eerder genoemde Voortgangsnota wordt gesteld dat de
regering bezorgd is over de voortgaande sterke expansie van
de consumptieve kredietverlening, ,,gezien het huidige on-
evenwichtige bestedingsbeeld binnen de particuliere sector”.
Er wordt geen paternalistisch argument gehanteerd, in die zin
dat de regering bezorgd zou zijn over het feit dat wellicht in
te veel gezinnen met spijt wordt teruggedacht aan een gefi-nancierde aankoop, als blijkt dat de financieringsiasten een nogal zware claim leggen op het inkomen.
In feite betekent dit dat het kabinet (zoals in 1951 en 1957)
op grond van de situatie op de betalingsbalans een
beste-
dingsbeperking wil
opleggen. Daarbij is het opmerkelijk dat
enerzijds het kabinet wél wil ingrijpen als blijkt dat con-
tracten tussen burgers en fïnancieringsinstellingen het
kabinetsbeleid doorkruisen, terwijl anderzijds contracten
tussen werkgevers en werknemers met betrekking tot de
arbeidsvoorwaarden, die veel méér het kabinetsbeleid door-
kruisen, ongemoeid worden gelaten. Verder is het opvallend
dat de filosofie van de
vrijwilligheid
die onder meer heeft
geleid tot haifzachte maatregelen om het energieverbruik te
beperken, door het kabinet niet van toepassing wordt geacht
op de problematiek van het consumptief krediet. Er wordt
geen beroep gedaan op de Nederlander om
alsjeblieft
minder
consumptief krediet op te nemen. Het is de vraag of de
consequenties van de expansie van het consumptief krediet voor de betalingsbalans groter zijn dan die van de stijgende
energieprijzen.
Deze week praat De Nederlandsche Bank met de handels-
en spaarbanken over de beperking van het consumptief
krediet. De banken lijken niet te zitten wachten op
maatregelen en niet alleen omdat de consumptieve kredietver-
lening een deel van hun broodwinning is. Nog afgezien van de
vraag of de banken de ongerustheid van het kabinet over de
ontwikkeling van het consumptief krediet delen, wordt er
sterk aan de effectiviteit van eventuele maatregelen voor het
terugdringen van de consumptieve bestedingen getwijfeld.
Een deel van de consumptief-kredietverlenende instellingen
valt niet onder het toezicht van De Nederlandsche Bank, die de
maatregelen aan de banken moet opleggen. Deze financie-
ringsinstellingen blijven buiten schot en kunnen rekenen op
een grote toeloop van cliënten. Verder bestaat er, zoals
bekend, een grote rivaliteit tussen de Rijkspostbaarbankende
particuliere banken. De laatste beschuldigen nu de RPS van
een actieve martktpenetratie met betrekking tot het consump-
tief krediet, waardoor de particuliere banken gedwongen
zouden zijn hun marktaandeel te verdedigen, ondermeerdoor
het voeren van agressieve reclame waarin werd gesuggereerd
dat het lenen van geld in principe even gemakkelijk is als het
sparen van geld. Ten slotte wordt erop gewezen dat de
consumenten inventief zijn in het vinden van alternatieve
financieringskanalen, indien het aanbod van consumptief
krediet te kort schiet. Het verschijnsel van de ,,tweede
hypotheken” maakt b.v. duidelijk dat consumenten een deel
van de waardestijging van hun huis gebruiken om bepaalde
aankopen te financieren. Bovendien kan worden verwacht dat
leveranciers, als blijkt dat potentiële afnemers dreigen weg te
vallen omdat de kredietverlening stokt, hun afbetalings-
systeem zullen aanpassen. Het kabinet zal er een harde dobber aan krijgen om via wij-zigingen in de Wet op het consumptiefkrediet en in de Wet op het afbetalingsstelsel meer greep te krijgen op de consumptie-
ve kredietverlening. Er moet rekening mee worden gehouden dat er mazen in de wetgeving zullen worden gevonden om de
maatregelen te ontlopen. Want met de expansie van de con-
sumptieve kredietverlening is wél duidelijk geworden dat een
niet onaanzienlijke groep burgers wel degelijk gevoelig is
voor de aantrekkelijke kanten van materiële welvaarstgoe-
deren. Prof. Van den Doel pleit al jaren voor uitbreiding van
de collectieve sector omdat dââr de behoeften van de mensen
zouden liggen (,,de mensen staan in de rij voor de dokter”).
Hij noemt de uitbreiding van de collectieve sector de ,,socia-
listische oplossing” van het werkloosheidsvraagstuk 1). Nog afgezien van de vraag of dat juist is, ben ik er niet van over-
tuigd dat de gesuggereerde oplossing ook de ,,democratische
oplossing” van het werkloosheidsvraagstuk zou zijn. Eind
vorig jaar hadden de gezamenlijke financieringsinstellingen
1,5
mln, consumptieve leningen uitstaan. Het saldo uitstaand
consumptief krediet per hoofd van de bevolking bedraagt
f. 813. Het blijkt dat ,, mensen zich in de schulden steken voor
een stereo-installatie”. Voor de problemen die op ons af-
komen zou het wenselijker zijn indien ons consumptiepa-
troon zich zou ontwikkelen in de door Van den Doel voor-
gestelde richting.
T. de Bruin
1) Hans van den Doel, De socialistische oplossing van de werkloos-
heid,
Haagse Post, 7april 1919.
361
Inhoud
Drs. T. de Bruin:
Consumptief krediet …………………………………….361
Column
Data in discussie,
door
Prof
Dr. B. Goudzwaard ……………….
363
Prof
Dr.
J.
Tinbergen:
Enkele opmerkingen over herstructurering ……………………364
Vacatures
………………………………………………366
Dr. P. B. Boorsma:
De nota over de voortgang van Bestek ’81 …………………….367
D. A. P. W. van der Ende:
Rekenkamer in de verzorgingstaat ………………………….37I
Ingezonden
De woningmarkt,
door C. P. A. Bakker,
met naschrift van
Drs. L. van
derGeest ………………………………………………
375
Geld- en kapitaalmarkt
De betalingsbalans in het rood,
door Drs. B. Kramer …………….
376
Mededelingen
……………………………………………377
Energiekroniek
Energiebelçid en risico,
door Drs.
P. J.
B. Wasser ……………….
378
Boekennieuws
James M. Buchanan en Richard E. Wagner: Fiscal responsibility in
constitutional democracy,
door Mr. C. A. de Kam ………………
379
Guy Routh: The origin of economic ideas,
door Dr. P. H. Admiraal
380
D. E. Moggridge: Keynes,
door Dr. A. Nentjes …………………
381
A. B. T. M. van Schaik: Reproduction and fixed capital,
door Drs. A. S.
W.
de Vries ……………………………………………
382
Dr. C. J. M. Koks: Investeringsplanning en technologische ontwikkeling,
door Dr.
W. J.
de Ridder …………………………………
383
In de week na Pasen verschijnt er geen
ESB.
Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.
NAAM
.
…………… ………………………………………
STRAAT
.
…………………………… …………………….
PLAATS
.
…… …………………………………………….
Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)
.
………………………
1ngangsdatum
……………………………………………….
Ongefrankeerd opzenden
aan*:
ESB
Antwoordnummer 2524
3000
VR ROTTERDAM
Handtekening:
•Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.
ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
ESb
Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut
Redactie
Commissie van redactie: H. C. Bos.
R. hierna, L. H. Klaassen, H. W. Lam bers,
P. J. Montagne. J. H. P. Pae/inck.
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. van der Geest.
Adjunct-redacteur-secretaris: T de Bruin
Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam: kopij voor de redactie:
postbus 4224 3006 A E Rotterdam.
Tel.
(00)
1455 II, administratie: toestel 3 70!,
redactie: toestel 3790. Bij adreswijziging s. v.p. steeds adresbandje
meesturen.
Kopij voor de redactie:
in tweevoud, getypt, dubbele regelafeiand, brede marge.
Abonnementsprijs:f
144,04 per kalenderjaar
(mcl. 4% BTW): studentenf 101,40
(mcl. 4% BTW), franco per post voor
Nederland. België. Luxemburg, overzeese
rijksdelen zeeposI).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ulti,no van een kalenderjaar.
Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93,
3012 AE Rotterdam, t.n.v. Economisch St’atistische &richten te Rotterdam.
Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3.30
(mcl. 4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door o s’ermaking San de hierbo ven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t. n.
t’.
Econorhisch Statistische Berichten
te Rotterdam met vermelding
San datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de Regelen voor het Advertentiewezen.
Stichting
Hei Nederlands Economisch Instituut
Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam, tel. (010) 14 55 II.
Onderzoekafdelingen: Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedrjfs-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
Yesligingspatronen Macro- Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslanden
Regionaa/ Oridérzoek Statistisch- Mathematisch Onderzoek
Transport-Economisch Onderzoek
362
Prof Goud:uaard
Datain
discussie
De vraag, welke factoren de econo-
mist als data – gegeven uitgangs-
punten – voor zijn wetenschappelijke
analyse en oordeelsvorming moet aanne-
men, is zeker niet van actualiteit ont-
bloot. Een recent voorbeeld van het
belang van die vraag is de interessante
studie van Dr. Gerard K. Boon
Techno-
logy and sector choice in economic de vel
–
opment
(Sijthoff/Noordhoff 1978). In
dit boek trekt Boor de lijn door van zijn
vroegere studie over de economische
keuze van ,,human and physical factors”
in het produktieproces. De technische
ontwikkeling is voor hem een authentiek
deel van het economisch onderzoeks-
veld. Maar ze vergt ook een economi-
sche beoordeling:
,,ln the question of choice of technique one
should try to consider technological possibili-
ties under development and the trends in the
technological process… In the future the
desire will increasingiy be feit of the need to
guide technologicai development according to
certain social and overall economic aims,
instead of purely private considerations. Such
aims, as stated, can be used, for exampie, to
employ more people in an economically mea-
ningful way, and/or to use non-convential
forms of energy”.
Hiermee is echter impliciet de vraag
aan de orde naar de
keuze
van een der
economische data, naar economische
criteria om de technologische ontwikke-
ling te leiden of althans te begeleiden.
Gaat zo de economist als wetenschapper
niet te ver? Leidt dit op den duur niet een
politisering van de wetenschapsbeoefe-
ning in?
Deze vragen zijn zeker niet ten onrech-
te. Het is immers juist door de keuze van
een z.g. ,,data-krans” geweest – met als
gegeven factoren de bestaande behoef-
ten, de stand van de techniek, de natuur-
lijke omgeving (grond), de inrichting van
de maatschappelijke orde en de omvang
en kwaliteit van de bevolking – dat eco-
nomisten als Eucken en Robbins, in het
voetspoor van Strigl en Max Weber,
hebben getrachtvoor de economie een
eigen onderzoeksgebied af te bakenen.
Daarbij werden de data zo gekozen, dat
naar binnen toe objectieve uitspraken
over ,,notwendige Bedingungszusam-
menhange” mogelijk zouden zijn en naar
buiten toe elke poging zou kunnen wor-
den geweerd om onder het mom van eco-
nomische wetenschapsbeoefening poli-
tieke waarde-oordelen af te geven. Nu dit
(in wezen positivistische) wetenschaps-
beeld aan het vervagen is – al dan niet
via de omweg van de normatieve uitspra-
ken niet schuwende welvaartsecono-
mie – dreigt echter opnieuw een politi-
sering haar intrede te doen. Moet de
onttakeling van de data niet leiden tot
een grondslagencrisis in de economische
wetenschap?
Bij het nadenken over vragen als deze
is het van belang te constateren, dat de
toenemende aandacht van de economist
voor de totstandkoming van economi-
sche data — vgl. in dit verband ook
Heertjes doorwrochte werk over
Econo-mie en technische ontwikkeling,
Leiden,
1973— natuurlijk niet op zich zelf staat,
maar ten nauwste verband houtit met de
maatschappelijke ontwikkeling. Terwijl de economist zich van jaar op jaar heeft
bezig gehouden met de vraag, hoe hij vanuit de data de afloop van het econo-
misch proces kon verklaren, heeft de
maatschappelijke ontwikkeling als het
ware precies het omgekeerde proces ge-volgd: steeds meereconomische data zijn
vanuit de stuwkracht van het econo-
misch proces als
afhankelijke
groot-
heden gaan fungeren. Dat geldt zeker
voor de technologische ontwikkeling: ze
is vanuit de economische groei opge-
stuwd en ze wordt gericht door de eco-
nomische keuze van researchactivi-
teiten. Maar het geldt evenzeer voor de
natuur: het aangezicht en het karakter
daarvan is door de werking van de vele
externe effecten (als effecten, die zich
a.h.w. d66r de data-krans heen voltrek-
ken) gestaag veranderd, en dat zeker niet
alleen in positieve zin. Dat in de maat-
schappelijke ontwikkeling de data van de
economist de afhankelijke variabelen
van de economische processen geworden
zijn, geldt ten slotte tot op zekere hoogte
ook voor het datum van de menselijke
behoeften. Via ,,demand management”
zijn de menselijke preferenties in toene-
mende mate aan de gevolgzijde van eco-
nomische causaliteitsreeksen terecht ge-
komen; iets waarop vooral door
Galbraith is gewezen.
De orthodoxe denkrichting van de
economist – van data naar economisch
proces – harmonieert daarom in genen
dele meer met de ontwikkelingsrichting van onze samenleving: van economisch
proces naar de data. Is het dan verwon-
derlijk, dat niet weinig economisten hun
aandachtsveld verbreden en een ver
–
hoogde wetenschappelijke interesse voor
de totstandkoming van data-veranderi n-
gen aan de dag leggen? Maar met Boon
zou ik een stap verder willen doen. Ligt
het ook niet in hun verantwoordelijkheid
als economist opgesloten, dat ze zich 66k
verdiepen in de vraag naar een mogelijk
economisch-verantwoorde
keuze
van
technische ontwikkelingen, alsmede in
de vraag naar een economisch verant-
woorde keuze van een behoeftennjveau in b.v. de rijke westerse landen, en naar
een economisch-verantwoorde keuze
van het economisch beslag op onze na-
tuurlijke omgeving? Zich in deze tijd nog
verschuilen achter de constructie van een
data-krans, die inmiddels in werkelijk-
heid reeds volop een prooi voor een
intensieve economische bewerking is ge-
worden, komt althans op mij over als een
vlucht voor de eigen wetenschappelijke
verantwoordelijkheid, als een weten-
schappelijk-getinte struisvogelpolitiek.
Maar hoe is het dan gesteld met het
risico van een politisering van de econo-
mie als wetenschap? Het gevaar is inder
–
daad niet denkbeeldig. Maar het vormt
mi. nog geen afdoende reden, om de
vraag naar de economisch-verantwoorde
keuze of instelling van data fundamen-
teel te ontlopen. Nog afgezien immers
van de omstandigheid, dat de bestaande
– positivistische – afbakening van het
economische onderzoeksveld
indirect
zeker een politiserende strekking heeft
gehad – het is de facto een enorme on-
dersteuning geweest van een verdere
expansie van de markteconomie, met
inbegrip van alle terugwerkingen op de
data – ligt het namelijk geenszins voor
de hand, dat het economisch-weten-
schappelijk oordeel geen eigen plaats en betekenis zou kunnen hebben nââst poli-
tieke overwegingen en oordelen. Want
een behoeftenniveau kan ook z6 hoog
gekozen worden, dat het een recht-
streekse bedreiging vormt voor de moge-
lijkheid van de behoeftenbevrediging van
andere volken of van een eerstkomende
generatie; en een bepaalde keuze van
techniek of van een automatiserings-
graad kan eveneens zo hoog uitvallen,
dat de economische kosten – waaronder
het braakleggen van de produktiefactor
arbeid – de mogelijke baten reeds bij
voorbaat overtreffen. Zeker binnen het
raam van de z.g. welvaartseconomie
moeten zulke wetenschappelijke oorde-
len mogelijk zijn en blijven.
–
–
–
–
–
ESB 11/18-4-1979
363
Enkele opmerkingen
over herstructurering
De veranderingen die zich in de internationale
arbeidsverdeling zullen voltrekken, noodzaken
de Europese landen zich te beraden op de toe-
komstige structuur van hun economieën. Daar-
bij staal de vraag centraal in welke sectoren
voldoende werkgelegenheid kan ontstaan. Te-
vens is van belang
of
de aard van de werk-
gelegenheid zodanig zal zijn dat deze aansluit
bij het te verwachten beschikbare aanbod van
arbeid. Prof Dr. J. Tinbergen verricht in dit
artikel enkele becijferingen omtrent dit vraag-
stuk, dat ook consequenties heeft voor de in-
komensverdeling.
Protectie tot behoud van werkgelegenheid
Van verschillende kanten wordt op de regeringen van
ontwikkelde landen een toenemende druk uitgeoefend om de
protectie te versterken van de bedrijfstakken die op de
wereldmarkt niet meer kunnen concurreren. Dit zijn vooral
de takken die arbeidsintensieve en relatief eenvoudige pro-
dukten voortbrengen: delen van de kleding-, textiel-, Ieder-,
lederbewerkings- en houtverwerkende industrieën. Van andere zijden wordt terecht gewaarschuwd tegen een
uitbreiding van de protectie; vooral van de zijde van internati-
onale lichamen, die medeverantwoordelijk zijn voor andere
delen van de wereld. De Iobbyisten in de ontwikkelde landen
benadelen door hun optreden niet alleen die andere delen van
de wereld, maar ook enige interne belangen. Een oud argu-
ment is dat zij de belangen van alle consumenten benadelen;
maar daartegenover hebben zij wel een aanvaardbaar weder-
woord: de producentenbelangen die zij verdedigen betreffen het gehele inkomen van degenen die met werkloosheid wor-
den geconfronteerd en het consumentenbelang heeft maar
betrekking op enkele posten van het huishoudboekje.
Wat bijna nooit naar voren wordt gebracht is dat protectie
ook de producentenbelangen benadeelt van de bedrijfstakken
die op de wereldmarkt
wel
kunnen concurreren. Door minder
aankopen in ontwikkelingslanden en centraal geleide volks-
huishoudingen te doen zijn wijzelf er de oorzaak van dat deze
landen minder bij ons kopen van de produkten die onze
specialismen zijn. Daardoor worden de werknemers van die
takken in mindere aantallen te werk gesteld dan zonder die
protectie het geval zou zijn. Uit deze bedrijfstakken zou zich
ook eens een lobby moeten vormen. Het zijn land- en tuin-
bouwbedrijven, metaalverwerkende en elektronica produ-
cerende bedrijven,de invoerhandel (groot-en kleinhandel)en
in meer algemene zin kennisintensieve bedrijfstakken.
PROF. DR. J. TINBERGEN
Positieve herstructurering
In plaats van bescherming is er een betere politiek ter
bevordering van de toekomstige werkgelegenheid, nI. het
bevorderen van activiteiten waarin wij in de toekomst zullen
kunnen concurreren op de wereldmarkt. Afgezien van de
noodzaak het peil van onze produktiekosten over de gehele
linie te matigen (dit is een speciaal Nederlands probleem)
doen wij er in Europa goed aan ons over deze toekomstige
structuur te beraden. Het antwoord in algemene zin is bekend:
wij zullen het moeten zoeken in kennis- en onderzoekintensie-
ve bedrijvigheden; in activiteiten waarachter a.h.w. laborato-
ria en onderzoeksinstellingen staan. Dat kunnen voor een deel
industriële bedrijfstakken zijn. Ik denk aan de zuiveringsin-
stallaties die tegenwoordig in tal van bedrijven en ook zelf-
standig nodig zijn om de vervuiling te beperken en liefst te
verminderen. Voor een ander, en naar het mij lijkt groter, deel
zullen onderzoeksactiviteiten zelf de nieuwe bedrijfstakken
zijn waarin een groter deel van onze arbeidskracht in de
toekomst werk zal moeten vinden. Dit werk zal veelal uitmon-
den in adviserend werk van de meest uiteenlopende aard;
werk zoals dat van de Heide- en Grontmij, De NEDECO, het
Nederlands Economisch Instituut en zijn vele collega’s (of
concurrenten) ena.
Tot de herstructureringspolitiek, waarvan de noodzaak
door zowel de vorige als de huidige regering werd en wordt
ingezien, zou men dan ook mi. vooral moeten rekenen het
bevorderen van de activiteiten die een belofte voor de toe-
komst inhouden.
,,Harde” en ,,zachte” diensten; draagvlak
Bij een pleidooi voor de uitbreiding van dienstverlenende
activiteiten wordt terecht aandacht geschonken aan de vraag
welke van de tot de diensten gerekende bezigheden tot de
produktieve behoren; in de meest sprekende vorm: voor welke
kan men harde buitenlandse valuta verwachten te verkrijgen?
Achter deze vraag ligt de twijfel of sommige z.g. kwartaire
diensten niet ,,zacht” genoemd moeten worden en eigenlijk
niet bijdragen tot het nationale inkomen of produkt. In dat
verband wordt ook het begrip draagvlak wel gebruikt als het
complex van ,,echt” rendabele bedrijven die eigenlijk alles
betalen wat wij ons aan ,,sociale luxe” veroorloven.
De begrippen hard, zacht en draagvlak moeten echter met
zorg worden gehanteerd: men kan gemakkelijk tot verkeerd
gebruik ervan komen. Als, ten behoeve van de kwaliteit van het milieu, hogere eisen worden gesteld, b.v. door wettelijke
voorschriften, aan auto’s of aan bepaalde bedrijfsinstallaties, dan wordt het produceren van de hiervéér genoemde zuive-
ringsinstallaties daardoor (d.w.z. door de zorg voor het
milieu) ,,hard”. Als men tot het inzicht komt dat, in ons eigen
belang op lange termijn, de bescherming van bepaalde zwak-
364
ke industrieën moet worden afgeschaft, dan worden deze
industrieën daarmee ,,zacht” en behoren zij niet meer tot het ,,draagvlak” van onze volkshuishouding. In de grond is alles
,,hard” dat een positieve bijdrage levert tot het sociale welzijn,
zoals het parlement dat definieert. En dat betekent dat de
genoemde begrippen o. m. afhangen van de machtsverhoudin-
gen in de samenleving.
Wij zijn intussen aan de veilige kant, wanneer wij in staat
zijn, adviezen te verkopen aan het buitenland. In de Neder-
landse betalingsbalans (vgl.
Nationale Rekeningen 1977,
Centraal Bureau voor de Statistiek, blz. 119) treffen wij een
post aan ,,Uitvoer van diensten door bedrijven”, die van f. 8,2
mrd. in 1968 gestegen is tot f. 22,2 mrd. in 1977. Onder deze
post behoort een component, die ,,diensten niet te specificeren
naar bedrijfstakken” heet en opgelopen is van f. 205 mln. in
1968 tot f. 1.710 mln, in 1976. Wellicht bevinden zich hieron-
der de zoëven genoemde resultaten van onderzoek door de
Soort van instellingen die op onderzoek gespecialiseerd zijn.
De Nederlandsche Bank zou in de toekomst wellicht nadere
informatie hierover kunnen verzamelen.
Gewenste orde van grootte van de dienstenproduktie in de
vorm van onderzoek over ca. 10 jaar.
Om de vraag te beantwoorden of in ons land in de toekom-
stige structuur voldoende werkgelegenheid kan worden ver-
wacht in de sector der onderzoek-(,,research”-)diensten kan men stellen dat wij de laatste tijd, sinds het optreden van de
Club van Rome, hebben leren zien, hoe ontzaglijk veel wij
niet
weten van een aantal zaken die voor onze toekomst van
doorslaggevend belang zijn. Dit geldt b.v. voor het energie-
vraagstuk, voor het milieuvraagstuk en ook voor een aantal
sociale vraagstukken, zoals dat van de werktijd en van de
mate van inspraak die het plezier in het werk zodanig kan
verhogen, dat de produktiviteit ons weer tot concurreren op
de wereldmarkt in staat stelt. Als men zich enigszins verdiept
in deze vraagstukken en de controversen daarover krijgt men
de indruk dat de markt voor toekomstrelevant onderzoek
welhaast zonder grenzen is.
Het is echter nodig om te komen tot een schatting van de
orde van grootte van de hoeveelheid onderzoekswerk en’
daarmee verwante activiteiten waarmee op realistische wijze
mag worden gerekend over, laten wij zeggen, tien jaar. Eén
der daartoe ondernomen pogingen is verricht door het Cen-
traal Planbureau
(Occasional Papers,
no. 1 l,door H. M. Kok
en F. B. Lempers). De daar gebruikte methode is die waarbij
met één produktiefunctie voor de gehele volkshuishouding
wordt gewerkt en met drie soorten arbeid van lager, middel-
baar en hoger onderwijsniveau. Terecht werd daarbij van een
zekere mate van (indirecte) substitutie tussen de soorten
arbeid uitgegaan.
Ter vergelijking is in de hier gepresenteerde aanpak van het
probleem uitgegaan van starre produktiefuncties voor een
drietal verschillende activiteiten, waardoor een andere vorm
van indirecte substitutie is gekozen, nI. die door een andere
samenstelling naar bedrijfstakken. Doel van deze benadering
is om te zien of de wijzigingen in samenstelling die nodig zijn
om de omstreeks 1990 te verwachten beroepsbevolking (naar
drie soorten opleiding onderscheiden) werk te bieden, realis-
tisch geacht kunnen worden.
De drie activiteiten zijn resp. a. landbouw (vrijwel identiek
met primaire produktie), b. alle secundaire en tertiaire pro-
duktie zonder onderwijs en onderzoek, en c. onderwijs en
onderzoek. Voor elk dezer drie activiteiten (waarvan het
aandeel in de totale werkgelegenheid in 1990 is weergegeven
door resp.
x1,
x
2
en x
3
)zijn de aandelen a berekend in de
werkgelegenheid die zij bieden aan arbeidskrachten met een
basisopleiding (m = 1), met een middelbare opleiding(rn = 2)
en met een hogere opleiding (m = 3). Daarbij is de hogere
opleiding opgevat als de combinatie van semi-hoger en hoger,
als onderscheiden door het Centraal Bureau voor de Statis-
tiek 1) en door Dr. H. De Groot 2). Voor 1975 werd de
volgende matrix A verkregen (zie tabel 1).
Tabel!. Matrix van werkgelegenheidsverdeling naar oplei-
ding m (1, 2, 3) en activiteit n (1, 2, 3)
ml
m2
m=3
n = 1
0,477 0,522
0,001
n
=
2
0,335
0,587
0,078
n3a)
0,130
0,358 0,513
a) Hierbij is een gelijk gewicht toegekend aan de diensten onderwijsen onderzoek.
Aan de genoemde
Occasional Paper,
no. 11 van het CPB is
voor 1990 het aanbod der drie soorten arbeid (als aandeel in
het totale aanbod) ontleend, aan te duiden met x’, x
2
en x
3
:
x’ 0,194;
x
2
=0,650;
x
3
0,156.
Uit de genoemde bronnen van het CBS 3) en van Dr. H. de
Groot is geschat 4) dat de verdeling van het arbeidsvolume
over onze drie activiteiten in 1975 was:
x’=0,064;
x
2
0,868;
x
3
=0,068.
In eerste instantie aannemende dat de behoeften aan de drie
soorten arbeid voor elk der drie soorten activiteiten star zijn
(dit is het essentiële van deze oriëntering) geldt dus dat het
aandeel a
3
van de totale werkgelegenheid dat opleiding 3 heeft
uit de voor 1990 gezochte x
1
, x
2
, en x
3
wordt gevonden uit:
a=0,001
x1
+0,078x
2
+0,513x
3
Eveneens zal:
a
2
0,522x
1
+0,587x
2
+0,358x
3
Zie CBS,
Statistisch zakboek, 1977,
blz.
102/103.
H.
de Groot, Werkgelegenheid en de kwartaire sector,
ESB, 16
augustus 1978,
blz.
816
e.v., door hem verkregen via het Sociaal
Cultureel Planbureau. CBS, op cit., blz.
99
en 100.
Details van de berekeningen worden op verzoek gaarne verschaft.
ESB 11/18-4-1979
365
Om tot een redelijke doelstelling der activiteiten x, x
2
en x
3
voor 1990 te komen wordt allereerst aangenomen dat x
1
in
vergelijking tot 1975 nog wat verder zal dalen en wel tot 0,050.
De invloed van deze onderstelling op de overige uitkomsten is
gering. Verder moet
x
1
+ x
2
+ x
3
—1
en wordt aangenomen dat de voor de twee andere activiteiten
benodigde arbeidskrachten in gelijke verhouding worden
toegewezen als zij aanwezig zijn:
0,001 x
1
+ 0,078 x
2
+ 0,513 x
3=
0,156
0,522 x + 0,587 x
2
+ 0,358 x
3
0,650
Voor de twee onbekende activiteitsniveaus vinden we dan:
x
2
=0,815
x
3
=0,135
Dit zou inhouden dat de activiteit onderwijs en onderzoek
van 68
0
/ naar 135
0
/
o
van de beroepsbevolking zou moeten
stijgen. Daar in tabel l is aangenomen dat de activiteit 3 gelijk
zou worden verdeeld onder onderwijs en onderzoek, zouden
deze laatste in 1990 elk 0,068 van het arbeidsvolume krijgen.
Voor onderwijs betekent dit een groei van
590/
naar 6801,
voor onderzoek van
90/
naar 68
0
1
(i0
van de beroepsbevol-
king. Verdere berekening 5) leert dat onder de gemaakte
veronderstellingen er in 1990 een tekort zou bestaan aan
personen met de laagste opleiding van
121
0
/
en een over-
schot aan personen met middelbare opleiding van 98
0
f
en
aan personen met hogere opleiding van
230/
der totale
beroepsbevolking. Deze aantallen zouden één niveau lager
dan hun opleiding moeten werken. Overigens kan men door
meer activiteiten te onderscheiden, ook komen tot een oplos-
sing zonder tekorten of overschotten.
Inkomens der drie categorieën opgeleiden
Zoals reeds werd opgemerkt, is de in het artikel verrichte
exercitie slechts bedoeld om een orde van grootte der struc-
tuurveranderingen aan te geven die in de kwalitatief in par. 2
bepleite richting gaat. Daarbij is opzettelijk met starre ar-
beidscofficiënten a ,als in tabel l vermeld, gewerkt. Boven-
dien is zeer sterk geaggregeerd, nI. tot slechts drie bedrijfstak-
ken. Voor de nauwkeurige onderbouwing van een positieve
herstructurering zou een combinatie van het werk van Kok en
Lempers met de hier geboden aanpak aanbevelenswaard zijn.
Dit valt buiten mijn mogelijkheden; ik laat gaarne aan
anderen zelfs de beoordeling van de wenselijkheid dezer
combinatie.
Ik wil echter nog wel een opmerking maken over de
inkomensveranderingen die met het aangeduide herstructure-
ringsproces gepaard zouden moeten en kunnen gaan. In het
algemeen is.te verwachten dat waar een tekort bestaat een
inkomensstijging en waar een overschot bestaat een relatieve
inkomensdaling op hun plaats zijn. Voor de categorie der
hoogst opgeleiden is een dergelijke relatieve daling, in het
bijzonder in de sector van onderzoekswerk, bovendien te
verdedigen op grond van de arbeidsbevrediging die in dit werk
kan worden gevonden, zelfs als er een tekort zou zijn. Ook de
verwezenlijking van relatieve inkomensdalingen is niet zo
moeilijk, omdat een belangrijk deel van dit werk geschiedt in
instellingen die door de overheid worden gesubsidieerd en’
waaraan daarom bepaalde voorwaarden o.a. betreffende de
honorering, kunnen worden opgelegd.
J. Tinbergen
5) Met behulp van tabel l kan het aantal personen met opleiding 1
berekend worden als 0,477 x
1
, + 0,335 x, + 0,130 x
3
=
0,024 + 0,273 +
0,018 = 0,315. Het aantal mensen met de laagste opleiding aanwezig
in 1990 is x
1
0,194;daaruit volgt het tekort: 0,315-0,194=0,121.
Op soortgelijke wijze kunnen de overschotten aan mensen met
opleidingen 2 en 3 worden berekend.
Vacatures
Functie:
ESB van 28 maart
Hoofd bureau taak- en functiestructurering
(mlv)
op
de afdeling personeelszaken van de Gemeentesecre-
tarie te
Enschede
Econoom voor de
financiele afdeling van Philips te
Hilversum
Beleidsmedewerk(st)er bij de sectie economische zaken
c.a. van het 2e bureau van de 3e afdeling van het
Provinciaal Bestuur van Noord-Holland te Haarlem
Hoofd bureau economische plannen
(mlv)
voor het
Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen bij
het Ministerie van Defensie te Den Haag
Chef afdeling bedrijfsinformatie die ressorteert onder de financieel-economische adjunct-directeur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid/Geestelijke
en Maatschappelijke Belangen le Zeist
Econoom (m/v) voor de afdeling economisch onderzoek
van de Provinciale Planologische Dienst in Zuid-
Holland te Den Haag
Jonge academici voor het produkt management van
Proctor & Gamble Benelux NV, divisie Nederland
te Rotterdam
Hoofd afdeling beleidsondersteuning (m/v) t.b.v. het Directoraat-Generaal voor de Arbeidsvoorziening,
afdeling bestuurlijke informatie en financiële aan-
gelegenheden van het Ministerie van Sociale Zaken
te Rijswijk
Blz.:
Functie:
Econoom (m/v) t.b.v. het Secretariaat van de Commissie
Vervoervergunningen van het Ministerie van Verkeer
en Waterstaat te Den Haag
310
£58
van 4april
329
Wetenschappelijk medewerker sociale economie bij de
Vakgroep Economie van de Onderafdeling der Wijs-
begeerte en Maatschappijwetenschappen van de Tech-
330
nische Hogeschool Delft
Docent(e) voor handelswetenschappen (desgewenst aan-
gevuld met economie), klas 4 en 5 HAVO bij de
330
F. Kalsbeekscholengemeenschap voor
Cbr. HAVO
en MAVO
te Woerden Beleidsmedewerk(st)cr bij het bureau Financieel Beleid
van de Provincie Zuid-Holland te Den Haag
331
Economisten voor het International Monetary Fund
te Washington
Financieel beleidsambtenaar voor de Gemeente te
332
Capelle aan den IJssel
Economist(e) voor het hoofdkantoor van Unilever BV
te Rotterdam
ii
Hoofd van de financieel-economische hoofdafdeling
voor de Gemeente Ridderkerk
Senior Marketingonderzoeker bij AGO verzekeringen
ie Amsterdam
Bedrijfseconomisch adviseur bij de Verenigde Bedrijven
III
Bredero NV te Utrecht
Blz.:
ff
340
341
346
351
359
359
360
ii
111
366
De nota over de voortgang
van Bestek ’81
DR. P.B. BOORSMA*
Op 27 maart]!. heeft de minister-president de
toegezegde
Nota over de voortgang van Bestek
’81
aan de Tweede Kamer aangeboden. De be-
Iangrjkste elementen uit deze Voortgangsnota
zijn in de dagbladen uitvoerig besproken 1),
zodat het volgende ten dele niet anders dan een
herhaling kan zijn. Een bespreking van de Voort-
gangsnota die wat dieper graaft is eigenlijk on-
mogelijk, omdat deze nota gelijktijdig met het
Centraal Economisch Plan
1979
en de
Voor-
jaarsnota 1979 zou
moeten worden geanalyseerd.
Deze publikaties waren bij het schrijven van dit
commentaar nog niet beschikbaar.
De economische ontwikkeling
De economische ontwikkeling in 1978 is op tal van punten
ongunstiger verlcpen dan in de ramingen van de
Macro
Economische Verkenning 1979
werd voorzien. Opvallend is
dat de binnenlandse bestedingen met 4% in volume zijn
gegroeid (raming in de
MEV:
3%),
welke groei wordt toege-
schreven aan de stijging van de particuliere consumptie. De
groei van de binnenlandse bestedingen heeft te zamen met een
grotere voorraadvorming geleid tot een sterkere volumegroei
van de invoer. Dit laatste is versterkt door een verschuiving in
het consumptiepakket naar bestedingen met een hoge invoer-
quote (reizen e.d.) en door invoerpenetratie op de binnenland-
se markt als gevolg van de zwakke concurrentiepositie van
Nederlandse bedrijven. Het saldo op de lopende rekening
komt daardoor in 1978 uit op een tekort van f. 2,5 mrd.; ten
opzichte van het overschot van f. 7,5 mrd. in 1976 een
verslechtering van f. 10 mrd.
Voor 1979 wordt een iets kleiner tekort verwacht. In de
eerste plaats omdat niet verwacht wordt dat zich weer extra
voorraadvorming zal voordoen. In de tweede plaats omdat
verwacht wordt, dat ,,voor het eerst sinds 1973″ de volume-
groei van de export niet achterbljft bij de herwogen groei van
de wereidhandel. De nota wijst er zelf op dat deze ramingen
met grote onzekerheid zijn omgeven.
Ten opzichte van de prognoses in de
MEV zijn het inflatie-
tempo, de loonsomstijging en de loonkostenstijging nu hoger
geraamd en het investeringsvolume, door de strenge winter,
lager. De werkloosheid blijft gestabiliseerd op het niveau van
eind 1978.
In de nota wordt gesteld dat deze ongunstige ontwikkelin-
gen structurele aspecten vertonen. Twee beleidsconsequenties
worden aangegeven:
1. het kabinet wil de sterke expansie van de consumptieve
kredietverlening afremmen door maatregelen op basisvan
de Wet op het afbetalingsstelsel, de Wet op het consump-
tief geldkrediet en de Wet Toezicht Kredietwezen;
2. een structureel tekort op de lopende rekening van de
betalingsbalans zal ,,gevolgen… moeten hebben voor de
aanvaardbare omvang van het begrotingstekort”, terwijl
de ,,zich thans aftekenende bestedingsontwikkeling aan-
leiding (kan) worden voor een versnelde terugkeer naar
het structureel aanvaardbare financieringstekort” 2).
Het kabinet aarzelt met het trekken van conclusies en het
ontwerpen van een beleid dat snel inspeelt opde ontwikkelin-
gen, met name ten aanzien van de concurrentiepositie, de
koers van de gulden en de tekenen die wijzen in de richting van
een overbesteding. Toen de afgelopen jaren de lopende
rekening grote overschotten vertoonde, is daaraan geen
indicatie ontleend voor een mogelijke vergroting van het
financieringstekort, omdat rekening werd gehouden met de
grote invloed van de exploitatie van het aardgas op de lopende
rekening. Thans wordt in de Voortgangsnota van deze
invloed niet gerept. Zou het sâldo lopende rekening voor de
aardgasexploitatie worden gecorrigeerd, dan zou de lopende
rekening er veel ongunstiger uitzien en zou het beeld t.a.v. concurrentiepositie, guldenkoers en overbesteding worden verduidelijkt. Acht jaar na 1971 zou het instrument van de
wiebeltax wéer van stal gehaald kunnen/moeten worden; 21
jaar na 1958 zou het indienen van een plan tot bestrijding van
overbesteding weer moeten worden overwogen. Maar het
kabinet wacht nog even.
Het hogere infiatietempo zal ook wel een hogere prijsstij-ging van het nationale inkomen betekenen. In de
Voorjaars-
nota
zal dat leiden tot een berekening van een grotere begro-
tingsruimte; dat waarschijnlijk de volumegroei van het
nationale inkomen nog verder onder het in het begrotingsbe-
leid gehanteerde structurele percentage van 3 zal uitkomen
dan uit de
MEV
kan worden berekend (nI.
2,6%),
doet daar
niets aan af. De hogere prijsstijging en de hogere loonstij ging
zullen tot een extra uitgavenaccres leiden. Of per saldo door
deze nominale ontwikkelingen het financieringstekort zich zal
wijzigen, hangt van de ontwikkeling van de arbeidsinkomens-
quote af. In de
MEVis
een daling geraamd van de a.i.q. met 1
procentpunt. Treedt deze daling niet op dan neemt het tekort
toe en zijn in het kader van de
Voorjaarsnota extra ombuigin-
gen geboden.
Noten
* De auteur is lector Openbare Financiën aan de afdeling Bestuurs-
kunde van de T.H. Twente. Hij dankt Drs. J.C. Koning voor zijn
opmerkingen.
Zie b.v. de goede beschouwing van J. Toirkens in
NRC Handels-
blad
van 28 maart j.l.
Voortgangsnota, brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
d.d.27 maart 1978, blz. tO.
ESB 11/18-4-1979
367
De
monetaire ontwikkeling
Het tekort op de lopende rekening heeft in 1978 gezorgd
voor een grote afvloeiing van liquiditeiten naar het buiten-
land, hetgeen de groei van de Iiquiditeitscreatie ten behoeve
van de overheid méér dan compenseerde; de liquiditeitsquote
daalde in 1978 met één procentpunt naar 37%. Voor het jaar
1979 worden, kwantitatief niet onderbouwde, sombere stel-
lingen geponeerd. Vooral het groeiende particuliere spaarte-
kort stemt tot nadenken, omdat daardoor de financierbaar-
heid van het begrotingstekort wordt bemoeilijkt. Gevreesd
wordt voor een aanzienlijke monetaire financiering.
Deze verhalen zijn evenwel toch weinig overtuigend. Ook in
1979 kan de monetaire financiering worden gecompenseerd
door de afvloeiing van liquide middelen naar het buitenland,
zodat de liquiditeitsquote niet hoeft te stijgen en onder het
,,comfortabele” niveau van 37% kan komen, Het zij toegege-
ven dat de oorzaak, een tekort op de lopende rekening, zeker als het om een structurele ontwikkeling gaat, ernstig is, maar
ook om een andere reden is het verhaal niet overtuigend.
Immers, ook toen er grote overschotten op de lopende
rekening werden gerealiseerd, achtte men de financieringste-
korten moeilijk financierbaar, maar toen omdat ter voorko-
ming van een oplopen van de Iiquiditeitsquote het beleid werd
gericht op kapitaaluitvoer.
De omvang van
het financieringstekort
In de Mijoenennota
1979
werd het financieringstekort in
1979 van het rijk (rijksbegroting + fondsen) geraamd op
f. 12,7 mrd. De huidige raming komt uit op f. 14,2 mrd., dus
f. 1,5 mrd. hoger. Deze ongunstige ontwikkeling is vooral
veroorzaakt door de tegenvaller in de ontwikkeling van de
belastingopbrengsten welke gesignaleerd is in de Voorlopige
Rekening 1978 3). Te zamen met het tekort van de overige
publiekrechtelijke lichamen, dat nog steeds op bij na 1,5% van
het nationale inkomen wordt gesteld, komt het financierings-
tekort van de overheid uit op 6,5% van het nationale inkomen,
een overschrijding dus van de grens van 6%, die ,,als schar-
nierpunt voor het in gang zetten van de noodremprocedure is
beschouwd” 4).
Hoewel het kabinet deze overschrijding ,,in de huidige
omstandigheden” volstrekt ontoelaatbaar acht, wil het kenne-
lijk de strijd winnen door de slag te vermijden. In de eerste
plaats acht het kabinet het nog te vroeg in het jaar om met
voldoende zekerheid de ramingen van het tekort te beoorde-
len. In de tweede plaats schijnen de kasrealisatiecijfers mee te
vallen. Zou alsnog, b.v. in het kader van de
Voorjaarsnota,
besloten worden tot het toepassen van de noodrem, dan zijn
nu alvast de hoofdlijnen vastgesteld van een noodremplan ter
grootte van f. 1 mrd., verdeeld over temporisering van uitga-
ven en versnelde inning van belastingen. Misschien onbedoeld
is overigens de formulering van de noodremprocedure gewij-
zigd. Omdat hier een adder in het gras kan schuilen, wordt
daar eerst bij stil gestaan.
In de
Mijoenennota
1979
werd gesteld dat de noodrem zou
worden bediend als het financieringstekort grenzen zou over-
schrijden, die werden bepaald door de monetaire ontwikke-
ling en door de financierbaarheid van het tekort. Als indicaties zouden worden gehanteerd het feitelijk gerealiseerde tekort en
de verwachting over de verdere ontwikkeling
5).
De grenzen
zijn gesteld op 6%, het scharnierpunt. In de Voortgangsnota
staat dat de noodrem zal worden aangetrokken als het tekort
van 6% wordt overschreden 6f als er onvoorziene problemen
ontstaan bij de financiering van het tekort èfindien ongunsti-
ger ontwikkelingen in de monetaire sfeer dreigen 6). Volgens
deze formulering kan ook aan de noodrem worden getrokken
als het financieringstekort onder de 6% komt, bijvoorbeeld
wanneer de liquiditeitsquote oploopt.
Wat te denken van de aarzeling om de noodrem toe te
passen? Er zijn verschillende overwegingen die bijna alle in
dezelfde richting wijzen.
Met ferme taal is een noodremprocedure aangekondigd.
Nu de situatie waarin de procedure actueel wordt zich voor-
doet, krabbelt men terug en wordt de ferme taal afgezwakt.
Heeft de minister van Financiën te veel tegenstand ontmoet
van bewindslieden die het ombuigen beu zijn?
Om de indruk van aarzeling te vermijden wordt weer
ferme taal gesproken, nu over een plan dat in hoofdlijnen
klaar ligt. Een versnelling van de inning van belastingen zal bij
de andere bewindslieden op niet veel tegenstand stuiten. Of
dat tijdig genoeg mogelijk is om 1979 te ,,redden” wordt niet
besproken. Een versnelde inning betekent overigens wel, op kasbasis, een stijging van de collectieve-lastendruk in 1979.
Het betekent ook een verlaging van de ontvangsten in latere jaren, daarmee de problemen van een overschrijding van het
tekort opschuivend naar een volgend jaar. Maar dit kabinet
wenst geen structureel beeld voor meerjaren te presenteren,
dus dat valt niet op. Een temporisering van uitgaven zal bij de
nadere invulling wèl tegenstand binnen het kabinet ondervin-
den. Slechts enkele uitgavencategorieën zijn op korte termijn
flexibel genoeg om getemporiseerd te worden, met name de
uitgaven voor materiële consumptie en voor investeringen.
Ervan uitgaande dat de woningbouw zal worden gespaard, en
Defensie evenzo, zullen enkele departementen o.a. Verkeer en
Waterstaat, de last moeten dragen. En dat, ten’ijl er al
belangrijk is bezuinigd op deze uïtgavencategorieën.
Waarom een plan is opgesteld voor f. 1 mrd. in plaats
van voor f. 1,5 mrd. is onduidelijk. Hoopt het kabinet op een
nog groter overschot van de fondsen dan de f. 0,8 mrd.
waarmee is gerekend? Als het overschot van de fondsen groter
zou worden, kan dat eigenlijk alleen door lagere uitkeringen
uit het fonds Investeringsrekening. Dat spoort met de ver-
wachting voor 1979 dat het investeringsvolume enige daling te
zien zal geven. (Waar een strenge winter al niet goed voor is.)
Maar ook zou het kunnen, dat men verwacht dat de premies
over 1978 minder snel in definitieve aanslagen worden ver-
werkt dan tot op heden werd geraamd. Overigens betekent de
in het volgende te behandelen belastingtegenvaller dat de
voeding van de fondsen ook in 1979 zal tegenvallen.
De overschrijding van de 69á-grens schijnt vooral te zijn
veroorzaakt door een tegenvaller in de belastingontwikke-
ling, welke in 1978 ten opzichte van de raming in de
Mijoe-
nennola
1979f. 1.753 mln, bedroeg, waarvan f. 1.375 mln. ten
laste van de rijksbegroting en het restant ten laste van de
belastingafdrachten.
In de
Miljoenennota
1979,
waar geen rekening kon worden
gehouden met deze nadere tegenvallers, is evenwel bij de her-
ijking van de uitgangspunten van het structurele begrotings-
beleid eerst de bruto basisopbrengst van de belastingen, welke
uitgangspunt vormt voor de ruimteberekening, met f. 3,2
mrd. bijgesteld, welk bedrag als extra begrotingsruimte is
gepresenteerd. Achteraf is gebleken dat deze f. 3,2 mrd. dus
voor f. 1,8 mrd. is tegengevallen. Zou nu opnieuw de bruto
basisopbrengst worden berekend, dan zou er f. 1,8 mrd.
moeten worden bezuinigd. Vervolgens is de ruimte ook te
royaal berekend omdat het structurele accres bij verlaging van
de basisopbrengst kleiner wordt, zodat nog eens f. 0,1 mrd.
zou moeten worden bezuinigd 7).
Blijkens de cijfers voor de afgelopen jaren vallen de
tekorten volgens de rekeningcijfers nogal eens mee ten opzich-
Zie Kamerstuk 15 505. Deze Voorlopige Rekening is niet alleen
vanwegede tegenvaller in de belastingopbrengst interessant. Er wordt ook ingegaan op de overboekingen ex art. 12 van de Comptabiliteits-wet; ten opzichte van de raming in de
Mijoenennoa 1979 is
van deze
overboeking in 1978 een uitgavenverlagende werking van f. 1 mrd.
uitgegaan.
Voortgangsnota, blz. 9.
Zie
Miljoennennoza 1979,
blz. 31-32.
Voortgangsnota, blz. 9.
Zie
Mijoenenno!a 1979,
blz. 96-97. Zie ook mijn commentaar
daarop in
ESB,
25 oktober 1978, blz. 1087.
368
te van de tekorten volgens de ramingen in het voorjaar. Tabel
l geeft de ramingen voor de begrotingstekorten (niet de
financieringstekorten) van de rijksbegroting (dus exclusief de
fondsen).
Tabel 1. De ontwikkeling van het begrotingstekort van de
rijksbegroting (ontwerp-begroting = 100)
Ontwerp- begroting Voorjaars-
nota
Vermoedelijke uitkomsten a)
Rekening b)
1969 100
85
119
92
1970
100
105
130
128
1971
100
84
165
126
1972
100
108
102
46
1973 100 100
105
-8
1974 100
161
176
130
1975
100
217
211
168
1976
100
108
90 60
1977
100
75
66
45
1978
100
107
109
107
Voor de vermoedelijke uitkomsten san hei tekort injaar t is de raming ter zake genomen
die wordt gegeven in de Miljoenennota voor het jaar t + 1.
Voor 1975 en 1976 voorlopige.rekeningcijfers uit de
Sliljoenesrno:a 1979.
voor 1977 ver-
moedelijk beloop conform
Mijoenennota 1979.
voor 1978 voorlopige rekening conform de Voorlopige Rekening 1978.
Uit deze tabel blijkt dat het tekort in de Voorjaarsnota
nogal eens hoger wordt geraamd dan bij de indiening van de
ontwerp-begroting. De tekorten volgens de rekeningcijfers vallen in de meeste jaren mee ten opzichte van de tekorten
volgens de Voorjaarsnota en in alle afgelopen tien jaren ten
opzichte van de tekorten zoals die bij de uitvoering in augus-
tus/september worden geraamd. Ten opzichte van de ont-
werp-begroting vallen de definitieve tekorten net zo vaak mee
als tegen. Als deze tabel iets leert is het dat de uiteindelijke
tekorten ten opzichte van de tussentijdse ramingen mee
plegen te vallen, in de eerste plaats door de waarschijnlijke
neiging om tegenvallers eerder te signaleren dan meevallers,
zodat, in de tweede plaats, bij de uitvoering wellicht te veel
tegengas wordt gegeven. Dat in het beleid met dit soort
gegevens geen rekening kan worden gehouden, ligt voor de
hand. Op voorhand rekening houden met dergelijke erva-
ringsgegevens zou betekenen dat tijdens de uitvoering de
regels voor het stringente begrotingsbeleid 8) soepeler zouden
moeten worden toegepast. Dit zou waarschijnlijk leiden tot
stijgende tekorten 9).
De uitvoering van Bestek ’81
In de ombuigingsvoorstellen op het terrein van de sociale
zekerheid en de salarissen van de ambtenaren en de trendvol-
gers 10) zijn gaten gevallen ter grootte van f. 145 mln, in 1979
oplopend tot f. 375 mln, in 1981 (prijspeil Bestek ’81), althans
volgens de Voortgangsnota. Met twee tegenvallers die drei-
gen, wil het kabinet in deze nota, begrjpeljkerwijs, geen
rekening houden. Een eerste potentiële tegenvaller ligt opge-
sloten in de veronderstelling dat de trendvolgers een zelfde matiging zullen betrachten als de ambtenaren, namelijk een
gedifferentieerde matiging van 0,3% oplopend tot 0,7%. De
gedifferentieerde matiging betekent, zoals bekend is, op zich
zelf ook al een tegenvaller die in de hiervoor genoemde
bedragen is opgenomen. De eerste cao’s voor de trendvolgers
die zijn afgesloten bevatten deze matiging niet. Het kabinet
dreigt met een ,,spoedige totstandkoming van een wettelijke
beheersingsmogeljkheid van inkomens in de non-profit-sec-
tor”; de kans dat in ieder geval voor 1979 grotere gaten vallen
dan waarmee wordt gerekend blijft echter groot. Een tweede
potentiële tegenvaller die buiten het beeld is gelaten, is het niet
doorgaan van de voorstellen tot matiging van de uitgaven-
groei in de volksgezondheidssector. Zelfs als het binnenkort
verwachte plan voor kostenbeheersing de voorgestelde om-
vang van matiging van de uitgavenontwikkeling bevat, is het
niet waarschijnlijk dat de in 1979 vallende gaten worden
gestopt.
Als ,,aanvullende maatregelen” ter opvulling van de geval-
len gaten worden nieuwe maatregelen genoemd welke nog
vaag zijn en waarvan mag worden betwijfeld of de gesugge-
reerde effecten al in 1979 kunnen worden gerealiseerd. Over
één maatregel is de nota heel kort: ,,De afwijkende uitkomst
van de matiging van de salarissen van het overheidspersoneel
zal worden opgevangen door aanvullende maatregelen in
diezelfde sector
…..
II). Zo dat al lukt, kan dat dan nog
worden gerealiseerd in 1979?
Het kabinet onderkent zelf dat het verloop van de ombui-
gingen in de tijd kan afwijken van het uitgestippelde tijdpad
en stelt nadere voorstellen voor maatregelen op het gebied van
het volumebeleid in het vooruitzicht, die moeten leiden tot
beperking van de uitgaven in 1980 en 1981. Waarschijnlijk zal
in 1979 het tekort door de gaten die in de ombuigingen zijn
gevallen, nog wel oplopen.
De uitvoering van de maatregelen in de sfeer van de
rijksbegroting in enge zin schijnt bevredigend te verlopen,
gelet op de geringe omvang van de tegenvallers. Onbevredi-
gend is evenwel dat het zicht op de maatregelen in de rij ksbe-
groting in enge zin voor een buitenstaander ontbreekt, omdat
geen ander overzicht is gegeven van de ombuigingen die zijn
aangebracht dan een overzicht van de uitgavenverlaging per
homogene groep. Als dan in de Voorjaarsnota
nieuwe tegen-
vallers worden gemeld op de uitvoering, is niet na te gaan of
het om een ,,normale” nieuwe tegenvaller gaat dan wel om
een ,,Bestek”-tegenvaller omdat de maatregelen die moeten
leiden tot de in
Bestek ’81
afgesproken ombuiging niet zijn
genomen 12). Ook bij aparte vermelding blijft het probleem
aanwezig. Zolang geen compleet totaaloverz.icht wordt gege-
ven, moet het begrotingstoezicht van de Kamer beperkt
blijven tot een vergelijking van uitgavencijfers die vaak niet
veel zeggen over de onderliggende factoren die de uitgaven
bepalen.
Aanvullend beleid
Vervolgens gaat de Voortgangsnota in op de invulling van
het gerichte beleid, waarvoor in de Miljoenennota
1979
een
bedrag is uitgetrokken van f. 1.450 mln., waarvan naar
raming f. 1.050 mln. ten laste van de begroting 1979 zou
komen. In de f. 1.450 mln. is een bedrag opgenomen van f. 620
mln. voor arbeidsmarktmaatregelen. Daarin zit voor 1979 een
bedrag van f. 450 mln, voor arbeidsvoorzieningsmaatregelen,
welk bedrag wordt opgeteld bij de bedragen die binnen de
,,structurele begroting” en in het kader van de Structuurnota
beschikbaar zijn gesteld. In totaal is voor 1979 f. 672 mln.
voor arbeidsvoorzieningsmaatregelen beschikbaar. Maar wat
blijkt? ,,Dit jaar is een aanvang gemaakt met het zgn. taakstel-
lend beleid ten behoeve van de verdeling en aanwending van
(structurele en conjuncturele) middelen die voor toepassing
van de verschillende arbeidsvoorzieningsmaatregelen ter be-
schikking staan” 13). Dit taakstellend beleid betreft dan
slechts f. 495 mln.
De passage klinkt fraai – nog fraaier wordt het vervolg
waar (germanistisch) gesproken wordt over ,,methodische
Voor de formulering van de regels van het stringente begrotingsbe-leid welke gelden voor de uitvoering van de begroting, zie
Miljoenen-
nota 1979,
blz. 46-47.
In tabel 1 is uitgegaan van de afgelopen lOjaar. Het is denkbaar dat
de hier gesignaleerde tendensen omslaan, hetgeen het nog minder
verantwoord maakt om in het beleid met deze ervaringsgegevens
rekening te houden. De Voortgangsnota spreekt over ,,overdrachtsuitgaven in ruime
zin”, hetgeen ronduit slordig is. Worden de salarissen van de be-windslieden en de ambtenaren e.a. gezien als ,,niet-produktieve”
uitgaven?
II) Voortgangsnota, blz. 20.
Dit ontbTeken van een overzicht van de ombuigingen geldt ook voor de 1%-operatie. In de Tweede Kamer is een keer gevraagd om
een totaaloverzicht; dat verzoek is niet ingewilligd, omdat het zou
gaan om tal van mutaties die zouden zijn opgegaan in de andere
mutaties die bij de begrotingsopstelling en -uitvoering optreden.
Voortgangsnota, blz. 23-24.
ESB 11/18-4-1979
369
De hoofdafdeling Financieel-ekonomische zaken
omvat 44 medewerkers en is onderverdeeld in een
vijftal bureau’s. Voor het bureau Financiële Re-
search, dat thans nog uit twee medewerkers
bestaat, wordt ter uitbreiding van de bezetting
gevraagd een
financieel beleids-
medewerker (m/v)
Het bureau is belast met financieel onderzoek
met name in het kader van de zgn. artikel 12-
positie van de gemeente Zaanstad, en het daaruit afleiden en formuleren van een financieel beleid
op langere termijn.
Het opstellen van meerjarenbegrotingen en ana-
lyseren van de gemeenterekeningen behoren
eveneens tot de taakopdracht van dit bureau.
De gedachten voor de vervulling van deze funktie
gaan uit naar een afgestudeerd econoom met
een goede redaktionele vaardigheid. Enige erva-
ring in een soortgelijke funktie bij een overheids-
instantie strekt tot aanbeveling.
Aanstelling zal geschieden in de rang van hoofd-
kommies A, salarisgrenzen van f 3.289,— tot
f 4.335,—, met een promotiemogelijkheid naar
de rang van hoofdkommies 8, maximum salaris
f4.719,—.
Nadere informatie kan worden ingewonnen bij
de chef van de hoofdafdeling F.E.Z., de heer drs.
J. van Ark, tel. (075) 55 23 10.
Belangstellenden worden verzocht hun sollicita-
tiebrief binnen 14 dagen te zenden aan burge-
meester en wethouders, postbus 1400, 1 500 AK
Zaandam, met vermelding van de funktie.
EMEENTE
ff—
AANSTAD
beleidsevaluatie” – doch roept wel vragen op. In de eerste
plaats, wat houdt de taakstelling in? Als de taakstelling niet
verder gaat dan het uitgeven van het genoemde bedrag, is een
holle frase geuit. In de tweede plaats worden sinds vele jaren
omvangrijke bedragen uitgetrokken voor arbeidsvoorzie-
ningsmaatregelen; is dat dan werkelijk zonder taakstelling ten
aanzien van de verdeling en de aanwending gegaan? In de
derde plaats, was de taakstelling al niet in de begroting 1978
impliciet wettelijk verplicht ingevolge de Comptabiliteitswet
1976, art. 4, lid 4, waar een prestatiebegroting ,,waarvoor dit
mogelijk en van belang is” wordt voorgeschreven 14)?
Inkomenspolitiek kader
De Voortgangsnota besluit met enkele opmerkingen over
het inkomenspolitieke kader en met het beeld van de mutaties
in het reëel vrij beschikbare inkomen van enkele inkomensca-
tegorieën. Daaruit blijkt dat de doelstelling (in de
Miljoenen-
nota 1979 werd dat niet als doelstelling doch als uitgangspunt
gezien) van koopkrachthandhaving tot en met het ,,modale”
inkomensniveau wordt gerealiseerd.
Conclusies
Het trekken van conclusies zonder dat het
Centraal
Economisch Plan 1979
en de
Voorjaarsnota 1979
beschikbaar
zijn is moeilijk en alleen mogelijk op basis van de summiere
gegevens uit de Voortgangsnota. De doelstellingen en de
uitgangspunten zoals vorigjaar aangekondigd worden verge-
leken met de huidige vooruitzichten.
Doelstelling 1, het terugdringen van de werkloosheid,
schijnt niet te worden gerealiseerd.
Doelstelling II, het terugdringen van het infiatietempo,
schijnt niet te worden gerealiseerd.
Doelstelling III, versterking van de produktiestructuur,
moet worden ontleed in subdoelstellingen. Subdoelstelling
Illa, verhoging van de volumegroei van de investeringen,
schijnt niet te worden gerealiseerd. Subdoelstelling IlIb,
terugdringen van de loonkosten per eenheid produkt, schijnt
niet te worden gerealiseerd.
Uitgangspunt 1, stabilisatie van de druk van de collectie-
ve lasten, wordt mi. niet gerealiseerd
15).
De versnelde
inning van de belastingen betekent op kasbasis bovendien een
extra drukstijging.
Uitgangspunt II, beperking van het financieringstekort
van de overheid tot 6% van het nationale inkomen, wordt
volgens de huidige inzichten van het kabinet niet gerealiseerd.
Uitgangspunt lii, handhaving van de koopkracht ,,tot
en met het modale inkomensniveau”, wordt volgens de
huidige inzichten gerealiseerd.
Aan de mogelijk dreigende overbesteding wordt voorlo-
pig weinig gedaan; alleen de toeneming van het consumptieve
krediet wordt aan banden gelegd.
De
Miljoênennota 1980
heeft veel in petto, wellicht
bijvoorbeeld het ongedaan maken van genoemd uitgangspunt
III (zie ook de uitlatingen van Kamerlid Lubbers onlangs in
de pers).
P.B. Boorsma
Hij Sociale Zaken wordt de prestatiebegroting toegepast ,,langs
geleidelijke weg”. Er zijn vijf proefonderzoeken aangevat. Het is onbegrijpelijk dat de Kamer niet meer druk op de departementen
uitoefent om van de wettelijk voorgeschreven prestatiebegroting
meer werk te maken. Het is bv. volstrekt onacceptabel dat
Economische Zaken in de Memorie van Toelichting bij de begroting
1979 vermeldt dat ,,het niet mogelijk is gegevens te verstrekken
Omtrent prestaties … Dit ten gevolge van het feit dat de hiervoor
noodzakelijke personeelsuitbreiding niet kon worden gerealiseerd”
(MvT, 1979, blz. 162). (In 1979 is de formatie van de directie
Financien van EZ met 21 man uitgebreid). Zie het in noot 7 geciteerde artikel.
370
Rekenkamer in de verzorgingsstaat
D. A. P. W. VAN DER ENDE*
Onlangs is weer het jaarverslag van de A Ige-
mene Rekenkamer verschenen. De Algemene
Rekenkamer toetst overheidsuitgaven op hun
doelmatigheid en rechtmatigheid. In het verslag
worden de bevindingen van de Rekenkamer ge-
rapporteerd. Onderstaand artikel bevat een be-
spreking van het verslag. Tevens wordt ingegaan
op de plaats en de functie van de Rekenkamer
in de verzorgingsstaat. De auteur pleit enerzijds
voor uitbreiding van het toezicht van de Reken-
kamer tot de woningbouwcorporaties, de casi-
no ‘s, de KLM en de uitvoering van de sociale
verzekeringen, anderzijds voor ontkoppeling van
de doelmatigheids- en de rechtsmatigheids-
con trole.
Inleiding
Uit het onlangs verschenen
Verslag Algemene Reken-
kamer over 1978 blijkt eens te meer dat de Rekenkamer bij
haar werkzaamheden in toenemende mate met een funda-
menteel probleem wordt geconfronteerd. Het probleem na-
melijk dat haar bevoegdheden, de structuur van haar Organi-
satie en haar werkwijze nog zijn afgestemd op de klassieke
parlementaire democratie, terwijl wij nu leven in een mo-
derne verzorgingsstaat. Volgens de conceptie van de klassieke
parlementaire democratie en de daaraan verbonden ge-
dachten over de rechtsstaat behoorde de overheid haar
activiteiten zoveel mogelijk uit te oefenen volgens algemeen
geldende regelen en dienden deze algemeen geldende rege-
len zoveel mogelijk door het wetgevend orgaan, dus met
medewerking van het parlement, te worden vastgesteld. De
omvang van de publieke sector was betrekkelijk gering en
dus overzienbaar. De macht in de staat berustte niet alleen
formeel maar ook feitelijk bij regering en parlement.
in de moderne verzorgingsstaat wordt van de overheid ver-
wacht dat zij aan de burgers een minimuminkomen garan-
deert, dat zij zal zorgen voor de instandhouding van de werk-
gelegenheid, dat zij mogelijkheden schept voor goed onder-
wijs, een goede huisvesting en een goede gezondheidsvoor-
ziening en dat zij ook overigens het algemeen welzijn zoveel
mogelijk bevordert.
Twee consequenties
De eerste consequentie daarvan is dat de omvang van de
publieke sector sterk is toegenomen, dat in verband daarmee
ook het ambtelijk apparaat veel groter is geworden en dat,
waarschijnlijk in Nederland in nog belangrijker mate dan
elders, zich machtige organisaties van belangengroepen heb-
ben ontwikkeld. Men is gaan spreken van de vierde en de
vijfde macht. De invloed van de vierde macht, zijnde een in
zich zelf verdeeld agglomeraat, op de vorming van het beleid
is waarschijnlijk vooral vertragend. Groter is haar invloed op
de uitvoering van het beleid. De vijfde macht is ook verdeeld
maar als het erop aankomt weet men elkaar vaak te vinden.
Haar invloed op de vorming en de realisatie van het over
–
heidsbeleid is groot. Hoewel zij voor een belangrijk deel met
overheidsgelden wordt gefinancierd, soms zelfs volledig,
voelt zij zich geen agent van de overheid maar streeft zij haar
eigen doeleinden na, doeleinden die meestal als verantwoor
–
delijkheden worden aangeduid. Parallel met de opkomst van
de vierde en de vijfde macht is de feitelijke invloed van de
traditionele staatsorganen, regering en parlement, ver-
minderd.
Een nevengevolg is dat het overheidsgebeuren steeds moei-
lijker beheersbaar en controleerbaar is geworden. De besluit-
vorming en ook de uitvoering van de genomen besluiten ver-
lopen in veel gevallen moeizaam en traag. De toegenomen
omvang van de overheidsbemoeiing leidt ertoe dat niet altijd
de vereiste zorgvuldigheid in acht wordt genomen. De flexi-biliteit van de maatschappij neemt af, zij wordt meer rigide.
Het jaarverslag van de Rekenkamer geeft hiervan een boeien-de illustratie.
Een tweede consequentie van het ontstaan van de moderne
verzorgingsstaat – ook die vinden we terug in het Reken-
kamerverslag – is dat verschillende oude normen veel van
hun gelding verliezen zonder dat er duidelijke, algemeen aan-
vaarde nieuwe normen voor in de plaats komen. Dit wordt
in de hand gewerkt doordat het feitelijke overheidsbeleid,
zoals dit door de burgers wordt ervaren, vaak niet beant-
woordt aan de bij hen gewekte verwachtingen. Politici belo-ven nu eenmaal niet alleen datgene wat redelijk is maar altijd
iets meer. Dit kan ertoe leiden dat men de overheidsmaat-
regelen tracht te ontwijken of te ontduiken. Twee woorden
die volgens Van Dale ongeveer hetzelfde inhouden maar in
het moderne welvaartsjargon een niet te verwaarlozen ver-
schil in betekenis hebben. Een stap verder is het ontstaan van een niet-officieel, als ,,zwart” aangeduid, economisch circuit. Weer een stap verder is het optreden van kleine minderheden
die door intimidatie hun doelstellingen trachten door te zet-
ten.
Problemen voor de Rekenkamer
Bezien wij nu de werkzaamheden van de Algemene Reken-
* De auteur is verbonden aan Twijnstra Gudde NV, management
consultants te Deventer.
ESB 11/ 18-4-1979
371
kamer, zoals die in het jaarverslag zijn weergegeven in het
kader van deze ontwikkeling, dan blijkt dat zij, binnen de
begrenzing van haar bevoegdheden, op bewonderenswaar-
dige wijze tracht het hoofd te bieden aan de problemendiede
moderne verzorgingsstaat ook voor haar met zich brengt.
Twee belangrijke onderwerpen, de verhouding tussen Reken-
kamer en parlement en de overheidscontrole op particuliere
instellingen die financiële steun van de staat ontvangen, zijn
besproken in een bijeenkomst van de rekenkamers in de EG-
landen. Het zou goed zijn als het resultaat van die
besprekingen zou worden opgenomen in algemeen verkrijg-.
bare rapporten.
Hoe belangrijk en nuttig dit internationale overleg ook is,
de kans is gering dat onze Rekenkamer daar pasklare oplos-
singen zal vinden voor de door haar bij haar werk ondervon-
den problemen. Nederland is de meest geavanceerde verzor-
gingsstaat geworden. Dat brengt met zich mee dat wij met een
modernisering van het financieel toezicht op de pablieke uit-
gaven ook voorop zullen moeten lopen en dat wij daarvoor
dus eigen oplossingen zullen moeten trachten te vinden.
De moeilijke beheersbaarheid en controleerbaarheid van
het overheidsbeleid komt men op bijna elke bladzijde van het
Rekenkamerverslag tegen. Met de financiële controle en de
automatisering gaat het op verschillende plaatsen niet naar
wens wegens een tekort aan deskundig personeel. Ergens
anders heeft de functionering van de administratieve orga-
nisatie functionele gebreken. Weer ergens anders is de organi-
satie van de administratie onvolkomen – wat uiteraard tot
in dc..finesses wordt toegelicht. Het vermogen om een happe-
ning als de vierdaagse afstandsmarsen in goede samenwer
–
king te organiseren schiet te kort, hetgeen het rijk extra geld
kost. Over vele zaken wordt al vele jaren tussen het betrok-
ken ministerie en de Rekenkamer gecorrespondeerd. Volks-
huisvesting beweert dat het bij de wet aan haar opgedragen
ia
0
de rijksoverheid vraagt
hoofd afdeling wederzijdse bijstand
(mnh/vri)
voc. nr.9.0988/0936
voor het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse Zaken
Het Kabinet ressorteert rechtstreeks onder de Minister voor Nederlands-Antilliaanse Zaken en is belast met de coördinatie van aangelegenheden de Nederlandse Antillen betreffende en met de ontwikkelingssamenwerking met de Nederlandse Antillen. De
afdeling heeft tot taak het formuleren en uitvoeren van het beleid van de ontwikkelings-
samenwerking met de Nederlandse Antillen.
Taak: naast leidinggeven aan de medewerkers onderhouden van externe contacten op
hoog bestuurlijk en ambtelijk niveau zowel in Nederland als in de Nederlandse Antillen.
Vereist: doctoraal examen economie; ervaring in soortgelijke werkzaamheden.
Standplaats: s-Gravenhage.
Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f7075,- per maand.
afdel in gshoofd
(mnL/vrL)
voc. nr. 9.099510936
voor het Ministerie van Economische Zaken
t.b.v. het Directoraat-Generaal voor Prijzen, Ordening en Regionaal Beleid, Directie
Mededinging en Fusies
Tot de taak van de afdeling (3 medewerkers) behoort het opbouwen van een m.b.t. de situatie in Nederlandse bedrijfstakken met het oog op de mededingingsbeleid toe-
gespitste documentatie.
Taak: initiëren en begeleiden van, alsmede leveren van een bijdrage aan het beleids-
voorbereidend onderzoek naar concurrentieverhoudingen op de markt, zoals deze mede
worden beïnvloed door mededingingsregelingen (kartels) en door overheersende
marktposities (economische machtsposities). E.e.a. met het oog op de concrete toepassing
van de Wet Economische Mededinging.
Gevraagd: doctoraal examen economie, b.v.k. gespecialiseerd in de z.g. industrial organisation en in de daarin toegepaste onderzoeksmethoden.
Standplaats: ‘s-Gravenhage.
Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f5909,- per maand.
Bovengenoemde salarissen zijn exclusief 8% vakantie-uitkering.
Schriftelijke sollicitaties, onder het bij de gewenste functie vermelde vacaturenummer
(in linkerbovenhoek van brief en enveloppe en voor elke vacature een afzonderlijke
brief), zenden aan de Rijks Psychologische Dienst, Prins Mauritslaan 1. Corr. adres:
Postbus 20013, 2500 EA ‘s-Gravenhage.
372
toezicht op de woningbouwcorporaties geen financieel toe-zicht is en dat controle door een registeraccountant niet no-dig is. Dit terwijl die corporaties voor zo’n f. 35 mrd. bij de
staat in de schuld staan.
Achterstand is er, onder andere, bij de controle op de uitke-
ringen aan gewezen mijnwerkers (8 jaar), bij de controle van
de jaarrekeningen van Universiteiten (3 tot 6 jaar), bij de
vaststelling van de uitkeringen uit het gemeentefonds
(5
tot
8 jaar) en bij de algemene rekening van het rijk zelf
(5
jaar).
Iedereen doet zijn best om de achterstand in te halen, en doet
dit al vele jaren.
Aan voorbeelden van traag verlopende besluitvorming is
geen gebrek. Sommige uitgaven van de begroting 1977 heb-
ben nog niet de daarvoor vereiste wettelijke grondslag. V66r
1 februari 1973 moest het beheer van de havens van Vlis-
singen aan het havenschap aldaar worden overgedragen
maar het is nog niet gebeurd. Sinds 1972 probeert men de
subsidievoorwaarden voor de Vereniging Veilig Verkeer Ne-
derland vast te stellen maar men is er nog niet in geslaagd.
Een bonusregeling voor onderwijzers uit 1955, die volgens
de minister zelf al in 1972 niet meer nodig was, is tot 1979 blijven bestaan. Een bewindsman schreef in 1976 een brief
aan een onder hem ressorterende instelling maar moest
anderhalf jaar op antwoord wachten. De bewindsman was
ontstemd Gebrek aan zorgvuldigheid blijkt b.v. uit het laten oplopen van vorderingen op personeel, in één jaar tijd, van f. 1,5 mln.
tot f. 3,5 mln. Een rijksuniversiteit had IS jaar geleden
ditiged behoefte. aan een bepaald terrein met landhuis, het
werd dus gekocFit maar er is nog steeds geen definitieve be-
stemming aan gegeven. Dezelfde Universiteit kocht 1 3jaar ge-
leden een fort met bijbehorende grond om er gebouwen op te
zetten hoewel bekend was dat het om een natuurgebied ging.
Spoedig bleek dat er niets gebouwd mocht worden. De waar-
de van een opgeheven nijverheidsschool werd getaxeerd op
f. 350.000. Het bestuur verkocht de school voor f. 600.000,
maakte f. 350.000 over aan Onderwijs en voegde het verschil
toe aan het eigen vermogen. In 1969 werd, op rjkskosten, be-
gonnen aan de uitgifte van een tijdschrift over Vincent van
Gogh. Verwacht werd dat het na twee jaar ,,self-supporting”
zou zijn. Toen de belangstelling in Nederland minimaal bleek
te zijn zocht men afzet in Amerika. Een man aldaar borg de
pakken tijdschriften op in een garage. Huur van de garage voor rekening van CRM. Het tijdschrift heeft acht jaar be-
staan. In die tijd zijn er 67.000 exemplaren gedrukt en 1.100
verkocht.
Effectiviteitsonderzoek
Door haar wettelijke bevoegdheden niet te eng te inter
–
preteren besteedt de Rekenkamer de laatste jaren veel aan-
dacht aan de effectiviteit van het gevoerde beleid. Dat is erg
belangrijk want de evaluatie van het beleid is vaak, geheel ten
onrechte, het stiefkind bij de beleidsvoering. Over de gang
van zaken bij Eurocontrol, de internationale Organisatie voor
luchtverkeersbeveiliging, heeft de Rekenkamer een grondige
studie gemaakt. Bij de investeringen in Maastricht en op
Schiphol plaatst zij een groot vraagteken. In 1977 heeft de
Amerikaanse hoogleraar R. H. Haveman een onderzoek in-
gesteld naar de effectiviteit van de sociale werkplaatsen. Hij
constateerde dat het rijk het geld geeft en de gemeenten de dienst uitmaken. Dit leek hem niet in het financieel belang
van het rijk. De Rekenkamer vroeg aan de minister van
Sociale Zaken wat hij daarvan dacht. Uit het antwoord krijgt
men de indruk dat de minister met veel slagen om de arm de
professor gelijk moet geven. Een nieuwe regeling is in het
vooruitzicht gesteld.
Kritische opmerkingen maakt de Rekenkamer ook over de
vele instellingen en commissies op het gebied van de onder-
wijsresearch, de onderwijsvernieuwing en de onderwijsbege-
leiding, die merendeels onafhankelijk van elkaar opereren.
Zeer belangrijk is ook wat in het verslag wordt opgemerkt
over de herstructurering van de lederindustrie, de herstructu-
rering van de wolindustrie, de steunverlening aan een Ieder-
fabriek, de steunverlening aan een textielbedrijf en een gele-
den verlies op een tweetal gegarandeerde kredieten. Met de
steun aan noodlijdende bedrijven zijn grote bedragen ge-
moeid. Het is een onderwerp waarbij jaarbegroting en meer-
jarenramingen als beleidsinstrumenten eigenlijk falen. Men
kan de steun niet van te voren ramen en als de steun succes
heeft is de bate daarvan belangrijker dan het eventuele nadeel
van begrotingsoverschrijding. Eveneens van groot belang
zijn de beschouwingen over de.monumentenzorg en over de
ontwikkelingssamenwerking.. Vreemd genoeg doet zich bij
die twee onderwerpen een overeenkomstig verschijnsel voor. Het rijk subsidieert resp. bekostigt de investeringen, maar als
deze eenmaal voltooid zijn is er geen enkele garantie dat er
geld is voor de exploitatie. Dat geld voor de exploitatie ver-
strekt het rijk niet, althans tot nu toe niet. De Rekenkamer
heeft de vraag gesteld of het niet verstandig is dat wel te doen
en dan wat minder te investeren.
Bij het lezen van de beschouwingen vraagt men zich af of
het eigenlijk geen vreemde zaak is dat dergelijke bestuurlijke
vraagstukken alleen door de Rekenkamer in de publiciteit
worden gebracht en dan nog, behoudens een enkele afzon-
derlijke publikatie, in een volumineus jaarverslag samen met
veel andere zaken waardoor ze weinig aandacht krijgen.
Wanneer de Rekenkamer maandelijks zou rapporteren zou-
den die onderwerpen veel meer aandacht krijgen. In elk geval
zou zon maandelijkse publikatie meer maatschappelijk
rendement opleveren dan het hiervoor genoemde tijdschrift
over Vincent van Gogh. De Rekenkamer zou het ook eens ge-
durende acht jaar kunnen proberen.
Vervagende normen
In het begin van dit artikel noemde ik als tweede conse-
quentie van de verzorgingsstaat het vervagen van normen.
De kritiek van de Rekenkamer richt zich hier tot het hoogste
niveau. Voor ,,uitgaven voor representatieve doeleinden,
voor dienstmaaltijden bewindslieden en afscheids- en
jubileumbijeenkomsten” komen thans gebruiken voor die tij-
dens de klassieke parlementaire democratie niet gebruikelijk
waren. ‘s Lands meest gelezen ochtendblad heeft ervan ge-
maakt dat het speciaal zou gaan om gedragingen van het
kabinet-Den Uyl. Hier wreekt zich het feit dat de Reken-
kamer al niet veel eerder de aandacht op deze zaken heeft ge-
vestigd.
Vreemd is het dat volgens de Rekenkamer kosten waaraan
volgens haar opvatting een zakelijk karakter ontbreekt zeer
wel kunnen worden beschouwd als liggend in de sfeer der
verwerving. Aftrekposten zijn een typisch verschijnsel van de
verzorgingsstaat, in die zin dat zij de overheid in staat stellen
een sterk progressieve inkomstenbelasting in te voeren zon-
der dat de mensen met hoge inkomens al te veel behoeven te
betalen. De zienswijze van de Rekenkamer houdt het gevaar
in dat men de geheimzinnige forfaitaire aftrek, waarvan de
Rekenkamer melding maakt, gaat verhogen. Laat men dan
maar liever declareren. Ook doet het wat eigenaardig aan
dat de Rekenkamer het zakelijk karakter van een gedeclareer-
de maaltijd meent te kunnen toetsen aan de vermelding van
de namen van mensen die daarbij aanwezig waren. Een kost-
baar souper van staatssecretaris Nooteboom en zijn echtge-note met Sophia Loren en haar echtgenoot zou de bewinds-
man mogelijk waardevolle informatie kunnen verschaffen over de wijze waarop de internationale jet set de nationale
belastingadministraties een loer weet te draaien. Behalve de
namen van de deelnemeis aan de maaltijd ware het daarom
beter om ook – tenzij dit zonder meer duidelijk is – de
reden te vermelden waarom de kosten werden gedeclareerd. Ook de normen van het bedrijfsleven ontsnappen niet aan
de aandacht van de Rekenkamer. Zij kan niet aan de indruk
ESB 11/18-4-1979
373
ontkomen ,,dat sommige ondernemers erop uit zijn de winst
zoveel mogelijk te elimineren door het opvoeren van on-
kosten die in de privé-sfeer thuishoren”. Elders in het verslag
lezen we nog over een bedrijf waar ,,onder druk van de direc-
teur van de onderneming met balanscijfers was gemanipu-
leerd”. De registeraccountant had de balans rustig onderte-
kend. De directeut en de accountant zullen moeilijk kunnen
begrijpen waarom de meeste mensen de Rekenkamer, die een
en ander heeft ontdekt, zo’n sympathieke instelling vinden.
Veranderende normen vindt men ten slotte ook bij de KLM.
Uit het aangehaalde betoog van de staatssecretaris krijgt men de indruk, dat weliswaar via de IATA afspraken zijn gemaakt
over de tarieven, maar dat er daarnaast een stilzwijgende
overeenkomst is om zich niet altijd aan de afgesproken tarie-
ven te houden. Ook aan die laatste overeenkomst kan Neder-
land zich volgens de staatssecretaris niet onttrekken.
In het verlengde van de vervagende normen ligt het niet-
officiële of zwarte circuit. Dat wordt in het jaarverslag niet
genoemd maar wel wordt melding gemaakt van casino’s.
Deze instellingen voorzien in een behoefte omdat zij de
burgers in de gelegenheid stellen hun zwart geld wit te maken.
De winst van de casino’s moet aan de staat worden afgedra-
gen. Een goede zaak, maar wel is het dan nodig er extra op te
letten dat, naar goed koopmansgebruik, de kosten zo laag
mogelijk worden gehouden en de baten zoveel mogelijk wor
–
den opgevoerd. Begrijpelijk dat de Rekenkamer deze bedrij-
ven graag onder haar toezicht wil brengen.
Intimidatie
Het Rekenkamerverslag vermeldt ooken voorbeeld van
intimidatie door een minderheid. De kennisgevingen van de
gewestelijke arbeidsbureaus aan bedrijfsverenigingen en ge-
meenten in geval van misbruik, oneigenlijk gebruik of ander
handelen tegen de voorschriften door werkloze werknemers
blijven soms achterwege na bedreiging van de ambtenaar met
geweld door de belanghebbenden.
Dat de Rekenkamer hiervan melding maakt is niet alleen
in het belang van de overheidskassen – dat is nog niet het
belangrijkste – maar ook, en vooral, in het belang van de
ambtenaren en van de overgrote meerderheid van bonafide
werklozen. De ambtenaren hebben er recht op dat hun veilig-
heid wordt beschermd en de bonafide werklozen hebben er
recht op dat hun goede naam niet in opspraak komt. Het is de
taak van de overheid hiervoor te zorgen. Die taak wordt
moeilijker naarmate het kwaad zich uitbreidt. De relativeren-
de reactie van minister Albeda, die erop neer komt dat daad-
werkelijk agressief optreden niet veel voorkomt en dat de
dreigende woorden slechts in een minderheid der gevallen tot
daden leiden, lijkt mij geen motief voor de overheid om de
zaak voorshands maar eens aan te zien.
Uitbouw van de Rekenkamer
Tot zover de inhoud van het verslag. Thans een enkel
woord over wat er niet in staat. We missen een beschouwing
over de betekenis van de vijfde macht voor de besteding van
‘s rijks gelden. Op zich zelf is dat begrijpelijk. De Rekenkamer
heeft maar weinig feitelijke controlemogelijkheden over het
beheer van die instellingen. Het lijkt wat voorbarig om te ver-
onderstellen dat die mogelijkheden ook niet nodig zijn omdat
de van het rijk ontvangen subsidiegelden overal voorbeeldig
worden beheerd. Dit brengt mij tot de regeling van de bevoegdheden van de
Rekenkamer in het algemeen. Deze zijn vervat in de vrij
recente Comptabiliteitswet van 8december 1976. De voorbe-
reiding van die wet heeft twintig jaar geduurd. De grond-
slagen zijn gelegd door een commissie die van 1956 tot 1960
werkzaam is geweest. In die tijd bestond het woord verzor-
gingsstaat nog niet. Achteraf bezien waren er natuurlijk ook
toen al factoren werkzaam die tot het ontstaan van de ver-
zorgingsstaat hebben geleid, maar de ontwikkeling, zoals die
daarna heeft plaatsgehad., was toen nog niet te voorzien. De
grote stimulansen daartoe zijn pas in de jaren zestig geko-
men. De literatuur erover dateert voor het grootste deel van
nog latere datum.
Wanneer de bevoegdheden van de Rekenkamer thans ge-
regeld zouden moeten worden ware zeker te overwegen deze
belangrijk uit te breiden. Haar bevoegdheden ten opzichte
van een bedrijf als de KLM moeten in het licht van het recente
verleden als volstrekt onvoldoende worden beschouwd. Be-
drijven als casino’s zouden zonder meer onder het toezicht
van de Rekenkamer moeten vallen. In het jaarverslag wordt
bepleit de controle op de woningbouwcorporaties voortaan
door een register-accountant te doen geschieden. Vergeleken
met de bestaande situatie stellig een verbetering maar nog
beter zou zijn een publiekrechtelijke rekenkamercontrole.
Hetzelfde geldt eigenlijk voor de gehele vijfde macht. Wat het
sociale-verzekeringsstelsel betreft is er al enige jaren geleden
voor gepleit, in een door de Tweede Kamer aangenomen mo-
tie, de controle daarvan aan de Rekenkamer op te dragen of
althans aan een daarmee te vergelijken instelling.
Ook zal moeten worden overwogen of het wel wenselijk
is de doelmatigheidscontrole te blijven koppelen aan de
rechtmatigheidscontrole. In een brochure van de Reken-
kamer wordt gesteld dat de combinatie van rechtmatigheids-
controle en doelmatigheidscontrole het werk bij de Reken-
kamer aantrekkelijk maakt. Het lijkt mij niet de meest geloof-
waardige zin uit dit overigens zeer lezenswaardige en stijlvol
uitgegeven geschrift. Voor de beleidscontrole zijn andere
eigenschappen nodig dan voor de boekhoudkundige recht-
matigheidscontrole – althans voor het basiswerk daarvan –
en al die eigenschappen worden maar zelden bij één persoon
aangetroffen.
Wanneer men dit alles overziet is het gevaar duidelijk dat
de Rekenkamer door de uitbreiding van haar opdracht met
genoemde bevoegdheden, nog gepaard gaande met een inten-
sivering van haar controle, zal uitgroeien tot een grote
bureaucratie, met het risico om zelf ten onder te gaan aan de
euvels die zij moet bestrijden. Om dit te voorkomen zullen er
meer rekenkamers moeten komen of een stelsel met een cen-
trale rekenkamer en sub-rekenkamers. Uiteraard zal dit stel-
sel langs lijnen van geleidelijkheid moeten worden opge-
bouwd.
Geen nostalgie
In het voorgaande zijn een aantal wellicht wat minder
vriendelijk overkomende opmerkingen gemaakt over de ver-
zorgingsstaat. Wie daarachter nostalgie zoekt naar de klas-
sieke parlementaire democratie vergist zich. Daarbij verge-
leken is de verzorgingsstaat een enorme stap voorwaarts.
Een stap voorwaarts zoals waarschijnlijk nog niet eerder in
de geschiedenis is voorgekomen. Dat is een reden te meer om
bijzonder waakzaam te zijn voor de gevaren die het voortbe-
staan van de moderne samenleving bedreigen. Uitbouw van
de onafhankelijke controle-instelling die wij in de Algemene
Rekenkamer hebben in de zin van aanpassing van haar or-
ganisatiestructuur, haar bevoegdheden en haar werkwijzen
aan de behoeften van deze tijd, zal een belangrijke factor
zijn om die bedreigingen af te wenden.
D.
A.
P. W. van der Ende
ESB:
omdat de economie
verdergaat…
374
De woningmarkt
Esb
In gezonden
In het artikel ,,De woningmarkt blijft
instabiel” van Drs. L. van der Geest in
ESB
van 28 februari 1979 komt om. de
volgende uitspraak voor: ,,Nog steeds
worden er vrijwel uitsluitend grote een-
gezinswoningen met vijf, zes kamers ge-
bouwd, terwijl in de behoefte aan woon-
ruimte voor alleenstaanden of tweeper-
soonshuishoudens niet of nauwelijks
wordt voorzien”. Naar aanleiding hier-van merk ik op, dat het eerste gedeelte
van deze uitspraak feitelijk onjuist is. Als
ik de keuken in een huis als een kamer
opvat (men spreekt in de volkshuis-
vesting doorgaans niet van kamers
doch van vertrekken!) dan leert het
Sta-
tistisch Zakboek
1978,
blz. 63 ons dat
het percentage voltooide woningen met 5
of meer vertrekken in 1965 nog 84 was,
doch in 1975 al tot 63 was gezakt. Het
percentage woningen met 4 of minder
vertrekken verdubbelde in die periode.
Het percentage eengezinshuizen schom-
melt al een jaar of vier rond de 80 en heeft
de neiging iets toe te nemen. In de eerste
8 maanden van 1978 was dit 83. Onder het aantal woningen met
5
of meer ver-
trekken wordt het grootste deel in beslag
genomen door woningen met
5
vertrek-
ken, d.w.z. met één woonkamer, een
keuken en drie slaapvertrekken. Die wo-
ning is precies pas voor een gezin met
twee kinderen. Die woning is ook in trek
bij gezinnen met één kind, waarbij men
de behoefte heeft aan een logeerkamer of
hobbyruimte.
Het hoge percentage eengezinswo-
ningen van de laatste jaren is een volko-
men natuurlijke reactie op de bouwpoli-tiek van de eerste twintig jaar na de oor-
log toen vooral veel kleine woningen in
.meergezinshuizen werden gebouwd,
waarin de slaapkamers dikwijls van
minimale omvang waren, in het bij-
zonder die voor de kinderen waarin
doorgaans niet veel meer ruimte was dan
voor een bed, een kast en een stoel. De
gemiddelde woonoppervlakte van
alle
huizen was toen minder dan 60 m1, ter
–
wijl ongeveer de helft werd gebouwd in de vorm van meergezinshuizen.
Nog steeds wonen in ons land enige
honderdduizenden huishoudens in te
kleine woningen, waarin de kinderen
geen mogelijkheden hebben tot ont-
plooiing.
Het tweede gedeelte van de hierboven
C. P.
A. BAKKER
aangehaalde zin suggereert, dat er
meer
gebouwd moet worden voor de behoefte
van alleenstaanden en tweepersoons-
huishoudens. Die opvatting is m.i. on-
juist. Er moet wèl
meer
gebouwd wor-
den, doch in het bijzonder voor de ge-
zinnen, die nog steeds te klein gehuis-
vest zijn. Door dat te doen komen ruim
voldoende kleine woningen Vrij voor
alleenstaanden en tweepersoonshuis-
houdens. Het door elkaar bouwen in één
complex van grote en kleine woningen, zoals nu gelukkig reeds op grote schaal
gebeurt, is de beste oplossing voor het
bouwen gericht op de behoefte. De voor-
ziening in de behoeften van alleenstaan-
den en tweepersoonshuishoudens is min-
der een kwestie van bouwen dan van toe-
wijzing van hetgeen door bouw van
nieuwe en leegkomen van bestaande
woningen beschikbaar komt.
C. P. A. Bakker
Naschrift
Mijn argument was dat in het woning-
bouwbeleid te weinig rekening wordt
gehouden met de veranderingen die zich
in de demografïsche structuur en de ge-
zinssamenstelling in Nederland vol-
trekken. Het aantal alleenstaanden en
tweepersoonshuishoudens is in de afge-
lopen jaren sterk toegenomen en het valt
te verwachten dat deze trend zich zal
doorzetten. Het beschikbaar komen van
woningen voor deze groepen heeft daar-
mee bij lange na geen gelijke tred gehou-
den waardoor de woningnood onder hen
bijzonder hoog is geworden. De situatie
dreigt nog te verslechteren omdat de ge-
noemde groepen in het huidige woning-
bouwbeleid stiefmoederlijk worden be-
handeld.
In zijn Memorie van Toelichting op de
begroting van 1978 erkent de minister
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening dat een ,,kwantitatieve en
kwalitatieve achterstand in de huis-
vesting van alleenstaanden en tweeper-
soonshuishoudens (is) ontstaan”. Tevens
is hij van mening dat de zorg voor de
huisvesting van deze groepen een geïnte-
greerde benadering in het totale volks-
huisvestingsbeleid behoeft. In zijn brief
aan de voorzitter van de Tweede Kamer
van 19januari jI. merkt Staatssecretaris
Brokx op ,,dat de vraag naar woon-
ruimte van één- en tweepersoonshuis-
houdens als nevenschikkend en gelijk-
waardig geldt aan de vraag naar woon-
ruimte van andere groepen”. Zoals ge-
zegd resulteren deze woorden niet in da-
den. Daarbij valt zowel te denken aan
nieuwbouw, verbouw als woonruimte-
verdeling.
In 1977 werden in de nieuwbouw 2.100
wooneenheden (speciaal bedoeld voor
alleenstaanden en tweepersoonshuis-
houdens) gerealiseerd; in de vernieuw-
bouw kwamen 500 wooneenheden tot
stand. Het programma voor 1978 bevat-
te 3.400 eenheden zowel in de nieuw-
bouw als in de vernieuwbouw. Tot 1983
lopen deze aantallen op tot 7.000 een-
heden voor beide sectoren. Tot dusver is
de ervaring dat de bouwprogramma’s
voor de betreffende woningen op geen
stukken na gehaald worden. Hoezeer de
bovengenoemde aantallen moeten wor-
den beschouwd als een druppel op een
gloeiende plaat, wordt duidelijk wanneer
daartegenover de behoefte aan woon-
ruimte voor de betreffende groepen
wordt geplaatst. Uit een onderzoek van
het Ministerie van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening in een groot aan-
tal gemeenten komt naar voren dat bin-
nen twee jaar 210.000 woningen nodig
zijn voor personen die thans niet zelf-
standig wonend zijn, maar zich alleen of
met tweeën zelfstandig willen vestigen. Het Ministerie raamt dat deze vraag die
boven de markt hangt, zal resulteren in
een tekort van 50.000 kleine woningen.
De heer Bakker ziet weinig pro-
blemen. Als er maar meer gebouwd
wordt voor klein gehuisveste gezinnen
,,komen ruim voldoende kleine wo-
ningen Vrij voor alleenstaanden en twee-
persoonshuishoudens”. Doorstroming
en toewijzing brengen de oplossing. De
praktijk blijkt heel wat weerbarstiger. In
de al eerder genoemde Memorie wordt over de verbetering van de huisvesting
van de betreffende groepen opgemerkt:
,,Behoudens enkele uitzonderingen voe-
len gemeenten, toegelaten instellingen
en investeerders zich weinig betrokken
bij dit streven. De prioriteit voor gezins-
huisvesting is nu eenmaal ideologisch en
organisatorisch diep geworteld”.
Als er nauwelijks nieuwbouw of ver-
nieuwbouw plaatsvindt voor deze spe-
ciale groepen, zal er ook niet veel kunnen
worden toegewezen. De woningvoor-
raad zal immers nog jaren tekorten blij-
ven vertonen. Deze dreigen zich te gaan
concentreren bij de groep alleenstaan-
den en tweepersoonshuishoudens. Vol-
doende kapitaalkrachtigen onder hen
kunnen zich een grotere woning permit-
teren, maar een steeds groeiend aantal
zal niet aan bod komen.
L. van der Geest
ESB 11/18-4-1979
375
Geld- en kapitaalmarkt
De betalingsbalans in het rood
DRS. B. KRAMER*
Inleiding
Het meest opmerkelijke verschijnsel
dat zich in de afgelopen periode m.b.t.
de Nederlandse economie heeft voorge-
daan, is het ontstaan van een tekort op
de lopende rekening van de betalings-
balans. Zeer waarschijnlijk is hiermee
een einde gekomen aan de periode waar-
in, ondanks een voortdurende verslech-
tering van de binnenlandse economische
situatie, positieve opbrengsten uit de
lopende transacties met het buitenland
ontstonden. Dit laatste was – zoals
bekend – geheel en al te danken aan de
bijdrage van het aardgas. Deze bijdrage,
die op grond van exportopbrengsten
en invoersubstitutie over 1978 op ca.
f. 15,5 mrd. kan worden becijferd, bleek
uiteindelijk echter niet opgewassen
tegen de gevolgen van de geleidelijke
achteruitgang van de concurrentieposi-
tie van het Nederlandse bedrijfsleven.
Uit oogpunt van beleid is hiermede
een nieuwe situatie ontstaan. Konden
regering en monetaire autoriteiten in de
afgelopen periode met een zekere van-
zelfsprekendheid uitgaan van een sterke
externe positie, in komende jaren zal
het streven naar herstel hiervan uitdruk-
kelijk onderdeel van het beleid dienen
te zijn. Immers, het blijven bestaan van
tekortsituaties zou op den duur onver-
mijdelijk leiden tot een neerwaartse
aanpassing van de wisselkoers. Dit zou
tot gevolg hebben dat er vanuit het bui-
tenland nieuwe impulsen ontstaan op de
infiatoire ontwikkeling. Het behoeft
weinig betoog dat een dergelijke gang
van zaken in de Nederlandse situatie,
waarin het prijs- en kostenniveau inter-
nationaal gezien reeds zeer hoog ligt,
met alle kracht dient te worden ver-
meden.
In het onderstaande zal worden inge-
gaan op de factoren die een rol hebben
gespeeld bij de omslag van het saldo op
de lopende rekening, waarbij tevens, met
het oog op de ontwikkelingen die zich
hebben voorgedaan in het kapitaalver
–
keer, enkele monetaire aspecten zullen
worden besproken.
Goederenverkeer
Uit onderstaande tabel blijkt dat ruim
drie kwart van de totale achteruitgang
in de afgelopen twee jaar kan worden
toegeschreven aan het goederenverkeer.
Voor 1978 alleen was dit ca. f. 2,2 mrd.
De oorzaken zijn overwegend van struc-
turele aard. Enerzijds is van belang het
terreinverlies op buitenlandse markten,
anderzijds het feit dat Nederlandse pro-
ducenten in toenemende mate van de binnenlandse markt worden verdron-
gen. Het achterblijven van de groei van
de goederenuitvoer bij die van de her-
wogen wereldhandel heeft alleen al over
1977 en 1978 een verlies in het markt-
aandeel opgeleverd van 8%. Voor de
betalingsbalans betekende dit een ach-
teruitgang van ruim f.
5
mrd. De terug-
gang op de thuismarkten is vooral de
afgelopen jaren, onder invloed van de
krachtig toegenomen binnenlandse be-
stedingen aan het licht gekomen.
Tabel. Lopende rekening op transactie-
basis (inf mrd.)
1976
1977
1978
Goederenverkeer
………..
Onzichtbaar verkeer
4.016
3.503
-1.414
2.857
–
3.604
1.165
7.519
1.443
-2.439
Bron: Ministerie van Financihn.
Een toenemend deel van de binnen-
landse vraag, met name in de consump-
tieve sfeer, richt zich op het buitenland.
Het CPB heeft berekend dat ca. 55%
van de toename van de consumptieve
bestedingen wordt ingevoerd, hetzij in
de vorm van goederen en diensten, het-zij in de vorm van grondstoffen ter ver
–
vaardiging van consumptiegoederen in
eigen land. In de afgelopen jaren nam
de invoer van consumptiegoederen ge-
middeld met ca. 8% in volume toe, bij
een groeitempo van de particuliere con-
sumptie dat ongeveer de helft hiervan
bedroeg. Het is met name hier, hoewel
ook bij de produktie van investerings-
goederen, dat de relatief zwakke struc-
tuur van het Nederlands produktiepak-
ket zich manifesteert.
Naast de structurele ontwikkelingen
hebben in 1978 eveneens enkele inciden-
tele omstandigheden, met name in het
goederenverkeer, bijgedragen aan de
verslechtering van de lopende rekening.
Zo steeg de invoer vrij sterk als gevolg
van de opbouw van voorraadposities.
Anticipatie-effecten m.b.t. de olieprijs-
verhoging, alsmede verwachtingen ten
aanzien van prijsstijgingen van andere
grondstoffen hebben hierbij een rol ge-
speeld. Bij de uitvoer kan worden ge-
wezen op het tijdelijk inzakken van de
aardgasverkopen.
De verwachtingen voor het lopende
jaar vertonen wat de buitenlandse han-
del betreft een enigszins ander beeld
dan in 1978. De uitvoer kan profiteren
van de conjuncturele opleving, die zich
in West-Europa en vooral in de West-
duitse economie voordoet, zij het dat
er onzekerheid bestaat over de mate waarin hiervan kan worden geprofi-
teerd, gezien bijvoorbeeld de nog grote
overcapaciteiten die ook in deze landen
bestaan in voor onze uitvoer belangrijke
sectoren. De invoergroei zal wellicht
wat afnemen als gevolg van het afzwak-
kende tempo der binnenlandse bestedin-
gen. Een tegenkracht in dit verband
wordt gevormd door de prijsverhogin-
gen van de aardolie. De indexatie van
de gasprijzen zal hiervoor dit jaar slechts
weinig compensatie kunnen bieden, ge-
zien de vertragingstermijn van bijna
één jaar, die hierbij optreedt.
Onzichtbaar verkeer
De achteruitgang in het onzichtba.ar
verkeer was in 1978 eveneens aanzien-
lijk (f. 1,2 mrd.). Aanvankelijk werd
verwacht dat deze daling veel hoger zou
uitvallen, maar vooral vanwege grote
ontvangsten uit het transitoverkeer
leverde het laatste kwartaal een belang-
rijk overschot op. Een groot tekort (ca.
f.
1,5
mrd.) ontstond vanwege de explo-
sieve stijging van onze toeristische be-
stedingen in het buitenland, die gepaard
ging met een teruglopende belangstel-
ling van buitenlanders voor een bezoek
aan ons land. Bij het saldo vervoer
zette de structurele verslechtering zich
eveneens voort. Een sector van de dien-
stenbalans, waar zich vooral het afge-
* De auteur is medewerker van het Econo-
misch Bureau van de Amro Bank. Het artikel
is geschreven â titre personnel.
376
lopen jaar een duidelijke verbetering
heeft afgetekend is de Post technische
dienstverlening en uitvoering van wer-
ken in het buitenland. Deze ontwikke-ling kan vooral worden toegeschreven
aan de hausse in aanbestedingen van
grote infrastructurele werken, die zich
enkele jaren geleden heeft voorgedaan.
Verwacht wordt echter dat dit een tijde-
lijke zaak zal zijn, gezien de temporise-
ring die een aantal landen uit hoofde
van financiële problemen in de aanbe-
stedingen van nieuwe werken heeft
aangebracht.
Niet onbelangrijk ten slotte was de
omslag in het saldo primaire inkomens
(f. 0,7 mrd.). De verslechtering werd
met name veroorzaakt door de sterk toe-
genomen winstovermakingen van in ons
land gevestigde dochterbedrijven naar
hun buitenlandse moeders en omgekeerd
door geringere ontvangsten van Neder-
landse bedrijven uit buitenlandse deel-
nemingen en dochterbedrijven. Wellicht
kan hier een zekere indicatie aan worden
ontleend voor een relatieve voorkeur
voor het investeren in ‘het buitenland.
Eveneens van belang in dit verband wa-
ren de sterk toegenomen rente- en divi-
dendbetalingen aan het buitenland. Dit
laatste is een uitvloeisel van de grote
belangstelling die er de afgelopen jaren
van buitenlandse zijde voor guldens-
beleggingen is geweest. De afname van
het saldo inkomensoverdrachten, die
over de eerste drie kwartalen eveneens
ca. f. 0,7 mrd. bedroeg, viel, over het
gehele jaar gezien, mee vanwege hoge
ontvangsten van de EG in het laatste
kwartaal.
Hoewel de verwachtingen met betrek-
king tot het onzichtbaar verkeer voor het
lopende jaar niet erg optimistisch zijn,
ligt net als bij het goederenverkeer een doorzettende achteruitgang, in de mate
waarin dit vorig jaar het geval was, niet
in de lijn der verwachting. Veel zal hier-
bij afhangen van de ontwikkelingen die
zich bij het reisverkeer voordoen. Moge-
lijk zal de afnemende groei van de Vrij
beschikbare inkomens beperkingen gaan
opleggen. Bij het Vervoer kan enige
verbetering ontstaan in samenhang met
een toename in het goederenverkeer.
Kapitaalverkeer
Naast de gang van zaken in het lopend
verkeer zijn, vooral uit monetair oog-
punt, de ontwikkelingen tav. het
kapitaalverkeer van belang. Over het
afgelopen jaar ontstond voor het ge-
registreerde kapitaalverkeer der niet-
monetaire sectoren een afvloeiing van
f. 2,3 mrd. Dit is iets minder dan in
1977, toen er een tekort van f. 3,1 mrd.
ontstond. De oorzaak van deze wat
lagere kapitaaluitvoer ligt vooral in de
sfeer van het kort kapitaal waar, als ge-
volg van een vermindering van de
rekening-courant-vorderingen op het
buitenland een positief saldo van f. 0,6
mrd. ontstond.
In het lange particuliere kapitaalver-
keer was de afvloeiing per saldo f. 0,7
mrd. groter dan in 1977. Verschillende
oorzaken lagen hieraan ten grondslag.
In de eerste plaats had de afgenomen
belangstelling in het buitenland voor
beleggingen in guldensobligaties een
geringere kapitaalinvoer tot gevolg.
Daarnaast was er sprake van een forse
stijging in de áfvloeiing van middelen
als gevolg van de toegenomen aankopen
van onroerend goed in het buitenland
door ingezetenen. Compensatie ont-
stond ook in het lang-kapitaalverkeer
door opname van bankkredieten in het
buitenland, waarmee het bedrijfsleven
buitenlandse investeringen financierde.
Eveneens kan in dit verband de wat
grotere toevloeiing van middelen uit
hoofde van enige toename in de buiten-
landse investeringen in ons land worden
vermeld.
Monetaire aspecten
Overzien we de ontwikkelingen die zich bij het lopend en het kapitaalver-
keer hebben voorgedaan, dan blijkt de
totale liquiditeitsafvloeiing, voor zover
het de niet-monetaire sectoren betreft,
over geheel 1978 niet minder dan f. 4,6
mrd. te hebben bedragen. Ten op-
zichte van 1977 impliceert dit een toe-
name van ca. f. 3 mrd. Aangezien in de
monetaire analyse van De Nederland-
sche Bank liquiditeitsafvloeiing naar het
buitenland in principe gelijk gesteld
wordt aan liquiditeitsvernietiging had
dit tot gevolg dat er uit dien hoofde een
flinke neerwaartse druk uitging op de
liquiditeitsquote. Deze liep, ondanks
de niet geringe binnenlandse creatie van
liquiditeiten door de overheid en het
bankwezen, derhalve met ca. 1 procent-punt terug. Voor de binnenlandse liquiditeitsver-
houdingen is het daarnaast van belang
op welke wijze de afvloeiing der midde-
len wordt gefinancierd. Afgezien van
lenen in het buitenland kan dit geschie-
den door enerzijds intering op de offi-
ciële reserves en daarnaast door een
afname van de netto vorderingen van het
bankwezen op het buitenland. In 1978
werd van beide mogelijkheden gebruik
gemaakt voor bedragen van resp. ca
.
f. 2,0 en ca. f. 2,7 mrd. Met het oog op de
weinig hoopgevende vooruitzichten die
er, ondanks enige conjuncturele ver-
betering, voor de komende jaren voor
de gehele betalingsbalans bestaan, is het
van groot belang op welke wijze dit in de
toekomst zal gaan gebeuren. Interen op
de officiële reserves heeft als voornaam-
ste bezwaar dat hiervan een verkrappen-
de invloed uitgaat op de geldmarkt, ter-
wijl de omvang van het netto buiten-
lands actief, onder de huidige regelin-
gen, bij lange na niet voldoende is.
B. Kramer
ESb
Mededelingen
Vierde Onderwijssociologische
Conferentie
Onder auspiciën van de Stuurgroep
Onderwijssociologie organiseert SISWO
op maandag Ii en dinsdag 12 juni 1979
de vierde OnderwijssocioLogische Con-
ferentie in het Conferentiecentrum
Woudschoten te Zeist over de relatie
onderwijskwalificatie-arbeidsmarkt.
De deelnemersprijs, inclusief informa-
tiemateriaal vôôr en na de conferentie,
bedraagt f. 180. Voor studenten komt
de prijs op f. lOO. Bij het secretariaat van
de voorbereidingscommissie kan een fol-
der met verdere gegevens en een inschrij-
vingsformulier worden aangevraagd.
De inschrijving sluit op 1 mei. Adres
secretariaat: Gerbert Beekenkamp,
SISWO, Oude Zijds Achterburgwal
128, 1012 DT Amsterdam, tel.: (020)
24 00 75.
Postacademische cursus
Voorschriften bestemmingsplannen
De afdeling Bestuurskunde van de
Technische Hogeschool Twente en het
Instituut voor Staats- en Administratief
Recht van de Rijksuniversiteit Utrecht
organiseren ‘een gezamenlijke cursus
,,voorschriften bestemmingsplannen”.
De volgende onderwerpen zullen worden
behandeld: Organisatie juridisc.he in-
breng in het planproces; Systematiek
planvoorschriften en wetgevingstech-
niek; Samenhang plankaart, planvoor
–
schriften en plantoelichting; Privaat-
rechtelijke regeling van de gemeente-
lijke ruimtelijke ordening; Uitwerkings-
en wijzigingsplannen, vrijstellingsbe-
voegdheid.
Data: 2, 9, 16, 23, 30 mei en 6 juni.
Plaats: Enschede (campus TH) of
Utrecht (Jaarbeurscongrescentrum). De
kosten van deelneming bedragen f. 250.
inlichtingen en aanmelding: Postacade-
misch Onderwijs in de Ruimtelijke Plan-
ning en Planologie, Van Speijkstraat 25,
2518 EV ‘s-Gravenhage, tel.: (070)
4696
52.
Bijbenen en bijblijven,
ESB maakt het mogelijk.
ESB 11/18-4-1979
377
Energie kroniek
Energiebeleid en risico
DRS. P.J.B. WASSER*
Inleiding
,,Verlamming van de besluitvormingis
de slechtste dienst die de Nederlandse
energievoorziening kan worden bewe-
zen”, is de conclusie van Drs.
W.H.J. Tieleman in de vorige Energie-
kroniek. ,,Het is niet verantwoord kern-
energie af te schrijven. Deze bron is zo
superieur aan alle alternatieven als het
gaat om het milieu en de uitputting van
brandstoffen en grondstoffen dat je haar
niet mag afsluiten”, zegt de fractievoor
–
zitter van het CDA in de Tweede Kamer, Drs. R.F.M. Lubbers in een recent inter-
view in
NRC Handelsblad.
En toch zijn
wij al sedert 16 maart 1972 ,,maatschap-
peljk aan het discussieren” en komen wij
maar niet tot een besluit om geleidelijk
aan ook in Nederland wat meer gebruik
te gaan maken van uranium voor de elek-
triciteitsproduktie.
Het is nu zover dat de maatschappelij-
ke discussie zal worden afgesloten met een landelijke manifestatie die twee tot
drie jaar zal duren en die de ,,brede
maatschappelijke discussie” wordt ge-
noemd. Wellicht betekent die afsluiting
ook het einde van een tijdperk, waarin
wij ons bewust zijn geworden van het feit
dat het leven niet zonder risico’s is en
waarin we vooral geleerd hebben risico’s
zoveel mogelijk te kwantificeren en tegen
elkaar af te wegen.
Er bestaat geen samenleving zonder
risico’s. In toenemende mate zijn wij ons
bewust geworden van de risico’s die ons
samenleven met zich brengt. Dat komt
niet zozeer omdat wij meer weten door de
versnelde toename van onze kennis en
door de mogelijkheden voor velen om
daar toegang tot te krijgen. Het is ook
niet de schaal van de rampen die ons
risico-bewustzijn heeft verhoogd. 1 m-
mers, de 582 doden die vielen toen twee
Jumbo’s botsten op Tenerife zijn er aan-
zienlijk minder dan de twintig miljoen
mensen die in lang vervlogen tijden in een
paar jaar het slachtoffer werden van de
pest. Het risico-bewustzijn is vooral ver-
hoogd omdat radio en televisie ons veel
meer informatie geven dan waarover
mensen vroeger beschikten. De massa-
media geven die informatie bovendien
met een snelheid die ons in staat stelt
minuten na een ramp daarvan kennis te nemen, breed uitgemeten, voorzien van
commentaar, juist en onjuist, rijp en
groen.
Door de toename van onze kennis
hebben wij risico’s kunnen elimineren: de
kindersterfte b. v. is geweldig afgenomen.
Aan de andere kant ontstaan door de
ontwikkeling van wetenschap en tech-
niek nieuwe, reële en vermeende, risico’s.
Naarmate wij in staat zijn om risico’s
nauwkeuriger vast te stellen wordt ons
inzicht in mogelijke risico’s groter. Het is
van belang de risico’s te kwantificeren
om in staat te zijn risico’s te vergelijken
om te beoordelen of een risico acceptabel
is of niet. Daarbij moeten wel de kosten
voor de samenleving om een risico te
beperken tot wat een acceptabel niveau wordt genoemd in ogenschouw worden
genomen.
Geen energie zonder risico’s
De produktie van energie, op welke
wijze ook, brengt risico’s met zich. In de
publiciteit wordt dat meestal over het
hoofd gezien als we tenminste kijken
naar de grote aandacht die wordt be-
steed aan de betrekkelijk geringe risi-
co’s die de toepassing van kernenergie
met zich brengt. Recentelijk heeft
Dr. H. Inhaber van de Canadese
Atomic EnergyControl Board een studie
gepubliceerd waarin hij de risico’s van de
verschillende wijzen van energieproduk-
tie met elkaar vergelijkt. Hij heeft de
risico’s die ontstaan bij alle activiteiten
die nodig zijn om een bepaalde hoeveel-heid energie te produceren bekeken: het
verkrijgen van ijzer, koper en zand, het
omzetten daarvan in staal,
pij
pen en glas,
het transport dat daarvoor nodig is, het
bouwen van de installaties en het verkrij-
gen en bewerken van de energiedragers
die voor het bedrijven van de installaties
nodig zijn. Er is bovendien rekening
gehouden met de afvalprodukten die bij
de verschillende processen vrijkomen en
met de verwerking ervan. Het resultaat
van deze risico-vergelijking voor de be-
langrijkste methoden van energiepro-
duktie is gegeven in tabel 1.
Tabel 1. Geschatte aantallen doden per
jaar wanneer de hoeveelheid elektriciteit
die Nederland in 2000 nodig heeft ge-
maakt zou worden uit verschillende
bronnen
Kolen
50 – 1.600
Olie
20 – .400
Wind
230 – 700
zon (voor ruimte-
90 –
00
verwarming)
Uranium
2,5 –
IS
Aardgas
1 –
4
Bij deze uitkomsten moet worden be-
dacht dat in Nederland in totaal een
hoeveelheid energie nodig is die vier tot
vijf maal groter is dan de hoeveelheid die
nodig is voor de elektriciteitsproduktie.
Bovendien moet eens te meer betreurd
worden dat het aandeel van het aardgas
in onze energievoorziening afneemt.
Risico’s afwegen
Het niet beschikbaar zijn van aardgas
doet zich het eerst en het sterkst gevoelen
bij de elektriciteitsproduktie. Voor de
vervanging van bestaande centrales en
voor de uitbreiding van centralecapaci-
teit in de toekomst moet dus naar andere
energiebronnen worden omgezien.
Daarbij is het goed het risico van de niet-
beschikbaarheid van een bepaalde ener
–
giebron te beperken door het aantal te
gebruiken energiebronnen te spreiden.
Het risico dat gepaard gaat met het
* De auteur is werkzaam bij de NV KEMA te Arnhem.
adverteer in ESB
378
ontbreken van voldoende elektriciteit is immers heel duidelijk een niet geaccep-
teerd risico. Ook tabel 1 is een pleidooi
voor de spreiding van energiebronnen.
Om een bepaalde energiebron te kun-
nen toepassen moeten de geschikte in-
stallaties i.c. centrales worden gebouwd.
In de komende jaren moeten daarvoor
besluiten worden genomen. Om te bezien
om welke centralecapaciteit het gaat,
moet eerst worden vastgesteld hoeveel
elektriciteitsproduktievermogen min-
stens aanwezig moet zijn om aan de
vraag te kunnen voldoen. Hoe de vraag
zich in de toekomst zal ontwikkelen
hangt af van talloze, voor het meren-
deel onbekende, factoren. In tabel 2
wordt een schatting gegeven van het:
benodigde produktievermogen volgens
een drietal scenario’s.
Tabel 2. Benodigd elektriciteitsproduk-
tievermogen in MW volgens enkele sce-
nario’s
Scenario 1
1985
1990
1995
2000
15.500
17.500
19.500
22.000
Scenario ii
14.500 16.000 17.000
8.000
Scenariolli
5.000 7.500
17.500
7.500
Scenario 1 gaat uit van de situatie
waarin de collectieve uitgaven worden
verminderd om de industriële activiteit te
stimuleren (de lage
Bestek
’81-variant).
Scenario II geeft de situatie weer waarin
de collectieve lasten blijven toenemen
zodat minder financiële ruimte aanwezig
zal zijn voor industriële expansie. Scena-
rio III is de situatie die voorzien is in het
Elektriciteitsplan
waarbij een, voorals-
nog fictieve, nulgroei vanaf 1990 is aan-
genomen.
Het thans in Nederland aanwezige
produktievermogen zal in de beschouw
–
de periode tot 2000 grotendeels moeten
worden vervangen. In tabel 3 is aangege-
ven hoeveel produktievermogen over
–
blijft wanneer na 1983 niet meer wordt
vervangen of uitgebreid.
Tabel 3. Beschikbaar elektriciteitspro-
duktievermogen in MW wanneer na
1983 niet meer wordt vervangen of uit ge-
breid
1985
1990
1995
2000
5.500
13.500
10.500
5.500
In de komendè jaren dienen besluiten
te worden genomen om de elektriciteits-
voorziening voor de toekomst veilig te
stellen. Daarbij moeten de risico’s onder
ogen worden gezien. Op grond van een
zorgvuldige afweging van gekwantifi-
ceerde risico’s dient de thans verlamde besluitvorming te worden doorbroken.
Wellicht kan daarvoor de landelijke
manifestatie dienen. Met alle risico’s van
dien.
P.J.B. Wasser
Voorafgegaan door een kort inleidend
hoofdstuk zijn in deze uitgave zes papers
gebundeld, die werden gepresenteerd op
een in het voorjaar van 1976 belegde con-
ferentie gewijd aan het onderwerp ,,Fede-
raI fiscal responsibility”. Hoewel dit boek
betrekking heeft op de situatie in de
Verenigde Staten is het niettemin ook
voor lezers in Europa interessant. Cen-
traal in de gedachtenwisseling tijdens de
conferentie stond namelijk de stelling
dat, als gevolg van de aard van politieke
besluitvormingsprocessen in een demo-
cratie, keynesiaanse begrotingspolitiek
slechts eenzijdig zal worden gevoerd: te-
korten zullen overheersen. In hun eigen
bijdrage pogen de beide redacteuren be-
wijsmateriaal voor deze stelling aan te
dragen. Zij houden staande dat de aan-
vaarding – in het begin van de jaren
zestig – van een keynesiaanse begro-
tingspolitiek de inflatie in de VS heeft
bevorderd en tevens heeft geleid tot een
(te) sterke uitgavengroei in de publieke
sector.
Het boek heeft drie delen. Achtereen-
volgens komen verleden, heden en toe-
komst van het Amerikaanse begrotings-
beleid – steeds in twee bijdragen —aan de
orde. Na ieder hoofdstuk is het commen-
taar van twee ,,discussants” opgenomen.
William Breit (,,Starving the Leviat-
han: Balanced budget prescriptions be-
fore Keynes”) er Herbert Stem (,,The
decline of the budget-balancing doctri-
ne, or how the good guys finally lost”)
geven een historisch overzicht van de
ontwikkeling en bloei van het leerstuk
van de sluitende begroting. Daarna
schetst Stein hoe deze opvatting werd
verdrongen door het inzicht dat tekorten
en overschotten op de begroting kunnen
en moeten worden aangewend om reces-
sie, onderscheidenlijk inflatie te bestrij-
den.
Abba P. Lerner (,,Keynesianism: alive,
if not so well at forty”) verdedigt in zijn
bijdrage het voeren van begrotingspoli-
tiek op grondslag van aan Keynes ont-
leende inzichten, waarna beide redac-
teuren van de bundel in een volgend
hoofdstuk (,,The political biases of key-
nesian economics”) de centrale stelling
nader uitwerken. Kort weergegeven
komt hun redenering hierop neer. Rond
1960 zijn de ideeën van Keynes in de
Verenigde Staten voldoende gemeen-
goed geworden om een actieve begro-
tingspolitiek ten dienste van een even-
wichtige economische ontwikkeling
voor de meeste kiezers aanvaardbaar te
doen zijn. Kiezers hebben een duidelijke
voorkeur voor méér publieke uitgaven,
maar hebben bezwaar tegen het verhogen
van belastingen. Om in de race te blijven,
moeten gekozen politici dergelijke senti-
menten binnen het electoraat ontzien. In
een democratie zullen politici dus
instemmen met begrotingstekorten –
waarbij de uitgaven ten opzichte van de
belastingopbrengst relatief toenemen –
maar zich verzetten tegen overschotten op de begroting, waarbij de belastingen
relatief stijgen ten opzichte van het
uitgavenniveau. Ten gevolge van deze
eenzijdige toepassing van de keynesiaan-
se receptuur, die rechtstreeks voortvloeit
uit de aard van het politieke besluitvor-
mingsproces, groeit de publieke sector
(te) snel in omvang en wordt de inflatie
aangewakkerd.
De laatste twee papers behandelen
mogelijkheden voor een ,,verantwoord”
begrotingsbeleid. Jesse Burkhead en
Charles Knerr beschrijven in hun nogal
optimistisch getoonzette bijdrage
(,,Congressional budget reform: new
decision structures”) de effecten van de
Congressional Budget Act van 1974.
William A. Niskanen (,,The prospect for
a liberal democracy”) bepleit een ingrij-
pende staatkundige hervorming, op
grond waarvan de staten meer greep zou-
den krijgen op de (uitgaven)politiek van
de federale regering.
Beide redacteuren constateren in hun
voorwoord zelf al dat er tijdens de con-
ferentie weinig instemming met hun cen-
trale hypothese viel te bespeuren. Zo
toont Stein aan dat de praktische bete-
kenis van de vurig met de mond beleden
balanced-budget doctrine in de Vere-
nigde Staten feitelijk betrekkelijk gering
was (blz. 42). Verder blijkt uit zijn
analyse dat de omvang van de (federale)
schuld in verhouding tot de ontvangsten
van de federale overheid en in verhou-
ding tot het BNP na de tweede wereld-
oorlog
niet
groter was dan na de’eerste
wereldoorlog en na de Amerikaanse
Burgeroorlog. Daarbij past overigens
de kanttekening dat ,,schuldaflossing”
door de na de tweede wereldoorlog opge-
treden inflatie deze verhoudingscijfers
flatteert.
Andere punten van kritiek waren:
– los van toepassing van keynesiaanse
begrotingspolitiek groeit de omvang
van de publieke sector en treedt
Boek
ieuws
James M. Buchanan en Richard E. Wagner: Fiscal responsibility in constitutional
democracy.
Martinus Nijhoff Social Sciences Division, Leiden! Boston, 1978,
192 blz., f.48,50.
379
(soms forse) inflatie op in met de
Verenigde Staten vergelij kbare geïn-
dustrialiseerde landen;
– niet het politieke besluitvormings-
proces maar veeleer de starre struc-
tuur van lonen en prijzen en de gerin-
ge mobiliteit van produktiefactoren
frustreren de effectiviteit van een op
keynesiaanse leest geschoeide begro-
tingspolitiek en stimuleren de infla-
tie;
– die starre verhoudingen worden in de
hand gewerkt doordat industrie en
vakbonden bij hun stellingname al
incalculeren dat de overheid een
langdurige en diepe recessie niet
zonder tegenmaatregelen zal accep-
teren.
Nog fundamenteler dan deze tegen-
werpingen is de kritiek waaraan de door
Buchanan en Wagner gehanteerde ,,pu-
blic choice”-benadering zèlf tijdens de
conferentie bloot stond: – is de bij kiezers veronderstelde kennis
aangaande economische problemen
Daar de economische literatuur heel
omvangrijk is, dient iedere wetenschap-
per op dit terrein in hoge mate selectief
te werk te gaan. Deze gedragswijze zou
er volgens de auteur toe hebben geleid,
dat de economist de gedachten, die hem
bevallen, verder draagt, maar stelsel-
matig negeert en verwaarloost wat hem
niet goed in de oren klinkt.
Uit gemakzucht zouden de econo-
misten lange tijd gedaan hebben alsof
Adam Smith de economische denk-
wereld zou hebben uitgevonden in 1776.
Deze conventie zou heel wat denkwerk
hebben uitgespaard voor de beoefenaren
van deze wetenschap. Later zou deze
grens gesteld aan lezen en leren zelfs zijn
verlegd naar 1871, mogeljks zelfs naar
1936. In dit verband wordt de medede-
ling van Hicks aangehaald, dat zijn be-
langstelling voor de geschiedenis van het
economisch denken niet verder reikt dan
1870.
Dit uitgangspunt maakt het Routh
mogelijk aandacht te schenken aan wat
Keynes heeft genoemd ,, preposterous
origins”, bronnen in de literatuur, die buiten de denkwereld van de gewone
economist zijn gevallen. Het gaat hier om het werk van Petty, Locke, North,
Vauban, Boisguillebert, Cantillon,
enkele fysiocraten en ten slotte Adam Smith. Het vlot te lezen betoog is hier
bezaaid met interessante citaten en aar-
dige anekdotes. Selectief als de econo-
mist schijnbaar is, kies ik hier de formu-
lering uit, waarmee Cantillon aL lang
voor Malthus zijn verhandeling over de
bevolkingsgroei samenvatte: ,,Men mul-
tiply like Mice in a barn if they have
ook maar bij benadering realistisch?
– zo ja, speelt het gevoerde/te voeren
economisch beleid dan de veronder-
stelde doorslaggevende rol bij de Po-
litieke plaatsbepaling van de kiezers?
– zo ja, waarom zouden kiezers dan
wel tekorten aanvaarden die tot in-
flatie (kunnen) leiden, maar geen
overschotten die de inflatie (kunnen)
beteugelen? Getuigt de impliciete
veronderstelling dat kiezers inflatie
een geringer kwaad vinden dan tijde-
lijke belastingverhoging van veel
werkelij kheidszin?
Vermakelijk is in dit verband het
koekje van eigen deeg, waarop
Bucharian en Wagner werden getrak-
teerd door Mancur Olson, die als discus-
siant optrad (blz. 114-115). Volgens de
klassieke opvatting drukt de staatsschuld
OP toekomstige generaties; rationele kie-
zers zullen geneigd zijn om de kosten van
huidige voorzieningen door leningfinan-
ciering naar de toekomst te verschuiven.
Moderne theorieen benadrukken dat bij
unlimited Means of Subsïstence”. (blz.
66)
Enkele opmerkingen over Adam
Smith. Hij wordt gezien als het eindpunt van de gedachtenontwikkeling, die loopt
via North en Cantillon. Eigenlijk zouden
er twee Smith’s zijn. De ene was de man,
die aantoonde, dat de regelzucht van de
overheid de ,,invisible hand” van de
marktwerking belemmerde om de mens-
heid te leiden op het pad, dat naar over-
vloed zou voeren. De tweede Smith was
daarentegen een empirist en een scep-
ticus. Die zou echter geheel zijn ver-
geten.
In de periode tot 1871, aldus de schrij-
ver, wordt de vrije marktwerking van
vraag en aanbod tot dogma verheven.
Beschreven wordt hoe de klassieken de
theorie verder ontwikkelen. Er komen
daarbij de bekende namen op het tapijt:
Malthus, Ricardo, Say, Nassau Senior
en J. S. Mill. Ook wordt aandacht ge-
schonken aan het dogmatische karakter
van de theorievorming; het is nodig, dat
de doctrine aanhang verwerft in de be-
volking. Dit zou de taak zijn van de zoge-
naamde ,,popularisers”: Mrs. Marcet,
aartsbisschop Whately en Miss Marti-
neau. Zij probeerden in gemakkelijk ver-
teerbare vorm de essentie van de econo-
mische gedachtenwereld door te geven
aan een breed publiek. Vooral Miss Mar-
tineau heeft grote invloed uitgeoefend
door een reeks heel knappe verhalen
over onderwerpen, die aanleiding gaven
de theorie toe te passen.
Ten aanzien van de klassieken is de
auteur geïnteresseerd in de wijze, waarop
zij een paradigma bouwen, waarin de
deficitaire financiering beslag wordt ge-
legd op thans alternatief aanwendbare
middelen. Nu ontbreekt een prikkel om
de staatsschuld op te voeren. Olson de-
monstreert met deze gedachtengang dat
leningen als financieringsinstrument
voor de overheid aan betekenis zullen
inboeten, wanneer rationele kiezers, die
de economische theorievorming volgen,
het voor het zeggen hebben. Deze con-clusie staat haaks op die van Buchanan
en Wagner en wordt bereikt door een
andere input van het ,,public choice”
–
model te selecteren.
Het blijkt oppassen met bepaalde
vormen van nieuwe politieke economie.
Sommige van haar beoefenaren ont-
komen kennelijk moeilijk aan de verlei-
ding om hun eigen preoccupaties te pro-
jecteren als centrale ,,issues” voor ratio-
nele kiezers. De waarde van dit boek is
niet in de laatste plaats dat lezers zich dat
nog eens scherp realiseren.
C.
A.
de Kam
algemene instorting van de economie
wordt uitgesloten. Hiermee snijden zij
zich voor goed af van de ideeën van b.v.
Boisguillebert, North en Mandeville, die
juist de instabiliteit van het marktsysteem
op de voorgrond plaatsten. Het is inte-
ressant te volgen hoe enkelen pogen te
ontsnappen aan deze inperking van de
theorie. Uiteindelijk blijft Malthus
binnen het bestaande paradigma werken.
Sismondi echter stelt zich op buiten deze
verzameling van theoretische construc-
ties en oefent felle kritiek uit op de stand-
punten van Ricardo en Say. Hoe belang-
wekkend en intelligent zijn ideeën ook
mogen zijn, door zijn positie als outsider zijn z’n gedachten niet beklijfd en is zijn
werk door het dunne ijs van de histo-
rische belangstelling gezakt.
In 1871 vond een ontwikkeling plaats,
die meestal wordt aangeduid als de mar-ginale revolutie. De grenzen van de eco-
nomische theorie werden nauwer getrok-
ken, de belangstelling ingeperkt, door-
dat werd afgerekend met de arbeids-
waardeleer. Hier wordt de redenering
gevolgd, dat de opkomst van de grens-
nutleer zou zijn te verklaren uit de toege-
nomen spanning tussen de sociale klas-
sen in die tijd. Het lijkt mij inderdaad
instructief theoretische benaderingen te
zien in samenhang met tijd en omstan-
digheden, waarin zij zijn ontstaan. Het
gaat mijn inziens echter te ver simpelweg
een reflectie van de werkelijkheid in de
theorievorming te veronderstellen en het
wordt al te dol te verklaren, dat de ge-
vestigde krachten van de bourgeoisie,
die het maatschappelijk bestel in gevaar
zien komen, theoretische prijsvechters
inhuren, die de echte, ware wetenschap-
pelijke activiteiten bemoeilijken.
Als centrale man bij de marginale
revolutie fungeert Jevons, omdat kriti-
sche gedachten op hem waarschijnlijk
Cuy Routh: The origin of economic ideas.
The MacMillan Press Ltd., paperback
editie, 1977, 311 blz., £ 3.95.
380
het meeste vat kunnen krijgen. Immers
Keynes schreef reeds ,,Jevons chiselled
in stone, where Marshall knits in wool”.
Verder komen ter sprake Menger, Wal-ras – de beschermheilige van de mathe-
matische economisten – Edgeworth,
Pareto en J. B. Clark. Bovendien wordt
enige aandacht gegeven aan discussies
over de volledig vrije mededinging aan het begin van de jaren dertig.
Routh neemt aan, dat de doctrine,
die hier is ontwikkeld, louter en alleen
een recept is voor ,,laissez-faire”. Hoe
kan binnen het ontstane paradigma, zo
vraagt hij zich af, de hedonistische basis
van de nutstheorie worden afgewezen, terwijl anderen gelijktijdig demonstre-
ren, dat de theorie van volledig vrije
mededinging een volkomen illusoir ka-
rakter heeft? Volgens hem is het para-
doxaal, dat de auteurs van de standaard-
tekstboeken eenvoudigweg de weerleg-
gende theorieën samenvoegen met de
weerlegde theorieën en zouden doen
voorkomen alsof zij gelijkelijk geldig
zouden zijn. En toen viel in de jaren dertig, schrijft
Routh, de kapitalistische machine stil,
terwijl in de handboeken stond geschre-
ven, dat het niet zou kunnen gebeuren.
Er ontstond grote verwarring, totdat
Keynes zijn
General theory
publiceerde.
Dit boek zou vol conflicterende uitspra-
ken
–
staan als gevolg van de omstandig-
heid, dat Keynes zijn waarnemingen van de reële wereld niet in overeenstemming
zou hebben gebracht met de theoretische
structuur, die hij poogde te ontvouwen.
De zwakte van Keynes zou overigens
gelegen zijn in een gebrek aan feiten.
Zijn benadering zou enkel en alleen be-
staan uit een logische deductie. Volgens
Routh is het een reddingspoging van de
bestaande kapitalistische structuren.
Keynes begint daarbij niet met een be-
schrijving van de verschijnselen in de
maatschappelijke realiteit. Nee, in tegen-
stelling daarmee zou hij zich afvragen
hoe de imaginaire wereld van de theorie
zou moeten worden geamendeerd om de
strijdigheid met de slechte gang van
zaken in werkelijkheid te verdoezelen.
Daarom zou het Keynes’ eigen schuld
zijn, dat hij naderhand volledig is inge-
kaderd door het bestaande raamwerk
van het bestaande, economische para-
digma.
Nodig is een alternatief paradigma,
dat volgens de schrijver een startpunt
moet hebben in de werkelijkheid. Het is
niet mogelijk in de studeerkamer met
deductieve logica de geheimen van ,,the
whole sweaty, hardworking, moneygrub-
bing capitalist world” te ontrafelen. Hij
geeft daarbij toe, dat, hoewel enkele mo-
gelijke aanzetten zijn te onderkennen,
het grote alternatief vooralsnog ont-
breekt.
Al met al is het een flitsend en infor
–
matief boek. geworden. Het gekozen uit-
gangspunt geeft gelegenheid om de ge-
schiedenis van het economisch denken
eens op een andere manier te benaderen.
De auteur levert ook steekhoudende
argumenten om het zo te doen. Jammer
is, dat hij de zaak overtrekt. Dat heeft
bij mij een teleurgesteld gevoel achter
–
gelaten. Routh heeft de ballon zo hard
opgeblazen, dat hij op ‘t eind is geklapt.
P. H. Admiraal
D. E. Moggridge: Keynes.
Heureka, Nieuwkoop, 1978, 202 blz., f. 22,50.
De terugkeer naar de jaren dertig
blijkt niet alleen te gelden voor mode-en
economische trends, maar ook nog voor
de economische theorie. De belangstel-
ling voor Keynes en de oorspronkelijke
keynesiaanse theorie (tegenover de neo-
keynesiaanse reconstructie) is in de
laatste tien jaren opmerkelijk herleefd.
Als een van de redacteuren van
The col-
lected writings
of
John Mat’nard Ket’nes
heeft Donald Moggridge belangrijk bij-
gedragen aan deze Keynes-revival. Van
zijn hand verscheen verder in 1976 het
boekje
Keynes,
dat in het Nederlands is
vertaald en hier nu wordt besproken.
Met een omvang van zo’n tweehonderd
bladzijden vult het boek het gat tussen de
lijvige biografie van Harrod en de korte
levensbeschrijvingen in artikelvorm
door oa. Austin Robinson en Schum-
peter.
Wat heeft Moggridge afgemeten aan
Roy Harrod’s
The /?fe
of
John Maj’nard
Keynes
(1951) te bieden, naast verkor-
ting en samenvatting? In ieder geval geen
nadere onthullingen over Keynes’ privé-leven. Het blijft bij de terloopse vermel-
ding van twee feiten die bij Harrod ken-
nelijk nog niet door de beugel konden:
Keynes’ homosexualiteit en het samen-wonen met Lydia Lopokova reeds vôér
hun huwelijk in 1925 1). Evenmin bevat
het boek een samenhangend overzicht
van de evolutie.van Keynes’analytische ideeën in de belangrijke ontwikkelings-
jaren tussen 1924 en 1937. Juist omdat
Moggridge zelfde vele .concepten, noti-
ties en brieven uit die periode heeft
geordend, zou men een dergelijke aan-
pak verwacht hebben 2).
De invalshoek van Moggridge is die
van de economische politiek. Hoe analy-
seerde en evalueerde Keynes de bestaan-
de economische situatie en welke oplos-
singen gaf hij aan? De keuze voor deze
benadering werpt vruchten af want
Keynes liet zich inderdaad kennen als ,,een overheidsambtenaar in buitenge-
wone dienst, die gebruik maakte van de
traditionele analytische methoden tot
die ontoereikend bleken en die vervol-
-gens nieuwe instrumenten ging scheppen om de gaten te vullen”.
Als inleiding tot en achtergrond voor
de beschrijving van Keynes’ levensloop
geeft hoofdstuk twee een rake portrette-
ring van Keynes’ denk- en werkwijze.
Keynes’ loopbaan wordt geschetst als
een ononderbroken kruistocht tegen de
domheid, vooral die van beleidvoerders.
Ik vond dit het meest oorspronkelijke en
tevens meest boeiende gedeelte van het
boek.
In de volgende hoofdstukken worden de fasen van Keynes’ loopbaan over het
voetlicht gebracht: zijn aanvankelijke
studie in de wiskunde, de eenjarige maar
succesvoîle studie in de economie bij
Marshall, de kortstondige loopbaan bij
het India Office, het lectoraat in de
economie te Cambridge, de werkzaam-
heden voor het Ministerie van Financiën
gedurende de eerste wereldoorlog, Key-
fles’ teleurstelling over het verloop en het
resultaat van de vredesonderhande-
lingen, uitlopend op de breuk met Finan-
ciën en het schrijven van
The economic
consequences
of
the peace,
een boek dat
hem in één slag mondiale bekendheid
verschafte; vervolgens na 1919 o.a. free-
lance journalist, speculant en deeltijd-
docent maar vooral onafhankelijk den-
ker die ongevraagd, maar in de loop van
de’ tijd steeds meer gevraagd, aan ge-
zagsdragers en de publieke opinie zijn adviezen voor het economische beleid
aanbood; gedurende de tweede wereld-oorlog opnieuw beleidsadviseur en on-
derhandelaar van het Ministerie van
Financiën, eindigend met een voortijdige
dood in 1946.
Verweven met deze levensbeschrijving
is het verhaal van Keynes’ reactie op het
tijdsgebeuren.
The economic consequen-
ces
of
the peace
(1919) betekende voor
Keynes tevens een breuk met de
Marshalliaanse, op de lange termijn ge-
richte, visie op de wereld als een ordelijk
stabiel systeem, waar men slechts had te
zorgen voor de juiste economische in-
stituties voor het realiseren van intern
en extern evenwicht, In A
tract on
monetar’ reform
(1923) kiest Keynes
voor een interventionistische benadering
van het monetaire beleid tegenover het
officiële beleid dat gericht was op her
–
stel van de gouden standaard met vaste
Zie voor de verschillende facetten van
Keynes’ persoonlijkheid en activiteiten Milo
Keynes (red.),
Essars on John Maunard
Keynes,
Cambridge, 1975.
Inmiddels is in deze leemte voorzien door
twee andere boeken: Don Patinkin,
Keynes’
monetart thoughi,
Durham, North Carolina,
1976 en A.
Nentjes,
Van Ket’nes tot Ketnes,
Groningen, 1977.
ESB 11/18-4-1979
381
wisselkoersen op het vooroorlogse peil.
Naast Moggridge’s enigszins impres-
sionistische uiteenzetting van het ana-
lytisch kader van A
trealise on moner
(1930)
krijgt de beleidsvisie de volle aan-
dacht. Na aanvankelijk in de jaren twin-
tig het accent te hebben gelegd op de
korte-termijninterestvoet als monetair
beleidsinstrument gaat Keynes rond
1930
en daarna steeds meer gewicht toe-
kennen aan de lange-termijninterest;
enerzijds als strategische variabele ter
beïnvloeding van de toekomstverwach-
tingen en daarmee de liquiditeitsvoor-
keur van beleggers, anderzijds als instru-
ment tot stimulering van de investe-
ringen. Keynes’ pleidooi voor openbare
werken rond
1930
moet volgens
Moggridge gezien worden als een op één
na beste oplossing. Een open economie
met een belangrijk internationaal kapi-
taalverkeer en relatief hoge geldlonen
bood te weinig perspectief voor een be-
langrijke verlaging van de lange-termijn-
interest. Nadat het Verenigd Koninkrijk
de gouden standaard had laten vallen
en was overgegaan op een zwevende wis-
selkoers kwamen er nieuwe mogelijkhe-
den en een aantal jaren lang hoorde men
Keynes dan ook niet meer spreken over
openbare werken. Eerst rond de vol-
tooiing van
The general iheorr
of
e,nploj’rnent, interest and nionei’ (1936),
Reproduction and fixed capital is
een
herschreven versie van de Nederlandse
dissertatie van de auteur:
Reproduktie
en vast kapitaal(1973).
Het reproduktie-
model wordt gekarakteriseerd door de
basisveronderstelling dat goederen met
behulp van goederen worden geprodu-
ceerd. Daarmede is het model tevens zeer
geschikt voor de beschrijving van het
begrip vast kapitaal. Het doel van dit
zuiver theoretische werk is tweeledig. In
de eerste plaats wordt een leemte in de
literatuur gevuld waaraan een systema-
tisch overzicht van de modellen met
enkelvoudige en verbonden reproduktie
ontbrak. Daarnaast levert de auteur
eigen bijdragen die de problemen betref-
fen die ontstaan bij de introductie van
ongelijke levensduur en ongelijke effi-
ciency van kapitaalgoederen.
In het overzicht van de verschillende
modellen met enkelvoudige en verbon-
den reproduktie speelt een belangrijke rol
het doordeauteurontwikkeldealgemene
reproduktiemodel, waarvan alle op blz.
XV – XVI vermelde modellen speciale
gevallen blijken te zijn. De modellen met
enkelvoudige en verbonden reproduktie
kunnen ook worden beschouwd als een
uitbreiding van Sraffa’s
Production
of
commodities by means
of
commodities
(1960).
Daarbij staan steeds drie vragen
centraal.
waarin uiting wordt gegeven aan
Keynes’ pessimistische verwachtingen
omtrent de economische groei, wordt dit
thema weer opgevat.
Het opéén na laatste en omvangrijkste
hoofdstuk is gewijd aan Keynes’ werk-
zaamheden als financieel-economisch
beleidsadviseur gedurende de oorlogsja-
ren, en aan de doorwerking van dc con-
cepties van de
General Theory op
het be-
leid in een economie met volledige bezet-
ting. Moggridge noemt het budget van
1941,
als eerste begroting waarin de pro-
blematiek en doeltreffendheid van be-
paalde maatregelen wordt geanalyseerd
binnen het brede kader van een macro-
economisch rekeningenstelsel..
Tegen het einde van de oorlog was
Keynes tot de verwachting gekomen dat
een tekort van de effectieve vraag zich
eerst zo’n
15
jaar na de vrede zou mani-
festeren. Voor de eerste naoorlogse jaren
zag hij het gevaar van een inliatoire
druk, een vraagstuk waarover hij in een
brief opmerkt: ,,Gewoon omdat men
geen oplossing kent is men ook geneigd
de ogen te sluiten voor het loonprobleem
in een economie met volledige werkgele-
genheid”. Toch zou, om voor de lange
termijn de juiste verwachtingen te schep-
pen, het handhaven van goedkoop geld
het doel moeten zijn. Hoewel het de
vraag is of Keynes met het feitelijk ge-
De eerste vraag is of in het model
evenwichtige groei denkbaar is, d.w.z.
of het stelsel in zuiver wiskundig opzicht
oplosbaar is. In ieder stelsel is er een
aantal vrijheidsgraden. Dit betekent dat,
aangezien het hier om deterministische
modellen gaat, de wijze van opsouperen
van die vrijheidsgraden van belang is.
Afhankelijk van het aantal vrijheids-
graden wordt het model aangevuld met
achtereenvolgens een numeraire, een
vraagrelatie waarbij de achterliggende
nutsfunctie van het Cobb-Douglas type
is, een gegeven groeivoet en tot slot de
veronderstelling dat de winstvoet gelijk
is aan de groeivoet zodat sprake is van
,,golden age”-groei. De tweede vraag is
of de evenwichtige groei ook bereikbaar
is, d.w.z. of de puur wiskundige oplos-
sing voldoet aan de randvoorwaarden,
die de economische wetenschap stelt, zo-
als positieve prijzen en hoeveelheden
enz. De derde vraag betreft de vraag
of evenwichtsprijzen al dan niet afhanke-lijk zijn van vraagfactoren c.q. van prefe-
renties van economische subjecten. Deze
vraag komt voort uit het befaamde Cam-
bridge( U K)-Cambridge(U S)-kapitaal-
debat. Immers, om de extreme aggrega-
tie van het neoklassieke Clark-Solow-
model te ontlopen, waar de inkomens-
verdeling louter afhankelijk is van het
aanbod van de produktiefactoren, heb-
voerde naoorlogse beleid zou hebben in-
gestemd, valt toch moeilijk te ontkennen
dat deze ideeën mede verantwoordelijk
zijn voor de tot
1950
gevoerde politiek
van goedkoop geld.
Verder wordt in dit hoofdstuk inge-
gaan op Keynes’ bemoeienis met de ex-
terne oorlogsfinanciering en de na-
oorlogse politiek betreffende de externe
economische relaties, met name het
internationale betalingsverkeer.
Moggridge is erin geslaagd een uiter-
mate leesbaar boek over de econoom
Keynes te schrijven zonder analytische
fijnzinnigheden waarin de theorie wordt
gerelateerd aan het beleid. Voor lezers
die economisch enigszins geschoold zijn,
biedt het een uitstekende introductie tot
de belangrijkste econoom van deze
eeuw, geschreven door een bij uitstek
deskundig auteur. Voor hen die zich
reeds door Harrod’s biografie hadden
gewerkt, zet het boek van Moggridge de ontwikkeling van Keynes’ beleidsopvat-
tingen nog eens helder op een rij. Met
uitzondering van een aantal inzichten in
hoofdstuk twee werpt het boek echter
geen nieuw licht op Keynes. Wie een in-
leiding of handleiding zoekt bij Keynes’
hoofdwerken kan eveneens beter bij an-
dere,studies terecht.
A.
Nentjes
bende z.g. neo-Ricardianen in navolging
van Sraffa hun toevlucht genomen tot
een geval waarin het niet-substitutie-
theorema geldigheid bezit: er is slechts
één produktiefactor (arbeid) en geen
verbonden produktie, zodat de prijzen
onafhankelijk zijn van vraagfactoren.
Het produktiemodel is zeer geschikt
als werkhypothese bij de beschrijving
van het begrip vast kapitaal. Daarbij
kan het begrip geaggregeerd kapitaal
buiten beschouwing worden gelaten,
aangezien slechts sprake is van speci-
fieke kapitaalgoederen. Oudere machi-
nes kunnen worden beschouwd als out-
put van het proces, waarin zij een rol
speelden als produktiemiddel. Ook de
introductie van een constructietijd van
meer dan één periode is eenvoudig. Hier
vinden we de tweede, eigen bijdrage van
Van Schaik: de introductie van een onge-
lijke gegeven technische levensduur van
kapitaalgoederen in het eenvoudige
Sraffa-model als aanloopje en, in hoofd-
stuk
4,
de introductie van een ongelijke
efficiency van verschillende jaarlagen
kapitaal in een variant van het Oosten-
rijkse reproduktiemodel. Deze ongelijke
efficiency kan tot uitdrukking komen in
een met de leeftijd dalende produkti-
viteit van de kapitaalgoederen, in hogere
bedrijfskosten (onderhoud enz.) of een
combinatie van beide. Tevens wordt de
mogelijkheid geopend de economische
levensduur endogeen te bepalen, mits de gegeven technische levensduur voldoen-
.de
hoog wordt gesteld. Het zij vermeld
dat het traditionele jaarklassenmodel
A. B. T. M. van Schaik: Reproduction and fixed capital.
Tilburg University Press,
1976, XVIII + 306
blz.
382
Dr. C. J. M. Koks: Investeringsplanning en technologische ontwikkeling.
Bedrijfseconomische monographieen, nr.
53,
H. E. Stenfert Kroese BV, Leiden, 1974.
kan worden gezien als een speciaal geval
van het algemene reproduktiemodel met
vast kapitaal en ongelijke efficiency
(appendix C). Bij dit alles dient te
worden bedacht dat steeds sprake is van
evenwichtige groei. Een uitzondering op
deze regel komt aan de orde in appendix
D, waarin wordt uiteengezet welke pro-
blemen zoal ontstaan, wanneer sprake is
van niet-evenwichtige groei.
Het boek van Van Schaik is een uit-
stekend boek, zowel waar het het over-
zicht van reproduktie en vast kapitaal,
als waar het de uitbreiding en verdieping
van de theorie der jaarklassen betreft.
Belangrijk daarbij is, dat niet alleen
de hoeveelheidstelsels, maar ook de
prijsstelsels zorgvuldig worden gepre-
senteerd en geanalyseerd. Het werk is
zonder meer een belangrijke aanwinst.
Dat geldt voor de in de onderhavige
materie niet-ingewijde, maar het is
ook van toepassing voor de ingewijde,
die zowel datgene wat her en der ver-
spreid in de literatuur staat, als de eigen
bijdragen van de auteur zelf netjes op een
rij gezet vindt.
Voor de niet-ingewijde is het spijtig
dat de auteur wat zuinig is met toe-
lichtingen van het hoe en waarom van
bepaalde veronderstellingen en de draag-
wijdte ervan. Vervelender is echter het ontbreken van zowel een zakenregister
als een personenregister, hetgeen het
terugzoeken in dit breed opgezette boek
niet eenvoudig maakt. Overigens valt dit
waarschijnlijk eerder de uitgever dan de
auteur te verwijten. Het boek is niet
eenvoudig: een gedegen kennis van de
lineaire algebra is zonder meer noodzake-
lijk, al lijkt de vraag gewettigd of deze
kennis zo langzamerhand niet dient te
behoren tot de basisuitrusting van de
economist.
Tot slot zij volledigheidshalve het on-
derhavige werk vergeleken met de oor-
spronkelijke dissertatie. Die vergelijking
leert dat de hoofdstukken 1 en 2 een vrij-
wel letterlijke vertaling zijn van de over-
eenkomstige hoofdstukken uit de disser-
tatie, terwijl de hoofdstukken 3 en 4,
soms in belangrijke mate, zijn herschre-
ven. Het laatste geldt ook voor de inlei-
ding en de conclusie, die bovendien zijn
samengevoegd tot een uitgebreide ,,ln-
troduction”. Ten slotte zijn twee nieuwe
appendices toegevoegd. Ten eerste ap-
pendix A: ,,Outline of the transforma-
tion problem”, die is bedoeld als een-
voudige niet-wiskundige inleiding tot het
eerste hoofdstuk. Ten tweede appendix
B, die een toepassing van de reproduktie-
gedachte op het gebied van de internatio-nale handel bevat. Deze laatste appendix
is een bewerking van een artikel van de
auteur, dat is verschenen na de disserta-tie, nI. De neo-Ricardiaanse theorie van
de internationale handel in vérbon-
den produktie, Maandschrft Economie,
1974, blz. 286-307.
A.S.W. de Vries
Wat betreft de publieke belangstelling
is Dr. Koks met zijn boek de tijd wat vooruit geweest. Op het moment van
verschijnen was de aandacht in veel be-
drijven gericht op de kostenproblema-
tiek die door de prijsexplosie op de
wereldgrondstoffenmarkten was ont-
staan en in veel gevallen tot een
heroriëntatie in het bedrijfsbeleid heeft
geleid. Nu wint de overtuiging veld dat
de oliecrisis van 1973 slechts een signaal
is geweest voor een versnelling in een
ontwikkelingsproces, dat tot een herver-
deling van de mondiale welvaart en
macht kan leiden. In deze gedachte
speelt de vraag naar de mate waarin de
thans hooggeïndustrialiseerde landen de verworven afzetmarkten kunnen behou-den een belangrijke rol. Dit verklaart de
aandacht voor de problematiek van de
technologische ontwikkeling, die welis-
waar niet als een panacee, maar toch wel
als één van de voorwaarden wordt
beschouwd om zich voor het volgende
decennium kansen te creëren. Tegen
deze achtergrond lijkt een hernieuwde
aandacht voor het werk van Koks
gewenst; een boek, waaraan sedert de
publikatie geen bespreking in dit blad is
gewijd.
Anders dan de titel aangeeft staat niet
de investeringsplanning centraal, maar de analyse en beoordeling van alterna-
tieve investeringsprojecten. Daarmee
wordt het boek geplaatst bij de literatuur
over bedrijfseconomische technologie. Immers, het biedt een instrumentarium
om een aantal overigens determinis-
tische voorwaarden de optimale inves-
teringsbeslissing aan te geven. In het
eerste deel van het boek komt de ver-
vangingsproblematiek aan de orde en
biedt de gepresenteerde modeloplossing
ruimte expliciet met de technologische
ontwikkeling rekening te houden. Dit
laatste overigens slechts voor zover deze
in mutaties in de aanschafwaarde van de
beste nieuwe machine in de exploitatie-
kosten van deze machine tot uitdrukking
kunnen worden gebracht. In deze situa-
tie wordt de dynamische programme-
ringstechniek toegepast om de optimale
vervangingsbeslissingen in de tijd vast te
stellen.
Het tweede deel houdt zich met de ca-
paciteitsbepaling bezig. Daarin worden
algemene regels afgeleid ten behoeve
van de besluitvorming met betrekking
tot de optimale capaciteit en het gewen-ste bouwtijdstip van de installatie die de
produkten moet voortbrengen. Deze
technologische exercitie vindt zijn hoog-
tepunt in een model, dat de simultane be-
paling van de bouw en de beëindiging
van installaties tot doel heeeft. Koks
stelt zich voor de modelresultaten een
plaats te geven in het geheel van de on-
dernemingsplanning, waarmee de gevol-
gen van de voorgenomen investeringen
voor de financiële situatie zichtbaar
worden.
De actuele aandacht voor de technolo-
gische ontwikkeling richt zich evenwel
sterk op de commerciële aspecten en op
de veranderingen in de processen, die
voor de besturing van produktie en afzet
noodzakelijk zijn. Hierop is Koks niet
vooruit gelopen, maar zijn modellen
bieden wel de mogelijkheid om de ge-
volgen van gemaakte veronderstellingen
op de financiële aspecten te onder-
zoeken. De technologische ontwikkeling
is daarmee een exogene variabele geble-
ven, hetgeen gezien de huidige belang-
stelling voor dit onderwerp moet worden
betreurd.
In theoretische zin draagt het boek
aan de bedrjfseconomie weinig bij. Het
hanteren van de netto contante waarde
als beslissingscriterium is niet opzien-
barend, terwijl de gekozen pragmatische
oplossing voor de bepaling van de ver-
mogenskostenvoet evenmin inspirerend
is. Niettemin zijn toepassingen van dyna-
mische programmering in dit gebied
uiterst zeldzaam, waarmee de studie van
Koks mag worden aangemerkt als een
verrijking van de bedrijfseconomische
technologie.
W. J. de Ridder
G.A.A.M. Boot, A.E. Bosscher, W.M.
Levelt-Overmans, H.C. de Groot,
J.H.J.M. van den Hout, D. Baars, L.
Lamers
(red.): Europees sociaal
verzekeringsrecht. Europese monogra-
fieën, Kluwer BV, Deventer, 1978, 330
blz., f. 46.
In het najaar van 1976 organiseerde
het Europa Instituut van de Universiteit
van Amsterdam een leergang ,,Europees
Sociaal Verzekeringsrecht”, gevolgd
door een tweede versie in het begin van
1977. Het bleek dat er in de praktijk een
grote behoefte bestaat aan informatie op
dit terrein. Om hieraan enigszins tege-
moet te komen is besloten om de inleidin-
gen in boekvorm te publiceren.
Rüdiger Robert: Die unabhangigkeit der
Bundesbank.
Athenaum Verlag, Kron-
berg, 1978, 165 blz., f. 38,40.
In het algemeen wordt de onafhanke-
lijkheid van de Duitse Bundesbank als
onaantastbaar gezien. Sommigen zijn
echter van mening dat een verminde-
ring van de onafhankelijkheid een ver-
betering van de ,,institutionele infra-
structuur” zal betekenen. Rüdiger
Robert gaat op deze tegenstelling in. Hij
pleit voor een ,,warnfunktionbeschrank-
ten Unabhngigkeit”.
ESB 11/18-4-1979
383
Stichting het Nederlands Economisch
‘Instituut
Het NEI stelt zich tendoel door sociaal-economisch onderzoek wetenschappelijk verantwoorde en in de praktijk uitvoerbare
oplossingen te vinden vor vraagstukken waarmee bedrijfsleven, overheid en maatschappelijke instituties in binnen-en buitenland
worden geconfronteerd.
De afdeling Maatschappelijk Economisch Onderzoek is in het bijzonder belast met het analyseren van macro-economische en
sectoriële ontwikkelingen, buitenlandse handel, sociale voorzieningen, het inkomens- en consumentenvraagstuk en meer in het
algemeen van een aantal maatschappelijk-economische problemen.
Binnen deze afdeling is plaats voor een pas afgestudeerd of binnenkort afstuderende
macro-economisch onderzoeker
(ster)
Van sollicitanten wordt verwacht, dat zij in het bijzonder kennis hebben van:
– theoretische economie,
– conjunctuurleer en economische politiek.
Kennis van de leer van de internationale economische betrekkingen en empirisch econometrisch onderzoek strekken daarnaast
tot aanbeveling.
Een psychologische test maakt deel uit van de selectieprocedure.
Voor sollicitaties dient een volledig curticulum vitae te worden gezonden aan Drs. P. J. Montagne, algemeen secretaris van het NEt, Burgemeester Oudiaan 50, 3062
Pk
Rotterdam. Nadere inlichtingen over deze vacature zijn te verkrijgen bij Drs. B. van
Holst (010) 14 5511 – toestel 3751).
VERENIGING DE NEDERLANDSE
DAGBLADPERS (NDP)
De NDP, de uitgeversorganisatie waarvan nagenoeg
alle Nederlandse dagbladen lid zijn, zoekt wegens
aanvaarding door de huidige functionaris van een
functie elders in het dagbladbedrijf, een
ECONOOM
Deze zal worden belast met de economische en
commerciële- beleidsvoorbereiding en -uitvoering
ten behoeve van de vereniging. Tot zijn taak behoort
tevens het adviseren van de dagbladen, alsmede het
voeren van het secretariaat van diverse commissies en algemene secretariaatswerkzaamheden.
Voor deze veelzijdige en verantwoordelijke functie wordt gedacht aan een bedrijfseconoom van acade-
misch of vergelijkbaar niveau, die tevens moet be-
schikken over een goed commercieel inzicht, repre-
sentatieve en stilistische kwaliteitenen een analy-
tisch vermogen. Enige -jaren praktische ervaring zijn
voor deze..functie noodzakelijk.
Afhankelijk van leeftijd en ervaring bedraagt het
salaris t
335.0.,—
tot t
4650,—
per maand, met een
mogelijkheid tot verdere uitloop in de toekomst, als-
mede 8% vakantietoeslag en 2% kerstgratificatie.
Goede pensioenvoorziening.
Met de hand geschreven sollicitaties, voorzien van
een curriculum vitae, kunnen worden gericht aan
de algemeen secretaris, drs. K. J. van der Zande,
onder vermelding ,,Persoonlijk”..
Vereniging De Nederlandse Dagbladpers NDP
Postbus
50570, 1007
DB Amsterdam, tel. (020)
76 33 66′.
384