Ga direct naar de content

Jrg. 62, editie 3089

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 2 1977

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

2 FEBRUARI 1977

esbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

62eJAARGANG

INSTITUUT

No. 3089

Macro-economische vraagtekens

De brieven van de ministers Lubbers en Boersma over
resp. de wijzigingen in de macro-economische ramingen en

de meevallende opbrengst van sociale premies hebben het
loonoverleg bepaald niet bevorderd. Het tegendeel is waar:

werknemers verwijten de werkgevers
zich
vorig jaar niet aan

de loonmaatregel te hebben gehouden. Het is mij niet be-

kend wat met beide brieven werd beoogd. M.i. hadden ze
beter achterwege kunnen blijven, te meer daar minister

Lubbers schrijft: ,,Een compleet en kwantitatief uitgewerkt
beeld van de noodzakelijke bijstellingen van de in de
MEI’

gepresenteerde ramingen is nog niet beschikbaar. Wel is het

mogelijk in kwalitatieve zin globaal aan te geven, welke
wijzigingen zich thans aftekenen in het te verwachten eco-

nomische beeld”. M .a.w., Lubbers weet nog niet hoe dat beeld

eruit zal zien, maar het
zou
eventueel weleens anders kunnen

zijn dan de
MEV 1977
voorspelt. Mijns inziens zijn dit geen

fundamenten waarop je een goed economisch beleid kunt
bouwen. Overigens is het geen nieuws dat de
MEV
waar-
schijnlijk te optimistisch is. De
Economic Out/ook
van de

OECD, die ruim een maand geleden verscheen, toonde dit

reeds met cijfertjes aan. Het vervelende daarbij is echter dat
de OECD-gegevens niet geheel vergelijkbaar zijn met die van het CPB. Nog vervelender is het feit dat die gegevens

zonder veel commentaar van de thans strijdende partijen voor

kennisgeving zijn aangenomen; ze waren toen niet relevant
omdat de loonstrijd nog moest beginnen.
Zoals zo vaak met economische analyses gebeurt, ook al
worden ze met veel voorbehoud gepresenteerd, kregen de

enige twee kwantitatieve gegevens uit Lubbers’ brief de

meeste aandacht: de appreciatie van de gulden en de inciden-
tele looncomponent. Wat die appreciatie betreft, schreef

Lubbers:
,,Jndien
vanaf nu geen verdere wijzigingen in de
wisselkoersverhoudingen zouden optreden, zou de gulden
in 1977 ten opzichte van 1976
met 5 ô 6%
appreciëren”

(curs., L.H.). De
MEV
veronderstelde geen appreciatie. De

geciteerde zin maakt duidelijk dat de werkelijke appreciatie
best anders kan uitvallen. Mocht dat echter niet zo zijn, dan
zijn twee commentaren mogelijk. Het beste commentaar, dat
ik nog nergens heb gelezen, luidt, dat het vertrouwen van het

buitenland in de Nederlandse economie toeneemt. Lubbers

had er goed aan gedaan, dit te benadrukken. Een ander
commentaar werd veel vaker gehoord: ,,De appreciatie van

de gulden heeft een remmend effect op de ontwikkeling van
onze export”. Ook Lubbers schrijft dat. Dit is een waarheid

als een koe. Laten wij ons als voorbeeld een bedrijf voorstel-
len, dat met succes produceert. Dat succes blijkt uit een toe-

nemende vraag naar produkten van dat bedrijf. Als gevolg

daarvan zal het bedrijf cet. par. de prijs verhogen. Dat heeft
uiteraard een remmend effect op zijn afzet, maar niemand
zal dat als bezwaar zien. Het remmende effect van de appre-
ciatie van de gulden op de export is overigens moeilijk be-paalbaar en zou best eens mee kunnen vallen aangezien de

invoerprijzen (ook van de goederen die na be- of verwerking

voor export dienen) erdoor dalen.

Vervolgens het hoger uitvallende incidentele loon. Minister

Lubbers schrijft dat er zich een ,,incidentele locincomponent
aftekent die 1 â 1,5% hoger
zou
kunnen zijn
dan waarvan
tot nu toe werd uitgegaan” (curs., L.H.). Helemaal zeker is
deze voorspelling dus nog niet. Laten we ervan uitgaan dat ze

wel zeker is. In dat geval had de minister moeten aangeven

waarom de incidentele loonstijging hoger is dan verwacht. Er had dan mogelijk kunnen worden voorkomen dat werk-

gevers en werknemers een oneigenljkelement mde loonstrijd brachten. Het hogere incidentele loon kan verschillende oor-
zaken hebben waarvan ik er twee belangrijke noem. Deeerste

oorzaak, die vooral door de vakbeweging wordt genoemd,
is dat werkgevers de loonmaatregel ontdoken en via het toe-
kennen van extra periodieken vooral de hoge-inkomens-

trekkers een aardig douceurtje gaven. Hier zal wel een kern
van waarheid inzitten, maar de vakbeweging overdrijft. Ten
eerste omdat incidenteel loon meer omvat dan promotie van

hoger personeel; er vallen ook allerlei toeslagen onder die

naar het lager personeel gaan. Ten tweede is het Nederlandse
loongebouw zeer bouwvallig. Dat komt o.a. omdat de in de

diverse cao’s overeengekomen loonstijgingen weinig diffe-

rentiatie vertonen; ze komen neer op een voor iedereen gel-
dende loonronde. Dat is nadelig voor zwakke bedrijven. De

loonmaatregel ondersteunde de zwakke bedrijven. De sterke
bedrijven konden echter meer betalen en gingen daartoe
zeker over.

De tweede oorzaak van het incidentele loon is van geheel
andere aard. De overeengekomen of door de loonmaatregel

voorgeschreven loonstijging heeft betrekking op loonschalen

en niet op de aan individuele werknemers uit te betalen lonen.
Werknemers veranderen van loonschaal niet alleen door pro-
motie, maar ook doordat ze van werkkring veranderen. Er verdwijnen bedrijven en er ontstaan bedrijven. Bovendien

treden er jonge werknemers in het arbeidsproces en ver-
dwijnen er oiide. Kortom, er treden structuurveranderingen
op die de stijging van de loonsom doen afwijken van die der loonschalen 1). Een hoog incidenteel loon zou kunnen bete-

kenen dat het CPB in onvoldoende mate de structuur-
veranderingen in zijn berekening betrekt. In dat geval mag

werkgevers niets worden verweten; de afwijkingen in de
ramingen berusten op rekenfouten.

Het zal duidelijk zijn dat de brief van Lubbers nogal wat
vraagtekens oproept. Zoals hiervcicir reeds is gezegd, had hij
er beter mee kunnen wachten totdat nieuwe ramingen met
een voldoende zekerheid bekend zijn. Het over drie maanden

te verschijnen
Centraal Economisch Plan
zal ons nader infor-

meren, al zal het door de gebrekkige bedrijfstaksgewijze

analyse waarschijnlijk geen uitsluitsel geven over de oor-

zaken van de incidentele looncomponent.

L. Hoffman

1) Een verhelderend artikeltje over dit onderwerp schreef Prof. Dr.
W. J. van de Woestijne in het
Economisch Dagblad
van 22124
januari jI.

97

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Inhoud

ESb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. Hoffman:

Macro-economische vraagtekens …………………………..

97

Column

Nogmaals werkloosheidsuitkeringen,
door Drs. W. Siddré ………

99

Drs. S. G. A. Kaatee en Drs. J.
A.
Pennink:

Valt het monetarisme in de prijzen’) ………………………..

loo

Prof Ir. J. Volmul/er.’

De civiel- (planologisch-)ingenieur en de (ruimtelijk-)econoom ……

104

Prof Dr. W.
A. A.
M. de Roos:

Consumentenbeleid. De consument soeverein of hulpeloos? (IV) …..

108

Au Courant

Op weg naar het werkgeversparadijs,
door A. F. van Zweeden …..

112

Europa-bladwijzer

Aspecten van de uiteenlopende economische ontwikkeling,
door Drs. E.

A. Mangé

……………………………………………113

Toets op taak

Cultuur, beleidsanalyse en decentralisatie,
door 1.),. J. D. Hi/fi’rink .

117

Boekennieuws

Prof. Dr. H. J. van der Schroeff: Kosten en kostprijs,
door Drs. C. Hor-

den
…………………………………………………
119

Dr. A. J. H. Enthoven Accountancy and economic development policy,

door Drs. P. Terhal

……………………………………
120

A. Madansky: Foundations of econometrics,
door Drs. H. K. van Dijk
121

In deze tijd van het jaar kan het nogal eens glad zijn.

Met
ESB
glijdt u niet uit.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten

NAAM…………………………………………………….

STRAAT’

………………………………………………….

PLAATS’

…………………………………………………..

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)’ ………………………

Ingangsdatum’

………………………………………………

Ongefrankeerd opzenden
aan*:
ESB,
Antwoordnummer 2524
ROTTERDAM

Handtekening:

*Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. In’e,na. L. H. Klaassen, H. W. Lam hers.
P. J. Moniagne, J. H. P. Paelinck.
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hoffman.
Adjunct-redacteur-secretaris:
L. van der Geest.

Adres:
Burgemeëstc’r Oud/aan 50.
Rouerdam-3016: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 1455 II, toestel 3701.
Bij adrestvijziging s.v.p.steeclsaclreshanclie
meesturen.

Kopij voor de
redactie:
in ,t’eevoud,
ge, i. dubbele regc’lafciancl, brede marge.

Abonnementsprijs:/t
130,— per kalenderjaar
(‘mcl.
4% BTW): studenten
f
88,40
(‘mc’!.
4% BTW), franco per pos! voor
Nederland. België. Lu.remhurg, overzeese
rijksdelen (zeepost).

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van slortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 s’an
Bank Mees & Hope NV. Coolsingel 93.
Rotterdam, t. n. v. Economisch Statistische
Berichten te Rotterdam.
Losse nummers:
Prijs vati dit nunimerf: 3.-
‘incl. 4% BTW en poriokosten).
Beviel/in gen van losse nummers
uitsluitend t/oor o t’er,naking ton de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t. n. t’. Economisch Statistische Berichten
ie Rotterdam mc’t vc’rn;elcling
van datum en nu,,:mer van hei gewenste
exemplriar.
Abonnementen kunnen ingaan
0/)
elke
gewenste rlatum, ,naar dec/ns oorden
beëindir,’d per e,lti,no m’a,i een kalenderjaar.

Advertentieverkoop:
Rr..elanis/ EPR
Postbus 7021
Den Haag
Telefoon (070) 23 41 03
Telex 33’101

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Roiterdam-3016: tel. (010) 14 55 II.

Onderzoekafdelingen:

A
rheidsmark tonderzoek

Balanced International Growth

Bedrijf’s- Economisch Onderzoek

Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronen

Macro- Economisch Onderzoek

Pro jecistudies Om o’ikkelingslanden

Regionaal Onderzoek

Statistisch- Mat heni atisch Onderzoek

Transport- Economisch Onderzoek

98

W. Siddré

Nogmaals

werkloosheids-

uitkeringen

De eerste les die Hirshleifer 1) zijn le-

zers voorhoudt, luidt: ,,there is an eco-

nomic system”. Er bestaan economische

,,wetten”. Becker 2) noemt de ,,wet” van

de dalende vraagcurve ,,the most fun-

damental finding in economics”. Deze

wet geldt voor linkse en rechtse kringen.

Als ceteris paribus de abonnements-

prijs van een links weekblad stijgt, voor-

spelt de economist dat er minder abonne-

menten verkocht zullen worden. Als

ceteris paribus de prijs van Vrije tijd

daalt, dan voorspelt de economist dat

men meer Vrije tijd zal gaan genieten.

Dat zijn rationele reacties. Zij zijn poli-
tiek gezien niet laakbaar.

Kunnen wij op voorhand- iets zeggen

over de invloed van werkloosheids- en

wachtgeld-uitkeringen op de bereidheid
tot werken? Meer specifiek, geldt dehy-

pothese: hogere uitkeringen hebben bij

overigens gelijkblijvende omstandig-

heden een negatief effect op de bereid-

heid tot het aanvaarden Van (nieuw)

werk? Of, enigszins anders geformuleerd,

hebben hogere uitkeringen een positieve

invloed op de duur van de werkloosheid?

Wordt immers door uitkeringen Vrije

tijd niet goedkoper? Is ook hier niet

sprake van Beckers ,,fundamental

finding”?

Hoe toets je deze beweringen? Het

betreft natuurlijk geclausuleerde hypo-

thesen. Steeds werd er gewag gemaakt

van ,,ceteris paribus”. Overige om-

standigheden mogen niet veranderen.

Toetsing zal derhalve moeten plaats-

vinden onder deze restricties. Dat zijn

de z.g. ,,maintained hypotheses”. Het is

een moeilijke procedure in een niet-

experimentele wetenschap, maar daar-

om nog niet bij voorbaat onmogelijk.

Het spreekt vanzelf dat, als aangetoond

kan worden dat de overige omstandig-

heden wel veranderen, dat dan de im-

plicaties van de hypothese niet meer

zichtbaar behoeven te zijn. Het al of niet

waar zijn van de hypothese zelf is onaf

hankelijk van die overige omstandig-

heden 3).
Serieus onderzoek 4), opgezet voor be-

leidsdoeleinden, is o.a. gaande op het In-

stituut voor Sociaal-Wetenschappelijk
Onderzoek, IVA-Tilburg. Een tweetal

in het oog lopende proposities kwamen

wij tegen in de IVA-rapporten. Uit deel 1,

bladzijde 26, citeren wij: ,,Als het om de

werkloosheidsduur gaat, dan zal de uit-

kering daar zeker een ongunstig effect

op hebben”. Helaas hebben wij in de

genoemde publikaties geen verdere

empirische onderbouwing van deze be-

wering gevonden. Zo troffen wij geen

cijfers aan over de relatie tussen de vol-

tooide duur van de werkloosheid en de

hoogte van de uitkeringen. Overigens

mag hier nog wel eens opgemerkt wor-

den, dat als deze bewering algemeen

geldig zou zijn, ook de maatschappe-

lijke baten van dit langer zoeken naar

werk niet veronachtzaamd mogen wor-

den. immers, het kan leiden tot een

betere allocatie op de arbeidsmarkt, zo-

als ook het IVA onderschrijft. De tweede

bewering die in de
Nota Langdurig

Werklozen
(blz. 41) wordt herhaald,

betreft de kans op misbruik van uitke-

ringen. in het IVA-rapport wordt ge-
steld dat, waar noch financiële, noch

niet-financiële nadelen van werkloos-

heid ervaren worden, de percentages

actieve zoekers en (her)intreders gering

zijn. Slechts bij deze groep zou er een

grotere kans op misbruik kunnen be-

staan.

Alleen het feit dat voor slechts 1/
2
%

van de onderzoekpopulatie de omstan-

digheden gunstig zouden zijn voor de

hypothese helpt ons niet veel verder.

Juist de in deze ,,column” reeds eerder

genoemde overige omstandigheden,

m.a.w. de noodzakelijke clausuleringen,

ontbreken. Wie zijn die 1 ½%? Zijn het

jeugdige werklozen? Zijn het kostwin-

ners? Zijn het minder geschikten? Hoe

lang zijn zij op het moment van waar-

nemen al werkloos (geweest)? Deze ge-

gevens zijn onontbeerlijk om iets over

de invloed van financiële prikkels op de

bereidheid tot aanvaarden van werk te

kunnen beweren. Die 1 ½% an sich be-

tekent niet veel. Je zou daarentegen met
individuele data voor zo homogeen mo-

gelijke groepen werklozen, waarbij de

overige omstandigheden zo goed moge-

lijk in de hand worden gehouden, de
hypothese moeten toetsen. De hypo-

these kan dan verworpen worden of

voorlopig blijven gelden, als er niet vol-

doende conflicterende evidentie bestaat.

Als de hypothese verworpen zou worden

dan moeten wij wat afdingen op Beckers

generaliserende bewering. Als de hypo-

these, voorlopig tenminste, gehandhaafd

blijft, dan zal zeker voor de beleidsvor-

ming in deze nog veel aandacht besteed

moeten worden aan de invloeden van

de niet-financiële prikkels op de bereid-

heid tot werken. Sociaal-psychologen,

sociologen e.a. moeten dan onze ,,main-

tained hypotheses” toetsen. Het econo-

mische systeem waarover wij eerder

spraken, werkt niet in het luchtledige.

i1tL

J. Hirshleifer,
Price theory and applica-.
lions, 1976,
blz. f3.
G.
S. Becker,
Economic theory, 1971,
blz.
77.
Zie echter N. H. Douben,
ESB,
8december
1976.
Onderzoek onder Werklozen,
deel 1 en 2, september
1976;
zie ook
Nota Langdurig
Werklozen,
Ministerie van Sociale Zaken,
november
1976.

ESB2-2-l977

99

Valt het monetarisme in d e pr*@zen?

DRS. S. G. A. KAATEE

DRS. J. A. PENNINK

Het monelarisme slaat uitvoerig in de belang-

stelling. De auteurs van dit artikel zijn van me-

ning dat de vooronderstellin gen, die de moneta-

risten hanteren niet actueel zijn. Zij maken dii

duidelij
••kmet behulp. van een literatuursiudie

en een empirische toetsing. Deze toetsing bestaat

uit een principale-componenienanalyse, toege-

past op de groeivoeien van drie monetaire en drie

reële variabelen. De auteurs, werkzaam op het

Ministerie van Financiën, schreven dit artikel

â titre personnel.

And now my dear Malihus, t have done. Like other disputanis,
after much discussion, we each retain our own opinions”.

D. Ricardo ‘briefwisseIing 1823)

1. Inleiding

De opleving van de belangstelling voor monetaire ver

schijnselen in de recente economische literatuur zal door

degenen, die het Nederlandse economische onderzoek een
goed hart toedragen, alleen maar worden toegejuicht. Als

het inderdaad zo is dat ,,inflation can only occur in a mo-
ney-using economy” 1), dan is het uitermate belangrijk om vast te stellen op welke wijze het geidgebruik doorwerkt in

de reële sfeer. De laatste tijd werden echter een aantal op-
merkingen gemaakt, waaraan men de monetaristische in-
slag niet kan ontzeggen en die naar het ons voorkomt met

te grote stelligheid werden geuit. Wij hebben ons afge-
vraagd of daarmee het belang van de monetaire analyse
wordt gediend.
Voorbeelden van deze hardere en ongenuanceerde stel-
lingneming vinden we in de recente artikelen van Prof. Kor-

teweg en van Drs. Bomhoff en Drs. Ooms in
ESB.
Van

Prof. Korteweg, die onze waardering verdient voor de vele

moeite, die hij zich altijd getroost om zijn mening empirisch

te onderbouwen, is het volgende citaat:

,,Voortdurende en algemene prijsstijging kan slechts bestaan, in-
dien de geldgroei voortdurend uitgaat boven de trendmatige groei
van de reële produktie. Daaruit is een norm af te leiden voor het
monetaire beleid waarvoor ondergetekende, en niet alleen hij, reeds
jaren pleit, namelijk dat de geldhoeveelheid zodanig moet worden
beheerst dat de groei ervan overeenkomt met de trendgroei van de reële produktie. In dat geval wordt geen armslag verschaft voor al-gemene en voortdurende prijsstijgingen”
2).

Bij een geldvoorziening die op een dergelijke nauwe leest
is geschoeid, zal de volumè-ontwikkeling bekneld raken,
met name in tijden van prijsstijgingen op de voor Neder-

land van belang zijnde importmarkten. Aan deze conse-

quenties wordt door Korteweg kennelijk niet zo zwaar ge-
tild, omdat het hier slechts aanpassingsproblemen betreffen,

die ruimschoots opwegen tegen de geneugten van een toe-

komstige prijsstabiliteit.

Aan De Nederlandsche Bank, die volgens hem kennelijk
niet ver genoeg gaat, geeft hij de welgemeende raad: ,,De

Bank moet (. . . .) haar angst overwinnen datde (. . . .) ge
suggereerde monetaire politiek de in gang komende eco-

nomische opleving in de kiem zou kunnen smoren” 3), terwijl

Bomhoff en Ooms het op prijs zouden stellen
.
…………..

wanneer het Planbureau eens zou motiveren waarom het de

zo succesvolle monetaire theorie van de inflatie niet han-

teert” 4).
In het navolgende zal worden ingegaan op de vraag of de
groei van de geidhoeveelheid ,,de meest dominante impuls

op de infiatievoet” is, zoals door Brunner en Meltzer en
door Korteweg en een aantal van zijn medewerkers wordt

beweerd 5).

2. De monetaristische theorie

De discussie over de aard en de oorzaken van de inflatie
is onderdeel van een verderstrekkende controverse over de
relaties tussen de geld- en de goederensfeer. Van belang is
de vraag naar de causale relatie tussen beide. De moneta-
risten stellen dat in overwegende mate monetaire groothe-

den – en dan vooral de groei van de geldhoeveelheid – het
reële economische proces verklaren, en ook de algemene

prijsstijgingen. Om de inflatie te bestrijden, dient dus in de

eerste plaats de groei van de geldhoeveelheid beperkt te

worden. Vandaar hun aanhoudende pleidooi voor een re-
strictieve monetaire politiek 6), die dient te bestaan uit het

handhaven van de ,,vaste geldgroeiregel”: de groei van de ii-

quiditeitenmassa gelijk aan de trendmatige groei van de

reële produktie. Alleen dan wordt er monetair slechts
ruimte geschapen voor de financiering van additionele reële

produktie.
Nu hebben monetaristen uit de Chicago-traditie zich in
het verleden nooit zo ongeclausuleerd uitgelaten, ook al

G. A. Kessler, lnflation and its impact on society,
De Econo-
mist. 1975,
nr.
4,
blz.
507.
In dit inflatie-nummer van
De Economisi
staan voorts belangwek-
kende bijdragen’van Dr. Zijlstra en Prof. Dr. Korteweg.
Prof. Dr. P. Korteweg, Inflatie, stagnatie en het budgettaire en
monetaire beleid,
ESB, 19
mei
1976,
blz.
477.
T.a.p. blz.
480/481.
Drs. E. J. Bomhoff en
drs:
J. Ooms, Een Naïef-Monetair model
van de Nederlandse economie,
ESB, 23
juni
1976,
blz.
593.
Volgens hen ,,zien Brunner en Meltzer.de groeivoet van de geld-
hoeveelheid als de meest dominante impuls op de infiatievoet.
Zie P. D. van Loo, Een inleiding tot de Brunner-Meltzer analyse
van de macro-economie,
Maandschrifi Economie,
februari
1976,
blz.
268.
Prof. Dr. P. Korteweg, Activisme of autonomie in de monetaire
politiek?,
ESB, 26
mei
1976,
blz.
500.

100

omdat binnen deze traditie hierover geen volledige overeen-
stemming bestond. Als Milton Friedman de functie van het

geld definieert door: ,,More broadly as a temporary abode

of purchasing power”, verwijst hij daarmee naar de effecten
in de reële sfeer (bestedingen, prijspeil) die door het geidge-

bruik worden opgeroepen 7). Al in het prille begin (1946)
laat zijn genoot uit het eerste uur, Lloyd Mints, weten:

,,Much hoarding would simply require a larger addition to
the stock of money” 8), hetgeen toch een minder actieve wer-
king van het geldgebruik veronderstelt.

Sinds Friedman de hardnekkige samenhang tussen geld-
hoeveelheid (M) en nationaal inkomen (Y) constateerde,

heeft hij deze willen interpreteren als Y = f (M) . . .) en niet

als M = f (Y … ) 9). Deze relatie Y = f (M … ) is onder-
werp van onderzoek geweest in de Verenigde Staten en in

Nederland. In beide gevallen is een schatting gemaakt van

deze zogenaamde ,,St. Louis-vergelijking” die een verband

tussen geidhoeveelheid en nominaal nationaal inkomen

aangeeft. De resultaten van de uitgevoerde regressie-analyse

waren echter onbevredigend 10), hetgeen de kritiek op de

stelling dat de geconstateerde relatie tussen geidhoeveelheid
en nationaal inkomen een causale zou zijn, nog verscherpt.
Monetaristen als Brunner, Meitzer en Korteweg zijn de
simpele theorie van Friedman c.s. niet toegedaan. Zij heb-
ben de relaties tussen reële en financiële sfeer nader uitge-

werkt in een meer uigebreid theoretisch model. Zij achten
hun model sterk prijstheoretisch getint; de dominerende

verklarende variabelen zijn prijzen, interestvoeten, rende-

menten; de mutaties in de te verklaren reële grootheden vol-
trekken zich door de werking van het prijsmechanisme dat

is gèbaseerd op de verhoudingen tussen absolute prijzen. Zij

onderscheiden vijf markten – die voor lopende produktie,
geld, krediet, aandelen en arbeid – waarop als partijen ope-
reren: de overheid, de centrale bank, het bankwezen, het

buitenland, en de particuliere binnenlandse economische

subjecten (het publiek). Op de consistentie en eigenschap-pen van het model zal hier niet worden ingegaan II). Voor

het doel van dit artikel zijn de vooronderstellingen die er-
aan ten grondslag liggen van belang, omdat daaruit blijkt in

welke denkwereld monetaristen leven. Twee uitgangspunten
vallen dan op: de stabiliteit van de particuliere sector en
de prijsdefinitie 12).

3. Uitgangspunten voor de monetaristische theorie

Een onmisbaar postulaat is dat de particuliere sector, an-ders dan de overheid en het buitenland, de enige stabiele is

in een economie. Als moet worden aangegeven waarin deze

stabiliteit zich voordoet, dan is dit in de verhouding

stroomgrootheid-voorraadgrootheid, met name Y en M.
Het aanwijzen van een stabiele sector kan voortkomen uit
twee overwegingen. Men heeft er behoefte aan om een soort
van buffer in het model in te bouwen, ten einde verstoringen
die optreden als vanzelf te kunnen toeschrjven aan de twee
overige sectoren overheid en buitenland, wier gedrag veel

autonomer is en daardoor moeilijker te vatten. Of deze sta-
biliteit is inderdaad aanwezig en empirisch aantoonbaar.
Hoe minder dit laatste het geval is, hoe meer de schijn van
een puur analytische ingreep zich opdringt. De pogingen
om de principiële stabiliteit van de particuliere sector aan te

tonen, zijn nogal schriel uitgevallen, en resulteren voorna-
melijk in de gebruikelijke ficties als: een zich rationeel ge-
dragend publiek, dat volledig toegang heeft tot alle infor-
matie die nodig en beschikbaar is voor het hanteren van
het model van de economie, dat bovendien is gebaseerd op de
werking van een vrij marktmechanisme 13).

Nu is het ongetwijfeld een uiterst moeilijke, zo niet on-
mogelijke opgave om aannemelijk te maken dat enige sec-
tor in een moderne volkshuishouding, waarvoor de verwe-

venheid van interacties tussen overheid en ,,het publiek” zo

kenmerkend is, de drager zou zijn van een stabiele ontwik-

keling. Zodra een dergelijke stelling wordt geponeerd, is
daarmee een keuze gedaan die berust op het aanbrengen
van een rangorde in de activiteiten van de verschillende sec-

toren. Voor de Brunner-Meltzer-monetaristen is de keuze duidelijk. Zij zijn van mening, dat een substantieel beslag

van de overheid op de nationale middelen de vorming van
fysiek en menselijk kapitaal belemmert, omdat de overheid

wordt gezien als een improduktieve, efficiency verslindende

bureaucratie. Met name de rol van de overheid als een inko-

mensherverdelende en als een het economisch proces regu-
lerende instantie moet het ontgelden 14). Begrotingstekorten
moeten daarom drastisch worden beperkt, ook al omdat
dan een halt wordt toegeroepen aan de buitensporige mone-

taire financiering door het rijk. Daarmee wordt een nati-

onale verspiller klem gezet en worden infiatoire impulsen
voorkomen. Hier zij volstaan met op te merken dat een be-

oordeling van het economisch handelen van de overheid

toch meer zou moeten inhouden dan het alleen maar te

toetsen aan criteria van bedrijfseconomisch waarneembare
rentabiliteit. Ook empirisch valt de stabiliteit van de parti-
culiere sector moeilijk vast te stellen. Hoogstens kan wor-

den gewezen op de weinig stabiele verhouding tussen het
nationale inkomen en de liquiditeitenmassa in de periode
1969-1974, toen er van de overheid nauwelijks monetaire
impulsen uitgingen.
Bij de verklaring van het algemeen prijspeil komt het
tweede uitgangspunt ter sprake, nI. de prijsdefinitie. In de
monetaristische theorie zijn prijzen ruilvoeten tussen geld
en alle andere objecten 15). Deze definitie staat tegenover

de meer traditionele dat prijzen ruilvoeten tussen goederen

zijn. In het monetaristische economische proces ruilt men
geen goederen tegen goederen, maar goederen tegen geld.
Men laat zich bij zijn beslissingen dan ook primair leiden
door absolute prijzen in plaats van door reële prijzen; men

heeft weinig oog voor de ruilvoeten met andere goederen,
zodat ook de koopkrachtontwikkeling van het geld verbor-

gen blijft; er bestaat een geldillusie.De ondergeschikte func-

tie van het geld – als louter intermediair in de goederenruil

– verandert in een aan andere goederen gelijkwaardige.

Men vraagt geld omdat het als goed kennelijk begerens-

waardig is wegens het vermogen tot exclusieve bevrediging

van een bepaalde behoefte. Deze behoefte kan alleen maar
zijn het kunnen uitoefenen van een ongedifferentieerde be-
schikkingsmacht over alle andere goederen. Indien aan deze
zelfstandige functie van het geld zo zwaar wordt getild, is het
bevredigen van deze behoefte aan ongedifferentieerde be-

schikkingsmacht kennelijk tot een doel in zich zelf gewor-
den. Als de geldhoeveelheid meer toeneemt dan uit een oog-

punt van financiering van een toegenomen reële produktie

Harry C. Johnson,
Essays in monelary economics,
1969, blz. 35.
Don Patinkin,
Studies in monelary economics,
1
972, blz. 99.
M. Friedman,
The quanlity theory
of
money: a resjajemeng,
1956, vergelijking nr. 13.
Drs. J. B. Kuné, De invloed van monetaire en budgettaire poli-
tiek op de bestedingen,
Maandschrift Economie,
oktober 1972, blz.
16.
II) Zie P. Korteweg,
The Brunner-Melizer model for an open eco-
nomy: a ,,simplistic’ slatement of ijs formal properties and under-
!ying assumplions,
Erasmus Universiteit Rotterdam, Institute for
economic research, Discussion paper series. 7513/M, juli 1975.
Van Loo, bIs. 269, vermeldt dat volgens Brunner en Meltzer
een monetaristische theorie moet voldoen aan de voorwaarden,
dat de particuliere sector stabiel is, d.w.z. dat fluctuaties in prijzen
of produktie niet hoofdzakelijk het gevolg zijn van het gedrag van
de private sector; dat op lange termijn de toestand van de econo-
mie wordt bepaald door de geldhoeveelheid; dat veranderingen daarin niet alleen de monetaire sector, maar ook de reële sector
beinvloeden. Bij Korteweg:
De Economisi,
1975, nr. 4, par. 4.
Activisme of automatie in de monetaire politiek, blz. 502.
In een recent artikel in
The Banker (juli
1976), Government the
private sector and ,,Crowding out”, trekken Brunner en Meltzer
fel van leer tegen de groei van de overhcidshuishouding en in het
bijzonder tegen de toegenomen begrotingstekorten. Ook Korteweg
fulmineert tegen deze ontwikkelingen in zijn beschouwingen over
Miljoenennota’s en Jaarverslagen DNB.
P. Korteweg,
De Economist,
1975, nr, 4, blz 568.

ESB 2-2- 1977

101

nodig is, moet dat verklaard worden uit een grotere be-

hoefte aan geld als een autonoom goed. Men bezit liever

claims op goederen dan de goederen zelf, deze worden daar-
door schaars in verhouding tot het geld, de prijs stijgt.

Het offer dat men moet brengen om aan die grotere be-
hoefte aan geld te voldoen is een waardedaling ervan. (Voor

zover de inflatie veroorzaakt wordt door een stijging van

het importprijspeil, gaat deze causale relatie met de binnen-
landse liquiditeitenmassa uiteraard niet op, daarvoor treedt

dan in de plaats de hoeveelheid internationale liquiditeiten).

Op grond van dit rechtstreekse en oorzakelijke verband
tussen geidhoeveelheid en prijspeil pleiten de monetaristen

voor een sterke beperking van de groei van de geldhoeveel-

heid. Alleen dan kan voorkomen worden, dat er produktie-

en investeringsbeslissingen worden genomen, die achteraf

verkeerd blijken te zijn, omdat dan iedere prijsstijging sig-
naal is van een specifieke schaarste. Door de mogelijkheid

van een excessieve groei van de geldhoeveelheid uit te scha-kelen, blijft de schaarsteverhouding tussen geld en goederen

constant en kunnen er alleen specifieke prjsveranderingen

optreden, die de werkelijke veranderingen in relatieve
schaarste tussen goederen registreren. Zolang een dergelijke

ideale situatie niet bestaat zullen voortdurend de verkeerde

beslissingen worden genomen, die volgens Korteweg, de
grondoorzaak zijn van de positie waarin de Nederlandse

economie verkeert 16).

4. Impuls of reactie?

Wij vragen ons af, of de analytische splitsing die door

monetaristen wordt aangebracht in de goederenruil, niet te
ver wordt doorgevoerd. Belangrijke economische beslissin-

gen t.a.v de produktie en investeringen komen tot stand
met het oog op de toekomst. Een investeerder die zich niet

terdege oriënteert op de ontwikkelingen op de voor hem re-

levante in- en verkoopmarkten, maar zich gemakshalve laat
leiden door de inflatie, kan bedrogen uitkomen. Men mag

aannemen dat het economisch handelen beoogt om com-

plete goederentransacties tot stand te brengen, ook al wor-

den die onderbroken door in beginsel tijdelijke kashou-

dingen. Een bedrijf heeft meestal niet echt de keus tussen

beleggen of besteden. De beide fasen waarin goederen tegen
geld worden geruild, zullen daarom in hun onderlinge sa-
menhang worden bezien. De aanwezigheid van inflatiege-

wenning – verwachting en – anticipatie duidt daar ook op. Loononderhandelingen gaan over reële looneisen; allerlei

meerjarige contracten kennen indexeringsclausules: de ont-

wikkeling van het prijsindexcjfer wordt met de nodige aan-

dacht gevolgd. Dat de niet zo stabiele ontwikkeling van de
arbeidsinkomensquote aan zoveel kritiek onderhevig is ge-

weest, illustreert dat men alert is op de ontwikkeling van
het eigen reële inkomen. Dit is zeker geen onbelangrijk fe-
nomeen ter verklaring van de inflatie. Dan kan er van een

principieel stabiele particuliere sector ook geen sprake zijn.
1 nkomensaanspraken, verschuivingen in machtsposities van

belangrijke maatschappelijke groepen, te zamen met de bui-
tenlandse invloeden op het binnenlandse prijspeil zijn als

de belangrijkste inflatïemakers te beschouwen. Dat deze
krachten leiden tot een stijging van de geldhoeveelheid be-

rust op de identiteit MV PT.

De volgende twee voorbeelden mogen dit verduidelijken.
Indien voorraadvorming wordt gefinancierd met een beroep
op bankkrediet, zal een prijsverhoging op ingevoerde

grondstoffen, stel dat deze tot de voorraadvorming bijdra-
gen, gepaard gaan met een additionele vraag naar krediet.

De stijging van het invoerprijspeil (van grondstoffen in dit
geval) zal stellig tot een prijsstijging van het eindprodukt

leiden. Moet deze laatste binnenlandse prijsstijging nu wor-

den toegeschreven aan het additioneel opgenomen krediet,
zoals de monetaristische visie ons leert?
Het tweede voorbeeld. Stel dat onderhanden werk, half-

produkten e.d. kort worden gefinancierd, en stel dat cao-
onderhandelingen ertoe leiden dat de lonen worden opge-

trokken en daarmee de loonsom, welke begrepen is in on-
derhanden werken. Het beroep op krediet neemt toe. De

doorberekening van de hogere cao-lonen leidt tot een ho-

gere (verreken-)prijs van de onderhanden werken en uit-
eindelijk tot een hogere finale prijs. Moet deze hogere prijs worden toegeschreven aan de additioneel verleende kredie-

ten? Deze vraag kan ook als volgt worden geherformuleerd.

Wat zou er gebeurd zijn als het krediet niet werd verleend?
Zouden de cao-lonen worden teruggeschroefd of zou het in-

voerprijspeil worden verlaagd? Zeker niet. Beperking van

de groei in de kredietverlening aan de ondernemers zou hen
in deze gevallen juist dwingen tot prijsverhogingen ter

handhaving van hun cash-flow, van hun concurrentiepositie

op de inkoopmarkt en op de arbeidsmarkt en ter handha-

ving van de arbeidsrust in de onderneming. En voor zover

noch een doorberekening van de kostenstijging, noch een

additionele financiering daarvan via bankkrediet zou (kun-

nen) plaatsvinden, zal waarschijnlijk een volume-effect op-

treden. De ondernemers zouden het volume van voorraden

grondstoffen en halfprodukten kunnen beperken, zodanig

dat de waarde van deze voorraden ongeveer op het oude ni-
veau van voor de prijsverhogingen gehandhaafd kan blij-

ven.
Deze voorbeelden zullen duidelijk hebben gemaakt dat
prijsverhogingen heel goed kunnen samengaan met een toe-

genomen beroep op krediet en een toegenomen geldhoe-
veelheid, zonder dat er van een causaliteit sprake is tussen

liquiditeitscreatie als oorzaak en stijging van het prijspeil

als gevolg. Hierna zal worden nagegaan in hoeverre in de
ontwikkeling van monetaire en reële verklarende variabelen

van de inflatie een gemeenschappelijke component aanwe-
zig is. Naarmate deze meer aanwezig is, is statistisch gezien,

de verklaring van de inflatie niet exclusief toe te schrijven

aan het verloop van reële dan wel aan monetaire variabe-

len.

5. De empirische toetsing

Voor de bepaling van de gemeenschappelijke component

werd gebruik gemaakt van een principale-componentenana-

lyse, welke werd toegepast op de groeivoeten van de drie
monetaire en drie reële variabelen. De reële variabelen be-
troffen de invoerprijzen (unit of account), de groothan-

delsprijzen en de regelingslonen. De drie monetaire vari-

abelen zijn de liquiditeitenmassa, het basisgeld 17) en de

creatie ten behoeve van de private sector. De groeivoeten

werden per kwartaal berekend over de periode 1966 1 t/m
1975 IV. Ten einde bij de monetaristen aan te sluiten wer-

den deze data niet genormaliseerd (ie. niet gemeten in af-
wijking van hun rekenkundig gemiddelde). Kwartaalcijfers

zijn nauwkeuriger dan jaarcijfers. Met kwartaalreeksen
behoeft men voorts niet zo ver in het verleden terug te gaan

om voldoende waarnemingen te doen. Men voorkomt hier-
mee dat niet meer actuele gebeurtenissen (bijv. Korea-oor-

log) de conclusies voor het voeren van het huidige beleid
beïnvloeden. De resultaten kunnen worden samengevat in

tabel 1.
De grootheid
o
geeft de bijdrage van de bijbehorende

princïpale component in de oorspronkelijke 6 reeksen van

waarnemingen. Uit de tabel blijkt dat de gemeenschappe-
lijke ontwikkeling in de zes reeksen waarnemingen nogal

van betekenis is. Vrijwel 80% van de waarnemingen wordt
beschreven door de eerste principale component. De tweede

component beschrijft
11,5%
en de derde component neemt

6,4% van de waarnemingen voor zijn rekening.

P.
Korteweg,
ESB, 19
mei
1976,
blz.
477.
Creatie door rijk en buitenland; Definitie vig. A. Knoester,
Maandschr?ft Economie, juli 1974.

102

Tabel /

Grafiek. ,4 utocorrelatie

Component (i)
Eigenwaarde
0
=

24.986,9
0,797
2

………

…..

………
3.661,9 0,117
1.964,3
.

0,062
4
……………..

……
414,3
0,013
5

…..

..
277,9

..

0,008

3

…………….. …….
.

……………..
.
45,9

..

0,001
6

…………………….

31.351,1
1,000

Hoe de principale componenten (Pc) bijdragen in de ,,ver-
klaring” van de oorspronkelijke waarnemingen toont tabel
2.

Tabel 2

variabele
Pc 1
Pc 2 Pc 3
Rest

0,62
0,31
0,07 0,0
Groothandelsprijzen
. . .
0,85
0,02
0,0
0.13
Regelingslonen
0,88
0,07
0,0
0,05

1.

Invoerprijspeil

……….

Liquiditeitenmassa
0,96
0,02
0,0
0,02
0,48
0,32
0,19
0,01
Basisgeld

…………..
Creatie private sector

0,87
0,0
0,12
0,01

Uit tabel 2 valt af te lezen dat de gemeenschappelijke
ontwikkeling vooral blijkt te zitten in vier van de zes vari-

abelen: de groothandelsprijzen, de regelingslonen, de liqul-
diteitenmassa en de kredietverlening door het particuliere
bankwezen aan de private sector. Wij willen hiermee nog-

maals reageren op het artikel van Bomhoff en Ooms. Zij
nemen o.a. in hun consumptieprijsvergelijking een (eng ge-

definieerde) geldhoeveelheid op als verklarende. Indien zij

een van de vier hierbovengenoemde variabelen in de plaats
van de geldhoeveelheid zouden opnemen, zou dat statistisch gezien vrijwel geen verschillend resultaat opleveren.
Op grond van deze waarnemingen kunnen wij vooralsnog

niet tot de conclusie komen dat het prijspeil van de gezins-
consumptie in Nederland wordt bepaald ofwel uitsluitend

door monetaire ofwel uitsluitend door reële factoren. Om

meer te weten te komen over de richting waarin de samen-

hang tussen reële en monetaire grootheden zich beweegt,
hebben wij de autocorrelatiestructuur onderzocht van de 6

tijdreeksen, waarop principale componentenanalyse werd
toegepast, alsmede van het prijspeil van de gezinsconsump-
tie. De autocorrelatie werd geschat volgens de door Box en Jenkins aanbevolen procedure 18). De bedoeling hiervan is
om scherper vast te stellen of de onderlinge samenloop tus-
sen grootheden ook herkend kan worden in de golfbewe-ging, die tot uiting komt in het verloop van de waargeno-

men tijdreeksen. Indien twee grootheden samenhangen
moet dit immers ook blijken uit maxima, minima en buig-punten van de reeksen.

Uit de in de grafiek getekende autocorrelatiestructuur
blij ken de autocorrelaties van de monetaire variabelen, Ii-

quiditeitenmassa, basisgeld en creatie ten behoeve van de
particuliere sector, in hoge mate parallel te lopen. Dit geldt

ook voor reële grootheden prijspeil, gezinsconsumptie en

regelingslonen. De groothandelsprjzen lopen tot op een af-
stand van 4 â 5 kwartalen met deze reële grootheden mee;

daarna sluiten deze zich aan bij het invoerprijspeil, waarmee
zij ook feitelijk veel van doen hebben.

Het invoerprijspeil verdient nadere aandacht. Zoals ook

al uit de principale-componentenanalyse bleek, scoren in-
voèrprijspeil en basisgeld samen even sterk op de tweede
principale component. Het ligt voor de hand om hierachter
de werking van de betalingsbalans te vermoeden. Verande-
ring in het invoerprjspeil heeft al snel gevolgen voor de lo-

pende rekening en daarmee voor de basisgeldschepping.
Dat het invoerprjspeil parallel loopt aan de andere mone-


R,gIinIonn

I,o,pdjp,I
iq,,idiuiun,,.,,
8ittd

taire variabelen verbaast ons evenmin omdat een verhoging

van het invoerprijspeil in eerste aanleg door het bedrijfsle-

ven wordt opgevangen in de liquide sfeer 19).
Voor een strakke causale – eventueel vertraagde – rela-

tie is een identieke autocorrelatie een noodzakelijke voor-waarde. Een dergelijke gelijkheid in de autocorrelatie van

enerzijds binnenlandse monetaire variabelen en anderzijds

binnenlandse reële variabelen ontbreekt. Voor stènge mo-
netaristische uitspraken is naar ons oordeel dan ook
geen plaats. Als Prof. Korteweg concludeert 20): ,,We
want to stress our findings that a substantial part of the va-
riation in the Dutch rate of infiation can be explained by

movements in the level of the growth rate of money lagged

one year”, dan is dit een uitspraak in de beste monetaristische
traditie, maar niet in overeenstemming met onze waar

nemingen.

6.
Slotopmerkingen

Uit recente publikaties in Nederland is weer eens geble-
ken dat monetair geïnspireerde modellen in hun opbouw
grote overeenkomsten vertonen. Het ,,vermoeiende geharre-

war tussen monetaristen en andersdenkenden” om met Fase
te spreken, richt zich dan ook niet op de structuur van de ver-
gelijkingen, maar op de vooronderstellingen die aan deze

modellen ten grondslag liggen en op het schatten van de pa-

rameters. Op dit laatste punt hebben sommige auteurs naar

onze mening een voorschot genomen. De uitgangspunten

van monetair geïnspireerde modellen achten wij niet altijd
even actueel. Mede daardoor zijn de hiervan afgeleide con-

clusies kwestieus. De monetaristische stelling dat de
groei van de geldhoeveelheid rechtstreeks de inflatie be-
paalt, vindt empirisch geen steun. Dat wil niet zeggen dat
het bestaan van een indirecte en via omwegen werkende in-
vloed kan worden uitgesloten. Maar een dergelijk moeilijk
vast te stellen verband kan nooit de grondslag vormen voor uitspraken van een stelligheid als waartoe sommige Neder-
landse monetaristen hun toevlucht hebben genomen.

S. G. A. Kaatee

J. A. Pennink

(Prof
Dr. P. Korieweg zal t.z.1. een commentaar op dii arti-
kel schrijven, red.).

18)
r5_


)
(Y
t

Yt+k.)

Box en Jenkins,
Time series analyses,
1970, blz. 32.
9)
T.g.v. vergroting van transactidkassen. Zie CPB,
De Neder-landse Economie in 1980,
blz. 87.
20)
De Economisi,
1975
nr
4, blz. 617.

ESB 2-2-1977

103

De civiel- (planologisch-)

ingenieur en de (ruimtelijk-) econoom

PROF. IR
. J. VOLMULLER

De ruimte benodigd voor het verrichten van

menselijke activiteiten, is het object van belang-

stelling van zowel de civiel- (planologisch-) in ge-

nieur als van de (ruimtelijk-) econoom. Beiden

benaderen de ,,ruimte” echter vanuit geheel

verschillende gezicht spun ten, waardoor de

communicatie over het algemeen stroef verloopt.

Ir. Volmuller, hoogleraar aan de Technische

Hogeschool Delft, besteedt aandacht aan het

verschil in benadering. Als beiden zich echter

van hun eigen taak en eigen verantwoordelijk-

heid in het planningproces bewust zijn, behoeft

er z. i. in feite geen probleem te zijn.

Inleiding

De civiel-ingenieur, een spruit van de militaire genie-
ingenieur, heeft van oudsher als kenmerkend arbeidsterrein

gehad het ontwerpen, bouwen en onderhouden van de
bouwwerken
mcl.
grondwerken, welke noodzakelijk zijn om
in een bepaald gebied het menselijk leven mogelijk te maken

en te ontplooien. In de laatste decennia is er een duidelijke
divergentie en specialisatie naar produkt in dat arbeids-
terrein opgetreden. Op dit moment zijn als belangrijkste
specialismen binnen de civiele techniek te onderscheiden:

• waterhuishoudkundige bouwwerken, zoals zeeweringen,
rivierverbeteringen, polder- en drainagewerken, irrïgatie-
werken;

• gezondheidstechnische bouwwerken, zoals rioleringen,

waterleidingen, waterzuiveringstallaties;

• verkeerskundige bouwwerken zoals wegen, kanalen, par-

keervoorzieningen, spoorwegen, havens, vliegvelden;

• utiliteitsbouwwerken, zoals fabrieksgebouwen en kantoor-
gebouwen.

De civiel-technicus is dus voortdurend doende de aarde

beter leefbaar te maken; beter in de zin dat de mens tot een
rijker leven kan komen in materieel én geestelijk opzicht door
een grotere fysieke bestaanszekerheid. Hij doet dit te zamen

met zijn bouwkundige collega, die zich in het bijzonder
bezighoudt met de woningbouw en de bij het wonen
horende gebouwen voor sociaal-verzorgende doeleinden, en
de cultuur-technicus, die zich in het bijzonder bezighoudt
met de werken tot verbetering van het geofysische milieu

ten behoeve van de landbouw, de bosbouw, en de openlucht-
recreatie.

De door hen ontworpen werken nemen ruimte in beslag;

ruimte die schaarser is naarmate de dichtheid van bewoning
en de intensiteit van het grondgebruik groter is. Geen wonder,
dat juist in de dicht bevolkte streken van onze aarde met
hoge levensstandaard, zoals in ons land, de genoemde drie

infrastructuurbouwers”, steeds meer werden geconfron-

teerd met het probleem van de verdeling van de beschikbare
schaarse ruimte. Als gevolg daarvan ging een aantal ,,bou-

wers” zich op dit verdelingsprobleem werpen. Zodoende

ontstond recentelijk een verdere specialisatie binnen de
oorspronkelijke vakgebieden, t.w. de verkeerskundig inge-

nieur en de civiel-planologisch-ingenieur als specialist-civiel-
ingenieur, de stedebouwkundig ingenieur als specialist-bouw-
kundig ingenieur en de landschapsarchitect als specialist-

landbouwkundig ingenieur.

Het eigenlijke constructief ontwerpen en bouwen lieten zij
over aan de collega’s die hun oorspronkelijke métier trouw

zijn gebleven. Deze ,,planning”-ingenieurs benaderen de.

,,bouwwerken” meer als abstracte ruimtelijke eenheden,
welke een bepaalde behoefte aan grondoppervlak hebben,
maar bovenal als ruimtelijke eenheden welke bepaalde func-
ties ten behoeve van de betrokken samenleving mogelijk

moeten maken, vaak in nauwe systeemverbanden, zoals bijv.
de verkeersinfrastructuur binnen een vervoersysteem, de
kanalen binnen een drainagesysteem of waterwinplaatsen

binnen een drinkwatersysteem. Zij ontwikkelden daarbij
theorieën en hypothesen en recentelijk ook mathematische modellen over ruimtelijke structuren van het grondgebruik

die zij in hun ,,physical planning”-activiteiten toetsen en tot
toepassing brengen. De produkten van hun planningactivi-
teiten hebben wijde, formele erkenning ondervonden. Struc-

tuurplannen, vérvoer- en verkeersplannen, bestemmings-
plannen, facet-streekplannen, ruilverkavelingsplannen zijn

in ons land, veelal in de wet vastgelegde, begrippen met be-
langrijke gevolgen voor de betrokken burgers. Ook buiten

ons land is het begrip ,,physical planning” en ,,zoning” ge-

meengoed. Er is thans geen ontwikkelingsiand meer dat geen
ruimtelijk planningbureau kent op nationaal, regionaal en
vaak ook op gemeentelijk niveau.

Ging de (civiel-) ingenieur in zijn ruimtelijke belangstelling
van het concrete bouwwerk naar de meer globale en abstracte

functioneel-ruimtelijke conceptie, bij de econoom is de be-
langstelling voor de inrichting van de geografische ruimte
geboren vanuit een geheel andere invalshoek, nI. vanuit een

meer globale, macro-economische conceptie van het maat-
schappelijk leven. Ruimte en tijd speelden oorspronkelijk in
het economisch-wetenschappelijk denken slechts een onder-
geschikte rol en dan voornamelijk in verband met de vesti-
gingsfactoren van produktieve en verzorgende bedrijvig-

heden. Het denken was lange tijd vooral gericht op de macro-
economische problematiek.
Geleidelijk groeide echter het besef dat door bewust econo-
misch handelen de overheid de economische en daardoor

ook de sociale en politieke ontwikkeling kan beïnvloeden
en deze kwalitatief en kwantitatief, maar vooral geografiséh

tot op zekere hoogte zelfs zou kunnen sturen. Men zou dan
niet kunnen volstaan met monetaire, fiscale en handels-
politieke maatregelen op nationaal niveau. De doelbewuste
vestiging van produktie-centra, de betere inrichting van het
vervoersysteem en van andere fysieke onderdelen van de

104

sociale infrastructuur, van potentiële landbouwgronden enz.
leken even zovele mogelijkheden om maatschappelijke
activiteiten tot leven te roepen dan wel in een gewenste

richting en tempo te ontwikkelen. Daarbij trad het probleem
van de geografische lokatie, alsmede van het effect van

ruimte en tijd op het maatschappelijk-economisch gebeuren
naar voren.

De ruimtelijke economie heeft zich de laatste decennia

snel ontwikkeld, mede dank zij het wetenschappelijk werk

van het Nederlands Economisch Instituut te Rotterdam. Zij

richt zich met name op het probleem van de ruimtelijke
spreiding van economisch-stuwende en sociaal-verzorgende

activiteiten op nationaal en regionaal niveau in zijn relatie
tot de totale nationale, sociaal-economische ontwikkeling.
Deze bedrijvigheden zijn echter alleen mogelijk als onder
meer industrieterreinen daartoe worden ingericht, de ver-

keersinfrastructuur aan de behoeften wordt aangepast en

landbouwarealen voor produktie geschikt worden gemaakt.
Voor het initiëren resp. verder ontwikkelen van deze bedrij-
vigheden zijn dus grondoppervlakken nodig, een onderwerp
waarmede de civiel-, de bouwkundig- en de cultuur-technisch-
ingenieur zich uitvoerig bezighouden, maar dan benaderd
vanuit een geheel andere hoek.

Zo gezien lijkt het bij de huidige stand van de wetenschap

in de relevante disciplines haast onmogelijk dat partijen van
zo geheel verschillende kom-af voor eenzelfde probleem van

ruimtelijke spreiding van activiteiten tot eenzelfde oplossing

zouden kunnen komen. Het telkens weer ervaren van deze
praktische onmogelijkheid geeft in beide kampen steeds weer
aanleiding tot teleurstelling en vaak ook verbittering,

waardoor een dialoog over dit communicatie-probleem nog
nauwelijks tot stand is gekomen. De belangrijke poging
daartoe van collega’s Klaassen en Paelinck in hun boek
Itnegralion
of
socio-economic and physical planning 1)
verdient alleen al daarom alle waardering en aandacht.
In het onderstaande wordt het probleem op een wat

andere wijze benaderd dan in genoemde publikatie in de

hoop dat een verdere bijdrage wordt geleverd tot de dialoog
tussen de civiel- (planologisch-) ingenieur en de (ruimtelijk-)
sociaal-econoom.

Ruimten, benodigd voor menselijke activiteiten

Elke menselijke activiteit, uitgeoefend hetzij als individu,
bijv. eten, slapen, winkelen, hetzij in (georganiseerd) groeps-
verband, bijv. wonen, spelen, werken, vergt een wel-gedefini-
eerde ruimte, afgezonderd van de totale voor de mens op

aarde beschikbare ruimte. Terwijl de activiteit plaatsvindt,

kan vrijwel nooit een andere activiteit in dezelfde ruimte
worden uitgeoefend; uitzonderingen zijn schaars en voor het
verdere betoog weinig relevant, zoals de man die zit te lezen
in de trein en daarbij een tweeledig gebruik maakt van de

ruimte welke primair is gereserveerd voor het voortbewegen
van het vervoermiddel trein. Praktisch elke activiteitsruimte
is mono-functioneel; ze wordt voor geen duidelijk anders

geaarde activiteit gebruikt, ook al zijn er ook hierop, weinig
relevante, uitzonderingen en dan nog voornamelijk in de
woning, bijv. na
het eten ontvangt men in zijn huiskamer
gasten of een werkbezoek. Een zorgvuldige programmering van die activiteiten is dan vereist.

Aan de vorm en inrichting van elke ruimte worden bepaal-

de eisen gesteld, welke uit de aard van de activiteit voort-
vloeien. In het algemeen kan men stellen:

• de ruimte moet blijvend beschikbaar zijn; d.w.z. steeds weer opnieuw moet men de ruimte in zijn zelfde vorm, dimensie

en hoedanigheid aantreffen. De begrenzingen van de ruim-
te zijn dus ,,conservatief”;
• de ruimte moet een hoeveelheid instrumentarium (kunnen)

bevatten, welke nodig is voor het gericht uitoefenen van
de activiteit, zoals kookgereedschap in de keuken, machi-

nes in een fabriekshal, auto’s op de weg, een etalagekast in
een winkel;

• de bediening van het instrumentarium moet kunnen wor-

den georganiseerd, zeker als de activiteit in groepsverband
geschiedt, bijv. in een fabriek of in een schouwburg of bij
een vervoerbedrijf;

• de ruimte moet, zeker terwijl het instrumentarium in ge-
bruik is, zijn beschermd tegen wateroverlast en in vele ge-

vallen ook tegen weersinvioeden en aan bepaalde milieu- en
gezondheidstechnische eisen voldoen.

Om aan de gestelde eisen te voldoen, moet de ruimte
praktisch altijd worden ,,ommuurd”; met bouwconstructies

worden de begrenzingen van de ruimte vastgelegd. Deze
bouwconstructies moeten tevens de door het instrumen-
tarium opgewekte krachten (gewicht, schokken, trillingen)

naar de aardbodem kunnen overbrengen. Soms moeten de
bouwconstructies de drie-dimensionale ruimte volledig om-
grenzen, zoals in het geval van activiteiten, die in gebouwen

worden uitgeoefend. Soms is het vastleggen van één vlak van

de ruimte voldoende zoals in het geval van een autoweg. De
rijbaan vormt het onderste vlak van de verkeersruimte en
door alleen deze rijbaan te bouwen is die ruimte in zijn geheel
vastgelegd.

Wat tracht de civiel- (planologisch-) ingenieur in feite te
bereiken?

In het algemeen beheerst iemand zijn activiteit zodanig
dat hij zelfde eisen kan stellen waaraan de voor de activiteit
benodigde ruimte moet voldoen. De a.s. bewoner zoekt dié

woonruimte die het best aan zijn wooneisen voldoet; de

winkelier laat zijn winkel zo verbouwen, dat hij zijn klanten
naar zijn inzicht optimaal kan bedienen; de fabrieksdirectie

laat haar fabriek zo bouwen, dat het produktieproces naar
hâr inzicht optimaal kan verlopen.
Het bouwen van de ,,ommurende” bouwconstructies is
echter een eenmalig optredende bezigheid, waarin de
,,exploitant” geen bekwaamheid heeft. Hij zal de bouwkundi-

ge (civiel-ingenieur of architect) als specialist te hulp roepen.

Deze bouwkundige zal de functionele eisen gesteld door de
,,bouwheer” moeten doorgronden en zodanig in zijn ontwerp
van de ruimten binnen het bouwwerk moeten verwerken,

dat aan het ,,programma van eisen” volledig wordt voldaan.
De belangstelling en kunde van de bouwkundige is primair
geconcentreerd op de daad van het tot stand brengen van de

functionele ruimten; de bouwheer, resp. a.s. gebruiker van de ruimte is alleen geïnteresseerd in het tijdstip waarop de
ruimte beschikbaar komt en hij zijn bezigheid kan beginnen.
Dit feitelijke gebruik van de door hem ontworpen en gebouw-

de ruimten maakt de bouwkundige, ook in de praktijk, echter
niet meer mee. Zijn relatie met de toekomstige gebruiker
eindigt bij het in gebruik nemen van het bouwwerk. Veelal

heeft hij er ook nauwelijks echt belangstelling meer voor,
behalve als hij na het in gebruik nemen belast wordt met het

beheer en onderhoud van het bouwwerk, zoals het geval is
met de – niet alle – ingenieurs bij de Rijkswaterstaat en
enkele andere zelf-ontwerpende technische overheidsdiensten.

Als gevolg van de bovengeschetste rolverdeling tussen
bouwheer resp. a.s. gebruiker en bouwkundige, heeft de laat-
ste in beginsel niet of nauwelijks directe operationele er-
varing met het activiteitenproces dat in de door hem gescha-
pen ruimten zich tot in lengte van jaren zal voltrekken. Hij
baseert zijn inzicht in de functionele aspecten van de in de
ruimte te ondernemen activiteiten in feite alleen op het al dan
niet helder geformu leerde programma van eisen resp. op zijn inzicht – vaak gegrond op een lange ervaring met het bouwen

van ruimten – hoe dat programma van eisen wel zou moeten
luiden. Teleurstellingen voor de toekomstige gebruiker van de
ruimte kunnen dan niet uitblijven. Voorbeelden daarvan zijn
legio.

1) L. H. Klaassen en J. H. P. Paelinck,
Integration ofsoeio-econo,nic and phi’sical planning,
1974, Rotterdam U niversity Press.
ESB 2-2-1977

105

Eerst in de laatste decennia is zich bij beide partijen de

behoefte beginnen te ontwikkelen om in een samenspraak

tussen bouwheer en bouwer, het a.s. activiteitenproces dieper
te analyseren en vooral de wisselwerking tussen vorm van de

ruimte en de totalè efficiency van het proces uit te diepen. De

gebruiksanalyse is thans standaard-praktijk geworden bij
het ontwerpen van utiliteitsgebouwen, uitgevoerd door een

team van deskundigen, mci. de bouwheer en de bouwer.

Daar waarde a.s. gebruiker van de ruimte minder grjpbaar
is, zoals in het geval van de wegenbouw, de drinkwatervoor-
ziening, de havenbouw en van andere voorzieningen voor een

,,grijze” massa van gebruikers, begon tegelijkertijd de bouwer

zich meer direct te interesseren voor de activiteiten welke
binnen de te bouwen ruimte zouden ipoeten worden verricht.

In enkele gevallen splitsten zich zelfs ingenieurs-specialismen

af, die zich in het bijzonder gingen bezighouden met het

verband tussen toekomstig gebruik en vorm van die ruimte.
Voorbeelden daarvan zijn de stedebouwkundig-ingenieur, de

verkeerskundig-ingenieur, de waterhuishoudkundig-inge-
nieur, de gezondheidstechnisch-ingenieur; specialismen, die
thans ook in de opleiding aan de TH-Delft als afstudeer-
richtingen zijn te onderkennen. In dezelfde orde kunnen ook

worden genoemd de Wageningse cultuur-technisch-ingenieur
en de landschapsarchitect.

Naarmate de activiteitenprocessen gecompliceerder wer-
den en naarmate betere analyse- en prognosemethodieken
beschikbaar kwamen, steeg de behoefte van de zijde van de

bouwende ingenieur zich te verdiepen in de activiteitenproces-

sen en vooral in de wisselwerking tussen de kwaliteit van deze
processen en de vorm van de ruimten waarin ze zich zouden

afspelen. Daarbij was en is de doelstelling van de toekomstige

exploitant van de ruimte voor de bouwer ineerste instantie
een buiten discussie staand gegeven; ofdit nu is het verwerven

van inkomen, het bereiken van een bepaalde kwaliteit
gezondheidszorg dan wel het optimaal verzorgen van ge-

vraagde vervoerdiensten.

Vanuit dât gegeven dat hem het belangrijkste evaluatie-

criterium levert, tracht de ingenieur-specialist inzicht te
verkrijgen in het verloop van het activiteitenproces om op
grond daarvan de vorm en inrichting van de door zijn bouw-

werken te begrenzen ruimten ,,optimaal” te bepalen.
Deze evaluatie-criteria vormen even zovele randvoorwaar

den voor zijn ontwerp, welke van meet af aan in acht moe-

ten worden genomen tijdens het ontwerpproces. Om deze

criteria te kennen verdiept de waterhuishoudkundig inge-
nieur zich in de sociale, economische en culturele activiteiten,
die zich achter de te bouwen Delta-dijken zullen gaan af-

spelen, om mede op grond daarvan de hoogte van de storm-
vioedkerende dijk in de estuarie te bepalen. De verkeers-

kundig-ingenieur verdiept zich in de behoefte aan vervoer-
diensten in een regio of stad, om op grond daarvan de te

ontwerpen verkeersruimten te dimensioneren.

In vele gevallen zijn in een bepaalde ruimte uit te voeren
activiteiten niet autonoom en doel op zich zelf, doch vor-
men zij één element van een meer-omvattend produktief

of sociaal-verzorgend systeem. De (civiel-) ingenieur zal dan
de behoefte hebben ook dit totale systeem te verkennen,
te meer daar uit het systeem veelal een aantal randvoor-
waarden voortkomen, welke zijn vrijheid van ontwerpen
en bouwen van de elementen in belangrijke mate verder

beperkt. Met andere woorden, de moderne civiel-ingenieur

en zijn genoemde collega’s bemoeien zich meer en meer met alle, mcl. de sociaal-economische, aspecten van de activitei-
tenprocessen welke zich zullen gaan afspelen binnen de
door hen te ontwerpen bouwwerken.
Daar waar uit hun studies blijkt, dat de totale, voor hun

bouwwerken beschikbare ruimte onvoldoende is ten op-
zichte van de volgens hen benodigde ruimte zullen zij zich
met de verdeling van de in totaal voor de samenleving be-
schikbare ruimte bemoeien en daarbij wezenlijk op de acti-

viteitenprocessen kunnen (en veelal moeten) ingrijpen. Ook

hier heeft zich recentelijk binnen de civiele techniek een
specialisme ontwikkeld, t.w. de civiel-planologisch-ingenieur

die op grond van logische, meer en meer mathematisch ge-

oriënteerde optimalisatietechnieken tracht een optimale
rangschikking te verwezenlijken van de ruimtevragende

bouwwerken, op grond van zowel bedrijfseconomische als

van ruimtelijk-economische, milieukundige en sociaal-poli-
tieke overwegingen. Daarmede hebben de bedrijfseconomie

en de ruimtelijke economie hun entrée gemaakt in het basis-

kennispakket van de civiel-ingenieur.

Wat tracht de ruimtelijk-econoom in feite te bereiken?

De ruimtelijk-econoom is één van de jongste telgen van het

groeiende geslacht van economen. Uitgaande van de sociale
economie – de wetenschap die zich bezighoudt met de

verdeling van de schaarse middelen, welke een maatschap-
pij ten dienste staan -‘ heeft hij zijn bijzondere aandacht
gericht op het effect van de geografische lokatie van deze

middelen, zowel naar ruimte als naar tijd. Hij stuitte daar-
bij al spoedig op een aantal problemen. Hij kwam tot de con-
clusie dat de produktiebedrijven, welke een maatschappij
ten dienste staan, veelal, zowel regionaal als sectoraal, zijn

opgenomen in min of meer autonome systemen, die als

zodanig sub-systemen vormen in een nationaal economisch,
systeem van hogere orde. Tevens bleek hem dat de ruimtelijke

scheiding van deze produktiebedrijven onderling en ten op-zichte van de consumptiepunten op zich zelf aanleiding gaf
tot het aanwenden van maatschappelijk schaarse middelen

– i.c. in het vervoersysteem -, terwijl een soortgelijke
consequentie werd geconstateerd van het in tijd gescheiden
zijn van de produktieve activiteiten van deze bedrijven on-
derling en ten opzichte van de consumptie. Scheiding in

tijd leidt immers tot de aanwending van extra middelen ten
behoeve van het opslaan van goederen, resp. een overcapa-

citeit ten opzichte van de gemiddelde produktafname van
bedrijven, ingericht tot het produceren van diensten, als-
mede tot een verlies aan rendement van kapitaalgoederen.

Het bestuderen van deze effecten bracht de ruimtelijk-
econoom al spoedig tot de conclusie, dat de ruimtelijke

spreiding van de lokatie van de bedrijven op zich een be-
langrijke invloed heeft op het niveau en het rendement

van de produktie van goederen en diensten die met de be-
schikbare produktiemiddelen bereikbaar is. Het inzicht
rijpte dat het beïnvloeden van de ruimtelijke spreiding van

deze bedr.ijven een belangrijk instrument is in de handen van
de bestuurder om economische ontwikkelingen te bevorde-
ren en zelfs naar kwantiteit en kwaliteit in onderdelen te
beïnvloeden.
Naast de reeds bestaande economische produktie- en
consumptieprognosemodellen op nationale schaal, voelde

de ruimtelijk-econoom behoefte prognosemodellen te ont-
wikkelen op regionale, sub-regionale en groot-stedelijke
schaal, waarin het effect van de geografische afstand
O.M.

in de vorm van ,,vervoerweerstand”, duidelijk was opge-
nomen. Werkende op deze gedetailleerde geografische schaal
moest hij wel nota nemen van de verschillen in ,,vervoer-
weerstand” per individuele lokatie van een bedrijf, maar ook
van de verschillen in de individueel benodigde bouwkundige
investeringen voor gelijksoortige bedrijven, gevestigd op

verschillende punten in de ruimte. Deze verschillen vloeien
nauwelijks voort uit een verschil in kosten van de benodigde

technische en organisatorische uitrusting welke het bedrijf
gebruikt om tot produktie te komen. De individuele verschil-

len in investeringskosten vloeien voornamelijk voort uit de kosten van de bouwwerken, welke de ruimten moeten om-
muren, waarin het produktieproces moet plaatsvinden. Deze investeringen worden bepaald door de feitelijke bouwkosten

alsmede door de kosten van de door de gebouwen in beslag
genomen grond. En deze worden bepaald door de ,,bouwer”,
de civiel-ingenieur, resp. de architect, de cultuur-technisch-

ingenieur of de landschapsarchitect. De ruimtelijk-eco-
noom kreeg zodoende direct te maken met de door de inge-
nieur ontworpen bouwwerken, zowel ten behoeve van het
relevante produktieproces als ten behoeve van het transport

106

van grondstoffen en geproduceerde produkten resp. van ver-

strekte diensten en van bedienend personeel en bezoekers;

zowel wat betreft de investeringskosten als wat betreft de directe produktie- en vervoerkosten voor zover deze door
de vorm en inrichting van de produktieruimten en de ver-

keersinfrastructuur worden beïnvloed.

Het ontmoetingspunt tussen de civiel-ingenieur en de

ruimtelijk-econoom

De civiel-ingenieur, en ook de architect, de stedebouw-

kundig-ingenieur, de cultuur-technisch-ingenieur en de land-

schapsarchitect ontmoeten de ruimtelijk-econoom dus in

de investerings- en onderhoudskosten van de bouwwerken,

nodig om bepaalde bedrijfsruimten te creëren alsmede in de
aard en intensiteit van de activiteiten, welke in die ruimten
plaats zullen moeten vinden.

De ingenieur heeft daarbij behoefte aan evaluatie-criteria
waaraan hij zijn mogelijke technische ontwerpvarianten kan

toetsen; de ruimtelijk-econoom wil de uitkomsten van deze
ingenieursontwerpen kennen, opdat hij die in zijn ruimtelijk-
economische beschouwingen kan betrekken en het effect
daarvan op verschillende geografische spreidingspatronen
van produktieve en consumptieve activiteiten kan bestude-
ren.
Om dit met inzicht te kunnen doen zou bouwkundige en
landbouwkundige (planning)techniek mede tot het basis-

pakket van kennis van de ruimtelijk-econoom moeten be-
horen. Het is altijd weer teleurstellend te moeten consta-
teren dat, terwijl ,,lnleiding in de economie” al vele jaren in

het basis-curriculum voor de opleiding tot civiel-, bouw-

kundig en landbouwkundig-ingenieur voorkomt, tot nu toe
geen enkele economische universitaire faculteit een college
,,lnleiding in de (civiele) techniek” in het basisprogramma

heeft opgenomen!

De ,,ruimten”, nodig voor het verrichten van menselijke
activiteiten zijn dus het object van beider belangstelling,

doch benaderd vanuit geheel verschillende richtingen! Daar-
bij was de ingenieur, historisch gezien, de eerste. Toen hij
dan ook verder moest gaan dan het individuele bouwwerk,

omdat ruimte schaars werd en het functioneren van de indi-
viduele activiteitenruimte in gevaar kwam, werd hij gecon-
fronteerd met de noodzaak mede ruimtelijk-economische criteria te ontwikkelen, waaraan hij zijn mogelijke oplos-

singvarianten kon toetsen. Dt moest wel amateuristisch

gaan, maar voldoende om bouwheren tot een keuze te bren-

gen.
Meestal bleven deze ,,economische” criteria beperkt tot de
blote investeringskosten in relatie tot het beschikbare budget.
Het baanbrekende werk van Prof. Ir. Th. van Wisselingh in

de jaren veertig op het gebied van de rentabiliteit van ver-

keerskundige werken is voor menig (civiel-) ingenieur een
,,eye-opener” geweest. Het gaf hem het inzicht, dat de eco-
nomische resultaten van het vervoerbedrijf, dat zich n

voltooiing op zijn weg zou gaan afspelen, onder één noemer
moest worden gebracht met de bouwkosten van de weg en
zodoende zijn technisch ontwerp kon beïnvloeden. Maar om

dieper te gaan in zijn beschouwingen over de ruimtelijke
lokatie van in bouwwerken vervatte activiteitenruimten (= de

lokatie van produktiebedrijven en consumptie-eenheden),
ontbrak en ontbreekt het de civiel-ingenieur in feite aan vol-
doende kennis om een belangrijk maatgevend criterium,
nI. de ruimtelijk-economische consequenties, te doorgron-
den, laat staan te formuleren en te kwantificeren. Tegelijker-
tijd droeg hij, met zijn reeds eerder genoemde ingenieur-

collega’s, tot voor kort praktisch geheel de verantwoorde-
lijkheid voor het opstellen van de overheidsplannen van

ruimtelijke ordening waarin de gewenste spreiding van be-
drjvigheden worden vastgelegd. Hij ontwikkelde daarbij

een zekere traditie en routine in denken en benaderen.
Geen wonder, dat toen ,,echte” ruimtelijk-economen zich

om de sociaal-economische aspecten van de ruimtelijke
spreidingsstructuur van bed rjvigheden gingen bekommeren,
zij met andere inzichten en methoden naar voren kwamen;

inzichten en methoden die de praktiserende en op dat mo-ment verantwoordelijke ingenieur nauwelijks aanspraken.

Zich in zijn prestige belaagd voelend, had hij eerder de nei-
ging de benadering van de econoom als theoretisch en dus

onpraktisch te kwalificeren dan deze bijdrage vanuit een
andere discipline toe te juichen. De econoom, wetende van

de juistheid van zijn zienswijze, ondervond de ingenieur als betweterig, maar tegelijkertijd toch (nog) in staat het
tot stand komen van het ,,goede” plan te verhinderen door

het grotere gewicht dat zijn woord bij de beslissende autori-
teiten had. Een onzalige toestand, die veel kwaad bloed heeft

gezet en bepaald nog niet ten einde is en die ondermeer tot

gevolg heeft dat ,,physical planning” en socio-economic
planning” als twee gescheiden benaderingen worden aange-

merkt van het probleem om de optimale ruimtelijke sprei-
ding van menselijke, produktieve en consumptieve activitei-
ten te bepalen. En die met zich meebrengt dat elke poging

tot reconciliatie zo duidelijk opvalt, terwijl er in feite geen
probleem is, mits elke partij zich van zijn eigen taak en van

zijn eigen verantwoordelijkheid in het totale planningpro-
ces bewust is.

De taakverdeling tussen de civiel-ingenieur en de ruimtelijk-
econoom in de ruimtelijke planning

Uitgaande van de gedachte dat optimalisatie in ruimtelijk-
economische zin één van de belangrijkste criteria is waaraan
een plan tot ruimtelijke spreiding van bedrijvigheid(sruim-

ten) moet voldoen, is het duidelijk dat een dergelijk plan

alleen tot stand kan komen als de ruimtelijk-econoom én de
civiel-ingenieur, alsmede zijn collega-bouwers, de stede-

bouwkundig-ingenieur, de cultuur-technisch-ingenieur en de
landschapsarchitect in een duidelijke taakverdeling met

elkaar samenwerken.
De ruimtelijk-econoom, verantwoordelijk voor het op-

stellen van het sociaal-economisch kader, waarbinnen de ver-
schillende maatschappelijke activiteiten tot ,,in lengte van
dagen” – dat is hun economische levensduur – moeten

plaatsvinden, geeft daarbij criteria aan waaraan zowel de

investerings- en onderhoudskosten van de activiteitenruimten

ommurende bouwwerken, als de operationele kosten van
deze activiteiten moeten voldoen. Criteria, ook in nummerie-

ke zin, welke de uitgangspunten en randvoorwaarden vormen
waarbinnen de civiel-ingenieur en lijn genoemde collega’s

moeten trachten een oplossing te vinden voor de vorm en constructie van op te richten bouwwerken, waarbinnen de

voorziene activiteiten zich zullen moeten afspelen.
De ruimtelijk-econoom kan niet buiten de uitkomsten van
het scheppende ontwerpwerk van de (civiel-) ingenieur.
Hij moet beseffen, dat elke bouwplaats op aarde anders is
en dat voor elk bouwwerk opnieuw een ontwerp moet wor-
den gemaakt, waarvan het resultaat, om. in kosten, van te-
voren niet bekend kan zijn. De civiel-ingenieur kan niet bui-
ten de (sociaal-economische) randvoorwaarden welke alleen

de ruimtelijk-econoom hem kan leveren. De toetsing van zijn
werk aan deze criteria zal de civiel-ingenieur niet moeten

ondergaan als een van bovenaf opgelegd noodzakelijk
kwaad, maar als een gelijkwaardige en collegiale bijdrage
in een planningproces dat erop is gericht om een voor de
maatschappij ,,optimale” oplossing voor het gestelde pro-

bleem te vinden. Slechts op die manier kan een ,,goed” plan
tot stand komen.

Maar dan moet primair de ingenieur beseffen, dat de
(ruimtelijke) economie een vak apart is, dat je als techni-
cus niet zo maar even en al doende onder de knie krijgt. En
dan moet de econoom beseffen, dat, als je de economische

voorwaarden hebt bepaald waaraan een bouwwerk moet voldoen, je dat dan niet ,,alleen nog even in elkaar hoeft
te zetten”, maar dat het ten minste 5 jaren kost voordat intel-

ligente jonge mensen met aanleg voor technisch scheppend
werk zover gevormd en opgeleid zijn dat de maatschappij

ze als aankomend ,,bouwmeester” te werk durft te stellen.

J. Volmuller

ESB 2-2- 1977

107

Consuméntenbeleid

De consument soeverein of hulpeloos? (IV)
PROF. DR. W. A. A. M. DE ROOS

In dit laatste deel in de serie ,,De consument

soeverein of hulpeloos?”, behandelt Dr. W. A.

A. M. de Roos, hoogleraar economie aan de

Faculteit der Sociale Wetenschappen van de

Erasmus Universiteit Rotterdam, het consumen-

tenbeleid. Eerder verschenen: 1. Consumenten-
soevereiniteit en economische orde (12januari);

2. Consumentensoevereiniteit en verkoop-

bevordering (19 januari); 3. Consumentisme

(26
januari).

Given the opportunity to protect commerce or the consumer
gut not both at the same time, who do you think the Depart-ment of Commerce will protectT’
(Betty Furness)

De consument is soeverein noch hulpeloos. Hij is niet

soeverein, omdat over samenstelling en ontwikkelingsrich-
ting van de produktie mede wordt beslist door producenten

en, zij het in mindere mate, door de overheid. De consu-
ment in onze hedendaagse markteconomie is niet hulpeloos,

omdat invloedrijke organisaties zijn gegroeid die het voor
hem opnemen. Deze ontplooien een aantal activiteiten die
dienen tot betere informatie van de consument, tot bescher-
ming van zijn veiligheid en tot versterking van zijn positie

als marktpartij. Die organisaties zijn er in de loop der jaren

ook in geslaagd de politieke organen en bestuursorganen in

beweging te zetten voor het treffen van regelingen met over-

eenkomstige strekking. De overheid heeft aan haar steeds
groeiende bundel van beleidsactiviteiten het consumenten-

beleid toegevoegd. Tien jaar geleden was daar nog nauwe-
lijks sprake van.

Het specifieke consumentenbeleid

Een overzicht van wat het consumentenbeleid omvat kan

het best worden gegeven aan de hand van dejaarrapporten
Overheidsbeleid consumentenaangelegenheden.
Deze ver-

schijnen sedert 1974. In februari 1974 is door de minister
van Economische Zaken ingesteld een Interdepartementale

Commissie voor Consumentenzaken (ICC). De commissie
kreeg tot taak jaarlijks een rapport samen te stellen ,,over

het beleid dat de overheid voert of voornemens is te voeren

met betrekking tot de onderwerpen die van belang zijn voor

de consumenten”. Het is een tweede taak van de ICC op
verzoek van ministers advies uit te brengen over beleids-
voornemens op het terrein van de consumentenbelangen.

De interdepartementale commissie wordt geleid door Drs.
S. Miedema, directeur-generaal van prijzen, ordening en re-

gionaal beleid van het Ministerie van Economische Zaken.
Inmiddels zijn drie jaarrapporten van de ICC tegelijk met

de begroting van het Ministerie van Economische Zaken

verschenen. De rapporten geven een goed overzicht van het

beleid dat in Nederland door verscheidene departementen
wordt gevoerd in het belang van de staatsburger als consu-

ment. Het volgende overzicht van onderwerpen van beleid
is ontleend aan de indeling van het tweede rapport 1).

Produktinformatie
(o.m.: prjsaanduiding per standaard-

hoeveelheid, informatieve etikettering).

Consumentenvoorlichting en -opvoeding
(om. consu-

mentenvoorlichting via de ether; voorlichting colportage-

wet; invoering consumentenopvoeding op scholen; struc-

turering consumentenvoorlichting).

Bescherming en informatie m.b.t. de gezondheid
(om.

wijziging warenwet; kwaliteitsgarantie, controle en tarie-
ven van gezondheidszorg).

Produktveiligheid
(om.: veiligheid m.b.t. deelneming aan

het verkeer: valhelmen, autogordels; warenwetbesluit

speelgoed; gevarenaanduiding op wasmiddelen).
Economische bescherming tegen handelspraktijken (o.
m.:

nieuwe regeling cadeaustelsel; wettelijke regeling mislei-

dende reclame).
Financiële zaken (o.
m.: beleggingsinstellingen; levensver-

zekeringen; consumptief krediet).

Versterking juridische positie van de consument
(om.:

behandeling consumentenklachten; wettelijke regeling
produktaansprakelijkheid; wettelijke regeling standaard-
contracten).

Sociaal-economische maatregelen
(prijsbeleid; mededin-

gingswetgeving; huur- en woonruimtebeleid; winkelslui-

ting).

Consumentenonderzoek
(er worden plannen gemaakt

voor de toekomstige structuur waarbinnen het door de
overheid gesubsidieerde fundamentele consumentenon-

derzoek kan plaatsvinden).

De beleidsactiviteiten van dit overzicht ressorteren onder
verschillende departementen. Verschillende activiteiten ho-

ren primair thuis bij het Ministerie van Economische Za-

ken, maar bijv. consumentenvoorlichting en -opvoeding bij
CRM en 0 en W, wijziging warenwet en kwaliteitsgarantie

gezondheidszorg bij Volksgezondheid en Milieuhygiëne,

versterking juridische positie van de consument bij Justitie

enz. De
coördinatie is
ondergebracht bij het Ministerie van
Economische Zaken: de minister van Economische Zaken is
bij besluit van de ministerraad aangewezen als coördine-

rend bewindsman voor consumentenaangelegenheden.
Het consumentenbeleid betreft niet een bepaalde sector

in het maatschappelijk-economisch leven, zoals het land-
bouwbeleid of het vervoersbeleid. Het gaat eerder om een

aspect van het krachtenveld tussen enerzijds de produktie

1)
Jaarrapport overheidsbeleid Comsumentenaangelegenheden
197411975,
Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13600 hoofdstuk
XIII, nr. 6, blz. 8 e.v.

108

van goederen en diensten, anderzijds het verbruik van die

goederen en diensten. Alle beleid dat betrekking heeft op

een gedeelte van het proces van produktie en dienstverle-

ning heeft een consumentenaspect. Voor de bewaking van

dat aspect in onder meer het landbouwbeleid, het vervoers-
beleid, het energiebeleid en de handelspolitiek zou men de
uitdrukking
,,consumentenbeleid in
ruime
zin”
kunnen ge-bruiken. Er kan dan worden gesproken van
specifiek consu-
menzenbeleid
wanneer het gaat om het direct verbeteren
van de positie van de consument in de markteconomie; an-

ders gezegd: wanneer het- gaat om het uitwerken en realise-
ren van de fundamentele consumentenrechten zoals geformu-
leerd door Kennedy in 1962 (zie het vorige artikel).

Consumptiebeleid

Zoals ik heb opgemerkt is er eerst in de laatste tien jaren

sprake van consumentenbeleid. Van nog recenter datum is
de term consumptiebeleid. Voor het eerst wordt deze ge-

br,uikt in het tweede ICC-jaarrapport, in 1975 dus. Gaat het
bij het
consumenienbeleid
om het nemen van maatregelen
door de overheid ter behartiging van consumentenbelangen,
bij het
consumptiebeleid gaat het om het beïnvloeden door
de overheid van het bestaande consumptiepatroon. Bij het
consumentenbeleid wordt de nadruk gelegd op ,,het be-

schermen en helpen van de individuele consument bij zijn
keuze van goederen en diensten, waarbij onder meer wordt
gelet op veiligheid, kwaliteit en prijs”. Het consumptiebeleid

heeft betrekking op ,,de betekenis en de gevolgen van het
consumeren” 2).

Het beïnvloeden van het consumptiepatroon door de
overheid is minder nieuw dan de term die er nu voor is uit-

gevonden. Door middel van fiscale heffingen en subsidies

en zelfs door ge- en verbodsbepalingen heeft de overheid

het consumptieproces eerder al beïnvloed. Zij heeft rem-
mend willen werken op het verbruik van alcohol en tabaks-

produkten door hoge accijnzen daarvoor vast te stellen. Zij
heeft het particuliere automobielverkeer willen afremmen

door het autogebruik zwaar te belasten en het openbaar
vervoer te subsidiëren. De overheid heeft het gebruik van
drugs en het bezit van wapens verboden en heeftgeboden

dat de woningbouw aan bepaalde kwaliteitseisen moet vol-

doen. Een ander instrument dat de overheid sinds kort ge-
bruikt ter beïnvloeding van het bestedingspatroon is kenne-

lijk overgenomen van het particuliere bedrijfsleven: het ad-
verteren in de publiciteitsmedia. Het Ministerie van Eco-nomische Zaken adverteert op grote schaal om de mensen

aan te sporen zuinig om te gaan met energie: government
by persuasion.

Beïnvloeding van het consumptiepatroon door de over-
heid is dus niet nieuw. Wat zich wel de laatste jaren pas

manifesteert is de wens een algemene conceptie daarvoor te
ontwikkelen. In verband daarmee komt de term consumptie-
beleid in gebruik. Men wil naast een beleid dat gericht is op

selectieve groei van de produktie een daarbij aansl’uitend be-
leid dat selectieve consumptie beoogt. Het facettenbeleid –

m.b.t. milieuhygiëne, ruimtelijke ordening, grondstoffen-
schaarste en de verhouding rijke en arme landen – dat in

de industrïele structuurpolitiek vorm gaat krijgen, is ana-
loog van betekenis voor het bestedingspatroon. In de

Tweede Kamer is daarom aan de minister van Economische
Zaken gevraagd om naast de nota
Selectieve
groei
(eco-
nomische structuurnota) die in de zomer van 1976 is ver

schenen een tweede nota in te dienen die de ontwikkeling
van de economische structuur vanuit een visie op de con-
sumptie beziet. De minister heeft erop gewezen dat in een

open economie als de onze produktie- en bestedingspatroon
sterk uiteenlopen. Niettemin is hij bereid ,,binnen niet te
lange tijd” met een discussienota over.de consumptie te ko-
men

Op het punt van het consumptiebeleid acht ik de laatste
twee jaarrapporten van de ICC erg belangwekkend. Uit

sinds
1917

sinds
1917

STENOG RAF EN BUREAU

W. STEMMER
&
Zn. B.V.
Schiebroekseweg
22-24,
telefoon
(010) 22 38 66
postbus
35007,
Rotterdam

vervaardigt o.a. de officiële gemeenteraadsverslagen
van Arnhem, Baarn, Best, Breda, Dordrecht, Eindhoven,
Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, ‘s-Hertogen-
bosch, Hilversum, Maastricht, Rheden, Rotterdam,
Tilburg en Veidhoven.
Wij leveren ook

notulen van directie- en

aandeelhoudersvergaderjngen

De jarenlange gedegen ervaring van ons bureau, toepassing
van moderne geluidsopnametechniek en vooral onze eerste-klas
medewerkers garanderen snel en accuraat werk, uitgevoerd
op
uiterst betrouwbare en discrete wijze.

I.M.

hoofdstuk 4 van het tweede rapport (Verkennende opmer-
kingen over een consumptiebeleid) en hoofdstuk 5 van het
derde rapport (De voorbereiding van een consumptiebeleid)

blijkt de gevoeligheid in departementale kringen voor de ge-

varen van wat algemeen de consumptiemaatschappij wordt
genoemd, wel aanwezig. In het eerste artikel van deze reeks

heb ik echter geconstateerd dat de typering ,,produktie-

maatschappij” beter zou zijn dan ,,consumptiemaatschap-

pij”. De industriële expansie, de investeringsprojecten van

de ondernemers en centraal de technologische ontwikkeling

zijn goeddeels bepalend voor het consumptiepatroon. Nie-

mand echter beheerst die technologische ontwikkeling van-
uit een ander dan commercieel gezichtspunt. Nog steeds
geldt wat Oele in 1970 constateerde: ,,De regeringen hollen
achter de feiten aan en de technologen en hun bazen sleute-
len vrijwel zelfstandig aan de toekomst”. Het zou volgens Oele voor een meer evenwichtige ontwikkeling een goede
zaak zijn als ook de verbruiker zijn stem kon laten horen
bij de voorbereiding van zijn toekomstige consumptiepa-

troon. Hij bepleit daartoe de instelling van ,,een raad voor
technologie, wetenschap en verbruik, waar de lange-termijn-
problemen aan bod komen en waar de consumentenorgani-

saties hun stem kunnen laten horen” 4).- Wanneer men zich
op het Ministerie van Economische Zaken toch nader gaat
bezinnen over de verbindingen tussen selectieve produktie-

groei en selectieve consumptie kan dit voorstel mogelijk
nog eens in overweging worden genomen.

Het consumptiebeleid zoals het thans op het Ministerie
van Economische Zaken wordt verstaan dient men goed te

onderscheiden van het consumentenbeleid. De verwant-
schap ermee mag duidelijk zijn; vandaar dat het hier werd
aangeroerd. In het vervolg van dit artikel zal ik mij weer
beperken tot het consumentenbeleid.

De Europese Gemeenschap

Toen op 25 maart 1957 het Verdrag van Rome werd on-

dertekend was het consumentisme nog nauwelijks waar

neembaar. Men zal dan ook in de verdragtekst tevergeefs
zoeken naar een paragraaf over consumentenbeleid of naar

een kleiner segment dat daarop betrekking heeft. Alles wijst

erop dat consumentisme en consumentenbeleid passen bij

Jaarrapport overheidsbeleid consumentenaangelegenheden
197411975,
tap., blz.
45.
Zie: R. F. M. Lubbers, Opmerkingen over het actuele econo-
mische beleid naar aanleiding van de nota Selectieve groei,
ESB,
8 december
1976,
blz.
1195.
A. P.
Oele, Het consumentenbeleid; couveuse-kindje van de
politiek,
Socialisme en Democratie,
jrg.
27,
no.
7,
augustus
1970,
blz. 337-338.

ESB 2-2-1977

109

een bepaald gevorderd ontwikkelingsstadium van een eco-

nomie.
Dat stadium werd dan voor de Europese Gemeenschap
aan het eind van de jaren zestig bereikt. In 1969 werd door

de EG-Commissie ingesteld een dienst ,,Vraagstukken be-
treffende Consumenten” ressorterend aanvankelijk onder

het Directoraat Generaal voor de Concurrentie. In januari
van dat jaar was in het Europese parlement het verslag-

Boersma behandeld over de versterking van de positie van
de verbruiker in de gemeenschappelijke markt. In vervolg

daarop werd een resolutie aangenomen waarin onder meer

van de Commissie werd gevraagd:
• overleg met de Europese consumentenorganisaties over

de normen die bij het vergelijkend warenonderzoek wer

den gehanteerd;

• publikatie van de uitkomsten van vergelijkend warenon-
derzoek;
• intensivering van de activiteit op het gebied van de infor

matieve etikettering;
• tegengaan van misleidende reclame en aggressieve ver

koopmethoden.

Door S. T. Duursma wordt in
Socialisme en Democratie

van december 1973 nagegaan in hoeverre in 1973 uitvoering

was gegeven aan de resolutie. Het oordeel luidt negatief.
T.a.v. het vergelijkend warenonderzoek werd bemoeienis

vanwege de Commissie tegengehouden door de consumen-tenorganisaties die beducht blijken voor elke inmenging op
dii gebied van buitenaf. Met betrekking tot het tegengaan van
misleidende reclame en agressieve verkoopmethoden had

de Commissie nog geen concrete stappen ondernomen 5).
Een nieuwe impuls voor het Europese consumentenbeleid

is uitgegaan van de topconferentie van Parijs in 1972 waar de staats- en regeringshoofden hun bereidheid bevestigden
een gemeenschappelijk beleid te volgen ter bescherming en

r

– –
– – –

(öeze bon is bestemd

1
voor het mmnagem

(oebIijftübij?

Let op, dit is interessant nieuws. Van

het Economisch Dagblad. Een krant die u
1

eigenlijk niet mag missen. Elke dag weer

andere nationale en internationale
financieel-economische berichten.
1

Helder beschreven, uitvoerig toe-

1

]

gelicht. Zo blijft u van alle ont-
wikkelingen volledig op de
hoogte. Precies wat van u ve
wacht wordt. Maak nû

vrijblijvend kennis met het
1

Economisch Dagblad.
1

Vult u de bon maar in.

Drie mogelijkheden.
i
I

1
0 twee weken gratis
op proef
1
1

Deen kwartaal-

1 1

abonnement â f 50,32
Deen jaarabonnement á f 199- Gewenst hokje aankruisen s.v.p.

Waar is uw pen?

1

1

Naam:

:
Ad
1
res: i

Plaats:

1

Ingevulde bon in ongefrankeerde envelop zenden aan:

1
Economisch Dagblad, Antwoordnummer 344, Den Haag.

1——————- J

voorlichting van de consument. In vervolg hierop heeft de
Raad van Ministers van de Europese Gemeenschap op 14

april 1975 een eerste programma voor Europees consumen-

tenbeleid vastgesteld 6).
Men kan zich nog afvragen of op het niveau van de Ge-

meenschap wel consumentenbeleid moet worden gevoerd.

Kan het niet beter geheel aan de lidstaten worden overgela-
ten? Duursma antwoordt hierop dat gemeenschappelijk be-

leid gewenst is om technische handelsbelemmeringen tegen
te gaan en in het algemeen gezien de belangrijke omvang van

het internationale handeisverkeer in de Gemeenschap en het

grote aantal internationale ondernemingen 7).

Politieke partijen

Politieke partijen mogen zich ervan bewust zijn dat het

consumentenbeleid inmiddels niet meer als een ,,vote-get-

ting gimmick” kan worden gezien, maar dat het een se-
rieuze politieke zaak is geworden. De uitslag van het re-

cente consumentenonderzoek in de Europese Gemeenschap
8) dat ik in het vorige artikel reeds aanhaalde geeft een aan-
wijzing in deze richting. Van de 9.500 ondervraagden voelde

62% zich verbonden met een politieke partij, maar hiervan

vond slechts één op de tien dat ,,zijn” partij ,,heel goed”

voor het consumentenbelang opkomt.

Met verkiezingsbeloften zijn de politieke partijen niet ka-

rig. Dit blijkt bijv. uit een overzicht van de verkiezingspro-

S. T. Duursma, Het consumentenbeleid in de Europese Gemeen-
schap,
Socialisme en Democratie.
jrg. 30, nr. 12, december 1973,
blz. 548/549.
Voor een samenvatting ervan zie:
Europa van morgen,
jrg. 5,
nr. 15, 23 april 1975, blz. 209-211.
S. T. Duursma, tap., blz. 551.
Zie:
Europa van morgen,
juli 1976, blz. 379.

Gelijk zoekt zijns gelijk.

45/

o

0

0

0
o

0

Mogen we alstublieft? Want in welk blad bestaat er zo’n

onderlinge “gelijkheid” tussen lezer en adverteerder
als juist in het goede vaktijdschrift? Probeer maar eens

een campagne in dit NOTU*tijd
sc
h
r
ift
.
Wedden dat

we gelijk hebben?

Nederlandse Organisatie van Tijdschrift-Uitgevers

110

gramma’s 1971-1975 van de Rijksvoorlichtingsdienst 9). Ik

kan niet nalaten bij enkele politieke partijen die in de laat-

ste vier jaar deel uitmaakten van de regering daar enkele
punten uit te lichten die inmiddels niet zijn gerealiseerd:

PvdA: geen uitbreiding toestaan van radio en tv-reclame

10);
KVP: ruimte maken voor radio- en tv-voorlichting t.b.v. de

consument;
D’66: instelling van een consumptieraad bestaande uit ver-
tegenwoordigers van consumentenorganisaties en door de

Kroon aan te wijzen deskundigen in plaats van de CCA
(Commissie Consumentenaangelegenheden van de SER).

Het zijn constateringen, geen verwijten. Sinds najaar

1973 hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die in 1971

moeilijk waren te voorzien en die de focus van de politieke
aandacht hebben verplaatst. Dit geldt ook wanneer de poli-

tieke uitwerking moet worden beoordeeld van het rapport

Consumentenbeleid
van een commissie van het Centrum
voor Staatkundige Vorming (wetenschappelijk instituut

van de KVP) van 1971 II). Ook hierin komen desiderata

voor die nog altijd niet zijn verwezenlijkt, ook niet nadat een

KVP-minister vier jaren het Ministerie van Economische
Zaken heeft beheerd, die, we weten het, nog enkele andere

zorgen aan het hoofd had. Bovendien geldt hier dat een

dergelijk rapport iets anders is dan een verkiezingsprogram
en dat – hoe dan ook – het Centrum voor Staatkundige

Vorming voor zover mij bekend het enige wetenschappelijke
adviesbureau van een politieke partij is dat uitvoerig aan-

dacht aan de materie heeft gegeven.

Een beleidsonderbouwend analyse-kader

De overheid is duidelijk bezig tegemoet te komen aan

de vele wensen die de laatste decennia zijn geuit aangaande

de positie van de consument in onze economie. De over-
zichten in de jaarrapporten van de Interdepartementale

Commissie voor Consumentenzaken getuigen daarvan. Wat
echter, ook na drie ICC-jaarrapporten, nog ontbreekt is een

samenhangende beleidsonderbouwende analyse van de con-

sumentenproblematiek. Beleid moet gericht zijn op de span-
ning tussen de feitelijke en gewenste situatie. Om beleid te
kunnen formuleren is inzicht nodig in de feitelijke situatie.

Daarvoor is meer nodig dan alleen een beschrijving. Vragen
naar het waarom van bepaalde problemen dienen door on-
derzoek te worden beantwoord. Zo is het bijvoorbeeld niet genoeg te weten dat reclame tot misleiding van de consu-

ment kan leiden en op welke schaal dat gebeurt. Er moeten

ook gegevens worden verzameld over hoe dat in zijn wërk
gaat en welke functie ze vervult voor het bedrijfsleven.

Eerst op basis daarvan kan een werkelijk effectief beleid

worden gevoerd.
Een groot aantal losstaande maatregelen behoeft er nog
niet toe te leiden dat het verbroken evenwicht wordt her-
steld tussen invloed van producenten en consumenten in
onze economische orde. Een belangrijke oorzaak voor het

aarzelend en fragmentarisch optreden van de overheid is

dat de problemen van de consument niet systematisch zijn
gedefinieerd. Consumentenproblemen werden steeds op ad-hoc-basis en geïsoleerd bezien, om dan per geval te worden
opgelost. ,,Seldom have they been placed in a more general
framework or seen as symptoms of a fundamental eco-

nomic disorder that must itself be diagnosed and treated”

12).

De organisatorische component van het beleid.

Ook de organisatorische component van het beleid ver-
dient veel aandacht te krijgen. Deze bestaat thans uit de In-

terdepartementale Commissie voor Consumentenzaken

(ICC), een coördinerend minister van Economische Zaken,

een Directie Consumentenzaken op diens ministerie en een

Commissie Consumentenaangelegenheden (CCA) van de
Sociaal-Economische Raad. Vooral de laatste ondervindt
veel kritiek. De commissie is in 1965 ingesteld. Een van de

SER-functionarissen heeft in 1972 een evaluatie gepubli-

ceerd van haar functioneren in de eerste zeven jaren 13).
Het oordeel is weinig positief. Van Rij vermeldt onder meer
dat de commissie in 7 jaren slechts 14 maal was bijeengeko-

men. Niet bepaald een tempo om snel voortgang te maken.

Ook na 1972 is er weinig verbeterd. In commentaren op zo-
wel het tweede als het derde jaarrapport van de ICC wordt
gesproken over tijdverlies en trage advisering bij deCCA 14).

De aanzet voor het organisatorisch kader zoals in de
laatste jaren opgezet, acht ik juist, met name de interdepar-

tementele aanpak en de coördinerende functie van het Mi-
nisterie van Economische Zaken. Daar behoort het beleid te
worden gecentraliseerd. De suggestie een Ministerie voor

Consumentenzaken in te stellen 15) zou ik niet zonder meer

willen overnemen. Het consumentenbelang moet volledig

tot gelding komen binnen het Ministerie van Economische
Zaken. In het verleden was dat overwegend een ministerie

van produktiezaken en commerciële zaken. Binnen dat de-

partement dient de overgang zich te voltrekken van een

meer producent-gerichte benadering van economische
vraagstukken naar een meer consument-gerichte benade-
ring. De benoeming van een staatssecretaris voor Con-
umentenzaken 16) in de eerstkomende jaren kan dit proces
bevorderen. In verder perspectief zie ik dan een minister

van Economische Zaken die het algemeen economisch be-leid voert met centrale aandacht voor de finale consument
en daarnaast op hetzelfde departement een staatssecretaris
voor Industrie en een staatssecretaris voor Handel en
Dienstverlening. Wanneer dit onuitvoerbaar zou blijken,
zou men inderdaad de instelling van een Ministerie voor
Consumentenzaken kunnen overwegen. Het Ministerie van

Economische Zaken kan dan weer zoals in de jaren 1935-

1937 Ministerie van Handel en Nijverheid gaan heten. Het is

dan inderdaad duidelijk waar de verantwoordelijkheden lig-
gen. Of we op deze laatste manier sneller bereiken waar we
heen moeten (m.n. naar de meer consumentgerichte bena-
dering van economisch-politieke vraagstukken), betwijfel

ik.
Intussen blijft de klacht van de consumentenorganisaties

dat het beleid te traag tot stand komt. De departementale

molens, de adviesmolens en de parlementaire molens

draaien langzaam. Ter verdediging daarvan kan men stellen

dat grondig voorbereide wetgeving de voorkeur verdient

boven haastwerk met alle gebreken vandien. Niettemin mag
men hopen dat de consumentenorganisaties de overheid
blijven bestoken met hun ongeduld, dat ze alert blijven en onophoudelijk tot spoed manen. De bewijslast voor de on-
vermijdelijkheid van de vertraging berust bij het departe-
ment en het parlement en de adviescommissies.

W. A. A.
M. de Roos

Beleid beschouwd, Politieke Programma’s 1971-1975,
RVD,
7april 1971.
Volgens een bericht in
de Volkskrant
van 13 januari 1975 is de
radio-zendtijd van de STER met 30 minuten per week uitgebreid.
II)
Consumentenbeleid,
Rpport van een commissie van het Cen-trum voor Staatkundige Vorming, Den Haag, 1971.
R. J. Barber, Government and the consumer, in: R. M. Gaedeke
en
W. W. Etcheson,
Consumerism. Viewpoinis from business,
government, and the public interest,
New York, 1972, blz. 161.
P. H. van Rij, Consumentenbeleid in de SER,
Kroniek van het
Ambacht/Klein- en Middenbedrijf,
jrg. 26, nr. 3, mei/juni 1972,
blz. 153-161.
Zie
NRC-Handelsblad
van 16 oktober 1975 en van 28 oktober
1976.
IS) Om. bij Mej. E. Stork, Behartiging van het consumentenbe-
lang,
Intermediair,
jrg. 8, nr. 48, 1 december 1972, blz. 13. 16) Zoals bij de laatste kabinetsformatie is bepleit door consumen-
tenorganisaties en vakbeweging.

ESB 2-2-1977

Au courant

Op weg naar het

werkgeversparadij s

A. F. VAN ZWEEDEN

De brief van minister Boersma aan de
Tweede Kamer over de alle verwachtin-

gen overtreffende stijging van de premie-

opbrengsten in de sociale verzekerings-
sector heeft wel een merkwaardig licht

geworpen op de situatie aan het loon-

front. Of de mededelingen van de
minister een keerpunt zullen betekenen

in de loopgravenoorlog over de auto-
matische prijscompensatie valt op het

moment, dat deze beschouwing wordt

geschreven, niet te voorzien. De nieuwe

gegevens over de sociaal-economische

ontwikkeling wijzigen weliswaar de uit-

gangspunten voor het arbeidsvoorwaar-

denbeleid, maar dat betekent nog niet
dat de hemel al is opgeklaard.
Het meest verrassende gegeven in deze

brief is de stijging van de loonsom per
werknemer in 1976 met zeker twee pun-

ten boven de doelstelling van het kabinet.

Als enige oorzaak wordt de uit de hand
gelopen ontwikkeling van de incidentele

looncomponent genoemd. De eerste

reactie van de vakbeweging was dat de

werkgevers een dubbele moraal huldi-
gen. In het overleg op centraal niveau en in de bedrijfstakken nemen zij het stand-

punt in, dat er geen ruimte is voor aan-

passing van de lonen aan extra prijs-
stijgingen, maar in de ondernemingen
blijkt er wel degelijk ruimte te zijn om

werknemers extra te betalen.

Het verweer van de werkgevers op

deze beschuldiging is tamelijk zwak.
Zij schrijven de incidentele verhogingen

voornamelijk toe aan de opstuwende

werking van de verhoging van het
minimumloon en aan de nivellerende
eisen van de vakbonden die hun uit-
werking vinden in loonvloeren. Derge-

lijke oorzaken van incidentele loonstij-
gingen bieden geen uitputtende verkla-

ring voor een loonbeweging die op ca. f. 2 mrd. kan worden geschat. De Ont-

duiking van de strakke loonmaatregelen
van 1976 moet op veel grotere schaal zijn
voorgekomen dan de werkgevers willen

toegeven.

Hoe verklaarbaar de ongecontroleer-
de loonbeweging ook mag zijn, ze be-
wijst in ieder geval de onhoudbaarheid

van een strakke, centraal geleide loon-
politiek. De natuur is sterker dan de leer.
Wanneer als gevolg van uniforme loon-

voorschriften – f. 30 voor iedereen in

juli en f. 60 als uitkering ineens in

november – de prijsontwikkeling ter

nauwernood kan worden bijgehouden,
zal er binnen de bedrijven altijd een grote

druk ontstaan om extra uitkeringen te

doen, om goede werknemers aan te trek-
ken of te behouden. Zwart loon gaat

altijd samen met een straffe loonpoli-
tiek; dat heeft het verleden al afdoende
bewezen.

In 1976 was sprake van enige con-
juncturele opleving. Er kwamen orders

binnen die om overwerk vroegen. Boven-

dien moet de winstpositie van de onder-
nemingen gunstiger zijn geweest dan uit

de officiële ramingen bleek. Bij de be-
handeling van de begroting kon minister

Duisenberg al melden dat de opbreng-

sten van de vennootschapsbelasting veel
hoger uitvielen dan was verwacht.

,,Ruimte” voor verbetering van ren-
dementen of arbeidsvoorwaarden is een

heel vreemd begrip. Bij een arbeidsinko-

mensquote van boven de 90 lijkt er vrij-
wel niets meer over voor het overige

inkomen. Maar de arbeidsinkomens-

quote is een misleidend begrip. Het is een

macro-economische grootheid die niet
alleen de inkomens van de arbeiders om-vat, maar ook de salarissen van de direc-

ties en de hogere functionarissen. Zeker kan worden aangenomen dat van de op-

trekking van het minimum-loonpeil en
van de inkomensnivellering aan de voet

van de loonschalen een opstuwende
werking uitgaat. Maar om geld uit te
trekken voor promoties, extra periodie-

ken, andere toeslagen of dertie9de-

maanduitkeringen, is een zekere ruimte
nodig die ofwel ontstaat door prijsver-
hogingen ofwel gevonden wordt in de
winstmarges.

De extra loonsomstijging heeft ook
in zoverre een gunstig effect, dat de
inkomsten van de sociale fondsen uit
de premie-opbrengsten er veel meer

door zijn gestegen dan bij de vaststelling
van de premie-percentages voor 1976

was verwacht. Minister Boersma con-

cludeert dat het premieniveau voor
1977 in feite te hoog is en suggereert
dat er alle ruimte is voor een bijstelling
van de premies. Er is geen sprake van in-

cidentele meevallers in de premie-op-

brengsten, zoals wel eens vermoed is;

de stijging heeft een structureel

karakter. Als mogelijke oorzaken

daarvan wordt gewezen op de ver-

hoging .van de premie-inkomens-

grenzen,-op de effecten van de inkomens-

nivellering en de verruiming van de werk-
gelegenheid in enkele bedrijfstakken,
zoals de bouw. Als de premie-grondslag
– het inkomensniveau waarover de pre-
mies worden geheven – inderdaad
hoger is komen te liggen, is er aanlei-

ding-om de premies daarbij aan te pas-
sen en een zekere intering van de reser

ves te accepteren. De ramingen hebben
uitsluitend betrekking op de inkomens-

kant van de sociale verzekering, niet op de ontwikkeling van de lasten. De mee-vallende inkomsten leveren niet het be-
wijs dat de noodzaak van de ombuigings-

operatie in de sociale voorzieningen is
verminderd. De stijging van de premie-

opbrengsten heeft tot gevolg dat de pre-
miedruk op de verdiende inkomens gro-
ter wordt. Uit een oogpunt van inko-
menspolitiek ligt het daarom voor de

hand de premie-percentages te verlagen.

Daardoor kan de koopkracht van de
werknemer iets worden verbeterd.

Misschien ligt hierin een aanleiding
om het overleg over de arbeidsvoor-

waarden voor 1977 te hervatten. Het
principiële conflict over de automati-
sche prijscompensatie wordt er niet door

opgelost. Een premieverlaging kan im-
mers tijdelijk wel wat ruimte scheppen,

maar dergelijke meevallers bieden op
den duur geen garantie tegen tegenvallers
bij de prijsontwikkeling.
De stelling van de werkgevers dat het
bedrijfsleven geen ruimte meer heeft

om de koopkracht van de werknemers
te garanderen wordt sterk aangetast

door de in 1976 opgetreden ,,wage drift”.
Zij hebben gelijk met hun bewering dat
de incidentele looncomponent hoger
moet worden ingeschat dan de halve

procent die het Centraal Planbureau
daarvoor had uitgetrokken. Als dat juist
is, dan is de ruimte voor initiële loons-

verhogingen geringer dan tot dusver

wordt aangenomen. Voortzetting van de

,,nullijn” voor de arbeidsinkomens be-
tekent bij handhaving van een strak ge-

coördineerd loonbeleid dat de inciden-

tele looncomponent meer en meer het

beeld van de loonontwikkeling zal gaan
beheersen.

112

Europa-bladwijzer

Aspecten van de

uiteenlopende
economische ontwikkeling

DRS. E. A. MANGÉ

Zoals aangekondigd in de vorige bladwijzer over de planning in de EG,

zouden we thans het 4e programma voor de economische politiek op middel

lange termijn moeten behandelen. Wegens onenigheid over de ontwerptekst

in de parlementaire commissie ter zake, werd de bespreking ervan afgevoerd

van de december-agenda van het Europese Parlement. Daarom geven we, in

de hoop op een levendig en fundamenteel debat in dit parlement, er de voor-

keur aan het 4e programma als onderwerp van een volgende bladwijzer te

nemen.

Het huidige onderwerp sluit er evenwel bij aan. De economische recessie,

die sinds 1974 de wereldeconomie teistert, kwam niet alleen tot uiting in een

vermindering van de economische groei, massale werkloosheid en een groei

van de inflatie in alle lidstaten, maar ook in een uiteenlopende economische

ontwikkeling. De crisis wordt namelijk door de lidstaten verschillend opge-

vangen en de conjuncturele situatie heeft in een aantal landen bepaalde struc-

turele zwakheden blootgelegd. Deze divergerende economische ontwikke-

ling is bovendien meer en meer problematisch voor het behoud van de reeds

tot stand gebrachte Europese integratie. Eén van de fundamentele doelstel-

lingen van het 4e programma is dan ook in de planperiode tot een hogere

graad van con vergentie inzake economische ontwikkeling tussen de lid-

staten te komen.

Economische situatie

In het jongste jaarverslag over de eco-

nomische situatie van de Gemeenschap 1)
wordt een overzicht gegeven van de evo-
lutie van de voornaamste macro-econo-

mische grootheden in de jaren zeventig
(tabel 1). De ramingen betreffende de
economische groei in 1976 wijzen op een

duidelijk herstel in alle lidstaten, zodat
een gemiddelde groei zou worden ver

wezenlijkt van
4,8%.
Dit betekent een
terugkeer naar het groeicijfer van de
We komen terecht in het werkge-
versparadijs als ook de automatische

prijscompensatie wordt opgeheven.
De cao-lonen zullen dan immers worden

teruggeschroefd tot uiterst marginale

minima. Bij elke onderhandelingsronde
wordt de inzet zo laag dat de marge
voor incidentele loonsverhogingen zo-veel mogelijk wordt vergroot. De vak-
bonden verliezen met hun geco6rdineer-
de loonpolitiek hun greep op de loonont-

wikkeling die niet meer op nationaal of
op bedrjfstakniveau wordt gestuurd,
maar binnen de ondernemingen wordt.

periode 1968-1972. Bepaalde landen,

vooral Nederland en België, blijven
echter sterk beneden het groeivermogen

van die periode. Het conjunctuurherstel
ging echter niet gepaard met een terug-

keer naar volledige werkgelegenheid.

Integendeel, voor alle lidstaten wordt in
1976 een verdere toename van de werk-

loosheid geconstateerd. Tevens is er alge-
meen een verslechtering van het saldo

van de lopende rekening (de enige uit-zondering vormt Nederland). Naast de
,,leads and lags” ingevolge de spanningen

bepaald. De straffe procedures in het ar-
beidsvoorwaardenoverleg zetten de vak-
beweging klem, maar bieden aan de on-

dernemers de vrijheid om door hun eigen

loon- en salarispolitiek een loondiffe-

rentiatie te bewerkstelligen die beter

beantwoordt aan de schaarste-verhou-

dingen op hun specifieke arbeidsmarkt.

Het enige tegenwicht dat de vakbon-

den hier kunnen leveren is aan te sturen
op onderhandelingen binnen de bedrij-
ven door eigen vakbondsvertegenwoor-
digers.
A. F.
van Zweeden

op de wisselmarkten is dit hoofdzakelijk

te wijten aan het feit dat van het econo-
misch herstel in de eerste fase een defici-

tair effect uitgaat.

Het conjunctuurherstel in het midden

van 1975 stopte reeds in de tweede helft
van 1976. De vooruitzichten voor 1977
zijn gematigd en worden beheerst door
onzekerheden. De groeivoet van het

reële bruto binnënlandse produkt zou

voor de Gemeenschap hooguit 4% kun-
nen bedragen, op voorwaarde dat de

gunstige factoren werkzaam zullen blij-
ven
2).
Een belangrijk aspect van de uiteen-

lopende economische ontwikkeling be-
treft de verschillen in inflatiepercentages
tussen de lidstaten. Weliswaar is in 1976,
met uitzondering van Denemarken, een

daling van het infiatietempo op te mer-

ken, maar de verschillen blijven groot.
Een belangrijke middengroep, waar-
onder Nederland en België, met een in-

flatie van 9 /s 9,5% tekent zich duidelijk
af. Aan de ene kant bevinden zich een
aantal landen met een inflatie van 16 â
18% (het Verenigd Koninkrijk, Ierland
en Italië), aan de andere kant Duitsland

met een gemiddelde prijsstijging van

Uurkosten

De divergerende economische ont-
wikkeling uit zich om. in de ontwikke-
ling van de arbeidskosten in de Gemeen-
schap. Recent publiceerde de Commissie

gegevens over de uurkosten in de indu-
strie voor de periode 1972-1975 3). Het
betreft een actualisering van de enquête

van 1972 (1973 voor het Verenigd Ko-
ninkrijk en Denemarken). Een vergelij-

king tussen de lidstaten wordt gemaakt

door omzetting van de nationale gege-vens in EUR, de statistische rekeneen-

heid van de Gemeenschap. Aldus werd
rekening gehouden met de ontwikkeling

Pb., 1358, 29 december 1976.
lbid., blz. 8.
Sociale Statistiek, nr. 611976.

ESB 2-2-1977

113

Tabel 2. Evolutie van de uurkosten in de industrie, 1972-1975 (in EUR)

Ncdcr-
k,nd
België
Lnxem-
burg
Duits-
land
Frank-
rijk
Italië
ver. Ko-
ninkrijk
Dette-
marken

1972

……….
1.47
3.16
3.29
3.51
2,65
2.66
lv.

1973

……….
3.90
3.60
3.70 4,00
100
2,70
X.

1973

………
4.30
3.80 3,00
4.40
3.10
2.70

4,00
3.70 3.70
4.10
3.10
2.70
2,08
3.72
4.80
4.30
4.40
4.70
3,20
2.90
.
4.40
5.10
3.80
4.70
4,80
3,50
3.00
2.60
4,70

1973

……….

5,00
4.50
4,60
4.80
3.30 3.00
2.40
4.60

iv.

1974

……….
X.

1974

……….

5.60 5.40
5.20
5.10
4.00
.
.
5.20
1974

……….
Iv.

1975

……….
5.90
5.70
5.30
5.20
4,40
.
3.10
5.40
X.

1975

……….
1975

……….
5,70
5.50
5,20
5.20
4.10
.
2.70
5,30

Bron: Sociale Statistiek,
nr. 6, 1976.

Tabel 1. De belangrijkste macro-economische grooiheden in de gemeenschap a)

Bruto binnenlands produkt in
Prijsindexcijfer van de gezins-
Aantal werklozen d) in
%
van
Saldo van de lopende rekening van
constante prijzen
consumptie b)
de beroepsbevolking de betalingsbalans (mrd. S) e)

Mutaties in
%
ten opzichte van het gemiddelde van het voorafgaande jaar

gemid-
gcmtd-
gemid-
gemid-
delde
delde delde delde
968-
1973 1974 1975 1976
1968-
1973
1974
1975
1976
1968-
1973
1974 1975 1976
968-
1973 1974 1975
1976
972
1972
1972
1972 e)
c)

c)
c)

4.8
30
.6

0
5.0
5.6
8.5 5.0
8.8
9.0
1,3
0.9
2.4 5.2
4,9
-‘0.3
-0.5

.0
-0.5
-1,7
5.5
5,1
0.7

3,3
5,7 3,8 7,0
7,3
6.1
4,5 0,8
.0
2.2
4,1
4,0
1,1
4.3 9.2
3.1
2,0
Denemarken
…………..
B.R. Duitsland
…………
6.0
5.2 2.9

1,3
5,0 5,3
7,1
3,9
11.5
9,5
2.0
2,1
2,3
3.8 4,3
-0,4
-0.7

7.0
-0.2 -3.6
Frankrijk

……………..
Ierland

……………….
5.0
5,6 0,8
-0,5
3,5
7,5
11.8
5.7
21.3
18.0
5.6 6.0 6.4 9.2
0.0
-0.1
-0.2

0,7
0
-0,3
3.9 6,8
3.4
-3.7
4.5
5.1
12,1
20.2
7.4
7.0 3,4 3,5
2.9 3.3
3,5
1,8
-2.5

8.0
-0.5
-2.8
Niederland

……………5,7
4,1
2.9
-0,9
3,7
6.0
8,8
0,0 0.5 9.5
1,6
2,4
3,0 4,3 4.7
0,1
2.3 2.0
.6 2.2
België

……………….5.4
6.3 4.2
-1.8
3.7 3,5
6.0 3,0
12,1
9,0
2.3
2,4 2.6 4.5 6,0
0,6
1,1
1,0
1,0
0,8
Lnsemburg

…………..4,3
7,1
3,4

7,7
3.1
3,9
6,1
9,5
10.7
9,0



0,2
0,4

Italië

………………..

Verenigd Konkrijk ……..2.2
5.3
0,2
-1,6
3.0 5.6
8,7
15.4
22,0
16,0
2.9
2,6 2,6
4.0
5,5
0.9
-2.0

8.4
-3.8
-3.2

5emeenschap

………….
.4.7
5.2
1.8
-2.4
4.8
5.2 8,3
12.6
12.2
10,3
2,1 2.1
2,5 3,9
4,5
3,7
1.8

12.8
0.6
-6,7

1968-1975: realisaties; 1976: ramingen.
Definitie nationale rekeningen.
Meetkundiggemiddelde vandejaarlijkse mntatiestnssen 1967en 1972: werkloosheid en lopende rekening van de betalingsbalans: rekenknndiggemiddcldevandevijfjaren. Gez,ende met vollediggelijke definities kunnen dewerkloosheidscijfers niet van land tot land worden vergeleken: zijgevenslechtsdeontwikkelingin iederlandaan.
Door afrondingen kan de optelling afwijken van hel totaal.
Bron: PB,
nr. L 358,29 december 1976.

van de wisselkoersen, zij het in beperkte

mate. hnmers, voor de omrekening
werden voor Duitsland, België, Neder

land en Denemarken de bij het IMFop-
gegeven spilkoersen gebruikt; voor
Frankrijk, Italië, het Verenigd Konink-

rijk en Ierland de marktkoersen 4).
Uit tabel 2 blijkt dat in de landen met
een zwakke munt de uurkosten over het

algemeen Vrij stabiel zijn gebleven. Dit

is grotendeels te wijten aan het neutra-
liseringseffect van de depreciatie van
hun munt. De ,,slanglanden”, die min
of meer een stabiele munt hebben, note-

ren daarentegen een sterke stijging van

hun arbeidskosten.

Alhoewel de verschillen tussen de

slanglanden zowel in 1972 als in 1975

niet meer dan 10% bedragen, hebben
zich belangrijke onderlinge verschuivin-
gen voorgedaan. T,o,v, alle partners

verbeterde de relatieve positie van Duits-
land sterk. Terwijl in 1972-1973 de uur-

kosten het hoogst waren in Duitsland,
stonden ze in 1975 op de vijfde plaats.

In april 1974 stegen de Nederlandse uur-
kosten boven de Duitse; in april 1975
was het de beurt aan België, Luxemburg
en Denemarken. In de beschouwde

periode was de kostenstijging het grootst
in België, namelijk
75%.
Dit is een jaar

lijkse toename met 21%, tegenover 17%

Deze rubriek wordt verzorgd door

het Europa-Instituut van de
Rijksuniversiteit Leiden

in Frankrijk en Luxemburg, 16% in
Nederland en 11% in Duitsland.

Tabel 3 geeft een overzicht van de ont-
wikkeling van de uurkosten in de indu-
striële sectoren. Uiteraard weerspiegelen

de sectoriële data dezelfde evolutie als
in tabel 2. In 1975 waren in. ongeveer 3/
3

van de industriële sectoren de uurkosten
het hoogst in Nederland en België. Ter-
wijl dit in 1972 nog het geval was voor

Duitsland, gold dit in 1975 nog slechts
voor twee sectoren, m.n, machinebouw
en automobielen. In vergelijking met

Duitsland kenden de volgende sectoren

in Nederland en België een sterk ongun-
stige ontwikkeling: metaalprodukten
(excl. machines), elektronische industrie,
transportmaterieel (excl. auto’s), win-
ning van niet-energetische mineralen,
chemie, Ieder, rubber- en plasticverwer-kende industrie, bouw.

In 1974 verbeterde voor alle sectoren
de positie van Frankrijk t.o.v. alle part-

ners. In 1975 kende Franrkijk evenwel
een relatieve verslechtering, vooral t.o.v.
Duitsland. Over het algemeen liggen de
uurkosten in Frankrijk 26% beneden

die van de slanglanden. Een belangrijke

uitzondering vormt de fabricage van

bureaumachines en machines voor in-
formatieverwerki ng, waarvan de kosten

25% hoger liggen dan in de Gemeen-

schap. Voor Italië zijn in vele gevallen recente gegevens niet beschikbaar. Op

grond van de beschikbare gegevens kan
men toch concluderen dat ingevolge de

snelle depreciatie van de lire algemeen

de uurkosten minder sterk zijn gestegen.
Dit is ook zo voor het Verenigd Konink-
rijk dat in elke industriële sector de laag-
ste arbeidskosten van de Gemeenschap
heeft. In Denemarken zijn daarentegen

de uurkosten snel toegenomen. In vier
sectoren worden in 1975 daar de hoogste
kosten van de Gemeenschap genoteerd:

voedings- en genotmiddelenindustrie,
schoen- en kled ingnijverheid, papier-
warenindustrie en uitgeverijen en ove-

rige industrie.

Besluit

De ontwikkeling van de inflatie of van
de kosten in vergelijking met andere lan-

den wordt dikwijls gebruikt om zich een
idee te vormen van de veranderingen
van
het internationale concurrentie-
vermogen van een land.
De competivi-
teit van een economie is evenwel een re-
latief en complex begrip, dat niet precies

te meten valt. Aan alle indicatoren kleven
ernstige bezwaren 5). Zo weerspiegelen

infiatiecijfers niet alleen de prijsverande-
ringen van de internationaal verhandelde
goederen, maar ook de goederen die
alleen op de binnenlandse markt worden

Voor een overzicht van de in de Gemeen-schap gebruikte rekeneenheden, zie de Euro-
pa-bladwijzer in
ESB
van 3 maart 1976.
Veranderingen in de prijs- en kostendispa-
nteiten en veranderingen in de wisselkoersen,
Tijdschrift van de Nationale Bank van België.
november 1976.

114

geproduceerd, verhandeld en verbruikt
of geïnvesteerd. Met betrekking tot de

arbeidskosten zijn er appreciatiemoei-

lijkheden wegens de verschillen die van land tot land bestaan inzake de bepaling

en het samenstellen van de basisgege-
vens. Bovendien vormen de arbeids-

kosten slechts één van de bestanddelen
van de aanbodprijs. Hun verloop is niet
noodzakelijk representatief voor de
overige bestanddelen. Integendeel, in

sommige gevallen is er een tegengestelde
evolutie. Andere indicatoren, zoals de

groothandelsprijzen of eenheidswaar-
den van de uitvoer, hebben ook hun na-delen. Bovendien, voor alle indicatoren
stelt zich, in een systeem van zwevende

wisselkoersen, het probleem van de –
moeilijke en subjectieve – keuze van de

rekenmunt.
Het concurrentievermogen van een

land kan gedelinieerd worden als
het

vermogen om een steeds belangrijkere
positie op de internationale markten te

verwerven.
Een mogelijkheid om dit ver-

mogen te meten, berust daarom op de
z.g.,,constant-market-share”-analyse.
Deze indicator stemt overeen met de

verhouding tussen de uitvoerwaarde

van een land tijdens een bepaald jaar

en de hypothetische uitvoerwaarde die
aanduidt wat de export van dat land

zou zijn geweest indien het opelke markt

zijn aandeel van het basisjaar had weten
te behouden. Uiteraard bezit ook deze
analyse nadelen; o.m. dat ze zich beperkt

tot een vaststelling, maâr geen enkele
verklaring geeft van de veranderingen.
Het is een a-posteriori-interpretatie 6).

Bovendien worden meestal niet de zui-
vere effecten weergegeven, aangezien de

uitvoerders zich zelden in identieke con-

currentievoorwaarden bevinden. Het
instellen van de intra-handelsbelemme-

ringen heeft evenwel in de Gemeenschap
uitzonderlijke observatiemogelijkheden

gecreëerd. M.a.w., daar in de Gemeen-
schappelijke Markt de concurrentie-

voorwaarden identiek zijn, zou de evo-
lutie van de marktaandelen van de lid-

staten de veranderingen van hun con-
currentiepositie moeten weergeven 7).
De gegevens in tabel 4 werden bere-
kend op basis van de intra-handel voor

afgewerkte produkten, waarbij werd ge-

abstraheerd van de intra-Beneluxhan-
del. Gelijksoortige berekeningen, maar
dan voor de Zes, werden reeds vroeger
verricht voor de periode 1958-1971 8).

Hieruit bleek dat de concurrentiepositie
van Nederland sterk afnam van 1958
tot 1962, gevolgd door een lichte op-

P. De Grauwe, Determinanten van de ex-
portprestatie van België en Nederland,
Tijd-
schrift voor Economie,
nr.
1, 1971,
blz. 54.
Bank van Brussel,
Het concurrentie vermo-
gen van de BLEU en de positie van de Bel-gischefrank,
Brussel, april
1973, blz. II.
8), A. Kervyn de Lettenhove en A. Bouchat,
Analyse et projection des échanges intro
C.E.E.,
Leuven
1971,
en Bank van Brussel,
op. cit., blz. 11-13.

Tabel 3. Secioriële evolutie ton de uurkos,’en in de industrie. 1972-1975 (in EUR)

ver.
Bedrijfstak
BR
Frank-
Italië
Neder-
België
Luxem-
enigd
Dene.
Jaar
Duits.
rijk
land
burg
Konink-
mar-
land
rijk a)
ken bI

Onderncminuen met meer dan ID werknemers)
Aardolie- en aardgaswinning
….
4.46
5.78 5.09 5.48
1972
5.70
6.20
5.00
/H
1973
6.10
6.80
5.50
,,/
1H
1974
7.30 8.30
,,)
:
:
1975

4.96
5.10 4.75
5.11 5.6))
//
:
1972
6.00 5.50
4.50
5.90
6.60
3.30 4.17
1973
7.10 6.20 4.70
7.30
7.90
/
1
3.90 5.00
1974

Aardolie-industrie

…………..

7.80
7.50
8.50
9.70
Ja’
4.60
5.70
1975

Winning en voorbewerking san cr1
7.99
4.00
3.81
.

.
1
4.57 972
4.70 4.50
3.70
.
.,
5.10
1973
5.50
5.00
4.40
.
.
6.10
974

sen

…………………….

6.00 6.30
.

.


6.60
1975

Vervaardiging en

eerste

verwer-
183
3.04 3.27 3.94
4.01
1972
4.50
3.50
3.30 4.70
4.60
2.411
4.07
1973
5.20 3.80
3.80
5.70 5.60 2.70
5.10
1974

king van metalen

………….

5.60
4.90
6.60 6.10
3.20
6.01)
1975

Winning van niet-energetische mi-
14
2.66
2.58
4.15
3.21
2.93
:
1972
neralen: s’eenderijen
………….
4.00
3.00 2.70 3.70
3.20
3.52
1973
4.60
3.30 3.00
4.50 3.90
4.30
1974
4.90 4.10
é
5.50
5.00 5.10
1975

Vers’aardiging san Steen, cement.
hetonwaren. aardewerk, glas e.d..
12
2.65
2.38
3.37 3.15
1972
3.90
310
2.50
3.90
3.70 2.04
3.81
1973
4.50
3.30 2.80
4.70
4.50
:
2.30
4.50
1974
4.80 4.10
:
5,4))
5.50
:
2.70
510
1975

4.18
3.50
3.51
4.17
4.1)5
:
: :
972 4.90 4.00
3.50 5.00
4.80
:
2.43
4.23
1973
5.80
4.30
3.80
(s.00
5.90
:
2.80
5.10
1974

Chemische indnslrie

…………

6.30
5.30
:
7.0))
7.10
:
3.20
5.9))
1975

Kunstmatige en synthetische con-
1.72
3.43 3.14
:
3.87
1972
4.4))
3.80
3.30
:
4.40
:
2.44
:
1973
tinugaren- en s’ezelfabrieken
….

5.20
4.20
3.70
:
5.40
:
2.8))
:
1974
5.60
5.20
: :
6.50
:
3.30
:
1975

vers’aardiging van produkten uil
metaal

(met

uitzondering

van
machines en transponmiddelen)
3.42
2.54
2.57
3.16
-3.15
2.55
: :
1972
4.10
2.90
2.7))
3.70 3.70 2.90
1.9))
3.59
1973
4.70
3.20 3.00
4.6))
4.50
3.50
2.20
4.40
1974
5.10
3.90
:
5.20
5.50
4.20
2.50 5.10
1975

Machinebouw
………………
1.73
2.85
2.85
33))
3.34 3.08
: :
1972
4.50
3.20 3.00 3.80
3.90
3.40
2.08 3.84
973
5.20
3.50 3.20
4.80
4.70
4.10
2.40
4.70
974
5.70
4.3))
:
5.50
5.60
5.00
2.70 5.50
1975

Bureaumachinefabrieken;

fabrie-
ken

van machines soor infor-
4,34
5.27
3.53
3.68 2.72
: :
972
5.00
6.20
3.50
4.00
3.20
,
j
2.48
:
973
5.80
6.30 3.90
5.00
4.00
‘a,
2.70
:
1974
6.30
7.90
:
6,00 4.70
.
3.20
:
975

Elektronische industrie

……….
1.60
2.76 2.04
3.79
3.28
:
: :
1972
4.40
3
1
0
338
0
4.3))
3.80


:
2.10
3.63
973
5,10
3.40 3.40
5.20 4.70
:
2.3))
4.50
1974
5.60
4.20
:
1,11)
5.60
:
2.60
5.20
975

Automobielbouw;

fabrieken

van
4.06
2.94
3.21
3.36
3.53
:
: :
972
4.80
3.40
3.20
4.00 4.10
:
2.51
3.70
1973
5.50
3.70
3.40 5.00
4.90
:
2.80
4.50
1974
6.10 4.50
:
5,70
6.00
:
3.00
5.20
1975

Overige

transportmiddelenfabrie-

matieverwerking
…………..

1.68
3.31
3.02
3.63
3.60
,/
: :
972
4.40
3.70
3
1
0
4.40 4.20
/
2.26
4)1)
973
5.20
4.10
3.40
5.40 5.10
a//
2.60
4.90
1974
5.60
5.20
:
610
6.30
j'(
3.00
5.70
975

auto-onderdelen

…………..

Fijnmeehanische

en

optische

in-
1.13
2.55 2.57
3.48 3.18
!,
: :
972
3.80
2.90
2.70
4.10
3.70
.11
2.19 3.60
1973

ken

…………………….

4.30
3.20
2.90 5.00
4.50
j,
2.50
4.40
1974
4.80
3.90
:
5.70 5,40
al
2.90
4.9))
975

dustrie

………………….

Voedings- en genotmiddelenindu-
1.01
2,44 2,66 3.35
2,87
2.54
: :
1972
3.60
2.80
2.5))
3.90 3.30
3.20
1.98
3.86
1973
strie

……………………

4.10
3
1
0
2.80
4.70
410
3.70
2.20
4.70
1974
4.50
3.80
:
5.50
5.00
4.50
2.60
5.60
1975

ESB2-2-1977

115

leving om vanaf 1964 tot 1970 vrijwel
constant te blijven op ongeveer 10%
beneden
het marktaandeel van 1958.

Ook de BLEU kende een relatieve ver-
slechtering tot 1962, waarna de concur-

rentiepositie sterk verbeterde (in 1970
ongeveer 15%
boven
het peil van 1958).
De reden voor de snelle daling in de

periode 1958-1962 voor beide landen
was het verdwijnen van de Beneluxvoor-

delen door de oprichting van de EEG.
Ook Duitsland kende een voortdurende

daling van zijn concurrentiepositie in
de beschouwde periode, terwijl de posi-

ties van Frankrijk en Italië sterk ver-

beterden. Het openstellen van hun eco-

nomie had voor deze laatste twee lan-

den dus bijzonder gunstige effecten.
Vanaf 1965 ‘begon de positie van Frank-
rijk echter te tanen.

In 1971 tekenden zich een aantal wijzi-

gingen af. Een verbetering trad op voor
Nederland en Frankrijk; een daling voor

België en Duitsland. Een ruwe bereke-

ning voor de periode 1970-1975 9) toont
aan dat deze beweging zich voortzette.

Zowel Italië als het Verenigd Koninkrijk
ondervonden evenwel een dramatische

terugval van hun concurrentiepositie tot
1973/ 1974, en daarna een verbetering.
Alleen in 1972-1973 kenden België en

Duitsland een relatieve verbetering. Een
part.iële verklaring hiervoor is het
,,Smithsonian Agreement” van decem-
ber 1971 met betrekking tot het herstel
van de wisselkoersverhouding: vele koer-

sen werden, zoals achteraf bleek, te hoog

vastgesteld zodat België en Duitsland
een relatief voordeel haalden uit de vast-

gestelde verhoudingen. Dit voordeel
Ver-
Bedrijfstak
BR
Frank-
Italië
Neder-
België
Luxem-
enigd Dene-
Jaar
Duits-
rijk
land
burg
Konink-
mar-
land
rijk a) ken b)

2,15
2.06
2.15
289
2.54
1972
3.30
240
2.30 3.40
3.00
1.59
3.15
1973
3,80
2,60 2.50
4.00 3.60
1,80
3,90
1974
4.10
3.20
4.80
4,40
2,10
4,50
1975

Textietnijverheid

……………

2,54
1.94
2.06
2.72 2.53
1
11
1972
2.90
2.20
2.10 3.20 3,00
1//
1.60
3.09
1973
Ledernijverheid

…………….

3,30
2.40 2.40
4.00 3.60
1
1
1
1
,80
3.80
1974
3,60
3,10
4.40
4.30
///
2.00
4.30
1975

Schoen- en kledingnijverheid
, , . .
2,50
1.85′
1.85
2,19
1.98
1.58
1972
3,00
2,10
1.90
2,50 2,40
1,80
1.37
2.85
1973
3.30 2,30
2,10
3,20
2,90 2,00
1,60
3,50
1974
3,70
2.90
3,80
3,60 2,50
1.80
4,20
1975

Houtindustrie; fabrieken van hou-
1,09
1,99 1,95
2.90 2,59
1972
3.70
2.30 2.10
3,40 3,00
1.93
3.16
1973
4.30
2,50 2,30
4,10
3,80
2,20
3,70
974
4.60
3,20
4,70
4,70
2,50
4,50
1975

Papier-

en

papierwareninduslrie;
gra0sche nijverheid; uitgeverijen
3,30
3,01
3,18 3.64 3.11
1972

ten meubelen

…………….

3.90
3,40 3,20
4,20 3,80
2,24
4,14
1973
4,50
3,70
3.30
5.10
4,60
2,60 5.10
1974
4,80
4,60
5,80 5,80
2,90
6,00
1915

Rubber- en plastieverwerkende in-
1,26 2,47
2,77
3,29 3.06
3,23
1972
3,90
2,80 2.70
3,70 3.60 3,60
2,06
3,52
1973
4,40
3,10 3,40 4,50
4,50
4.30
2.40 4.30
1974

dustrie

………………….

4,80
3,90 5,20 5,30 5,30 2,70
4,90
1975

Overige be- en verwerkende indu-
2,77
2.25
2.10
3,00
2,05
;
1972
3,30
2,60 2.20
3.60
2,50
1,70
3,35
1973
3.40
2,80
2,40
4,20
2,90
2,00
4.20
1974

strie

……………………

3,70
3,50
5.00 3.60
2,20 5.10
1915

3,55
2,39
2,31
3,53 3,17 2,33
1972
4,30
2,70 2.40
4,10
3.90 2,70
2,09
1973
4,80
3.00 2.70
5,00 4,70
3,40
2,30
1974

Bouwnijverheid

…………….

5.10
3.70 5,90 5,80
4.00
2.70
1975

Totaal van deextractieve nijverheid
4,37 3,48 3,12
3,07
3,94
1972
4,00 3,10
:
4,60
4,40
2,80
1973
4,40 3,50
:
5,60
5,30
:
:
1914
5,70
:
:
6,80
6,00
:
1975

Totaal van be- en verwerkende in-
3,48
2,69
2,70 3,44
3,20
3,53
:
1972
4,10
3,10 2,80 4,00
3,70 4,00
2,00
3.72
1973
4,70 3,40
3,10 4,90
4,50 4,90
2,40
4.60
1974

dustrie

………………….

5.20 4,20
5,70 5,50
5,50
2,70 5,30
1975

3,51
2.65 2,66 3,47
3,16
3,29
1972
4,10 3,10
2,70 4,00
3,70
3,70
2,11
1973
rotaal

……………………

4,80
3,30
3,00
5,00
4,50 4,60
:
1974
5,20
4,10
:
5,70 5,50
5,20
1975

Meer dan 50 werknemers.

Bron; Sociale Statistiek,
ur. 6, 1976.
Meer dan 6 werknemers.

Tabel 4. Indicator van de concurrentie-

positie (1973 = 100)

1974
1975
1976 a)

124
138
136
BLEU

………………95
93
98
98
94
96
102
105
102

Nederland

…………….

87
90
84

Duitsland

…………….
Frankrijk

……………..

Verenigd Koninkrijk
93
87
89
Italië

………………..

95
91
87
Ierland

……………….
Denemarken

…………..
96
109 103

a) Eerste helft.
Bron;
Berekend op basis van EG-gegevens.

verdween bij de algemene overgang naar

zwevende wisselkoersen.
Sinds de uitbreiding van de Gemeen-
schap is het mogelijk de indicator van

de concurrentiepositie meer exact te

berekenen (tabel 4). Slechts drie landen

vertonen een verbetering: Frankrijk,
Denemarken en vooral Nederland. Niet
alleen de zwakke Europese economieën,
Italië en het Verenigd Koninkrijk, zien

hun positie verder achteruitgaan, maar

ook de BLEU en Duitsland. Opvallend

is dat met het conjunctuurherstel in
1976 de posities van de lidstaten, met uit-

zondering van Italië, zich opnieuw naar
elkaar toe bewegen.

Uit deze gegevens betreffende de in-
tra-handel blijkt bijgevolg duidelijk dat

noch de inflatie, noch de kostenontwik-

keling determinerend zijn voor het con-

currentievermogen van de lidstaten.

N iet-prijsdetermi nanten, zoals gewoon-
te, kwaliteit en service, spelen ook een

belangrijke rol. De effectieve appreciatie

van de wisselkoersen zou de afname van de posities van België en Duitsland kun-‘
nen verklaren, maar is in tegenspraak

met de ontwikkeling van het concurren-

tievermogen van de Nederlandse econo-
mie. Uit de vaststelling dat in de jaren

zeventig voor alle lidstaten het aandeel
van de export naar de EG-partners in

hun totale export constant blijft of stel-

selmatig afneemt, kan worden afgeleid
dat de groeimogelijkheden van de intra-
handel als het ware opgebruikt zijn.

Vooral Duitsland richt zich meer en

meer op markten buiten Europa

(Nabije Oosten, Zuid-Oost Azië en La-
tijns-Amerika). Het aanhoudende weg-

kwijnen van het industriële potentieel

van het Verenigd Koninkrijk en Italië
is met grote waarschijnlijkheid een ge-
deeltelijke verklaring voor de relatieve
achteruitgang van de concurrentieposi-
tie van deze landen, ondanks de depre-
ciatie van hun munt. De vrijkomende

aandelen worden vooral ingenomen
door Nederland en in mindere mate door

Frankrijk en Denemarken, vaak ten
koste van de BLEU. België en Luxem-
burg lijken ons dan ook de enige verlie-
zers.
E.
A. Mangé

9) Ingevolge de uitbreiding van de Gemeen-
schap in 1973 is het moeilijk gegevens te ver-
zamelen betreffende de intra-handel voor af-
gewerkte produkten, hetzij voor de Zes, hetzij
voor de Negen.

116

Toets op taak

Cultuur, beleidsanalyse
en decentralisatie

DR. J. D. HILFER1NK

De minister van CRM heeft de Tweede Kamer binnen enkele maanden

maar liefst vier nota’s over het cultuurbeleid aangeboden. Aan de voorbe-

reiding daarvan is op hei ministerie jarenlang gewerkt. In juli 1976 ver-

scheen de nota
Kunst en kunstbeleid.
Daarna volgden in december van dat

jaar niet een tussenpoos van enkele dagen
Naar een nieuw museumbeleid,

de nota
Orkestenbestel
en de
Nota toneelbeleid.
In totaal 430 bladzijden,

meestal heldere en leesbare tekst met veel clocumentatiemateriaal. Met de

parlementaire behandeling in het vooruitzicht lijkt het (Ie moeite waard

een aantal opvallende beleidswijzigingen le signaleren en voo commentaar

te voorzien 1).

Beleidsvoorstellen

Aan het cultuurbeleid (dus ook het
kunst- en museumbeleid) liggen drie
doelstellingen ten grondslag:
• het scheppen van voorwaarden die

het mogelijk moeten maken culturele
waarden (produkten) te ontwikkelen
en in stand te houden;
• culturele voorzieningen beter toegan-

kelijk maken; het gaat daarbij om de
distributie van culturele produkten;
• het stimuleren van de consumptie,
inclusief het actief deelnemen aan

culturele activiteiten.

Veel aandacht wordt in de nota’s be-

steed aan decentralisatie van de besluit-
vorming en aan de bestuurlijke reorga-

nisatie. De minister streeft naar een ,,ef-
fectieve decentralisatie”, uitgaande van

een vergroting van .het aantal provin-
cies, met daarbij een meer nauwkeurige
afbakening van de verantwoordelijkhe-

den van de verschillende overheidsia-

gen. Overlegprocedures tussen overhe-
den onderling en tussen overheden en
gesubsidieerde instellingen moeten dui-

delijker worden vastgesteld.
De
kunstnota
geeft in grote lijnen een
overzicht van de nogal vaag geformu-

leerde beleidsvoornemens. De uitwer-
king hiervan in concrete maatregelen

vindt plaats in de orkest- en toneelnota.

De minister bepleit in de
orkesinota
een
nauw samengaan van orkesten met

nieuw te stichten muziekinstellingen, die
de kern moeten gaan vormen van het to-

taal van de muz.iekvoorziening. Zij die-
nen de beschikbare mankracht en des-

kundigheid in de muzieksector zoveel
mogelijk te bundelen. Daartoe moeten

per regio van twee of meer provincies
z.g. samenwerkingsverbanden ontstaan
met als vertrekpunt de huidige orkesten.

Het begrip samenwerkingsverband kan,

volgens de nota, alles betekenen wat tus-
sen een eenvoudige uitwisseling van con-

certen en een complete fusie ligt. Van zo’n

samenwerking wordt verwacht dat de

musici op velerlei terrein inzetbaar wor-
den, waardoor de doelmatigheid kan
worden bevorderd en een veelzijdig re-
pertoire kan worden uitgevoerd.

Behalve voor instellingen en musici
heeft de nota ook gevolgen voor de be-

stuurlij ke organisatie. De rijksoverheid
wordt verantwoordelijk voor de conti-

nuïteit en samenhang in de totale mu-
ziekproduktie. Zij zal per regio, volgens

het principe ,,wie beleid bepaalt, betaalt”,
de subsidiëring van een vast aantal musici

op zich nemen. De per regio samenwer-
kende provincies zijn, in laatste instan-
tie onder toezicht van het rijk, verant-

woordelijk voor inhoud en programme-
ring van het regionale aanbod. De pro-
vincies moeten ook een deel van de

kosten van de instellingen betalen. De

gemeenten dienen, als beheerders, de

kosten van de accommodaties voor hun

rekening te nemen, vermeerderd met de

variabele lasten van de bespelers van
accommodaties. Daar staan de recettes
van voorstellingen tegenover.

In de
toneelsector
worden minder in-
grijpende wijzigingen voorgesteld. Van

belang is dat het rijk de verantwoorde-
lijkheid voor de produktie en distributie
van bijna alle toneel gaat dragen. De la-

gere overheid doet niet meer mee. Veel

gezelschappen moeten onder het rijk
vallen, omdat hun produktie-omvang te

groot is voor de vraag in de regio. De

beslissing over de afname van toneel is

in handen gelegd van de lokale over-

heid, als beheerder van theaters. Men
mag aannemen, aldus een opvallende
uitspraak in de toneelnota, dat op plaat-

selijk niveau een beter inzicht bestaat in

de ,,markt” – dus de verschillende pu-

blieksgroepen – waarop de keuze uit

het gegeven aanbod gebaseerd en ge-
richt moet worden.

De
museumnota
bevat niet zulke

concrete plannen als de toneel- en or-

kestnota, maar het is evenmin een filo-

sofisch discussiestuk als de kunstnota.
Er worden in de museumnota twee
voornemens kenbaar gemaakt:
• Er moeten beleidsplannen voor af-
zonderlijke musea worden opgesteld ten

aanzien van collectievorming, de relatie
met het publiek, tentoonstellingen ed.

Al deze plannen worden getoetst aan
criteria van het rijk. Het is de bedoeling

dat hierdoor de onderlinge afstemming
van musea kan worden verbeterd.
• De musea worden in drie groepen
verdeeld. Er zijn er met een nationaal,

een regionaal en een lokaal belang. De
indeling vindt plaats op basis van expli-

ciet geformuleerde criteria. Kritisch zal

worden bekeken, aldus de nota, welke
van de thans bestaande musea onder

verantwoordelijkheid van rijk, provin-
cie of gemeente komen. De kosten zijn

voor rekening van de overheid die de
bestuursverantwoordelijkheid draagt.

Vooruitlopend op de bestuurlijke
herverdeling van taken zullen in enige

regio’s experimenten worden verricht
om kennis en ervaring op te doen. Ook

de financiële consequenties van de
voorstellen zijn niet helemaal duidelijk.

De herschikking van taken zou in be-
ginsel budgettair neutraal moeten verlo-

pen.
Tot zover de beleidsplannen van de
minister, die naar verwachting niet voor

1979/1980 tot definitieve veranderingen
zullen leiden.

1) De auteur heeft een dankbaar gebruik ge-
maakt van inzichten Omtrent het culturele
beleid die aanwezig zijn bij het Sociaal Cultu-
reel Planbureau.

ESB 2-2-1977

117

Gesubsideerde orkesten
Gesubsidieerde toneelgezetschappen

aantal
aantal aantal
aantal aantal
aantal
bezoekers
aitvoeringen
orkesten
bezoekers
voorstellingen
gezelschappen
Xl000 Xl000

1967/68
……….
1138
1244
14
1520
3517
12
1145
.
1332
4
1199
3272
12
1970171
………..
1973174
1098 1280
IS
953
3880
18

Bron: CBS.

Beleidsanalyse

Een in het oog springend kenmerk
van alle nota’s is de sterke belichting

van het cultuurbeleid vanuit eco-
nomisch gezichtspunt. Beschrijving en

analyse van het beleid gebeurt bijna

steeds in termen van doelstellingen en

instrumenten, voorstellen en plannen

worden in verband gebracht met toet-

singscriteria, de optimale bedrijfs-
grootte wordt ten tonele gevoerd, bud-
gettaire randvoorwaarden worden ge-

formuleerd enz. Er is een duidelijke

uniformiteït in opzet en woordkeifs

waar te nemen, die waarschijnlijk het

gevolg is van de uitstraling van ideeën
van de Commissie voor de Ontwikke-

ling van Beleidsanalyse (COBA). Er is
een samenwerking tussen COBA en het
ministerie bij het opstellen van beleids-

plannen. De commissie is overigens niet

verantwoordelijk voor de inhoud van

de nota’s.

De zendingsarbeid van COBA in de

culturele sector is bepaald nog niet vol-
bracht. Er kunnen nog substantiële ver

beteringen worden aangebracht. Zo
vertoont de argumentatie voor de toe-
wijzing van taken aan overheden – een

belangrijk onderdeel van de nota’s –

een gebrek aan consistentie. Op basis
van dezelfde doelstellingen van cultuur

wordt bijvoorbeeld in de museumnota
de ontwi kkelingsfunctie (collectievor-

ming moderne kunst) toebedeeld aan de

gemeenten, terwijl in de toneelnota het
ontwikkelen van moderne uitingen van

toneel aan het rijk wordt opgedragen.
Het wegwijs maken van het publiek op
moeilijk toegankelijke gebieden kan het

best geschieden binnen de regio op een

manier die de mensen daar aanspreekt

(museumnota, blz. 56). De werking van
gezelschappen die zich met moderne
toneelkunst bezighouden, gaat ver uit
boven de lokale schaal van gemeente en

provincie zodat alleen het rijk de zorg

voor die gezelschappen voor zijn reke-

ning kan nemen (toneelnota, blz

49/50).

Van grote betekenis is dat niet steeds
duidelijk is, welke functie de doelstellin-
gen van het cultuurbeleid nu eigenlijk

hebben voor de uitwerking van het kunst-
en museumbeleid. Men kan niet stellen

dat de voornemens m.b.t. het beleid –
zoals eigenlijk zou moeten – noodza-

kelijk voortvloeien uit de doelstellingen
die zijn opgesteld door het Directoraat
voor Culturele Zaken. Dat verband

wordt wel gesuggereerd in de nota’s. Er
zijn echter geen criteria aangegeven,
waaraan kan worden ontleend welke soorten van activiteiten bijdragen tot

ontwikkeling en in stand houden van cul-
turele waarden, terwijl het beleid even-min richtinggevend blijkt te zijn bij het

vaststellen van de omvang van die activi-
teiten: hoeveel toneel, muziek, musea
enz. Van een kritische afweging van alter

natieven is weinig te bespeuren. Opval-

lend is in dit verband, dat de bijdrage van

de massamedia buiten beschouwing

blijft. Goedkope vormen van cultuur-

oyerdracht als radio- en tv-concerten, tv-
spelen en de gramofoonplaat spelen ten
onrechte geen rol bij het toneel- en or-

kestbeleid. Men kan bijv. het omroep-

beleid niet scheiden van het kunstbe-

leid. De ingebruikneming van een

vierde radiozender voor klassieke mu-

ziek heeft misschien wel een groter ef-

fect op de ontwikkeling van culturele
waarden dan alle concerten bij elkaar.
We kunnen ons niet aan de indruk

onttrekken dat de uitleg van de doel-

stellingen in de praktijk wordt verengd
tot de aangrijpingspunten met be-

staande instellingen. Of anders gezegd,
er is vooral gepoogd om de bestaande
situatie te rationaliseren.

Deze rubriek wordt verzorgd door

het Instituut voor Onderzoek

van Overheidsuitgaven.

Overcapaciteit

De orkestnota is erg openhartig over
de geringe doelmatigheid waarmee het
arbeidspotentieel in de muzieksector
wordt ingezet. Er wordt geconcludeerd
dat ,,in meer dan lOO plaatsen sympho-
nie-orkesten optreden waar het ge-

middelde bezoek circa 250 personen be-
draagt. Dit is een gemiddelde dat em-

stige vraagtekens oproept ten aanzien
van het rendement. … ..Dit is terecht
aan te duiden als een vorm van overca-

paciteit” (blz. 26). Als illustratie zijn

in de tabel gegevens over bezoekersaan-

tallen en concerten door gesubsidieerde
orkesten voor enkele seizoenen weerge-
geven. Daaruit blijkt dat het gemid-

delde bezoek van 800 â 900 per uitvoe-
ring sedert 1967/ 1968 vrijwel niet is ge-

wijzigd.
Bovenstaande tabel geeft ook een

beeld van de ontwikkeling van het aan-
tal bezoekers en voorstellingen in de to-

neelsector. Daaruit kan men afleiden
dat het gemiddelde bezoek per voorstel-

ling een scherpe daling heeft onder-
gaan: van 430 tot 250, bij een gelijk-

tijdige toeneming van het aantal gezel-
schappen. Dat gemiddelde toneelbe-

zoek van 250 roept, evenals bij de

orkesten, twijfels op ten aanzien van de
doelmatigheid van de toneelvoorziening.

Als er bij orkesten overcapaciteit wordt

geconstateerd, omdat er in 100 accom-

modaties maar 250 bezoekers zijn ge-

weest, lijkt bijzondere aandacht en zorg
voor het toneel gewettigd, waar dat lage

gemiddelde berekend is voor alle theaters
te zamen. De toneelnota zwijgt echter

over deze zaak. Het lijkt wenselijk de

minister om een nadere toelichting te

vragen,

Eèn voor de hand liggende manier

om overcapaciteit te bestrijden is de

produktiemogelijkheden van de instel-
lingen aan te passen bij de publieke be-

langstelling. De huidige situatie recht-

vaardigt, volgens de minister, een vrij

drastische beperking van het aantal or-
kesten (en gezelschappen?). Voor die

weg wordt echter niet gekozen, omdat

dat enorme weerstanden zou oproepen.

Het beleid wordt ,,derhalve” niet ge-

richt op beperking en bezuiniging, maar

op uitbreiding van het aanbod, op

verbreding van diversiteit, op meer

samenhang en op grotere doelmatigheid.
Het staat er echt, op blz.
5
van de or-
kestnota.

Decentralisatie

Veel aandacht wordt in de noa’s be-
steed aan het streven van de regering

naar decentralisatie in de culturele sec-
tor; een deel van de beslissingsbevoegd-

heid en de financiering moet worden

verlegd van het rijk naar gemeenten en

provincies. Als motief hiervoor noemt
de kunstnota onder meer, dat op lokaal
niveau in sommige gevallen beter kan

worden ingespeeld op de specifieke

wensen en behoeften van het publiek,
van de mensen ,,aan de basis”.
Aanvankelijk oogstte de regering in
de kunstenaarswereld algemene waar

dering en hier en daar zelfs geestdrift
met haar plannen. Vooral ook omdat
werd overwogen een belangrijk deel van
de voorzieningen ten behoeve van het

culturele werk in een wet te regelen, zo-

dat de werkers in die sector een grote

mate van rechtszekerheid zouden ver

krijgen. Zij zouden dan minder afhanke-
lijk zijn van de bereidheid van de ge-
meenteraad om geld uit te trekken voor
de financiering van culturele voorzie-

ningen. Er zouden immers weleens ge-
meenten kunnen zijn die helemaal geen

geld voor dat doel willen besteden.
Aangezien het op dit ogenblik niet zo

zeker meer is, of er een wettelijke grond-

slag zal komen, is ook de eerdere animo

118

om het cultuurbeleid via decentralisatie

van beslissingen zo dicht mogelijk bij de
burgers te brengen, sterk afgenomen.
Daar komt nog bij dat het besluit van
enige subsidiënten in het zuiden van ons

land, om de subsidiëring van het maat-
schappij-kritische vormingsgezelschap
Proloog
om politieke redenen stop te
zetten, de vrees voor een groeiende in-

vloed van de lagere overheid heeft doen

toenemen. In het algemeen verwacht
men, dat de afweging van belangen op

plaatselijk overheidsniveau minder gun-

stig zal uitvallen voor de kunstenaars (or-
ganisaties) dan een afweging op centraal
niveau.

De vrees van de belangengroepen lijkt echter schromelijk overdreven,

voor zover het gaat om de beleidsvoor-

stellen inzake toneel en muziek. De mu-
seum-plannen zijn niet voldoende uitge-

werkt om een afgerond oordeel te kun-
nen vormen. Wat het toneel betreft,

wordt de subsidiëring van bijna alle be-

staande gezelschappen, volgens de nota,

volledig in handen van het rijk gelegd.
De gezamenlijke financiering van rijk,
provincies en gemeenten, waarbij het rijk ook nu al 60% voor zijn rekening
neemt, komt te vervallen. Het rijksaan-

deel in de subsidiëring neemt dus toe en
in die zin is er eerder sprake van centra-

lisatie. De tekorten van de theaters
worden (en werden) aangevuld door de

De achtste druk van dit bij zeer veel
Nederlandse bedrjfseconomen bekende
boek bestaat in tegenstelling tot de vo-

rige druk uit slechts één deel. ,,Slechts

één deel” betekent overigens wel meer
dan 600 bladzijden. De beperking van
de omvang van de achtste ten op-

zichte van de zevende druk is gedeelte-
lijk gevonden door het weglaten van be-

sprekingen van opvattingen van oudere

datum, gedeeltelijk door een aantal on-

derwerpen welke niet tot de hoofdzaken

behoren, in een klein lettertype af te
drukken.

Lezers, die menen dat de omvang
nog verder had kunnen worden beperkt
door de diverse herhalingen welke in de tekst voorkomen weg te laten, dienen te bedenken dat deze met name het gevolg

zijn van de concentrische behandeling
van de stof. De grondslagen van de the-
orie worden – overigens in een steeds
verschillende context – vele malen aan

gemeenten, evt. in de toekomst door de mini-provincie. We zien dat het toneel-
aanbod, volgens de nota, kan worden
beïnvloed door de rijksoverheid, als

subsidiënt, terwijl bij de lokale overheid
een eigen keuze kan worden gemaakt

uit de geboden produkten. Daarmee
heeft men de bestaande gang van za ken

bijna geheel voortgezet. Dat is naar
onze mening een verstandige beslissing,

omdat zodoende de lagere overheden

kunnen voorkomen dat de positie van
het ministerie van CRM in de culturele

sector al te sterk wordt.

Voor de orkesten kunnen in hoofdza-

ken dezelfde conclusie worden getrok-

ken. De rijksoverheid is verantwoorde-

lijk voor het aanbod van muziek, de lo-
kale overheid stelt de accommodatie
beschikbaar en maakt een keuze uit het
totale muziekaanbod. Alleen krijgen

hier de provincies ook een taak toebe-
deeld. Zij moeten zorgen voor de no-
dige samenhang in het aanbod per regio

en kunnen een zekere invloed uitoefe-
nen op de samenstelling van de pro-

gramma’s van muziekinstellingen. Dat
gebeurt echter allemaal onder toezicht van de rijksoverheid. Het streven naar

decentralisatie heeft het kunstbeleid
vrijwel onberoerd gelaten.

J. D. Hilferink

de orde gesteld en nader toegelicht.
Naar onze mening is deze concentrische
opbouw en de daaraan inherente herha-
ling, met name voor studerenden, een
uiterst positieve zaak. Jammer is wel,

dat de student (in de ruime zin des

woords) niet de gelegenheid krijgt om
zijn opgedane kennis te toetsen aan een

aantal opgaven. Het geven van vragen
(en antwoorden!) aan het eind van ieder

hoofdstuk neemt in het algemeen de
twijfel weg of men de schrijver wel goed
heeft begrepen.

Het laatste deel van het boek kan

onzes inziens onvoldoende als test-case
voor de opgedane kennis fungeren. Dit
deel beperkt zich namelijk tot de vast-
stelling van de
kostprijs
per eenheid
produkt.

De schrijver deelt mee er naar te heb-
ben gestreefd om de (eertijds gebruike-
lijke) dogmatische benadering van de

stof te vermijden. Dit is overigens niet

nieuw. De basis voor de niet dogmati-

sche aanpak is reeds duidelijk in de

druk, welke in 1963 verscheen, aanwe-
zig. Onzes inziens is evenwel ook de

achtste druk, zeker wat betreft de alge-

mene grondslagen, niet van dogmatische
smetten Vrij. –

Het komt ons zinvol voor om de in-
houd van
Kosten en kostprijs
te toet-

sen aan de ontwikkelingen, welke zich
het laatste decennium op dit terrein

hebben voorgedaan. Onzes inziens zijn

de drie belangrijkste ontwikkelingen:

het gebruik van wiskundige technie-
ken (bijv. het gebruik van matrix-al-
gebra ten behoeve van kostenverbij-

zondering);
het gebruik van de verworvenheden van de sociale wetenschappen (bijv.

de hier te lande met name door Bulte

bekend geworden human resource

accounting);

het aandacht schenken aan de speci-
fieke kenmerken van overheids- en

andere niet naar winst strevende or-

ganisaties.

Wanneer ,,wiskundig” ruim wordt

geïnterpreteerd, wordt uitgelegd als het
rekenen met in verschillende opstellin-
gen gegeven kostencijfers, kan worden

gesteld, dat aan de sub 1 geschetste ont-
wikkeling ruim aandacht wordt be-

steed.
De ,,Kosten als informatie voor de
beleidsvorming” beslaan ruim een derde

deel van het boek. Met name de bespre-

king van het ,,budget” is niet geheel ge-

speend van de verworvenheden van de

sociale wetenschappen. In het geheel
van de ruim 600 bladzijden komt het
sub 2 vermelde er echter bekaaid af.

Ook aan de specifieke kenmerken van

de non-profit-organisaties wordt relatief
weinig aandacht besteed.

Na deze ,,algemene beschouwingen” willen wij nader ingaan op meer gede-
tailleerde onderwerpen. Het boek is op-

gebouwd uit vier delen, gevolgd door
een appendix. Deze zijn:
Algemene grondslagen.
De economische problematiek van

de kostenfactoren.
De kosten als informatie voor de

beleidsvorming, beleidsbeslissing en

beleidsbeoordeli ng..

De kostprijsberekening.

Ad
1.
De algemene grondslagen wor

den als gevolg van de concentrische

aanpak herhaaldelijk in de volgende de-

len aan de orde gesteld. Zoals wij reeds

opmerkten komen ze ons hier en daar
dogmatisch voor. We denken hier bij-
voorbeeld aan de stelligheid waarmee
de gedachte van ,,different costs for dif

ferent purposes” voor de kostprijscalcu-
latie wordt verworpen (blz. 43).
Ad
II.
In de eerste zes hoofdstukken
van het tweede deel worden achtereen-

volgens de gewoonlijk in de Neder-

Boeke

ieuws

Prof. Dr. H. J.
van der Schroeff: Kosten en kostprijs. Achtste vernieuwde editie,
Kosmos, Amsterdam, 1974, 603 blz.. f. 67,50.

ESB2-2-1977

119

landse bedrjfseconomie onderscheiden

kostensoorten behandeld. Deze onder

scheiding is een indeling naar oorzaak, de kosten worden gerubriceerd naar de

bijzondere kenmerken van de pro-

duktiemiddelen, waarmede zij verband

houden. Met andere woorden een inde-

ling in kosten van: grond- en huipstof-
fen, duurzame produktiemiddelen,

grond, arbeid, dienstverlening en belas-
tingen, rente.
Het hierna opnemen van een tweetal

hoofdstukken, waarin de kosten niet
naar oorzaak, doch naar bestemming

worden gegroepeerd (te weten: research-

en ontwikkelingskosten resp. verkoop-

en distributiekosten) komt ons om re-

denen van methodologische aard min-

der geslaagd voor. Waarom zijn deze

hoofdstukken niet, evenals bijvoorbeeld
,,initiële overcapaciteit en aanloopkos-

ten” in het derde deel opgenomen?

Wij menen, dat de behandeling van

het vraagstuk, van de verandering van

de economische levensduur van duur-
zame produktiemiddelen ten gevolge van zich wijzigende omstandigheden

aan de kosten- of opbrengstenkant aan

duidelijkheid zou hebben gewonnen,

wanneer een en ander met cijfervoor-

beelden was geïllustreerd. De bij de al-

gemene grondslagen genoemde z.g.
principiele grondslag van de vervan-
gingswaarde, te weten de organische sa-
menhang van de produktiemiddelen

komt er in dit verband vrij bekaaid af.

Ad
III.
Zoals wij reeds opmerkten

beslaat het derde deel een relatief groot
gedeelte van het boek. De informatie

welke benodigd is voor de beleidsvor-

ming, vertoont een zeer grote, zo niet

vrijwel onbegrensde diversiteit. Het
komt ons dan ook niet zinvol voor om

dit deel te beoordelen op zijn volledig-
heid. Men dient zich af te vragen of het

gebodene een gelukkige keuze is ge-
weest. Onzes inziens is dit inderdaad het
geval, met dien, verstande, dat een

tweetal omissies ons opvallen. Grotere
ondernemingen worden niet zelden ge-
confronteerd met de vraag tegen welke
prijs de onderlinge leveringen tussen hun

divisies moeten. worden gecalculeerd.

Wij zouden in deel drie dan ook graag

een hoofdstuk over dit z.g. transfer

price probleem zien opgenomen. Ook

missen wij een beschouwing over het

feit, dat vele kostencijfers in de praktijk
vaak een stochastisch karakter hebben.
Moge de keuze van de in deel drie
behandelde onderwerpen overigens een
gelukkige zijn geweest, dit betekent nog

niet dat alle gekozen onderwerpen even
duidelijk worden behandeld. Met name
de knelpuntscalculatie en de annuïteits-
methode roepen bij ons vragen op.

Ad
IV.
In het laatste deel heeft de
schrijver een onzes inziens redelijk ge-

slaagde poging ondernomen om te ko-
men tot een typologie van de kostprijs-

calculatie, op basis van de structuur van
produktie en afzet. Het standpunt van

de schrijver ten aanzien van de eco-

nomisch verbonden kosten achten wij

weinig principieel. Waar moet de grens

worden gelegd tussen economisch

noodzakelijk en economisch voordelig?

In de appendix wordt de kostprijsbere-

kening met behulp van een aantal cijfer-
yoorbeelden geïllustreerd. Opvallend

is, dat de schrijver dit exposé heeft ge-
geven als tegenwicht tegen de in de

praktijk vaak te gedetailleerde wijze
van verbijzondering. Met andere woor

den: de practicus hoeft zich niet be-

zorgd te maken, dat het gebodene wel-

iswaar theoretisch juist, doch praktisch

niet uitvoerbaar is. De ontwikkelde ty-

pologie kan er toe bijdragen de effi-
ciency van de praktisch gehanteerde

methoden van kostenverbijzondering te

verhogen, zonder dat aan de theoreti-
sche juistheid onverantwoorde conces-

sies worden gedaan.

Prof. Dr. H. J. van der Schroeff is
overleden. De achtste druk van zijn

Het Engelse woord ,,accounting” is
in het Nederlands moeilijk te vertalen.

Een omschrijving zou kunnen zijn:
,,rekeningen (accounts) houden van”.
Als de visie van Enthoven, neergelegd in
zijn boek, werkelijkheid zou worden,

zou accounting in de toekomst niet be-perkt moeten zijn tot de drie historisch
gegroeide toepassingen: de financiële,

administratieve en inhoudelijke bedrijfs-
voering, de openbare financiën en het
terrein der nationale rekeningen. Ac-

counting zou op een uniforme gestan-
daardiseerde wijze een rol moeten spelen
in het
totale maatschappelijke leven,
bij allerlei soorten beslissingen. Met

name de problemen verbonden aan eco-
nomische ontwikkeling vereisen – al-

dus Enthoven – een gedurfde uitbrei-
ding van de praktijk en theorie van

accounting. Te veel hebben de beoefe-naars der accountancy zich beperkt tot

hun traditionele terrein, vooral de fï-
nanciële (historische) weergave van be-
drjfsgegevens.

Deze visie loopt als een rode draad
door het boek. Het korte historische
overzicht ontlokt Enthoven reeds de conclusie, dat accounting zich in het

verleden meestal heeft ontwikkeld als
antwoord op een uitdaging vanuit het
economisch gebeuren. Hij put daaruit
de hoop, dat nieuwe ontwikkelingen

mogelijk zijn op het terrein van ac-
counting, als antwoord op het ontwik-
kelingsvraagstuk.
Echter, alvorens concreet op deze
uitdaging in te gaan, behandelt Ent-
hoven op grondige wijze de huidige
stand van zaken op het terrein van ac-
counting in rijke landen. Hij tracht de

boek is daarmee helaas de laatste in een

reeks, die zijn oorsprong vindt in 1947.

Van der Schroeff heeft de Nederlandse

bedrijfseconomie met deze reeks een his-
torisch document nagelaten. In de op-

eenvolgende drukken weerspiegelt zich

de gedachtenontwikkeling van, althans

een groot deel, van de Nederlandse

bedrjfseconomen.
De nauwgezetheid waarmee, en de
vlotte stijl waarin Van der Schroeff zijn

boeken schreef, staan er onzes inziens

borg voor, dat
Kosten en kostprijs
nog

vele malen in theorie en praktijk zal

worden geraadpleegd.
Van der Schroeff besloot zijn af-

scheidcollege in 1970 met de woorden
,,Houd brandende de lampen”. Moge

dit een inspiratie zijn om te trachten het
werk van Prof. Dr. H. J. van der

Schroeff voort te zetten. Gelet op de

kwaliteit van het voorafgaande een

uiterst zware opgave!

C. Horden

drie genoemde toepassingsgebieden te
omvatten in wat hij noemt ,,a concep-

tualization of a parent framework of
accounting”. Daarbij komt hij tot een viertal basis-begrippen t.o.v. het hele

terrein van accounting:

• aan gepasiheid aan het sociaal-econo-
mische kader
(d.w.z. accounting
moet beantwoorden aan de specifieke
behoeften en doelstellingen der be-
trokken samenlevingen);

• verifieerbare evidentie
(d.w.z. ac-
counting moet berusten op door on-
partijdige deskundigen vast te stellen
objectieve gegevens);

• kwantitatieve meting
(d.w.z. account-
ing moet cijfermatig geschieden);

• omvattende, systematische en tijdige
presentatie
(d.w.z. de presentatie moet
geschieden in rekeningen, modellen
of anderszins op een manier, die de
gebruikers werkelijk van nut is).

Vervolgens schetst Enthoven in al-
gemene zin de mogelijke bijdragen van

accounting bij een viertal problemen van economische ontwikkeling: economische

planning (macro), project-evaluatie
(micro-planning), kapitaalvorming en
ten slotte belastingen. Hij gaat daarbij
uit van een nogal traditionele visie op
ontwikkeling.

In een uitweidend hoofdstuk behan-

delt Enthoven vervolgens twee (z.i.
belangrijke) richtingen, waarin account-

ing uitgebouwd moet worden om op de

door Enthoven gewenste universele
manier toepasbaar te worden met name
bij economische ontwikkeling. Deze

Dr. A. J. H. Enthoven: Accountancy and
economic development policy, North-
Holland Publishing Company, Amsterdam, 1973, 380 b17.., f. 40.

120

Voor boeken op het gebied van economie, sociologie, recht,
medicijnen en techniek:

WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL
ROTTERDAM B.V.

Waarin opgenomen: De Wester Boekhandel
Stamboekhandel Rotterdam

Korte Hoogstraat
11-13,
Rotterdam
Postbus
21333,
tel.
(010)33 2688

Vestiging in de Erasmus Universiteit. Complex Woudestein. Tel.
(010)1455 11.
toestel
31 15.

(l.M.)

A. Madansky: Foundations of econometrics. Advanced textbooks in economics,

volume 7, North-Holland Publishing Company, Amsterdam, 1976, 266 biz., f. 35.

richtingen zijn ten zeerste een verder-

gaande
uniformering en standaardise-
ring. (Enthoven behandelt daarbij
de uniforme accounting praktijken in

Frankrijk, België, Duitsland, USA,

USSR). Ten tweede de richting der
current value accounting”,
een moeilijk
te omschrijven begrip, dat een veelheid
van methoden omvat gericht op meting

en rapportage in up-to-date waarden of

kosten. Een aantal mogelijke thëoreti-
sche benaderingswijzen hiervan worden

achtereenvolgens gegeven, waarbij
Enthoven als zijn mening te kennen
geeft, dat uit
velerlei
hoeken bijdragen
kunnen worden ontleend om een
accounting systeem voor economische
ontwikkeling op te bouwen.

Ten slotte komt Enthoven dan tot
het bespreken van accounting in ont-
wikkelingslanden. Er zijn dan 275 blad-
zijden van het boek voorbij (13 hoofd-
stukken). De rest van het boek (53 blad-
zijden, 4 hoofdstukken) bevat een korte

beschrijving van de prakijk van ac-

counting in ontwikkelingslanden. Ver-
volgens presenteert Enthoven zijn ge-
dachten over wat hij noemt ,,ecodevel-
opment accounting”, d.w.z. de toepas-

sing van bestaande en mogelijke ac-
counting systemen, technieken, proce-
dures en gegevens ten einde economische
ontwikkeling binnen een land en tussen landen te bevorderen. Bij deze presen-
tatie gaat Enthoven nauwelijks in op
de specifieke behoeften van ontwik-
kelingslanden. Hij acht een dergelijke

benadering te ambitieus, en beperkt
zich er vooral toe om nogmaals te be-

schrijven welke bijdrage – zijns inziens
– kan worden geleverd door de ac-
counting praktijk in diverse rijke landen.

In een laatste hoofdstuk geeft Ent-
hoven vele algemene suggesties voor verbetering van de situatie op het ter-

rein van ecodevelopment accounting in
ontwikkelingslanden. Hij noemt de

noodzaak van een ondersteunend pro-gramma van vakopleiding en training,
institutionele hervormingen en een meer
systematische aanpak van accounting
informatie-systemen en procedures.
Er is zijns inziens grote behoefte aan
technische hulpverlening op dit gebied.

Daarbij bepleit Enthoven de oprich-
ting van een International Accounting

Society, welke op het terrein van coör-

dinatie, technische bijstand, onderzoek
enz. een groot aantal taken toegewezen
krijgt.
De algemene indruk van het boek is,
dat het een zeer gedegen samenvatting
geeft van de stand van zaken en een aan-
tal suggesties voor verbetering bevat.
Enigszins zwak lijkt de analyse van de
specifieke ontwikkelingsproblemen. Een
meer gedetailleerde beschrijving van

de rol van accounting (inclusief de daar-

bij optredende problemen) in ontwikke-

lingslanden (India, China’?) zou op zijn
plaats zijn geweest.

P. Terhal

Het boek van A. Madansky, hoogle-

raar in de ,,business administration”

aan de universiteit van Chicago, behan-
delt statistische methoden voor lineaire

econometrische modellen. De model-

bouw zelf wordt slechts kort besproken in een slothoofdstuk.
Het boek is in een tamelijk strakke,
wiskundige stijl geschreven en is be-

doeld als leerboek voor gevorderde

doctoraal studenten in de econometrie.

De globale indeling is als volgt. Eerst

komen er twee hoofdstukken over ma-
trixtheorie en statistische analyse van
meervoudige variabelen (verdelings-
theorie en puntschatten). Dan volgen

twee hoofdstukken respectievelijk over
schattingstechnieken in lineaire model-
len en lineaire simultane modellen.
Hoofdstuk 5 behandelt statistische the-

orie met betrekking tot het toetsen van
hypothesen, hetgeen weer wordt toege-

past in hoofdstuk 6 op de eerder genoem-
de lineaire modellen. Het slothoofdstuk

behandelt kort de specificatie van de structuur van storingen en verder het
begrip causaliteit in simultane modellen.

De hoofdstukken over matrixtheorie
en statistische analyse beslaan bijna de

helft van het boek. In deze hoofdstuk-
ken wordt de wiskunde en wiskundige

statistiek, die men nodig heeft in de
hoofdstukken over lineaire econometri-

sche modellen, nauwkeurig beschreven.
Er staat ook veel meer in dan gewoon-

lijk in appendices vermeld is. Echter
om, zoals in de inleiding vermeld, deze

stof in zijn geheel in één collegejaar te
behandelen, lijkt te veel gevraagd.
De auteur streeft naar een zorgvuldig
geschreven boek en besteedt zeer veel
aandacht aan notatie. Vectoren worden
geschreven als rij-vectoren. De notatie

van het simultane model is anders,
maar vertoont ook nadelen. Madansky
vindt dat zijn notatie niet tot ambiguï-

teit zal leiden. Hoe dat ook zij, wie
hoofdstuk 4 over simultane modellen

wil behandelen op college mag grondig
oefenen, om geen vergissing te maken

in de vele geïntroduceerde symbolen.
Tegenover de vloed aan symbolen bij

Madansky staat de Cowles Commissie

monografie van Rothenberg, die heel
spaarzaam omgaat met symbolen. Voor-
keur voor een van beide zal wel een
kwestie van smaak zijn, maar ik prefe-
reer de notatie van Rothenberg.

Het hoofdstuk over matrixthèorie is
een uitstekende samenvatting uit ver-
schillende leerboeken over dit onder-
werp. Zeer snel wordt het begrip ,,Kro-

necker product” ingevoerd, wat leidt tot
een elegante schrijfwijze in latere hoofd-
stukken. Men vindt in dit hoofdstuk ook

een behandeling van het begrip projectie

en een goede sectie over afgeleiden van

functies van matrices. De oefeningen zijn

tamelijk moeilijk voor een student die

niet eerder aan deze stof is blootgesteld.
Na een inleiding over basisbegrippen

behandelt hoofdstuk 2 de meervoudige
normale verdeling (zie ook het stan-
daardwerk op dit gebied van T. W. An-

derson). De afleiding van de asympto-

tische verdeling van een maximale aan-
nemelijkheidsschatter is een nuttige re-
ferentie voor econometristen. Verder
worden de begrippen ,,efficiency” en

,,consistency” van schatters op een rijtje gezet en ook de begrippen ,,sufficiency”
en ,,identifiability” en ,,estimability”

van een parameter. Deze behandeling
blijft toch nog summier.

In hoofdstuk 3 worden lineaire mo-

dellen behandeld op basis van een
groep van vergelijkingen. De in het eer-

ste hoofdstuk geïntroduceerde metho-

den leiden hier tot een elegante schrijf-
wijze. Het standaard lineaire model

wordt slechts kort vermeld als een spe-
ciaal geval. Het is de vraag of het inzicht

wordt verdiept door een algemene be-

handeling van de stelling van Gauss-
Markov, zoals de auteur beweert op
blz. 110. Verder is het opvallend dat,

wanneer gecorreleerde storingen tussen

verschillende steekproeven besproken

worden, geen voorbeeld wordt ge-
noemd, zoals ruimtelijke correlatie.
Vertragingen in de verklarende variabe-

len worden niet behandeld. Men vindt
veel elegantie in.dit hoofdstuk, maar
niet een bespreking van problemen die

ESB 2-2-1977

121

een op de toepassing gerichte econome-
trist tegenkomt.
Hoofdstuk 4 behandelt simultane

schattingsmethoden. Tamelijk uitge-

breid worden instrumentele variabelen
behandeld. Een bronvermelding van het

bewijs dat de fix-point-schattingsme-
thode convergeert, zoekt men vergeefs.

De bespreking van de efficiëntie van de
kleinste kwadraten in twee ronden schat-

ter is grondig gedaan.
Het hoofdstuk over toetsen behan-

delt o.a. de aannemelijkheidverhou-
dingstoets en de asymptotische verde-

ling hiervan. Nieuw in de leerboeken is

de vermelding van de Pearson familie

van verdelingen als hulpmiddel om
trekkingsverdelingen te benaderen. Hoe

nuttig dit is blijft een open vraag. Bi-

modaliteit van een trekkingsverdeling

in kleine steekproeven kan niet met
deze familie benaderd worden.

In hoofdstuk 6 wordt veel aandacht

besteed aan het toetsen op onafhanke-

lijkheid van de steekproeftrekkingen en
het gebruik van de Pearson familie

hierbij.

Het boek is zeer nuttig en aan te be-

velen voor de studie van een deelgebied

van de statistische methoden van de
econometrie, i.c. lineaire modellen. Dat

het boek niet de interessante ontwikke-
lingen op het gebied van het niet lineair
schatten en het verwerken van a priori

informatie behandelt, is jammer. Dit

gekoppeld aan het ontbreken van em-

pirische toepassingen zal er vermoede-

lijk toe leiden, dat het boek zich een be-

perkte plaats op de leerboekenmarkt
verovert. De prijs van f. 35 maakt het

echter aantrekkelijk om het boek van

Madansky naast dat van een andere au-
teur te gebruiken.

H. K. van Dijk

D. W. Moffat. Economics dictionary.

Elsevier Scientific Publishing Corn-

pany, Amsterdam, 1976, 301 blz.,

f. 49,50.

Verklarend woordenboek voor eco-
nomische termen, die men via nieuwsme-

dia, in krantenartikelen, economische
tekstboeken en tijdschriften kan tegen-

komen. Het boek bevat 5.000-6.000
trefwoorden, die elk van een korte uit-
leg zijn voorzien.

John Winkler:
Marketing planning.
Marka-paperback,

Het

Spectrum,
Utrecht/Antwerpen, 1976, 336 blz., f.35.

In tegenstelling tot de meeste boeken
over marketing handelt dit boek niet

over expansie, maar vooral over effi-
ciëncy, het zo goed mogelijk benutten
van alle ter beschikking staande hulp-

middelen. Het boek is bedoeld voor de

marketingman in de praktijk en voor de

gevorderde student.

Charles Susskind: Techniek en samen-

leving. Aula
559,
Het Spectrum,

Utrecht/Antwerpen, 1976, 218 blz.,

f. 9,50.

Het is merkwaardig dat in onze sa-

menleving zo weinig aandacht wordt

besteed aan de ontwikkeling en het ef-

fect van de techniek. De auteur behan-

delt de achtergronden van de ,,tweede

industriële revolutie” die haar oorzaak
vindt in de snelle vooruitgang van de
elektronica. Hij besteedt vooral aan-

dacht aan de ideologieën van de tech-

niek die in het industriële tijdperk zijn

ontwikkeld. Hij stelt dat de verant-

woordelijkheid voor het gebruik van de
techniek bij iedereen ligt. Ten slotte

evalueert hij de nieuwe uitdagingen van
de techniek.

Gian Paolo Casadio: The economie

challenge of the Arabs.
Saxon House,

Farnborough, 1976, 216 blz., £6,95.
Prof. Casadio, hoogleraar aan de

universiteit van Bologna, probeert de
problemen en de vooruitzichten van de
economische samenwerking tussen het

geïndustrialiseerde Westen en het Mid-
den-Oosten te beschrijven, waarvan
men zich door de oliecrisis bijzonder
bewust is geworden. Hij gaat er van uit

dat beide landengroepen elkaar nodig
hebben. Het boek bevat twee gedeelten.

1. De betekenis van de hogere olieprij

zen; 11. Het absorptievermogen van de
Arabische wereld en economische sa-

menwerking met westerse landen.
Drs. F. Remmen: Inleiding tot de infor-

matica. Stenfert Kroese BV, Leiden,

1975, tweede druk, 95 blz., f. 12,50.
Dit boek is ontstaan uit een syllabus

voor eerste-j aarsstudenten aan de

HEAO te Arnhem. Het is bedoeld voor
het aanbrengen van de nodige basisbe-

grippen. Besproken worden: de opbouw

van de computer; talstelsels; program-

meertalen; programmeren; in- en uit-
voer; bestandsbeheer; externe geheu-
gens; systeemstroomschema’s; beslis-

singstabellen; functies in de automatise-
ring.

Leon Stover: Culturele ecologie van de
Chinese beschaving.
Aula 558, Het

Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1976,
295 blz., fl1.

De schrijver, hoogleraar in de antro-
pologie aan het lllinois Institute of

Technology, geeft een cultureel-antro-

pologische visie op het ontstaan van het

nieuwe China. Hij gaat uitvoerig en met

kennis van zaken in op de scherpe

scheiding die in China voor de revolutie
bestond tussen de boerenklasse en de

klasse van de heersers. Daarmee wor-

den de achtergronden van de Chinese
klassenstrijd aanzienlijk verhelderd.

Prof. Mr.
J. K.
Moltmaker:
Belastingen

van rechtsverkeer.
Fiscale monografie-

en, nr. 25, Kluwer BV, Deventer, 1976,

tweede herziene druk, 216 blz.

Bevat een korte toelichting çp de Re-

gistratiewet 1970 en de Wet op belastin-

gen van rechtsverkeer, die per 1972 de

Registratiewet 1917 en de Zegelwet

1917 vervingen. De overdrachtsbelas-
ting krijgt de meeste aandacht, naast de

assurantiebelasting, kapitaalbelasti ng

en beursbelasting. In deze herziene
druk is minder de aandacht komen te

liggen op de verschillen met de oude

wetgeving dan in de vorige druk.
Nieuwe recente literatuur is in het boek
verwerkt, terwijl de officiële toelichtin-

gen van de staatssecretaris op de
nieuwe wetten zijn afgedrukt.

0. Roels, L. Vanoverbeke, P. van

Rompuy: Theorie en empirie van de ar

beidsmobiliteit in België.
Acco, Leuven,
1975, 147 blz.
De klassieke en neoklassieke eco-

nomische theorie stelt dat mobiliteit

van produktiefactoren leidt tot een ma-
ximale produktie en een nivellering van

de factorbeloningen. Op het vlak van
de arbeidsrnobiliteit is er echter een
schril contrast tussen het klassieke refe-
rentiekader en de feitelijke werking van

de arbeidsmarkt. De auteurs proberen
in deze studie de determinanten van de

verschillende mobiliteitsvormen op te

sporen. Daarbij is de aandacht vooral
toegespitst op geografische mobiliteit
(w.o. pendel), professionele mobiliteit

en sectoriële mobiliteit.
Schweizerische Bibliographie für Statis-
tik und Volkswirtschaft 1974.
Band 32,

Bern, 1975, 287 blz., sFr. 18.
De bibliografie bevat 5000 titels op

het gebied van de politieke en eco-

nomische literatuur van Zwitserland.
Ongeveer de helft daarvan is afkomstig

uit kranten en tijdschriften.
R. H. Samsom: De onderneming op de
tong. Samsom, Alphen aan den Rijn,

1976, 156 blz., f. 17,75.

De onderneming is in beweging. Op

vele plaatsen wordt gedacht over
nieuwe verhoudingen m.b.t. het functi-oneren van de onderneming. De auteur
gaat uitvoerig in op de verschillende vi-sies van werkgevers- en werknemersor-
ganisaties inzake de toekomstige struc-

tuur van de onderneming. Hij pleit

voor het ontwikkelen van een samen-
werkingsverband met handhaving van
een zo vrij mogelijke ondernemingsge-
wijze produktie. Op die manier moeten
de wensen m.b.t. meer controle op het bestuur en meer zeggenschap in over-
eenstemming worden gebracht met de

eisen van rentabiliteit en effectiviteit in

de Organisatie.

122

M. J. Viersen en E. N. Jonker: De be-

lasting-almanak 1977.
Elséviers Week-

blad, Amsterdam, 1977, 272 + XVI blz.,

f. 12,90.
Jaarlijkse gids voor het invullen van de

aangiftebiljetten voor: de inkomsten-

belasting 1976; de premieheffing volks-
verzekeringen 1976; de vermogens-

belasting 1977; het vragen van vermin-

dering van loonbelasting 1977. Volgt

de vragen van het aangiftebiljet op de
voet.

Uitgaand reizigersverkeer van Neder-

land.
Nederlands Research Instituut
voor Toerisme en Rekreatie, Breda,

1976, 86 blz.

Drs. J. Dieters: Verkennend onderzoek

naar de ontwikkeling van het Haagse

detailhandelsapparaat in vergelijking
met die van het landelijke detailhandels-

apparaat, met name in enkele grote
steden.
EIM, Den Haag, 1.976, 50 blz.,
f. 15.

Verblijfsrecreatie. Een complex van

mogelijke gevolgen.
Deel 1, 90blz.; deel
2, 119 blz. + bijlagen, Nederlands Re-

search Instituut voor Toerisme en Rekre-atie, Breda, 1976.

Oriënterende studie naar mogelijke
gevolgen van (semi-) permanente en mo-

biele verblijfsrecreatieve accommoda-

ties voor de verblijfsrecreant, lokale be-
volking en het landschap.

K.
Haeck: Verwachtingen voor de ge-

bouwenproduktie in 1976 en
1977. Eco-

nomisch Instituut voor de Bouwnijver-

heid, Amsterdam, 1976, 58 blz. + bij-

lagen.

CBS: Rijwiel- en motorrijwielindustrie
1974.
Produktiestatistieken. Staatsuit-

geverij, Den.Haag, 1976, 25 blz., f. 7.

Drs. T.K. Hübner en Drs. D. Treep:

Voorcalculatietafels voor de dynamische kostprijshuur van de huisvesting van al-
leenstaanden en tweepersoonshuishou-
dens.
Gemeentelijke Dienst Volkshuis-
vesting, Amsterdam, 1976, f. 20.

GEMEENTE NIJMEGEN

Secretarie

Als gevolg van uitbreiding van het gemeentelijk takenpakket bestaat op de
secretarie de behoefte meer aandacht te besteden aan centrale planning. Daârbij

komen de accenten te liggen op de coördinatie van de planningsactiviteiten.
Om een doeltreffende realisering mogelijk te maken van de gemeentelijke

Investeringen
wordt in dit kader gezocht naar een op de afdeling Financiën

c.a. te plaatsen

COÖRDINATOR/

PLANN INGSDESKUNDIGE

Zijn aandacht zalzich vooral gaan richten op de voortgangscontrole: hij zal

afwijkingen in de effectuering van de investerings-plannen moeten signaleren,

de oorzaken daarvan analyseren en rapporteren en vanuit zijn deskundigheid
medewerking verlenen bij het opzetten van nieuwe, resp. aangepaste planningen
Nadruk zal in deze funktie dienen te liggen op de coördinatie.
Belangstellenden worden
uitgenodigd hun
schriftelijke sollicitaties
binnen 10 dagen te zenden
Deze interessante funktie veronderstelt kandidaten van een academisch of
aan het hoofd van de

vergelijkbaar niveau, die belangstelling hebben voor de bestuurlijke richting,
Centrale Afdeling

bekend zijn met planriingstechnieken en zo mogelijk goed op de hoogte met de
Personeelszaken,

gemeentelijke procedures.
St. Canisiussingel 26 te
Nijmegen, onder
De activerende taak in de funktie vraagt om een medewerker met een sterke vermelding van persoonlijkheid, in staat om de veelheid van kontakten op bekwame wijze te

onderhouden.

vacature nr.
238.
Een praktische instelling en een goede schriftelijke en mondelinge

G
N11

.uitdrukkingsvaardigheid gelden eveneens als eis voor een goede funktie-uitoefening.
Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de selectieprocedure.

u
c
i

ESB 2-2-1977

123

0
de rijksoverheid vraagt

medewerker afdeling coördinatie
(mnl./vri) voc. 7.006410936

voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken

t.b.v. de Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeids-

voorwaarden
Taak: in team-verband medewerking verlenen aan de coördinatie van de arbeidsvoor-

waarden voor het gehele overheidspersoneel, m.n. voor het personeel Van de lagere
publiekrechtelijke lichamen. Een deel von de werkzaamheden bestaat uit het organiseren
van en het deelnemen aan gesprekken met vertegenwoordigers van lagere publiek-

rechtelijke lichamen en het vervullen van het secretariaat van verschillende werkgroepen.

Gevraagd: b.v.k. voltooide universitaire opleiding (rechten of economie) of een hiermee

vergelijkbare opleiding
;
ervaring in een contactuele functie; redactionele ervaring en

kennis van de rechtspositieregelingen voor het overheidspersoneel.

Standplaats: ‘s-Gravenhage.

Salaris: afhankelijk van leeftijd, opleiding en ervaring max. f4501,- per maand.

specialist sociale verzekering
mnl./vrl.)
vac. nr
. 6-576310936

voor het Centraal Bureau voor de Statistiek

t.b.v. de Hoofdafdeling Nationale Rekeningen

Taak: in het kader van de Nationale Rekeningen samenstellen van rekeningen en

tabellen m.b.t. het sociale verzekeringswezen, schadeverzekeringswezen, pensioen- en

levensverzekeringswezen, bankwezen
;
verzorgen van een afzonderlijke publicatie m.b.t.

de hiervoor genoemde terreinen. Hiertoe analyseren en bewerken van de verslagen van

de sociale instellingen en verzekeringsmaatschappijen zodat de verkregen gegevens

passen in de systematiek van de Nationale Rekeningen
;
verzorgen van statistische

informatie op het gebied van de sociale zekerheidsrekeningen aan internationale

instanties. Voorts onderhouden van in- en externe contacten.

Vereist: doctoraal examen economie, bedrijfseconomische richting of SPD II of

HEAO (8E). B.v.k. ervaring op statistisch gebied.

Standplaats: Voorburg.

Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f4501,- per maand.

medewerker
(mnl./vrl.)
vac. nr
. 7-011910936

voor het Ministerie van Sociale Zaken

t.b.v. het Directoraat-Generaal voor de Arbeidsvoorziening, Afdeling Toegepast

Arbeidsmarktonderzoek

Taak: onderzoék m.b.t. arbeidsdeelmarkt-ontwikkelingen (m.b.v. statistische analyses);

verslaglegging van onderzoek
;
mee opstellen van korte termijn beleidsadviezen
;
voeren

van overleg met interne/externe (studie)-afdelingen/instituten (universiteiten, CBS

CPB, SER).

Vereist: doctoraal examen economie, kwantitatieve richting; enige ervaring in

statistische analyse strekt tot aanbeveling.

Standplaats: Rijswijk.

Solaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f4501,- per maand.

124

Auteur