ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
UITGAVE VAN DE
20 NOVEMBER 1974
esb
STICHTING HET NEDERLANDS
59e JAARGANG
ECONOMISCH INSTITUUT
No. 2978
Economisch stelsel
Als je mensen, die nauw met een politieke partij zijn
gelieerd, laat discussiëren over de meest wenselijke econo-
mische orde, kun je opje klompen aanvoelen welke stellingen
zullen worden ingenomen. Deze uitspraak wordt bevestigd
door het boekje
Stelsel Ier sprake.
Hierin discussiëren
Prof. I)r. W. Albeda, Prof. Mr. N. E. H. van Esveld en
[)r. S. L. Mansholt over een economisch stelsel van nu en
morgen 1). Zoals bekend zal zijn, bekleden deze personen
belangrijke posities in resp. de ARP, de VVD en de PvdA.
Prof. Van Esveld en Dr. Mansholt nemen tegengestelde
posities in. Van Esveld verdedigt de huidige economische
orde en Mansholt pleit voor een orde gekenmerkt door zo-
wel meer democratisering als een grotere greep van de over
–
heid op het economische leven ter behartiging van het z.g.
gemeenschapsbelang. Prof. Albeda neemt een progressieve
tussenpositie in, die in het algemeen meer aansluit bij de visie
van Mansholt dan bij die van Van Esveld. Het innemen van
een tussenpositie is voordelig omdat de waarheid heel vaak
tussen twee uitersten ligt. Bovendien geniet Albeda het
voordeel dat hij in de gevoerde discussie als economist beter
weet waarover hij spreekt dan zijn opponenten die in vreemd
water zwemmen.
Hoewel Prof. Albeda in zijn bijdrage ervoor uitkomt niet
waardevrij te denken, omdat hij mede op basis van waarden
een economische orde zou willen kiezen, schetst hij een
redelijk objectief beeld van onze evoluerende orde. De kern
van zijn betoog is de overgang van de huidige industriële
maatschappij naar een postindustriële maatschappij. Deze
overgang wordt zijns inziens gekenmerkt door: sterke con-
centratie in de industriële produktie; internationalisering der
produktie; groeiende betekenis van informatie en communi-
catie: groei van een ,,non-profit”-sector; groei van de over-
heidssector. De postindustriële maatschappij kent volgens
Albeda een viertal problemen, die samenhangen met een
geringere economische groei, de wereldarmoede, de inko-
mensverdeling en de machtseoncentratie. Deze problemen zullen zijns inziens tot enkele spontane wijzigingen van’de
huidige economische orde leiden en tevens een aantal in-
grepen noodzakelijk maken. [)ie ingrepen zijn volgens
Albeda vooral noodzakelijk vanwege de milieuproblematiek
en de uitputting van de grondstoffen voorraden. ,,Met het oog
hierop is noodzakelijk een inperking van de werking van het
prijsmechanisme en het invoeren van een planning om te
voorkomen dat we onze samenleving al te zeer vervuilen, en
dat we al te snel onze grondstoffenvoorraden uitputten enz.”,
aldus Albeda.
Prof. Van Esveld en Dr. Mansholt vertolken minder
pragmatische standpunten. Van Esveld ziet als essentieel
probleem \’an de huidige economische orde de kloof tussen leiders en geleiden. Deze kloof is volgens hem op te lossen
door stimulering van de eigen verantwoordelijkheid in het
werk. Van Esveld pleit voor een orde die op vijf overwegin-
gen berust: 1. de ondernemingsgewijze produktie is
democratischer dan die van gesocialiseerde bedrijven onder
sociale planning, omdat de smaak van het publiek bepalend
is voor het produktiepakket; 2. de ondernemingsgewijze
produktie is democratischer omdat zij in handen van velen
ligt; 3. de persoonlijke ontplooiing van producent en con-
sument is meer gediend met zelf-doen dan met de voor en
namens hen optredende overheidsmacht; 4. ook bij de parti-
culiere ondernemingsgewijze produktie wordt verantwoor
–
delijkheid gedragen; 5. de overheid is niet toegerust voor
een taak van centrale planning, produktie en afzet.
Van Esveld ziet daarom de markt als een uitdrukking van het
d.emoeratische beginsel van keuzevrijheid. De markt en het
prijsmechanisme zijn de kenmerken van de goede econo-
mische orde omdat het bij de mensen veelal om hun eigen
standpunt, eigen verlangen naar zekerheid en eigen ver-
wachtingen gaat, luidt – kort samengevat – Van Esvelds
visie.
Dr. Mansholt is het hiermee natuurlijk helemaal niet eens.
Hij ent zijn economische orde op de kloof tussen de arme
en rijke landen, de grenzen aan de economische groei en de
aanpassing van de bestuursorganen, zowel wat betreft de
overheid als wat betreft het bedrijfsleven, aan de gewijzigde
omstandigheden. Mansholt heeft geen vertrouwen in het
markt- en prijsmechanisme, hoewel hij dit toch niet helemaâl
wil uitschakelen. Hoe Mansholts orde eruit ziet, wordt niet
duidelijk aangegeven. Het is bekend dat Mansholt dc laatste tijd nogal sombere ideeën over de huidige maatschappij ver-
kondigt. Deze ideeën sluiten min of meer aan bij de sombere
visie van Heilbroner, zij het dat Mansholt iets meer ver
–
trouwen heeft in de mogelijke oplossingen van de huidige
milieu- en grondstoffenproblemen. Mansholt pleit niet voor
nationalisatie, maar wel voor meer overheidsinvloed.
Echter, de overheid zou zijns inziens onderworpen moeten
zijn aan een of andere vorm van supra-nationaal gezag.
Bovendien zou er een mentaliteitsverandering moeten optre-
den om de mensen verantwoordelijk voor hun maatschappij
te maken. Het arbeiderszelfbestuur zou volgens Mansholt
die verantwoordelijkheid kunnen stimuleren.
Wie van de drie heren heeft gelijk? Om op deze vraag een
antwoord te geven, zou ik mijn eigen waarde-oordelen
moeten etaleren hetgeen niet interessant is. Ik volsta daarom
niet een aantal opmerkingen. Prof. Albeda heeft een zeer
pragmatisch stelsel ontwikkeld, dat voortborduurt op de
huidige economische ontwikkeling. Die ontwikkeling
– gekenmerkt door ,meer overheidsingrijpen en uitschake-
ling van het marktmechanisme – vindt grotendeels auto-
matisch plaats. Prof. Van Esveld en Dr. Mansholt berijden
resp. liberale en socialistische stokpaarden. Beiden kunnen
als dogmatisch overkomen. Van Esveld lijdt mi. in de dis-
cussie meer aan dogma’s dan Mansholt, die zijn stelsel van
zeer actuele problemen laat afhangen. Bovendien blijkt uit de
discussie dat Mansholt n.a.v. de opmerkingen van Albeda
afstand wil doen van het in linkse kringen geliefde arbeiders-
zelfbcstuur omdat dit niet in staat behoeft te zijn de huidige
problemen mee te helpen oplossen. Hiermee wil niet zijn ge-
zegd dat Mansholt het gelijk aan zijn zijde heeft. I)e beste economische orde laat zich niet gemakkelijk omschrijven.
Voorwaarde voor een goede omschrijving is mi. een
algemene aanvaarding van de orde als economisch middel
en niet als economisch doel.
L. Hoffman
1) Stelsel Ier discussie,
Stichting Maatschappij en Onderneming,
Scheveningen,
1974, 116 blz.. f. 6,50.
1033
Inhoud
ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
Drs. L. Hoffinan:
Economisch stelsel
.
1033
Column
Eens een subsidie altijd een subsidie?,
door Prof Dr. J. Wemelsft’lcler
1035
Drs. K. Zijlstra:
De aardgasprijzen
…………………………………….1036
J. Varkei’isser:
De aanspraak der arbeiders op een aandeel in de investeringen
1038
Notitie
Driekwart eeuw koopkracht van de gulden,
door Dr. J. f1. C. Lisman
1041
Drs. Ir. A. Kapten en
Prof:
D,. B. M. S. van Piaag:
Hoe duur is ons gezin? (III) ……………………………..1042
W. Thoniassen:
De industriële ontwikkeling in het Rijnmondgebied …………..1044
Fisconomie
Milieuheffingen,
door Drs. H. M. van de Kar ……………….
1047
Toets op taak
Management bij de overheid,
door Drs. J. D. Hi/fi’rink ……….
1048
Ingezonden
Inflatie, technologische ontwikkeling en afschrijvingen,
door Drs.
H. van Gelder,
met naschrift van
Drs. H. Ruhingh …………..
1050
Boekennieuws
Thomas Balogh, in samenwerking met Peter Balacs: Fact and fancy in
international economic relations; an essay on international monetary
reform, door Drs. F. B. van der Toom. …………………..
..
1052
Ivo A. C. van Haren: De ondernemingsraad; een handleiding,
door
Drs. W. van Voorden ………………………………….
1054
A. H. M. Mahfuzur Rahman: Exports of manufactures from developing
countries,
door F. J. Clavaux ……………………………
1054
Dr. A. H. van der Zwaan: Leveren en laten leveren,
door Drs. P. van
Zuuren……………………………………………..
1055
Mededelingen
……………………………………..1053/1056
Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut
Redactie
Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. hierna, L. H. Klaassen, H. W. Lam bers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hojfrnan.
Redactie-mede ma’erkster: Mej. J. Koenen.
Adres: Burgemeester Oud/aan 50,
Rotterdarn-3016: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 14 55 II, toestel 3 70 1. Bij adreswijziging s.v.p. steeds adresbanc/je
meesturen.
Kopij voor de redactie:
in tweevoud, getypt, dubbele regelafstand, brede marge.
Abonnementsprijs:f.
93,60 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW); studentenf 57.20
(mncl. 4% BTW), franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).
Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
accepikaart) op girorekening no. 122945
t. n. v. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam.
Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3.-
(mci.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 8408
fnv. Stichting het Nederlands Economisch
Instituut te Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.
Advertenties:
B. V. Koninklijke Drukkerijen
Roelants – Schiedam Lange Haven 141, Schiedam.
tel. (010) 260 260, toestel 908.
Onderzoek
is nodig. Het NEJ heeft zich daarop sinds 1929 gericht. Naast
het pure onderzoekwerk houdt het zich bezig met het uit-
voeren van opdrachten van overheden en bedrzifsleven in
binnen- en buitenland. Het heeft thans ervaring op vele ge-
bieden, in een spreiding over 50 landen. Er heeft in die
periode een specialisatie plaatsgevonden, maar door de
samenwerking in teams van economisten, econometristen,
wiskundigen, sociologen, sociaal-geografen, stedebouw-
kundig. ringenieurs en civiel-ingenieurs wordt een brede
aanpak van de problemen gewaarborgd.
Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut
Adres: Burgemeester Oud/aan 50,
Rotzerdam-3016,’ tel. (010) 1455 II.
Onderzoekafdelingen:
4 rbeidsmark tonderzoek
Balanced International Growth
Bedrjj’s- Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronefl
Macro- Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek
Statistisch- Mat hematisch Onderzoek
Transport-Economisch Onderzoek
1034
Prof WenwtfeIder
Eens
een subsidie
altijd
een subsidie?
Als de stelling: ,,Eens een subsidie
altijd een subsidie”juist zou zijn, zou dat
moeten slaan op hen naar wie de zege-
tiende hand van Den Haag zich één keer
in dit opzicht heeft uitgestrekt. De
krachten tot conservering en expansie
van een suhsidie zijn immers bijzonder
sterk. De gesubsidieerde zal nimmereen
betoog leveren dat de subsidie overbodig
is. Integendeel, in de rapporten, die de
aaiivraag om subsidie begeleiden, wordt
normaliter betoogd dat de subsidie niet
toereikend is. En wie het voorrecht
hebben om te mogen geven, zoals de
minister en zijn ambtenaren, zullen niet
gauw op de gedachte komen om een
subsidie in te trekken. Negatief ge-
sproken zou zo’n beleid de minister het
risico van een actiegroep of een bezoek
van het tea in van Achter het Nieuws op-
leveren. of op zijn minst vragen van een
aantal parlementsleden. Positief en poli-
tiek gesproken geldt bovendien voor elke
minister (behalve die van Financiën)
dat liet nu eenmaal zaliger is om te geven
dan te ontvangen.
Hoewel dus reeds hij voorbaat vast-
staat dat subsidies tot de handsteen in
liet uitgavenheleid behoren, is liet wel-
licht voor de helastingbetalende lezer
iiuttig om zo nu en dan eens te mediteren
over een enkele specifieke aanwending
van zijn geld. We denken hierbij in con-
ereto als voorbeeld ter illustratie –
aan ccii oeroude subsidie, nI. die op de
opera in Nederla od. Het ontstaan van
die subsidie gaat terug tot het grijze
verleden van de jaren vijftig, toen nieii
blijkbaar van plan was een bloeiende
operacultuur in ons land tot leven te
brengen. Zo’n II jaar geleden beklaagde
l)rees jr. zich over deze subsidie en men
kan zich dus na zoveel tijd, niet recht,
best weer eens afvragen wat er sindsdien
van is geworden. Welnu, de situatie is
zo dat wie naar deoperagaat in elk geval
goed af is. Per toegangskaartje wordt
thans door de overheid ruim honderd
gulden aan subsidie bijbetaald. Wie met
liet gezin gaat en dat is dus aan te be-
‘elen -. verdient op één avond al gauw
vierhonderd gulden belasti ngvrij.
Wie gaan er zoal naar de opera? Dat
is een groepje van om en nabij de
150.000 bezoekers op een bevolking van
13 mln. Het werkelijke aantal bezoekers
nioet kleiner zijn vanwege de meer
–
voudige bezoeken. Een handjevol dus.
Nu wil het Nederlandse publiek best
naar de schouwburg. Dat heeft onlangs
een enquête aangetoond. De mensen
gaan, volgens diezelfde enquête, echter
alleen naar de schouwburg als ze er naar
eigen inzicht vermaakt worden en daar
valt de opera kennelijk niet onder. Vele
succesvolle ongesubsidieerde theater
–
produkties tonen trouwens aan dat men
bereid is liet nodige af te schuiven voor
een avond ontspanning.
Nu betalen deze mensen, die kenne-
lijk niet zoveel niet opera op hebben,
wel allemaal mee aan de subsidie voor
dc kleine elite-groep van operabezoekers
die niet groot genoeg of opofferings-
gezind genoeg is oiii opera-produkties
rendabel te maken. Dat lijkt op bevoor
–
dehing van ccii kleine groep en op het als
onmondig beschouwen van de rest van
de bevolking. Er zijn meer aanwijzingen
dat liet hier om een nogal willekeurige
bcvoorcleling gaat. Hoewel heel Neder
–
land – van Dollard tot Schelde – de
subsidielasten draagt, blijken de bevoor-
deelden niet gelijkelijk over het land te
7.iln gespreid. maar voor ongeveer de
helft in Amsterdam en Den Haag en
voor ongeveer tweederde in slechts vier
grote stedemi te zijn gecoticentëè-d'(die’
steden dragen aanzienlijk minder dan
evenredig iii de subsidielast bij).
We nioeten voorzichtig zijn niet het
snel uitsprckemi van een oordeel. Het
gaat hier om een bekend, oud, econo-
nimseb probleem. Niet alle subsidies zijn
zonder meer elitair en verwerpelijk. Zo’n
subsidie van honderd gulden per toe-
gangskaartje is bijvoorbeeld best ver-
dedighaar als er, indirect, een aanzien-
lijk groter aantal mensen op de een of
andere manier van de subsidie profiteert
dan het zoëven genoemde groepje. (Dat
zijn dan de fameuze externe voordelen
van een subsidie).
We hebben tot nu toe echter geen
externe voordelen kunnen ontdekken.
Zelfs een zo vaag extern voordeel als
nationale of internationale trots op een
Nederlands cultuttrgoed blijkt niet te be-
staan. Externe voordelen kunnen de
subsidie dus niet rechtvaardigen. Die
honderd gulden zou ook verdedigbaar
zijii. indien er na verloop van tijd een
bloeiende onafhankelijke Nederlandse
operacultuur zou ontstaan. Ook dat
blijkt niet liet geval te zijn. De laatste
jaren nam het aantal voorstellingen en het
aa iital bezoekers af. Voor ongesubsi-
dieerde t heaterprodu kties zou zoiets
dodelijk zijn geweest. In dit geval nam de
onivang van de subsidie per toegangs-
bewijs in vier jaar echter nog niet 100%
toe. Het tegengestelde dus van wat men
zou moeten verwachten. Is hier ten aan-
zie mi van dit beleid nu niet van toepas-
sing wat Musgrave, in zijn bekende
boek over openbare financiering, over
overbodige subsidies zegt:
..Such determination of wants resting on
an authorirartan basis is not permissible in
a normative model based upon a democratie
Society”.
Toegepast op Nederland zou men
nioeten stellen dat zo’n subsidie dan
zeker niet past in een beleid dat zich met
nadruk anti-elitair noemt. Zou de
minister van Financiën bij het opstellen
vami dc begroting nooit eens aan Mus-
grave denken of zou hij CRM maar wat
laten hgaa mi?
ESB 20-11-1974
1035
De aardgasprijzen
DRS. K. ZIJLSTRA
In clii ariilel
geef!
Drs. Zijisira een be-
scbouu’mg o ver
1
itee visies clie er thans mei
betrekking lot de ciarcigaspolitiek bestaat,: een
visie clie ervan uitgaat dal wij 1/lans zo veel
mogelijk i’ruchte,, t’a,j onç aardgas moeten
pluÂ/en en een visie clie cle aarclgaspolitiek zo ivil
richten ciai rekening uorclt gehouden met cie
toekoi,,siige energie voorziening. Volgens de
eerste visie nioel cle verhoging van cie ciarcigas-
prijzeti in belangrijke iiiale len goede komen
cian cie huidi
ge bevolking, via bijv. belast ing-
verlaging. “o/gens cle t ii cccle visie n 10e, cle ze
l’er/ioging itorclen benut voor het zeker stel/en
van cie energievoorziening in (le toekomst via
bijt’. onderzoek.
Vergeleken met de droefgeestige berichten, die ons van
alle kanten toestromen, is de miljoenennota eigenlijk ont-
spannende lectuur. Toverfee aardgas helpt ons er boven op.
Men waant zich in Koeweit wanneer men leest: ,,De ruilvoet-
winst, die mede als gevolg van de verhoging van de export-
prijzen voor aardgas in 1975 wordt verwacht, maakt een
relatief belangrijke reële inkomensgroei per hoofd van de
bevolking mogelijk. Hiervan zal een belangrijk deel in vrij
besteedbare vorm ter beschikking komen” (blz. 20). De ver-
hoging van de binnenlandse gasprijs is daarbij het enige
wolkje aan de hemel, maar dat lost op zodra men leest, dat
ondanks de aanzienlijke groei van de rijksuitgaven de be-
lastingdruk enigszins kan dalen. Zelfs behoeven de premie-
lasten voor AOW en AWW niet te worden verhoogd, omdat
het rijk de ruimte heeft om bij te springen.
Zelden heeft een Europese regering zoveel profijt getrok-
ken van een plotselinge prijsstijging. Voorheen was het
vooral de particuliere sector, die de winst incasseerde en dan
in de meeste gevallen eerst na een langdurige oligopolistische
strijd. De prijszetting van zware en lichte stookoliejuist onder
calorische tegenwaarde van steenkool, jarenlang volgehou-
den totdat de concurrent nagenoeg uitgeschakeld was, is
daarvan het meest recente en belangrijke voorbeeld. Wat het aardgas betreft, ook nu nog vloeit een gedeelte van de meer-
opbrengst naar de oliemaatschappijen, maar dat is met 10%
toch wel zeer bescheiden geworden.
Al naar het temperament van de beschouwer zijn twee
meningen over de voorgestelde politiek mogelijk. Over-
dreven voorgesteld, is de ene die van het carpe diem en de
andere die van de diep bezorgde pater familias. De ene.
beschouwer geeft de minister van Financiën gelijk en de
andere vindt, dat men op de een of andere manier de energie-
voorziening van de toekomst veilig moet stellen. De geschie-
denis van de energie-economie is zo wisselvallig, dat nie-
mand met zekerheid kan zeggen, wie het bij het rechte eind
heeft. Men kan herinneren aan de Italiaanse praktijk na de
ontdekking van de aardgasreserves in de Povlakte, gericht op
zeer snelle uitputting en uitgekreten voor onverantwoorde-
lijk. Toch werd later de voorziening tegen gerieflijke condi-
ties voortgezet door leveringen uit Libië, Rusland en, zoals bekend, Nederland. Maar men kan ook wijzen op de voort-
aardoliereserves
durend verminderende verhouding
jaarlijkse olieproduktie
die in landen als de Verenigde Staten gepaard gaat met zeer
hoge uitgaven op het gebied van energie-research.
Wij kruipen achtereenvolgens in de huid van beide be-
schouwers en onderzoeken op die wijze het voorgestelde
beleid.
Carpe Diem
Deze beschouwer vindt, dat de verhoging van de binnen-
landse aardgasprijs door een belastingverlaging moet worden
gecompenseerd. Op het eerste gezicht lijkt die wens echter
niet in vervulling te gaan. Volgens de miljoenennota zullen
de extra aardgasopbrengsten uit het binnenland in 1975
ongeveer f. 2,5 mrd. bedragen. De verlichtende maatregelen
op het gebied van de inkomstenbelasting en de premie–
heffing voor sociale verzekeringen leveren daartegenover een
voordeel van slechts f. 1,9 mrd. op. In feite moet onze heer Carpe evenwel van de ,,binnenlandse” aardgasopbrengsten
het bedrag aftrekken, dat niet door hem wordt opgebracht,
maar, via de uitvoer van Nederlandse produkten waarin
immers het aardgas als energie is verwerkt, door een buiten-
landse afnemer. Zo gezien ontlopen extra aardgasopbreng-
sten en belastingverlichting elkaar dus niet veel.
Maar, zo zou hij kunnen opmerken, dan is de hele affaire
niet veel anders dan een broekzak-vestzak-operatie, zowel
voor de overheid als voor de gasverbruiker. Men had kunnen
volstaan met een geringe verandering van de tarieven om de
degressie te verminderen, om de gemiddelde prijs onverlet
te kunnen laten. Zo had men ook het risico kunnen vermijden,
dat in de onderhandelingen tussen werknemers- en werk-
geversorganisaties twist zou ontstaan over de vraag of het nu
eigenlijk om een belastingmaatregel gaat dan wel om een
onvervalste prijsstijging.
Tegen deze opvatting – en dus voor de prijsverhoging –
worden verschillende argumenten naar voren gebracht,
waarvan de een meer en de ander minder plausibel lijkt. In
de energienota wordt de huishoudelijke olieverbruiker ten
tonele gevoerd, die plotseling voor hoge prijzen kwa,m te
stan en onbillijk behandeld zou worden ten opzichte van
zijn .gas verbruikende buurman 1). Hij zou dan een sterke
1) Er moet wel op gewezen worden, dat de enorme prijsstijging
van HBO in begin 1974 voor een aanzienlijk gedeelte terug te voeren
is op een belastingverhoging.
1036
aandrang voelen om snel op gas over te gaan. Dat lijkt een
vreemde redenering, want er is altijd op gewezen, dat het aard-
gas bij voorrang in de huishoudelijke sector moest worden
afgezet. Daarbij komt, dat door de overgang op aardgas zeer
dure aardolie wordt vervangen. Dit kan ook aangevoerd
worden tegen het argument, dat ondanks hoge investerings-
kosten in de zogenaamde witte gebieden te veel nieuwe
verbruikers zouden worden aangesloten. Dat kan zo’n vaart
niet lopen. Men leest immers enkele regels ervoor, dat van de
totale Nederlandse woningvoorraad slechts 10% niet op het aardgasnet is aangesloten 2).
De andere argumenten uit de energienota lijken meer
aanvaardbaar. Bij de huidige lage prijs zou men niet zuinig
genoeg zijn en zou men te weinig geprikkeld worden om
woningen te isoleren. Inderdaad zijn de warmtelekken zelfs
in goed gebouwde woningen zeer hoog. Het is geen uit-zondering, dat 80% van de aangevoerde warmte door de
schoorsteen en door niet voldoende geïsoleerde muren en
daken verdwijnt 3). Maar de andere mogelijkheden om de
isolatie te bevorderen zijn zeker niet uitgeput. Om de mensen
aan te moedigen hun huizen beter te isoleren had men in
plaats van de aardgasprijzen te verhogen de bestaande
subsidieregeling voor isolatie kunnen uitbreiden. Waarom
blijft die alleen gelden voor woningen met centrale ver-
warming van na de oorlog? Het overgrote deel van het
Nederlandse woningpark voldoet niet aan dergelijke voor
–
waarden. De meeste woningen hebben één of meer gaskachels.
De niet-verwarmde kamers worden dan bij grote koude met
straalkacheltjes en elektrische radiatoren op temperatuur ge-
bracht. Vaak verbruikt een centrale verwarmingsketel min-
der energie dan twee gevelkachels en enkele elektrische
radiatoren. In ieder geval zou men het jaarlijkse verbruik
van alle energiedragers als criterium moeten nemen en daar-
bij voor het elektriciteitsverbruik vanzelfsprekend de hoe-
veelheid primaire energie toe moeten rekenen die in eerste instantie nodig was om de stroom op te wekken. Als argument voor prijsverhoging van het aardgas hoort
men ook wel, dat de EG-voorschriften een zekere gelijk-
stelling tussen exportprijs en binnenlandse prijs vereisen.
Dat gaat voor het kleinverbruik niet op. Integendeel, de vrij-
heid om die tarieven naar eigen goeddunken vast te stellen
is zeer groot. Een enquête van de Europese Commissie toont
aan, dat bij’. de verhouding
prijs voor individuele centrale verwarming
prijs voor industrieel grootverbruik
van land tot land sterk verschilt 4). In 1970 bedroeg die ver-
houding in Rotterdam en in Parijs 2,8, maar in Brussel en
Noord-Italië rond de 4 en in Frankfort slechts 2,4. DeNeder-
landse regering maakt overigens van die vrijheid gebruik
om de degressie in de tarieven te verminderen, maar ze zou
daarbij veel verder kunnen gaan. In 1970 bestonden in
Noord-Italië al huisbrandtarieven, die even weinig degres-
sief waren.
Op de keper beschouwd, spreekt bij de zeer kritische heer
Carpe eigenlijk alleen het argument van de onvoldoende
zuinigheid aan. Hoewel hem dat niet licht valt, moet hij
toegeven, dat een voortdurende verhoging van de gemid-
delde leeftemperatuur binnenskamers niet alleen de decaden-
tie bevordert, maar ook de aardgasvoorziening onnodig be-
last. Hij beseft overigens ook, dat het huishoudelijk verbruik
in enge zin minder dan 20% van de Nederlandse aardgas-
produktie bedraagt en dat de verlaging van de gemiddelde
leeftemperatuur met 1 graad de totale binnen- en buiten-
landse vraag met niet veel meer dan 1% vermindert.
De pater familia.s
Van \’rees voor ernstige energieschaarste in de toekomst
vervuld, vindt deze beschouwer de voorgestelde geef- en-neem-politiek verkeerd. Hij meent, dat de huidige gasver-
bruiker zich wezenlijke opofferingen moet getroostén. Hij
keurt prijsverhogingen dan ook goed, maar wijst de fiscale
compensatie af. Wanneer hij een zogenaamde ,,modale
werknemer” is, met een bruto inkomen van ongeveer
f. 20.000 in 1975, merkt hij intussen wel, dat zijn extra
uitgaven voor aardgas niet geheel gecompenseerd worden.
Als hij goed rekent, kost zijn centrale verwarming hem f. 200
tot f. 300 meer en geeft de overheid hem direct en indirect
f. 170 terug. Maar tweederde van de prijsverhoging wordt
hem per saldo niet in rekening gebracht. Het overige derde
gedeelte komt bovendien in de algemene middelen terecht en
hij had liever gezien, dat het gereserveerd zou worden voor
energievoorziening in moeilijker tijden of voor een Neder-
landse Energie Ontwikkelings Maatschappij.
De heer Pater meent, dat met het voorgestelde beleid
een beginsel van economische politiek geweld wordt aan-
gedaan. Dat beginsel luidt: er is geen winst voordat men de
handhaving van de kapitaalgoederenvoorraad veilig heeft
gesteld. Hij meent voorts, dat de aardgasreserves in wezen
deel uitmaken van die voorraad. Door niet op tijd de ver-
vangingskosten van het verbruikte aardgas in rekening te
brengen is de welvaartsstijging ten dele slechts schijn. Het
netto nationaal produkt neemt in werkelijkheid niet met 3%
in volume toe, zoals de
Macro-economische verkenning 1975.
wil doen geloven, maar met 1,5% of iets in die orde van
grootte. Met de belastingverlaging verdeelt de regering
eigenlijk een gedeeltelijk imaginaire koek.
Aansluitend op een in 1957 geopperd denkbeeld van
J. G. Koopmans verdedigt hij zijn stelling als volgt. Natuur-
lijke hulpbronnen moeten worden afgeschreven, wanneer
hun voorraad merkbaar vermindert. Dat gebeurt in feite
ook nu al voor sommige ,,powers of the soil”. Verbruik van
energiedragers, afkomstig van duidelijk afnemende reserves,
dient dus op dezelfde wijze verrekend te worden als verbruik van grondstoffen, die in vaste kapitaalgoederen of duurzame
consumptiegoederen rechtstreeks zijn geïncorporeerd. Wan-
neer men dergelijke goederen beschouwt als geconcentreerde
bundels van diensten, in de loop van de tijd verleend en onder
–
worpen aan technische en economische slijtage, dan vormen
de grondstoffen een gedeelte van elke bundel. De kosten
van de slijtage worden bij deze categorie van natuurlijke
hulpbronnen bepaald door de uitputtingsgraad van hun
reserves, of, wanneer vervanging mogelijk is, door de kosten
van de grondstoffen, die in hun plaats treden.
Bij hct Nederlandse aardgas is het niet essentieel anders.
Het enige verschil is, dat de diensten niet in een vast
kapitaaigoed of duurzaam consumptiegoed zijn verzameld, zoals bij de andere grondstoffen het geval is, maar onder de
grond als het ware liggen opgetast. Deze scheiding van plaats
verandert in wezen de vergelijkbaarheid niet.
De vervangingswaarde van zo’n goed is moeilijk vast te
stellen. Men zou moeten uitgaan van het prijspeil, dat op
lange termijn geldt. De recente geschiedenis toont aan, dat
de prijsbewegingen van energiedragers vaak hectisch zijn
en, wat erger is, onvoorspelbaar. Maar het probleem is het-
zelfde bij andere grondstoffen, die wel in de afschrijving
worden betrokken.
De heer Pater is er overigens van overtuigd, dat de
energieprijzen op lange termijn zullen blijven stijgen. De
huidige olieprijzen zullen, lijkt hem, zeker niet in belang-
rijke mate dalen. Dat betekent, dat de voorgenomen ver-
hoging van de binnenlandse aardgasprijzen nog te gering is
om een afschrijving op basis van de vervangingswaarde te
verzekeren. Daarom ook vindt hij, dat in ieder geval de ver-
Energieno,a,
bis. 93.
Zie o.a.
Binnenklimaa, en energie’erbruik.
Gasunie/TNO enz.,
bli.. 100ev.
Bureau voor de Statistiek der Europese Gemeenschappen,
Lé’nIuiion des prix de gaz dans les pais de la Co,,iniu,iaiiu
Eumpéenne de 1955 â 1970.
Statistische studies en enquêtes,
3/1971. Het bedoelde industriële verbruik bedraagt 120.10 m
3
per
jaar gedurende 4.000 uur.
ESB 20-1 1-1974
1037
De aanspraak der arbeiders
op een aandeel in de investeringen
J. VARKEVISSER
De winst- en vermogensaanwasdeling blijft
een onderwerp van discussie, mede omdat het
binnen de werknemersgroep positief wordt ge-
waardeerd, aldus de auteur, wetenschappelijk
medewerker bij de Stichting Wetenschappelijk
Onderzoek Vakcentrales. Hij vraagt zich af of
deze positieve waardering nu voortvloeit uit een
streven naar bezit, dan wel gebaseerd is op de
wens naar (mede)-zeggenschap via eigendom.
Tijdens de algemene politieke en financiële
beschouwingen in de Tweede Kamer van don-
derdag 10 oktober jL heeft de regering bekend
gemaakt, dat ze van plan is een regeling in het
leven te roepen die het karakter heeft van een
winst- en vermogensaanwasdeling. In dit artikel
worden enige plannen besproken, die resp. in
Duitsland, Denemarken, Engeland en Frank-
rijk zijn ontworpen met als doel de werknemers
in de vermogensaanwas te laten delen. De au-
teur komt tot de conclusie, dat meer en meer
interesse gaat bestaan voor wijzigingen in eigen-
dom en medezeggenschap, hetgeen op de lange
duur tot structurele veranderingen zal leiden.
De titel van dit artikel is al meer dan 20 jaar oud en is
afkomstig van een KAB-rapport (nu NKV), waarin werd verdedigd dat de onderneming haar werknemers via ver-
deling van de overwinst tot vermogensvorming moest bren-
gen. Nog maar enkele maanden geleden kwam NVV-voor-
zitter Kok in het nieuws, omdat hij n.a.v. de in 1973 sterk
gestegen winsten van enkele Nederlandse multinationals het
verlangen uitsprak tot verdeling van zulke extra winsten (in vermogensvorm) over de werknemers. Het onderwerp blijft
blijkbaar op de agenda staan, mede omdat het binnen de
wcrknemersgrocp positief wordt gewaardeerd. Zo was bij
een in het voorjaar 1974 gehouden enquête onder vakbonds-
leden (een landelijk gespreide, zij het niet op representativiteit
gecontroleerde steekproef)
9/
deel van mening, dat het per-
soneel recht heeft op een deel van de ondernemingswinst.
Ook wanneer dit recht zodanig wordt beperkt, dat men geen
contant geld krijgt, maar mede-eigenaar van de onderne-
ming wordt?, bleek méér dan
3/4
deel voorstander van winst-
deling.
Spaargedrag en vermogensspaarregeling
De vraag die men kan stellen is, of zo’n meerderheids-
mening wordt verkregen door een (volgens sommigen wat
burgerlijk) stre\’en naar bezit, dan wel gebaseerd is op de
wens naar (mcde)zeggenschap via eigendom. Uit een in 1970
in dc Bondsrepubliek gehouden onderzoek (Das Sparver-
haltcn der Arbcitsnehmer im Rahmen des Vermögensbil-
dungsgeset7.s. Brandt/Peter/Werth) blijkt, dat het eerste
motief zeker niet afwezig is. Van de ondervraagden acht
83% het sparen een zinvolle daad, 81% spaart ook in feite.
Zowel het inkomen als de sociale positie hebben op dat
laatste enige invloed (71% spaarders bij een inkomen van
minder dan 600 DM en 92% bij 1500 DM of meer, onge-
schoolden sparen voor
73%,
hogere beambten voor 89%),
maar dat is niet meer dan een gradueel verschil. Toender
–
tijd spaarde 43% der werknemers via het Vermögensbil-
hoging van de aardgasprijs niet had mogen worden gecom-
penseerd door belastingverlaging.
–
Wie heeft gelijk?
Zoals in het begin gezegd: het is een kwestie van tempera-
ment. De opvatting van de heer Pater past wellicht beter in
de Nederlandse volksaard. Mocht men zijn aanbeveling in
de een of andere vorm, nu of later, willen volgen, dan dient
men zich te buigen over de vraag van de aanwending der
afschrijvingen. Men zou ze niet voor iets anders dan-voor de
toekomstige energievoorziening moeten gebruiken. Fonds-
vorming is mogelijk, maar stuit op bezwaren, die ten dele van
dezelfde aard zijn als de be!eggingsproblemen van de
Arabische aardolieleveranciers.
Een goede besteding is het vergoeden van isolatiekosten,
maar dan op een andere manier en op grotere schaal dan nu
gebeurt. Natuurlijk verdient het aanbeveling geld in speur-
werk en in voorgestelde maatschappijen als de NEOM 5)
te steken. Grootscheepse research gezamenlijk met andere
landen en met bijv. oliemaatschappijen zou ook overwogen
kunnen worden. Onderzoek op het gebied van de vergassing
van steenkool wordt daarbij wellicht een van de rendabelste
bezigheden. Zolang de ondergrondse vergassing nog een
utopie is, komt dat voor Nederland neer op onderzoek naar
bovengrondse vergassing van in tz voeren steenkool. Die
kolen zouden dan elders in dagbouw of onder. zeer gunstige
omstandigheden ondergronds moeten worden gewonnen.
De vervangingswaarde van het aardgas zou dan op dit soort
invoer kunnen worden afgestemd.
K. Zijlstra
5) Zie
Energienola. b17..
75.
1038
dungsgesetzs, waarbij per deelnemer maximaal 312 DM
per jaar voor fiscale bevoordeling in aanmerking kwam. Dit
bedrag is inmiddels verdubbeld en de wet heeft de mogelijk-
heid gegeven dit soort regelingen per cao af te sluiten. Het
deelnemersaantal is daardoor nog sterk gegroeid, zodat
reeds 4 van de 5 werknemers ervan gebruikmaken. Ook het
totaal bij elkaar gebrachte bedrag neemt daardoor ver-
houdingsgewijs toe. Het grootste deel van dit geld wordt bij
talloze spaarinstellingen en bouwspaarkassen ondergebracht.
Deze Westduitse vermogensspaarregeling lijkt hard op
weg een ,,normale” arbeidsvoorwaarde te worden, zoals
vakantie en werktijd. Het verband met de winstcapaciteit
van de onderneming wordt daardoor vaagjes en bestaat nog slechts op macro-niveau: door het toegenomen be-
sparingsaanbod bij de werknemers wordt de financiering der
onderneming vergemakkelijkt en wordt de behoefte aan (in
te houden) winst kleiner. Aan de behoefte aan medezeggen-
schap in de ondcrnemingsbeslissingen kan door deze zeer
ruim gespreide bezitsvorming moeilijk tegemoet worden
gekomen, zulks nog afgezien van het feit dat in West-
Duitsland vooral het verwerven van een eigen woning door betrokkenen als spaardoel wordt nagestreefd.
Investeringsfondsen
Sinds jaren wordt in (wat meer conservatieve) West-
duitse linkse kringen dan ook gespeeld met plannen voor
grote investeringsfondsen. Die fondsen moeten worden ge-
voed uit ondernemingswinsten, die daartoe via een extra
winstbelasting moeten worden afgetapt. Alle werknemers
(eventueel alle burgers) zullen aanspraken op deze fondsen
verkrijgen, maar het ligt voor de hand dat niet zij, maar de fondsbesturen in staat zullen zijn invloed uit te oefenen op
de ondernemingen en met name op de investeringsbeslis-
singen. De liberale coalitiepartner van de SPD had niet
veel oren naar deze plannen, maar er schijnt in de boezem
der regering toch overeeenstemming daarover bereikt te zijn.
Er is kans dat een en ander volgend jaar wet wordt. De
Duitse vakbeweging wijst overigens de gedachte af, dat
zij is (tot leedwezen van wat radicaler ingestelden) een on-
vervaard aanhanger van de sociale markteconomie en zoekt
de invloed van de werknemer op de onderneming te ver-
groten door de Mitbestimmungs-wetgeving inzake de sa-
menstelling van de raden van commissarissen. Ook wat dat
betreft vormt de FPD in de regeringscoalitie een blok aan
het SPD-been. Het gevolg van het tussen SPD en FDP
bereikte compromis-voorstel in zake de Mitbestimmung
lijkt dan ook te zijn, dat iedereen ontevreden is met het
betreffende wetsvoorstel. Noch de vakbeweging, noch de
werkgeversorganisatie, noch de ,,leitende Angestellten”
(die een speciale vertegenwoordiger in de Raad van Com-missarissen krijgen) zijn het met het compromis eens. Ge-
zien de christen-democratische verkiezingsoverwinningen
van de laatste tijd is bovendien een zekere scepsis nodig bij
de beoordeling van de kansen tot bezitspreiding via de hier
besproken winstfondsen. De CDU/CSU vormen hiertegen
met de ondernemersorganisaties een eenheidsfront.
Loonsombelasting
In Denemarken zijn enige jaren geleden door de vak-
beweging plannen ontwikkeld, waarbij de ondernemingen
in de vorm van een soort loonsombelasting (in de loop van
de tijd oplopend van
‘/2%
tot
5%)
betalingen moesten ver-
richten aan een centraal investerings- en beleggingsfonds.
Deze plannen zijn later in een wetsvoorstel vastgelegd. De
betalingen zouden grotendeels in aandelen moeten gebeuren.
Waar dit niet mogelijk is, kan het geld als een lening in de
onderneming blijven. De contante gelden, die in het fonds
komen, moeten als risicodragend kapitaal weer naar het
bedrijfsleven terugstromen. De vergaarde som zou in de vorm
van aanspraken ponds-ponds-gewijs over alle werknemers
worden verdeeld; een belangwekkende nivelleringstactiek.
Nog belangwekkender is, dat men zich voorstelde dat niet
een fondsbcstuur de aan het aandelenbezit verbonden rech-
ten zou uitoefenen, doch dat het bijwonen der aandeel-
houdersvergaderingen en het uitoefenen van de aandeelhou-
dersrechten zouden worden opgedragen aan personeels-
leden der onderneming. Daar het fonds niet meer dan 50%
dci aandelen van een onderneming zou mogen bezitten, zou
op die manier op den duur een zekere paritaire verhouding
kunnen ontstaan in het ondernemingsbestuur. De Deense
Wet op de NV geeft aan de werknemers reeds twee verlegen-
woordigers in dat bestuur, doch die zouden kunnen worden
vervangen naar gelang commissarissen zouden worden be-
noemd via het stemrecht, dat aan de aandelen uit het cen-
trale fonds is verbonden.
Een politieke machtswisseling, die kortgeleden in Dene-
marken heeft plaatsgevonden, heeft de invoering van deze
plannen gefrustreerd. De socialistische partij is in de oppo-sitie terecht gekomen, geflankeerd door een anti-belasting-
partij. De regering beschikt echter slechts over een minder-
heid in het parlement en moet met wisselende meerderheden
trachten haar beleidsvoornemens uit te voeren. Te verwach-
ten is dan ook, dat de hier beschreven bezitsvormings-
plannen voorlopig nog actueel blijven, ook al zijn er hinder-
nissen opgetreden.
Labour-rapport
Ook in Engeland zijn er plannen ontwikkeld tot vorming
van ,,productief’ bezit bij de werknemers. Mr. Dr. A. A. van
Rhijn heeft daarover in dit blad (16-1-1974) verslag gedaan.
Een studiegroep binnen de Labour-partij heeft in 1973 een
discussienota uitgebracht over winstdeling:
Capital and equaliiy.
Dat was dus nog ten tijde van de regering-Heath.
Labour heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat natio-
nalisatie van bedrijven één van de meest wenselijke metho-
.des is tot het bereiken van een ordelijk functionerende
economie en een gelijkmatige verdeling van economische
macht en inkomen.
Hoewel de regering-Wilson ook nu weer een aantal na-
tionalisatieplannen heeft opgesteld, heeft deze methode
toch haar beperkingen. Wanneer de bestaande eigenaars
schadeloosstelling ontvangen, worden de vermogensver-
houdingen niet wezenlijk veranderd: betrokkenen kunnen
met dit geld bovendien weer andere ondernemingen begin-
nen. Door nationalisatie komt er wél een andere eigenaar,
maar dit behoeft geen inspraak van de werknemers met
zich mee te brengen.
De studiecommissie heeft zich dan ook afgevraagd of
niet over een breed front veranderingen in vermogens- en
machtsverhoudingen kunnen worden aangebracht in al die
bedrijfstakken, die (nog) niet voor nationalisatie in aan-
merking komen. Eén van de commissieleden was Derek
Robinson, een man die sinds jaren actief is geweest in Eu-
ropese conferenties over vermogensaanwasdeling en spaar-
loonregelingen en die daarover kortgeleden nog een in-
formatief boek publiceerde
(Incomes policy and capiial
sharing in Europe).
Het mag dan ook geen wonder heten
dat het rapport voorstellen in die richting doet. Daarbij
wordt de ondernemingsgewijze methode afgewezen: bij
die methode ontvangen de werknemers (geblokkeerde) uit-keringen, die afhankelijk zijn van de rentabiliteit der onder-
neming waarin zij werken. Het rapport verwacht daar geen
goeds van: toenemende ongelijkheid tussen de werknemers
vanwege de verschillende winstcapaciteit der bedrijven. Bovendien kunnen werknemers door z6’n regeling ertoe
worden gebracht zich te zeer met hun werkgever te identi-ficeren, al zijn beslissingen gewillig op te volgen, enz. Het
rapport meent ook dat de aldus gesuggereerde eenheid van
belang tussen management en werkers een antithese van de industriële democratie is, waarbij de werknemers hun
ESB 20-11-1974
.
1039
afzonderlijke belangen niet meer door hun eigen organisa-
ties kunnen laten behartigen.
Het Labour-rapport borduurt dan ook voort op de in
Denemarken gecomponeerde melodie, maar maakt een
variatie in de wijze waarop het fonds zou moeten worden
samengesteld. Men stelt voor, dat vennootschappen jaar-
lijks en om niet aandelen overdragen aan een centraal fonds,
waardoor ieder jaar het aantal uitstaande aandelen bij
–
voorbeeld met 1% vermeerdert. Dit werkt minder discrimi-
nerend t.o.v. ‘e arbeidsintensieve bedrijven. Voor filialen
van buitenlandse ondernemingen en voor niet-vennoot-
schappen zou de bijdrage wél gebaseerd kunnen zijn op de
loonsom. Het Deense voorstel wordt gevolgd, wat betreft
het geven van een gelijke aanspraak op het fonds aan alle
werknemers. Het industriële-democratie-aspect van de
Denen, tot uiting komend in een werkwijze waarbij in alle
gevallen de werknemers van een onderneming de aandeel-
houdersrechten uitoefenen, wordt echter minder consequent
gevolgd. Ook anderen zouden door het fonds naar aandeel-
houdersvergaderingen kunnen worden afgevaardigd: dit
zal uiteraard kunnen leiden tot een grotere machtspositie
van het fondsbestuur.
De voorgestelde wijze van aandelenafdracht komt neer
op een zekere ,,verwatering” van het aandelenkapitaal.
Wanneer de ondernemingen echter doorgaan met het op-
bouwen van reserves via interne financiering is dat echter
meer een relatieve dan een absolute verwatering, waarbij
een effectieve, zij het langzame, herverdeling optreedt tussen
de bestaande aandelenbezitters en de werknemersgroep.
Ondernemingsgewijze methode
Het feit doet zich voor dat in het enige land waar een
stelsel van vermogensaanwasdeling bij de wet is ingevoerd
deze regeling gebaseerd is op de ondernemingsgewijze
methode. Het gaat hier over Frankrijk, waar De Gaulle de
werknemers in 1967 ongevraagd verblijdde met de door het
linkse Gaullisme gepropageerde ,,participatlon”. Daardoor
werd over het boekjaar 1968 t.b.v. 2,2 mln, werknemers
een bedrag van 765 mln. franks geblokkeerd. Vijftien jaar
later werden er gelden geblokkeerd t.b.v. 4 mln. werkne-
mers. Het in 1968 geblokkeerde geld komt dit jaar vrij en uit de inmiddels bekend geworden cijfers blijkt inderdaad
dat er grote verschillen per deelnemer zijn. Meer dan de
helft der betrokkenen heeft aanspraak op minder dan 240
franks, terwijl een klein groepje meer dan 1.200 franks toe-
gewezen heeft gekregen. Deze verschillen komen overigens
niet alleen voort uit de verschillende rentabiliteit van de
betrokken ondernemingen, maar ook omdat de uitkeringen
in evenredigheid met de salarissen geschieden.
Het is met deze Franse regeling wat vreemd gesteld.
Niet alleen omdat zij ongevraagd werd opgelegd, maar ook
omdat zij slechts verplicht is voor bedrijven boven 100 man
personeel. Daarbij moet in aanmerking worden genomen,
dat aan de regeling een aantal fiscale maatregelen zijn ver-
bonden, die ertoe leiden dat het aan de werknemers toe-
gezegde bedrag volledig wordt gecompenseerd door lagere
belastingbetalingen door de onderneming. In feite komt het
erop neer dat er uit de staatskas t.b.v. hun bezitsvorming
zeer verschillende uitkeringen worden gedaan aan een re-
latief kleine groep werknemers; betalingen die uiteraard via
de belastingbetalingen door alle burgers (zij het door de
zelfstandigen in mindere mate dan door de werknemers
i.v.m. de moeilijkheid de eerste groep fiscaal in de greep te krijgen) moeten worden opgebracht. Daar de liquiditeit van
de ondernemingen door deze methodiek niet wordt aange-
tast, kunnen zij de uitkeringen in contanten doen en aan de
betrokkenen de beleggingswijze overlaten. Slechts enkele
procenten van het totale bedrag zijn door de betrokkenen in hun onderneming gelaten. De kleinste helft van het to-
tale bedrag is op spaarrekeningen gezet, de grootste helft
is naar beleggingsmaatschappijen gevloeid. De elders ont-
wikkelde plannen, die betaling in aandelen voorzien t.b.v.
de liquiditeitspositie van de ondernemingen en die daaraan
een stuk medezeggenschap verbinden, slaan dus in het ge-
heel niet op de Frânse situatie.
Syndicalisme
Vooral Mr. Dr. A. A. van Rhijn heeft zich in de afgelopen
tijd gekeerd tegen de syndicalistische tendenzen, die hij in de
hier besproken plannen ontwaart
(Sociaal Maandblad Ar-
beid.
april 1974 en het reeds genoemde
ESB-nummer).
Heer-
schappij van de vakbeweging in het economisch leven zal z.i.
een verlammende invloed hebben. Als bezwaar voor het hui-
dige produktieproces ziet hij wel deconcentratie van macht en
hij gaat zelfs mee met het idee van Galbraith tot het vormen van ,,countervailing powers”. Wanneer in de hier genoemde
plannen dan echter sprake is van een welbewuste poging
tot het vormen van zo’n tegenmacht, schrikt hij terug, zon-
der dat hij overigens in zijn beschouwingen aangeeft wat er
dan wel moet gebeuren. Liggen op dit gebied werkelijke
problemen? Waar ligt op het moment de beslissingsmacht
in het bedrijfsleven? In de nieuwe Nederlandse onderne-mingswetgeving is aan de Raad van commissarissen een
zeer grote formele macht gegeven. Desondanks lijkt het
veilig te starten vanuit de hypothese dat de directeuren hun
ondernemingen leiden naar hun inzicht. Als professionals
zijn ze dagelijks bij de gang van zaken betrokken, waarbij
ze zeker naar hun commissarissen zullen luisteren; zoals
ieder verstandig man de opinie van anderen ter harte neemt
bij het nemen van een besluit. Diverse publikaties hebben
in de laatste tijd de aandacht gevestigd op de machtspositie
van de ondernemingsdirecteuren in het Joegoslavische zelf-
bestuur. Dat bevestigt het vermoeden dat die macht aan de
functie zit vastgekleefd, onafhankelijk van de sociaal-
economische orde.
In de verschillende plânnen wordt de inspraak van de
werknemer-aandeelhouders overigens nog verschillend ge-
regeld. Het Deense model geeft de macht aan de werk-
nemers der ,,eigen” onderneming, waarmee men een paritair
samengestelde Raad van commissarissen hoopt te bereiken.
Elders wordt die pariteit als een afzonderlijke doelstelling nagestreefd en gezien onze hypothese over de beslissings-
macht in het bedrijfsleven zal – hoe men die paritaire
samenstelling ook bereikt – eerder gesproken kunnen wor
–
den van beïnvloeding van de directie dan van machtsuit-
oefening. In het Engelse, overigens nog vrij vage plan (het partijcongres is er mede vanwege de verkiezingen nog niet
aan toe gekomen het in bespreking te nemen) wordt zowel
gedacht aan ,,centrale” als aan uit de onderneming gere-
cruteerde afgevaardigden naar de aandeelhoudersvergade-
ringen. Gezien bijvoorbeeld het ingeburgerde shop-steward-
systeem is te verwachten dat ook wat de afgevaardigden
betreft de autonomie van de afzonderlijke arbeidsorgani-
saties het zal winnen van de centrale, waardoor er van
machtsuitoefening via een centraal bestuur niet veel terecht
zal komen.
Ook in West-Duitsland is de gedachte van één centraal
fonds verlaten. In plaats daarvoor denkt men nu aan meer-
dere fondsen, waarbij iedere werknemer zelf kan kiezen
waar hij zich bij aansluit. Dat zal een zekere concurrentie
opleveren, waarbij de door de fondsen verkregen rende-
menten ongetwijfeld mee zullen spelen. Hoge rendementen
zijn echter slechts te verkrijgen wanneer de ,,fondsafgevaar
–
digden” in de aandeelhoudersvergadering eerder de effi-
ciency en effectiviteit stimuleren dan dat zij zich t.o.v. de
ondernemingsinitiatieven opstellen als verlammende in-
stantie. Nog afgezien van de reeds eerder gestelde vraag
naar de feitelijke invloed van aandeelhouders en corn-
missarissen is er ook in de Duitse plannen dus niet zoveel
aan te wijzen wat de angst van Van Rhijn kan verklaren.
Dat ligt voor de hand: ook de SPD is aanhanger van de
,,soziale Marktwirtschaft”, niet van een geleide economie.
1040
r–
Driekwart eeuw koopkracht van de gulden
In de eèrste publikatie van het ( eritraal Iinhurcaii over voorspelling op middellange (crniijrl 1) is
ten
grafiek opgenomen die het verloop van dc koipkraclit an
de gulden weergeeft (op basis van het prijspeil %
,
.trt dc
particuliere consumptie). De tekening heeft hctreLhinig
op de jaren 1900-1966 (met raming tot 1970).
Nu
de
,4’la(‘/’o E(ono,niv’he ken,
«IiJIH
‘)
–
sersi, be-
nen is 2) kan de figuur worden aaigevuId met vijf jaren
(ten dele geraamd) tot 1975. De kotpkracht van, dc
gulden zal dan in driekwart eeuw
lijn
gedaald niet l)ijnJ
90%. +
In de – kgaritmisch opgezette – gralick .’ijn ter
beoordeling van het verloop lijnen san constante procen-
•tuele daling per jaar getekend.
De
gemiddelde daling
sinds 1900 bedraagt 3% per jaar, en in de laatste
it’s
Jaren
ongeveer 9% per jaar. Eenzelfde daling vond plaats in en
vlak na deeersIe en de tweede wereldiorlog.
.1. II, (
l isnian
De N(‘(JenIan(le eI oplon/Il’ /n / 970, C P B, t
t’1t’
h /
41a, ()
en 1. 4.
Nivellering
Het nastreven van enige nivellering van de vermogens-
verhoudingen blijft het voornaamste feitelijke doel van de
besproken plannen. Gezien de uiterst scheve vermogensvêr-deling’ lijkt dit geen onterechte doelstelling.. Of men daarbij
een ,ondernemingswijze of een nationale formule volgt, lijkt.
van minder belang dan de wijze, waarop hetverkregene
over de deelnemèrs wordt verdeeld. Een nationale formule
• met uitkeringen naar gelang het salaris werkt zekei niet
•
meer in de richting van -nivellering dan een bndernemings-
‘gewijze verdeling, waarbij per onderneming alle’deelnemers
• eenzelfde bedrag krijgen toegekend. Ideologische achter-
gronden spelen bij de keuze een woordje mee. In het ge-
noemde KAB-rapport wordt gekozen vo9r een onder-
nemingsgewijze verdeling
:met
enige uitbreiding naar• dé
bedrijfstak. NVV-secretaris A. Vèrmeulen kon indertijd het
gehele onderwerp, bij zijn organisatie niet van de grond
krijgen, maar persoonlijk schreef hij eën opstel over .Col-
lective Profitsharing
(International Labour Review,
juni
1953)
waarin hij zich aanhanger van een nationale formule
toonde. . .
In vroeger jaren, bok in het vakbewegingsrapport ,,Be-
zitsvorming door vermognsaanwasdeling” (1964),, werd
gesteld’ dat de ondernemingen naast een’ redelijk dividend
ook nog zeer grote winstbedragen voor interne financiering
gebruikten. Winstdeling als basis van vermogensvorming bij
werknemers werd dan ook gezien als een andere distributie
van de vermogerisaanwas, die niet veel economische effecten
met zich mee zou brengen. Hoe past een en ander in de
,
• huidig’e. economische situatie? Volgens sommigen is hët
arbeidsaandeel van het nationale inkomen zo hoog.opge-
lopen dat door de teruglopende winsten breedte-investerin-
,.,.,,.
nauwelijks meer rendabel te maken zijn. -Deze bljven —
• , dan ook uit met als gevolg toenemende werkloosheid. In,
deze visie zou het winstaandeel moeten stijgen ten koste van
het loonaandeel: een voor de niet werkloze werknemer min-
der aantrekkelijke gang van zaken. Zou hij de relatieve achter-
•
–
uitgang van het loon echter gecompenseerd weten door
.
winstuitkèringen dan is een-en ander gemakkelijker te aan-
vaardën. Volgéns ‘anderen is er in Nederland echter’ spake
van onderbesteding: dat levert betalingsbalansoverschotten
– en geïmporteerde ‘infl’atie op. Een al te terughoudende loon-
– ontwikkeling kan die onderbesteding alleen maar verergeren.
Hogere lonen leiden echter tot hogere prijzen en meer in-
flatie. Arbeisbesparende investeringen maken de loon-;
factor dan vn minder belang, doëh leideh tot’ tru’cturèlé
werkloosheid. De,vraag rijst of men deze situatie ook niet
te lijf kan gaan met andere middelen: de. bèstaande kpi- ‘
taalgoederen. kunnen beter worden benut (bijvoorbeeld met – – – –
meer ‘ploegenwérk in allerlei– aantrekkelijke variaties wat
– betreft,gewerkté tijd per week) waardoor zonder breedte- –
inv•esteringen toch meer werkgelegenheid-wordt geschapen.
De ûit de
•
neer efficiënte benutting van de outillage voort-
komende winsten kunnen
•
weer als bron van winstdeling
worden gebruikt.
.
.
—
– Sinds het voorgaande werd geschreven zijnde door W. Kok ‘
uitgesproken.woorden door de vakcentrales in-het’kader van -‘
hun arbeidsvoorwâardenbeleiduitgewerkt tot
–
een winst-
vcrdelingsplan. Men wil daarbij ‘drie doeleinden’ tegelijk
bereiken:’
–
-.
aan de goed rendabele ondernemingen’het geld onttrekken waarmee zij via hogere lonen de arbeidsmarkt kunnen ver-
storen;
• gelden ter beschikking stellen waarmee in moeilijke om-
standigheden verkerende’ bedrijfstakken kunnen, worden –
geherstructureerd;
• de 6pbrengst van de gelden gebruiken ter verbetering van
de pensioenvoorzieningen.
be’ruimte ontbreekt hier in te gaan op de vele problemen
die met zo’n drieledig plan’zijn verbonden en waarvoor de
overheid —.krachtens de toezegging van Den Uyl – blijk-
baar een oplossing wil presenteren. Eén ding is wel duidelijk
.geworden: over de ‘-mate’ van- ,,collectivisme” die aan de
regeliflg ten grondslag moet liggen,’ zijn de meningen nog
-. evenzeer verdeeld als elders en vroeger. ‘
ESB2O II 1974
1041
Hoe duur is ons gezin? (111)
DRS. IR
. A. KAPTEYN*
PROF. DR. B. M. S. VAN PRAAG*
In twee vorige artikelen (zie ESB van 6 novem-
ber /1. en 13 november /1.) hebben de auteurs
een door hen ontwikkelde methode beschre ven
om kosten verschillen tussen gezinnen van
verschillende samenstelling te meten en
de resultaten van de meting gepresenteerd. In
clii laatste artikel worden de uitkomsten ver-
geleken me, de resultaten van ander onder-
zoek en met het in Nederland bestaande kin-
derbjjslag- en kinderaftrekstelsel. Zij komen tot
de conclusie dat het huidige stelsel onvoldoende
compensatie biedt voor de eerste twee kinderen
en overcompensalie geeft voor de daaropvol
–
gende kinderen. Tot slot wordt geconcludeerd
dat de gevolgde methode ook toegepast zou kun-
nen worden op andere gebieden, zoals de bereke-
ning van de kosten van hei milieu.
Vergelijking met ander onderzoek
Daar onze benadering sterk afwijkt van de in zwang
zijnde methoden, is het de moeite waard om te bezien welke
de overeenkomsten en verschillen in uitkomsten zijn tussen
de gebruikelijke methoden en onze meetprocedure. De
meest recente studie op het gebied van de gezinssubsidies in Nederland is het rapport van Ing. W. Verwey, voorzitter van
de Raad van Arbeid te Rotterdam:
Beschouwingen over ge-
zinssubsidie
1). Omdat dit rapport aanzienlijk gedetailleer-
der op verschillen in gezinsstructuur ingaat dan de meeste
eerdere onderzoekingen, zullen we onze uitkomsten met dit
rapport vergelijken. In de tweede plaats zullen we een verge-
lijking maken met een recent Amerikaans onderzoek 2).
Conclusie
Uit de beschreven plannen blijkt dat meer en meer in-
teresse gaat bestaan voor wijzigingen in eigendom en mede-
zeggenschap, die op de lange duur tot structurele verande-
ringen leiden. In de bedrijven zal die medezeggenschap ook
vanuit de basis worden gevraagd, zulks gebaseerd op de
aldaar toenemende kennis, inzicht en behoefte aan zelf-
standigheid. De belangstelling voor zeifbesturende onder-
nemingen lijkt eerder een symptoom van een bredere be-
weging dan een geïsoleerd gebeuren. Hetzelfde geldt voor
bedrjfsbezettingen en de naar het schijnt toenemende be-
langstelling voor produktiecoöperaties (waar eigenaars en
arbeiders in dezelfde personages zijn verenigd).
J. Varkevisser
De resultaten van Verwey kunnen als volgt worden sa-
mengevat:
Een kind wordt duurder naarmate het ouder wordt. Een
18-jarige kost 2,64 maal zoveel als een pasgeboren baby.
Elk volgend kind kost minder dan het vorige. Wanneer
het eerste kind een zeker bedrag kost, kost het tweede
kind 80% daarvan en het derde kind 55%.
De kosten van kinderen stijgen bij het toenemen van het.
inkomen der ouders en wel vrijwel evenredig.
Conclusie 3 komt volledig overeen met onze bevindingen.
Conclusie 2 is kwalitatief dezelfde als de onze en conclusie 1
is strijdig met ons resultaat. Conclusie 1 en 2 sâmen zijn ech-
ter zeer wel met onze uitkomsten te verenigen. In de bereke-ningen van Verwey speelt de leeftijd van de ouders namelijk
geen rol. Onze conclusie luidde, dat de leeftijd van de ouders
juist een belangrijke verklarende factor is en niet de leeftijd
der kinderen. Echter, als de ouders ouder worden, worden
de kinderen dat ook. Als dus in een onderzoek de leeftijd der
ouders buiten beschouwing blijft (of moet blijven, bij gebrek
aan gegevens), worden de stijgende kosten bij het toenemen
van de leeftijd automatisch aan de kinderen toegeschreven.
In de tweede plaats hebben wij een rangorde-effect gevon-
den, dat veel sterker is dan in het Rotterdamse onderzoek.
Kinderen met een hoger rangnummer zijn echter ook jonger
en wegen volgens de Rotterdamse bevindingen dus minder.
Een sterk rangorde-effect zonder leeftijdseffect voor de kin-
deren en met een leeftijdseffect voor de ouders is daarom
best te verenigen met een zwak rangorde-effect, een sterk
leeftijdseffect voor de kinderen en geen leeftijdseffect voor
de ouders. Beide stelsels zijn qua patroon in hun uitwerking
op een uit te keren inkomenscompensatie waarschijnlijk
ook niet sterk verschillend.
Er rest nog één punt. In het eerste artikel hebben we ge-
steld dat de methoden die uitgaven en kosten gelijk stellen,
waarschijnlijk de werkelijke kosten overschatten. We zullen
aan de hand van één voorbeeld bezien of onze methode lager
uitkomt dan de ,,uitgaven”-methode. Neem een gezin be-
staande uit man (37 jaar), vrouw (35 jaar) en drie kinderen
van resp. 12, 10 en 8 jaar oud met een netto-inkomen van
f. 25.000 (exclusief inkomenscompensatie voor de kinde-ren). De additionele kosten volgens beide methoden vindt
men in de eerste en laatste kolom van tabel 1. De verschillen hangen uiteraard af van de gezinssamen-
stelling, maar het is duidelijk dat onze methode leidt tot aan-
zienlijk lagere compensatiebedragen. Het Amerikaanse on-
derzoek 2) vindt ook een toename van de kosten van kinde-
* De auteurs zijn verbonden aan het Economisch Instituut van de
Rijksuniversiteit te Leiden. Rotterdam, 1973,
J. J. Seneca en M. K. Taussig, Family equivalence scales and
personal income tax exemptions for children,
Reviel4
oJEcononiies
and Sia/isiics,
1
971, blz. 25 3-262.
1042
Tabel 1. Een voorbeeld van de verschillen in uitkomsten
van diverse ineelmeihoden voor hei bepalen van de addi-
iione/e kosten van kinderen a)
Verwey
Seneca/Tausaig
Kapteyn/ Van
Praag
le kind
5.400
9.100
3.200
2e kind
3.200 3.300
1.600
3e kind
2.100
3.000
1.000
a) In het voorbeeld is verondersteld dat de vader 37 jaar oud is en de moeder 35 jaar.
De kinderen zijn resp. 12, 10 en 8 jaar oud. Hel inkomen van de ouders is
r.
25.000 voor
de komst van de kinderen. Om de uitkomsten van Senens en Taussig te kunnen omrekenen,
is verondersteld dat étn Amerikaanse dollar overeenkomt meI f. 2.60.
ren bijeen toenemend inkomen van de ouders, maar aanzien-
lijk minder dan evenredig. Deze bevinding is dus in strijd
met zowel de uitkomsten van Verwey als met die van ons.
Voor een gezin met een netto-inkomen van ongeveer
US$ 9.600 worden de compensatiebedragen gevonden
welke in de tweede kolom van tabel 1 vermeld zijn. Een on-
derscheiding naar leeftijd van ouders of kinderen heeft niet
plaatsgevonden. De gebruikte methode is die van het ,,con-stante percentage bestedingen aan noodzakelijke goederen”
(zie het eerste artikel). We hebben in het vorige artikel reeds
op de mogelijkheid van overschatting gewezen welke in die
methode ligt besloten. Tabel 1 schijnt een goede illustratie
van die overschatting te vormen.
Vergelijking met het bestaande kinderbijslag- en kinderaf-
trekstelsel
In tabel 2 zijn de inkomenscompensaties in het kader van
het kinderbijslag- en kinderaftrekstelsel (KBA) voor een aan-
tal inkomensgroepen en gezinssamenstellingen weergegeven
volgens de situatie van 1juli1974 3).
We zien dat de KBA bij het toenemen van het bruto-inko-
men een steeds kleiner percentage van het netto-inkomen uit-
maakt. Daar zowel Verwey als wij hebben gevonden dat ad-
ditionele kosten van kinderen evenredig zijn met het gezins-
inkomen, zit in het huidige KBA-stelsel een stevige inko-
mensherverdeling ingebakken. In de tweede plaats blijkt
dat het bestaande KBA-stelsel voor de kosten van het eerste
kind geen volledige compensatie biedt. In elke inkomens-
klasse zijn de kosten van het eerste kind hoger dan de kinder-
bijslag en kinderaftrek die voor dat kind worden gegeven.
Voor het tweede kind geldt vrijwel hetzelfde, maar het ver-
schil tussen extra kosten en extra uitkering is aanzienlijk ge-
ringer dan voor het eerste kind.
Volgens onze berekeningen krijgen de minimumloontrek-kers (ongeveer f. 15.000 per jaar) al vrijwel evenveel als het
tweede kind kost. Hoe meer kinderen men krijgt boven de
Tabel 2. Vergelijking van totale KBA a) voor kinderen onder
16 jaar als percentage van het netto-inkomen, exclusief
KBA, mei de additionele kosten van kinderen
Bruto-inkomen
KBA in procenten van netto-inkomen voor KBA
in guldens
66n kind
twee kinderen
drie kinderen
15.000
6,24
14.70
23,16
20.000
5,11
11,94
18,76
25.000 4,50
10,27
15,94
30.000
3,90
9.01
14.12
35.000
3.73
8.50
13.27
40.000
3,39
7.73
2.07
50.000
3.09
6,98
10,86
60.000
2.83
6.36
9,84
Additionele kosten van kinderen
van resp. 12, 10 en Sjaar in
een gezin waarvan de ouders resp. 37 en 35 jaar oud zijn:
volgens Verwey
22
34
45
volgens Kapteyn en Van Praag
16
25
30
a) Onder KRA wordt verstaan: kinderaftrek opgeteld bij kinderbijslag.
eerste twee, hoe voordeliger het wordt. Het derde kind kost
volgens onze berekeningen 5% van het netto-inkomen, maar
voor bruto-inkomens tot f. 30.000 is de KBA al meer dan
5%.
Bij stijgend kindertal stijgt ook de inkomensgrens waar-
boven een extra kind meer kost dan het aan KBA opbrengt.
In termen van materiële welvaartsgevoelens kan men
dus
het beste geen kinderen hebben 6f meer dan twee. Als men
daarentegen één of twee kinderen heeft, zal het gevoel van
welvaart het laagst zijn. Dat is echter juist de gezinsgrootte
die uit een oogpunt van bevolkingspolitiek het meest wordt
gepropageerd! Het KBA-stelsel openbaart duidelijk prefe-
renties welke strijdig zijn met een politiek van beperking van de bevolkingsgroei!
Conclusies
Met behulp van de individuele welvaartsfunctie van het
inkomen blijkt het mogelijk op eenvoudige wijze de verschil-
len in kosten van levensonderhoud tussen gezinnen van ver-
schillende samenstelling te meten, op een wijze die een aan-
tal bezwaren van andere methoden ondervangt. De ge-
volgde procedure is ook geschikt om allerlei andere ,,subjec-
tieve kosten”-verschillen te meten. De ontwikkelde methode
lijkt toepasbaar voor het bepalen van adequate sociale ver
–
zekeringsuitkeringen of voor het vaststellen van compensa-
ties voor milieu-overlast. Zo hebben we in het tweede deel
van dit artikel reeds laten zien hoeveel goedkoper het is kin-
deren op het platteland op te voeden dan in de stad.
De kosten van kinderen stijgen evenredig met het in-
komen. Een gezin is kennelijk een dusdanig democratische
gemeenschap dat een stijging van het gezinsinkomen volgens een vast patroon over de kinderen wordt verdeeld. De gezins-
kosten van levensonderhoud blijken te stijgen met het toe-
nemen van de leeftijd der ouders, dalen per kind met het toe-nemen van het rangnummer en hangen niet af van de leeftijd
van het kind, behalve in academische gezinnen.
Er zijn aanzienlijke verschillen tussen sociale en geogra-
fische groepen. Een kind is op het platteland goedkoper dan
in de stad. Een moeder die niet buitenshuis werkt, bespaart
daarmee aanzienlijke bedragen aan opvoedingskosten. Des
te hoger de schoolopleiding van de ouders is, des te belangrij-
ker de leeftijd van de ouders wordt voor de kosten van levens-
onderhoud in het gezin.
De vergelijking van de resultaten met het huidige kinder-
bijslag/kinderaftrekstelsel leert dat de uitkeringen geen ver-
band houden met de werkelijke kosten ineengezin. De gezin-
nen met één of twee kinderen blijken het zwaarst te worden
belast. Uit een oogpunt van bevolkingspolitiek lijkt ons dat
een bedenkelijke zaak.
Reeds in eerdere publikaties hebben we melding ge-
maakt van het z.g. ,,preference drift”-effect, d.i. het verschijn-
sel dat mensen hun inkomensevaluaties grotendeels aanpas-
sen aan de eigen omstandigheden. Het blijkt dat deze aanpas-
sing ookplaatsvindt als het om andere materiële veranderin-
gen (i.c. wijzigingen van de gezinsstructuur) gaat. De ,,prefe-
rence drift” blijkt een algemene maat te zijn voor de mate
waarin men zich aan zijn
eigen
omstandigheden aanpast. Te-
vens blijkt het mogelijk de subjectief gepercipieerde kosten-wijziging te splitsen in een ,,direct” effect en een ,,indirecte”
nasleep veroorzaakt door de aanpassing ten gevolge van de
werking van het ,,preference drift”-effect. Uiteraard past de
mens zijn evaluaties niet alleen aan de eigen omstandighe-
den aan, doch ook aan zijn omgeving. Met het kwantificeren
van dit laatste aspect zijn we thans bezig. Wanneer die studie zal zijn afgerond, hopen we onze belofte in te lossen, met be-
hulp van de individuele welvaartsfunctie van het inkomen
een optimaal belastingtarief op te stellen 4).
A. Kapteyn
(Slot)
B. M.
S. van Praag
Onder KBA wordt verstaan: de som van kinderbijslag en kinder-
aftrek.
Zie
ESB
van 2 mei 1973, blz. 382.
ESB 20-11-1974
1043
De industriè
“‘le ontwikkeling•
in het Rijnmondgebied’
Enkele notities
W. THOMASSEN
Wegens het bereiken van cle pensioengerechtigde
leeftijd trad W. Thomassen (leze maand af als hur-
geineester van Rotterdam. De redactie van ESB
nocligde hen? daarom uit zijn visie te geven over cle
industriële ontwikkeling van het Rijnniondgehied.
Zoals bekend i;iag worden verondersteld, i.s de
heer Thomasseii één van de ,,voortrekkers” ge-
‘eest van cle Rotterdamse haven, die van groot
belang is voor cle gehele Nederlandse economie.
De redactie van
ESB
vroeg mij m’n ,,visie te verkondi-
gen” over het hierboven vermelde onderwerp. Ik heb niet de
pretentie dat ik dat kan. Daarom veroorloof ik. me een
meer bescheiden ondertitel; ook dan is ‘t nog niet zo simpel.
Laten wij 24 uur in de bioscoop gaan zitten en een film
zien, welke de ontwikkeling van het leven op aarde in beeld
brengt. Indien aan elke groep van levende wezens een tijds-
duur wordt toegemeten, evenredig aan de historische duur,
dan zien wij tijdens de eerste 23 uur weekdieren, rep-
tielen, vissen en vogels verschijnen en pas in het 24ste
uur komen de zoogdieren ten tonele. Als de voorstelling
bijna is afgelopen, namelijk in de laatste 10 minuten, ont-
moeten wij eerst de mens, terwijl de periode der beschaving
met enkele seconden moet worden afgedaan. Deze fantasie
is pas interessant, als we ons voor ogen stellen, dat de film
van het leven op aarde nog 24 uur of langer zal doorlopen
en dat de mens dan van begin tot eind aanwezig zal zijn!
Conclusie: de menselijke geschiedenis is nog maar pas
begonnen. De mens als beschaafd wezen staat in de kinder-
schoenen. Als wij ons rekenschap geven van de enorme ver-anderingen, welke de mens in de eerste minuten van zijn be-
staan op de aardkorst heeft teweeggebracht, dan moeten wij
erkennen, dat de invloed van zijn handelingen tijdens de.
volgende 24 uur zich aan elke fantasie onttrekt.
Futurologie
De vorige alinea is gestolen goed. Ik schreef dat proza 21
jaar geleden in een jeugdleidersblad, maar ik trof die
gedachtengang ‘t eerst aan bij de theoloog en filosoof Bart
de Ligt in 1936. Telkens opnieuw verbaas ik me erover dat
deze gedachte niet staat aan de ingang van elk tciekomst-
denken, vooral als ‘t gaat om nieuwe verworvenheden, ont-
dekkingen, uitvindingen, die wezenlijke invloed op het ge-
drag van mensen en op vormen van samenleving kunnen
hebben. De laatste vier woorden der vorige alinea zijn
thans, gelet op de opkomst der futurologie, te zwart-wit.
Maar hoe moeilijk het hier betreden terrein is, realiseerde ik
me onlangs, toen ik het betoog van Prof. Dr. Kommandeur
uit 1966, gehouden bij het 20-jarig bestaan van de Wiardi
Beckman Stichting, herlas. De conferentie behandelde ,,De
komende twintig jaar” en het onderwerp van Kommandeur
was: ,,Ontwikkelingen in de Natuurwetenschappen”. Met
zijn geestesoog zag hij o.a. op het terrein van de weten-
schap:
• commerciële ontzouting van zeewater;
.• een vruchtbaarheid regelende ,,pil” voor de mens;
• nieuwe ultra-lichte constructiematerialen;
• automatische vertaalmachines;
• transplantatie van menselijke organen;
• betrouwbare weersvoorspellingen; • centraal geheugen voor opslag van wetenschappelijke in-
formatie.
In de sector automatisering voorspelde hij vele resultaten
op het terrein van computers, van onderwijsmachines, van
communicatie, van openbaar vervoer, van besliskunde, van
elektronische protheses enz. Ook de ruimtevaart kreeg aan-
dacht en hij schoot er niet naast, gezien de veranderingen
tussen 1966 en vandaag. Vervolgens stelt Kommandeur zijn
vraag: doen we nee? Neen – zo poneert hij – dan wor-
den we een historische bezienswaardigheid. Ja! Dan rijzen
nieuwe vragen: waarom doen we mee? Hij zegt ,,ja” en
noemt diverse mogelijkheden. Wat moeten we doen?,
vraagt hij vervolgens, en geeft punten aan, onder andere op
‘t gebied van het onderwijs. Wat bepaalt de richting? Hij
somt diverse factoren op, onder andere het toeval! Conclu-
derend stelt hij broodnuchter: de tijd der dogma’s is voor
–
bij, de vraag wordt: werkt ‘t of werkt ‘t niet? Dat Komman-
deur vervolgens liet gevaar der technocratie signaleert zal
nu niemand verbazen.
Tenslotte ontmoet hij maatschappelijke problemen:
• de automatisering veroorzaakt werkloosheid, die opge-
vangen moet worden door meer en langere opleidingen,
méér vrije tijd, méér vakanties;
• de verdere industrialisatie veroorzaakt afvalstoffen;
• de ontwikkeling van de medicijnen zal morele problemen
scheppen;
• de intimiteit van het gezin biedt de rustplaats in de snelle
ontwikkeling.
Daarom zal goede huizenbouw en verantwoorde recreatie
een noodzaak blijken. Tot zover. de citaten. Het einde is
troostrijk en aanmoedigend voor gemeentebestuurders.
Milieuproblematiek
De opvattingen van Kommandeur zijn van ‘t zelfde jaar
als de groeinota van de toenmalige minister van Eco-
nomische Zaken, Den Uyl. De milieuproblematiek komt in
beide stukken nauwelijks aan de orde. Wie nu over indus-
triële ontwikkeling denkt, ontmoet die problematiek bijna
1044
in dc gedaante van een zware muur die ons uitzicht weg-
neemt. Ik tracht een paar gaten in die muur te boren.
In het vliegtuig is de zuigermotor verdrongen door de
straaimotor. De doorbraak naar een ander geruisloos en
milieuvriendelij k voortstuwingsmechanisme voor de auto
lijkt aanstaande. In de worsteling met het energieprobleem
rekenen ook de ,,anti-actiegroepen” met enigerlei oplossing
voor het opwekken op veilige wijze van kernenergie;
waarom anders te spreken van
5
jaar uitstel, een termijn die
minister Lubbers overigens niet heeft aanvaard? En als
vloei baar waterstof in grote hoeveelheden zou kunnen wor-
den vervaardigd in landen, rijk gezegend met zonnewarmte,
zou dat een wezenlijke bijdrage zijn tot oplossing van het
energievraagstuk, omdat vloeibaar waterstof transportabel
is en een aantrekkelijke en onschuldige brandstof vormt.
In de sectoren automatisering, communicatie, ontwikke-
ling der transporttechniek, luchtvaart, ruimtevaart, metaal-
kunde, lichte materialen, wachten ons nog talrijke ver-
rassingen en nieuwe mogelijkheden. Mijn kritische instel-
ling ten aanzien van eenzijdige economische groei en ten
aanzien der onrechtvaardige mondiale welvaartsspreiding,
impliceert geen pessimisme met betrekking tot mogelijkhe-
den van wetenschappelijke, technische en industriële ont-
wikkeling, die ook in mijn politieke en maatschappelijke vi-
sie positief kunnen worden gewaardeerd.
Eén der effecten van de oliecrisis is een duidelijke her-
bezinning op het energieprobleem. Enerzijds vindt het ver-
maan tot zuinigheid met eindige grondstoffen in brede
kring gehoor en groeit het besef dat onze spilzucht het
machtsvertoon der rijke landen tegenover de arme op irri-
tante wijze accentueert. Anderzijds groeit de verwachting
dat kernenergie nog deze eeuw haar bruikbaarheid op vei-lige wijze evenals haar onmisbaarheid zal bewijzen. Daar
–
naast erkent men het bestaan van enorme reserves op aarde
(kolen voor vele honderden jaren) en van wellicht ,,tem-
bare” energie van onmetelijke omvang in de kosmos.
Voorts vormt het proces van de voortgaande ,,schepping”
der aarde en haar gevolgen voor de energie een nieuw
studieveld. Een en ander past in het beeld waarmee ik dit
verhaal opende.
De Rijn en de Noordzee blijven druk bevaren wateren,
het punt der ontmoeting van dat tweetal blijft naar mense-
lijke berekening een brandpunt van zich ontwikkelende,
veelzijdige economische activiteiten. Stimulerende zowel als
remmende factoren doen zich daarbij gelden. Een stimule-
rende factor is de groei van het achterland dankzij de ont-wikkeling van de binnenwateren in Europa en de moderni-
sering der binnenvaart. Een remmende factor is de milieu-
schade, veroorzaakt door de industrie en de steden welke
mede aan de waterwegen hun bestaan danken. Mijn simpele
reactie op die onbetaalbare milieuschade is nog steed dat
het gaat om oplosbare problemen, mits men geld, techniek
en goed bestuur op geïntegreerde wijze weet aan te wenden.
En even simpel is de moraal voor gemeentebestuurders:
samenwerken in positieve geest met de leidinggevende en
wetenschappelijke medewerkers der industriële onder-
nemingen en geen voet geven aan geschimp dat soms ge-voed wordt door impulsen uit een arbeiders-vijandig anar-
chisme, of een klein-burgerlijk individualisme. Wat eens als
stimulerende factor werkte, de verwachting dat Nederland
aan het einde van deze eeuw 20 â 21 mln, inwoners zou tel-
len, sloeg in een remmende factor om, toen het getal IS
mln, in de plaats trad van 20 mln, en de studies en rappor
–
ten gebaseerd op dat laatste getal, de bekende ,,regenboog-
serie”, hun basis grotendeels verloren.
Eenzijdige oriëntatie
V66r de oorlog berustte de economie van het Waterweg-
gebied voor een belangrijk deel op de transport- en
overslagfunctie en op de scheepsbouw, scheepsreparatie en
verwante bedrijven. In moderne termen: Rotterdam was
eenzijdig georiënteerd op een deel van de tertiaire sector en
op een deel van de industrie. De haven was voor driekwart
afhankelijk van het buitenlandse achterland. Dat verklaart
dat de crisis der jaren dertig hier zeer hard is aangekomen,
harder bijvoorbeeld dan in de Zaanstreek, waar de levens-middelenindustrie minder ups en downs vertoonde.
Na de oorlog steunde iedere gemeentebestuurder in deze
streek de stelling: verbreding van de economische activi-
teiten is nodig, ten einde de kwetsbaarheid van Rotterdam te verminderen en het economische palet te verrijken. Dat
betekende het ijveren voor een veelsoortige industrie. Niet
alleen Rotterdam werd hiertoe aangespoord door een ern-
stig betoog van minister Lieftinck in 1947 (ik herinner me
de beklemmende woorden: we kunnen in 1948 onze nood-
zakelijke voedselimporten niet betalen!), maar de Neder-
landse gemeenten in ‘t algemeen kregen de taak de indus-
trialisatie te bevorderen. Een krachtige stimulans leverde
daarbij het boek van Dr. G. A. Kohnstamm,
De toekomst
van Nede,’/ands industriële ontwikkeling. U
itgaand van we-
tenschappelijk basismateriaal en van de actuele naoorlogse
situatie, ontwikkelde Kohnstamm zijn stellingen, waaruit
nu enkele aanhalingen volgen.
• ,,Alleen een zéér belangrijke opvoering van het industriële pro-
ductiepeil boven het 1938-niveau geeft ons kans op een redelijk
levenspeil.
• Wij hebben ons in te stelten op een industrialisatieperiode, die
wegens onze bevolkingstoeneming zeker de eerstkomende 15 ja-
ren zal omvatten!
• Met het al of niet slagen van Nederland’s industrialisatie staat
en valt een nationaal-economische welvaartspolitiek.
• Mits het scholingsprobleem over de gehele linie (van Hoger
Technisch Onderwijs tot de laagste vak.choling) zéér krachtig
wordt aangepakt volgens moderne, bedrijfspsychologisch verant-
woorde, methoden, behoeft de Nederlandse manpower dus geen
bottleneck te zijn voor onze aanpassing aan de structureel-eco-
nomische wijzigingen!”.
De verstrekkende doeleinden en omvangrijke’ taken die
Kohnstamm afleidde uit zijn grondmateriaal en de toenma-
lige situatie leken hem bijna onhaalbaar. Ze
zijn
gehaald,
zelfs overtroffen, mede dank zij het feit – en dit is het laat-
ste citaat – dat woorden die ook nu nog aanspreken, toen
terdege zijn verstaan:
,,Geen industrialisatie zonder ondernemers – hetzij private of
pu-
blieke -, geen ondernemers zonder creatief denken, geen creatief
denken zonder de psychologische voorwaarden daarvoor. Men
stampt nu eenmaal een onderneming niet uit de grond met een sys-
teem, maar alleen met mensen”.
In de haven heeft het pleidooi voor onderling begrip,
voor samenwerking tussen overheid, werkgevers, werkne-
mers en opleiding, gehoor gevonden, gezien het eco-
nomische succes en de grote arbeidsvrede. Rotterdam is
daardoor een gezocht studieveld voor havenmensen uit de
gehele wereld. We houden hen, evenals ondernemers die mogelijkheden voor vestiging of uitbreiding zoeken, niet
verborgen dat de milieuproblematiek ons zorgen baart, dat
de voorziening van arbeidskrachten en de huisvesting moei-
lijk zijn en dat er onzekerheid bestaat over de bestuurlijke
structuur. Daar staat o.a. tegenover dat de olieboycot goed
is doorstaan en dat de uitdaging daarvan tot een genuan-
ceerd antwoord op een breed front heeft geleid. Als de kolentechnologie herleeft, als nieuwe vindplaatsen (de
Noordzee) en nieuwe ,,bronnen” (teerzand en leisteen) een
rol gaan spelen, ontstaan er nieuwe transportlijnen. Als raf-
finaderijen in de landen van oorsprong tot ontwikkeling ko-
men, winnen produktschepen aan betekenis en doet zich
een ,,anti-trend” gelden bij een, deel der bestaande raffi-naderijen. De uitdaging heeft mede de verkennin van zee
en zeebodem als winplaats van grondstof gestimuleerd en
alweer is, in geval van succes, transport het natuurlijke ge-
volg en ernstige bezorgdheid voor het marine-milieu een
vanzelfsprekend neveneffect. Hoe dan ook, de antici-
perende havenbeheerder behoudt zijn taak en het gebied
van zijn oriëntering en verkenning is de wereld. Gezien in
ESB 20-11-1974
1045
dit licht lijkt voorzichtig optimisme ten aanzien van de ha-
ven en zijn industriële ontwikkeling niet onredelijk.
Gezien in dit licht. . . . Is dit niet het licht van het verle-
den? Sinds Daniel Bell in 1973 zijn boek
The eoming
of
posi-indusirial society
publiceerde, sinds de minister-presi-
dent begin oktober voor het Nederlands Christelijk Werk-
gevers Verbond sprak over socialisme en vrije onder-
nemingsgewijze produktie, eraan herinnerend dat in ons
land het aantal zelfstandige ondernemingen tussen 1963 en
1972 met 40.000 daalde, sinds de tweede golf van zorg-
wekkende publikaties door de Club van Rome is veroor-
zaakt, sinds het spreken over het einde van de wereld op-
nieuw een mode-onderwerp is geworden, lijkt het armetierig en naïef om van optimisme, zelfs van voorzichtig optimisme
te spreken.
Op dezelfde dag yan het afronden van dit artikel schreef
NRC Handelsblad:
,,De afrekening met de negentiende eeuw wordt in het rood
geschreven. Het herfsttij der industriële maatschappij is al in een
gevorderd stadium en het einde van de historische onderneming te-
kent zich af’. Verderop lezen we: ,,De laatste explosie van kapita-
listisch denken en tegelijk de doodskreet van het stelsel was de
olieprjsverhoging. Dat was de grootste manipulatie met pnjs,
winst en inkomen aller tijden. De markt en de winst waren dc nor-
men van het historische kapitalisme. Het gezonde verstand en het
socialisme hadden daaraan al heel veel
gecorrigecrd,
ecn evolutie
met vallen en opstaan was gaande”. –
Voor
een man die in Rotterdam kwam als een rode bur
–
gemeester en met dezelfde kleur wil vertrekken, schijnen dit
troostrijke woorden. Maar ook bedrijven gericht op open-
baar nut (en de bedrijven der toekomst, zowel de particu-
liere als die van de overheid, moeten dat zijn) hebben een
,,ondernemingsklimaat” nodig en de herhaalde en wisse-
lende uitingen van ontmoediging voor hen die dit klimaat
willen opbouwen, spreekt de socialist in mij niet aan. Wie
Rotterdam mag vertegenwoordigen, reist genoeg in ,,gor-
dijnlanden” om te zien wat gebrek aan speelruimte en
beslissingsbevoegdheid op economisch gebied – ook voor
de havenontwikkeling – betekent.
Ik hoop op industriële en havenontwikkeling, gericht op
gemeenschapsbelang en steun het zoeken naar de weg die
daartoe kan leiden. t-let is de weg naar een samenleving
waarin ook transport en havenfunctie dienen te bloeien en
waarin de zich differentiërende en verlijnende industrie on-
misbaar is. En ik zie niet in waarom de produkten van die
industrie in hun tochten over de wereld niet de meeste ratio-
nele transportlijnen zouden volgen. Dus toch: voorzichtig
optimisme.
De tweede doelstelling, naast de bevordering van de in-
dustrie, die de naoorlogse Rotterdamse gemeente-
bestuurder aanvaardde en trachtte te verwezenlijken was en
is verbreding van de tertiaire sector. Zo lanceerde de direc-
tie van het havenbedrijf in 1966 de aanbeveling een wereld-
handelscentrum te stichten, een plan dat langzaam z’n ver-
wezenlijking schijnt te naderen. Vat men het begrip breed
op, dan zorgde het rijk hier tot dusverre voor de sterkste
stimulans: de nieuwe universiteit. Ook he(culturele leven en
de sport, de Doelen, de musea, het Hofpleintheater, Ahoy
en de sporthallen mogen hier worden genoemd evenals het
,,techni kon” (scholencomplex voor beroepsonderwijs).
Denkt men over de toekomst der industriële ontwikke-
ling in het Rijnmondgebied, dan kan het voorafgaande be-
toog hopelijk als een bron van positieve factoren worden
gewaardeerd. Het spreekt vanzelf dat nu ook ‘t oog moet
worden gericht op het terrein waar negatieve factoren
merkbaar zijn.
Te veel bestuurslagen
Weet men elkander tegenwoordig wel te vinden in Rot-
terdam en omgeving, als ‘t gaat om economische en andere
beslissingen? Die vraag wordt meer dan eens gesteld. In
Rijnmond wijzen sommigen dan ironisch op een uniek ele-
ment: vijf bestuurslagen! Deelgemeente, gemeente, Rijn-
mond, provincie, rijk
….
waar vindt men zulk een ,,rijk-
dom”? Er bestaat hier op sommige punten dubbel hoger
toezicht. Met betrekking tot vestiging van regionaal belang-
rijke industrieën, kantoren en bedrijven dient door het
gemeentebestuur van Rotterdam en van vele andere
Rijnmondgemeenten, advies te worden gevraagd aan de
raad van Rijnmond een advies dat binnen drie maanden
(in uitzonderlijke gevallen zes) wordt uitgebracht en dat tot
dusverre steeds het Rotterdamse besluit bevestigde, de
overbodigheid van de procedure aldus illustrerend. Het
heeft er de schijn van, dat hier van hoger toezicht niet mag
worden gesproken, omdat Rijnmond adviseert op basis van
een overeenkomst welke de dagelijkse besturen van Rotter-
dam en Rijnmond vrijwillig aangingen.
Het is inderdaad schijn. Rijnmond overwoog het uitvaar-
digen van een richtlijn, eventueel met aanwijzingen, ten
einde hetzelfde voor te kunnen schrijven wat de overeen-
komst regelt. Rotterdam ging de soesah van richtlijnen en
aanwijzingen uit de weg, in de veronderstelling dat dit met het oog op het tempo der besluitvorming het minste kwaad
zou zijn. Wie zich realiseert wat hier gebeurde kan de ab-
surditeit er van niet over ‘t hoofd zien. In Amsterdam, in
Groningen. in Utrecht, in Arnhem, in Rotterdam, in iedere
stad met een centrumfunctie voor de omliggende regio, is
elke industrie, elk bedrijf van enige omvang per definitie
van regionaal belang, omdat elke centrumgemeente een re-
gionale factor is. Overal heeft de cliënt te maken met een
gemeentebestuur met volledige bevoegdheid in de hem toe-
komende lokale taken. Er is in ons land één uitzondering:
Rotterdam. Daar hebben de cliënten te maken met compli-
caties en tijdverlies. Dat dit het vestigingsklimaat heeft ver-
slechterd leerde inmiddels de praktijk.
Er zijn ook andere negatieve klanken. ,,Aanleg Rijn-
poorthaven is van de baan”, zegt een krantekop op 14 okto-
ber jI. Zou ik werkelijk nog eens moeten adstrueren dat dit
gevaarlijk negativisme is? ,,Bedrijven keren Rotterdam de
rug toe”, zegt een krantekop op 15 oktoberjl. en ‘t verhaal
gaat over een verhuizing van een bedrijf naar Numansdorp
en van een ander naar Prinsenbeek. Gaan de bedrijven ach-
ter de uit de stad wegtrekkende mensen aan? De
investeringsheffing is in de ijskast gezet, behalve voor Rijn-
mond, zo melden de kranten. Kunnen we ‘t slachten van de
kip met de gouden eieren echt niet laten? Staan de kansen
voor een wereldhandelscentrum inderdaad wankel door die
invcsteringsheffing? Heeft de roep van minister Gruijters
het land wil redden, moet de grote steden redden”,
nog onvoldoende weerklank gevonden in anderé sectoren?
Het zou enerzijds teleurstellend, anderzijds nuttig zijn als
eerst onder de dreiging der nieuwe werkloosheid eenzelfde
effect zou optreden als de oliecrisis veroorzaakte: de erken-
ning dat Rotterdam één der belangrijkste kurken is waar
onze economie op drijft. Maar die erkenning breekt toch
keer op keer door. Met voorzichtig optimisme zet ik
daarom een streep onder dit artikel
…
en onder mijn ver-
blijf in dit gebied, dat me zal blijven boeien en waar het
werk me heeft gefascineerd.
W. Thomassen
Met ,,ESB” een beter economisch-politiek inzicht
1046
Fisconomie
M ilieuheffingen
DRS. H. M. VAN DE KAR
Betrekkelijk recente uitbreidingen
van ons riscale systeem zijn de heffingen
op lucht- en watervcrontreiniging. In dc
strijd van de overheid tegen de milieu-
vervuiling vormen zij niet het belangrijk-
ste wapen. Het zwaartepunt ligt bij de
z.g. fysieke regulering (verboden, voor-
schriften, vergunningen). De heffingen
zijn bestemmingsheffingen, in de eerste
plaats bedoeld om de kosten van milieu-
maatregelen door te berekenen aan de
vervuilers. Zo worden met de heffing
op waterverontreiniging de uitgaven
gedekt die verband houden met de uit-
voering van de Wet Verontreiniging
Oppervlaktewateren (1969). Dit betreft
in hoofdzaak de aanleg en exploitatie
van zuiveringsinstallaties. Daarnaast
kunnen ook subsidies worden verstrekt
aan hen die door de vergunningsvoor-
waarden schade leiden of voor onrede-
lijke kostenverhogingën worden gesteld.
Voor dë heffing op luchtverontreiniging
geldt iets dergelijks. De uitven be-
treffen hier onder meer meetnetten en financiële tegemoetkomingen volgens
de Wet inzake de Luchtverontreiniging
1970.
Van deze bestemmingsheffingen kan
in beginsel een stimulans uitan om de
verontreinigende activiteiten te vermin-
deren of na te laten aangezien de grond-
slag van beide heffingen de hoeveelheid
en/of hoedanigheid van de afvalstoffen
is. Zo zal een heffing op bedrijven in het
algemeen tot gevolg hebben dat de ver-
ontreiniging door het bedrijf wordt
teruggebracht tot het punt waarbij de
kosten van bestrijding van verdere ver-
ontreiniging uitstijgen boven de heffing per eenheid verontreiniging. Bovendien
vormen ze een prikkel tot het ontwik-
kelen van schonere produkten en pro-
d uktieprocessen.
Aangezien de Nederlandse milieu-
heffingen niet primair bedoeld zijn om
dergelijke prikkels uit te delen (het zijn
m.a.w. geen reguleringsheffingen) kan men de vraag stellen of de regulerende
werking voldoende is of dat zij versterkt
zou moeten worden. Het is zinvol deze
vraag op dit moment te stellen nu enige
jaren ervaring is opgedaan met het
heffingeninstrument en er bij de prak-
tisehe toepassing op een aantal punten
kritiek is ontstaan.
Enkele bezwaren
Het werkingsgebied van de heffingen
wordt te beperkt gevonden. De water-
verontreiniging door niet-biologisch
afbreekbare afvalstoffen wordt niet door
een heffing getroffen. Datzelfde geldt
voor luchtverontreiniging anders dan
door brandstoffen. Van de zeer beschei-
den heffing op brandstoffen (die om
redenen van eenvoud gekoppeld isaan de
brandstoffenaccij ns) gaat vermoedelijk
Deze rubriek wordt verzorgd door het
Fiscaal Economisch Instituut van de Erasmus Universiteit Rotterdam
nauwelijks enige regulerende invloed uit.
De heffing op waterverontreiniging doet
het wat dat betreft
•
beter, althans voor
zover het de heffing op bedrijfshuishou-
dingen betreft. In enkele gebieden is de
vermindering van de vervuiling zodanig
dat de zuiverininstallaties te ruim
bemeten blijken. Dan doet zich de para-
doxale situatie voor dat de heffingen
verhoogd worden (om onderbezettings-
verliezen te dekken) terwijl de ver-
vuiling vermindert! Kritiek is er voorts
op de heffing op gezinshuishoudingen
die, die in tegenstelling tot die ôp be-
drijven, niet varieert met de hoeveelheid
afval. Het is een vast bedrag per gezin.
Een regulerende invloed heeft een vaste
heffing nauwelijks.
Bovendien menen sommigen dat
iedere vervuilingsheffing, ook een varia-
bele, op gezinnen ondoelmatig en on-
billijk is omdat een betekenende aan-
passing van huishoudelijke afvallozing
moeilijk te realiseren is (,,geen belasting
op ontlasting”). Als dat waar is en er
verder geen bijzondere voordelen aan
een bestemmingsheffing kunnen worden
toegekend (een voordeel zou kunnen zijn
dat een dergelijke heffing minder pijn
doet dan niet-bestemmingsheffingen
omdat men weet waarvoor men betaalt), dan ware te overwegen de kosten van de
bestrijding van de huishoudelijke water-
vervuiling uit de algemene middelen te
dekken. Een be7waar is verder dat bij de
bestaande heffing op huishoudingen
geen rekening wordt gehouden met ver-schillen in draagkracht 1).
Tenslotte is van ondernemerszijde
tegen de Nederlandse milieumaatregelen
ingebracht dat ze onze internationale
concurrentiepositie verzwakken omdat
in andere landen in veel sterkere mate
sprake is van financiële tegemoet-
komi ngen en belastingfaciliteiten bij
milieuvriendelijke investeringen.
Heffingen
Het is met het oog op deze bezwaren
verheugend te constateren dat van offi-
ciële zijde een poging is ondernomen om
de werking van het heffingeninstrument
aan een kritisch onderzoek te onder-
werpen. Bij de Memorie van Toelich-
ting van het hoofdstuk Volksgezondheid
en Milieuhygiëne van de Rijksbegroting
1975 is gevoegd (als bijlage 1) de
Nou,
inslru;ilen/en milieuhtgiëni.seh beleid,
hellingen en fysieke ,eguleringen.
In
deze nota wordt nagegaan in hoeverre
de heffingen een géschikt instrument zijn
om de verontreiniging terug te dringen
en een schonere technologie te bevor-
deren. Bij het beantwoorden van deze
vraagstelling bleek dat de heffingen niet
losstaand, maar samen met fysieke
regu le ringen zouden moeten worden
geanalyseerd.
Beide instrumenten zijn vergeleken op
het punt van de effectiviteit (Hoe snel en
in welke mate wordt bijgedragen aan het
bereiken van de doelstellingen van het
milieubeleid?) en de doelmatigheid
(Met welke maatschappelijke kosten
wordt hetzelfde effect door beide instru-
menten bereikt?). Uit de – kwalitatieve
– analyse worden enkele algemene con-
clusies getrokken.
1) Vgl. ten aanzien van deze en andere be-
zwaren tegen de heffingen waterverontreini-
ging C. A. dc Kam, Rapport van een werk-
groep Milieuheffingen, ingesteld door het
Bestuur van de Partij van de Arbeid,
Soualis-
inc en Democratie,
197414.
ESB 20-11-1974
1047
Fysieke reguleringen blijken een
grotere zekerheid te bieden dat de be-
oogde regulering ook inderdaad wordt
bereikt. Heffingen ‘zullen dan ook in
hoofdzaak mogen worden toegepast bij
verontreinigingen die in min of meer
massale, maar niet direct acuut gevaar-
lijke concentraties vrijkomen en een
grote ruimtelijke spreiding hebben.
Dit laatste omdat het moeilijk is heffin-
gen op de juiste wijze te differentiëren
bij sterke plaatselijke verschillen in
verontreinigingraad.
De doelmatigheid van heffingen wordt
hoger aangeslagen dan van fysieke regu-
leringen. Heffingen laten de individuele
vervuilers immers een grotere vrijheid bij
het aanpassen van hun vervuilende acti-
viteit. Daardoor wordt indirect reke-
ning gehouden met de uiteenlopende
kostenstructuur \an bedrijven. Ten ein-
de de doelmatigheid van de fysieke in-
strumenten te vergroten wordt aanbe-
volen om de statische vaststelling van
normen (wat op den duur verstarrend
werkt) te vervangen door een beleid
waarin de eisen \’oor een langere periode
worden vastgelegd terwijl men ze ge-
faseerd van kracht laat worden. Heffin-
gen zouden in een dergelijke overgangs-
fase de effectiviteit van het beleid kunnen
vergroten, ze werken als een extra
prikkel.
De doelmatigheid van het fysieke
instrument zou verder verhoogd moeten
worden door de vergunningsvoorwaar-
den, .produkteisen e.d., meer dan nu het
geval is, af te stemmen op de verschillen
van produktievoorwaarden van bedrij-
ven. Houdt men daarbij ook regionale
verschillen in het oog dan wordt het ge-
vaar verminderd dat eenmaal vastgestel-
de normen worden ,,opgevuld” in tot dan relatief schonere gebieden.
Het toepassingsgebied van heffingen
blijft derhalve begrensd. Het zwaarte-
punt zal ook in de toekomst bij fysieke
maatregelen liggen. Maar
als
heffingen
worden toegepast
dan
zullen ze primair
een regulerende functie dienen te hebben.
Opmerkelijk is dat men in de nota de
gewenste regulerende invloed niet uit-
sluitend wenst te baseren op de indivi-
duele waarderingen, wat bijvoorbeeld
het traditionele uitgangspunt is van de
Paretiaanse aanpak van het externe
effecten-probleem.,,—. . . . de optel-
som van de individuele geldelijke kosten
en baten moet ontoereikend worden
geacht voor de vaststelling van de maat-
schappelijke preferenties voor ‘collec-
tieve’ goederen zoals milieucomponen-
ten” 2). Het milieubeleid moet gericht zijn op eigen overheidsdoelstellingen,
m.a.w. het milieu als ,,merit good” 3).
Het beleid
Hoe zijn deze algemene conclusies
omgezet in beleidsaanbevelingen, bij-
Kamerstuk
13100,
Hfdst. XVII, nr.
2,
blz.
143
(zitting
74/75).
Vgl. J. B. Opschoor, Het milieu als merit-
good,
Openbare Uilgaven, 1972/2.
Toets op taak
Management
bij
de overheid
DRS. J. D. HILFERINK
In de afgelopen jaren zijn verschil-
lende methoden en technieken aanbevo-
len om de bedrijfsvoering en het begro-ten in de overheidssector te verbeteren.
Te denken valt aan performance-budge-
ting, program-budgeting, planning, cost-
effectiveness-analysis, cost-benefit-ana-
lysis, syste ms-a na lysis enz. Die
aanbevelingen vinden hun oorsprong
vooral in de successen op het terrein
van de wetenschappelijke bedrijfs-
voering in het particuliere bedrijfsleven.
Ze beogen de bedrijfsvoering van de
overheid’ meer hiermee in overeen-
stemming te brengen. Vele grote onder
–
nemingen maken tegenwoordig zorg-
vuldige studie van bestaande en te ver-
wachten technische en commerciële
ontwikkelingen. De invesri’ngen wor-‘
den van tevoren bestudeerd om te ont-
dekken welke opbrengsten ervan ver
–
wacht kunnen worden. Markt-
onderzoek is een normale zaak gewor
–
den. De lange-termijn-planning wordt
bij grote ondernemingen algemeen toe-
gepast 1).
Dit zou ons bijna doen vergeten dat
de overheden zich al enige duizenden
jaren bezighouden met wat in deze tijd
als management wordt aangeduid. In
dat opzicht hebben ze een ruime voor
–
sprong op de industriële onderneming,
waarmee het begrip management nu
bijna volledig wordt geïdentificeerd.
Nog in de vorige eeuw stond niet duide-
lijk vast dat de bedrijfsvoering van de
onderneming superieur was aan die van
de overheid.
John Stuart
Miii
heeft eens
opgemerkt dat de taak van de ,,joint
stock associations will often be as well
and sometimes better done
……
bij
the state . . . . the defects of govrn-
mertt management do not seemnecessa-
rily much greater, if necessarily greater
at all, than those of management by
joint stock” 2). Tot enige decennia gele-
den werd in het bedrijfsleven weinig
aandacht geschonken aan vraagstukken
van bedrijfsvoering. Pas door de uitste-
kende resultaten die men op dit gebied
in het recente verleden heeft bereikt, is
het moderne, goed geleide bedrijf de
overheid voorbij gestreefd.
De pogingen, die worden onderno-men om deze achterstand in te lopen,
komen mede voort uit ongerustheid
over de krachtige groei van de
overheidsuitgaven en de stijgende
belastingdruk. De beheersbaarheid van
de overheidsuitgaven is – aldus
Koop-
titans
– een probleem geworden dat
ernstige vormen aanneemt 3).
t) H. J. Hofstra. Nieuwe technieken van be-
grotingvoorbereiding in het bestuur, opgeno-
men in C. W van Wijngaarden en W. F.’van
der Griend.
/)e rijk.vhegro.’ing. verleden en
toeko,nst,
Alphen a/d Rijn,
1971,
blz.
138.
Geciteerd door D. Keeling,
Management
in governtnenl,
Londen,
1972,
blz.
17.
L. Koopmans,
Beheersing i’an cle over-
Iwidsuitgaven,
Deventer,
1973,
blz. t.
1048
voorbeeld ten aanzien van de hiervoor
gesignaleerde problemen? Erkend wordt
dat de situatie t.a.v. de heffing op
gezin-
nen niet bevredigend is. Een alternatief
wordt evenwel niet gepresenteerd omdat
het overleg over dit vraagstuk nog
gaande is. Het zal duidelijk zijn dat de
huidige gezinsheffing niet past in een toe-
komstig stelsel van reguleringsheffingen.
In onderzoek is ook de mogelijkheid van
het toepassen van heffingen op water-
verontreiniging door fosfaten en zware
metalen. Een inventarisatie van voor- en
nadelen van het inschakelen van het
heffingsinstrurnent had de discussie op
dit punt (de nota is bedoeld als dis-
cussicstuk) kunnen stimuleren.
Meer aandacht wordt – zelfs in af-
z.onderlijke nota 4) besteed aan de
heffingen op luchtverontreiniging. Een
verdere differentiatie van de brandstof-
heffingen 7.011 de perceptiekosten on-
aanvaardbaar doen stijgen in verge-
lijking met de opbrengst van de heffing.
De in beginsel spoedig te verwachten
industriële proces-heffingen zijn louter
als hestemmingsheffingen bedoeld. Wil
men in daartoe geschikte gevallen
komen tot reguleringsheffingen bij
luchtverontreiniging dan is wetswijzi-
ging nodig. (Men denkt hierbij aan mas-
saal verspreide luchtverontreinigings-
corn ponenten als SO,, NO en CO, waar
een globale beheersing voldoende is).
Over de mogelijkheid om ook in ons
land fiscale faciliteiten te verlenen bij
milieuvriendelijke investeringen worden in de nota soortgelijke bedenkingen naar
voren gebracht als destijds in deze ru-
briek 5). Een afgerond standpunt is er
nog niet, gewacht wordt onder meer op
de uitkomsten van een onderhanden
EG-onder7.oek naar het verlenen van
steunmaatregelen. Een aantrekkelijker
middel dan fiscale faciliteiten lijkt ge-
richte financiële steun aan bedrijven of
bedrijfstakken die door de snelle in-
voering van de milieumaatregelen in de
z.g. overgangsfase (tot ca. 1980, wanneer
de ernstigste verontreiniging bestreden
moet zijn) in hun bestaan worden be-
dreigd. Deze subsidies zouden in begin-
sel uit de opbreiigst van de heffingen
moeten worden bekostigd. In de nota
wordt daarnaast gesproken van moge-
lijke steun uit de algemene middelen 6).
Op zich 7.elf is het niet onverstandig om
de heffingenopbrengst te bestemmen
voor dergelijke tijdelijke subsidies en
andere aflopende zaken. De opbrengst
van de heffingen zal immers afnemen
naar verloop van tijd. Als het goed is.
H. M. van de Kar
Bijlage Ul bij de MvT van het begrotings-
hoofdstuk Volksgezondheid en Miticu-
hygiëne
1975.
J.
B. G. Thorborg, Fiscale steun bij mitieu-
investeringen?,
ESI3, 16
februari
1972.
Minister Lubbers schrijftinde
MvT
bij zijn
begroting voor
1975
dat hij bereid is te bezien
of en op welke wijze hij financiële steun kan
bieden in aanvulting op de in de milieuwetten
bestaande mogelijkheden
(blz.
3).
Het is evenwel de vraag of de tech-nieken, die particuliere bedrijven met
goed gevolg toepassen, met evenveel re-
sultaat kunnen worden aangewend bij
de overheid. Zijn er tussen beide orga-
nisaties niet essentiële verschillen in de
aard van de doelstellingen, calculatie-
maatstaven, beslissingsprocedures en
criteria waaraan het succes of het mis-
lukken van de bedrijfsvoering wordt af-
gemeten? Laten we eens een aantal van
die verschillen de revue laten passeren en nagaan welke consequenties hieruit
voortvloeien \’oor de toepassing van de
aanbevolen methodes en technieken, in
het bijzonder het planning-program-
ming-budgeting-system, dat de meeste
moderne methoden integreert.
Doelstellingen
Twee belangrijke functies van de
overheid, t.w. het besturen van de natio-
nale economie en de allocatie van
geldmiddelen tussen zeer uiteenlopende
hoofdta ken als defensie, onderwijs,
gezondheidszorg en kunsten, veroorza-
ken problemen die wat omvang en com-
plexiteit betreft geen parallel hebben in
de particuliere bedrijven. Een grote moei-
lijkheid bij de allocatie van middelen is
het ontbreken van één operationele cen-
trale doelstelling, waaraan de ongelijk-
soortige programma’s van overheids-organisaties kunnen worden getoetst.
E)e overheid beschikt over een groot
aantal doelstellingen, die soms tot op
zekere hoogte of zelfs volstrekt onver-
enigbaar zijn, vooral in de sfeer van de
economische politiek. Maar ook als ze
neutraal ten opzichte van elkaar be-
staan, kan men ze niet op één objec-
tieve noemer brengen: er bestaat geen
maatstaf waaraan de waarde van de
hoofdtaken objectief kan worden geme-
ten. De beslissingen omtrent de ver-
deling der middelen over de
i’e,:rchi/-
Ieiu/e
terreinen van overheidszorg ligt
dan ook vrijwel geheel buiten het bereik
van de moderne begrotingstechnieken.
Politieke waarde-oordelen beheersen
de7.e prioriteitenstelling.
Bijgevolg zou het aanknopingspunt
van de moderne begrotingstechnieken
op een lager niveau in de hiërarchie der
beslissingen liggen, namelijk op het ni-
‘eau van de keuze tussen programma’s,
Deze rubriek wordt verzorgd door het Instituut voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven
die een bepaalde exact omschreven
doelstelling moeten realiseren 4). Het is
echter de vraag op welke niveaus men
duidelijk gedefinieerde programma’s
met enkelvoudige doelstellingen mag
verwachten. Dat is bepaald niet het ge-
val op departemcntaal niveau. Het de-
partement van CRM heeft bijv. een
groot aantal, moeilijk onder één noe-
nier te brengen, doelstellingen 5). Maar
hetzelfde geldt voor de afdeling Cultu-
rele Zaken van dat departement, terwijl
binnen Culturele Zaken de afdeling
Kunsten evenmin over een enkel-
voudige doelstelling beschikt. Ook voor
de afdelingen toneel, muziek enz.
onderdelen van dc afdeling Kunsten is
er op dit plint niet de gewenste duide-
lijkheid.
Calculatiemaatstaven
Een tweede verschil tussen overheid
en particuliere bedrijven betreft de
mate, waarin de input en output van
programma’s en projecten kunnen wor-
den gedefinieerd en gekwantificeerd. In
het bedrijfsleven is het in vele gevallen
mogelijk deze beide grootheden te me-
ten, ook al bestaan er verschillende
praktijken om de waarde van de vaste
activa, voorraden en afschrijvingen vast
te stellen. Hoe dient men de output te
meten van bij’. de politie, een gevange-
nis of een universiteit? Als de output
van een programma niet kan worden
waargenomen, hoe moet men dan, ge-
geven de input, het maatschappelijk
rendement van de prod uktieprocessen
vaststellen? In dat geval is het slagen of
mislukken van programma’s een kwes-
tie van overtuiging. Dit probleem is
overigens niet specifiek voor de
overheidssector. Ook in sommige
dienstverlenende particuliere bedrijven
doet deze moeilijkheid zich voor.
Volgens
Koopnians
moeten we in
feite weer terug naar één van de eerste
uit 1949 stammende voorstellen
over budgettaire hervorming, namelijk
de taakstellende begroting 6). Toen
men in de loop van de jaren zestig
begon met de ontwikkeling en de invoe-
ring van het planning-programming-
budgeting-system (PPBS) was het
meest elementaire vraagstuk, de meting
L. Koopmans, o.c., blz.
15-16;
zie H.
J.
Hofstra, o.c., blz.
154.
Zie
Beleidsanali’se, 1972-3,
blz.
9.
L. Koopmans, oe., blz. 14.
ESB 20-11-1974
1049
van de overheidsoutput, nog niet opge-
lost. ,,Daarmee is het gehele gebouw
van het PPBS min of meer in de lucht
komen te hangen” 7).
Beslissingscriteria
De toepassing van het PPBS en de
andere begrotingstechnieken houdt in
dat de keuze tussen programma’s (alter-
natieven) die een bepaalde output tot
stand moeten brengen, plaatsvindt op
basis van objectieve criteria. In de
particuliere bedrijven hanteert men
bijna steeds het commerciële criterium:
dc aanwending van produktiefactoren
is slechts gerechtvaardigd als de
vermoedelijke ontvangsten groter
zijn
dan de vermoedelijke uitgaven. We la-
ten hier in het midden of een onder-
neming streeft naar een maximale of
naar een ,,aativaardbare” winst. Welk
criterium wordt in de overheidssector
gehanteerd? Er zijn in die sector ver-
schillende oplossingen denkbaar, zoals
het criterium van de maatschappelijke
kosten en baten. Dat kan althans be-
hulpzaam zijn bij het bepalen van de
waarde of de rangorde van de verschil-
lende programma’s. Aan het criterium
valt geen beslissende betekenis toe, om-
dat aan bijna elke overheidsvoorziening
kosten en baten zijn verbonden, die niet
of moeilijk in geld kunnen worden.
uitgedrukt. Er moeten derhalve poli-
tieke criteria worden aangewend om uit
te kunnen maken welke (relatieve)
waarde aan de imponderabilia dient tel worden toegekend. Een voorbeeld van
ecn politiek criterium is de stem-
procedure. In deze benadering is de
aanwending van produktiefactoren
voor de uitvoering van een bepaald
program gerechtvaardigd als dit pro-
gram de meeste stemmen krijgt in het
parlement (of de voorkeur van kiezers
geniet bij een referendum). Voorts kan
de keuze uit alternatieven worden be-
paald door onderhandelingen tussen
belanghebbende groepen, waarbij het
streven is gericht op het bereiken van
consensus of anders gezegd: het tot een
minimum beperken van conflicten tus-
sen de betrokkenen. Deze gedrags-
veronderstelling – het streven naar
donflictminimalisatie – speelt een be-
langrijke rol in de theorie van
Koop-
mans
omtrent het budgettaire gedrag
van het kabinet en van het parlement
8). Volgens dit criterium is de beslissing
over de aanwending van middelen, die
tot dc hoogste graad van consensus
leidt de .beste” beslissing 9).
Het is gemakkelijk in te zien dat de
drie genoemde criteria, als ze elk afzon-
derlijk worden toegepast op hetzelfde
keuzevraagstuk, dikwijls verschillende
oplossingen zullen aangeven voor het
..beste” alternatief. In het geval dat ze
alle zijn betrokken bij het nemen van
beslissingen, zullen de uitkomsten van
die beslissingen afhankelijk zijn van het
gewicht dat men aan elk van de criteria
toekent. Aangezien de verschillende cri-
teria en de daaraan toe te kennen ge-
wichten in talloze variaties kunnen
voorkomen, zijn er vermoedelijk weinig
alternatieven denkbaar die niet als het
,,beste” kunnen worden aangemerkt, bij
toepassing van een bepaalde mix van
criteria met bepaalde, daarbij beho-
rende, gewichten 10). We verkeren nog
in het onzekere over de vraag welke
drijfveren in werkelijkheid de besluit-
vorming van de overheid beheersen.
Sa men’attend kan worden geconclu-
deerd dat er op dit ogenblik essentiële
verschillen zijn met betrekking tot de
voorwaarden waaronder de overheid en
particuliere bedrijven beslissingen ne-
men. Die verschillen betreffen in het
bijzonder het gebruik van beslissings-
criteria en de beschikbaarheid van
calculaticmaatstaven. Toepassing in de
overheidssector van de, in de parti-
culiere bedrijven tot ontwikkeling geko-
men (ideale) begrotingstechnieken zal
dan ook op onoverkomelijke moei-
lijkheden stuiten, als niet a. een oplos-
sing wordt gevonden voor het meten
van de input en output van produktie-
processen bij de overheid; b. een beter inzicht wordt verkregen in de factoren
die het afwegingsproces beheersen.
J. D. Hilferink
L. Koopmans, o.c., blz. 14.
L. Koopmans, o.c., blz. 3-4.
Vgl. D. Kecting,
Managerneni in govern-
,»enl.
Londen, 1972, blz. 48-49.
Zie ook D. Keeling, o.c., blz. 67.
ESb
In gezonden
Inflatie, technologischè
ontwikkeling
en afschrijvingen
Bij het artikel van Drs. H. Rubingh
(Inflatie, technologische ontwikkeling
en afschrijvingen) in
ES!)
van II sep-
tember jI. zou ik gaarne een paar op-
merkingen maken.
De technologische ontwikkëling bij
Rubingh heeft maar één facet: verklei-
ning van de ,,capital-output ratio”. Dit
is wellicht zo in de zware chemische in-
dustrie, maar in de meeste bedrijfstak-
ken zien we de laatste 10 jaar de resul-
tante van meerdere tendensen: een
technologische vooruitgang, die zowel
de ,,capital-output, als de labour-out-
put, als de raw-materials-output en de energy-output ratio’s” verlaagt, ander-
zijds juist een stuk schaalvergroting,
mechanisatie en automatisering (ook
facetten van technologische ontwi kke-
ling en haar implementatie), die in het
algemeen in zeer belangrijke mate de
..labour-output ratio” heeft beïnvloed.
In het algemeen heeft dit een vrij sterke
toename in de ,,capital-output ratio”
tot gevolg gehad.
De vraag, die nu opkomt is, of gege-
ven deze laatste situatie (toenemende
investeringskosten per jaarkilogram
produkt) ook (bij veronderstelde con-
stante prijzen) een correctie op de af-
schrijvingen op zijn plaats zou zijn. Ik
meen van niet. Dit zou een ongewenste
vermenging van meerdere bedrijfseco-nomische aspecten betekenen. Ten on-
rechte zouden hier financierings-,
investeringsselectie-, kostprijs- en winst-
bepalingsmotieven door elkaar worden gehaald. Integratie van deze facetten is
van belang, maar alleen voor zover die
integratie meer informatie verschaft,
maar niet indien dit het inzicht ver-
troebelt.
De essentie van technologische voor-
uitgang op de economische veroudering
is m.i., dat er in principe sprake moet
zijn van kostenverlaging. Waarom ,,in
principe”? Omdat technologische voor-
uitgang ook tot gevolg kan hebben, dat
essentieel andere produkten worden
voortgebracht, die een hogere prijs kun-
nen bedingen. Bovendien kan technolo-
gische vooruitgang soms bepaalde
,,bottle-nccks” opruimen, in welk geval
de implicite kosten haar oneindig kun-
nen naderen. Dit betekent, dat een ma-
chine economisch verouderd is, als een
andere machine gelij kwaardige diensten
levert tegen lagere kosten! Indien de
netto contante waarde van de cash-
fiows – – welke gegenereerd worden
1050
(l.M.)
door de in gebruik zijnde machine A op
tijdstip t – lager is dan die van de ver-
vangende machine B, is op tijdstip t de
machine A economisch verouderd en
dient te worden vervangen; door de
,,cash-flow”-benadering
zijn
ook
financieringsproblemen ondervangen.
Indien we het er over eens kunnen
zijn, dat de verhoogde kapitaalbehoefte
niet leidt tot extra afschrijving ten einde
de financiering van de vervanging mo-
gelijk te maken dan volgt eenvoudig de
conclusie, dat lagere investeringskosten
(per jaarkilogram produkt) niet kunnen
leiden tot lagere afschrijvingen. Is dit
niet in conflict met de vervangings-
waardetheorie? M.i. niet. De ver-
vangi ngswaardetheorie zelf heeft nog-
al problemen met economische
i.p.v. technische vervanging en houdt
zich uitsluitend bezig met wijzigingen in
het prijsniveau. Het is bovendien zo,
dat economische veroudering veronder-
stelt. dat vervanging wenselijk is voor-
dat er van technische veroudering
sprake is. Dit houdt in, dat vooral als
de technologische ontwikkeling storm-
achtig is de installaties vaak reeds ver-
vangen dienen te worden voordat ze (in
de oorspronkelijk geplande levensduur)
zijn afgeschreven.
Het zal duidelijk zijn – na lezing van
bovenstaande – dat wij van mening
zijn dat Rubingh wel zegt op basis van
economische levensduur af te schrijven,
maar dat in feite niet doet. Het lijkt
erop, dat Rubingh tracht een
financieringsprobleem op te lossen; zijn
uitgangspunten waaronder het z.g. ide-
aal-complex in aanmerking genomen.
Het is niet evident, dat zijn aanpak van
het flnancieringsvraagstuk tot een ade-
quate oplossing voert, aangezien hier-
voor de informatie ontbreekt. In ieder
geval kan gesteld worden dat winst-inhouding (extra afschrjving) slechts
één van de manieren is, terwijl niet zon-
der meer duidelijk is of het onder alle
omstandigheden de meest geschikte is.
Rubingh maakt m.i. vanuit financie-
ringsoogpunt de fout uitsluitend naar
het actief te zien, terwijl voor beoorde-
ling zowel inzicht in de aard van de ac-
tiva, als van de passiva nodig is. Wat
betreft de wi nstberekeningsaspecten
zijn wij het niet eens met de door hem
enigszins aprioristisch toegepaste ver-
laagde afschrijvingen als gevolg van de
technologische vooruitgang; hij vergeet
daar de keerzijde van de economische
veroudering. De investeringsplanni ng
noemt hij slechts terloops, terwijl toch
vervanging en uitbreiding van be-
staande installaties, juist in de zware
chemische industrie, van groot belang
zijn: vooral hij snelle technologische
ontwikkeling.
Kostprijs technisch zijn excercities
met de afschrijvingen ook niet van veel
belang, daar de ,,efficiency controle” – –
primair object van de kostprijs niet
wijzigt; beoordeling en vaststelling van
aanbodprjzen op korte termijn kan be-
ter geschieden op basis van variabele
kosten, terwijl op langere termijn de
prijzen geëvalueerd worden op basis
van investerings-cash-flow-analyses.
Als conclusie zou ik willen opmer-
ken, dat hoewel de aanpak van Ru-
bingh om een probleem te vatten in de
vorm van een rekenmodel veel lof ver-
dient, hij hier een wel heel specifieke si-
tuatie op het oog heeft gehad, die zich
niet leent tot veralgemening. Op grond
van zijn uitgangspunten kan het
fi nancieri ngsaspect van de vervanging
hier adequaat behandeld zijn, maar in
het algemeen dienen bij financierings-
vraagstukken alle facetten van midde-
len-verkrijging én middelen-besteding simultaan een rol te spelen.
H. van Gelder*
* Drs. H. van Gelder is medewerker bij de
Operations Research Afdeling van de Alge-mene Bank Nederland NV.
Naschrift
In de eerste zin van de inleiding van
mijn artikel vermeld ik dat modelmatig
is nagegaan welke ,,afschrijvingen” op
duurzame produktiemiddelen nodig
zijn om de toekomstige ,,vervanging”
hiervan — gelet op inflatie en technolo-
gische ontwikkeling (inclusief schaal-
vergroting) – – steeds te kunnen ,,finan-
eieren”. Centraal staat dus de vervan-
ging van duurzame produktiemiddelen
door duurzame produktiemiddelen en
naast de inflatie – de technologi-
sche ontwikkeling, die
hierop
betrek-
king heeft. Deze vorm van technologi-
sche ontwikkeling – gekenmerkt door
verlaging van de investeringskosten per
jaarkilogram produkt – speelt onder
meer in de zware chemische industrie een rol. (Binnen deze ,,overall”-verla-
ging van de investeringskosten per jaar-
kilogram produkt kan voor bepaalde
duurzame produktiemiddelen natuur-
lijk een toename optreden, bijv. door
toepassing van noodzakelijk geble-
ken – meer hoogwaardige materialen).
Eveneens in de inleiding geef ik expli-
ciet aan dat het betreffende model be-trekking heeft op de zware chemische
industrie. Verderop vermeld ik nog dat
het model eveneens geldt voor ,,die in-
dustrieën, waarbij bij voortduring het-
zelfde bulkprodukt wordt gemaakt”.
Dit zijn – evenals de zware chemische
industrie — moderne kapitaalinten-
sieve industrieën. Een goed voorbeeld is
de opwekking van elektriciteit.
Wanneer Van Gelder in zijn commen-
taar mede mechanisatie e.d. als vorm
van technologische ontwikkeling be-
trekt, valt hij met deze ,,veralgemening”
geheel buiten het bestek van mijn arti-
kel. Mechanisatie impliceert vervanging
van arbeid
door duurzame produktie-
middelen, terwijl in mijn artikel uit-
drukkelijk uitgegaan wordt van vervan-
ging van duurzame produktiemiddelen
door duurzame produktiemiddelen. Ik
ga op dit deel van zijn commentaar dan
ook niet in. In zijn eindconclusie zegt
Van Gelder verder:
• op grond van de uitgangspunten
is
het financieringsaspect van de vervan-
ging vermoedelijk wel adequaat be-
handeld; maar
• in hei algemeen
dienen bij financie-
ringsvraagstukken alle facetten van
middelen-verkrijging én middelen-
besteding simultaan een rol te spelen.
Bij dit tweede deel van zijn opmer
–
king teken ik het volgende aan. Wat de
middelen-besteding betreft, het feit dat
tot vervanging besloten wordt, irnpli-
ccert al dat aan bepaalde rentabiliteits-
criteria (bij’. de NCW) voldaan wordt;
indien dit laatste niet het geval zou zijn,
zou vervanging – en daarmee de door
mij gestelde problematiek – uiteraard irrelevant zijn. Wat de middelen-ver-
kri/ging
betreft, bij de bepaling van de NCW mag de wijze waarop de midde-
len verkregen worden geen enkele rol
spelen. Of ik nu de middelen verkrijg
uit de eigen cash-flow of via bijv. aan-
trekken van vreemd vermogen, ik dien
dezelfde ,,(firms) cost of capital” te
hanteren. Dat de middelen-verkrijging
ook langs andere weg dan via afschrij-
vingen kan geschieden, is uiteraard
waar, maar voor de in mijn artikel een-
ESB 20-11-1974
1051
Thomas Balogh, in samenwerking met Peter Balacs: Fact and fancy in international
economic relations; an essay on international monetary reform.
Pergamon Press,
Oxford, 1973, xiv + 116 blz., £ 2,50.
traal gestelde problematiek niet rele-
vant. Dit wat het artikel van Van Gel-
der betreft.
Graag maak ik echter van deze gele-
genheid gebruik om te wijzen op enige
recente cijferg uit de elektriciteits-
opwekk ing-,,industrie”, welke geheel
aansluiten op mijn artikel.
1. Blijkens de van PGEM ontvangen
informatie hebben de investeringskos-
ten per KW bij de elektriciteitsop-
wekking in de afgelopen
decennia
steeds rondom het niveau van
f. 450/KW gelegen. Ook hier dus een
compensatie van de inflatie door de
tcchnologische ontwikkeling. In de ter-
minologie van mijn artikel: aanvullende
afschrijvingen AA = 0. Ook in het
jaarverslag 1973 van PGEM wordt op
In de ,,flaptekst” van het te bespreken
boek wordt Thomas Balogh beschre-
ven als een controversieel auteur. Een
rondgang door wat recensies van enige
van zijn eerdere publikaties bevestigt de
juistheid van deze beschrijving. Balogh
wordt beurtelings bejubeld (Ewing),
verguisd (Prest), dan wel genuanceerd
benaderd (Halm, Furth) 1). In dit ver-
band kan ook Paul Streeten geciteerd
worden, die hem als volgt karak-
teriseert:
,,He is a fierce controversialist, who spares
no feelings and seems to thnive on making
enemies. It is as if his brain functioned best
when his glands secrete adrenalin” 2).
In Fact and fanci’ in international
economie relations
doet Balogh zijn
best om zijn reputatie wederom waar te
maken. Wie, afgaande op de ondertitel
– ,,an essay on international monetary
reform” – mocht menen dat dit werkje
in hoofdzaak is gewijd aan een uitwer-
king van het zoveelste plan tot her-
vorming van het internationale mone-
taire bestel, komt bedrogen uit. De re-
cenle internationale monetaire perike-
len dienen in feite als kapstok waaraan
Balogh zijn kritiek op de, wat hij
noemt, ,,traditionele” economische we-
tenschap, en op de beoefenaren hier-
van, op kan hangen. Kenners van zijn
werk zullen opmerken dat hij zich zelf
hierbij grotendeels herhaalt; het meeste
is bijvoorbeeld ook al te vinden in zijn
dc compenserende invloed van schaal-
vergroting en technologische ontwikke-
ling gewe7.en
(blz.
37, ,,Waardering
duurzame produktiemiddelen”).
2. De investeringskosten per KW bij
elektriciteitsopwekking zullen in 1979
– naar verwacht – f. 1000/KW bedra-
gen
(NRC Handelsblad,
13 september
1974)! Hoewel dit cijfer misschien niet
volledig vergelijkbaar is met de eerder
genoemde f. 450/KW treedt toch duide-
lijk naar voren dat ook hier ,,de afschrij-
vingen op basis aanschafwaarde –
zelfs in industrieën met dalende
investeringskosten per jaareenheid pro-
dukt (bij constante prijzen) – meer en
meer tekort zullen schieten”.
H. Rubingh
in 1963 verschenen verzamelbundel
Unequal partners.
In een bestek van ruim lOO bladzij-
den strijdt Balogh op vele fronten. Zo
wordt onder meer de banvloek uitge-sproken over econometrie, monetaire
economie, nationale en internationale
bankiers, en (uiteraard) multinationale
ondernemingen. Tinbergen krijgt er, in
een van de zeer vele voetnoten, geducht
van langs 3), en ook vele andere cory-
feeën blijven niet gespaard. Helaas geeft
Balogh zich niet altijd moeite zijn kriti-
sche opmerkingen nader te motiveren;
volstaan wordt dan met te vermelden dat dit ,,of course” zo is.
De veelheid van onderwerpen die
wordt behandeld, de vele zijsprongen
die hierbij worden gemaakt, en de nog-
al eens ..doordrammerige”, ,,gelijkheb-
berige” toon waarop een en ander
wordt gebracht (zie bijv. de ,,Preface”),
maken het geheel wat moeilijk leesbaar.
De inhoud in kort bestek samenvatten
is een vrijwel ondoenlijke opgave. Ik zal
mij concentreren op wat blijkens de
‘ondertitel het hoofdonderwerp is: inter-nationale monetaire hervorming. De le-
zer dient zich wel te realiseren dat
hierdoor een groot deel onbesproken
blijft.
Balogh begint met de ,,traditional ap-
p roac h to international relations”
(Smith,
Rica rdo,
I-Ieckscher-Ohl in,
enz.) te verwerpen, evenals trouwens de
,,classical and neo-classical theories of
economics” in het algemeen. Deze theo-
rieën dienen z.i. voornamelijk om het
bestaande economische syteem het
rechtvaardigen (de ,,wetenschapper”
hand in hand met de ,,uitbuitende kapi-
talist”). Voor een verklaring van de
di’na,nische
werkelijkheid zijn de ge-
noemde
statische
theorieën van de in-
ternationale handel, gebaseerd op ver-
onderstellingen als volledig vrije mede-
dinging, gegeven technische kennis,
gegeven voorkeuren, ontoereikend. Dit
te meer waar de analyse veelal beperkt
blijft tot een twee-landen-twee-goederen-
model. Daaruit volgt, aldus Balogh,
dat één van de belangrijkste conclusies
die met behulp van deze theorieën kan
worden getrokken, namelijk dat vrij-
handel voor de wereld als geheel het op-
timale economische systeem is, op losse
schroeven komt te staan.
Nu is het een ding om een theorie te
verwerpen, en een tweede om een alter
–
natieve theorie te verschaffen. Baloghs
pretenties dienaangaande lijken aan-
vankelijk niet gering. Hij stelt te zullen
tiachten om ,,(to) restate the traditional
doctrine of international trade, as a’p-
plied in modern industrial conditions,
from the viewpoint of power relation-
ships”, en ,,(to) suggest basic modificat-
ions, such as to explain actual develop-
ments” (hoofdstuk 1, ,,lntroduction”,
blz.5). Hieraan wordt hoofdstuk 2 ge-
wijd, ,,The fancies explored”, waarvan
de kern wordt gevormd door een para-
graaf getiteld ,,lnternational economie
relations as a problem of oligopoly”.
Zoals uit deze titel al blijkt, legt Balogh
hierin sterk de nadruk op het oligo-
polistische karakter van moderne inter-
nationale economische betrekkingen.
Dit schrijft hij toe aan enerzijds de be-
langrijke rol die staten, van ongelijke grootte, hierbij spelen, anderzijds aan
de z.i. zeer grote invloed van omvang-
rijke multinationale ondernemingen.
t) A. F. Ewing bespreekt
Unequal partner.v
in de
Journal of Modern Aji’ican Studies,
1965; A. R. Prest bespreekt
The econo,nics
of poverti’
in
Econo,nica, 1967; G.
N. Halm
bespreekt
The dollar crisis, causes and cure,
in
The Revien of Economics and Stanstics,
952; J. H. Furth bespreekt
Germany: an ex
–
periment in ,. Planning’ by the , free” price
,nechanism,
eveneens in
The Revien of
Econonnes and Siatistics, 1
952.
Zie Paul Streeten (ed.),
Unftishionable
economic.s, essais in honour of Lorci Ba-
logh.
Weidenfeld and Nicolson, Londen,
1970. In een inleidend artikel tot deze bun-
del, die is verschenen ter gelegenheid van Ba-
loghs
vijfenzesi igste
verjaardag,
geeft
Sirecten een boeiende schets van diens leven,
werk, en persoonlijkheid.
Balogh stelt, met betrekking tot de be-
kende. door Meade en Tinbergen onder be-
paalde veronderstellingen afgeleide, regel,
dat het aantal te gebruiken economisch-poli-tieke instrumenten overeen moet komen met
het aantal na te streven economisch-politieke
doeleinden: ,,But there is, of course, no such
,,law” and, like Professor Tinbergens other
discoveries and models, It does not stand up
to senious examination” (blz.
05).
1052
Feiten en meningen over aktuele onderwerpen
in twee SMO-publikaties in de nieuwe serie ,,Discussie”
Reeds verschenen:
* ,,Stelsel ter sprake”
Prof. Dr. W. Albeda, Prof. Mr. N. E. H. van Esveld en Dr. S. L. Mansholt
schrijven en discussiëren over een economisch stelsel voor nu en
morgen
Prijs f 6,50
beste/no.
025 –
Discussie 1
Binnenkort verschijnt:
* ,,Dagbladpers, Maatschappij en Onderneming”
Gesprek en discussie tussen Mr. E. Bloembergen, Dr. E. Diemer en Dr.
H. J. Roethof over de maatschappelijke taak van de pers en over de
te verwachten ontwikkelingen
Prijs f 5,25
beste/no.
028 –
Discussie 2
Bestellen door storting op postgiro 331717 t.n.v. SMO – Den Haag
Hiervan uitgaande slaagt Balogh er
echter niet in een bevredigend alterna-tief te bieden voor de verworpen theo-
rieën. Hij onderneemt daartoe ook
geen enkele poging. Daarentegen bena-
drukt hij in zijn betoog voortdurend het
volstrekt
unieke
van iedere eco-
nomische situatie. Verder wijst hij erop
dat de onderlinge economische relaties
tussen landen erg gecompliceerd zijn, terwijl bovendien rekening moet wor
–
den gehouden met zaken als kapitaal-
accumulatie en technische vooruitgang. Bij herhaling stelt hij dat dit alles
hi.vs’o-
fl.r(h bepaald is.
Uit een en ander lijkt de conclusie te
moeten worden getrokken dat zinvolle
theorievorming niet mogelijk is. Het
verloop en de uitkomst van het econo-
misch pröces zijn onbepaald.,,gener-
alizations become precarious, if not il-
licit” (blz. 16). Een conclusie die, bij al-
gemene aanvaarding, de werk-
gelegenheid voor economen niet ten
goede zal komen.
Gelukkig blijkt uit het vervolg van
deze paragraaf dat Balogh het eigenlijk
niet geheel met zichzelf eens is. Hoewel
,,generalizations will always be diffi-
cult” (blz. 19) meent hij bijvoorbeeld
toch wel te kunnen stellen dat, in een si-
tuatie van volledige werkgelegenheid,
devaluatie zal leiden tot inflatie. Verder
beredeneert hij dat ,,in an oligopolistic
struggle
…..
the ultimate retreat will
almost ccrtainly be towards maximizing
reserves or minimizing gold losses” (blz.
20) 4). Deze laatste conclusie is van vi-
taal belang voor zijn oplossing voor de
internationale monetaire problemen,
die wordt beschreven in het laatste
(vierde) hoofdstuk: ,,The elements of a
solution”. (Het middendeel. van, het
boek, hoofdstuk 3, is gewijd aan een
stuk naoorlogse economische geschied-
schrijving met uitweidingen: ,,The facts
restated”).
Balogh gaat ervan uit dat zoveel mo-
gelijk moet worden vastgehouden aan
vaste wisselkoersen. Als ,,elasticity pes-
simist” gelooft hij niet in een gunstig ef-
fect van wisselkoerswijzigingen op de
betalingsbalans. Doordat echter ieder
land bij dit systeem zal trachten zijn re-
serves zo groot mogelijk te maken, ten
einde aanslagen op de vaste koers te
kunnen weerstaan, moet worden voor-
komen dat er een schaarste aan reserves
zal ontstaan. Een dergelijke schaarste
zou vooral nadelig zijn voor de zwakke
landen.
Gesteld wordt dat ,,any future system must embody certain rules of con-
duet and sanctions” (blz. 65). Reèds in
hoofdstuk 2 is gewezen op de noodzaak
tot het instellen van een ,,strong central
organ”; waarbij een vergelijking werd
gemaakt met het Amerika van v66r het
Federal Reserve System”. Dit supra-
nationale instituut zou niet alleen moe-
ten zorgdragen voor een voldoende
reservecreatie, maar zou ook de na-
leving van de door Baiogh gewenste
gedragsregels, die overigens nogal vaag
blijven, moeten kunnen afdwingen.
De bevoegdheden, die Balogh deze
instelling wenst toe te kennen, gaan niet
alleen veel verder dan die van het hui-
dige Internationale Monetaire Fonds,
zij gaan ook veel verder dan die van een
,,gewone” centrale bank. Balogh mag dan wel stellen: ,,The proposed refor-
med IMF would, in effect, be a central
bank”, in feite vraagt hij echter om een
kruising tussen minimaal een ministerie
van financiën, een ministerie van eco-
nomische zaken, én een centrale bank.
Immers, welke ,,gewone” centrale bank
heeft .,far-reaching powers over the gen-
eral economie, monetary and fiscal
policies”. zoals Balogh verlangt (blz.
82) ?
Ter ondersteuning van dit ambitieuze
plan wijst Balogh onder meer op het ge-
vaar van een nieuwe wereldwijde de-
pressie naaranalogie van de crisis uit
de jaren dertig. Desondanks is sinds de
publikatie van zijn betoog, dat, voor
het in boekvorm verscheen, reeds begin
1973 in World Dei’elopmeni
wereld-
kundig was gemaakt, weinig haast ge-
toond met een terugkeer naar een sys-
teem van vastere wisselkoersen. Inte-
gendeel, steeds meer landen zijn over-
gegaan tot het laten zweven van hun
valuta. Het valt dan ook niet te ver-
wachten dat Baloghs voorstellen op
korte termijn zullen worden gereali-
see rd.
De discussie over de keuze voor vaste
dan wel voor flexibele wisselkoersen
heeft, tot voor kort noodgedwongen,
een voornamelijk theoretisch karakter gehad. Noodgedwongen, omdat na de
tweede wereldoorlog te weinig ervaring
was opgedaan met het laten zweven van
valuta om op grond van empirisch ma-
teriaal enige ,,harde” conclusies te kun-
nen trekken.
Dergelijk empirisch materiaal (gege-
vens betreffende koersontwikkelingen,
de ontwikkeling van de internationale
handel, enz.) is nu, door de gebeurte-
nissen van de laatste jaren, wél voor-
handen. Bij pogingen om het inter-
nationale monetaire bestel een nieuwe
vorm te geven, zal hiervan eerst grondig
studie moeten worden gemaakt. Eer
–
dere voorstellen dienaangaande, die,
zoals gezegd, voornamelijk op theoreti-
sche overwegingen berusten, dienen als
verouderd te worden beschouwd. Der-
halve had de belangrijkste conclusie
aangaande Baloghs hervormings-
plannen op dit ogenblik, zo’n anderhalf
jaar na publikatie, eigenlijk al getrok-
ken kunnen worden, zonder een regel in
het boek gelezen te hebben.
F. B. van der Toom
4) Blijkens het eerdergenoemde artikel van
Streeten zijn dergelijke tegenstrijdigheden
kernmerkend voor Baloghs geschriften.
Streeten: ,,His views seem full of contradic-
lions . . . . in the same breath he dismisses
theoretical model building as ,,gadgeteer-
ing”. and himself puts forward some simple
(ihough ingenious) explanation”.
Esb
Mededeling
Studiedag lokale beleidsvorming
Op 3 december a.s., 9.30 uur, organi-
seert de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) en de bij het NIVE
aangesloten Vereniging voor Strate-
gische Beleidsvorming (VSB) een studie-
dag onder de titel: ,,Bestuurljke Ont-
moetingen tussen bedrijfsleven en over-
heid bij lokale beleidsvorming en
planning op langere termijn”.
Inleidingen worden verzorgd door:
G. Brand, Prof. Drs. B. K. Bussaard,
Prof. Dr. Drs. A. C. R. Dreesmann en
Mr. W. H. Fockema Andreae.
‘s Middags zal een panel, bestaande
Uit de inleiders en Drs. P. Ph. Dordreg-
ter, o.l.v. Mr. C. van Veen over de onder-
werpen discussiëren.
Kosten: f. 80 (VNG- en VSB-leden) en
f. 110 (niet-leden).
Inlichtingen: secretariaat VSB, Park-
straat 18, Den Haag, tel.: (070) 6149 91
tst. 217.
ESB 20-1 1-1974-
1053
Ivo A.C. van Haren: De ondernemingsraad; een handleiding.
Kluwer BV, Deventer,
1974, 238 blz., f.1750.
Deze publikatie is geheel toegespitst
op een bepaalde categorie lezers, hetgeen
ook is aangegeven in de ondertitel. Het
beoogt een handleiding te zijn ,,voor
voorzitters, secretarissen, leden van
ondernemingsraden en van onderne-
mingsraadcommissies (en voor ieder
ander die, al dan niet beroepshalve,
belangstelling heeft voor de medezeg-
genschap, die via de ondernemingsraad
gestalte krijgt)”.
De eigenlijke handleiding vormt de
artikeisgewijze behandeling van de
Wet op de Ondernemingsraden 1971,
waarbij artikel voor artikel van een
heldere toelichting wordt voorziën,
gebaseerd op de opmerkingen, die bij
de parlementaire behandeling naar voren
zijn gebracht.
Wetenschappelijke pretenties heeft
het boekje niet; beschouwingen en filo-
sofieën over de ondernemingsraad,
zoals medezeggenschapsinstituut, komt
men niet tegen. Wél is gepoogd het wor-
dingsproces van de wet te schetsen door
een weergave van de voornaamste ele-
Als vierde in de serie Studies in devel-
opment and planning van het Centre of
Development Planning van de Erasmus
Universiteit is bovengenoemd proef
–
schrift uitgegeven dat van deschrijverals
ondertitel meekreeg: ,,a study on compa-
rative advantage”.
Mahfuzur Rahman is tot zijn studie
gekomen, omdat hij heeft ervaren dat de
industriële planning in de ontwikkelings-
landen zich overwegend baseert op de
mogelijkheden, welke de binnenlandse
markt biedt, terwijl aan de betekenis van
de buitenlandse markt in dit verband
slechts lippendienst wordt bewezen. Aan
com paratieve kostenvoordelen wordt
blijkbaar weinig praktische waarde ge-
hecht, concludeert hij. De strategie, die de meeste ontwikke-
lingslanden volgen, is dan ook vooral ge-
richt op invoersubstitutie. Zonder hierop
direct kritiek te willen uitoefenen, kiest
de schrijver een ander uitgangspunt. Hij
gaat namelijk Lilt van de alternatieve ver-
onderstelling, dat de groei vaii de export
een belangrijke voorwaarde is voor de
industrialisatie in de ontwikkelings-
landen en dat deze factor niet noodzake-
lijk moeilijker is te verwezenlijken dan
die van de invoersubstitutie. Voor-
waarde is dan wel dat. ,,factor endow-
ments” in belangrijke mate bepalend zijn
voor het exportpatroon per land. Op
deze samenhang richt zich in hoofdzaak
het uitgebreide kwantitatieve onderzoek
in deze studie.
Hiertoe wordt eerst aangetoond dat
menten uit het rapport van de Commis-
sie-Verdam en het SER-advies inzake
uitbreiding van de bevoegdheden van
ondernemingsraden Ook de opvattingen
van politieke partijen, zoals geventi-
leerd in het parlement zijn meegenomen.
Dit gedeelte (de eerste 41 bladzijden)
is erg onbevredigend en draagt duidelijk
het karakter van een compromis. Voor
een echte handleiding is dit stuk in feite
overbodig; voor hen echter die meer wil-
len weten van de ondernemingsraad
dan de wettekst en de uitleg daarvan is
het veruit onvoldoende. De enorme
wetenschappelijke belangstelling in de
jaren zestig (tot uiting komend in een
stroom van publikaties) blijft on-
genoemd; er wordt zelfs niet naar ver-
wezen. Achterin zijn een uitvoerige
verklarende woordenlijst en model-
reglementen opgenomen; nuttig voor
allen die in de uitvoerende sfeer bij de
ondernemingsraad zijn betrokken.
W. van Voorden
relatieve prijsverschillen per produkt tus-
sen de ontwikkelingslanden en de indu-
strielanden (uitgegaan wordt van India
en de Verenigde Staten) kunnen worden
verklaard uit de graad van arbeids- c.q.
kapitaalintensiteit van die produkten,
alsmede uit het niveau van de bereikte
produktieomvang. De conclusie is duide-
lijk: het comparatieve kostenvoordeel
voor de ontwikkelingslanden is het
grootst ‘oor arbeidsintensieve produk-
ten en neemt bovendien toe hij opvoering
van de produktie daarvan. Aansluitend
hierop wordt vastgesteld dat de omvang
van de invoervraag in de ontwikkelde
landen naar fabrikaten uit de
ontwikkelingslanden per produkt af-
hangt van relatieve prijserschillenen re-
latieve verschillen in arbeidsintensiteit;
hierbij blijkt ook de hoogte van de
invoerrechten een betekenende rol te spe-
en. Nadat de schrijver dit heeft vastge-
steld, vraagt hij zich af waarom ergetwij-
feld wordt aan de feitelijke werking van
de ,,factor proportions” theorie.
Hij meent dat de z.g. Leontief-para-
dox (Leo.ntief vond dat de invoer van de
Verenigde Staten kapitaalintensiever
wasan de uitvoer) hieraan schuld heeft
en toont— na het voorafgaande enigs-
zins ten overvloede – aan dat deze voor
de handel in fabrikaten’ tussen industrie-
landen en ontwikkelingslanden helemaal
niet optreedt. Voorts wijst hij erop dat
deze paradox zijn ontstaan dankt aan
een onzorgvuldige analyse m.b.t. de
Amerikaanse buitenlandse handel.
Het belangrijkste deel van de studie is,
volgens Mahfuzur Rahman, het onder-
zoek naar de vraag welke factoren de ver-
schillen in exportomvang tussen de di-
verse ontwikkelingslanden bepalen. Hij
stelt voorop dat de graad van ,,export-
oriëntatie” daarbij doorslaggevend is.
Zijn bewijsvoering is als volgt opge-
bouwd.
Op basis van een 50-tal artikelgroepen
(fabrikaten) en een 40-tal ontwikkelings-
landen constateert hij achtereenvolgens
dat de grootte van de uitvoer van fabri-
katen van een ontwikkelingsland in ze-
kere mate afhangt van:
de totale omvang van de industriële
produktie;
de industrialisatiegraad (industriële
produktie; nationale produktie);
de goederenconcentratie (hoe breder
dc samenstelling van het exportpak-
ket, hoe kleiner de goederenconcen-
tratie):
de marktconcentratie (hoe breder de
geografische spreiding, hoe kleiner de
marktconcentratie).
De genoemde correlatiecoëfficiënten
schommelen rond de 0,5. Deze beperkt-
heid van de gevonden relaties indiceert
volgens de schrijver alleen, dat de verkla-
rende variabelen’ slechts partiële reflec-
ties zijn van de gezochte ,,export-oriënta-
tie”. Een meer directe indicatie hiervan
meent hij te vinden in het aantal ,,goede-
renstromen”, waaruit de export per land
bestaat; een goederenstroom isdeexport
van één produkt (3-cijfercode SITC)
naar één ontwikkeld land. Het grootste aantal wordt gevonden ten aanzien van
Hongkong, namelijk 172. De schrijver is
van mening dat het aantal ,,flows”duide-
lijk een aanbodverschijnsel is. Het geeft
de bereidheid en de mogelijkheid tot ex-
porteren aan.
De gevonden correlatie tussen log N
(het aantal goederenstromen) en log X
(de exportomvang) is uitgesproken goed
(R = 0,90) bovendien wordt de samen-
hang niet significant beter als de eerder
genoemde verklarende variabelen in een
multi pele correlatieberekening worden
toegevoegd. In het laatste hoofdstuk laat
Mahfuzur Rahman ten overvloede zien
dat het exportpakket van de
ontwikkelingslanden overwegend (voor
meer dan
80%)
bestaat uit arbeids-
intensieve produkten en dat de groei
van de onderhavige export zeer groot is
geweest, namelijk in de periode 1960-
1970 gemiddeld 20% per jaar.
Voordat er enige kritische kantteke-
ningen worden gemaakt, zij vooropge-
steld dat de besproken studie uitmunt
door een heldere uiteenzetting, een logi-
sche opbouw en een gewetensvolle eco-
nometrische aanpak. Alleen reeds om
deze reden kan dit proefschrift als een
zeer nuttige bijdrage worden beschouwd
‘tot verbetering van het inzicht in de
kwa ntitatieve relaties, die de internatio-
nale handel bepalen. De hier verder op-
geworpen vragen c.q. geuite kritiek doen
hieraan niets af.
A. H. M. Mahfuzur Rahman: Exports of manufactures from developing countries.
Rotterdam University Press, 1973, 140 blz., f. 39,50.
1054
Bil de door de schrijver gevolgde ge-
dachtengang en methode zouden wij de volgende punten willen aantekenen.
Men kan betwijfelen of de verschil-
lende factoren, die worden aangevoerd
ter verklaring van de exportomvang van
de ontwikkelingslanden, wel als (par
–
tiële) indicatoren van de gezochte
exportoriëntatie mogen worden be-
schouwd.
De keuze van de factor N (aantal
goederenstromen) in dit verband is be-
paald een vondst, doch het is ons inziens
niet voldoende aangetoond dat deze keus
geheel verantwoord is; het gevaar dat hier sprake is van een schijncorrelatie
lijkt namelijk niet denkbeeldig.
Mahfuzur Rahman heeft verzuimd
zijn ,,statische” resultaten te toetsen aan
de dynamische ontwikkeling. Het crite-
rium is namelijk niet zozeer de omvang
van de export in een bepaald jaar, maar
de groei hiervan en van de industriële
produktie. Een vluchtige verkenningon-
zerzijds doet vermoeden dat een verband
tussen groei (1960-1970) en het aantal
goederenstromen (1968) aanwezig is. Het
lijkt ons dat de waarde van zijn conclu-
sies dan aanzienlijk groter zou zijn.
Schrijver vindt in het geheel geen
onderling verband tussen goederen-
concentratie en marktconcentratie per
land. Hieruit zou volgen dat een breed
samengesteld exportpakket op zich zelf
geen voorwaarde vormt voor een grote
geografische spreiding, waarmede wordt
De discipline, waaruit dit boek is ge-
schreven, is meer sociaal psychologisch
dan sociologisch. Dit maakt het voor de
econoom een niet gemakkelijk verteer-
baar werk. Het doet daarom goed een
ogenblik te verwijlen. bij het voorwoord
van Prof. Dr. L. U. de Sitter, die de
schrijver in sterke mate heeft geïnspi-
reerd. Dit voorwoord stelt dat mde jaren
zestig de sociologische en psychologische
theorie een grote verandering heeft on-
dergaan. Baseerde men zich voordien op
een statisch model van een sociaal sys-
teem en het daarin levende individu,
nu wordt de tijd rijp de modellen te ver-
vangen door cybernetische modellen en
selectief gestuurde processen. Met
de introductie van de siochastiek in de
gedragswétenschappelijke theorie is het
terrein van de statische theorie definitief
verlaten. Het werk van Van Der Zwaan
beoogt de socio-technische problematiek
te plaatsen binnen het kader van de
produktiebesturing als maatschappelijk
verschijnsel.
Het boek valt in vijf hoofdstukken
uiteen, gevolgd door een slotbeschou-
wing. In die beschouwing worden de
relaties gelegd met de operationele re-
search en met de werkstructurering,
twee bekende problemen in deorganisa-
gesuggreerd dat deze spreiding afhangt
van de export-,,bereidheid” van een
land. Hij verzuimt echter in dit geval de
marktconcentratie te corrigeren “oor
de afstand tot en de grootte van de afzet-
markten (zoals elders wel is gebeurd): een
globaal onderzoek onzerzijds wijst uit
dat de aldus gecorrigeerde variabele wel
een samenhang met de goederen-
concentratie vertoont.
Een ons inziens niet onbelangrijke
verklarende variabele, namelijk de geo-
grafische uitgebreidheid van de eigen
markt, is niet in het onderzoek opgeno-
men. Het is namelijk een bekend feit (zie
ook het artikel in
ESB
van ondergete-
kende van 4 september 1963) dat de
exportquote van een land duidelijk sa-
menhangt met de oppervlakte van dat
land. Wij vonden t.a.v. de in het onder-
zoek opgenomen landen een correlatie-coëfficiënt van 0,70 voor deze relatie.
In tabel 5.! (blz. 82) staan twee fout-
jes:
het cijfer voor Nederland in kolom 3 is
te laag: dit moet 40 zijn in plaats van
29 (het cijfer voor Hongkong in appen-
dix tabel 5.1 is 17 in plaats van 6).
in voetnoot b hierbij wordt gewezen
op het weglaten van Suriname en de
Antillen als verklaring voor het lage
cijfer \’oor Nederland; dit moet zijn
Suriname, Bahama en Bermuda.
F.
J. CIa’aux
tieleer, die in de loop van de jaren heel
wat pennen in beweging hebben ge-
bracht.
In het eerste hoofdstuk wordt het sys-
teemmodel ontvouwd. Begrippen als sys-
teemstruct uur en systeemfunctie worden
nader omschreven. De koppeling tussen
structurele vorm en functie heeft geleid
tot het structureelfunctionalisme, dat
vele sociologische bezwaren heeft ont-
moet. Daarna worden enkele systeem-begrippen gedefinieerd, zoals transfor-
matiesystemen en sociale systemen. De
structuur, de stationariteit en de variabi-
liteit van het sociale systeem neemt Van
der Zwaan nader onder de loep. Tenslot-
te analyseert hij de besturing van het
sociale systeem, waarbij operationele
en transformationele normen een
functie vervullen. Enkele ideeën over
conflict, conflictreductie en macht
besluiten dit hoofdstuk.
Het tweede hoofdstuk is gewijd aan de
bruikbaarheid van het model. Daarbij
wordt onderscheid gemaakt tussen twee
methoden van sociale systeemanalyse:
de aspectmatige methode en de systeem-
vergelijkende methode. De aspectmatige
methode gaat uit van één systeem en
één norm. Zij inventariseert, beschrijft,
werkt empirisch, inductiefen heuristisch,
ontdekt conflicten, geeft inzicht in statis-
tische relaties en verbreedt het inzicht
door iteratie. De systeemvergelijkende
methode gaat uit van meer dan één sys-
teeni, meer dan één norm, werkt verge-
lijkend en generaliserend, verklaart, is lo-
gi
SC
h-ded uct ie f en theorie vo rrne nd.
Bovendien geeft de methode een verkla-ring van de conflicten en reductiemecha-
nismen en geeft zij inzicht in de bestu-
ringsproblemen en in de simultane verge-
lijking.
Het veld van onderzoek wordt behan-
deld in het derde hoofdstuk. Van der
Zwaan heeft zijn onderzoek verricht in
een middelgrote onderneming in de me-
taalindustrie in het zuiden van het land.
In het bijzonder hebben de levertijden zijn aandacht gehad. Niet in de eerste
plaats de leverantie van het eindprodukt
aan de klant, maar de interne afleverin-
gen van de produktieseries tussen de af-
delingen van de onderneming. Deze af-
delingen zijn: een mechanische afdeling,
een bankwerkerij, een lakafdeling en
een montage-afdeling. Men produceert
ten dele voor de markt en ten dele op
bestelling. Waarom hier de begrippen
,,normaalprodukt” en ,,speciaalprodukt”
(Germanismen) worden ingevoerd,
voor respect. op voorraad en op bestel-
ling gemaakte produkten is ons niet dui-
delijk. Tevens blijkt uit het voorgaande
dat de titel van het boek ,,Leveren en laten leveren” tot misverstand aanlei-
ding kan geven. Beter ware het te spreken
van een in de technische organisatieleer
bekend probleem, namelijk de afstem-
mingsproblematiek tussen de afdelingen
van een onderneming. Het blijkt hier
weer duidelijk hoezeer het nodig is dat
men bij de sociologie, psychologie en
economie tot één taalgebruik komt om
babylonische spraakverwarringen te
voorkomen.
Vervolgens behandelt het vierde
hoofdstuk de aspectmatige methode.
Hier zoekt Van der Zwaan voorname-
lijk naar normen die in een duidelijke
relatie staan tot de levertijdnorm. Een
belangrijke tegenhanger van deze norm
is de kostennorm, die dikwijls in conflict
is met de levertijdnorm. Conflictver-
schijnselen worden volgens deze metho-
de wel benaderd, maar niet verklaard.
De systeemvergelijkende methode
heeft ons meer aangesproken dan de as-
pectmatige methode, omdat de verkla-
ring van de S-norm (minimaliseer de pro-
duktiekosten per eenheid door een zo
groot mogelijke reductie van omstel-
en omschakelkosten, dus door de uit-gifte en aanmaak van zo groot moge-
lijke produktieseries) en de conflicteren-
de L-norni (tijdige bediening van de
klant met een grote variëteit aan dikwijls
kleine bestelseries) duidelijk wordt
gegeven. Hoede topleiding, de planning-
afdeling, de expeditie-afdeling en de
produktie-afdeling zelf over het primaat
van deze normen denken, wordt op
een duidelijke wijze verklaard. Daarbij
wordt de machtshypothese getoetst aan
Dr. A. H. van der Zwaan: Leveren en laten leveren.
Een sociotechnische systeem-
analyse in de produktiebeheersing. Universitaire Pers, Rotterdam, 1973, 140 blz.,
f. 19,50.
ESB 20-11-1974
1055
de observaties van de functionarissen.
Uit deze studie, die met een uitgebrei-
de bibliografie wordt besloten, blijkt dat
de klassieke organisatieleer zo zij Ooit
heeft bestaan – steeds meer wordt ver-
vangen door een exactë benadering van
organisaties door middel van dyna-
niische modellen. In de literatuuropgave
komen de namen voor van auteurs die
men, op enlele uitzonderingen na, vijf
tien jaar geleden niet zou zijn tegen-
gekomen. Uit de studie blijkt heIas
niet dat de sociotechnische systeem-
analyse een werkelijke bijdrage levert
tot het efficiënt besturen van organi-
saties. Van der Zwaan is in de theore-
tische bespiegelingen blijven steken.
Niets in zijn verhandeling wijst erop
dat zijn half jaar durende gastvrijheid
bij de eerder genoemde onderneming
heeft geleid tot enige verbetering in de
organisatie. Wellicht was dit ook de be-
doeling van deze studie niet, die bij ons,
ondanks alle waardering hiervoor, een
gevoel van een ,,Unvollendete” heeft
achtergelaten.
P. van Zuuren
Mr. J.J.H. Jacobs: Balanscontinuiteit
en foutenleer.
Fed’s Fiscale Brochures
lB: 3.25, FED BV, Devene, 197434 blz.
f. 12, voor abonnees f. 9,40.
Dit boekje bevat een analyse van de
jurisprudentie op het gebied van balans-
continUiteit en foutenleer. Daartoe wordt
een stelsel van winstbepaling geschetst
en nader uitgewerkt voor de afschrijvin-
gen op bedrijfsmiddelen. Verder besteedt
de auteur aandacht aan de foutenleer
en geeft een toepassing ervan op de af-
schrijvingen.
Dr.
C.
F. Fortanier
en Dr.
J.
J. M.
Veraart: Schematisch overzicht van de
sociale verzekeringswetten. Kluwer-De-
venter BV, 26e druk, januari 1974, f. 5.
Dit gebrocheerde overzicht (één uit-slaande bladzijde) laat in een oogwenk
alle belangrijke gegevens omtrent de so-
ciale verzekering zien.
ESb
Mededeling
Collegedag
0p dinsdag 17 december as., 9.30 uur,
organiseert de Vereniging vap Afge-
studeerden der NEH voor haar leden een
Collegedag in de Erasmus Universitejt
Rotterdam, Burg. Oudlaan 50. Het
collegerooster luidt:
10.00-11.00 uur. Prof. H. W. Lambers:
De markt in de theoretische economie
en in de werkelijkheid.
11.00-12.10 uur. Prof. R. Burgert:
De jaarrekening en inflatie. Prof. Dr.
C. K. F. Nieuwenburg: Recente ontwik-
kelingen in het monetaire denken.
13.30-14.30 uur. Prof. Mr. M. C. D.
Burkens: Huidige democratiserings-
tendensen. Prof. Dr. M. P. Gans:
Inflatie en financiering. Prof. Dr. P. R.
OdelI: Natural resources and economic
development in Western Europe.
14.40-15.40 uur. Prof. Mr. B. Baard-
man: Overheidstoezicht op concentraties
\’art ondernemingen in de EG. Prof. S.
Posthuma: Problematiek van het inter-
nationale geldstelsel. Prof. Dr. C. J. van
der Wei den: Prijspeil, loonvoeten Werk-
gelegenheid (de Phillips-curve).
16.00-17.00 uur. Prof. Mr. i.
Mannoury: Het werknemersbegrip in
het EG-recht en in het Nederlandse
recht. Prof. Mr. P. Sanders: Ontwikke-
lingen op het gebied van de medezeg-
genschap. Prof. Dr. J. R. Zuidema:
Methodologische overwegingen met
betrekking tot het vraagstuk van de
economische orde.
Kosten: f. 13,50
mcl.
lunch; f. 22,50
mcl.
lunch en buffet in ,,Hermes”.
Aanmelding door overmaking van de
kosten, op. gironummer. .53 51 53, t.n.v.
VVA, Rotterdam, onder vermelding van
,,Collegedag 1974″. Inlichtingen: VVA,
tel.: (010) 14 55 II, tst. 3752.
Bij het
VERBOND
VAN NEDERLANDSE
ONDERNEMINGEN
VNO
te Den Haag is plaats voor een
ECONOOM, JURIST OF
LANDBOUWKUNDIG INGENIEUR
Hij zal in het bijzonder worden betrokken bij de werkzaamheden van het secretariaat van de
VAl, overlegorgaan van de Nederlandse voedsel- en agrarische industrie.
Vereisten:
– kennis van en ervaring met de behandeling van de landbouw(industrie) politieke
vraagstukken
– in staat tot analyseren van ontwikkelingen van belang voor de voedsel- en agrarische
industrie
– goede uitdrukkingsvaardigheid, ook in Frans, Duits en Engels
– goede contactuele eigenschappen
– organisatorische ervaring is gewenst.
Handgeschreven sollicitaties met vermelding van leverisloop te richten aan en inlichtin-
gen over de functie bij
A. A.
Lind, Hoofd Algemene Zaken VNO, Postbus 2110, Den Haag,
tel.: (070) 81 41 71.
1056