Ga direct naar de content

Jrg. 54, editie 2699

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 11 1969

ECONOMISCH=STATI-ST
f
ISCHEBERICHTENi

”I

UITGAVE VAN DE STICHTING HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

11juni1969

54e jrg.

No. 2699

Verschijnt wekelijks

COMMISSIE VAN REDACTIE:
Bronnen

H. C. Bos; L. H. Klaassen;

H. W. Lambers; P. J. Montagne; A. de Wit.

Het wetenschappelijle geweten van de Partij van de Arbeid, de Wiardi
REDACTEUR-SECRETARIS:

A. de Wit.
Beckman Stichting, heeft onlangs een rapport geproduceerd over
Inkomens-

verdeling.
Professor Dr. W. H. Somermeyer wijdt aan dit rapport elders in
ADJUNCT REDACTEUR-SECRETARIS:
dit nummer van
ESB
(blz.
605
e.v.) een methodologische beschouwing. Wij
P. A. de Ruiter.
willen hier slechts nog een enkele opmerking maken over enkele hoofd-

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:
lijnen van de WBS-studie.

F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;
Inkomenspolitiek heeft

altijd

een

belngrjke plaats

ingenomen

in
J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. J. Vlerick
socialistische programma’s. Dat ligt voor de hand; wie gelijkheid in zijn

SECRETARIS COMMISSIE VAN ADVIES VOOR
vaandel voert zal deze ook in het materiële vlak trachten te verwezenlijken,

BELGIË:
zeker wanneer deze filosofisch geënt is op het historisch materialisme.
J. Geluck.
Jammer is het echter dat men zich (en zeker niet de socialisten alleen) in

zijn beschouwingen over die materiële gelijkheid vaak fixeerde op de

correctie
van de
bestaande
inkomensverdeling. Aan een meer fundamentele

benadering van het inkomensprobleem, namelijk die waarbij de bronnen
van de inkomensverdeling, de
inkomensverwervende capaciteiten
centraal

stonden, kwam men maar al te vaak niet toe. Het is de verdienste van het
WBS-rapport dat het niet in deze oude fout is vervallen. Natuurlijk komt

het er niet onder uit over correctiemaatregelen op korte termijn te spreken;

601
centraal staat echter het bronnenbeleid, de politiek gericht op het weg-
Bronnen

……………………..
nemen van de verschillen in inkomensverwervende capaciteiten. Daartoe

vallen o.a. te rekenen vermogen, individuele aanleg, opleiding, inspanning,
Drs. J. K. T. Postma:
verantwoordelijkheid, relaties, traditie, macht.

Meerjarige planning op gemeente-
Een van de bronnen die zich voor een fundamentele bronnenpolitiek

lijk niveau

………………..602
leent en die veel aandacht krijgt is de factor
opleiding.
Nog te weinig latent

talent uit de lagere sociale milieus wordt zodanig geactiveerd dat door-

Prof. Dr. W. H. Somermeyer:
stroming naar het VHMO in voldoende mate plaatsvindt. Compensatie

van milieufactoren moet daarom een belangrijk onderdeel van het onderwijs-
Inkomensbedeling

…………..605
beleid vormen. Micro-economisch gezien betekenen gelijkere opleidings-

kansen ook hogere-inkomenskansen. Macro-econonjisch gezien betekenen

Drs. R. R. M. C. Hoyng:
zij dat de relatieve schaarsteverhoudingen worden gewijzigd en aldus een

Beschouwingen over de rente-
zekere inkomensnivellering kan worden bereikt, al werkt dit uiteraard pas

calculatie in de defensiehuishouding 608
op zeer lange termijn, ook al omdat institutionele factoren een dergelijke

gelijktrekking belangrijk zullen vertragen.

Drs. J. M. F. B
OX
.


Bronnen die voorts nog veel aandacht krijgen zijn vermogen en macht.

Met name invoering van het spaarloon wordt nog eens bepleit, alsook

Zegelkortingsystemen en consumen-
(meer) democratisch toezicht op de inkomens en de winstverdeling in de

tengedrag (T)

……………….611
grotere bedrijven; hierbij denkt men o.a. aan ruimere openbaarmaking van

bedrjfsgegevens.

N o t
i
t
i
e:
,,Naast de bronnen van het inkomen”: aldus het WBS-rapport, ,,kunnen
Bestuurstechnische vernieuwing is
ook de inkomens zelf worden genivelleerd, op voorwaarde dat niet de pres-
.

.

612
t
tatieprikkel en de economische groei te zeer worden aangetast
.

Wat in
urgen………………………..
deze beschouwing over de beloningen opvalt is dat men nogal vaag is over

de meest gewenste vorm van loonpolitiek. Blijkens het Ten Geleide is dit
M e d e d e li n g e n …………..616
te wijten aan meningsverschillen binnen de adviserende en toetsende corn-

iiissie, welke de totstandkoming van het rapport begeleidde. Dat is niet

G el d- en kap
i
t a alm ark t.. 617
verwonderljk. De tegenstelling vrije-geleide loonpolitiek loopt dwars door

de politieke partijen heen, zeker voor wat de Partij van de Arbeid betreft.

Maar weet er eigenlijk nog iemand wél welke richting we nu precies met

het loonbeleid uit moeten?

dR

-. 601

Mee

riarigre

0

planning

op gemeentehik niveau

De belangstelling voor de meerjarige planning is groeiende.

Ook de gemeenten gaan er toe over plannen voor de middel-

lange termijn op te stellen. Dezeplannen zijn nodig om

meerjarige programma’s voor de gehele volkshuishouding

te kunnen voorbereiden. Doch de planning is tevens voor de

gemeenten zelf van veel belang. Zij vergroot het inzicht

van het gemeentebestuur in de complexe en zich snel

wijzigende problematiek. Bovendien kunnen goed gefun-

deerde berekeningen hun diensten bewijzen bij de onder-

handelingen met hogere instanties over de toekenning

van financiële middelen. De planning stelt eisen aan de

organisatorische opbouw van het gemeentelijke apparaat.

Een centrale instantie moet en actieve rol spelen bij de

voorbereiding van de plannen en zal tevens toezicht dienen

te houden op de voortgang van de voorbereidings- en uit-

voeringswerkzaamheden elders in het apparaat. De plan-

ning is, zeker in de grotere gemeenten, een noodzakelijke

voorwaarde voor een goed beleid.

BETEKENIS VOOR DE

NATIONALE MIEERJARIGE PLANNING

In Nederland is de plangedachte algemeen aanvaard in de

zin van het stelselmatig en ‘etenschappeljk voorbereiden
van economisch-politieke beslissingen. Op het ogenblik

krijgt met name de meerjarige planning veel aandacht.

In 1966 heeft het Centraal Planbureau in de studie
De

Nederlandse economie in 1970
een vijfjarige prognose per

sector en per bedrijfstak gepubliceerd. Hierin kwam nog

géen gespecificeerde raming van de overheidsuitgaven voor.

Slechts was de omvang van de zgn. budgetruimte bepaald,

terwijl enkele alternatieve combinaties van uitgaven’er-

hoging en belastingverlaging waren aangegeven. In het-

zelfde jaar liet de regering een studie over de groei en struc-

tuur van onze volkshuishouding verschijnen. Deze beleids-

notavan minister Den Uyl en staatssecretaris Bakker

werd door de regering nog slechts als een bescheiden hulp-

middel voor het beleid, op middellange termijn beschouwd.

De vraag werd gesteld of niet in de toekomst een meerjarig

beleidsprogramma met kwantitatieve doelstellingen moest

worden opgesteld.

Om een aantal alternatieve ontwikkelingsmogelijkheden

van de nationale economie te kunnen aangeven, is kennis

nodig van de waarschijnlijke ontwikkeling van de over-

heidssector. De opstelling van een minimum en maximum

programma voor deze sector is een noodzakelijke voor-

waarde om tot meerjarige planning te komen. Het grootste

struikelblok voor de middellange-termijnplanning is het
tekort aan informatie over het beslag, dat de collectieve

sector naar verwachting in de nabije toekomst op de natio-

nale middelen zal leggen, concludeert de SER in zijn in

1967 over dit onderwerp uitgebrachte advies.

Sinds een aantal jaren plaatst de ‘regering de begrotings-

politiek tegen de achtergrond van de economische ontwik-

keling op langere termijn. In de jongste Miljoenennota

staat te lezen, dat binnen het kabinet voor verschillende

uitgavengroepen kwantitatieve afspraken voor 1970 en 1971

602

zijn gemaakt. Voor andere uitgavengroepen zijn oor deze

jaren ramingen opgesteld, die zijn afgewogen binnen het

kader van de trendmatige begrotingsruimte. Op basis van

dit begin van een meerjarige planning van de rijksuitgaven

heeft het CPB in de macro-economische verkenningen

gepoogd een beeld te ontwerpen van de economische ont-

wikkeling in de periode 1968-1971.

Ook de uitgaven, en dan in de eerste plaats de investerin-

gen, van.de lagere publiekrechtelijke lichamen dienen voor

een aantal jaren te worUen geraamd. De kapitaaluitgaven

van de gemeenten bedroegen in 1967 f.
5,3
mrd., een kwart

van de totale bruto investeringen in vaste activa in Neder-

land. Vele gemeenten krijgen naast de behartiging van het
welzijn van de eigen burgers taken van regionale en natio-

nale betekenis uit te voeren. De ruimtelijke ordening is
bezig uit te groeien tot één van de belangrijkste onder-

delen van het sociaal-economische beleid. In deze ruimte-

lijke ordening zullen de gemeenten als uitvoerende organen

een eerste plaats innemen. Doch ook in de sfeer van onder-

zoek en planning moeten de gemeenten krachtig meespelen.

Hun taken zullen onder meer gericht zijn op de ontwikke-

ling van nieuwe woonkernen, krotopruiming, stadssanering

en -reconstructie, voorzieningen kor openbaar vervoer en

verkeer, vuilverwerking, medisch-sociale, culturele en

recreatieve voorzieningen. De gemeentelijke kapitaal-

uitgaven zijn sterk gestegen, namelijk van
f.
1,5 mrd. in

1955 tot f.
5,3
mrd. in 1967. De taakstelling van de gemeen-

ten heeft waarschijnlijk tot gevolg, dat hun bestedingen in

de toekomst niet een constant, doch een toenemend deel

van de nationale bestedingen zullen uitmaken. De toe-

kenning van financiële middelen zal moeten worden aange-
past aan de taakstelling van de gemeenten. De lagere Over-

heid beschikt over een eigen belastinggebied, dat’ook na

de aangekondigde verruiming, nog zeer beperkt zal zijn.

Anders dan de staat hebben de gemeenten voor het finan-

cieren van hun investeringen geen keuze tussen belastingen

en leningen.

De laatste jaren hebben de gemeentebesturen leren leven

met de centrale financiering. Via de Bank voor Neder-

landsche Gemeënten krijgen de gemeenten hun finan-

cieringsmiddelen toegekend. Behoudens enkele uitzonde-

ringen dienen Gedeputeerde Staten hun goedkeuring aan

een raadsbesluit te onthouden, indien voor de eersté 12

maanden geen vaste financieringsmiddelen voor een

investeringsproject beschikbaar zijn gesteld. Het komt voor,
dat een gemeenteraad daardoor twee tot drie maal eenzelfde

voordracht moet aannemen; in het jargon van de raads-

leden wordt dan van ,,stottervoordrachten” gesproken.

Doordat de gemeenten de vrije toegang tot de kapitaal-

markt is ontzegd, is de waarde van een investeringsplan

als werkprogramma verminderd. Doch juist in deze

situatie kan een investeringsprogramma en kan het totaal

van investèringsplannen van alle gemeenten goede diensten

bewijzeb bij de onder]andelingen over de toekeniiing van

financiële middelen. Mochten de gemeenten weer vrije

toegang tot de kapitaalmarkt krijgen, dan zouden zij hun

positie moeten versterken om opgewassen te zijn tegen

nieuwe spanningen op de kapitaalmark’t. Zij zouden tot

consolidatie van hun schuld moeten overgaan. Een even-

tueel tijdelijk overschot kan op voordelige voorwaarden

bij de Bank voor Nederlandsche Gemeenten worden

belegd
1
Bovendien zouden de gemeenten dan veel meer

gebruik moeten maken van de mogelijkheid om tegen

betaling yan een bereidstellingsprovisie bij institutionele
beleggers leningen op termijn af te sluiten
1
. Om de be-

hoefte aan leningen over een aantal jaren goed te kunnen

bepalen, is een investerings- en financieringsplanning

noodzakelijk.

HET INVESTERINGSSCHEMA

Een investeringsschema dient een reeks investerings-

projecten te bevatten en moet tevens de financieringswijze,

en. de budgettaire consequenties aangeven. Een eerste eis

is, dat de uitvoering van de projecten in de daarvoor uitge-

trokken tijd technisch mogelijk is. Naast de technische

voorbereiding en uitvoering is er tijd gemoeid met admini-

stratieve procedures, grondaankopen, onteieningen, enz.

Met behulp van
netwerkpianning
kunnen, om vertragingen

zoveel mogelijk te voorkomen, werkkracht, materiaal en

financiële middelen worden geconcentreerd op de voor de

uitvoering van een project meest essentiële activiteiten.

Tevens is de netwerkplanning van betekenis voor het

bepalen van, de relaties tussen verschillende projecten. In

een bestemmingsplan bijv. hangen -vele investeringen met

elkaar samen. Vertraging of versnelling van één project

heeft invloed op de rest van het programma.

Het aanduiden van prioriteiten is niet eenvoudig. Een

begin hiervan kan zijn te bepalen of een investering tot

handhaving of tot verhoging van het bestaande voorzienin-

genniveau leidt. De investeringen, nodig voor handhaving

van het voorzieningenpeil, kunnen in een drietal catego-

rieën worden onderscheiden, nl. investeringen waarvan

uitstel in het geheel niet mogelijk is, investeringen waarvan

uitstel mogelijk, doch bezwaarlijk is, en tenslotte investe-

ringen waarvan uitstel geen ernstige bezwaren oplevert.

Toepassing van kosten-baten-analyses zou tot een grotere

rationaliteit van de beslissingen kunnen leiden.

Kennis van de budgettaire gevolgen van het investerings-

programma is van groot belang. Welke lasten drukken in de

vorm van rente, afschrjving en exploitatiekosten op de

gewone dienst van de begroting? Men kan ook de bud-

getruimte laten berekenen om te weten tot welk maxi-
mum de gemeente in de toekomst lasten kan aanvaar-

den
3
. Daartoe mDet echter de structuur van de gemeente-

lijke financiën worden onderzocht. Hierbij doen zich

moeilijkheden voor, daar de gemeentebegroting nog steeds

een bestuursrechtelijk-administratieve opzet heeft, die

voor een financieel-economische analyse weinig aan-

knopingspunten biedt. Op het Centraal. Bureau voor de

Statistiek beschouwt men de gemeentefinanciën ‘als ,,de

zwakke plek” in de nationale rekeningen
4
. Alleen door een

moeizame en tijdrovende bewerking verkrijgt het CBS een

benadering van de gewenste gegevens. In 1966 heeft het

CBS een studie gepubliceerd:
De gemeentefinanciën in

economische categorieën,
die mede bedoeld is als een lei-

draad voor de gemeenten. In de publikatie is een code

opgenomen, die het CBS gebruikt voor de ,,vertaling” en

groepering van de afzonderlijke posten uit begroting en

rekening in economische categorieën.

Om de zwakke plek, die de gemeentefinanciën in het

systeem van de nationale rekeningen vormen, geheel weg

te werken, zal echter een nieuw begrotingsmodel moeten

worden ingevoerd. Sinds 1965 heeft een werkgroep, be-

staande uit medewerkers van o.a. het ministerie van bin-
nenlandse zaken, het CBS en de Raad voor de gemeente-

financiën zich met het ontwerpen van een nieuw model

bezig gehouden
5
. De nieuwe indeling sluit aan bij de code,

die ten behoeve van de overheidssector door het Comité

van ministers van de Benelux Economische Unie is vast-

gesteld en eveneens bij classificaties in ruimer verband

(EEG en Verenigde Naties)
6•

Behalve naar economische categorieën worden de uit-

gaven en inkomsten naar functies ingedeeld. De nieuwe

funëtionele indeling is logischer dan de huidige, zodat de

autorisatiefunctie van de begroting en ook de kosten-

bewaking beter tot hun recht komen. Na invoering van het

nieuwe model zou elke gemeente de kosten der afzonder-

lijke taken kunnen vergelijken met die van de totaliteit der

Nederlandse gemeenten of met die van gemeenten van ver

gelijkbare grootte en structuur. De beschikbaar komende

informatie zou ook van groot belang zijn voor de Raad

voor de gemeentefinanciën en de regering., Invoering van

het model zou de financieel-economische analyse en plan-

ning aanzienlijk vereenvoudigen. Voor iedere functie of

taak van de gemeente kan worden aangegeven welke in-
komsten en uitgaven ermee verbonden zijn. Men kan dan

nagaan welke inkomsten en uitgaven conjunctuurgevoelig

zijn en hoe het budget op conjuncturele of structurele

veranderingen zal reageren.

DE ORGANISATIE
VAN
DE
PLANNING

Voor zover tot voor kort door gemeenten planning werd

bedreven, betrof het technisch-administratieve aspecten

en ruimtelijke ordening. De algemene beleidsplanning en

financiële planning, die nu aandacht beginnen te krijgen,

stèllen hoge eisen aan de informatieverwerking en coördi-

natie. In een aantal sectoren van het gemeentelijke appa-

raat vindt sociaal-wetenschappelijk onderzoek plaats. Vele

ge,meenten hebben hiervoor reeds’een afzonderlijk bureau
ingesteld. Toch is vaak de coördinatie op dit terrein onvol

doende. Evenzo is het gesteld met de planning. De ge-

meentebesturen hebben meestal plannen genoeg. Vaak

ontbreekt echter de coördinatie en de afweging van be-

langen, die soms tegenstrijdig kunnen zijn. De voorbe-

reiding van het beleid
op
lange termijn is gespreid over een

groot aantal afdelingen en takken van dienst. Een centrale

instantie zal de voorbereiding en uitvoering van plannen

moeten coördineren. B. en W. van Utrecht hebben in

november 1968 aan de raad voorgesteld een managing-

bureau in te stellen, dat rechtstreeks onder de gemeente-

secretaris ressorteert ten dienste van het college’ van B.

en W. en van de afdelingen en diensten. De werkzaamheden

van het bureau blijven zich afspelen in de sfeer van de

dienstverlening. Het kan niet treden in het materiële beleid,

1
A. Vogel: ,,De investeringen van de gemeenten en haar
financiering”,
Bouwrecht,
mei
1967,
blz.
11-14,
i.h.b. blz. 13.
2
C. Goedhart: De financiën der ge?ieenten, preadvies voor de
V.N.G.,
Den Haag
1967,
blz.
42.
A. J. Flendriks: ,,De financiering van de ruimtelijke orde-
ning”,
ESB, 29
november 1967,
blz.
1212-1214, i.h.b. blz.
1214.
M. J. van Heest: ,,De nationale rekeningen en de betekenis
van de gemeentefinanciën daarvoor”,
Gemeentefinanciën,
december
1967,
blz.
207-212,
i.h.b. blz.
212.
C. Meijdam: ,,De gemeentebegrotin
g
(nog steeds) op de hel-
ling”,
Gemeentefinanciën,
oktober
1967,
blz.
172474,
i.h.b. blz. 174.
6
J. A. de Bot: ,,De gemeentebegroting in haar nieuwe ge-
waad”,
Gemeentefinanciën, januari
1968,
blz.
4-6,
i.h.b. blz.
4.

ESB 11-6-1969

.

603

doch het kan attenderen op onvolledigheden, inconse-

quenties, de noodzaak van activering van bepaalde zaken

e.d., omdat het een gesystematiseerd overzicht van het

totale beleid moet hebben.

Ook in een aantal andere steden zijn planningbureaus

ingesteld. Het bureau kan een betrekkelijk beperkte taak

hebben, het bundelen van de deelpiannen der verschillende

sectoren tot één geheel, waarbij een financieel plan een goçd

overzicht kan bieden. Men kan het planbureau ook een

creatieve functie toekennen bij het opstellen van een plan

voor de middellange termijn. In dat geval zou het sociaal-

wetenschappelijk onderzoek voor een groot deel onder

het planbureau moeten vallen ‘.

De planning kost uiteraard tijd, energie en geld. In

het begin zullen vele moeilijkheden moeten worden over-

wonnen. De onzekerheden zijn namelijk talrijk. Het ge-

meëntelijke beleid is in hoge mate van externe factoren

afhankelijk. De planning kan de onzekerheid echter ver-

minderen en het inzicht van de besluitvormende colleges

sterk verbeteren. Deze leren de alternatieven kennen,

kunnen daardoor beter een keuze doen, terwijl ze in staat

zijn sneller en doeltreffender op wijzigingen te reageren.

GEVOLGEN

VOOR DE GEMEENTELIJKE DEMOCRATIE

De parlementaire democratie is volop in discussie. Ook op

de’ gemeentelijke organen wordt veel kritiek geoefend.
De hartekreet van Prof. Dr. Sj. Groenman, geuit op een

congres van de’ Sociologische Interacademiale, is daarvan

een voorbeeld: ,,de grote gemeenten zijn in feite niet anders

meer dan een complex van diensthoofden en briefhoofden,

waarop de burger totaal geen vat meer heeft”. Toch is de

invloed van de vertegenwoordiging der burgers, de gemeen-

teraad, binnen de beperkte speelruimte van het gemeente-

lijke beleid, groter dan gewoonlijk tot de buitenwereld

doordringt. De wethouders, wonen de vergaderingen van

hun fracties bij, zodat te allen tijde de meningen van de

meerderheid der raad bij het dagelijks bestuur van de

gemeente zeer goed bekend zijn. Bovendien vindt veel

overleg plaats in de commissies van advies en
bijstand,
die

nog slechts in enkele gemeenten in het openbaar vergaderen.

Meningsverschillen zijn dan al vaak opgelost, voordat de

voordrachten in ‘de raadsvergadering worden behandeld.

De speelruimte van het gemeentebeleid is echter zeer

gering. Rijk en provincie maken tal van problemen voor de
gemeenten tot data. Er zijn vele gespecialiseerde instanties

en autoriteiten met toeziende, adviserende, stimulerende,

controlerende en begeleidende taken belast. Naar de prak-

tijk van het toezicht op de gemeentebesturen heeft de Ver-

eniging van Nederlandse Gemeenten een onderzoek inge-

steld. Hoewel een groot deel van het toezicht zeker nodig

is, kan in vele gevallen toch zonder meer van ,,betutteling”

worden gesproken. De bestuursvormen in Nederland zijn

in discussie. De tijd lijkt rijp voor een grondige herstructu-

rering, die gericht moet zijn op de vorming van krachtige

organen.

De toeneming van de complexiteit der gemeentelijke

vraagstukken heeft’ de invloed van de raad verminderd.

De raad dreigt het overzicht over het geheel te verliezen. De

raadsleden moeten tegenspel geven aan een college van

B. en
w.;
‘dat, vooral in de grote gemeenten, kan beschikken

over de adviezen van een omvangrijk en deskundig ambte-

narenkorps. Voor de Tweede Kamer gelden analoge

problemen. Doch bij een vergelijking moet niet worden

vergeten, dat de raadsleden als amateurs de politiek in hun
vrije tijd bedrijven. De vraag
rijst,
of de ontwikkeling niet

zeer snel in een richting gaat, dat hét raadswerk hiervoor

te veel tijd gaat vergen en het voor een toenemend aantal

burgers onmogelijk zal zijn zich voor een raadsfunctie

beschikbaar- te stellen, zodat ook op lokaal niveau de op-

lossing iii de richting van professionalisering moet worden

gezocht. Door uitbreiding van het aantal raadsleden kan

men slechts grotere specialisatie bereiken, indien de toe-

heming niet tegelijkertijd tot vermeerdering van liet

aantal fracties leidt. Vooreerst zou het al een belangrijke

verbetering zijn, wanneer de gemeenten fractie-assistentie

mogelijk zouden maken, zoals in Amsterdam al gebeurt.

Vanuit de politieke partijen moeten de raadsleden beter

worden gesteund. Werkgroepen kunnen de raadsleden

adviseren over stedebouw, cultuur, verkeer, enz. Gepoogd

kan worden de functionele en territoriale decentralisatie

meer inhoud te geven en een groter aantal niet-raadsleden

deel te laten uitmaken van adviescommissies om zo meer

burgers bij het beleid te ‘betrekken.

Toepassing van de planningmethoden kan het inzicht van

de raadsleden en daarmee hun invloed vergroten. De plan-

ning is een middel waarmee kan worden voorkomen, dat

op gemeentelijk niveau de technocratie de overhand krijgt

op de democratie. Toch is een tegengestelde ontwikkeling

zeker niet ondenkbaar. Er bestaat het gevaar, dat door

toepassing van de nieuwe technieken de positie van het

dagelijks bestuur en van het ambtenarenapparaat ten

opzichte van de raad nog wordt versterkt.
Men zal ervoor

moeten waken, dat voor in wezen politieke beslissingen

wetenschappelijk-technische alibi’s worden verschaft.
Het

beschikken over de nodige informatie lijkt in de toekomst

één van de kernvraagstukken van de politiek te worden.

De vertegenwoordigende lichamen zullen in staat moeten

worden gesteld de hun toekomende functies op de juiste

wijze te blijven uitoefenen.

Er dienen deelpiannen te worden opgesteld, waarbij
duidelijk moet worden getoond hoe deze passen in het

totale beleid. In beleidsnota’s kunnen B. en W. overzichten

geven van de stand van zaken in de onderscheidene

sectoren van de gemeentelijke huishouding en kan het

beleid worden aangegeven, dat zij zich voorstellen ,in

de naaste toekomst te voeren. De raad toetst zo mogelijk
de conclusies van deze werkstukken aan de meningen en
standpunten van onafhankelijke deskundigen. Rapporten

en resultaten van- onderzoek, die niet in overeenstemming

zijn mét het dooxB. en W. voorgestane beleid, dienen niette-

min aan de raadsleden te worden verstrekt. Er moeten in

voorkomende gevallen alternatieven worden aangegeven

om een goedekeuze te kunnen doen. Vaak worden ge-

meenteraden voor een voldongen feit geplaatst door een

plan, waarover ze onvoldoende kritisch kunnen oordelen,

of dat ze wel moeten aanvaarden wegens het tijdverlies,

dat bij verwerping zou ontstaan. Om tegenvoorstellen te

doen, ontbreken hen meestal de middelen. Het is dus van

belang, dat het dagelijks bestuur zelf één of meer alter-

natieve oplossingen voorlegt. Het zal daarbij niet moeten

aarzelen plannen op te stellen, waaraan duidelijk ver-

schillende concepties en voorwaarden ten grondslag

liggen
,8•
Men moet commissies van deskundigen (raad voor

A. F. Leemans:
De eenheid in het bestuur der grote stad, Den Haag z.j., blz. 374.
8
A. F. Leemans: ,,Planologie en democratie”,
Zeeuws Tijd-schrift,
nr. 6, 1968, blz. 240-244, i.h.b. blz. 243-244.

604

Inkomensbedefing

Aanleiding tot dit artikel vormt een recente uitgave van de

Wiardi Beckman Stichting, nL het rapport
Inkomens-

verdeling,
samengesteld door Dr C. de Galan en Drs.

R. M. de Haan
1
(kortheidshalve hieronder ,,RappQrt”

genoemd). Doel van de volgende beschouwingen is de

bespreking van enkele
methodologische
problemen welke

bij de behandeling van dit economisch-politieke onderwerp

naar voren komen.

WAARDE-OORDELEN: VAN WIE?

Uiteraard geeft een publikatie van de WBS, zoals de hier

boven genoemde, waarde-oordelen, naast een opsomming

van feiten, en beschouwingen omtrent relaties tussen eco-
nomische grootheden. Deze elementen dragen bij tot voor-

stellen ter beheersing der
inkomensverdeling (
daarom hier
kortheidshalve ,,inkomens-be-deling” genoemd); zij zijn

vervat in hoofdstuk 1V van het Rapport (,,Wat ons te doen
staat”).

Over de inhoud der waarde-oordelen – van nature

,,jenseits vom Wahren und Unwahren” – zal hier geen

(waarde-)oordeel worden geveld. Terecht merken de samen-

stellers op blz. 11 van hun Rapport op dat , …….aan het

vraagstuk van de inkomensverdeling veel ethische aspecten

zitten……

, en verder: ,,Een ethische stellingname is

uitvloeisel van een keuze, niet van een wetenschappelijk

oordeel. In dit rapport zullen deze keuzen niet worden

ontlopen”. Hieronder zullen echter wél enkele aanteke-

ningen worden gemaakt bij de
vijze
van formulering
der

waarde-oordelen en hun plaats in het gehele betoog.

Om met het eerste te beginnen: de aard van een waarde-

oordeel – in tegenstelling tot een relatie-oordeel – is zijn

essentiële persoonsgebondenheid: de een vindt dit, de

ander dat, zonder dat hieruit
wetenschappelijk
een keuze

kan worden gedaan
2•
In overeenstemming hiermee treffen

wij in het Rapport relativerende waarde-oordelen aan,

zoals op blz. 36:
,…….de
behoeften van de een kunnen

heel moeilijk worden afgewogen tegen die van de ander”.

Andere voorbeelden hiervan vindt men op blz. 37: ,,Nor-

matieve budgetten zijn betrekkelijk en variëren met de

opvatting over de onmisbaarheid of gebruikelijkheid van

bepaalde bestedingen”, en op blz. 46:
,,Wij
achten dit

onaanvaardbaar”
8•

Op meer plaatsen echter wordt het waarde-oordeel

minder bescheiden geformuleerd, nl.
alsof
het een feitelijk

oordeel zou zijn; buy. op blz. 41: , …….dan
is
hun

exorbitante beloning een
ongewenst
maar logisch gevolg

van……..; op blz. 44: ,,Vermogen dat uit zulk inkomen

een inkomen wordt gevormd,
komt de bezitter
niet toe”;

op blz. 58: ,,Invoering van een wettelijk minimumloon.

is
gewenst”.
Ten aanzien van de hier (onvolledig) geciteerde

uitspraken
rijst
de vraag:
wie
zijn degenen die de situaties

1
hikomens verdeling.
Uitgave van de Dr. Wiardi Beckman
Stichting, samengesteld door Dr. C. de Galan en Drs.
R.. M.
de Haan, 72 blz.
2
Eerlijkheidshalve dient hierbij te worden opgemerkt dat
deze mening ook bestreden wordt, om, door F. L. Polak in zijn Kennen en keuren in de sociale wetenschappen
(Leiden, 1948).
Cursiveringen in de citaten zijn alle door de schrijver van
dit artikel aangebracht.

de kunst, stedebouwkundige adviesraad, verkeersraad)
reeds in de voorbereidende fase over duidelijk gestelde

alternatieven laten meedenken. Openbare discussies met de

burgerij over belangrijlçe plannen zijn nodig.

Van grote betekenis is, dat de deelplannen in de totale

planning op middellange termijn worden ingepast.. Een

financieel plan lijkt zeer geschikt om een overzicht van het
geheel te bieden. In een eerste fase moet een grondig voor

bereid investeringsschema worden opgesteld. Periodieke

aanpassing daarvan aan de gewijzigde omstandigheden

is nodig. Tegelijk met de begroting zou de raad telkens

een nieuw investeringsschema moeten behandelen In een

later stadium kan men streven naar de opstelling van een

meerjarige begroting. De planning is te beschouwen als

een zeer rendabele investering die – mits de informatie

wordt doorgegeven – de structuur van de gemeentelijke

huishouding weer doorzichtig maakt voor raad, dagelijks

bestuur en burgers. De planning is, zeker in de grotere

gemeenten, een voorwaarde voor een goed beleid.

J. K. T. Postma

(I.M.)

1

ESB 11-6-1969

605

0.,

of moglijke consequenties ,,exorbitant”, ,,ongewenst”,

,,gewenst” of ,,niet toekomend” achten? Alleen de samen-

stellers van het Rapport, of (ook) het Curatorium van de

WBS ,,cjat als gewoonlijk verantwoordelijk is voor deze

uitgave”. (blz. 6), een of meer leden van een ,,advisërende en

toetsende commissie” (ibidem), of nog anderen?

Indien de hier gewraakte formulefingen zouden zijn ver-

vangen door: , ……% der geënquêteerden acht die situ-

atie (c.q. consequentie) ongewenst (c.q. gewenst, onaan-

vaardbaar, exorbitant enz,)”, zou mijn bezwaar vervallen
1
.

Bovendien zou dan .interessante informatie worden ver-

schaft. Deze relatieve frequenties zouden tevens kunnen

bijdragen tot specificatie der sociale-preferentiefunctie, als

hieraan voor die specificatie noodzakelijke andere
waarde-

oordelen zôuden worden toegevoegd..

WAARDE-OORDELEN: HOE GEPRECISEERD?

Hiermee rijst een volgend bezwaar legen een aantal (wel-

licht de merderheid) van de waarde-oordelen uitgesproken

in het Rapport, namelijk dat zij eer negatief dan positief

geformuleerd, en veelal vaag en onvoldoende gekwantili-

ceerd zijn; hierdoor zijn zij slechts beperkt (zoal überhaupt)

bruikbaar. Zo wordt de lezer herhaaldelijk verteld wat

(volgens wie?) ,,ongewenst”, ,,onaanvaardbaar”, ,,onrecht-

‘vaardig”, ,,ongunstig” ,,ïs”, doch minder vaak wat dan

wél ,,gewenst”, ,;rechtvaardig” of ,,redelijk”
5
is: de op-

somming van wat ,,ongewenst”, ,,ongunstig” enz. wordt

geacht, zal immers vermoedelijk niet als uitputtend zijn

bedoeld.

Op diverse plaatsen is sprake van ,,te hoog” of ,,te laag”,

maar numerieke, althans kwantificeerbare specificatie van

het gewens’te niveau blijft achterwege. Wel wordt delezer

medegedeeld dat een bepaalde (mogelijke) situatie ,,bil-

lijker” of ,,gunstiger” zoû zijn (of zou worden geacht) dan

een andere; ook bij deze comparatieven blijft een precieze,

voor kwantificatie vatbarc formulering evenwel achterwege.

WAARDE-OORDELEN: SAMEN TE VATTEN?

Vermoedelijk is het gebrek aan precisering dér waarde-

oordelen althans ten dele toe te schrijven aan: 1. het moge-

lijke compromiskarakter, en 2. de interdependentie dezer

oordelen.

Het eerste kan – zoals zo vaak in politieke aangelegen-

heden – een teken zijn van onenigheid tussen de auteurs

en/of met Curatoren der W.BS en/of de reeds genoemde

,,adviserende en toetsende commissie”. Dit behoeft niet

te verbazen: de kans op eenstemmigheid tussen een veel-

heid van personen over een veelheid van onderwerpen is

immers verwaarloosbaar klein, zelfs binnen een (tamelijk)

homogene j,olitieke groep.

Belangrijker nog dan het inter-personele, is het
intra-

personele compromiskarakter van waarde-oordelen: in
beginsel zijn deze immers steeds h’et resultaat van een

onderlinge afweging van een (on)eindig aantal iiiogelijke

,,waarden” van variabelen (wo. (1, 0) dummy-variabelen

voor ,,al of niet”). Daarom geeft vermelding van losse,

dooi het gehele Rapport verspreide, waarde-oordelen

betreffende alternatieven ten aanzien van telkens slechts

één variabele – of hoogstens een deelverzameling van

variabelen – een vertekend beeld van de werkélijkheid .

Wel wordt op blz. 71 van het Rapport gesteld dat de

inkomensverdeling ,,bestaat uit een hele serie deelproble-

men die onderling met elkaar samenhangen en die ook

raakvlakken vertônen met allerlei andere onderwerpen”.

Deze pleonastische accentuering van interdependentie
doet een synthese van,’ althans een compromis tussen,

waarde-oordelen verwachten. Een dergelijke combinatie

zou in het bijzonder plaats kunnen krijgen in een sociale-

preferentiefunctie, zomede in nevenvoorwaarden – in

het bijzonder onder- of bovengrenzen voor variabelen of

functies hiervan

Die situatie of ontwikkeling in de tijd welke de prefe-
rentiefurictie onder de gegeven nevenvoorwaarde maxi-

meert, zou dan als ,,optimaal” kunnen worden aange-

merkt
8

DOEL
+
MIDDEL DENKEN

.Dit betekent dat een consequent doel

middel denken de

plaats zou kunnen innemen van het heen en weer zwalken

tussen het constateren van feiten, het speculeren over empï-

rische samenhangen en liet uiten van waarde-oordelen.

Opmerkelijk – doch in de politiek gebruikelijk – is dat

wel middelen worden aangegeven, doch niet (voldoende).

Een enkele maal is dit geschied. Zo wordt de uitspraak:
,,Dc meerderheid van onze bevolking is waarschijnlijk van oordeel dat dc iikomensvcrschulien te groot zijn” (blz. 35),
gebaseerd op in noot 34 aldaar aangehaalde opinie-onder-
zoekingen.
Opmerkelijk is dat in hoofdstuk III (,,Redelijkc inkomens-
verhoudingen”) zelfs geen melding wordt gemaakt van dc in
1946 verschenen studie Redelijke iizkoniensverde/iiig,
geschreven
door Prof. Dr. J. Tinbergen, dit ondanks het feit dat de laatste
zitting had in de reeds aangehaalde adviserende en toetsende
commissie. in laatstgenoemde publikatie wordt liet begrip
,,redelijkheid” (of ,,rechtvaardigheid”) in verband met inkomens-
verdeling immers scherper gedefinieerd dan in het Rapport, nI.
(vrij en extensief geïnterpreteerd) als een zodanige waarbij
niemand niet een ander van plaats zou willen wisselen, meer of
minder inkomen vs. meer of minder vereiste inspanning, ver-
antwoordelijkheid enz. in aanmerking genomen. Niet vermelding,
laat staan overneming van dit idee, zou, wat het eerste betreft,
aan de bijzondere bescheidenheid van zijn originator kunnen
worden toegeschreven. Ook al is een dergelijke ,,redelijke in-
komensverdeling” slechts onder sterk beperkende voorwaarden ,,feasible”, dan nog zou een eventuele modificatie in de zin van
,,ontevredenheidsmi niniering” (volgens een zeker criterium)
overweging, althans vermelding kunnen verdienen. Ter ‘voor-
koming van misverstand, verklaar ik over de
wenselijkheid
van
een dergelijke inkomensverdeling geen oordeel te hebben, di.
daarvan noch eeii voorstander noch een tegenstander te zijn,
doch daartegenover een neutrale positie in te nemen.
6
in zijn
I,,dividual welfare funcsioiis and conswner behavior;
a illeory of rational irrationality
(Anisterdam, 1968) ontwikkelt
Dr. ,B M. S. van Praag een consurnptietheoiie gebaseerd op
Jimitering van de veelheid vati objecten (situaties) waartussen
voor liet bereiken vaji een voorwaardelijk nutsmaximuni een
keuze wordt gemaakt. Wellicht speelt een dergelijke beperking
van het bevattingsvermogen een nog grotere rol bij – door-
gaans weinig kwantitatief denkende – politici. Dit zou dan in
het bijzonder gelden voor specificatie van preferentiefuncties,
ook al kan deze in eerste aanleg geschieden via waardebepaling
van ,,pay-offs” (preferentie-indifferente marginale substitutie-
quoten), d.i. telkens voor paren variabelen. De moeilijkheid
hierbij is om consistent te blijven.
Andcrdeels bestaan de nevenvoorwaarden uit logische en
cmpirische relaties, waarvan dc laatste nog vaak politiek te be-
invloedeii zijn,
til,
via parameterwaai

dcn.
Hiermee wordt inhoud gegeven aan liet begrip ,,optiniaal”, dat in liet Rapport op blz. 36 zonder operationele dcinitie werd gebruikt niet betrekking tot ccii deelprobleem, nl..,, Een onder-
wijspolitiek gericht op
optimale
ontwikkeling van allen….

is vaii grote betekenis”. Het.idee van een ,,optimale.” politiek
in de hierboven bedoelde zin is geenszins nieuw; vergelijk bijv.
C. J. van Eijk en J. Sandee: ,,Quantitative determination of au
optimurn economie policy”,
Eco,,ometrica
(1959), 1-13, en
H. Theil:
Optimnal Decision Ru/es for Government and Industry,
Amsterdam (1964). Tot de politieke praktijk schijiien deze
theorieën en mogelijkheden echter nog nauwelijks le zijn door-
gedrongeui.

606

gespecificeerd wordt het hiermee te bereiken doel. Aange-

zien in beginsel ook de middelen (instrumenten) worden

gewaardeerd, zouden deze tezamen met de doelvariabelen
in de sciale-preferentiefunctie (oftewel doelfunctie) thuis-

horen.

DOELEINDEN

Volgens het Rapport ,,kan macht voor verschillende doel-

einden worden gebruikt. Dat wil zeggen, dat met dezelfde
instrumenten zowel redelijker inkomensverhoudingen als

denivellering kan worden bevorderd” (blz. 51). Dit sugge-

reert een streven naar een veelheid van doeleinden in plaats

van (voorwaardelijke) niaximering van één, synthetische

doelfunctie.

Men zou hierbij aan een ,,fixed target policy” (in Prof.

Tinbergens terminologie) kunnen.denken, indien die doel-

eindeii tenminste numeriek zouden zijn gespecificeerd.

Dit is evenwel niet het geval: ,,redelijker inkomensver-

houdingen”

is evenzeer onbepaald als ,,denivellering”

In ieder geval wordt hiermee gesuggereerd dat ,,redelijker
inkomensverhoudingen” volgens de samenstellers van het

Rapport zoal niet tegengesteld is aan, dan toch niet

samenvalt met ,,denivellering”. –

V66r inkomensnivellering zouden twee soorten gebrui-

kel ij ke gevoelsargu menten kunnen worden aangevoerd:

vermindering van jaloezie van de armen op de rijken, en

verrijking van de armen ten koste van de rijkèn. Het eerste

argument schijnt bij de auteurs geen of slechts een onder-

geschikte rol te spelen. Op blz. 47 achten zij het tenminste

onaanvaardbaar ,,indien een gelijker inkomensverdeling

er bijv. toe zou leiden dat de laagstbetaalden absoluut

nog achteruit zouden gaan in welvaart”; zij willen dan ook

niet meegaan met ,,hers die verhoging van de koopkracht

van de lagere inkomensgroepen desnoods willen achter-

stellen bij een radikale ommekeer in de inkomens- en ver

mogensverhoudingen” (ibidem). ,,Over wat met het ge-

zamenlijke nut gebeurt als het inkomen van een rijke

Nederlander f. 100 hoger wordt door een herverdelings-

maatregel en het inkomen van zijn arme medeburger

f. 50 hoger
……..
,kunnen we alleen veronderstellingen

maken”, schrijven de auteurs verder op blz. 47. De term

,,veronderstelling” lijkt hier misplaatst; waar het op neer-

komt is dat zij zich niet aan een desbetreffend waarde-oor-

deel wagen. Wel durven zij voorzichtig te stellen: ,,Rede-

lijker verhoudingen bij een gelijk totaal inkomen verhogen

waarschijnlijk de welvaart; economisch is dat echter niet

te bewijzen” (blz. 47-48). Bij het laatste kan men ,,allicht

niet” aantekenen; daârvoor is die eerdere uitspraak 6f

een rechtstreeks
waarde-oordeel,
6f een oordeel over een

(doch welk?) gemiddelde van waarde-oordelen van anderen

(van wie?), 6f een impliciete definitie van ,,redelijker”-

in verband met (inkomens-)verhoudingen, nI .,,die ,welke
bij gelijk totaal inkomen de welvaart verhoogt”.
Al met al blijven de opvattingen der heren De Galan en

Dc t-laan omtrent redelijke inkomensverdeling, en daarmee

omtrent (de) doeleinden van een inkomensbeleid, vaag.

MIDDELEN

iets specifieker zijn de auteurs over de instrunienten van

een inkomensbeleid – al kunnen zij dan niet (precies)

aangeven waartoe die moeten leiden. De meeste voorge-

stelde maatregelen worden weliswaar slechts kwalitatief

aangeduid. Dit geldt bijv. voor wettelijk minimum loon

(hoe hoog?) op 21-jarige leeftijd voor mannen en vrouwen

(blz. 58), spaarloondeel (hoe groot?) boven op de uit te

keren lonen, beperkt tot de Jagere-inkomenstrekkers

(blz. 54), en uniform (maar welk?) tarief voor de vermogens-

winstbelasting (blz. 69-70). Enkele voorstellen zijn echter

numeriek uitgewerkt, zoals die met betrekking tot suc-

cessierechteri (blz. 68), vermogensbelasting (maar welk

maximum voor deprojressie?) (blz. 69), en verhoging van

de belastingvrije voet voor de inkomstenbelasting tot het

peil van de minimale uitkeringen van de sociale verzeke-.

ringen (blz. 40).

VERWACHTE RËSULTATEN?

De vraag is welk effect (voor o.m. de inkomensverdeling)

men van dergelijke maatregelen verwacht. De voorgestelde

waarden der ,,instrumenten” kunnen immers niet als

uitkomsten,
doch hoogstens als
beginpunten
van bereke-

ningen worden beschouwd. Kwalitatief – wat de richting

der effecten betreft—;- is hierover om. het volgende op te

merken.

Inkomensbeleid kan de aanbod- en/of de vraagzijde van

de arbeidsmarkt en/of de kapitaalmarkt beïnvloeden;

doelgericht inkomensbeleid vooronderstelt dan ook kennis

van de resultante der krachten welke op die markten de

‘erdeling der kapitaal- en arbeidsinkomens bepalen
111
.

Aan de belastingheffing kennen de auteurs een belang-

rijke taak toe ,,in de correctie van de primaire inkomens”

(blz. 67); volgens hen ,,kan met behulp van het fiscale

instrument gestreefd worden naar een redelijke (secun-

daire) inkomensverdeling” (ibidem). Zij latén zich niet

uit over de vraag in hoeverre veranderingen in belasting-

tarieven het aanbod
van kapitaal en van arbeid (van ver-

schillende kwaliteit), dus ook de
primaire
inkomensver-

deling beïnvloeden. Men kan namelijk de stelling ver-

dedigen dat bijv. verhoging van de progressie in de in-

komstenbelasting de spreiding van de inkomens aan de

top doet toenemen.

Invoéring of verhoging van een minimum loon zal de

vraag naar de laagst betaalde (en in het algemeen: de minst

geschoolde) soort arbeid doen afnemen, en het aanbod

hiervan relatief doen toenemen. Dit betekent dat hierdoor

van de mogelijkheid na het einde der leerplichtigheid alge-

meen onderwijs te volgen voor iedereen die daar de be-

kwaamheden voor bezit (blz. 57) in mindere mate zou

worden gebruik gemaakf. In dezelfde richting werkt de

voorgestelde verplichting tot ,,het gedeeltelijk terugbetalen
van de opleidingskosten”. Overigens zal vermindering van

financiële belemmeringen voor de ontplooiing van talenten

Op blz.
36
van het Rapport wordt ,,een volkomen gelijkheid
van inkomens” als een ,,onbepaalbaar” (naast ,,onbereikbaar’ en ,,onjuist”) doel aangemerkt. ,,Onbepaalbaar”, om. wegens
,,de volkomen arbitraire lengte van de periode waarop het
inkomen betrekking heeft” (ie. een kalenderjaar). Om aan dit
bezwaar tegemoet te komcn, hadden de auteurs hun beschouwin-
gen echter alternatief kunnen richten op ,,levensinkomens”.
Hierin zijn o.m. opleidingsduur en ,,slijtage” via beïnvloeding der verdienperiode verwerkt; analyses van opleidingseffecten
(op blz.
56-58 van liet Rapport) iOUden hiermee rekening dienen
le houden. Een subjectief element in de bepaling vati het ,,levens-
inkomen” ‘een kapitaalwaarde) is uiteraard de vaststelling van
de rentevoet(en) waartegen toekomstige inkomens tot legen-
woordige waarden worden heHeid.
10
Vgl. hoofdstuk 1V van
On the theory
of
income distribution
van J. Tinbergen, Selected Papers (Amsterdam,
1959),
en Aan-
hangsel XIII (Schets van een ,,arbeidsmarkttheorie voor de ver-
deling van arbeidsinkomens) van
W. H.
Somermeyer:
Inkomens-
ongelijkheid – een analyse van spreiding en scheef/ueid vauu
inkounensverdelingen in A’ederland
(Utrecht,
1965).

ESB 11-6-1969

607

door verdere opleiding vermoedelijk inderdaad leiden tot

reductie van de spreiding der inkomens, althans per tijds-

eenheid. Schaarste aan (gevormd) intellect moet immers

als een der voornaamste factoren van de bestaande in-

komensspreiding worden beschouwd.

Beschouwing

en over di

ALTERNATIEVEN?

Aangenomen dat het de auteurs ernst is met inkomens-

nivellering, kan men zich afvragen in hoeverre zij volledig

zijn geweest in hun beschouwing van op dat doel gerichte

middelen. Gaat men er namelijk van uit dat althans een

belangrijk deel der inkomensongelijkheid is toe te schrijven
aân spreiding van economisch relevante bekwaamheden
11,

dan zou een inkomensnivelleerder ook aan intelligentie-

nivellering kunnen denken. Wil deze persoon – evenals

de auteurs – niet het totaal (reëel) inkomen verlagen, dan

zal hij eer tot reductie van de relatieve frequentie der

minder- dan die der meer-intellienten geneigd zijn.

Dit zou kunnen geschieden in een kwalitatieve bevolkings-

politiek gericht op (financiële) stimulering resp. afremming

van geboorten in gezinnen waaruit naar verwachting in het

algemeen meer resp. minder dan gemiddeld intelligente

kinderen zullen voortkomen.

Schrijver dezes wil geenszins vôSr of tegen een dergelijke

politiek pleiten – dat zou onwetenschappelijk zijn – doch

slechts de vraag stellen waarom de auteurs deze (en andere)

mogelijkheden niet aan de orde hebben gesteld. Wellicht

waren zij er gevoelsmatig tegen (een waarde-oordeel) of

achten zij een dergelijke politiek geen ,,haalbare kaart”

(eén verwachtingsoordeel).

CONCLUSIE

Hierboven zijn enkele bezwaren geuit tegen de wijze waarop

de schrijvers
van het Rapport het onderwerp ,,inkomens-

verdeling” hebben behandeld. Deze bezwaren betreffen

niet
de subjectiviteit der auteurs, welke immers inherent

is aan het doen van beleidsvoorstellen. Wel werd kritiek

geleverd op het niet steeds expliciet, en tevens op het

verspreid, formuleren der waarde-oordelen. In het bijzonder

wordt dezerzijds betreurd de onvoldoende (kwantitatieve)

precisie in de specificatie van het doel (of van de doel-

einden) ener inkomenspolitiek. Ook de instrumenten (ge-

richt op een onbekend doel) zijn slechts ten dele numeriek

gewaardeerd. Voor zover aan de instrumenten waarden
zijn toegekend, vormen de middelen – en niet het doel –

een ,,a priori”, en hun resultaat een ,,a posteriori”. Welis-

waar is dit usantieel, maar dit is juist de hoofdoorzaak van

de veel gewraakte, maar zelden in de kern bestreden,

,,onduidelijkheid in de politiek”.

Dit neemt niet weg dat in het Rapport
Inkomens verdeling

veel te waarderen valt, ook voor wie het niet met de poli-

tieke inzichten van de samenstellers eens mocht zijn of

(zoals ondergetekende) daar neutraal tegenover staat. In

kort bestek worden feiten gereleveerd en verbanden aan-

geduid. Ten slotte – en dat zal ook de bedoeling der

auteTurs zijn geweest – geeft het Rapport aanknopings-

punten voor verdergaande beschouwingen. De boven-

staande geven hiervan slechts een béscheiden voorbeeld.

W. H. Somermeyer

11
Via verschillen in marginale produktiviteiten waaraan
door de vragers op de arbeidsmarkt verschillen in beloning
worden aangepast. Vgl. de in noot 10 aangehaalde publikaties.

Het probleem, dat wij in dit artikel aan de orde willen

stellen, heeft betrekking op het calculeren van rente in de

kosten binnen de defensiehuishouding. Primair wordt

daarbij de vraag gestèld of de Minister van Defensie
rekening moet houden met de rente als kostenfactor.

Anders gesteld: brengt het beslag op vermogen binnen de

defensiehuishouding noodzakelijkerwijs rentekosten met

zich?

Uitgegaan wordt van een binnen zekere grenzen vast-

staand budget, dat Dèfensie jaarlijks ter beschikking wordt

gesteld. De hoogte van het budget komt tot stand door

overleg tussen enerzijds de Minister van Financiën, die

beperkt wordt door de schaarse overheidsmiddelen en het

maatschappelijk prioriteitenschema, en anderzijds het

Departement van Defensie, dat een zo groot mogelijk ge-
deelte van zijn behoeftenschema wil dekken. De jaarlijks
toegewezen gelden vormèn een vrij stabiel bedrag, dat in

absolute zin toeneemt en in verhouding tot het totale

bedrag van de Rijksbegroting een trendmatige daling ver-

toont. Van de jaarlijks voor defensiedoeleinden gevoteerde

kredieten wordt ruwweg 80% besteed aan exploitatiekosten,

en slechts 20% is beschikbaar voor investeringen. Defensie

kan binnen dit bedrag mutaties aanbrengen in zijn reeds

opgesteld prioriteitenschema, al naar gelang het dit nodig of
gunstig acht. Vandaar dat hier wordt uitgegaan van een ge-

autoriseerd budget, waarover men jaarlijks kan beschikken.

De onderhavige beschouwing over het al dan niet be-
rekenen van de rente heeft alleen betrekking op het ver-

mogen binnen de defensiehuishouding. Bestudering van

renteberekeningen van investeringen in het militaire appa-

raat in plaats van in alternatieve mogelijkheden buiten

Defensie, en de daaruit voortvloeiende macro-economische

repercussies, ligt op het terrein van de Minister van Finan-

ciën en is voor Defensie niet van direct belang. Investerings-

selecties op grond van rentabiliteitsberekeningen van de

vermogens, geïnvesteerd in de overheidssector, zijn uiterst

moeilijk en altijd sterk discutabel. Vele imponderabilia

spelen hierbij een rol en cost-benefit-beschouwingen laten

zich veelal moeilijk kwantificeren. Verdeling van de Rijks-

middelen over de alternatieve aanwendingsmogelijkheden

gebeurt dan ook vrijwel niet volgens criteria, die betiekking

hebben op rentabiliteit of pay-out. Mede hierom wordt

slechts rekening gehouden met het binnen Defensie aan-

gewende vermogen en kan het probleem geïsoleerd worden

beschouwd. –

Ten aanzien van de rente als kostenfactor binnen de

defensiehuishouding bestaan sterk geschakeerde meningen,

uiteenlopend van afwijzen tot principieel noodzakelijk

achten de rente bij iedere berekening als kostenfactor op

te voeren. Dit heeft tot gevolg gehad, dat in sommige

608

rentecalculatie in de definsiehuishouding

kostencalculaties de rente wél, in andere de rente niet

wordt begrepen. Wordt geen rente berekend over het ver-

mogen vastgelegd in bijv. het rollend materiaal, munitie en

gebouwen, wél wordt dit gedaan bij de berekening van de

voorraadkosten en de kosten van de werkplaatsen. Zou

binnen Defensie de rente wél als kostenfactor worden be-

schouwd, dan moet men dit consequent toepassen. De

rente moet dan niet alleen betrekking hebben op het ver-

mogen geïncorporeerd in de voorraden, maar ook het

rollend materiaal en alle andere investeringen. Wanneer in

de civiele sector vermogen, waarvoor geen prijs is be-

dongen, geen rente afwerpt, is er economisch een verlies

geleden, daar het vermogen in een wel rentedragende

alternatieve richting had kunnen worden aangewend.

H. J. v. d. Schroeif stelt: ,,00k indien het vermogen rente-
loos (of tegen een lage leenrente) wordt verworven (zoals

bij instellingen en stichtingen met charitatief doel), moet

economisch met het offer van de rente over dat vermogen

(op basis van de algemene rentevoet) rekening worden

gehouden”
1•

Zoals vermeld, krijgt Defensie een budget toegewezen.

Het heeft de plicht de gelden over het jaar te gebruiken

d.w.z. ervan uitgaande, dat de behoefte, op grond waarvan

de gelden verkregen zijn, als zodanig juist is. Er bestaat

in het geheel geen mogelijkheid tot vorming van een fonds
2,

dat rentedragend kan worden belegd. K. A. M. Bogaert

stelt dan ook: ,,In de defensiehuishouding evenwel worden

de financiële middelen in economische zin om-niet
3
ver-

kregen. Waar in deze huishouding voorts de mogelijkheid
ontbreekt om financiële middelen elders te beleggen, is er

nimmer sprake van winstderving. Beide omstandigheden

leiden ertoe dat aan de rentekosten in de defensiehuis-

houding bij de vaststelling van de jaarkosten der militaire

kapitaalgoederen kan worden voorbijgegaan” .
Gezien het feit, dat Defensie moet werken met een ge-

geven budget en geen mogelijkheid kent gelden voor langere

tijd vast te houden om fonds te vormen of rentedragend

te beleggen, komt de tijdswaarde van het geld voor Defensië

te vervallen. Er kan geen sprake zijn van jaarlijkse aan-
groeiing der gelden. Evenzo brengt vooruitbetaling niet

méér ,,kosten” met zich dan een latere-betaling. Veelal is

het prettig om vooruit te kunnen betalen, wanneer blijkt,

dat er toevallig meer ruimte in het betreffende budget aan-

wezig is, dan in de daarop volgenden. Er zijn dus geen

rentekosten in het geding. Slechts de mogelijkheden in het

financieringsschema van de alternatieve investeringen zijn
hier bepalend.

Het gehele probleem betreffende de keuze van alter

natieven binnen Defensie is in wezen gestileerd samen te

vatten als dat van een consument met een gegeven inkomen

zonder de mogelijkheid tot sparen. Hij zal trachten de

grensnutten te nivelleren!

INVESTERINGSSELECTIES

Een belangrijke vraag is, in hoeverre de calculatie van rente

bij Defensie noodzakelijk is voor investeringsselecties.

Gegeven het feit, dat de produktie van Defensie bestaat

uit het leveren van potentiële gevechtskracht en dit niet tot

uiting komt in financiële opbrengsten, is de rentabiliteit

(produktiviteit van de goederen) niet of nauwelijks meet-

baar. Wanneer men in de civiele sector het nut van alter-

natieve aanwendingen onderling waardeert, vergelijkt men

vaak de contante waarde van alle toekomstige opbrengsten.

Het is noodzakelijk de opbrengsten contant te maken in

plaats van te sommeren, daar beslag op vermogen kosten

met zich brengt (rente), die veroorzaakt zijn door ver-

werving of door derving van opbrengsten. Bij Defensie is

de objectieve meting van de toekomstige opbrengsten on-

mogelijk. Vele opbrengsten – in wezen het nut waaraan

een waardeoordeel is verbonden – liggen op het vlak der

beschikbaarheidsnuttigheid en zijn in het geheel niet

kwantificeerbaar. Wanneer men bij Defensie alternatieve

investeringsmogelijkheden tegen elkaar afweegt, is een ver-
gelijking van de som der toekomstige gèldkosten (geschatte

complementaire uitgaven m.b.t. de investeringen en af-

schrijvingen) de juiste weg, gegeven een bepaald doel of

subdoel. Deze doelen of subdoelen echter zijn inter-

dependent, aangezien de waardering van hun nut (priori-

teiten) evenzeer een kôstenprobleem is en wel betreffende

niet-kwantificeerbare alternatieve kosten. Voor de afweging

der alternatieven is geen alomvattend criterium te vinden,

waardoor het keuzeprobleem, integraal gesteld, onoplos-

baar is. Het zal duidelijk zijn, dat de rente hier in ieder

geval geen rol kan spelen! Praktisch gezien echter is bij

Defensie op stafniveau voor vele keuzempgelijkheden reeds

het (sub)doel gegeven. Gegeven dit doel zal het middel met

de minste geldkosten moeten worden gekozen.

1
Prof. Dr. H: J. v. d. Schroeif,
Rentekosien in het kader van de
vervangingswaarde,
1940.
04.2
De Comptabiliteitswet 1927, alsmede het antwoord van de
Regering aan de Tweede Kamer bij het debat over de Defensie-
begroting voor 1956. Zie J. H. Lubbers:
Van overloop naar over-
heveling,
H. E. Stenfert Kroese N.V., Leiden 1962, blz. 46. Het Rijk neemt echter ook, ter financiering van de totale
uitgaven, leningen op en betaalt hierover rente uit de belasting-
opbrengst. Globaal gezien is dit macro-economisch neutraal
(noot van de schrijver).
Prof. Dr. K. A. M. Bogaert: ,,Het vraagstuk van de ver

vangingsinvestering in de defensiehuishouding”. Rede uit-
gesproken bij het 139-jarig bestaan van de K.M.A. te Breda
op 24 november 1967, blz. 12.

ESB 11-6-1969

609

Bij de meeste investeringen is sprake van een selectie

van investeringsprojecten, waarbij de kritische rentabiliteit
vaak als criterium wordt gebruikt. De kritische rentabiliteit

zou kunnen worden omschreven als de rentabiliteit waar-

aan de investering ten minste moet voldoen. De inves-

terings-selectiemethoden proberen niet alleen een rang-

schikking van prioriteiten te verkrijgen, maar tevens aan

te geven welke rentabiliteit iedere investering minimaal

rhoet behalen.

Bij Defensie-investeringen wordt de potentiële gcvechts-

kracht vooral bepaald op grond van tactische overwegingen,
die vooralsnog moeilijk kwantificeerbaar zijn (pogingen zijti

hiertoe o.a. aangewend in studies van de Rand-Corpora-

tion). Een investeringsselectie naar zuiver economische

criteria is dan ook onmogelijk:

De keuzevraagstukken m.b.t. alternatieve investeringen

uit het-Defensiebudget zouden ruwweg in tweeën verdeeld

kunnen worden:

A. Keuze van mogelijke investeringen binnen Defensie:

Betrekking hebbende op volkomen verschillende sub-

doelen. De prioriteit wordt vooral bepaald door sub-

jectieve waardeoordelen en budgettaire overwegingen.

Alternatieve investeringen voor een gegeven subdoel

(bijv. twee soorten jeeps). Bepalend zijn daarbij o.m. de

vermoedelijke levensduur, de som van de complemen-

taire kosten in ruimste zin, en de aanschaffingsprjs.

B. Keuzevraagstukken, die ontstaan wanneèr activiteiten

zelf uitgevoerd dan wel uitbesteed kunnen worden. Hierbij

zijn twee situaties te onderscheiden:

In Defensie beschikt men over produktiecapaciteit, ter

uitvoering van de desbetreffende activiteiten, waarvoor
niet voldoende werkaanbod beschikbaar is.

Ter verkrjging van de gewenste activiteiten zal volledig

nieuw geïnvesteerd moeten worden.

ad
B 1.
Heeft men onderbezetting op de bestaande

produktiecapaciteit, dan verdient het aanbeveling hiervan

gebruik te maken. Men zou dan kunnen produceren zo-

danig dat slechts de variabele kosten worden gedekt. Als

opbrengstprijs kan in dit geval worden gezien, het alter-
natief, nl. de aanbiedingsprijs van de leverancier van het

betreffende goed. Wânneer deze aanbiedingsprjs hoger is

dan of gelijk aan de variabele kosten, .in geval van eigen
produktie, verdient het aanbeveling dat Defensie de pro-

duktie zelf ter hand neemt. Iedere dekkihg van een ge-

deelte van de vaste kosten van de bestaande capaciteit is

dan meegenomen.

ad B 2.
Wanneer men bij een gegeven doel tot een keuze

wil komen van ,,zelf doen” of uitbesteden, dan zullen de

kosten per jaar van beide mogelijkheden moeten worden

vergeleken. Een long-run kostenvergelijking met coëfflciën-

ten, die de groei in de geschatte grootheden aangeven,

zou een redelijke benadering zijn .

Voor Defensie komt bij de keuze ,,zelf doen” een extra

probleem, nI. dat tevens voldaan moet zijn aan de eis

tot financiering van het te investeren bedrag. In dit verband

zal Defensie geneigd zijn de uitbestedingsmogelijkheid,
waarbij jaarlijks geringe ruimte in het budget wordt ge-
vraagd, te doen prevaleren boven de investering ineens.
Een eenmalig beslag op een belangrijk gedeelte van het

jaarbudget schept moeilijkheden bij de vaststelling van het

prioriteitenschema en de daaruit voortvloeiende concept-

begroting.

In vervolg op het bovenstaande kan niet geheel inge-

stemd worden met de gedachte van K. A. M. Bogert,

wanneer hij bij zijn hiervoor geciteerde uitspraak – dat

aan de rentekosten binnen Defensie voorbijgegaan kan

worden – in een voetnoot stelt: ,,Zulks betekent niet dat

het uit oogpunt van zuiverheid van calculatie bij keuze-
vraagstukken inzake de aanschaf van militaire kapitaal-

goederen, geen aanbeveling zou verdienen met het rente-

element rekening te houden”.

in zijn gebruikte zinsnede ,,geen aanbeveling zou verdie-

nen” zien wij twijfel tot uitdrukking komen. Ons inziens

is hier aangetoond dat renteberekening ook bij keuze-

vraagstukken niet van belang is. Inmiddels sluit Prof.

Bogaert zich geheel bij onze mening aan.

Wanneer men zich vastiegt in een contract voor be-

talingen gespreid over enige jaren, legt men tevens een ge-

deelte van de toekomstige budgetten vast. Men is hierdoor

in de toekomst minder flexibel in zijn bested ingsmogel ij k-

heden. Dit is een nadeel, waarvoor – zo wordt wel gesteld –

een zekere prijs betaald zou moeten worden. Wordt dit

probleem gezien in de financieringsproblematiek, waar-

mee het oorzakelijk verbonden is, dan kan het volgende

worden gesteld. Wanneer het te kopen goed contant of

vooruit wordt betaald, zal de aanbiedingsprijs lager liggen

dan bij betaling in termijnen of na enige jaren. De aan-

biedingsprjs is inclusief de rente over het door de leveran-

cier geïnvesteerde vermogen, vermeerderd met de rente als

gevolg van het leverancierskrediet, dan wel verminderd

met de rente als gevolg vanhet verleende afnemerskrediet

(voorschotbetalïngen). De betaling vooraf is in principe

de contante waarde van het bedrag te betalen achteraf.

Defensie dient die financieringsmogelijkheden te con-

tracteren; die het meest gunstig is voor wat betreft de prijs

en de spreiding over de toekomstige budgetten. Kiest men

een latere datum van betaling (dus mcl. rente m.b.t. leve-

rancierskrediet), dan moet hier niet nog eens een bedrag

aan toegevoegd worden als ,,prjs voor het vastleggen van

een gedeelte van toekomstige budgetten”. Dit is een nadeel

dat al dan niet verbonden is aan het betalingscontract.

Het vormt een andere zijde van het probleem der keuze

van het contract. Dus enerzijds de lagere prijs zonder het

vastleggen van een gedeelte van de toekomstige budgetten,

anderzijds de hogere prijs inclusief het betreffende nadeel.

Dit nadeel houdt geenszins verband met het probleem der

rentecalculatie binnen Defensie.

RENTECALCULATIE

EN DE VOORRAADKOSTEN

In Defensiekringen is men m.b.t. de problematiek van de

rentekosten van voorraden (vlottende middelen), veelal

geneigd zich anders op te stellen, dan bij eventuele be-

rekening van rente over de andere investeringen. Gezien

het grote aandeel dat de rentefactor kan vormen in de

totale kosten van het aanhouden van voorraad, is het van

belang hier nader op in te gaan.

Voor de bepaling van de kosten voortvloeiend uit het

aanhouden van voorraad is tot nu toe de rente als kosten-

(Vervolg op blz. 612)

N

t.i

1’T

t.1
E

oc
Uitb.
K *–+ E Tnv. + E
(jî Arb. K
1
+ y
t=i

t=i
Compl. K
1
). Uitbestedingskosten in periode
t
zijn
a
x Uitb.
K van
periode ti..

610

Legelkortingsystemen , , –

en consumentengedrag (1)

1

Gratis-zegelkortingsystemen hebben in Nederland in het

– recente – verleden een hoge vlucht genomen. Naar

schatting bedroeg het totaal (op jaarbasis) dat via gratis

zegels werd omgezet in 1965 f. 250.000.000
1

Naar hun functie behoren zegelsystemen tot de grote

familie van ,,promotion” en ,,advertising” waarbij zij zich

in het aantrekkelijke en stimulerende gezelschap bevinden

van cadeaustelsels, spaar- en premieplannen en talrijke

andere vormen van verkoopbevordering die dienen om een

marktaandeel te veroveren, te consolideren of uit te breiden.

PLURIFORME ZEGELSYSTEMEN

Naast 1e bonnen, punten en zegels van fabrikanten is het

vooral de detailhandel welke de consument overstroomt

met zegels, onder te verdelen in
gratis zegels
en
koopzege/s.

Speciaal de invloed van de detaillisténzegel op het koop-

gedrag vormt onderwerp van onze beschouwing.

De gratis zegel, tot voor kort koning in zegelland, wordt

in versneld tempo verdrongen door de koopzegel, gekop-

peld aan zgn. ,,netto prijzen”. Behoorden tot voor een

jaar de meeste winkel iersi nkoopverenigingen (marktaan-

deel in 1967 ca.
19%)
2
en vrijwillige filiaalbedrijven (markt-

aandeel in 1967 ca. 50%), benevens enkele grootkruideniers

en Coop-Nederland tot de overtuigde supporters van

gratis-zegelsystemen, sedertdien zijn deze rijen aanzienlijk

uitgedund
3
, dit ten gunste van koopzegels of een combi-

natie van beide systemen.

Hoewel o.a. Tip, Vivo, Ifa en Simon de Wit reeds eerder

de mogelijkheid boden naast gratis zegels koopzegels te

verwerven zien wij nu, na het overstappen van De Kroon

in Zuid-Nederland op koopzegels, De Gruyter, Végé en als

– voorlopige – hekkesluiter de Spar (op 12 februari

1969)
1
,
in versneld tempo dit voorbeeld volgen. Bij alle
vier de laatstgenoemden ging de verandering in systeem

gepaard met het ,,schoonmaken” van de prijzen, d.w.z.

de prijzen van de eigen merken werden, volgens eigen

opgave, verlaagd met een percentage evenredig aan de

vroegere korting in gratis zegels. Behalve bij De Gruyter, De

Kroon, Spar en Végé, waar op eigep merken 10% korting

werd gegeven, gaat de korting.via gratis zegels de 2% niet

te boven
5
.

Hoe onderling afwijkend in constructie zegelsysternen
ook mogen zijn,
de gratis zegel verliest terrein ten gunste

van de koopzegel.
Koopzegelsystemen kunnen een voordeel

bieden in geld of— meestal met bijbetaling – in goederen.

Kiest de consument voor geld dan-blijkt het reële rende-

ment vaak zeer gering; schommelend om de 1
Y.
met een

maximum van 2%. in de reclame echter worden deze

weinig attractieve percentages opgepoetst door i.p.v.

,,korting” te spreken over
25,
50 of meer procent ,,spaar-
winst”. Kiest de consument voor goederen, zgn. ,,premie-

artikelen”, dan is het rendement van koopzegels moeilijker

te kwantificeren, dit i.v.m. de vaagheid van het begrip

,,vergelijkende winkelwaarde”. Dit begrip is noodzakelijk

vaag, indien het niet gaat om de vergelijking met artikelen

van precies dezelfde kwaliteit en reputatie, die’ tegen een

vaste prijs worden verkocht. Betreft de vergelijking artike-

len, die in velerlei kwaliteit verkrijgbaar zijn of waarvoor

niet overal dezelfde prijs wordt gevraagd, dan wel waarbij

kortingen worden verleend, dan is een objectief juiste

vergelijking vrijwel onmogelijk. Naast de mogelijkheid op’

deze wijze de bepalingen van de Wet beperking cadeau-
t

stelsel te omzeilen, welke het cadeau geven van branche-

vreemde artikelen van meer dan geringe waarde verbiedt,

bieden koopzegelsystemen de volgende pluspunten:

– voor het bedrijfsleven vormen ze goedkope finan-

cieringsbronnen;

– voor de consument vormt het een gemakkelijk en,

niet merkbaar spaarsysteem. ,,Een dubbeltje breng je.

wel naar de kruidenier, niet naar de spaarbank.” Bij

inwissefing in geld krijgt hij nominaal een belangrijk

hoger bedrag in handen dan bij het gratis-zegelsysteem;.

– bij inwisseling in goederen is het mogelijk – met

relatief geringe bijbetaling – luxe goederen te verkrijgen

wélke anders vallen buiten de mogelijkheden van het

normale huishoudbudget. –

Hoewel het bij bijbetalingsstelsels niet mogelijk is de

,,meerwaarde” van koopzegels exact te berekenen is deze
echter vaak aanzienlijk. Jmmers alleen indien dit verschil

voldoende groot is zal het systeem de beoogde aantrek-

kingskracht op de consument uitoefenen. Een,gunstig bij-

effect van koopzegelsystemen is verder dat zij duurzame

consumptiegoederen kunnen populariseren die anders

nog geruime tijd buiten het bereik van de gemiddelde hu.is

houdbeurs zoiden zijn gebleven. Niet gezegd is echter dat

de detaillisten verlies zouden lijden op hun ,,premie-artike-

len”. Premie-aanbiedingen zijn ,,self-liquidators”, d.w.z.

in beginsel moet een premie-aanbieding al haar kosten

zelf opbrengen
6
. De sterk gereduceerde prijzen waartegen

(Vervolg op hlz. 614)

Volgens schatting van de heer A. Borstlap, directeur N.V.
Bankzegel, stonden in 1965 de volgende bedragen pernianent uit:,
– grootwinkelbedrijf ………………….ca. f. 30 min..
– commerciële organisaties …………….f. 15 â 18 mln.
– zegelmaatschappijen ……………….f. 13
A
A6 mln.
De praktijk leert dat de zegels gemiddeld drie maanden bij de consument worden bewaard. De totale omzet op jaarbasis be-
draagt dan ca. f. 250 mln. Voor 1968 wordt de tegenwaarde van
de omzet aan zegels van de N.V. IBankzegel, waarin ca. 2.000
winkeliers van drie rniddénstandsbonden met gezamenlijk
100.000 leden participeren, geraamd op f. 150.000.000 (Het
Financieele Dagblad,
13 maart 1969, blz. II en IS).
2
Doc.bull. Hoofdhedrijfschap Detailhandel,
no. 132, november
:

1968, pag. 7.
In het buitenland kan een gelijksoortige ontwikkeling
worden geconstateerd. Vgl. voor Engeland:
Ariadne,
12 novem-
ber 1968, pag. .1447 en 1449. . .
Het Financieele Dagblad,
22 februari 1969, pag. 6.
Persinformatie Centra Nederland, 16 februari 1968.

.1
6
Dr. F. Blom in
ESB
van 13 oktober 1965, pag. 950.
Volgens Dr. Blom komt het in werkelijkheid niet voor dat
premie-artikelen met subsidie worden aangeboden.

ESB 11-6-1969

611

Bestu u rstech nische

Onze bestuurstechniek – langdurig ger(jpt, demo-

cratisch verankerd en wetenschappeljjk begeleid –

kent fundamentele gebreken. Er is zelfs sprake van

een ernstig achterblijven ten aanzien van de eisen,

die de huidige fase van de technisch-economische

en sociaal-culturele evolutie stelt.

In bepaalde opzichten is ons bestuursapparaat hoog

gekwalificeerd, met name in sectoren waar een duide-

ljjk omschreven en homogene doelstelling aanwezig

is, welke een rechtlijnige en technische benadering

vraagt. Zo kan een hoge graad van doelmatigheid

worden bereikt ten aanzien van de openbare nutsvoor-

zieningen, de burgerlijke stand, de belastingcontrole-

dienst, de zuigelingenzorg enz. De knelpunten liggen

echter vooral op die gebieden waar de problematiek
ingewikkeld en veelzijdig is en waar integrale visie,

afwegingstechniek en interdisciplinair coördinatie-

vermogen zwaarder wegen dan technisch vakmanschap

en eenzijdige ervaring. De hier bedoelde bestuurs-

technische achterstand doet zich o.a. voor op de ter-

reinen van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening,

hoger onderwijs, ontwikkelingshulp, het systeem van

belastingen en subsidies.

In het naoorlogse volkshuisvestingsbeleid heeft

lange tijd de opvoering van de woningproduktie cen-

traal gestaan. Ondanks sterk regulerend optreden is

de woningproduktie echter pas enkele jaren geleden

op een aanvaardbaar niveau gekomen. Geleidelijk is

naast het produktie-aspect ook het verdelingsaspect

op de voorgrond getreden. Maar ook voor het ver-

delingsprobleem laat de bestuurstechnische oplossing

lang op zich wachten. Ondanks doorstromingsrege-

lingen en huurbelasting voorstellen blijft ten aanzien

van de verdeling van de gesubsidieerde woningpro-

duktie een situatie heersen die scherpe kritiek uit/okt.

Op het aan de volkshuisvesting verwante terrein

van de ruimtelijke ordening is de problematiek even-

eens veelzijdig en ingewikkeld. Een integrale visic

en een sterk coördinarievermogen zijn twee nood-
zakeljjke voorwaarden voor het verkrijgen van be-

vredigènde best uurstechnische oplossingen. Ruimtelijke

ordening wordt steeds duidelijker een kwestie van

nationale importantie. Dit geldt zowel voor de plano-

logische en sociale aspecten (landschap, verkeers-

afwikkeling, recreatiemogelijkheden, milieuhygiëne)

als voor de welvaartszorg (herstructurering economie,

rendement infrastructuur, sociale kosten, arbeids-

mobiliteit). Toch worden de vraagstukken van ruim-

telijke ordening nog hoofdzakelijk vanuit de lokale

en regionale sfeer benaderd. Plaatsen en gewesten

vechten, met inzet van èen groot deel van het nationale

potentieel aan deskundigen, voor meestal vrij een-

zijdige of Vrij willekeurige taakstellingen. De omvang-

rijke infrastructuurkosten, die aan de realisering

van deze partiële toekomstvisies zijn verbonden,

worden grotendeels in de richting van de Rijkso ver-

heid doorgeschoven. Een grotere mate van doel-

matigheid zou bereikbaar zjjn, indien de rijksoverheid

zelf meer initiatieven ontplooide. Zo is o.a. een verdere

uitwerking van het deconcentratiebeleid dringend ge-

wenst. Daarbij zal met name een duidelijker inzicht

moeten worden vérkregen in de kosten-baten-ver-

houding bij verschillende alternatieve oplossingen.

Het gemis aan integrale visie en coördinatie doet

zich het sterkst voelen bij het zeehavenbeleid. Het

oorspronkelijke regeringsinitiatief – de Zeehaven-

(Vervolg van blz. 610)

factor berekend over het in de voorraad geïnvesteerd ver-

mogen. Waarom – zo kan men zich de vraag stellen –

wordt wél rente berekend over het vermogen geïnvesteerd

in de voorraden terwijl elders bij Defensie géén rekening

met de rente wordt gehouden? Wordt aangekocht vanwege

noodzakelijke beschikbaarheidsnuttigheid (zoals tanks), dan

vormt rente geen kostenfactor; kan een inkooppolitiek

bepaald worden naar eigen keuze (met als vast element de

behoefte m.b.t. Life of Type
6),
dan wordt de rente plotse-

ling, wel als kostenfactor opgevoerd. Hier is duidelijk

sprake van een inconsistentie!

De investeringen binnen Defensie hebben buiten hun

specifieke doel allemaal één doel gemeen, ni. een bijdrage

te leveien tot de potentiële gevechtskracht. Het probleem
spitst zich toe tot die voorraden, die méér worden aange-

houden dan de minimum vereiste tactisch-noodzakelijke

voorraad. Renteberekening over deze minimum voorraad

is, evenals bij alle andere investeringen, niet noodzakelijk,

daar deze voorraad volledig bijdraagt tot de potentiële

gevechtskracht. De méér-voorraad wordt niet aangekocht

uit oogpunt van gevechtskracht doch uit kostenoverwegin-
gen (hetafwegen van bestel- en voörraadkosten speelt hier

een rol). Moet men nu over deze extra voorraad rente

berekenen?

Wanneer men, onder het gegeven budgetsysteem, de

voorraad van een bepaald artikel of artikelenpakket wil

vergroten, dan zijn twee situaties (of een combinatie hier-
van) mogelijk:

Voor de voorraden is een bepaald bedrag beschikbaar.

Verhoging van de voorraad van één artikel leidt tot

verkleining van de voorraad van het andere.

Voor het totaal van alle investeringen is een bepaald

gedeelte van het jaarbudget beschikbaar (budget minus

exploitatiekosten). Een vergroting’van de investering in

de voorraad leidt tot uitstel of eventueel afstel van een

alternatieve investering.

adA.
De voorraad van één artikel kan niet willekeurig

worden verhoogd ten koste van de voorraad van een ander.

Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen zou dit mogelijk

zijn. Situatie A kan daarom als niet algemeen v66rkomend
worden aangemerkt.

adB.
Het verdere betoog zal op deze situatie betrekking

hebben.
Door de aankoop van ‘grotere hoeveelheden van een bepaald

8
Life of, Type (LOT) betreft het vermoedelijke aantal jaren
van gebruik van een. bepaald soort artikel.

612

nieuwing is urgent
nota – is hier snel overwoekerd door regionale en

sectorale studies. Op dit moment
heeft
de centrale

overheid nog geen toetsingsmechanisme beschikbaar,

dat de kosten en baten – in economisch en planolo-

gisch opzicht – van verschillende alternatieven eniger-

mate doorzichtig kan maken. Zowel voor de zeehaven-

ontwikkeling als voor de gehele snel veranderende

economische structuur geldt, dat zonder aanpassing

en
verfjjning
van de bestuurstechniek honderden mil-

joenen aan
infrastructuur-
en stimuleringsmiddelen

een verkeerde aanwending zullen vinden.

Er zouden nog meer voorbeelden van bestuurs-

technische achterstand kunnen worden gegeven, o.a.

ten aanzien van het hoger onderwjjs, het. systeem van

belastingen en subsidies en de aanpak van de ont

wikkelingshulp.

Voor de meeste der hierboven genoemde problemen
is in principe een redeljjke bestuurstechnische oplos-

sing mogeljjk. Voorwaarde is, dat de traditionele

partiële benaderingswjjze plaats maakt voor een

rationele, integrale aanpak. Toch is er betrekkelijk

weinig aandrang in deze richting. Het parlement

toont weinig interesse voor ingewikkelde bestuurs-

technische aangelegenheden. De parlementaire be-

moeienis richt zich vooral.op de sectorale en regionale

belangenbehartiging, de herverdeling van het nationaal

inkomen en de (part jj)politieke actualiteiten. Parle-

ment en regering verdiepen zich in het algemeen meer

in de detaillering en aanpassing van best aandè rege-

lingen en wetten, dan in fundamentele herzieningen

en moderniseringen.

Een krachtige impuls voor besluurstechnische ver-

nieuwing zou kunnen uitgaan van de universiteiten,

met name van de sociale wetenschappen. Hier mot

echter worden geconstateerd, dat in de sector van de

sociale wetenschappen – op enkele hoopgevende

uitzonderingen na – noch de individuele wetenschaps-

beoefenaren, noch de snel in omvang en diversiteit

toenemende universitaire instellingen belangrijke bij-
dragen leveren voor een hestuurstechnische heroriën-

tatie.

De conclusie moet zijn, dat het in het algemeen aan

belangstelling voor bestuurstechnische doelmatigheid

ontbreekt, zowel
bij
de regering, als
bij
het parlement,

de wetenschap en het publiek. Bestuurstechnische

doelmatigheid is een produkt waarvoor onvoldoende

vraag bestaat. Het is niet gemakkelijk wegen aan te

wijzen o,n uit de huidige impasse te geraken. Getracht

kan worden het streven naar bestuurstechnische doel-
matigheid meer institutioneel in te bouwen of althans

meer permanent onder de aandacht te brengen. Door

het verstrekken van opdrachten aan universitaire

instellingen, aan organisafiebureaus en aan jonge aca-

demici, door vergroting van de openheid van het

bestuursapparaat en door activering van de bestuurs-

wetenschappen kan wellicht iets worden bereikt.

Voorts ware het stichten van een onafhankelijke

Organisatiekamer – naast de Rekenkamer – te

overwegen. De recente oprichting van het Instituut

voor onderzoek van Overheidsuitgaven doet ver-

wachten dat althans aan bepaalde aspecten van de

bestuurstechniek in de toekomst ruimere aandacht

zal toevallen.

C. de Schipper

artikel zal een veschuiving in de tijd plaatsvinden van de

alternatieve aanwendingsmogelijkheden van het voor aan-

koop gebruikte vermogen. De financieringskeuze zal in

principe bestaan uit het afwegen van:

een grotere investering ineens m.b.t. de genoemde extra

voorraad met als gevolg dekking van -behoefte over

langere periode en verschuiving van de alternatieve be-

hoeften naar latere datum; en

kleinere en daardoor regelmatiger terugkerende inves-

teringen met tevens gelijktijdige alternatieve behoeften-

bevrediging.

Men zal beslissen voor mogelijkheid A, wanneer het geld-

kostenvoordeel, voortkomend uit een grotere bestelling

(met geringe frequentie), belangrijker is dan de waardering

van het nadeel van de verwezenlijking van de alternatieve

behoeften op een latere datum. Hierdoor verkrijgt men een

vermindering van de potentiële gevechtskracht, daar de

daarvoor in de plaats gekomen voorraden géén directe

bijdrage tot de gevechtskracht leveien. Deze laatste waar-

dering is sterk subjéctief en bovendien moeilijk kwanti-

ficeerbaar.

Daarom kan worden gesteld, dat het uit de grotere in-
koop voortkomend kostenvoordeel een. zekere drempel-

waarde (de genoemde subjectieve waardering) moet passe-

ren alvorens het economisch is om tot grotere bestel-

hoeveelheden over te gaan. Wordt nu uit kosten-

overweging tot aankoop van een groter (dan het

minimum vereiste) quantim beslist, dan is het niet juist

wél rente te berekenen over deze extra voorraad. Dit zou

een discriminatoire gedachtengang zijn. –

Wanneer men geen verklaring kan vinden om de rente als
kostenfactor te aanvaarden, wil men toch wel eens de inves-

tering in voorraden belasten met een soort boete. In wezen

is dit eigenlijk de waarde die men toekent aan de verwezen-

lijking van de alternatieve behoefte op een vroeger tijdstip.

Men kan echter pas spreken van een soort boete wanneer

de waardering van de investering negatief is, hetgeen echter

niet blijkt op het moment van de keuze, doch veel later.

Een ,,te grote” investering treedt als zodanig naar voren,

wanneer blijkt, dat bij de verwezenlijking van deze inves-

tering en tegelijk bij . de waardering van de niet vervulde

alternatieve behoeften, een schattingsfout is gemaakt en
daardoor de waardering en de rangschikking foutief zijn

geweest. De boete is de mindere potentiële gevechtskracht,

die men verkregen heeft t.g.v. misschatting en onjuiste

waardering bij het maken van de keuze. Bedrijfseconomisch

is het een verlies.
R. R. M. C. Hoyng

– ESB 11-6-1969

613

(Vervolg vaii hlz. 611)

deze artikelen worden aangeboden, zijn vooral een gevolg

van agressieve inkoop-in-het-groot en het vervallen van de

winstmarges van groothandel en detaillist. Het merendeel

van de zgn. bijbetalingssystemen is minimaal self-siip-

porting
1
.

Hoewel in principe ,,self-liquidators”, kunnen premie-

stelsels echter toch een zekere invloed uitoefenen op de

prijsstelling van cle eigen merken. Te denken valt aan door-

berekening van bij verzilvering uit te keren rente
s•
Prijs-

verhogende werking van bijbetalingssystemen is des te

‘vaarschijnljker bij goede serviceverlening.

Koopzegels werken minder prijsversluierend dan gratis

zegels: vergelijking van netto prijzen blijft mogelijk. In

tegenstelling tot de kostprijsverhogende gratis zegels zijn

koopzegels bij uitstek geschikt als marketing-strategy in
een situatie van verscherpte prijsconcurrentie, Slechts de

cletaillist, wiens kostenniveau het zich mengen in de strijd

niet toestaat, geeft gratis zegels als alternatief systeem van

klantenbinding en ter camouflage van (prijs),,konkur-

renzunfâhigkeit”:

Nu als gevolg van de tweede ,,discountgolf”
9
,
geken-

merkt door de opkomst van de verbruikersmarkt, de

grootwinkelbedrijven, welke in hun evolutie van zelf-

bedieningswinkel naar supermarkt als eerste de lage-marge-

distributie vorm hebben gegeven
10
,
in het defensief worden

gedrongen, kan bij verscherping van de prjsconcurrentie,

een versneld loslaten van gratis-zegelsystemen worden

geconstateerd.

Samenvattend, koopzegels bieden t.o.v. gratis zegels voor

de consument de volgende voordelen:

– in tegenstelling met de zgn. ,,gratis” zegels behoudt de

consument zijn vrijheid vân keuze. Negatief geformuleerd:

hij lijdt geen nadeel, indien hij de zegels niet neemt;

– gratis zegels werken prjsversluierend. Gratis zegels

kunnen fungeren als altdrnatief voor prijsconcurrentie.

Koopzegels zijn geen alternatief voor prijsconcurrentie,

daar vergelijking op basis van ,,kale” prijzen zeer wel

mogelijk blijft, doch zijn een supplementair systeem van

klantenbinding;

– gekoppeld aan een bijbetalingssysteem kan de consu-
ment – vaak aanzienlijke – prijsreducties verkrijgen op,

veelal duurzame, consumptiegoederen.

DOEL EN FUNCTIONELE GEVOLGEN

VAN ZEGELKORTINGSYSTEMEN

Zegelkortingsystemen kunnen, ook historisch gezien,

beschouwd worden als de market i ng-st rategy van de kleine,

al of niet georganiseerde, winkelier tegen de opkomst van

grote, efficiënt werkende, filiaal- en grootwinkelbedrijven
11

Deze grote, vaak geparal lelI iseerde, niassadistri butievor-

men worden gekenmerkt door het principe: grote omzet

bij lage winstmarge
12
Hoewel bij onderlinge vergelijking

hun totale pakketten vaak nauwelijks in prijs verschillen”,

weten zij door een deel van hun pakket tegen sterk con-

currerende prijzen, zgn. speciale aanbiedingen, d.m.v.

indringende reclame onder de aandacht van het publiek

te brengen, zichzelf met een aureool van ,,progressief” en

,,goedkoper” te omgeven. Door eigen fabricage, uitschake-

len van tussenschakels, betere entree tot de kapitaalmarkt,

gunstige vestigingsplaats, hogere totaalomzet, grotere

omzetsnelheid, centralisatie en standaardisatie en hiermee

gepaard gaande relatief geringere vaste kosten, kunnen zij

genoegen nemen meteen lage bruto winstrnarge per artikel.

Tevens slagen zij erin door het voeren van eigen merken
deze indruk van goedkoper t.o.v. de kleine winkelier, die

zijn onvermogen tot concurrentie camoufleert achter het

prijsgebonden merkrtikel, nog vèrder te accentueren.

Niet uitsluitend echter door de kleine winkelier, die op

deze wijze tracht zijn klantenbestand te handhaven, wordt

van gratis-zegelsystemen gebruik gemaakt. Ook het groot-

kritide,ier- en (vrijwillig) filiaalbedrijf maken – hoewel

sterk afnemend – van dit marketingsysteem gebruik.

Marketingsystemen als advertising, voeren van huismer-

ken, speciale aanbiedingen, service en garantie alsook

zegelsystemen zijn het resultaat van een streven naar

differentiatie ën exclusiviteit, teneinde door positieve

presentatie een eigen markt te scheppen en – in de ogen

van de consument – de ,,image” van de onderneming ten

opzichte van de concurrentie te verbeteren. Elk systeem van

klantenbinding is daartoe slechts functioneel, indien het

een uitzondering vormt op de regel.

Wordt één systeem to/regel dan leidt dit tot introductie

van een alternatief systeem, daar in een markt met geringe

consumentenloyaliteit en dus grote consumentenmobiliteit

steeds het – in de ogen van de consument – positief uit-

springende systeem is, dat een belangrijk deel van de poten-

tiële koopkrachtige vraag naar zich vermag toe te trekken.

Vele vormen van promotion en advertising dienen om

effectieve prijsconcurrentie zowel tussen artikelen als tussen

distributiekanalen te voorkomen. Waar sprake is van een

oligopolistische markt is de prijs geen resultante van vraag

en aanbod, doch prijszettiçig en -verandering richten

zich, evenals andere marketingtechnïeken, naar het ver-

wachte effect op mededingers en consumenten. Voort-

durende prjsconcurrentie is voor de detaillist slechts aan-

trekkelijk, indien zijn totale kosten lager zijn dan bij de

concurrent. Is dit niet het geval dan is scherpe prijscon-

currentie nadelig en zal men slechts de indruk van prijs-

concurrentie trachten te wekken o.a. door gebruik te maken

van ,,loss-leaders”. Slechts wanneer andere marketing-

technieken, welke beogen de nominale omzet of omzet-
snelheid te vergroten, hebben gefaald (bijv. advertising,

speciale aanbiedingen, nieuwe produkten enz.) zal gedacht

Volgens interviews met grootkruideniers in
Het Parool,
dd. aprit
1968,
en met directeur Simon de Wit in
Trouw,
dd. 22
augustus
1968.
8
Revue der Reclame,
1969
no. 1, pag. 13 en 14.
8
In de Verenigde Staten nam in de jaren
1960-1965
de totale
detailhandelsomzet toe met
36%.
De discountomzetten stegen
met
574%
(rede Prof. J. Geyer tijdens Reclamebeurs te Utrecht,
Doc.bull. Hoofdbedrijfschap Detailhandel,
20
augustus
1968, pag.
6.
10
Nederland kreeg in
1948
zijn eerste zelfbedieningszaak.
Het zijn er nu – in allerlei variaties –
7.700
niet een totale oppervlakte van
890.000
m
2
.
(
Het Financieele Dagblad,
24
oktober
1968,
pag. 2).
‘ Door een door de FEVA ingestelde Commissie werd het
navolgende onderscheid gemaakt dat kan dienen ter verhel-
dering van de begrippen:
1.
Grootwiiikelbedrjjven:
werken met netto prijzen, zonder toe-
passing win korting en zegels. Merkartikelen vormen relatief
klein deel van het assortiment.
II.
Kleine winkeliers:
werken met bruto prijzen, mét toepassing
van zegelkorting. Aandeel merkartikelen relatief groot.
Groothandel in Levensmiddelen,
pag.
569,
571, 572.
Cit.
Doc. bul!. Hoofdbedrjjfschap Detailhandel,
no. 116,
4
oktober
1968.
12
Paul Deneffe:
Distributie en consument.
Leuven
1966,
pag.
52.
13
Vgl. Prijsvergelijking
27
artikelen in
Algemeen Dagblad,
8
januari
1969.

614

/

worden aan directe prijsconfrontatie. Prijzenoorlogen zijn

steeds een tijdelijk verschijnsel. Is het beoogde doel,

meestal een bepaald marktaandeel, bereikt, dan treedt een

abrupt einde in en worden de prijzen tot hun oude of nog

hogere niveau verhoogd.

Bovenstaarid model doet geen afbreuk aan het prin-

cipe van de concurrentie; dit wordt slechts verplaatst van

cle prjsaspecten naar de non-prijsaspecten. In werkelijk

heicl bestaan er al clan niet afgesproken regels, die
fe

cxccssieve prijsconcurrentie beteugelen, en wordt gecon-

curreercl in termen van niarginale aanbiedingen welke bij

cle beoogde categorie consumenten cle zaak een zeker

onderscheid verschaffen.

Soms treedt in de plaats win prijsconcurrentie het sys-

teem aan de dag ”an de zgn. ,,prijsleiders”; één bedrijf,

meestal met de sterkste positie in de markt, wordt als

leider geaccepteerd en men stelt de prijzen hierop af.

Es bij lage kosten, grote omzet met lagewinstmarges en

relatief lage prijzen het vigerende systeem (van groot-

winkelbedrijven, fihiaalbedrijven etc.), dan kan het in indi-

viduele gevallen voordelig zijn dit principe te verlaten en,

gecamoufleerd door bijv. een zegelsysteem, de bruto winst-

marges te verhogen. Zowel de yerhoging van de bruto

winstmarge als de extra attractie en distinctie als gevolg

van zegelsystemen kunnen in dit geval leiden tot een

belangrijke stijging van de absolute winst. Het invoeren
van zegelsystemen bij het grote Britse concern Safeway

had met deze verandering in ,,strategy” te maken
14•

Gratis-zegelsystemen en lage prijzen kunnen hand in hand

gaan. Dit kan vooral het geval zijn bij sterk expansieve

bedrijven, welke om een belangrijke verhoging van de

omzet te realiseren in de ogen van de consument dubbel

attractief verschijnen. De geringe kosten van zegelkorting-

systemen maken samengaan van beide ,,strategies” moge-

lijk. Stijging van de omzet bij gebruik van zegelsystemen

is meestal niet het gevolg van uitbreiding van het klanten-

bestand, doch doordat de bestaande klantenkring meer arti-

kelen in dezelfde winkel koopt en minder geneigd zal zijn de

inkopen te spreiden. Heeft in individuele gevallén deze

offensieve strategie succes, dan zien mededingers zich vaak

uit zelfverdediging gedwongen eveneens zegelsystemen

toe te passen. Worden zegelsystemen uit defensief oogpunt

gehanteerd, dan zullen deze vaak prijsverhogend werken,

daar het resultaat eerder consoliderend dan omzet- en

• klantenbestandverruimend zal zijn.

Promotion en advertisingsystemen berusten op een be-
langrijke vooronderstelling: de verdwijnende traditionele

loyaliteitsbanden op basis van geografische lokatie, infor-

mele verhoudingen, krediet- en serviceverlening enz.;
resulterend in een urbaan, mobiel en ongebonden type

consument. Dit type consument is, voor wat betreft het

inkopen van de dagelijkse benodigdheden, niet gebonden

aan een bepaalde detaillist en zelfs niet meer geïnteresseerd

in het inkopen doen als zodanig, zoals blijkt uit de af

nemende frequentie. Deze vorm van koopgedrag kon voor-

al tot massale ontwikkeling komen door de opkomst van

het duo auto-koelkast
I
,
. Duidelijk wordt dit verschijnsel

geïllustreerd door de overweldigende opkomst van de

supermarkt, gekenmérkt door een efficiënte, onpersoonlijke

en klasseloze opzet.

Zege/systemen dienen om indifferente consumenten te

transformeren in klanten door de traditionele irrationele

loyaliteilsbanden te vervangen door de even irrationele

band van zege/systemen.

Banko verval:

Csh and Carry

Popo:

Frans voor moeilijke keuze (15 juni)

Tran.sjr/ijst:

[ets voor ministers?

7
2
1.



Steeds hogere cijfers voor Wi ttcvcen

Mariner-300:

Nederlandse lancering op terugreis naar

basis
(ongecorrigeerd)

KOSTEN VAN ZEGELKORTINGSYSTEMEN

Zegelkorting vormt voor de detaillist een verhoging van
de kostprijs, die enkel aan haar doel beantwoordt indien

zij de verhoopte stijging van de omzet teweegbrengt.

Volgens Amerika’s grootste zegelmaatschappij Sperry and

Hutchinson moet bij een zegelkorting van 2% de omzet
– om relatief hetzelfde kostenniveau te handhaven – met

minstens 12% stijgen. Deze schatting is aan de lage kant;

een schatting van 15 â 20% lijkt realistischer
16
Zegel-

korting hoeft niet noodzakelijkerwijs in de prijzen te

worden doorberekend. Voldoet het systeem aan de ver-

wachtingen en wordt de beoogde stijging van de omzet

bereikt, dan zijn het de concurrenten die door hun in totaal

evenredig teruglopende omzet de zegelkosten dragen.

Blijft de beoogde omzetstijging uit en is de detaillist uit

vrees klanten te verliezen, niet in staat door te berekenen

dan zal hij zelf de kosten moeten dragen. Berekent hij wél

door dan is het de consument die via verhoogde prijzen het

zegelsysteem betaalt. Zegelkorting wordt dus betaald door

de detaillist die zegels verstrèkt, zijn concurrent, zijn

klanten of een combinatie hiervan.

Jndien gebruik van zegelkortingsystemen in de praktijk

algemeen verbreid is, is het voor de gemiddelde detaillist

onmogelijk de vereiste omzetstijging te realiseren. De kosten

van zegelsystemen zullen dan ook grotendeels in de prijzen

II
C. Jameson:
Siainp Trading. A Consiuner Cou,,cil Sitidy,
Londen 1964, pag. 20.
15
Volgens rede C. Govers, adj. dir. Albert Heyn op vakbeurs
Machero 1968, Utrecht
(Doc.bulI. ï-Ioofc/hedriifrc/iap Detail-
handel, II
november 1968, pag. 3).
11
C. Jarneson, a.w., blz. 24.

(I.M.)

ESB 11-6-1969

.

615

worden doorberekend
17
Zegelkortingsystemen, hoewel

met een duidelijk competitief oogmerk gelanceerd, ver-

liezen bij algemene toepassing dit kenmerk. Ze leiden tot

consolidatie van het klantenbestand en maken bij algëmene

toepassing, onbedoeld, de weg vrij voor promotion-

systemen, die hun competitief karakter nog niet hebben

verloren.

Een verdere indicatie voor het prijsverhogend effect van

zegelkortingsystemen levert een onderzoek ingesteld door

de New Yorkse correspondent van
The Financial Ti,nes.

Deze vergeleek 30 artikelen in zegel- en zegelloze winkels

en constateerde dat de prijzen in de zegeiloze winkels

3,3 tot 4% lager waren
18
Waarschijnlijk zijn deze ver-

schillen echter enigsins geflatteerd, daar detaillisten die

geen zegels verstrekken een kostenvoorsprong hebben en
geneigd zullen zijn een zekere prjsconcurrentie als wapen

te hanteren.

Bedoelde indicatie wordt bevestigd door een vergelijkend

onderzoek ingesteld door het Amerikaanse Department

of Agriculture tussen winkels die wél en die géén zegels

geven. Hieruit bleek dat de hogere-prijsmarge van winkels

die zegels geven ongeveer even groot is als de zegelkorting.

Verder bleek dat winkels mét zegels minder weekend-

reducties gaven
19

Zegelkortingsystemen hebben veelal een prijsverhogend

effect. Niet-zegelverstrekken en concurreren op basis van

kale prijzen, welke 2 â 2j-% lager liggen, is uit het oogpunt

van sales-promotion geen alternatief
20
Dergelijke sub-

tiele verschillen blijven voor de consument onopgemerkt en

wegen niet op tegen de wervingskracht van zegelsystemen,

welke verre uitstijgt boven de gemiddeld 2 â
2+%
korting.

Detaillisten welke geen zegels verstrekken en toch op

basis van prijzen willen concurreren zijn hiertoe slechts

in staat door relatief lage exploitatiekosten, gepaard met

lage marges en grote omzetten (supermarkt, discount), of,

indien dit niet mogelijk is, met opvallende prijsverlagingen

op enkele artikelen (kleinere winkelier). In het laatste geval

bestaat de mogelijkheid van generalisatie en wordt de

fictie gecreëerd over de gehele lijn goedkoper te zijn.

Drs. J. M. F. Box

17
Bij De Gruyter en Spar leidde loslating van het oude kor-
tingsysteem tot evenredige prijsverlaging van eigen-merkarti..
kelen
(Christelijke kruidenier, 13
februari 1969, pag. 17). Végé introduceerde op 21 oktober 1968 een nieuw assortiment tegen
netto prijzen. ,,Daarmee bedoel ik dat er geen zegelkosten
ingecalculeerd zijn”. Drs. A. Pandelitschka:
Revue der Reclame,
1, 1969, pag. 14.
18
De Zakenwereld,
5
november 1968, no. 45.
19
Cit. C. Jameson, a.w., pag. 18.
20
Uit een onderzoek door het Instituut voor Demoscopie
blijkt dat vervanging van dienstverlening door relatief geringe
prijsverlagingen nauwelijks of niet leidt tot reacties van de
consument
(Christelijke Kruidenier, 27
februari 1969, no. 9).

Mededelingen

STUDIEFONDS CO-OP

Het studiefonds van de Centrale der Nederlandse Ver-

bruikscoöperaties ,,CO-OP Nederland” maakt bekend,

dat dit jaar wederom op bescheiden schaal financiële

hulp kan worden geboden aan een beperkt aantal begaafde

jongelui, wier eigen geldmiddelen een academische studie

in de economische wetenschappen niet toelaten en die niet

uit anderen hoofde het ontbrekende kunnen aanvullen.

In aanmerking komen zij, die de studie in de richting

van het doctoraal examen in de economische weten-

schappen hebben aangevangen, of in 1969 zullen aan-

vangen, aan een faculteit of hogeschool in Nederland en

over zodanige capaciteiten beschikken, dat goede vol-

tooiing dezer studie mag worden verwacht; er wordt niet

vereist, dat men met de coöperatieve beweging in aan-

raking is gekomen. Wel wordt als algemene eis gesteld,

dat door de betrokkene ook een aanvraag ter verkrijging

van een Rijksstudietoelage is ingediend.

– Bijstand uit het studiefonds leidt niet tot enigerlei recht

of plicht tot werkzaamheden in de coöperatieve beweging,

tijdens noch na de studie.

Aanmeldingen, vergezeld van uitvoerige algemene

inlichtingen, worden ingewacht bij het secretariaat van

het fonds, postbus 6008 te Rotterdam, en wel v66r 1

augustus 1969.

Over de toekenningen wordt beslist door de commissie

van beoordeling, samengesteld uit: prof. dr. H. J. Frietema,

voorzitter, prof. dr. H. W. J. Bosman, prof. drs. H. W.

Lambers, prof. dr. F. de Roos, drs. G. G. Groenewegen,

secretaris.

PRIJSVRAAG VOOR VERBETERING VAN

MARKT- EN OPINIE-ONDERZOEKMFTHØDEN

Ter gelegenheid van de opening van een Amsterdams

kantoor van het Instituut voor Psychologisch Marktonder-

zoek N.V. en de verhuizing van Kantoor Amsterdam van

de N.V. v/h Nederlandse Stichting voor Statistiek hebben

deze instellingen gezamenlijk een jaarlijkse prijs ingesteld

voor de meest originele scriptie die leidt tot verbetering

van bestaande methoden van marktonderzoek.

Deelneming aan de prijsvraag staat open voor studenten

in de economische en sociale wetenschappen aan de Neder-

landse Universiteiten çn Hogescholen.

De scriptie dient een der volgende onderwerpen te be-

handelen:

– Bij de beoordeling van enquêtes worden soms systema-

tische verschillen in uitkomsten geconstateerd die niet

significant zijn als men rekening houdt met de statistische
nauwkeurigheid van het onderzoekmateriaal.

Gevraagd wordt een toetsing van de waarde van deze

tendensen en – indien mogelijk – hèt ontwikkelen van

eenvoudige vuistregels met behulp waarvan deze tendensen

tot uitdrukking kunnen worden gebracht.

– Bij het meten van attituden met behulp van de ge-

bruikelijke schalen wordt slechts gebruik gemaakt van één

maatstaf, zodat in het gunstigste geval een indicatie ont-

staat van de posities ,,voor”, ,,tegen” en ,,neutraal”. In een

recente publikatie
(Attitude and Attitude Change; C. W.

Sherif, M. Sherif, R. E. Nebergall; W. B. Saunders Cy,

Londen
1965)
hebben Sherif en zijn medewerkers aange-

toond dat een bijzonder belangrijke dimensie bij de attitude

616

wordt gevormd door de mate van ,,commitment” èn een

bepaalde procedure aangegeven voor het bepalen daarvan.

Gevraagd wordt een kritische beschouwing omtrent de

bij deze bepaling gevolgde procedure, benevens – indien

mogelijk – aan te geven de wijze waarop deze dimensie

in het kader van onderzoek naar consumentenattitudes

Ûemeten kan worden met alternatieve procedures welke bij

voorkeur eenvoudiger dienen te zijn dan de procedure van

Sherif.

– In de huidige ontwikkeling van het media-onderzoek

wordt veel aandacht besteed aan de leesgewoonten van

individuen, de beschrijving van lezerskringen van bepaalde

media etc. Het onderzoek naar het leesgedrag, de lees-

situatie, de invloed van de bindingen met en de functies

van de media is nog nauwelijks ontwikkeld (Een tweetal

recente publikaties op dit gebied zijn:

Kwalitatief media-onderzoek;
Drs. M. C. Scheers en Drs.

J. P. van Schravendijk; Nederlands Instituut voor Efficien-

cy, 1969.

De autoriteit van het Limburgs Dagblad als publiciteits-

medium in de Zuidlimburgse markt;
Instituut voor Toege-

paste Sociologie te Nijmegen; uitgave van N.V. Mij. tot

Exploitatie van het Limburgs Dagblad; Heerlen 1968).

Gevraagd wordt een beschouwing van de factoren die

van invloed zijn op deze kwalitatieve aspecten van het

media-onderzoek, de relevantie van deze factoren en hun

meetbaarheid.

De scriptie dient te worden ingezonden naar een der

volgende adressen:

Instituut voor Psychologisch Marktonderzoek N.V.,

Nieuwpoortweg 2, Schiedam.

N.V. v/h Nederlandse Stichting voor Statistiek, Banka-

plein 1 a, ‘s-Gravenhage. –

De termijn voor inzending sluit op 31 december 1969.

De inzendingen zullen worden beoordeeld door een on-

afhankelijke jury, welke bestaat uit de heren:

Dr. G. J. Aeyelts Averink,
Prof. Dr. H. C.
J.
Duijker, en

Prof. Dr. Ir. M. T. G. Meulenberg.

De auteur van de scriptie welke naar het oordeel van de

jury de beste inzending vormt, wordt beloönd met een

prijs van f. 3.000 (drieduizend gulden).

Door het enkele feit van hun mededinging doen inzenders,

indien hun inzending wordt bekroond, afstand van alle

rechten op hun inzending, zoals auteursrecht, recht op
publikatie en alle andere rechten die normaliter uit het

schrijven van een dergelijke scriptie kunnen voortvloeien.
Niet bekroonde inzendingen zullen worden geretourneerd.

INTERFACIJLTEIT

UNIVERSITEIT GRONINGEN

Aan de Rijksuniversiteit te Groningen is kort geleden een

Interfaculteit ingesteld, die de opleiding van econometristen

ter hand zal nemen. Hier wordt aan hen, die de studie in

de wiskunde willen combineren met die in de economie,

de mogelijkheid geboden zich te bekwamen op een betrek-

kelijk nieuw terrein, dat zowel vanuit maatschappelijk als

vanuit wetenschappelijk gezichtspunt interessante perspec-

tieven biedt en waar reeds belangwekkende resultaten

zijn geboekt.

De colleges aan de Interfaculteit worden in het studie

jaar 1969/70 alleen voor eerstejaârs gegeven; in 1970/’71

voor eerste- en tweedejaars en zo verder. Voor het afleggen

van de examens in de Interfaculteit is vereist het eind-

diploma gymnasium- of h.b.s.-B (na doorwerking van de

Mammoetwet: Atheneum-B) of een daaraan gelijkgesteld

diploma. Aan de Rijksuniversiteit te Groningen kan men

examens afleggen in de
studierichting der econometrie
en

wel het kandidaatsexamen en het doctorale examen.

Tot de doctorale studie geeft eveneens toegang een met

succes afgelegd kandidaatsexamen, hetzij in de wiskunde

en natuurwetenschappen, hetzij in de economische weten-

schappen; in beide gevallen dienen dan en aantal aan-

vullende tentamens te worden afgelegd.

Alle doctcrale examens geven toegang tot de promotie,

hetzij in de wiskunde en natuurwetenschappen, hetzij.. in de
economische wetenschappen.

Het kandidaatsexamen kan aan het eind van het derde
studiejaar worden afgelegd; de doctorale studie neemt 2

jaar in beslag.

Kandidandi blijven – in het algemeen – onderworpen

aan de studieregeling, die geldt in het eerste jaar van hun

inschrijving als student aan de Interfaculteit; tijdens de

doctorale studie geldt de regeling die van kracht is in het

studiejaar waarin men deze studie begint.

Studenten, die wegens militaire dienst of langdurige

ziekte de studie moesten onderbreken, kunnen een bijzon-
dere regeling aanvragen; hiertoe dienen zij zich te wenden

tot de voorzitter van de Interfaculteit.

De aanmelding als student in de Interfaculteit der

Actuariële Wetenschappen en Econonietrie, studierichting

der econometrie, geschiedt door invulling van een op het

bureau der Interfaculteit verkrijgbaar formulier.

Voor verdere informatie. kan men zich wenden tot ge-

noemd Interfaculteitsbureau, Reitdiepskade 4 te Groningen.

Geld- en kapitaalmarkt

GELDMARKT

Van de f. 500 mln., die de Staat ingevolge het seizoen-

arrangement met de Nederlandsche Bank in totaal bij de

Bank mag opnemen, d.w.z. buiten het bedrag van het

renteloze voorschot, is tot 2juni jI. voor f. 300 mln, gebruik

gemaakt. De centrale bank fungeert dus in tweeërlei op-

zicht als lender in last resort om dat bedrag aan liquidi-

teiten aan het verkeer ten goede te laten komen, waaraan

het economisch leven behoefte heeft. Het seizoenarrange-

ment verzekert de Staat, zij het tot een bepaald maximum;

de beschikking over liquide middelen. Deze worden niet

in kas gehouden (het gaat dus niet om een toeneming in de

liquiditeitsvoorkeur),maar dienen om te worden uitgegeven.

Een beroep op het arrangement betekent dus vrijwel voor

het gehele bedrag een verruiming van de markt.

Ten aanzien van de banken heeft de Nederlandsche Bank

eenzelfde functie, doch hier geldt geen bepaalde regeling

en dus ook geen bepaald maximum. Jaren geleden heeft de

Bank, tot schrik van de banken, wel verklaard, dat haar

krediet geen recht voor de banken inhoudt doch een

faciliteit, maar hieromtrent is verder nooit een regeling

getroffen.

ESB 11-6-1969

617

Vooral dank zij het seizoenarrangement is het kunst-

matig evenwicht op de geldmarkt verzekerd gebleven. De

toeneming der bankpapiercirculatie sedert het laagste

niveau in mei met f. 402 mln., is daardoor voor het grootste

gedeelte via het seizoenarrangement gefinancierd. Zou dit

niet hebben bestaan dan zou het beroep van debanken
groter zijn geweest, resp. hadden de banken een ander

beleid ten aanzien van hun buitenlandse uitzettingen

moeten voeren.

In de afgelopen week zorgde de inkrimping van de bank-

papiercirculatie voor toevoer van middelen naar de markt.

Wat de Staat betreft, moet een terugdraaien komen uit

hogere belastingontvangsten.

KAPITAALMARKT

Ofschoon de uitgifte vaii pandbrieven in 1968 van maand

tot maand tcrugloopt (resp. f. 34,6 mln., f. 19,2 mln.,

f. 11,0 mlii. en f. 10,4 mln.) is het totaal tot en met april

1969 toch hoger dan vorig jaar. De
cijfers
zijn resp. Ii 75,2

mln, en f. 62,2 mln. in het totaal der transacties op de

emissiemarkt betekent deze sector echter niet zo veel.

Dit blijkt wel wanneer men naar de overheid kijkt.

Alleen de Staat heeft in 1969 reeds f. 573 mln. opgenomen.

1-liermede is de behoefte aan middelen echter niet be-
vredigd. Aangekondigd is thans een
7+%
lening tegen.,

100%, waarvan liet bedrag der lening eerst,na sluiting van

de inschrijving zal wordén vastgesteld. Of hierdoor de
markt voor een groot raadsel staat is onwaarschijnlijk.

Men heeft niet alleen een aardige kijk wat op een bepaald

ogenblik in de markt aan potentieel aanbod aanwezig is,

bovendien weet men ten naastenbij welke vragers bezig

zijn met de voorbereiding van emissies en ondershandse

leningen. Toch heeft de Minister weer voor deze methode

gekozen, klaarblijkelijk de beste die thans kan worden

bedacht. De geboden rente moet in het licht van de stijgende

rentevoet worden bezien. Vorige week was het gemiddelde –

effectieve rendement voor – langlopende staatsleningen

7,32%.

Deze renk wijst nog eens op het uitzonderlijk hug

niveau van de huidige rentestand, niet alleen in ons land

maar in de gehele wereld. Vroeger maakte men zich hier-

over nogal eens zorgen. Een
ren
testijging zou wijzen op het

scheeftrekken van de produktiestructuur, hetgeen on-

vermijdelijk op een crisis en stagnatie, speciaal in de

kapitaalgoederensector, zou uitlopen. Hier is men tegen-

woordig [liet zo bang meer voor. Wel zal de hoge rente

bijdragen tot verschuiving van de inkomensverdeling.

Een groter deel van het nationale inkomen komt geleidelijk

terecht bij de niet-loontrekkers. Tot een stijging van het

aandeel van de winst leidt de hoge rente op zichzelf niet.

De PROF. DR. A.. QUERIDO STICKING

vraagt voor een binnenkort te openen verpleegtehuis voor psychiatrische

patiënten te Amsterdam een

administrateur

leeftijd
30-45
jaar,

‘diploma MBA, liefst met ervaring, in het ziekenhuiswezen.
Geboden wordt een: zelfstandige positie o.m. het voorbereiden en
uitvoeren van beleidsbeslissingen van bestuur en penningmeester.

Salarisgrenzen: fl200 tot fl600 per maand.

– –

,

Sollicitaties met vollèdige gegevens te richten

aan de secretaris van voornoemde stichting:

W. L. VIERSMA,

Vaii Eeghenstraat 66 te Amsterdam.

613

KOERSSTAAT

Indexcijfers aandelen
30 dec.
H.
&
L.
30 mei
6 juni
(1963100)


1968
1969
1969 1969

Algemeen

……………..
121
130

120
129
126
Internationale concerns

…….
127
138- 125
136
133
Industrie

,-
……………..
119
I29–

118
126
123
Scheepvaart

……………..
89
94,- 85
89
85
Banken en verzekering.

…….
98
127- 97
126
123
Handel enz .

………………
122
133- 121
.

128
126

Bron:
A.N.P.-C.B.S., Prijscourant.

Aandelenkoersen
Kon. Petroleum …
…………
f. 182,90
f. 189,50
t’. 187,65
Philips

… ………….. ……
1′. 163,35
1′.

72,80
F.

68,40
Unilever, cert…… ………..
t’. 125,30
t’.

117,85
t’.

115,45
Zout-Organon….. … ……..
f 199,80
.,
F. 172,90
t’.

165,65
Hoogovens, n.r.c………….
t’. 101,80
,
1.

114,30
t’.

112,60
A.K.0…………………..
t’. 123,20
t’. 124,80

t’.

58,10
t’. 126,25
AMRO-Bank …………….
t’.

64,30
t’.

57,70
Nat,Nederlanden ………….
800

1162 11541

K.L,M……… ………….
r
212,-
t’. 234,50
t’. 238,25
Robeco

………………..
r
255,50

t’. 258,50 t’. 257,50

New York
Dow Jones Industrials………945
938 ,

925

Rentestand
Langlopende staatsobligaties

6,63
7,29

7,32
Aandelen: internationalen
I
. . .

3,4
lokalen

……….3,9
Disconto driemaands schatkist-
papier

………………..5
51

51

Aangepast voor kapitaalwijzigingen.
Bron:
Amsterdam-Rotterdam Bank.

Prof. Dr. C. D. Jongman


mi

Bij het Stafbureau van de
GEMEENT'[LIJKE DIENST VOLKS-
HUISVESTING
kan worden geplaatst een

.
ECONOOM

die zal worden belast met de leiding .’an het bureau ,,Doel-
stellingen”.
Dit bureau heeft onder meer tot taak het opzetten en bijhouden
van een investeringsplanning van de woningbouw en van
methoden om de woningproduktie en de bouwcapaciteit te
volgen en te stimuleren, het ontwikkelen van methoden om bij
stadsvernieuwing de bouwactiviteiten en de verplaatsing van
bewoners op elkaar af te stemmen, het ontwikkelen, invoeren
en bewaken van een systeem voor ,,multi’project planning”,
het bevorderen van een doelmatige taakuitvoering van de dienst,
erz.

Voor deze interessante werkkring wordt gevraagd een acade.
nhicus tussen 30 en 40 jaar met ten minste enige Ieren ervaring
in soortgelijke werkzaamheden.

Salarisgrcnzen van
f
1397,- tot
f
2416,- per maand, afhan-
kelijk val, ervaring.
Vakantietoelacje 6 procent.
De A.O.W.-jA.W.W.’prernie is voor rekening van de gemeente
An,terdam.

Een psychologisch onderzoek vormt een onderdeel van de
selectie.

Sollicitaties onder no. Q 698 in te zenden bij de Directeur van
de Dienst der Gem. Personeelsvoorziening, Jan Luijkenstraat 94,
Amsterdam-Z.

Beleggings-voorlichting:

aan hen die zich thuis willen oriënteren stelt de

AMRO Bank de volgende publicaties kosteloos ter

beschikking:

• AMRO’ Beursnieuws (wekelijks, met veertien-

daagse bijlage)

• Kerngetallen van Nederlandse effecten.

• De Obligatiegids.

• de honderden kantoren van de AMRO Bank staan

te uwer beschikking voor individuele beleggings-

adviezen en portefeuilleonderzoek.

AMRO. BANK –

AMSTERDAM-ROTTERDAM BANK
ce

ce

zekt ter versterking van haar
financieel-economische staf een

Drs. ecoflomie

geïnteresseerd

in – vraagstu kken,
welke in een snel expanderend en
internationaal georiënteerd bedrijf
met dochterondernemingen in vrij-
wel alle delen van de wereld, aan
de orde komen. –

De gedachten gaan uit naar een prak-
tisch ingesteld academicus, bij voor-
keur met enige bedrijfservaring, die
zijn carrière bij Naarden wil begin-
nen in de sektor van de valuta,
crediet- en schadeverzekering, als-
mede met de bestudering van inter-
nationale fiscale vraagstukken.

Gevraagd wordén tevens goede con-
tactuele eigenschappen, inventiviteit,
goede uitdrukkingsvaardigheid in
woord en geschrift en gevoel vnor

teamwork.
Leeftijd ca. 30 jaar.

Sollicitaties te richten aan:

-.

N.V. CHEMISCHE FABRIEK
,,NAARDEN”

Postbus 2,

– Naarden-Bussum.

ESB 11-6-1969

619

I

/ BUREAU VAN DE KIEFT N.V.

Bedrijfsadviseurs

Organisatiestructuur • Recrutering

Cx

In opdracht van en orgnisatie van groothandelaren
;
een omzet
van vele honderden miljoenen guldens vertegenwoordigend,

zoekenwij – in strikt vertrouwelijke sfeer – contact met gegadig-

den voor de functie van
Cx

Cx

SECRETARIS
••

Cx

Namens het Bestuur onderhoudt de secretaris contacten met

1

andere vertegenwoordigers van organisaties uit de bedrijfstak.
met de overheid en met leveranciers. Deze contacten en de

Cx

daaruit voortvloeiende onderhandelingen verricht hij met grote
mate van zelfstandigheid. Ook is hij de centrale vertrouwensman’

Cx

bij het verschaffen van velerlëi statische en overige informatie

Cx

binnen en buiten de ledenkring.

De gedachten gaan bij voorkeur uit naar een econoom of jurist

bekend is met of belangstelling heeft voor de problematiek van de

met een economische achtergrond, die over uitstekende contac-

(
tuele eigenschappen beschikt, goed kan onderhandelen en

groothandel. ‘Aan de representativiteit worden eisen gesteld.
De gezochte functionaris moet over doorzettingsvermogen en
vasthoudendheid beschikken. Leeftijd 35-45 jaar. •

Geboden wordt een levenspositie, • die conform gesalarieerd

Belangstellenden gelieven zich, bij voorkeur
schriftelijk, te wenden tot de heer Mr. A. A.
Kimball, Bureau van de Kieft N.V., Herengracht
414, Amsterdam. Tel.:
02066838*.
Volledige
discretie. wordt gegarandeerd. Geen inlichtingen
worden ingewonnen en geen contact met
opdrachtgevers gelegd dan na over/eg met de
• candidaat. •

620

Auteur