1
E
Berichten.__
Werken of rentenieren
*
Prof. Dr C. Campagne
‘1
HeV wetsontwerp
Algernené Ouderdornsverzekering
Critiek en voorgestelde wijziging
*
Dr F. Hartog
Engelands zwakke punt
0′.
*
C. Vermey
De tankvrachtenmarkt
S
UiTGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT
•
–
40e JAARGANG
No 1991
WOENSDAG 10 AUGUSTUS
1955
—
R. Mees & Zoonen
Bankiers en
Assurantie-makelaars
Rotterdam
Amsterdam • ‘s-Gravenbage
–
Delft
– Schiedam – Vlaardingen
ZEEREDERIJ
frt•
en Cargadoorsbedrijf te Rotterdam
zoekt een
CHEF DE BUREAU,
die tevens belast zal worden rret de zorg voor-
de financiële afwikkeling van de lopende
bevrachtingszaken. Gezocht wordt iemard,
die over ervaring in een soortgelijk bedrijf
en over goede talerkennis beschikt. Geboer
wordt een zelfstandige en zeer verantwoor-
delijke functie. Voor een efficiënte werker met
initiatief eén in alleopzichten begerenswaardige
werkkring.
Sollicitanten worden verzocht hun met de’
hand geschreven brieven, gemerkt ,,ZR’ te
richten aan
Drs Ir H. J. Kolkman, W. Verschoor en
L
DrsJ. C. Oudshoorn, Psycholgisch Adviseurs,
–
Groothandeisgebouw B 7, Rotterdam .
Verdubbel
uw
opberg-
jjjfl
Oi IJ
ruimte
zonder
met
[C0MPACTuS1
‘.
LSYS TE EM 1 NGOLDJ
no.
68.864
Belgi,ch
octrooi no.
483 103
Door de toepassing
van het
COMPACTUS.
archief kan men de nut.
, Ii
tige opbergruimte in be.’
staande gebouwen fer.
dubbelen, terwijl men
met
voor nieuwe gebouwen
. .
,
CDMPACTUS
de archielruimte tot op
de helft kan terugbren.
gen
HEEMAFIJ
FABRIEK VAN ELECTRISCHE MACHINES EN APPARATE’N
–
Zie ook de Vacatures op pag.
715 en 716
VAKI.ITERATUUR
verschaft ‘Ideeën,
Ideeën betekenen vooruitgâng en méér winst.
Wendt U daarom voor het vinden van de,
bnodigde Vakliteratuur tot de specialisten
– – op dit gebied.
•
Rotterdamsche Couranten Import
&
Kioken-
onderneming v.h.’ VAN DITMAR
Rotterdam,
Schiestraat 32-36. Tel. 111.095 (3 lijnen)
• Catalogus op aanvrage gratis verkrijgbaar
‘ECONOMISCH.
STATISTISCHE BERICHTEN
Uitgave van’ heC’Hederlandsch Economisch Instituut
Adres
voor Nederland:
Pieter’ de Iloochweg 120, Rotte? dam- W.
Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-
38040. Giro 8408.
Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Ban
que
de Corn’-
merce, 6, Place Royale, Brussel, postcheck-rekening 260.34.
Redactie-adres vor België:
Dr J. Geluck, Zwjjnaardse Steen-
weg 357, Gent.
Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam-W.
Abonnementsprijs:
franco per Post, voor Nederland en de
Overzeese R(jksdelen (per zeepost) f 29,—, overige landen
f 31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk
‘nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het
kalenderjaar.
–
Losse nummers 75 cts.
No. 1977:
f
2,—
Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bjjkantoor
Westzeedfik, Rotterdam- W.
Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de Koninkij/ke Nederlandsche Boekdrukkerjj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon 69300, toestel 1
of
3).
Advertentie-tatief
f 0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,, Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.
10Augustus 1955
ECONOMISCH-STATISTISÇHE BERICHTEN
703
Werken of rentenieren
Velen werken louter en alleen om aan de kost te komen.
Liever zouden zij niets doen, althans zonder deze nood-
zaak zouden zij in elk geval uit de tredmolen van hun
dagelijks werk stappen. Vele anderen daarentegen zouden,
ook als zij niet ieer voor het geld behoefden te werken,
hun dagelijkse arbeid normaal voortzetten. Slechts
weinigen is de alternatieve mogelijkheid: werken of rente-
nieren, beschoren. Maar hoe zou bij de werkende mens
de keuze
uitvallen, indien hij, bijv. door een erfenis, ineens
genoeg geld zou hebben om zonder verder te werken een
comfortabel leven te leiden? M.a.w. hoeveel zouden er
dan blijven werken en hoeveel zouden er mee ophouden?
Zouden diegenen, die nog zouden blijven werken, dan
hetzelfde soort werk blijven doen of zouden zij zich met
iets anders gaan bezighouden?
Benieuwd naar het antwoord op deze en dergelijke
vragen stelden N. C. Morse en R. S. Weiss van de Uni-
versity of Michigan hiernaar een onderzoek in door
middel van een .,,short ‘fixed question-free answer’ inter
–
view of a random sample of employed men in the United
States”, dat 401 personen omvatte. Hun bevindingen leg-
den zij neer in een artikel : ,,The function and meaning
of work and the job”, gepubliceerd in ,,American Socio-
logical Review” van April
1955.
De belangrijkste resul-
taten van hun onderzoek zullen hieronder in het kort
worden weergegeven.
Van de geïnterviewden zou 80 pCt blijven werken, ook
al zou dit om economische redenen niet meer nodig zijn.
Van deze werkwilligen gaf 63 pCt hiervoor ,,positieve”
redenen op, zoals werk geeft bezigheid, is pleizierig, is
gezond, rechtvaardigt het bestaan, geeft zelfrespect;
37 pCt zou om ,,negatieve” redenen: ter voorkoming van
verveling, van een gevoel van overbodigheid e.d., blijven
werken. Uit deze antwoorden mag niet worden afgeleid,
dat de mens zich niet kan aanpassen aan een leven zonder
werk; zij houden veeleer in, dat de overgang een aanzien-
lijke aanpassing vereist. Nu bleek uit het onderzoek ver-
der dat, naarmate de 65-jarige leeftijd dichter genaderd
en daarmee de gedachte aan pensionnering sterker werd,,
het percentage der geïnterviewden dat zou blijven werken
daalde; van de 55-64-jarigen gaf echter toch nog bijna
2/3
te kennen, dat zij ook zonder noödzaak zouden
blijven werken.
De aard van het werk – in de studie wordt onder-
scheid gemaakt tussen ,,middle class occupations”,
,,working class occupations” en ,,farming” – bleek in
het algemeen geen grote rol te spelen bij de keuze tussen
werken of rentenieren. Van de ondervraagden in deze
categorieën zouden resp. 86, 76 en 86 pCt blijven werken.
Een afwijking – althans van het stâtistische beeld –
vertoonden, in de ,,working class”-categorie, de onge-
schoolden: slechts
58
pCt voelde niet voor een renteniers-
leven. Uit de verkregen antwoorden bleek, dat voor de
meesten uit de ,,middle class”-categorie werken be-
tekende: iets belangwekkends doen, iets ten uitvoer
brengen, iets bijdragen, succes oogsten. Het merendeel
van de geïnterviewden uit de ,,working class” beschouwde
werken in feite als een synoniem voor ,,activity” met als
alternatief: rondhangen, zich vervelen. Ook de boeren
vatten werken in de eerste plaats, hoewel iets minder
uitgesproken, op als activitèitsontplooiing.
Het onderzoek bracht voorts aan het licht, dat velen
wel ânder werk zouden gaan verrichten, indien niet meer
voor het levensonderhoud behoefde te worden gezorgd.
Terwijl 69 pCtvan de boeren en 61 pCt an de ,,middle
class” in dat geval nog hetzelfde soort werk als voorheen
zou ambiëren, zou slechts 34 pCt van de ,,working class”
niet van werk veranderen. De ondervraagden uit deze
categorie bleken dus het minst gehecht te zijn aan de
door hen verrichte arbeid. Het meest voorkomende ant-
woord op de vraag, wat men dan liever zou gaan dôen,
luidde: zelf een zaak beginnen, maar wât voor zaak wist
men vaak niet.
Samenvattend constateren Morse en Weiss o.a., dat
werken voor de meesten meer is dan alleen een middel
om aan de kost te komen en dat arbeid op zichzelf, ver-
richt door de ,,middle class” in het algemeen een ander-
soortige bevrediging geeft dan die welke door de ,,working
class” wordt verricht. Voorwaar, geen verrassende con-
statering. Vele lezers zullen vermoedelijk op grond van
eigen dagelijkse waarneming tot eenzelfde conclusie zijn
gekomen. De weinig spectaculaire resultaten van het
onderzoek van Morse en Weiss zijn daarom wellicht wat
teleurstellend. Moge deze teleurstelling worden gecom-
penseerd door het genoegen eigen opvattingen door statis-
tische onderzoekingen bevestigd te zien.
INHOUD
Blz.
Werken of rentenieren
…………………..
703
Het wetsontwerp Algemene Ouderdomsverzeke-
ring; critiek en voorgestelde wijziging,
door
Prof. Dr C. Campagne
………………..
705
Engelands zwakke punt,
door Dr F. Hartog
….
706
De tankvrachtenmarkt,
door C. Vermey
…….
708
Blz.
Ingezonden stuk:
Het loon van de overheidsdienaar,
dbor G. E.
Rotgans, met een naschrft van Mr H. Snel ..
710
Aantekening:
Betekenis en taak van public relations in de
Verenigde Staten, door Drs G. de Bruyn
….
713
Geld- en kapitaalmirkt,
door Drs J. C. Brezet
…
714
COMMISSIE VAN REDACTIE: C.
van den Berg;
Ch. Glasz; L. M. Koyck;
H. W.
Lambers; J. Tinbergen;
F. de Vries. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J.
H. Zoon.
COMMISSIE VAN ADVIÉS VOOR
BELGIË: F.
Collin; J. E. Mertens de Wilmars;
J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlerick.
AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN
704
:
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
10 Augustus 1955
DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK
Prof Dr C. CAMPAGNE, Het wetsontwerp Algemene
Ouderdomsverzekering; critiek en voorgestelde wijzi-
ging.
In dit artikel maakt schrijver allereerst enkele critische
opmerkingen met betrekking tot de doelstelling van het
wetsontwerp Algemene Ouderdomsverzekering: te komen
met een eenvoudige regeling, welke administratief ge-
makkelijk hanteerbaar is. Hierin is men volgens schrijver
niet ten volle geslaagd. Vervolgens laat schrijver een
critisch geluid horqn ten aanzien van ‘de bepalingen, die
in het wetsontwerp zijn geïntroduceerd ten einde een
zekere aanpassing aan van uit andere hoofde te verkrijgen
pensioenrechten mogelijk te’ maken. Dit slaat niet alleen
op ambtenarenpensioenen, maar ook op pensioenen van
werknemers. Ten slotte gaat schrijver na in hoeverre er
een mogelijkheid bestaat om een eenvoudige regeling op
te zetten, waaraan niet de door hem gesignaleerde bezwa-
ren kleven, t.w. een regeling, welke minder kostbaar zal
zijn, niet alleen uit hoofde van administratiekosten, doch
waarbij tevens een grote bezuiniging op de premie kan
worden verkregen. Schrijver komt dan met een voorstel
tot wijziging van het project op een aantal punten.
Dr F. HARTOG, Engelands zwakke punt.
De recente credietbeperkende maatregelen van Minister
Butler komen niet geheel onverwacht. De positie van de
Engelse betalingsbalans en daarmee van het pond sterling
is reeds enige tijd aan het verslechteren. Het is niet de
eerste keer sinds de oorlog, dat een betalingsbalanscrisis
moet worden bezworen. In feite heeft dit verschijnsel reeds
een normale periodiciteit van 2 â 3 jaar verkregen.
op-
merkelijk zijn de fluctuaties in de monetaire reserves.
Deze kunnen echter voor een groot deel verklaard worden
uit speculatieve voorraadmutaties. Ook de hoge invoer in
de eerste helft van dit jaar zal vermoedelijk voor een aan-
zienlijk deel uit voorraadaanvulling moeten worden
verklaard. Bij grote monetaire reserves zouden deze
fluctuaties een vrij onschuldig verschijnsel zijn. De reserves
bevinden zich echter steeds ongeveer op de rand van het
minimum. Engeland-is er niet in geslaagd een deel van de
sterke goud- en deviezenaanwas buiten de dollarwereld,
die in de laatste jaren heeft plaatsgevonden, naar zich
toe te halen. Een dergelijke ontwikkeling wijst op een
relatieve inflatie in Engeland. Schrijver toont aan, dat de
oorzaak van deze inflatie ligt bij de looninfiatie in Enge-
land. Van een centr’ale loonbeheersing komt in Engeland
weinig terecht. De verschillende groepen loontrekkers
trekken zich dus voortdurend aan elkaar op, met als
gevolg een blijvende opwaartse druk tegen het loonpeil.
Dit wordt mogelijk gemaakt door een toestand van
,,over employment”. De van andere landen afwijkende
monetaire ontwikkeling in infiatoire richting betekent een
voortdurend gevaar voor de betalingsbalans. De thans
genomen maatregelen, welke gericht zijn tegen de binnen-
landse bestedingen, tasten het kwaad niet in de wortel aan.
C. VERMEY, De tankvrachtenmarkt.
De stemming op de tankvrachtenmarkt is, met name
sedert Juni, belangrijk verbeterd. Niettemin was het eerste
halfjaar voor die tankrederijen, welker schepen voor
emplooi op de open markt waren aangewezen, onbevredi-
gend. De stijging der vrachten kwam te laat om de weinig
gunstige resultaten gedurende de eerste vijf maanden goed
te maken. De duidelijke opleving sedert Juni en de om-
standigheid, dat bevrachters thans reeds, tegen aan
merkelijk hoger vrachten dan enkele maanden geledenf
golden, hun behoefte aan ruimte gedurende de winter-
maanden indekken, wettigt het vertrouwen in reders-
kringen dat de tankvrachten zich voorshands in stijgende
richting blijven bewegen. De, onverwachte, verbetering
op de tankvrachtenmarkt is allereerst te danken aan de
grote industriële bedrijvigheid in Amerika en West-Europa
enerzijds en de ontoereikende Europese kolenproductie,
waardoor het verbruik van petroleum wordt gestimuleerd,
anderzijds. Voorts speelt vermoedelijk de overweging,
dat met stijgende prijzen moet worden gerekend, eveneens
een rol, terwijl ten slotte de vrees, dat bij een strenge
winter het aanbod van huisbrandolie wellicht ontoereikend
zal zijn om in de behoefte te voorzien, er waarschijnlijk
toe leidt dat men tijdig de voorraad op peil wil brengen.
– SOMMAIRE –
Prof Dr C. CAMPAGNE, Le projet de bi Assurance
contre la Vieillesse Générale; critique et mod(fication
proposée.
Le but envisagé par le projet de bi Assurance contre
la Vieillesse Générale, notamment présenter une organi-
sation simple et souple au point de vue administratif,
n’est pas entièrement atteint. L’auteur étudie dans quelle
mesure il existe une possibilité de monter une organisation
simple ne comportant pas les inconvénients signalés par
lui, â savoir une organisation qui soit moins onéreuse,
non seulement en ce qui concerne les frais d’administration
mais qui permette aussi de réaliser une grande économie
sur la prime. Ensuite l’auteur présente une proposition de
modification du projet sur un certain nombre de points.
Dr F. HARTOG, Le point faible de l’Angleterre.
Les réserves monétaires de l’Angleterre se trouvent
toujours â peu près â la limite du minimum. C’est pour
–
quoi l’on a dû intervenir â plusieurs reprises pour éviter
une crise dans la balance des comptes. L’Angleterre n’a
pas réussi â compléter ses réserves, ce qui révèle une
infiation relative en Angleterre. L’auteur démontre que la
cause de cette infiation réside dans l’inflation des salaires.
Comme il n’y a pas un contrôle central des salaires en
Angleterre, les différents groupes de salariés peuvent faire
aligner leurs salaires les uns aux autres, vu le ,,over
employment” qui règne. Ce développement d’inflation
qui diffre de celui d’autres pays constitue un danger
continuel pour la balance des compt€s anglaise. Les
mesures prises récemment ne vont pas â la racine du mal.
C. VERMEY, Le marché des frets pour les bateaux-
citernes.
La tendance du marché des frets pour les bateaux-
citernes s’est considérablement améliorée, notamment
depuis le mois de juin. Toutefois, la hausse des frets est
•
intervenue trop tard pour réparer les résultats peu
favorables des cinq premiers mois de l’année en cours.
Ce redressement et le fait que les affréteurs couvrent
déjâ actuellement leurs besoins de cale pour les mois
d’hiver â des taux de fret considérablement supérieurs â
ceux qui étaient en vigueur il y a quelques mois, justifient
la confiance qui règne dans les milieux des armateurs que
les taux de fret pour les bateaux-citernes continueront
pour le moment ce mouvement ascendant.
lOAugustus
1955
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
705
Het wetsontwerp Algemene Ouderdomsverzekering
Critiek en voorgestelde wijziging
Critische opmerkingen
Hoewel men de bedoeling heeft gehad om met een
eenvoudige wet te komen, welke dus administratief ge-
makkelijk hanteerbaar zou zijn, is men mijns inziens
daarin niet ten volle geslaagd. Men heeft uit een oogpunt
van eenvoud practisch de gehele Nederlandse bevolking
‘erzekerd en dus ook groepen daarin betrokken waar-
voor een ouderdomsvoôrziening allerminst nodig is.
In eerste instantie is deze wet niet nodig voor degenen die
uit hoofde van het in hun bezit zijnde kapitaal over vol-
doende of ruim voldoende inkomsten beschikken. De
tweede categorie, welke in dit verband van belang is,
zijn de ambtenaren en die werkgevers en werknemers
waarvoor een behoorlijke pensioenvoorziening reeds
geldt. De doelstelling van de wet moet mijns inziens toch
gezocht worden in het feit dat men die ouden van dagen
een pensioen wil laten genieten die over onvoldoende
middelen beschikken om in hun levensonderhoud te
voorzien. Teneinde nu enerzijds het begrip verzekering te
introduceren, anderzijds de
administratieve
eenvoud te
betrachten, heeft men globaal gesproken de gehele
Nederlandse bevolking onder deze verzekeringsregeling
gebracht, dus ook de zeer belangrijke groepen waarvoor
deze verzekering allerminst noodzakelijk is. Men heeft
evenwel daarnaast in de geprojecteerde regeling ver
–
schillende bepalingen opgenomen welke uit administratief
oogpunt niet eenvoudig hanteerbaar zijn, dus administra-
tiekosten vereisen die mijns inziens niet evenredig zijn
aan het daardoor te bereiken meer geperfectionneerde
resulta,at. Met een enkel voorbeeld moge dit worden
verduidelijkt.
Degenen die buiten Nederland wonen en niet in Neder-
landse Rijksdienst zijn, zijn niet verzekerd gedurende
de tijd dat zij in het buitenlanld verblijven. Eveneens is
niet verzekerd degeen die zijn (haar) premie niet betaali.
In al deze gevallen wordt de toegekende ouderdomsrente
op evenredige wijze gekort. Een en ander betekent dat
de Sociale Verzekeriiisbank, het administratieve orgaan
dat deze verzekering zal uitvoeren, bij de beslissingen
over de toekenningçn van de renten in al deze gevallen
zal moeten nagaan in hoeverre aftrek noodzakelijk moet
worden geacht in verband met het niet-verzekerd zijn
gedurende een zekere periode. Nu is nalatigheid van
premiebetaling slechts mogelijk in die gevallen waarin
de premie door de belastingdienst niet ingevorderd kan
worden. Bijvoorbeeld bij faillissement. De mogelijkheid
van niet-invordering van premie is bij deze verplichte
verzekering practisch te verwaarlozen. De eenvoud der
‘regeling zou er mijns inziens ten zeerste mee gediend zijn
indien de bedoelde aftrekregeling zou verdwijnen. Ik heb
hiermede één voorbeeld genoemd. Er zijn er meerdere aan
te geven waardoor de regeling gemakkelijker te hanteren
zou zijn. Hoe eenvoudiger de regeling is, des te lager
zijn de benodigde administratiekosten en er is naar mijn
mening bij deze regeling alleszins reden om op de admini-
stratiekosten te bezuinigen, zij het dat men dan zal moeten
accepteren dat de regeling wat minder perfect wordt.
Een tweede critische opmerking zou ik willen maken
ten aanzien van de bepalingen die men in deze wet heeft
geïntroduceerd teneinde een zekere aanpassing aan van
uit andere hoofde te verkrijgen pensioenrechten mogelijk
te maken. Dit slaat niet alleen op ambtenarenpensiocnen
maar ook op pensioenen van werknemers. De mogelijk-
heid bestaat namelijk dat indien een werknemer een
behoorlijke pensioenvoorzieninTg heeft, deze met de -uit
de regeling voortvloeiende rente een totaal pensioen zou
genieten dat zijn laatstgenoten salaris overtreft. De rege-
ling acht het noodzakelijk dergelijke gevallen zoveel
mogelijk tegen te gaan. VTndaar dat in de geprojecteerde
regeling de grondslag wordt gelegd voor een aanpassings-
mogelijkheid.
De vraag komt thans aan de orde of hiermede de des-
betreffende groep is gediend. Indien men namelijk tot
aanpassing besluit is het resultaat dat de betrokken werk-
nemer in plaats van zijn oorspronkelijk in de private
sfeer, of ingeval van een ambtenaar volgens de wettelijke
sfeer, te claimen pensioen, weliswaar hetzelfde totale
bedrag verkrjgt, maar nu gesplitst, te weten in het bedrag
voortvloeiende uit de algemehe ouderdomsverzekering
en het restant-bedrag uit hoofde van de oorspronkelijke
pensioenregeling. Nu moet in het algemeen worden gesteld
dat de zekerheid van het oorspronkelijke pensioen hoger
kan worden aangeslagen dan de zekerheid welke voort-
vloeit uit de algemene regeling. Ik heb in mijn vorig
artikel
1)
reeds gewezen op het gevaar, dat op de pen-
sioenbedragen volgeis de voorgestelde wettelijke rege-
ling onder bepaalde economische omstandigheden zal
moeten worden gekort.
Naar mijn gevoelen is het voor de betrokken werk-
nemers dus niet onverschillig uit welken hoofde zij een
bepaald bedrag aan pensioen kunnen claimen. Deze
werknemers gaan er bij de toepassing van de desbetref-
fende bepaling in feite op achteruit, omdat zij een minder
gesecureerd ouderdomspensioen zullen verkrijgen.
Ten aanzien van de ambtenarenpensioenen zou ik
nog speciaal het volgende willen opmerken. Zoals bekend,
zijnde ambtenarenpensioenen als gevolg van het grote
tekort dat in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
bestaat, financieel gesproken niet gesecureerd. Hier
staat tegenover dat het Rijk de morele verplichting heeft
om het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds bij te springen
zodra de noodzaak daartoe aanwezig is. In goed ver-
trouwen zullen de ambtenaren er van uitgaan, dat het
Rijk de met hun aangegane pensioenafspraken zal na-
komen. Indien er nu evenwel een band gelegd wordt tussen
deze Algemene Ouderdomsverzekering en de bijzondere
wettelijke ambtenarenpensioenvooiziening is het te
voorzien dat, indien het noodzakelijk zal zijn ôp de
pensioenafspraken van de Algemene Ouderdomsver-
zekering te korten, ditzelfde en in gelijke mate bij de
ambtenarenpensioenen zal geschieden. De koppeling legt
nu een verband en het moet uit ambtenaarsstandpunt
allerminst wenselijk zijn dat dit verband wordt gelegd.
Het is nu de vraag in hoeverre er een mogelijkheid be-
staat een eenvoudige regeling op te zetten waaraan
bovengenoemde bezwaren niet kleven. Een regeling dus
welke minder kostbaar zal zijn, niet alleen uit hoofde
van administratiekosten doch waarbij tevens een grofe
bezuiniging op de premie kan worden verkregen.
Voorgestelde
wijziging.
De doelstelling van de Algemene Ouderdoms-
verzekering is om de ouden van dagen die niet over vol-
) Zie ,,E.-5.B.” van 27 Juli 1
955.
706
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
10Augustus 195
doende inkomsten beschikken. een ouderdomspensioen
te verlenen. Het is dus niet noodzakelijk• de groepen
van personen, welke ak over voldoende inkomsten be-
schikken, niettemin voor dit ouderdomspensioen in aan-
merking te brengen. Het is dus gewenst de, groep van
personen, welke en pensioen claimen, te begrenzen tot
de groep, we1k daaraan behoefte heeft. Evenwel dient dit
te geschieden zonder dat daardoor een discriminatie ge-
schiedt. Met name zonder dat men hiermede vervalt in
een soort armenzorg.
De verzekeringsgedachte moet blijven bestaan. In
beginsel moét iedereen voor pensioen in aanmerking
kunnen komen, terwijl daarnaast eveneens iedereen in
beginsel daartoe moet bijdragen.
Geeft men dus in beginsel een ieder het recht om te
claimen, maar beperkt men de toekenning van het pen-
sioen tot degenen wier inkomsten minder zijn dan een
nader te bepalen bedrag, dan worden uiteraard de lasten
der verzekering in aanzienlijke mate beperkt, doch blijft
de verzekeringsgedachte aanwezig. Met name bestaat
voor iedere Nederlander, onder welke omstandigheden
hij nu ook verkeert, de mogelijkheid dat hij op 65-jarige
leeftijd geen voldoende inkomsten zal hebben. Een ver-
mogend man kan dit vermogen verliezen, een ambtenaar
met redelijke pensioenvooruitzichten kan ontslag nemen
of krijgen en een minder goede verdere carrière maken,
zodat hij op 65-jarige leeftijd geen voldoende inkomsten
heeft. Uiteraard is de kans voor verschillende personen
of zij al dan niet op 65-jarige leeftijd voldoende inkomsten
zullen hebben, zeer verschillend naar gelang de om-
standigheden, echter in beginsel loopt een ieder de kans
de 65-jarige leeftijd zonder voldoende inkomsten te
beleven. Dit is dan ook de rechtsgrond waarop een ieder
moet bijdragen, terwijl -uit sociale overwegingen het rede-
lijk moet worden geacht, de ongelijke kans dat de man
op 65-jarige leeftijd geen voldoende inkomsten zal
hebben, niet a priori in de beschouwing te betrekken.
Er wordt dus hiermede een risicoverzekering gecreëerd
welke voor ieder een bepaald pensioen in uitzicht stelt,
dat echter alleen verleend wordt indien de inkomsten een
bepaald bedrag niet te boven gaan.Dit bedrag kan naar
loonindex en werkgelegenheid variëren. Het behoeft
geen betoog dat deze verzekering veel lagere lasten met
zich brengt dan de geprojecteerde verzekeringsvorm,
waaruit volgt dat de premie aanzienlijk lager kan worden
gesteld, omdat hierin het risico-element verdisconteerd
is, dat de man op 65-jarige leeftijd geen voldoende in-
komsten heeft.
Op de administratiekosten kan bovendien in aanzien-
lijke mate worden bezuinigd, indien men de regeling ook
in opzet vereenvoudigt. Het meest aangewezen lijkt het
voorts geen aparte verzekeringsorganen te creëren, doch
zowel de incasso aig de excasso aan de belastingdienst
op te dragen.
Het project introduceert de belastingdienst reeds als
incassobureau. Waarom kan deze zelfde belastingdienst
dan ook niet fungeren als instelling welke de uitbetaling
van de pensioenen verzorgt, dus bovendien als excasso-
dienst optreden. Practisch zou het dan hierop neerkomen
dat in het aangifteformulier voor de inkomstenbelasting
voor de 65-jarigen en ouderen, welke aangifte dan voor
hen allen verplicht is, enkele_nadere gegevens worden
gevraagd, opdat de belastingdienst kan beoordelen of de
desbetreffende persoon voor een ouderdomspensioen in
aanmerking komt. In het bevestigend geval wordt door de
belastingdienst een betaling verricht ter grootte van het
verschuldigde pensioenbedrag. Uiteraard betekent dit een
verzwaring van de taak van de belastingdienst, maar het
moet duidelijk zijn, dat de hieruit voortvloeiende adminis-
tratiekosten beduidend lagr zullen liggen dan de ad-
ministratiekosten welke door een afzonderlijke instelling
zullen moeten worden gemaakt ter uitvoering van de
desbetreffende taak.
Het komt mij voor dat de belastingdienst, die reeds een
zodanig belangrijke taak verkrjgt bij het incasso, een
op te dragen taak bij het excasso zeker kan worden toe-
vertrouwd. Vrees dat de belastingdienst uit sociaal oog-
punt deze taak bij de uitbetaling der pensioenen niet
behoorlijk zou kunnen vervullen, behoeft niet te bestaan.
Wat de regeling in concreto betreft, zou men de
65-
jarigen welke uit eigen hoofde een inkomen genieten
beneden f 804 een pensioen kunnen verlenen ter grootte
van f 804, terwijl men voor de groep met een inkomen
begrepen tussen
f
804 en het dubbele van dit bedrag, dus
f 1.608, een aanvullend pensioen zou kunnen verlenen
tot het bedrag van fl.608. De conjunctuurgevoeligheid
van een dergelijke opzet zou aanzienlijk minder zijn dan
bij het voorgestelde project. Voorts wordt een grote
besparing verkregen op de administratiekosten, terwijl
de premie aanmerkelijk kan worden verlaagd.
Vtrvolgens is als voordéel. van deze gewijzigde opzet
te noteren dat voor de groepen, welke reeds een redelijke
pensioenvoorziening hebben, geen aanpassing nood-
zakelijk is, een aanpassing welke, zoals gezegd, uit finan-
cieel oogpunt allerminst wenselijk moet worden geacht.
Ten slotte wordt bij, deze gewijzigde opzet een verdere
onbillijkheid weggenomen welke de wet introduceert: met
name is het niet in te zien waarom wel voer pensioenen
een aanpassingsregeling moet worden
of’
kan worden
getroffen, terwijl dit ten aanzien van inkomsten uit eigen
kapitaal niet wordt nagestreefd. Het is niet in te zien
waarom een pensioen anders moet worden beoordeeld
dan de inkomsten uit eigen kapitaal. Het wegnemen van
deze onbillijke en onrechtvaardige handelwijze moet
eveneens als een belangrijk voordeel van deze gewijzigde
opzet worden aangemerkt. –
Amsterdam.
Prof. Dr C. CAMPAGNE. •
Engelands zwakke punt
De recente credietbeperkende maatregelen van Minister
Butler komen niet geheel onverwacht. De positie van de
Engelse betalingsbalans en daarmee van het pond sterling
is reeds enige tijd aan het verslechteren. Er is geen plot-
selinge catastrofale ontwikkeling opgetreden, doch een
valuta die zo kwetsbaar is als het pond kan weinig
verdragen.
Het is niet de eerste keer sinds de oorlog dat een
betalingsbalanscrisis moet worden bezworen. In feite
heeft dit verschijnsel reeds een normale periodiciteit van
2 â 3 jaar gekregen, zodat men het met enige kans op
succes tot object van voorspellingen kan maken. Nood-
maatregelen om critieke situaties het hoofd te bieden
werden, genomen in September 1947, Septmber ‘1949e
10Augustus 1955
ECONOMISCH-STATISTITSCHE BERICHTEN
707
November 1951 en Maart 1952 en thans in Juli 1955,
terwijl het disconto aan het begin van ditjaar reeds enkele
malen was verhoogd. De vergelijking met een van tijd
tot tijd overkokende ketel dringt zich op, waarbij, het
vuur niet afdoende kan worden getemperd.
Deze ontwikkeling wordt gedemonstreerd in de vol-
gende grafiek, die het verloop van de goud- en deviezen-
reserves in verhouding tot de goedereninvoer weergeeft.
Verhouding goud- en deviezenreserve tot import in
Engeland (op jaarbczsis)
0,8
0,7
0,6
0,5
0,4
0.3
x
0,2
0,1
’48
’49
’50
’51
’52
’53
’54
’55
x Tijdstippen
val invoering noodmaatregelen.
Opmerkelijk zijn niet alleen de scherpe fluctuaties,
doch ook het relatief lage niveau en de dalende trend.
Deze laatste verschijnselen zijn het meest verontrustend.
Dè fluctuaties kunnen voor een groot deel verklaard
worden uit speculatieve voorraadmutaties. Zou men de
monetaire reserves en de voorraden ingevoerde goederen
samentellen, dan zou zonder twijfel een veel rustiger
beeld worden verkregen. Het hangt van de prijsontwikkè-
ling der invoergoederen af, of monetaire reserves dan wel
goederenreserves de voorkeur verdienen. Op dit punt
zijn de Overheid en de importeurs in Engeland niet altijd
even gelukkig geweest. Dit vèrandert intussen niets aan
het feit, dat de fluctuaties in de goud- en deviezenreserves
overwegend een liquiditeits- en geen solvabiliteits-
kwestie waren.
Ook de hoge invoer in de eerste helft van dit jaar zal
vermoedelijk voor een aanzienlijk deel uit voorraad-
aanvulling moeten wordën verklaard. In het ,,Economic
Survey for
1955″,
dat in het begin van dit jaar werd ge-
publiceerd, werd de verwachting uitgesproken dat de
sterke invoertoeneming, welke reeds eerder in andere
Europese landen was opgetreden, in de loop van 1955
zich ook voor Engeland zou voordoen, vooral omdat in
1954 een zekere intering van de voorraden ingevoerde
goederen had plaatsgevonden. Men was dus op deze
ontwikkeling voorbereid.
Merkwaardig is in dit verband dat de belangrijke bij-
dragen, die de overzeese sterlinglanden leveren tot de
Londense goud- en deviezenpot, en waarvan men op
het eerste gezicht zou verwachten dat zij tegen de Engelse
betalingsbalansontwikkeling in bewegen, in de na-
oorlogse periode een onvoldoende compensatie bieden.
Hiervoor is vermoedelijk vooral verantwoordelijk het
nauwe verband tussen in- ên uitvoer dat bij de meeste
dezer landen valt waar te nemen..
Wel draagt het pond de volle lât van een internationale
valuta die slechts bij vlagen zijn stand kan ophouden.
De speculatie bezit immers in de vele en omvangrijke,
bestaande sterlingposities een grote ,,Masse de manoeu-
vre”, zodat de druk in tijden van spanning nog aanzien-
lijk wordt verergerd. In, dit geval komt daarbij, dat het
herstel van de convertibiliteit, met de daarmee wefficht
verbonden invoering van een meer flexibele koersvor-
ming, zich voorafschaduwt door twijfel aan het huidige
officiële koerspeil. Door de operaties van het Egalisatie-
fonds wordt deze druk op het pond in de laatste tijd wel
verzwakt, echter ten koste van de toch reeds geringe
monetaire reserves.
Zou dit alles zich afspelen op een hoog niveau, dan
zou het een vrij onschuldig verschijnsel zijn en ook be-
trekkelijk weinig speculatieve versterking in het leven
roepen. Doordat de reserves zich echter steeds ongeveer
op de rand van het minimum bevinden, worden telkens
crisisverschijnselen opgeroepen: Op het eerste gezicht
is het enigszins verwonderlijk dat Engeland er niet in
geslaagd is, van de sterke goud- en deviezenaanwas
buiten’ de dollarwereld, die in de laatste jaren heeft
plaatsgevonden, een deel naar zich toe te halen. Naar het
antwoord op deze vraag behoeft echter niet lang te
worden gezocht. Een dergelijke ontwikkeling wijst immers
op een relatieve inflatie in het binnenland. Gedurende de
eerste jaren na de oorlog waren er weinig Europese landen
die er in slaagden, hun bestedingesi ex ante aan te passen
aan. hun -middelen. Geleidelijk is echter in de meeste
continentale landen weer een zekere monetaire discipline
ontstaan, die geleid heeft tot een opmerkelijke stabilisatie
van het prijspeil. (Nederland vormt wegens het inhalen
van achterstand een bijzonder geval).
‘Men zie de volgende cijfers over de kosten van levens-
onderhoud, waarin Engeland kennelijk uit de pas is,
zodat dit land er niet in geslaagd is zich bijtijds te voegen
naar de monetaire ontwikkeling in de landen met ver-
gelijkbare economische problemen.
Kosten van levensonderhoud
(1953
=
100)
Engeland
1
West-
België
]
Zweden
Verenigde
Duitsland
Staten
1954
102
1
100
101
1
iot
1
ioi
19551e kw.
105
101 101 101
1
•0
De overheidsbestedingen en’ de investeringen werken
in Engeland niet zoveel sterker infiatoir dan in ‘andere
landen met verwante problemen. Deze vertonen weinig
neiging, uit te lopen op de belasti7lgen resp. de bespaHn-
gen. Er is hier veeleer een geval Vân’êen ,,internal push”.
Het vuur onder de ketel is namelijk de
looninfiatie.
Hierover geeft de volgende tabel enige cijfers. De lonen
vormen in de betrokken landen 30-50 pCt van de totale
prjsopbouw zodat er een vrij sterke overeenkomst te
constateren valt met de ontwikkeling der kosten van
levensonderhoud.
Lonen in de industrie
(1953
= 100)
Engeland
West-
België
Zweden.
Verenigde
Duitsland
5taten
(weekl.)
(weeki.)
(uurl.)
(uurl.)
(weekl.)
1954
105 104 103
104
100
1955 le kw.
109 105
104
107
104
708
A
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
10Augustus 1955
Ook als men langere perioden beziet valt het op dat het
Engelse prijspeil uitloopt op dat van zijn voornaamste
concurrénten.
In het algemeen is het natuurlijk mogelijk, dat bij een
stijging van de lonen ende kcisten van levensonderhoud
de oorzaak zowel bij de één als bij de ander ligt. In dit
geval zijn buiten de lonen echter nauwelijks impulsen tot
prijsstijgingen aan te wijzen: de grondstofprijzen zijn in
de beschouwde periode enigszins gedaald, terwijl er
weinig tekenèn zijn van een belangrijke interne bestedings-
inflatie. Het loonniveau is hier dus kennelijk als acti-
verende. factor werkzaam. Dit blijkt ook uit de moti-
veringen van de in de laatste tijd gestelde looneisen, die
in hoofdzaak berusten op het rechttrekken van loon-
verhoudingen en slechts in ondergeschikte mate op het
stijgen van de kosten van levensonderhoud. Wel treedt
natuurlijk
als, gevolg
van de looninfiatie een toeneming
van de binnenlandse bestedingen op, die de voor uitvoer
beschikbare hoeveelheid goederen beperkt. Naast dit
inkomenseffect van de loonstijging werkt ook het prijs-
effect nadelig op de uitvoer in, doordat de Engelse
concurrentiepositie wordt verzwakt.
Dat de looneisen voor een belangrijk deel gericht zijn
op het rechttrekken van de verhoudingen tussen bedrijfs-
takken en beroepen is niet toevallig. Bij het Engelse
systeem van loonvorming kan dit moeilijk anders. Het
zijn immers in hoofdzaak de bedrjfs- of beroepsgewijze
vakverenigingen, die als initiatiefnemers optreden bij
loonacties, terwijl er slechts een zwakke vakcentrale en
een weinig doelbewuste regeringspolitiek op het gebied
der lonen is. Van een nationale coördinatie of unificatie
der loonpolitiek komt dan ook weinig terecht. De ver
–
schillende groëpen trekken zich dus voortdurend aan
elkaar op, met als gevolg een blijvende opwaartse druk
tegen het loonpeil. Dit resultaat wordt mogelijk gemaakt
door de toestand van ,,over employment”. Het is dan
ook zeer typerend dat van de zojuist vergeleken landen
West-Duitsland, België en de Verenigde Staten nog over
een zekere arbeidsreserve beschikken, terwijl in Zweden,
waar de werkgelegenheidssituatie niet veel van die in
Engeland verschilt, de vakcentrale een sterkere positie
inneemt en de loonvorming neer uit nationaal oogpunt
wordt bezien. Overigens zijn van de betrokken landen de
lonen na Engeland in Zweden het meest gestegen.
Het blijkt dan 90k dat, wat Beveridge reeds in 1944
voorspelde, volledige werkgelegenheid, monetair even-
wicht en loonvorming per sector onderling onverenigbaar
zijn
1).
Of, om het positief te stellen: het is waarschijnlijk,
dat bij een toestand van volledige werkgelegenheid alleen
centrale loonbeheersing in staat is tot het voorkomen van
looninfiatie. Bij deze centrale loonbeheersing behoeft men
zich dus niet noodzakelijk een volledige uitholling van de
invloed der arbeiders- en ondernemersorganisaties te
denken.. Integendeel, een dergelijke positie in een Westers
land zou moeilijk door te voeren zijn. Het moet dus komen
van een effectieve samenwerking tussen de centrale Over-
heid en de centrale toporganen van beide zijden van het
bedrijfsleven. Hiervoor is echter een bepaalde structuur
en gezindheid van de vakbeweging vereist, die in Engeland
grotendeels ontbreekt. De verhoudingen op dit gebied.
zijn in de verschillende landen historisch gegroeid,
waarbij een uiteenlopende ontwikkeling heeft plaats-
gevonden. Een ombuiging naar de eisen van het eco-
nomisch evenwicht is dus niet gemakkelijk.
Tot voor enkele jaren viel Engeland, ondanks de ook
toen optredende betalingsbalanscrises, liog niet zo sterk
uit de toon, omdat de meeste andere landen eveneens
nog met monetaire onevenwichtigheden worstelden
Thans blijkt dat in Engeland de inflatie min of meer
endemisch is. Alleen heeft zij, anders dan in Frankrijk,
een meer slepend dan acuut karakter.
Een dergelijke afwijkende monetaire ontwikkeling in
infiatoire richting betekent een voortdurend gevaar voor
de betalingsbalans. Of, zoals ,,The Economist” enkele
weken geleden betoogde: in een infiatoir land te leven is
nadeliger dan in een infiatoire wereld te leven!
Bij deze ontwikkeling in Engeland zijn ook de andere
landen in West-Europa ten nauwste betrokken. Wel
worden deze keer de moeilijkheden in eerste aanleg af-
gewenteld op de binnenlandse bestedingen en niët op de
invoer, doch de positie van het pond sterling is nu een-
maal van beslissende betekenis voor de plannen tot her-
stel van de convertibiliteit der E.B.U.-valuta’s. Voorlopig
zal hier dan ook naar alle waarschijnlijkheid weinig van
komen. Ook op de duur lijkt het, althans indien de loon-
vorming in Engeland zich op dezelfde wijze blijft vol-
trekken, vrijwel onvermijdelijk dat de convertibiliteit van
het pond gekoppeld wordt aan een flexibele koersvorming.
De thans genomen maatregelen, welke gericht zijn tegen
de binnenlandse bestedingen, zullen vermoedelijk wel
weer een zekere ommekeer teweegbrengen, doch wanneer
zij te zijner tijd weer worden opgeheven, dreigt hetzelfde
gevaar opnieuw. Het euvel wordt hiermee dus niet in de
wortel aangetast.
In laatste instantie gaat de keus dan ook tussen een
gedisciplineerde loonpolitiek en fluctuerende wissel-
kôersen. Dit dilemma is niet nieuw. Nieuw is alleen dat
vele landen, na de laatste oorlog getracht hebben, deze
keus te vermijden door zowel een autonome monetaire
ontwikkeling als vaste wisselkoersen na te streven.
Engeland is één van de laatste landen die nog steeds beide
onverenigbare doeleinden tegelijk wil verwezenlijken.
De tijd zal leren, wat.op den duur het zwaarst zal wegen.
1)
W.
H. Beveridge, Full employment in a free society, 1944.
Scheveningen.
F. HARTOG.
De tankvrachtenmarkt
Hoe’vel aanzienlijk later dan zi.ilks op de algemene
vrachtenmarkt geschiedde, is de stemming op de tank-
vrachtenmarkt met name sedert Juni welke maand zich
door een, het seizoen in aanmerking nemend, ongewone
bédrijvigheid kenmerkte, belangrijk verbeterd. Niette-
min was het eerst’e halfjaar voor die tankrederijen, welker
schepen voor emplooi op de open markt waren aange-
wezen, onbevredigend. De stijging der vrachten kwam te
laat om de weinig gunstige resultaten gedurende de eerste
vijf maanden goed tè maken.
Opvallend was de. gunstiger tendentie in de.Amerikaanse
sector in de maand Juni. Nadat de vrachten in de zgn.
kustvaart tot een dieptepunt, nl. USMC minus 50/60 pCt
waren gedaald, steeg de vracht voor het vervoer van
donkere olie van de Caraïbische Zee naar Noord-
Amerika totminus 30 pCt, terwijl inmiddels verscheidene
10Augustus
1955
ECONOMICH-STATIST’ISCHE BERICHTEN
709
schepen tegen USMC minus 15 •pCt zijn bevracht.
Er bestaat vooral vraag naar spoedig beschikbare
ruimte. Zo bevrachtte bijv.
Esso
kortelings een Deens
tankschip met een laadvermogen van 18.000 ton voor
twee achtereenvolgende reizen van de Caraïbische Zee
naar Noord-Amerika tegen de netto schaalvracht, terwijl
Amerikaanse bevrachters thans bovendien belangstelling
tonen voor tonnage gedurende de wintermaanden, waar-
voor inmiddels een viertal T-2 tankers eveneens tegen
de netto USMC schaaivracht voor reizen gedurende het
tijdvak November-Maart werd bevracht.
Het opvallende bij deze ontwikkeling is dat de zomer-
maanden notoir de minst gunstige zijn. De vraag is als
regel beperkt, hetgeen automatisch tôt lager vrachten
leidt. Thans vindt het tegenovergestelde plaats. Sedert
Juni is er een duidelijke opleving en de omstandigheid
dat bevrachters thans reeds, tegen aanmerkelijk hoger
vrachten dan enkele maanden geleden golden, hun be-
hoefte aan ruimte gedurende de wintermaanden indek-
ken, wettigt het vertrouwen in rederskringen dat de
tankvrachten zich voorshands in stijgende richting blij-
ven bewegen.
Een niet onbelangrijke verbetering heeft zich eveneens
voltrokken in het niveau, waarop de vrachten voor
schone tonnage zich in de Amerikaanse sector bewegen.
Voor een tanker van het T-2 type onder Amerikaanse
vlag per eind Juli werd voor het vervoer ener lading
schone olie van de Caraïbische Zee naar Brazilië USMC
minus 2+ pCt en naar Canada minus 3 pCt betaald.
Sterke steun wordt thans eveneens aan de tankvrachten-
markt verleend door de levendige vraag naar ruimte zowel
voor rekening van Franse bevrachters als van de grote
Engelse maatschappijen, die thans – en dit is vooral
ian betekenis -, na een langdurige periode van stilstand
âan de markt zijn voor tonnage op timecharter basis
ioor een duur van drie tot vijfjaren. O.a. werden recente-
lijk enkele Italiaanse T-2 tankers met oplevering resp.
Juli en Augustus
1956
en Januari
1957
voor dergelijke
perioden op basis van 2/9 per ton draagvermogen per
maand bevraht, terwijl de Engelse maatschappijen
thans ook belangstelling tonen voor tonnage met op-
levering
1955/57
voor een duur van zeven jaren, waar-
voor inmiddels 23/- werd betaald.
De belangstelling gaat overigens vooralsnog uit naar
reeds in de vaart zijnde schepen, maar de verwachting
lijkt gewettigd dat de Engelse maatschappijen eerlang
eveneens zullen overgaan tot bevrachting voor langer
duur van nieuw te bouwen schepen, welke op zijn vroegst
eerst eind
1957
resp. 1958 kunnen worden opgeleverd
en waarvoor, gezien de hoge bouwprijzen, de vracht
25/- of hoger zal bedragen. Als typische bijzonderheid
inogen in dit verband enkele orders worden vermeld,
die karakteristiek zijn voor de sedert kort fundamenteel
gewijzigde stemming. Zo zijn o.a. eerste klas bevrachters
geïnteresseerd in aanbiedingen van nieuw te bouwen
– door reders te financieren – 32/38.000 ton tankschepen
die na gereed komen aan bevrachters op zgn. ,,bareboat”-
basis voor een duur van 10115 jaren worden verhuurd
met die verstande dat bevrachters na afloop van deze
termijn het recht van koop tegen een vooraf overeen-
gekomen prijs in dollars hebben. Voorts circuleert bij
het schrijven van dit overzicht een order voor een tanker
met een draagvermogen van 20/25.000 ton voor het
vervoer van donkere olie, worldwide trading, op time-
charter basis gedurende 115 jaren met die verstande dat
bevracjiters desgewenst het recht hebben graan te ver-
voeren. Evt. zijn alle kosten voor het inrichten van het
-te bevrachten schip voor het vervoer van graan voor
rekening van bevrachters die bereid zijn de huur in
dollars te voldoen. Het vervoer van graan per tankschip’
is weliswaar geen nieuw maar wel een verschijnsel van
de laatste tijd. Verscheidene tankers zijn resp. worden voor
het vervoer van graan dan wel erts verbouwd en een
aantal schepen werd reeds voor graanvervoer, o.a.
van de St Lawrence naar West-Europa, bevracht.
De sloop van oudere tankschepen vindt zoal niet op
grote schaal dan toch geleidelijk voortgang. Per eind
Juni bedroeg het draagvermogen der uit de vaart ge-
nomen tankschepen iets meer dan 1.300.000 ton, maar
de verwachting lijkt gewettigd dat deze tonnenmaat bij
voortgezette sloop van oudere, niet langer economische
schepen enerzijds en een verder aantrekken der tank-
vrachten anderzijds, een verdere daling te zien zal geven.
Typerend voor de snelle fluctuaties op de’ tankvrachte’n-
markt is wel dat bijv. in Januari 1954 als basisvracht
van de Perzische Golf 49/3 per ton werd betaald. In
Augustus d.a.v. was de vracht tot 29/9 gedaald! Dit jaar
steeg de vracht plotseling gedurende korte tijd tot 91/9
om
ifl
Mei jl. wederom tot 42/3 te dalen waarop, zoals
reeds gereleveerd, wederom een niet onbelangrijke
stijging is geolgd.
De vraag rijst aan welke factoren de jongste, onver
–
wachte, verbetering is te danken. Allereerst dient dan
te worden gewezen op de grote industriële bedrijvig-
heid in Amerika en West-Europa enerzijds en de on-
toereikende Europese kolenproductie, waardoor het
verbruik, van petroleum gestimuleerd wordt, anderzijds.
De constant dalende kolenproductie in Engeland leidde
bijv. daar te lande tot een stijging van
5
pCt van het
olieverbruik in het tweede kwartaal 1955 en van niet
minder dan bijna 14 pCt vergeleken met het eerste
kwartaal 1954.
Het groter verbruik gold zowel gas als diesel- en stook-
olie. Zo richt thans ook de Central Electricity Authority
momenteel een zevental electrische centrales, welke tot
dusver 4/5 mln ton kolen per jaar verbruikten, in voor
het stoken van olie. De Esso Petroleum zal gedurende
tien jaren de benodigde stookolie, t.w. 30 mln ton, leveren.
In dit verband moge er op worden gewezen, dat de
productie van ruwe olie door de zgn. ,,sterling”-maat-
schappijen – de Amerikaanse productie is hierin niet
begrepen – in 1954 met bijna 8 pCt vergeleken met het
jaar tevoren is gestegen en een totaal van 97,3 mln ton
heeft bereikt. De in haar raffinaderijen verleden jaar
verwerkte ruwe olie nam met ca 12 pCt toe en bereikte
een totaal van 84,2 mln ton. Voorts speelt vermoedelijk
de overweging dat met stijgende prijzen moet worden
gerekend, eveneens een rol, ,terwijl ten slotte de vrees
dat bij een strenge winter het aanbod van huisbrandolie
wellicht ontoereikend zal zijn om in de behoefte te voor-
zien, er waarschijnlijk toe leidt dat men tijdig de voorraad
op peil wil brengen.
11.
Het draagvermogen der wereldtankvloot nam ge-
durende het eerste halfjaar
1955
met rond 825.000 ton
toe; in feite de geringste toename sedert medio 1950.
Weliswaar werden nieuw gebouwde schepen met een
totaal draagvermogen van rond 1,8 mln ton opgeleverd,
riaar oude schepen met een totaal draagvermogen van
ruim 450.000 ton werden gesloopt en voorts werden
schepen met een totaal draagvermogen van ca 380.000
ton verkocht ten einde na verbouwing in de algemene
vracht- resp. ertsvaart te worden geëxploiteerd. Bovendien
werden -Amerikaanse schepen met een totaal draagver-
710
ECONOMISCH-SrATISTISCHE BERICHTEN
10 Augustus-1955
mogen van bijna 200.000 ton aan de Amerikaanse reserve-
vloot toegevoegd.
Onderstaand volgt een overzicht van de groei dex
wereldtankvloot sedert 1939:
– In tonnen draagvermogen
1 Juli 1939
1 Mei 1948
1 Januari 1955
1 Juli 1955
16.078.000
23.352.222
39.539.445
40.376.187
Bij deze totalen is geen rekening gehouden met de
tankvloot van de Amerikaanse Regering. Engeland
nam op 1 Juli ji. met 8.005.151 ton draagvermogen de
eerste plaats op de ranglijst in, gevolgd door de Verenigde
Staten en Noorwegen met resp. 6.668.262 en 6.425.203
ton draagvermogen. Daar op 1 Juli jl. voor Noorse
rekening tankschepen mt een totaal draagvermogen van
1.908.500.ton tegen slechts 320.500 ton voor Amerikaanse
rekening
–
in aanbouw waren, mag worden aangenomen
dat Noorwegen éerlang de tweede plaats zal innemen. In
dit verband dient er op te worden gewezen dat de Noorse
tankvloot voor het overgrote gedeelte eigendom van
particuliere rederijen is, zulks in tegenstelling tot Enge-
land, waar de grote oliemaatschappijen zelve een aan-
zienlijke vloot exploiteren. Zo beschikte, om slechts één
voorbeeld te noemen, de British Tanker Co (British
Petroleum Co, vroeger Anglo Iranian) ultimo 1954 over
148 tankschepen met çen draagvermogen van 2.063.000
ton, terwijl nog negen schepen met een draagvermogen
van 256.000 ton in aanbouw waren. Houdt men voorts
INGEZONDEN STUK
rekening met de tankvloten onder Engelse vlag van Shell
Tankers, Esso en Caltex, dan is het duidelijk dat de
vloot in eigendom van particuliere Noorse rederijen
aanzienlijk groter is dan die in Engeland.
De navolgende tabel geeft de hoogste wachten weer,
welke voor reischarters in het tijdvak 1950/55 werden
betaald:
j
1
Amerikaanse kustvaart
dollarvrachten
Grote vaart
dollarvrachten
Grote vaart
sterlingvrachten
nedio Juli 1950
U-25 d.
U-20 ct
U-25 d.
M+5 c.
1951
U+12* cl. U flat c.
U+20 d.
M+70
cl.
•
M+120c.
1952
U+5
cl.
U+25 c.
U-2j d.
M-4-60
cl.
1953
U-36j d.
U-25 c.
U-45 d.
M-25 ci.
1954
U-70 d.
U-40 c.
–
U-58+ c.
1955
U-15 d.
U-21 c.a)
U-30 d.
M-5
ci.
U-24c.
U = USMC-schaalvracht. D = donkere olie. C = schone olie. flat.-
netto schaaivracht.’ M = MOT-schaaivracht.
a) Caraïbische Zee/Rio de Janeiro.
Ofschoon, zoals uit het voorgaande blijkt, de tank-
vrachtenmarkt aan grote schommelingen onderhevig is
en voorspellingen hachelijk zijn, lijkt vertrouwen in een
verdere gunstige ontwikkeling, vooral gelet op de toege-
nomen behoefte der grote maatschappijen aan ruimte
zowel op reisbasis als voor achtereenvolgende reizen en
langdurig timecharter, gewettigd.
Rotterdam.
C. VERMEY.
Het loon, van de overheidsdienaar
De heer G. E. .Rotgans te ‘s-Gravenhage schrijft ons:
In ,,E.-S.B.” van 1 Juni ji. heeft Mr H. Snel— blijkbaar
met als directe aanleiding het rumoer, dat om de laatste
loonsverhoging in de overheidssector is ontstaan – de
aandacht gevraagd voor: ,,de verhouding tussen de bij
het loon komende secundaire voordelen in de overheids-
dienst en de overeenkomstige secundaire inkomsten van
de werknemer in het particuliere bedrijfsleven”. Aan de
hand van een aantal voorbeelden en cijfers stelt hij dan
een belangrijke dispariteit vast en komt tot de aan-
beveling, dat de in te stellen looncommissie – die tot
taak zal krijgen de lonen bij de overheidsdienst en in het
bedrijfsleven te bestuderen – ook met deze secundaire
omstandigheden rekening zal dienen te houden.
Voorop gesteld moet worden, dat tegen de algemene
strekking van het betoog van de heer Snel bezwaarlijk
bedenkingen zullen kunnen ontstaan. Niettegenstaande
de plaatsgevonden belangrijke verbetering van de sociale
regelingen voor de particuliere werknemers geeft de
overheidsdienst vrijwel integraal een – soms bedindend
– grotere zekerheid en in een aantal gevallen betere
minimumvoorwaarden ten aanzien van pensioen, ziekte,
invaliditeit, weduwen- en wezenverzorging en ontslag
ten gevolge van overcompleet;- nog daargelaten dat ook
in andere opzichten de rechtspositie van de ambtenaar,
speciaal ook wat betreft zijn promotiemogelijkheden,
herhaaldelijk beduidend ,,steviger” is dan die van de
werknemer in het particuliere bedrijfsleven.
In hetmidden latend of een afzonderlijke aanbeveling,
als door de heer Snel gegeven, voor de door de Regering in te
stellen looncommissie wel nodig is – de directe binding
tussen primaire en secundaire inkomsten is in theorie en
practijk zodanig bekend en zo vele malen aan de orde
gesteld, dat bezwaarlijk aangenomen mag worden, dat
de Regering bij haar opdracht aan deze commissie hier-
mede geen rekening zou houden – verdient de in het
artikel gevolgde betoogwijze zeker de aandacht. In de
eerste plaats valt het namelijk op, dat – hoewel titel en
aanhef van het artikel suggereren, dat de lonen (c.q.
salarissen) van de overheidsdienaren in algemene zin in
beschouwing worden genomen en ook de conclusie en
aanbevelingen in het algemene vlak zijn gesteld – de
opgenomen voorbeelden en de (cijfermatige) argumentatie
zich uitsluitend richten op de, zij het ook in aantal grote
doch in wezên begrensde, categorieën van overheids-
dienaren en particuliere werknemers in de lagere loon-
groepen.
Bij de ontwikkeling van het loonpeil voor de verschil-
lende sociale groepen hebben, naar bekend, na de oorlog
een aantal invloeden gegolden, die tezamen tot zeer uit-
eenlopende consequenties hebben geleid. Voor de lagere
en laagste salarisgroepen heeft,, zowel bij de Overheid,
als in het bedrijfsleven, als practische richtlijn gegolden;
dat in principe naar behoud van een minimum koopkracht
diende te worden toegewerkt, en deze koopkracht mocht
voor de ongeschoolde arbeiders slechts weinig afwijken
van die van de geschoolde arbeider van vôôr de oorlog
Ook wordt gemeend te mogen stellen, dat, door de ver-
schillende de laatste jaren plaats gevonden verruimingen,
de toestand is ontstaan, dat thans in het algemeen deze
koopkracht voor de arbeiders – soms niet onbelangrijk
– is gestegen, doch voor de laagst bezoldigde groepen
geschoolde ambtenaren-vaklieden in doorsnee nog iets
beneden het vooroorlogse peil ligt, al zijn door wijziging
in rangverhoudingen een aantal incidentele correcties
naar boven ontstaan.
Voor de hogere, en ook voor een deel van de middel-
bare ambtenaren is op de bruto-lonen een doelbewuste
.
10Augustus 1955
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
711
nivellering toegepast, zodat reeds de nominale vooruit-
gang van het bruto-salaris in een groot aantal gevallen
soms zeer sterk is achtergebleven bij die in de lagere
groepen.
In het bedrijfsleven is in de eerste na-oorlogsjaren een
overeenkomstige tendentie waarneembaar geweest; doch
deze is met het verbeteren van de algemene resultaten van
de bedrijven en de toenemende schaarste aan goede
arbeidskrachten geleidelijk aan vrijwel geheel verdwenen.
Voor een juiste beoordeling van, èn het door de heer
Snel aan de orde gestelde verschijnsel, èn de consequen-
ties er van, dient hierbij verder in aanmerking te worden
genomen, dat:
voor de lagere groepen ambtelijke en particuliere
werknemers als regel de bijkomende algemene sociale
– voorzieningen – en terecht – sterk zijn verbeterd;
daarnaast het aantal (grotere) bedrijven, dat eigen
(extra) pensioenvoorzieningen heeft getroffen hand
over hand is toegenomen;
de stijging van de winsten in het bedrijfsleven ‘de
laatste jaren bovendien heeft geleid tot opvoering van
de salarissen en secundaire inkomsten voor een
groot aantal middelbare 6n hogere salaris trekkenden;
bij de Overheid voor bepaalde groepen, speciaal in
de laagste functies van de verschillende korpsen
waar de aanwerving spaak dreigde te lopen, maar
ook soms voor gehele diensttakken-gedacht wordt
hierbij o.a. aan: leger, marine, luchtmacht, onder-
wijzers, leraren, rechtelijke macht enz. -, inôidentele
extra-salarisverhogingen zijn doorgevoerd;, terwijl
daarnaast
voor een aantal topfunctionarissen in de overheids-
dienst de nominale salarissen incidenteel procentueel
weer meer zijn verhoogd dan voor de daar beneden
staande hogere functionarissen.
Enkele voorbeelden.
Op dit punt zal hier verder niet worden ingegaan, doch
volstaan zal worden met het door enkele cijfervoorbeelden
aangeven van de orde van grootte van enkele van deze
verschillen in de overheidsdienst. Hiervoor zijn hieronder
tegenover elkaar gesteld de maximum-salarissen in een
viertal ambtelijke ,,standaard”-functies, ni. de vakman,
de commies, de administrateur en de secretaris-generaal,
in 1938 en volgens de salarisregeling
1955.
Maximum bruto-salaris (inclusief vacantietoeslag
en verminderd voor pensioenbijdrage)
Geh. z.k.
Geh. 2k. Geh. 4k.
1938
1955 1938
1
1955 1938
1955
f1.408
f 3.478
f1.528
f 3.904
f1.648
f 4.375
Vakman
………….
Indexcijfer
…………….
100
247
100 255 100 265
Commies
………….
f2.774
f
6.157
f2.959
f
6.583
f3.144
f 7.054
Jndexcijfer
……………
100
222 100
222
100
224
Administrateur
…….
f5.550
f11.926
f5.910
f12.573
f6.270
f13.266
100
215
100
213
100
211
lndexcijfer
……………
Secretaris-generaal
f7.183
.
f20.407
f7.615
f21.054
f8.047
f21.747
Indexcijfer
…………
100
284
100
276
100
270
De uit deze cijfers blijkende verschillen behoeven naar
het voorkomt geen nadere toelichting. Dat een feitelijke
algehele omvorming van de verhoudingen is doorgevoerd
komt in de indexeijfers voldoende tot uiting. En de achter-
uitgang van bepaalde ambtenarengroepen, in vergelijking
met de lagere en hoogste groepen, spreekt nog meer, wan-
neer men hier tegenover stelt, dat het inkomen per hoofd van
de bevolking (nationaal inkomen tegen netto-factor-
kosten: aantal inwoners) in Nederland in 1938 f 561 en
in
1954
f 1.985 bedroeg, een toename dus van
100
tot
354.
Belastinginvioed.
In bovenstaande cijfers is opzettelijk geen rekening
gehouden met de invloed van de wijziging in de progressie
van inkomsten- en loonbelasting. Deze geldt immers zowel
voor ambtenaren als voor particulieren. Voor het ver-
krijgen van een inzicht in de verschillen in wijziging van
de koopkracht voor de diverse ambtelijke groepen is
toepassing van deze belastingcorrecties echter wel
nodig en dan ontstaan de volgende vergelijkingscijfers.
.Netto-inkomen na aftrek van
inkomsten- en loonbelasting
–
Geh. z.k.
Geh. 2k.
Geh. 4k.
1938.1
1955
1938
1
1955
1938
1
–
1955
f1.357
f
3.240
f1.491
f
3.784
f1.622′ f 4.352
Vakman
………….
100
239
100 254
100 268
Indexcijfer
……………
Commies
………….
f2.531
f
5.416
f2.786
f 6036
f2.994
f
6.714
Jndexcijfer
……………
100 214 100
217
100
224
Administrateur
…….
f4.987
f 9.590
f5.347
f 10.519
f5.721
f11.455
100 192 100 197
100
200
Indexcijfer
……………
Secretaris.generaal
….
f6.386
.
f 14.423
f6.801
f 15.436
f7.233
f16.440
Indexcijfer
…………
.100
226
100 227
100
227
Pensioe,en.
Blijkt uit de hiervoor gegeven cijfers reeds duidelijk hoe
misleidend het moet zijn de ambtenaarssalarissen als
geheel af te meten naar de salarissen van de lagere groep,
nog ernstiger wordt de mistekening, wanneer men een
beeld van de secundaire inkomsten tracht te vormen
door ook hierbij alleen de lagere loongroepen in bescjiou-
wing te nemen.
Voor de hiervôôr vermelde functionarissen bestaan nL
de volgende pensioenverhoudingen.
Pensioen verhoudingen
I
Max. ouder- We Pensioen
doms- pensioen
duwen-
weduwe
pensioen + 2 wezen
Vakman
……………………..
f 2.603 f1.688 f2432
Pensioen in pCt inkomen
75
pCt
49 pCt
62
pCI
Commies
……………………..
f 4.516
f2.491
f3.608
Pensioen in pCt inkomen
73
pCI
40
pCt
55
pCt
Administrateur…………………f 7.308
f3.317
f4.764
m
Pensioen in pCt inkoen
61
pCt
28 pCt
38 pCt
Secretaris.generaal
………………
f 8.880
f3.750
f5.370
m
Pensioen in pCt inkoen
44 pCt
18
pCt
25
pCt
Verhoudingen voor eigen pensioen, variërend van 75
tot 44 pCt van het inkomen, voor weduwenpensioen van
49 tot 18 pCt alleen reeds, geven naar het voorkomt vol-
doende overtuigend aan hoe gevaarlijk generaliseren
hierbij is.
Secundaire inkomsten.
• Naast de hiervoor ten aanzien van de algemene strek-
king van het artikel aangegeven bezwaren trekt het de
712
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
10 Augustus 1955
aandacht dat de opgenomen (cijfer)vergelijkingen op een
aantal punten een zodanig onvolledig beeld van de be-
staande verhoudingen geven, dat – soms geheel – on-
juiste conclusies zouden kunnen worden getrokken.
Zo dient in dit verband gewezen te worden op het tegen-
over elkander stellen van de driejarige ambtelijke ziekte-
regeling en de formele 80 pCt-regeling voor 1 jaar voor
de particuliere werknemers. Deze vergelijking suggereert
als zou, na afloop van dit eerste jaar, voor de particuliere
werknemer niets meer gebeuren, en hij dus geheel zonder
inkomsten zijn, en dic is zeker niet juist.
Daarnaast bestaan ernstige bedenkingen tegen de in
het artikel gegeven cijferopstellingen, bedoeld om een
vergelijking te geven tussen de oude
dag- en weduwen- en
wezenverzorging voor de lagere ambtenaar, met een
inkomen van f 4.000 en de arbeiders in enkele bedrijfs-
takken.
Eén van de meest sprekende voorbeelden hiervan ligt
bij de vergelijking van de ouderdomspensioenen. Hierbij
zijn in het artikel tegenover elkander gesteld:
voor de ambtenaar ‘eçn pensioen van f2.500 p.j.;
voor de particuliere werknemers in de sectoren
grootmetaal, bouwnijverheid en grafische industrie
pensioenen van resp. f 310, f 380 en f750
p.j.;
be-
nevens voor allen de ouderdomsrente van f 300 p.j.
Hieruit zou men dus moeten concluderen, dat de totale
bruto-pensioeninkomsten op 65-jarige leeftijd bedragen:
grootmetaal f 610 p.j., bouwnijverheid f 680 p.j. en
grafische industrie f 1.050 p.j. of resp. slechts ruim
25,
27 en
42
pCt van die van de vergeleken lagere ambtenaar.
De betrokken arbeiders vallen echter ook onder de be-
palingen van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, zodat
zij van de Staat niet slechts de vooroorlogse f 300 ouder-
domsrente, maar bovendicn een toeslag ontvangen,
waardoor hun totaal, als pensioen te beschouwen, in-
komsten stijgen tot voor: grootmetaal ca fl.700, bouw-
nijverheid ca f 1.720 en grafische industrie ca f 1.900 of
wel resp. ca
68,
ca 69 en ca 76 pCt van het pensioen van
de met hen vergeleken ambtenaren.
Slotopmerking.
Hiernaast maakt de schrijver – terzijde – een op-
merking over het milliardentekort van het pensioenfonds
en geeft daarbij, zonder er verder op in te gaan, de indicatie
als zou ook dit zijn standpunt versterken. Dit moet
echter wel zeer sterk worden betwijfeld. Dit – afzonder-
ljke – probleem ligt niet in het vlak van de hoogte van
de pensioenen, doch in de sector van het pensioen-
financieringsbeleid. Indien men deze kwestie toch in de
gegeven beschouwingen betrekt, gebiedt de zakelijkheid
dat men zich tevens volledig rekenschap geeft van bijv.
de gevolgde financieringswijze voor de uitkeringen in-
gevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening en de wijze
waarop gedacht wordt het toekomstige staats(bodem)-
pensioen te financieren. En wanneer men ook hierbij het
fcndsstelsel had ingevoerd waren er nog wel enkele mil-
liarden meer tekort naar voren gekomen.
Bezwaarlijk kan ten slotte worden ingestemd met de
door Mr Snel gegeven opvatting, dat de feitelijke onaan-
tastbaarheid van de ambtelijke salarissen juist in een (crisis)
periode van dalende koopkracht voor de totale economie
zo gunstig zou werken. Daar gelaten, dat niet duidelijk is.
waar de door hem genoemde 800.000 werknemers bij de
Overheid werkzaam moeten zijn, lijkt de stelling, dat bij
een (sterk) dalende conjunctuur handhaven van een fractie
van de totale bevolking op een excessief inkomsten- en
koopkrachtpeil voor deze samenleving zo gunstig zou
uitwerken, niet erg aantrekkelijk. Het maakt de indruk
dat de schrijver wellicht voorbij gezien heeft dat deze
hoge lonen van de – dan rijke – ambtenaren door de
dan arme samenleving uit haar armoede dienen te
worden betaald.
NASCHRWT
Aanleiding tot het schrijven van mijn artikel was niet
zo zeer het rumoer, dat om de onderhavige loons-
verhoging is ontstaan, als wel de onbevredigende situatie,
dat in het debat over de vraag hoe groot de verhoging
moest zijn, de secundaire factoren niet of nauwelijks ter
sprake zijn geweest, terwijl deze factoren – zoals ook de
heer Rotgans erkent – van groot belang zijn.
Dat ik niet alle groepen overheidsdienaren heb ver-
geleken met alle groepen werknemers in het particulier
bedrijf, maar slechts een greep uit de hoeveelheid heb
gedaan, had tweeërlei oorzaak:
het ging er mij meer om te beklemtonen, dat men
meer moet doen dan naakt loon tegenover naakt
loon stellen om tot goede vergeljkingsuitkomsten te
komen, dan om een vergelijking over de hele linie
te maken;
de discussie rondom de bewuste loonsverhoging liep
ten slotte hoofdzakelijk over de hoogte van de week-
lonen.
De door de heer Rotgans genoemde nivellering en
omvorming van de verhoudingen is een kwestie vaii een
binnen de groep der overheidsdienaren interne loon-
verschuiving, die voor mijn betoog niet van belang was,
temeer niet, omdat een zelfde verschijnsel zich ook wel
in het particulier bedrijf voordoet.
Uit de pensioenbecijfering haalt de heer Rotgans meer
dan er in staat. Ik heb slechts een geval geconstrueerd,
dat typerend was voor een zeer groot aantal soortgelijke
gevallen, ‘terwijl de heer Rotgans pensioenen noemt, die
voor betrokkene zelf of voor een relatief kleine groep wel
van belang zijn, maar voor het gehele beeld niet.
Dat de door mij genoemde regeling van doorbetaling
van loon bij ziekte een onjuist beeld van de werkelijkheid
zou geven, kan ik niet beamen. Waar het mij om ging is
aan te’tonen, dat ziekte voor een overheidsdienaar –
zeker aanvankelijk – financieel minder desastreus is
dan voor een man in het particulier bedrijf. Dat ten slotte
de financiële omstandigheden van een zieke ambtenaar
en een zieke arbeider – niet overheidsdienaar ongeveer
dezelfde worden, doet voor bijv. het eerste jaar der ziekte
niet ter zake. Ook hier weer gaat het om de typering.
Verreweg de meeste ziektegevallen duren korter dan een
jaar. De heer Rotgans moet maar eens gaan praten met
een vrouw van een zieke bouwvakarbeider om te horen
hoe financieel mistroostig ziekte van de man voor het
gezin is!
Inderdaad had ik voor de vergelijking der ouderdoms-
pensioenen de uitkeringen Noodwet Ouderdomsvoor-
ziening kunnen noemen. Dan had ik echter ook moeten
wijzen op de komende algemene oudedagsvoorziening, en
hoe dit geregeld wordt naast de ambtenarenpensioenen is
nog niet bekend. Het bezwaar van de heer Rotgans geldt
echter alleen het ouderdomspensioen; de vergelijking der
andere pensioenen wordt daardoor niet beïnvloed. Wel
10Augustus
1955
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
713
wil ik hier een omissie aanvullen. Het pensioen ,,grafische
industrie” is berekend naar een over de 36 jaar gemiddeld
verdiend loon van f 2.000 per jaar.
Ik.denk, dat de Pensioenraad heel wat minder zorgen
had als het tekort van het fonds alleen maar lag in het
financiei:ingsbeleid.
Ieder, die geen vreemdeling in het
Jeruzalem der pensioenen is, weet dat de Staat der Neder-
landen elk.jaar een behoorlijk bedrag moet bijpassen om
tot uitkering van de thans toegekende pensioenen te
komen.
Het slot van,mijn artikeltje heeft de heer Rotgans waar-
schijnlijk niet goed gelezen. Ik heb niet gezegd dat de
ambtelijke salarissen feitelijk onaantastbaar zijn. In feite
onaantastbaar is de ambtenaar als ambtenaar, d.w.z. dat
hij niet gemakkelijk zal worden ontslagen. De salarissen
zullen in een periode van dalende koopkracht wel mee-
AANTEKENING
dalen, maar naar alle waarschijnlijkheid minder snel
en minder diep dan de lonen der werknemers in het
particulier bedrijf, zodat de ambtenaren minder in de
malaise delen dan andere werknemers.
En dit feit – het enigermate op peil houden van de
koopkracht van dat deel van de Nederlandse bevolking,
dat ten getale van ca 800.000 werkraam is bij gemeenten,
provinciën, waterschappen, rijksinstanties (burgerlijke en
militaire) overheidsbedrijven, staatsmijnen e.d. – ook
al zal dit door een armere samenleving moeten geschieden
– heeft, zeker als de dejressie een structuur heeft als die
van 1930-1940, een stimulerende invloed ten goede op
de nationale economie. Toegegeven kan echter worden,.
dat zich ook een periode van laagconjunctuur laat denken,
waarin mijn stelling minder houdbaar is.
‘s-Gravenhage.
Mr H. SNEL.
Betekenis en taak van public relations
in de Verenigde Staten
Het onderzoek, dat Nugent Wedding Jn 1949/1950 in
de Verenigde Staten instelde naar de toepassing van
public relations in het zakenleven, is gepubliceerd onder
de titel: ,,Public relations in business; a study of the acti-
vities of large corporations”
1).
Een recent onderzoek
van dezelfde aard door de Medili School of Journalism
is gepubliceerd, onder de titel: ,,Public relations as a
management function”. Uit de vergelijking van de titels
zou men tot een zekere vooruitgang in de betekenis van
public relations in Amerika kunnen besluiten. Vergelijking
van beide studies bevestigt deze conclusie.
Wedding onderzocht 85 grote ondernemingen, van
welke 40 pCt behoorde tot de 200 grootste Amerikaanse
ondernemingen. Hij informeerde naar de plaats van het
public relations-werk in de on4ernemingsorganisatie,
naar de aard van het werk, naar de doelstellingen daarvan
en de methoden van selectie dier doelstellingen, de bepa-
ling van de resultaten van het public relations-werk en
de vaststelling van de budgetten voor dit werk.
Het meer recente onderzoek van de Medill School, dat
ons in de vOrm van een overzicht
2)
ter beschikking staat,
omvatte 450 ondernemingen, grote en kleine en uit zeer
uiteenlopende branches. Het volgende is er aan ontleend.
Van genoemde ondernemingen heeft 47,1 pCt een eigen
public relations-afdeling of een adviseur. Van de onder-
nemingen met een eigen afdeling maakt 21,2 pCt nog
gebruik van de diensten van een adviseur. Een afdeling
telt gemiddeld 7,5 persoon, maar 38,2 pCt van de onder-
nemingen werkte met een afdeling van twee personen.
Geen enkele onderneming heeft de laatste vijf jaren
haar activiteit inzake public relations beperkt; 74,4 pCt
had die activiteit uitgebreid. Van de ondernemingen wil
71,4
pCt
in de komende vijf jaren nog meer aandacht
aan public relations besteden.
Van de onderzochte ondernemingen heeft 14,9 pCt
een public relations-afdeling ingesteld in de periode 19 13-
1929; 28,3pCt in 1930-1941; 4,1pCt in 1942-1944 en
52,7 pCt in de periode 1945-1953. De samenwerking met
1)
Nugent Wedding, ass. prof. of marketing: ,,Public relations in business; a
study of the aclivities of large corporations”. University of Illinois Bulletin. Vol.
– 47, nr 79, July 1950.
1)
,,PR in Aklion”, ii ,,Public Relations Revue”, nr 3, jrg. 1, April 1955. Her’
susgegeben von der schweizerischen Public Relations Gesellschaft, Luzern
een adviseur is in 82,7 pCt van de gevallen na 1945 be-
gonnen.
De public relations-activiteit is tot de volgende maat-
schappelijke groepen gericht: personeel en familie daar
–
van, afnemers, aandeelhouders, bewoners van de plaats
van vestiging, grossiers en detaillisten, leveranciers, rege-
ring en overheidsinstellingen, het publiek in het algemeen,
verenigingen e.d., scholen, concurrenten.
De chef van een public relations-afdeling heeft volgens
het onderzoek van de MedilI School of Journalism een
veelomvattende taak; het onderzoek leidde tot de opsom-
ming van 35 van de belangrijkste punten. Hieromtrent
is volledigheid vrijwel bereikt, doch ter wille van de over-
zichtelijkheid geven wij die punten in onderstaand systeem
weer.
Tot goed begrip moge worden aangetekend, dat ge-
noemde chef allereerst een deskundige moet zijn inzake
geestelijke communicatie. Dat wil zeggen, dat hij aan
mededelingen een zodanige inhoud en vorm kan geven,
dat zij tot de bestemde groepen van mensen doordringen
en direct of indirect het gewenste effect hebben, nl. begrip.
Daartoe moet de chef o.a. rekening houden met de om-
standigheden en de aard van die groepen en verder de
juiste publicatieniiddelen en het juiste publicatietijdstip
kiezen. De directie, de personeelafdeling, de verkoop-
‘afdeling enz. doen vele mededelingen van zakelijke aard
uitgaan; hierbij kan deafdeling public relations advise-
rend medewerken aan de ,,finishing touch”. De chef van
die afdeling kan ook – en dikwijls ligt vooral hierin zijn
kracht – het initiatief nemen tot niet direct zakelijk
nodige mededelingen, die indirect een zeer nuttig effect
kunnen hebben. Bij beide soorten mededelingen heeft de
public relations-chef er voor te zorgen, dat steeds zoveel
mogelijk – zelfs bij zakelijk onprettige mededelingen –
bij de ontvangers daarvan begrip voor de onderneming
ontstaat of behouden blijft. Dat betekent, dat zij zich in
de situatie van de onderneming kunnen indenken en haar
handelingen van haar situatie uit misschien onbewust
billijken. Dit kan een nuttige invloed-hebben op even-
tuele reacties op die mededelingen in gedachten, woorden
of daden.
Omgekeerd heeft de public relations-chef er,toe mede
714
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
10Augustus
1955
te werken, dat binnen het bedrijf begrip heerst omttnt
de groepen daarbuiten, alsmede begrip voor elhar bij
de groepen binnen het bedrijf. Bijv. bij een marktanalyse
inzake de behoefte en de waardering ten aanzien van het
product, welke de directie en de verkoopafdeling wensen,
moet de public relations-chef er aan mede werken, dat
de opvattingen bij afnemers of mogelijke afnemers om-
trent de onderneming in of naast de marktanalyse zo goed
mogelijk worden vastgelegd.
De functie van de chef van depublic relations-adeling
is dus het bevorderen van wederzijds begrip tussen de
onderneming en de maatschappelijke groepen daarbuiten,
die van belang of mogelijk belang voor de onderneming
zijn, alsmede van het begrip tussen groepen binnen de
onderneming, waardoor de onderneming uiteraard ook
zeer wordt gediend. Dat wederzijds begrip vereist aller-
eerst communicatie in boven geschetste zin, waarnaast
men representatie e.d. zou kunnen noemen. De public
relations-chef redigeert niet alle mededelingen, die van
de onderneming uitgaan, maar hij adviseert daaromtrent
in belangrijke gevallen afzonderlijk of omtrent richtlijnen
voor routine-mededelingen, waarna de directie ‘of een
andere topfunctionaris beslist. Op bepaalde onderdelen
kan genoemde chef zelf uitvoerend optreden.
Na zijn functie en plaats in de ondernemingsorganisatie
aldus omschreven te hebben, kan een systematisch over-
zicht van de belangrijkste delen van de taak van de public
relations-chef volgen, zoals de Medill School die heeft
geformuleerd. Allereerst komt zijn taak inzake het orgaan,
dat hem in zijn functie moet bijstaan. De indeling wordt
dan als yolgt:
public relations-afdeling: a: de organisatie daar-
van; b. de opstelling van een jaarlijks budget daarvoor;
adviezen aan ‘de directie: â. oriënteren over alle
aangelegenheden, wat het public relations-aspect daarvan
betreft, eventueel als lid van de directievergadering; b.
het opstellen van belangrijke brieven voor de leiding met
het oog op genoemd aspect; c. het adviseren omtrent nut
en hoogte van bijdragen âan allerlei instellingen; d. het
uitvoeren van opinie-onderzoekingen bij het personeel,
de aandeelhouders, de afnemers en hun familie, alsmede.
bij de bewoners van de plaats van vestiging. De resultaten
van die onderzoeken komen dan allereerst bij de directie;
e. het opstellen van redevoeringen voor de directie en zo
nddig het uitspreken daarvan uit naam van de directie..
We kçmen zo tot het volgende punt
het uitvoeren van wat in wezen directietaken zijn,
dis in delegatie: a. het organiseren van conferenties; b.
het beantwoorden van vragen van de pers, van universi-
teiten en scholen enz.; c. het onderhouden van samenwer-‘
king met pers, radio en televisie; d. het schrijven van
artikelen voor de pers; e. het organiseren van persconfe-
renties; f. onderhouden van contact met verenigingen en
bonden; g. hetzelfde met universiteiten en scholen; h.
samenwerking met organisaties in de gelijke bedrijfstak;
i. contact met de concurrentie ( een veel vootkomend
punt in de Amerikaanse literatuur; wederzijds begrip
tussen concurrenten zal hun ‘commerciële strijd binnen
strikt zakelijke perken houden, waardoor het aanzien
van de branche bij het publiek geen schade van de con-_
currentiestrijd ondervindt); j. informatie, en contact
houden met de regering en overheidsinstanties; k. contact
met autoriteiten en burgers van de gemeente van, vesti-
ging; 1. publicatie van de dividenden;m. het schrijven van
jaarverslagen voor aandeelhouders en speciale verslagen
voor het personeel;
personeelafdeling: a. schrijven en regisseren van
voorlichtings- en trainingsfilms; b. redactie en vormge-
ving van het personeelbiad; c. organisatie en uitvoering
van trainingscursussen; d. vormgeving aan alle literatuur
voor het personeel, vooral introductieboekjes, interne
mededelingen en aankondigingen op borden.
reclame- en advertentie-afdeling: a. het opzetten
van advertenties met algemeen voorlichtende en goodwill
scheppende inhoud; b. optreden als adviserend lid van
de reclame-afdeling; c. vormgeving van tentoonstellingen
en stands met het doel voorlichtend te werken, d.w.z. in het
algemeen iets over de bedrijfstak en/of de onderneming
te vertellen; d. vormgeving aan aanplakbiljetten e.d., die
op goodwill-vorming zijn gericht.
administratie: helpen bij het opstellen van maan-
brieven;
.
.
diversen: a. redactie en vormgeving van eigen tijd-
schriften bestemd voor afnemers, wederverkopers met
voor hen belangwekkende algemene beschrijvingen van
de: producten, de mogelijkheden van toepassing enz.;
b. .het uitgeven van nieuwsbulletins, circulaires, memo-
randums aan allerlei .publieksgroepen; c. het behandelen
van klachten, welke aan de desbetreffende afdelingen
worden voorgelegd, met het doel zo nodig begrip voor
de klacht te wekken, waarna op grond van de verkregen
inlichtingen de klager op een begrip wekkende wijze wordt
beantwoord; d. de uitvoering van speciale acties, bijv.
voor betere voorlichting van het publiek omtrent de
onderneming, haar positie, haar producten enz. met het
doel goodwill te wekken of het publiek begrip te geven
voor bepaalde zakelijke problemen. van welke aard ook;
e.. uitvoeren van, acties binnen het bedrijf voor ophelde-
ring of oplossing van bepaalde problemen of voor het
scheppen van goodwill; f. medewerken bij de invoering
van nieuwe pro4ucten of nieuwe maatregelen.
Rotterdam.
G. DE BRUYN.
GELD- . EN KAPITAALMARKT
De geidmarkt.
Ondanks het passeren van de ultimo bleef de geldmarkt
gedurende de verslagweek ruim. Voor cali overtrof het
aahbod de vraag aanzienlijk; ‘de notering bleef onver-
anderd op het minimum van
4
pCt gefixeerd. De ruime
middelenpositie der banken bleek overigens reeds uit het
feit, ‘dat per 1 Augustus hun saldi bij de Centrale Bank
ca f 130 mln boven het verplichte minimum bleven.
De marktdisconto’s voor schatkistpapier ondergingen
voor enkele langere termijnen een lichte verhoging. Dit
was niet het gevolg van verkoopdruk op de markt, doch
stelde slechts een aanpassing voor aan de Agentsprjzen,
welke laatste in ruime markten – dus ook nu – voor de
marktprijzen bepalend zijn. Van de mogelijkheid om
papier bij de Agent te kopen, werd direct voor enige
tientallen millioenen guldens gebruik gemaakt, waarbij
het accent werd gelegd op afname van (3 en
5
jarige)
bijetten.
‘De buitenlandse discontoverhogingen haddén geen
effect op de markt. Verwonderlijk was dit niet. Allereerst
is het de vraag of De Nederlandsche Bank, indien zij tot
discontoverhoging zou willen overgaan, dit enkele dagen
later zou doen dan haar buitenlandse collega’s in plaats
van ‘tegelijk met deze. Voorts hangt de hoogte van de
marktdisconto’s op de Nederlandse geidmarkt in veel
10Augustus 1955
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
715
minder sterke mate af van het officieel disconto dan van
de ,,officiële” afgifteprijzen van schatkistpapier. Nu deze
laatste, ook bij de jongste aflossing van de wacht door
de Agent, die de verkoop per 1 Augustus van de Centrale
Bank overnam, niet veranderd werden, zou het verbazing
wekken, als zij enkele dagen daarna plotseling omhoog
zouden worden gebracht.
De kapitaalmarkt.
Op de internationale kapitaalmarkten ontstond de
afgelopen week nogal enige discussie over de disconto-
verhogingen, die tegelijkertijd geschiedden in de Ver-
enigde Staten, West-Duitsland en België en die naar werd
vermeld tot infiatiebestrijding dienden.
Voor de reactie op een dergelijke maatregel is van be-
lang, wat bij het publiek zwaarder weegt: het element
inflatie (iii. de kans op een verdere voortschrijding daar-
van) of het element bestrijding (ni. de kans op effectieve
tegenmaatregelen). Daar het langzamerhand tot brede
kringen is doorgedrongen, dat de geldontwaarding der
laatste jaren vooral het gevolg is van loon-prijsronden,
en men niet vermag in te zien, wat het hijsen van het sig-
naal ,,weest op Uw hoede” door de monetaire autoriteiten,
in de vorm van een fractionele verhoging van een (overi-
gens weinig toegepast) rentetarief, hiertegen op zichzelf
kan uitrichten, is de reactie in dergelijke gevallen tegen-
woordig meestal slechts gering en voorbijgaand.
Het koersverloop in Wallstreet gedurende de afgelopen
week schijnt er op te wijzen, dat dit laatste ook thans het
geval is. T.o.v. vorige week Vrijdag daalde Dow Jones
Industrials per saldo van
465,9
tot
456,4
of met ca 2 pCt.
In Amsterdam bereikte het algemeen aandelenindexcijfer
zelfs een nieuw hoogterecord (nl. 222,9 op Woensdag) en
bleef de daarop volgende daling beperkt tot 1 pCt.
Een oudè stelling luidt, dat naarmate een hausse op de
aandelenmarkt langer duurt, successievelijk méér beleg-
gers, die tot dusverre geen risicodragende belegging aan-
durfden, deze voorzichtigheid laten varen en bereid
worden in aandelen te stappen. Een symptoom hiervan
vormt wellicht het thans, na jaren van sterke koers-
stijging op de aandelenmarkt, ingediende Wetsontwerp
tot wijziging van de Beleggingswet, waardoor een be-
perkte mate van belegging in aandelen, onroerend goed
en guldensobligaties van buitenlandse staten en inter-
nationale organisaties wordt toegestaan aan de be-
treffende Rijksfondsen.
Het voortgaand herstel van de internationale oriën-
tering van de Nederlandse beleggingsmarkt blijkt u het
creëren van twee nieuwe investment-trusts, nl. het Bene-
lux-depôt (* Belgische obligaties; voor het overige
ongeveer evenveel Belgische als Nederlandse aandelen;
rendement ca 3
5/8
pCt) en het Beleggingsfonds West-
Duit sland (80 pCt obligaties en 20 pCt aandelen; ren-
dement ca 4j pCt).
Op de obligatiemarkt hadden de vele gesprekken over
een eventuele discontoverhoging hier te lande enige in-
vloed in de vorm van een lichte koersdaling van sommige
staatsfondsen. Een nieuwe buitenlandse guldenslening,
waarvan de emissie werd aangekondigd, was die van
f 40 mln 31 pCt 20-jarige obligaties der Wereldbank
â 100 pCt.
Aand. indexcijfers
(1953
100)
29 Juli 1955
5 Aug. 1955
Algemeen
…………………………
218,1
220,6
Intern,
concerns
………………….
278,6
280,6
Industrie
…………………………
170,4
172,4
Scheepvaart
……………………..
172,3 170,6
Banken
…………………………..
154,6
157,8
Indon.
aand
………………………
154,6
161,6
Aandelen
Kon.
Petroleum
……………………
636/
4
634
3
/
Unilever
…………………………
468
468’/
Philips
…………………………..
446′!,
449
A.K.0.
………………….. ………
336’/
349
1
/,
Kon. N. Hoogovens
………………
349
34$
1
/,
Van Gelder Zn.
………………….
326’/,
330
H.A.L.
…………………………..
239’/,
234
Amsterd. Rubber
………………….
1351/s
1471!2
H.V.A .
…………………………..
152
155’/,
Staatsfondsen
2
1
1,
pCt
N.W.S
.
……………………
3.3
1
/,
pCt
1947
……………………
8
O’/
101′!,,
793
h
100
3
1,
3 pCt Grootboek
1946
………………
99’/,
99
6
/,
3
pCI Dollarlening
………………..
98’/,
98
8
/,
Diverse obligaties
3
1
1,
pCt 0cm. R’dam 1937 VI
101″/,,
101
1
/,
3/
4
pCt Bk v. Ned. 0cm. 1954 11/111
1001/,,
100
3
1
1,
pCI
Philips
1948
………………
102’/,
102
6
!,
3
1
/
4
pCI
Westl. .Hyp. Bank
…………
lOO’f,
100
J.
C.
BREZET.
GEMEENTE ‘S-GRAVENHAGE
Burgemeester en Wethouders van ‘s-Gravenhage
roepen gegadigden op voor de per 1 April
1956
vacerende functie van
Directeur van de
Gemeentelijke Credietbank
Jaarwedde f 9.510,- tot en met
f
12.060,-
Salarisherziening is in voorbereiding.
Vereist zijn ervaring op het gebied van het
credietwezen (hoofdzakelijk gezinscrediet), juri-
dische en administratieve ervaring, alsmede het
vermogen om leiding te geven.
Universitaire opleiding of daarmede gelijk-
staande ontwikkeling is gewenst. Gegadigden
moeten voorts bereid zijn. gedurende enige
maanden v66r 1 April
1956
tegen een nader
overeen te komen salaris bij de Gemeentelijke
Credietbank in dienst •te treden teneinde zich
aldaar in te werken.
*
Sollicitaties met vermelding van opleiding, levensloop en
huidige betrekking, alsmede volledige personalia, binnen
14 dagen na verschijning van dit blad te richten aan
Burgemeester en Wethouders.
Persoonlijk bezoek alleen na uitnodiging.
voor industriële doeleinden
Naamloze Vennootschap
N.V. LIJM- EN GELATINEFABRIEK
,,DELFT”
gevestigd te Delft
UITGIFTE VAN
1500 certificaten
van gewone aandelen
aan toonder
elk groot f. 500.-
voor de
helft delende in de resultaten
van het boekjaar 1955
en ten volle in die van volgende boekjaren
tegen de koers van 150
0
/
waarvan 1150 certificaten uitsluitend voor de houders der
bestaande certificaten en 350 voor de restantbewijshouders.
De
inschrijving wordt
opengesteld op:
[MAANDAG, 15 AUGUSTUS 1955
van des voormiddags 9 tot des namiddags 4 uur
te ROTTERDAM,
ten kantore van Ue Heren
‘s-GRAVENHAGE
en DELFT
R. MEES & ZOONEN
ten kantore van de Heren
BEELS & CO – DE CLERCQ &
te AMSTERDAM:
BOON HARTSINCK
ten kantore van de Heren
HELDRING & VAN MARKEN
op de voorwaarden van het prospectus d.d. 3 Augustus
1955.
Prospectussen en inschrijvingsformulieren zijn bij de kantoren
van -inschrijving verkrijgbaar, alsmede exemplaren van de sta-
tuten en van het laatste jaarverslag en van de statuten en het
reglement van de Vereeniging tot Beheer van Aandeelen in de
Naamloze Vennootschap Lijm- en Gelatinefabriek ,,Delft”.
Delft, 3Augustus
1955 N.V.
LIJM- ENGELATINEFABRIEK,,DELFT”
Adi.Le’2ee4
itv
VACATURES:
HERHAALDE OPROEP
Het Gasthuis te Goes
roept sollicitanten op voor de
– functie van
ECONOMISCH DIRECTEUR
Vereist worden: ruime ervaring in een administratieve
functie en commercieel inzicht, bij voorkeur met middel-
bare opleiding: S.P.D., boekhouden M.O., eventueel econ.
doctorandus.
Geboden wordt een aantrekkelijke werkkring inhou-
dendede reorganisatie van het economisch beheer met
het daaraan verbonden salaris van
f
7.500 tot
f
9.000
exc. 6% verhoging.
Eigenhandig geschreven sollicitaties met opgave van
leeftijd, godsdienst enz. in te zenden uiterlijk binnen 14 dagen na het verschijnen van dit blad bij de heer C. van
Zweeden, Voorzitter van het Gasthuisbestuur, J. A. v. d.
Goeskade 43, Goes.
Kennismaking uitsluitend na oproep.
BESCHI KBARE KRACHTEN
JURIST
43 jaar, veelzijdige ervaring op organisatorisch, bestuur-
lijk en publicistisch gebied, thans werkzaam in verant-
woordelijke functie bij een instelling op het gebied van
de internationale handel, wenst van werkkring te
veranderen. Speciale belangstelling voor internationale vervoersvraagstukken. Brieven onder no. E.-S.B. 32-1,
Bur. van dit blad, Postbus 42, Schiedam.
H..BRONS
Jr
MAKELAAR IN ASSURANTIËN
TELEFOON 11 19 80
EENDRACHTSWEG 11
(3 LIJNEN)
ROTTERDAM
Ao.tuvevuUo-p
DE
ECONOM IST
Maandblad onder redactie
van:
Prof. P. Hennipman, A. M. de Jong,
Prof.
P. B.
Kreukniet,
Prof.
H. W.
Lambers,
Prof. J. Tinbergen,
Prof. G. M. Verrijn Stuart,
Prof. F. de Vries,
Prof. J. Zijlstra.
Abonnementsprijs
f 22.50;
fr. p. post / 2 3.60; voor stu-
denten
/
19.—; fr. per post
f
20.10.
Abonnementen worden aan-
genomen door de boekhandel
en door Uitgevers
De Erven
F. Bohn te Haarkm
DE TWENTSCHE BANK
N.V.
Gecombineerde Maandstaat
op 31 Juli 1955
Kas, Kassiers en Dag-
Kapitaal.
f
49.000.000,
–
geldieningen
– . £
95.531.478,25
Reserve
. ,
..4466,,,
20.000.000, –
Nederlands
Bouwreserve
. . . . . .
..
1.000.000, –
Schatkistpapier
.
455.100.000,
–
Deposito’s op Termijn ,, 224.897.236,71
Ander Overheidspapier,,
63.321.910,72
Crediteuren
.
. . . . .
.
..
801.483.552,78
Wissels
.
.
.
.
.
.
.
.
…
11.662.884,31
Geaccepteerde Wissels
,,
17.173,38
Bankiers in Binnen- en
.
Door Derden
Buitenland……
40.088 198,99
Geaccepteerd
. .
304.807,24
Effecten, Syndicaten en
Overlopende
Saldi
en
Waarden
… …
50.174.196,47
Andere Rekeningen ,,
26.315.220,60
Prolongatiën en Voor-
schotten tegen Effecten,,
37.574.193,41
Debiteuren
………
358.048.913,68
Deelnemingen
(mci.
Voorschotten).
.
5.916.214,88
Gebouwen………..
5.000.000,-
f.1.123.017.990,71
.
f.1.123.017.990,71