Ga direct naar de content

Jrg. 31, editie 1506

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 20 1946

– S

AUTEURSRÈCHT VOORBEHOUDEN

Economis.ch
,
-wStatistisc’he

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

31E
JAARGANG

.

WOENSDAG 20 MAART 1946

No. 1506

COMMISSIE VAN REDACTIE:

J. F. ten Doesschate; N; J. Polak;

J. Tinbergen;
H. M.
H. A. van der Valk; F. de Vries;

H. TV. Lambers (Redacteur-Secretaris).

Adjunct- Secretaris:.J. H. Lubbers.

Assistent-Redacteur: A. de TVit.

Abonnements prijs van het blad, waarin tijdelijk is op ge-

nomen het Economisch-Statistisch Maandbericht, franco

p.p. in iVederland / 26* per jaar. O7erzeeschr gbiedsdeelen

en buitenland / 28 per jaar. Abonnementen hunnen ingaan

niet elk nummer en slechts worden beëindigd per ultimo

van het kalenderjaar. Losse nummers 75 cent.

Alle, correspondentie betreffende advertenties te richten
aan de Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schie-

dam (Tel. 69300, toestel 6).

BERICHT.

Daar na
15
April a.s. de quitanties zullen worden
verzonden, wordt, ter besparing van administratieve
moeite en portokosten, aan de leden van het Nederlandsch
Economisch Instituut en aan abonné’s van ons weekblad
beleefd verzocht – voorzoover zij dit niet reeds deden –
de contributie voor het jaar
1946,
ten. bedrage van 1
30

voor het binnenland en f
33
voor het buitenland, resp.
het abonnementsgeld voor het jaar
1946,
ten bedrage van 1
26
voo,’ het binnenland en f
28
voor het buiten-
land (voor boekhandelaren 1
20,40
en 1
23),
zoo spoedig
mogelijk te voldoen op girorekening no.
8408
of op otize
rekening •bij de heeren R. Mees & Zoonen, alhier.

INHOUD:

Blz.

Hoe Rusland zijn productie-apparaat opbouwde
door Prof. Dr. X. J. .Polak ………………179

Eenige hçschouwingen ovr de Amsiedan’ische dia-
mantnijverheid door
Mr. IV. R. H. vah Essen . . . . 180

De internationale voedsel- en landbouworganistie
van de UNO door
H. A. Rhee,
M.A . ……….
183

>

Nederland’s kans als octi’ooicenti’um van Em’opa door
Jr. C. M. R. Davidson ……………………186

Ingezonden stukken:

Fouten in de rantsoeneering – bronnen van de
zwarte markt dooi’
H. Rijken Pan Olst,
met na-
schrift van Prof. Dr. Ir. J. Coudriaan ……..181

Geld- en kapitaalmarkt

…………………….
191

S t a t is Lie ken:

Bankstaten

……………………………
191

DEZER DAGEN

weet men weinig. De studeerer.de jeugd, gehandicapt in
haar vooropleiding, is verder in levenservaring dan in
kennis. Haar opleiders zijn door een isolement van vijf
jaren achtergeraakt bij de eruptieve ontwikkeling, die
de wetenschap in de oorlogvoerende landen onder den
druk van de noodzaak heeft doorgemaakt. Dit wei’kt door
op den stand der techniek en de productiviteit van den
arbeid. Te weinig weet men nog, dat deze laatste omhoog moet, ivil de loonsverhooging van gemiddeld
50 pCt.,
die
het C.B.S. tav.
24
bedrijfstakken tegenover 10 Mei
1940

constateert, cok de kans op een reëele inkomensve,’bete-
i’ing insluiten.

Dit klemt te meer, omdat wij niet weten, hoe het zal
atloopen met het aan de Vereenigde Staten gevraagde
overbruggingscrediet. Eén ding staat -vast: een grooter
crediet met behoud van buitenlandsche beleggingen, be-
teekent een grooteren rentelast; geen of een kleiner cI’ediQt
met de noodzaak van liquidatie van buitelandsche bc-
leggingen bteekent inkomensderving. Het een of het
ander, maar de rekening van onze verarming wordt altijd
gepresenteerd. Dat het vertrouwen in de kundigheid der
Nederlanders als financiers- in de V.S. niet is aangetast,
blijkt uit de benoeming van Prof. Bruins en Dr. Beycn

tot uitvoerend directeuren van de wereldbank en het inter-
hationale egalisatiefonds. Wij vermelden deze, ook voor
Nederland Waardeerende, benoemingen met te meer vol- –
doening, daar Prof. Bruins, toenmalig rector-magnificus der N.H.H.S., een belangrijk aandeel in de stichting van
het weekblad ,,Economisch-Statistische erichten” h€ et
gehad. Alteen, zooals de President van de Schweizerische Kreditanstalt in zijn juist versèhenen jaarverslag opmerkt,
men weet nog niet, of de beide instellingen ooit tot leven
zullen komen.

De Nederlandsche geïntei’neerden, welke zich nog ver-
preïd over kampen op Java bèvinden, zullen in enkele
kampen worden tezamengebracht. Men weet niet, of dit
de-aanvang is van hun overbrenging naar door de Britten
gecontroleerde gebieden. –
Minister-President Attlee heeft Britsch- T nd ë volledige
onafhankelijkheid toegezegd. Hij wist niet, of Britsch-
Indië zijn voorstellen zou aanvaarden. Ookweet men niet, vat, en of, Rusland zal antwoo,’den
op de Amerikaansche en Britsche nota’s betreffende Iran.
Men weet ook niet, wat precies waar is van de Russische
troepenbewegingen in dat land. Wel kan men zeggen,
dat op Perzië druk wordt uitgéoefend. –
Men weet niet, wanneer de quaestie van het beheer van Duitschland tot een oplossing zal worden gebracht; even-
min is er zekerheid over het aan Italië voor te leggen
vredesverdrag. In feite is er nog geen enkel vredesverdrag
tot stand gekomen: -er is geen- vrede, doch een wapen-
stilstand.

,,Het gezond verstand is het best verdeelde goed op
aarde”, zoo begint Descai’tes zijn ,,Discours de In Méthode”.
We weten het niet.

ALF

N.V. KONINkLIJKE

NEDER.LAN’DS.( H E

ZO U’T 1 N D U ST R IE

– Boekelo Hengelo

ZOUTZIEDERIJ

• Fabriek van:

zoatzuur, (alle kwaliteiten),

vloeibaar chloor

chloorbleekloog

natronloog, caustic soda.

gispen

culemborg
amsterdam

rotterdam

Koninklijke

N ederlandsche

Boekdrukkerij

H. J. M. Roekmis –

Schiedam

1

4′-

Facatu’!s

Door het C.B.S. wordt gevraagd een

ECONOOM

uls wetenschappelijk ambtenaar bij de afdeeling
handels- en vetkeersstatistiek in den rang van
hoofdeommies.
Salarisgrenzen: gehuwd f 4038—f 5188, ongehuwd
3804—t 4554.
Vereischten: Doctoraal examen economische
wetenschappen. Breede wetenschappelijke erva-
rIng en belangstellin.. speciaal met betrekking
tot den buitenlndschen handel. Vermogen om
problemen op dit gebied zelfstand1g te behan-
delen.
Sollicitatiebrieven binnen 7 dagen na het ver-
schijnen van dezen oproep te richten tot den
Directeur van het Centraal Bureau voor de
‘Itatistiek te ‘e-Gravenhage.

Het BEDRIJFSCHAP VOOR VEE EN VLEESCH

Laan van Meerdervoort 55 -. Den Haag

vraagt voor haar Afdeeling Buitenlcmdsche

Aangelegenheden

jong econoom

hefst mei eenige ervaring.

Dc N.V. HOLLANDSHE DRAAD- EN .KABEL-

FABRIF.K vragt sollicitatie voor dc positie van:

Secretaris, van dé Directie

bij voorkeur meester in de rechten.

Eigenhandig geschreven brieven met opgaaf van op-
leiding, reeds, bekleede betrekkingen, leeftijd (nict bo.

ven 35 jaar) en godsdienst, te richten qafi dc Afd. Sc

ci’etariaat.

.Groote Handelsonderneming (grossiershedrijf friet uit-gebreiden afncmcrskring) vraagt:

Jong Drs Economie

doch met eenige jaren praktijk op het gebied van Or-

ganisatie, administratie en statistiek in soortgelijke

onderneming. Voorloopie ter assistentie ‘van den Ad-

ministratief-Directeur, met iie bedoeling, na voldoende

ingewerkt te zijn, belast te worien met de algemeene

administratieve leiding. Sollicitanten moeten hcschik

ken over initiatief, voldoende commerciëclen aanleg,

alsmede tact om leiding te geven aan uitgebreid ad-

ministratief ersoncel.

Eigenhandig geschreven brieven met volledige in-

lichtingen, vergezeld van 2 recente pasfoto’s (van voren

en opzij), voorzien van naam te zenden onder no. 9188

aan Arcs Aiiv. Bedrijf, Dam 2i, Amsterdam v66r

27 Maart 1946, ‘

R. M’E:ES & ZOON EN

AO 1720

Rotterdam, ‘s-Gravenhage. Delft, Schledam

Vlaardingen, Amsterdam (alleen assurantiën)

BEHANDELING VAN ALLE BANKZAKEN

BEZORGING VAN ALLE ASSURANTIËN

AMSTERDAMSCHE

BANK N.V.’,

-/

143 BIJKANTOREN EN ZITDAGEN
KAPITAAL (55.OIO.Ba RESERVES t 31
SCcmccO

EERSTE ,NEDERLAN’DSCHE

Verzekering
Mij, op het Leven en tegen Invaliditeit N.V.
Geveitigd te ‘s-Gravenhage

AOMINISTRATIEKANT000 00606ECH

BELLEVUESTRAAT 2, TELEFOON 5346

Pers one eis- Pensioenverzekering
verschaft directe fIscale besparing – alschrijving van toe-
komsilge lasten — blijvende sociale voldoenin
g

Vraa
g
t U eens welgedocumenteerd advies aan ons
BUREAU VOOR
COLLECTIEVE
CONTRACTEN

(FOS
S.O

STÂNDARD AMERIKAANSCHE PETRÔLEUM
CIE

Voor vervolg rubriel< ,. Vacatures zie pag. 1Y4. k’ubriek ,,Heschikbare Krachten” op pag. 193.

20 Maart 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

179

HOE IUSLAND ZIJN PRODUCTIE-

APPARAAT OPBOUWDE.

De wereld is gedurende de oorlog verrast geweest door
de industriële capaciteit vn,n de Sowjet Unie. Een land,
dat v66r de vorige oorlog als een, in menig opzicht achter-
lijk, hoofdzakelijk extensief agrarisch land gold, dat door
oorlog, revolutie, hurgroorlog en, de n.aweeën daai’van tot zware ontredderin,g en diepe ellende was vervallen, bleek nauwelijks twintig jaar nadien te beschikken over

industrieën en schaduwindustrieën van eën omvang en
een ontwikkeling, die het mogelijk maakten om, gesup-
pleerd door Amerikaanse leveranties, de moderne
oorlog tegen een leidend industrieland als Duitsland tot
een goed einde te brengen. Door velen, die zich omtrent
Rusland en de Russen nog steeds beelden vormden, die
met toestanden van het eerste kwart dezer eeuw over-
eenstemden, werd die ontwikkeling als een wonder gezien.
Wonder en is geen, wonder, aldus luidt ‘de zinspreuk,
waaronder Simon Stevin zijn geschriften, in het licht gaf.
Analyse en doorgrondin,g doen zien, dat de meest ver-
.rassende resultaten tenslotte op logische wijze tot te
onderkennen krachten zijn, terug te brengen. Men, mag dan
degenen,. die het resultaat hebben, bereikt, bewonderen
om de wijze, waarop zij zijn te werk gegaan, het resultaat zelf is, zodra men het heeft doorgron,d, geen voner meer.
Voor ons Nederlanders is er alle aanleidin
g
, te trachten
het Russische wonder. te doorgronden. Thans bevinden
wij oris
r
A
een stadium van, ontreddering, die, al is zij bij
lange na’niet zo diep als de Russische v.n, 1920, vergeleken,
bij wat wij vôôr 1940 waren, toch zeer ernstig is. Er is dus
alle reden om ons af te vragen, hoe de Russen, het hebben,
klaargespeeld, zich
uk
luttele jaren
zd
op te richten.
Na de bittere ellende en dé volkome’n ont.wrichting van het economisch leven in de jaren 1920—’23 heeft

de, N.E.P. (nieuwe economische politiek) de eerste ver-
betering,gebracht. De kapitaalimport, vooral ‘in de vorm
van ondernemersinvestering op grond van verleende con-
cessies, legde het noodverband en deed ‘de samenleving
langzaam weer op haar verhaal komen. FIet levenspeil
vérbeterde en het productie-apparaat werd hersteld.
Hoe noodzakelijk die kapitaalimport ook was, de daar-
mede gepaard gaande afhankelijkheid van b.iitenlandse
exploitanten, was Stalin, en, de zijnen – die na de dood
van Lenin het bewind in, handen hadden genomen – een,
doorn in het oog. FIet leek hun mogelijk, een ‘eigen groot
productie-apparaat op té bouwen met de productiekracht
van een daartoe georganiseerde bevolking-en vari de onder
de N.E.P. herbouwcle en gebouwde outillage. Voorwaarden
‘oor die opbouw ‘aren: hard werken, en sober leven, zo-
doende kon er veel geproduceerd en. veel gespaard worden, zodat een, groot deel van de productieve krachten, kon wor-
den aangewend voor het voortbrengen van kapitaal-
goederen. Déze grondgedachte, waarop het eersté vijfja.ren-plan, (1928—’33) was gebouwd en waarop ook de volgende
vijfjarenplannen steuiden, is alom bekend. Zij verdient
alleen, even te worden gememoreerd, omdat zij zo geheel
overeenkomt met wat ons land thans nodig heeft.
Niet zo algemeen bekend is echter de lijn, waarlangs die
groncigedachte in het eerstè vijfjarenplari uitwerking
heeft gevonden. En juist op die lijn ligt veel bewonderens-
waardigs, in economisch opzicht, waardoor het ,,wonder”
zich heeft kunnen verwezenlijken.

Met ijzeren, consequentie heeft men zich in de jaren 1927
en volgende gerealiseerd, dat het naaste doel van het eco-
nomische plan was de opbouw van een.modern productie-
apparaat. ‘.Wat .doorgaans het doel van het etonomisch
proces is, de verzorging van de consumptieve behoeften,
werd naar de achtergrond geschoven en naar de toekomst.
Gedurende het eerste,vijfjarenplan diende de verzorging
van de-bevolking alleen ter reproductie van de arbeids-
kracht, die voor de opbouw van het productie-apparaat
vereist was. Eerst later, als die opbouw een

eind zou zijn

gevorderd, zou dat apparaat voor de verzorging van de dan
leven,de generaties kunnen worden beschikbaar gesteld, thans was het nog bmgekeerd: het verbruik werd dienst-
baar gemaakt aan de productie van productiemiddelen.
Doelbewust stelde men zich in als Jacob, het grotei-e be-
lang, dat in de verre toekomst gezien werd, hoger te schat-
ten dan de dadelijke bevrediging van primitieve behoeften,
,,dat roode, dat roode daar” (Genesis 25 : 30).
Heeft men zich ingedacht in de gedachten,gaiig, waarbij
slechts het noodzakelijk levensonderhoud, ter reproductie
van arbeidskracht, voor de consumptie wordt vrijgegeven
en alle verdere productie op outillage wordt gericht, dan,
gaat men zich afvragen, hoe le leiders van de Russische
opbouw de bevolking ondanks schaarse verzorging tot hard
werken hebben kunnen brengen. Men denke niet, dat
zwepen of bajonetten, evenmin dat schn,ne leuzen en po-litieke propaganda ooit in staat zullen zijn, de grote massa
tot krachtsinspanning en krachtsontplooiing op te voeren.
Enkele slaafse geesten mogen wellicht voor de zweep
hard gaan aanpakken, een aantal uitstekende individuen
moge zich voor een idee ten volle inzetten, de massa
wordt
n.0
eenmaal alleen bewogen door belang. Men moge
dit betreuren, maar het is niet anders. En de. Russen
zijn van, het eerste vijfjarenplan, af realistisch genoeg gé-
weest om dit te beseffen. Hoe rijmt zich dat evenwel met
de karige voorziening in de consumptieve behoeften? De prikkel tot werken lag hier, in deze armoede-econo-
mie, in het lage grondloon, dat ternauwernood voldoende
was om in het enkele bestaan van één persoön te voorzien.
Dit lage grondloon-noodzaakte alle werkbare leden van
een, gezin, 66k de vrouw, 66k de jongens en meisjes’ boven
de leerplichtige leeftijd, tot het zoeken van werk. En tege-
lijkertijd prikkelde het tot buitengewone arbeidsprestaties,
die hoger.werden beloond. Igenieus uitgedachte premie-
S!)
overgeldsteisels, waarop wij nader terugkomen, en
bijzondere verzorging van gezinnen met kinderen beneden
de werkbare leeftijd, voltooiden dit stelsel. FToe paradoxaal
het ook moge lijken, .de onvpldoende beloning van de
initiale arbeidsprestatie prikkeide tot verhoogde krachts-
inspanning.
In het voorbijgaan zij nog 6pgemerkt, dat het grondloon
niet van (re aanvang af zo laag is geweest. De piijsstijging,
die onder de werking van het plan intrad, heeft het reële
loon omlaaggebracht, dooi-dat de loonvoet bewust ten op-
zichte van de verhoogde prijzen laag werd gehouden.
Naarmate de ontwikkeling van het productieplan meer
werkgelegenheid Öpende, werden dooi het aéhterblijven
van de lonen bij de prijzen ook meer personen tot werken
genoopt.
De financiële prikkel tot meerdere arbeidsprestatie, die
gelegen ‘is in loon naar werk, zou intussen ophouden te
werken, zodra door oefening en verbetering den organisatie
de ai’beidsproductiviteit zozeer zou zijn toegenomen, dat
een normaal bestaan met het bereikte
loon,
kon worden bekostigd. De daarenboven behaalhare premies zouden
weinig effect sorteren, indien er voor dat meerdere loon,
geen begeerde goederen verkijgbar zouden zijn. In, een
opzettelijk ,schaars voorziene consumptiemai

kt kan men
verwachten, dat er boven de toegemeten rantsoenen wel
niet veel beschikbaar zal zijn.
IJet fijne samenstel van belangenpi-ikkels gaf even,wel
de gelegenheid, op volkomen legale wijze overtollig in-komen te besteden, en het maakte niet slechts de moge-lijkheid, maar zelfs de wijze van deze besteding tot een,
prikkel te meer voor hard en aoeltreffend .’erk.

Om dit goed te begrijpen moet men allereerst de orga-
nisatie van prodûctie en consumptie, zoals die onder het,
eerste vijfjarenplan was, kennen. Alle bedrijven waren
georgankseerd in ,,trusts”, welke een bedrijfskolorn of
een groep bedrijfstakken omvatte. Echter waren de be-
drijven uit eenzelfde bedrijfstak niet allemaal in dezelfde
trust sarnenigebraht, maar over enige ti-usts verspreid,
waartoe de meen-voudige verwantschap van elke bedrijfstak

183

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20
Maart
1946
de mogelijkheid opende. Zo waren er kabelfalx.ieken, die
tot de kopertrust behoorden., andere, die deel uitmaaktci
van de staaltrust, weer andere van de trust.voor electrischt
energie of van de spoorwegtrust. Binnen elke trust golden
uniforme verkoopprijzen voor de producten van .alle tot
die trust behorende bedrijven, bij levering buiten de trust
golden die prijzen eveneens, maar verhoogd met een opslag
ten behoeve van de trust. De afnemers binnen een trust
waren verplicht, hun. orders bij hun trustgenoten te plaat-
sen tegen de uniforme prijs zonder toeslag. De afnemers,
die niet deel uitmaakten van enige trust, waartoe enig
bedrijf uit de betrokken tn.k behoorde, waren vrij in de
keuze van hun leverancier e’n betrokken dus bij voorkeur van een bedrijf uit de trust met de laagste uniforme prijs,
waarop zij de trusttoeslag betaalden, De intertrust-con-
currentie hield een prikkel in tot efficiënt werken, tot ver-

laging van de kostprijs.

Die prikkel werkte op velerlei wijze. De uniforme trusi-
prijs werd bepaald op de kostprijs van het. marginale
bedrijf van de trust in het vorige jaar; Beneden die prijs
kon men. een ,,verschil” behalen, zowel een ,,situatie-
verschil” voor den infamarginalen producent, ,n.ls een
,bezuinigingsverschil” voor dengene, die zijn kostprijs
bèneden die van het vorige jaar wist omlaag te drukken.
Beide verschillen resulteerden in een batig saldo van de
winst- en verliesrekening, dat ten dele aan de ti’ust moe31
worden afgedragen ter financiering van uitbreidingen in
de bedrijfskolom, ten dele beschikbaar bleef voor uitbrei-
ding van het bedrijf en voor belangen van de bij het be-
drijf betrokken personen.
Aan deze belangen wijden wij vooral onze aandacht. Men. mag die niet interpreteren als winstdeling van het personeel. Het batig saldo mocht niet aan het personeel
worden uitgedeeld, wel kon het te hunnen bake worden
aangewend. Voorzieningsfondsen, on twikkelingsinstellin-
gen, sportvelden, sanatoria e.d konden ermede worden
gefinancierd. Daarnaast konden bedragen worden ter be-
schikking gesteld van de consumptiecoöpera,tie, waarbij
de leden van het personeel verplicht waren, hun verbruiks-

behoeften te dekken. –
Hier blijkt nu enerzijds, hoe de hn.rd werkende aan meer-
dere goederen kon komen voor zijn extra verdiende loon

anderzijds welk belang alle werknemers hadden bij het
goed renderen van hun bedrijf. Uit het batig saldo van het
bedrijf verkreeg de aan dat bedrijf verbonden coöperatie,
koopkracht om boven de rantsoenen goedereri in te slaan,
teneinde die te koop aan te bieden aan de harde werkers,
die overgeld hadden verdiend.
Maâr, zal men nu vragen, waar kwamen die meerdere
goederen vandaan? De pro,ductie van . verbruiksgoederen
was toch beperkt tot het allernoodzakelijkste en dan kn.n
er van aanbod van goederen boven de rantsoenen geen
sprake zijn.
Ook dit dilemnria is op te lossen, als men het stelsel goed
waarneemt. Bij het maken van productieplannen werd
rekening gehouden met de begrote produntie van elk be-
drijf, maar het bedrijf’ kon, een tegnplan indienen.. Lag
dat tegenplan hoger dan de aanvankelijke begroting,
dan had het centrale planbureau te rekenen niet alleen op een grotere productie van dat bedrijf, maar tevens op een
meerdere vraag naar consurnptiegoederen, een fractie
uitmn.kend van de productievergroting. Het planbureau
kon zodoende aan de producenten van verbruiksgoederen
aangeven, hoeveel er boven de rantsoenen moest worden
voortgebracht.

Het indienen van wlk een tegenplan werd gestimuleerd
door premies, welke op dergelijke biedingen gesteld waren.
Die premies werkten van hoog tot laag, zowel voor de
bedrijven, voor de afdelingen, voor de ploegen. (,,brigades”)
en tenslotte zelfs voor den enkelen arbeider. Zij waren
vervat in een loonstelsel, dat aan contract-bridge doet
denken: premies voor de biedingen, premies of overgeld
voor het resultaat. Strafpunten waren, matig: een hoge

bieding, die men bijna haalde, betr,n.lde veinig minder dan een lagere bieding, die men had overschreden. Een
gehaald of overtroffen hoog bod gaf echter een groot voor-
deel. De hoge prestaties van de stootbrigaden, de jonge
enthousiasten van Komsomol, die, met net zulk een idea-
lisme als on,ze K.P.’ers, het voorbeeld gaven, hebben
getoond, hoe productief de arbeid kan. zijn. En het ver-
nuftige beloningsstelsel voegde daar de belangenprikkel
bij om de productie steeds hoger op te voeren. Het tegen-
plan zorgde dan weer, dat die belangenprikkel bleef be-
staan, dat de verkregen geldpremie ook een reële ver-
hoging van levenspeil, een verruiming van de consumptie
betekende.
Overziet men dit systeem van prikkels tot hard en doel-
matig werken, ten behoeve van de opbouw van een pro-
ductie-apparaat, dan ziet men het grote Russische experi-
ment niet langer als een wonder, maar als een bewonderens-
waardig complex van economische theorie, psychologisch
realisme en technisch constructievermogen. En dan ver-
wondert men zich, dat bij de nabootsing in het Duitse
vierjarenplan en bij de latere Duitse oorlogseconomie de
belangenprikkel, waarvan het Russische systeem was
doortrokken, in zo geringe mate is aangewend,’ althans
in de legale opzet. 1

let doet naïef aan, dat de Duitsers
hebben gemeend, leuzen in de, plaats van die belangen-
prikkels te kunnen stellen. Mede daardoor is de productie
van een veel beter geschoold, veel fijner georganiseerd, veel
ruimer geoutilleerd volk als het Duitse. zo zeer bij het
mogelijke ten ahter gebleven ….
P.

EENIGE BËSCHOUWINGEN OVER DE

AMSTERDAMSCHE DIAMANTNIJVERHEID.

Wanneer wij, sprekende over de hoopvolle toekomst
van de Amsterdamsche diamantnijvei’heid, die gedurende
zoo vele jaren voor Nederland van groote economische
beteekenis is geweest, een indruk willen geven van haar
verblijdende vitaliteit, dan moeten wij, zij het met tegen-
zin, terugzien naar de misdaden, die de Duitschers ook
hier hebben bedreven; misd.den: aan menschn, waar
zij een groot percentage van onze Joodsche ondernemers
en arbeiders, ondanks aanvankelijke beloften van bescher-
ming, ondanks een hopeloozen en ongelijken strijd, die
dezerzijds om hun behoud is gestreden, hebben gedeporteerd
en vermoord; aan goederen,waar zij zich van onze diamant-
voorraden meester maakten. In. ‘den aanvang geschiedde dit op zoogenaamde legale
wijze door aankoopen van Joodsche ondernemers, die schijnbaar vrijwillig, in wezen echter gedwongen, hun
diamanten ‘verkochten, welke verv.olgens, ondanks onze
protesten en verzet, naar Duitschland werden geëxpo:’-
teerd. Later: in September 1944, toen zij de sleutels
van de Arnhemsche safeloketten., waar de diamantvoor-
raden ,,in veiligheid” waren gebracht, niet in handen
konden krijgen, omdt ik er op dat critieke oogenblik
mee ws verdwenen, door inbraak en roof.
Maar onmiddellijk n de bevrijding van ons land was het deze zelfde berooide en beroofde Amsterdamsche diamantnijverheid, die ondanks dit alles trappelde van
ongeduld om weer aan den slag te kunnen gaan, haar
,,steentje” bij tedi’agen tot het herstel van onze in deer-
lijken staat verkeerende handels- en betalingsbalans,
haar oude plaats in het economische apparaat te heroveren.
• En wanneer wij constateeren, dat dit alles zich reeds
thans voltrekt, dat de grondslagen voor den wederopbouw
gelegd zijrt, dan past hier tevens en woord van bewonde-.
.ring voor hen, die, ondanks de ontberingen en ellende in
kampen, moord op nabestaanden en roof van bezittiugen,
met groote energie hun werk veer hebben opgevat.

Teko,’ten, als ge’olg der bezeuing.

Bij het uiten echter van deze optimistische klanken

20 Maart 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 t

waar het de herleving van onze diamantnijverheid betreft,
mogen wij niet uit het oog verliezen, dat er twee, door de
Duitsche bezetters veroorzaakte, tekorten zijn: dat aan
arbeiders – het meest bedenkelijke – en, dat aan weer-stand – door roof der voorraden -, die aan een snellen,
opb]oei in den weg zullen staan.
Wat betreft de voorradèn geslèpen diamant is het zoo gesteld, dat wij in 1940 – ik geef afgeronde cijfers – met
een hoeveelheid van 65.000 krt. (1 krt. is naar wel bekend
mag worden verondersteld
1/5
gram) begonnen zijn, welke
voorraad door de productie tot 70.000 krt. is opgeloopen.
Hiervan is éen hoeveelheid van 34.000 krt. op d&hierboven
omschreven ,,legale” wijze naar Duitschland geëxp.orteerd
en zijn 23.000 krt. uit Arnhem geroofd. Hetrestant, 13.000 krt., heb ik voor Nederland weten te behouden, vertegen-
woordigende e
i
en waarde van omstreeks vijf millioen
gulden, die onze deviezenpositie ten goede zullen kunnen
komen.
Naast deze voorraden moet nog een hoeveelheid onge:
registreerde diamant aanwezig zijn, eensdeels in handen
van hen, die destijds hun eigendom niet of niet geheel hebben aangegeven, anderdeels – en ik meen, dat deze
voorraad de eerstgenoemde verreweg overtreft – toe-
behodrend aan zwarte handelaars, die in diamant gevlucht
zijn en die thans, hetzij hun treurig bedrijf voortzetten
door smokkel naar het buitenland, of door verboden
zetten- in sieraden, hetzij de resultaten van deze vlucht
rustig afwachten. Hierdoor wordt een belangrijke deviezen-
waarde aan ons zoo verarmde land onttrokken en het
volk in zijn allereerste levensbehoeften, geschaad. Slechts
enkele prijzenswaardjge gevallen van- opduiken van ge-
durende de bezetting ondergedoken diamant, kan ik
vermelden.
Naar mijn oordeel is het tekort an geslepen voorraden
weliswaar ontmoedigend – en voor hen,- die rechtstreeks het slachtoffer van de Duitsche roofmethodes geworden
zijn, in vele gevallen catastrophaal —,.doch geen beletsel
voor de wederopleving van de Amsterdamsche diamant-
nijverheid.. De ervaring wijst reeds in deze richting, waarbij
echter niet uit het oog mag worden verloren, dat ernstige
economische moeilijkheden – buitenlandsche concurrn-
tie, conjunctuurschommelingen – zich in deze tijden van
gebondenheid door overheidsbemoeiingen en in verband
met het trage contact tusschen de verschillende landen,
niet, althans niet in gelijke mate als onder normale om-
standigheden, doen gevoelen.
Er zijn een drietal factoren, die bij de herleving ‘een
doorslaggevende, rol spelen en die ik afzonderlijk zal
bespreken, waarbij dan tevens het oog valt op een aantal
bezwaren en moeilijkheden, die ook thans weer, gelijk na
iedere periode van economische ontwrichting, op den
voorgrond treden.
Dëze factoren zijn: de ruwvoorziening, de export en
het arbeidersvraagstuk.

De ruw Qoorziening.

Het diamant – de naam is afgeleid van het Grieksche
,,adameas”, ontembaar – is reeds in zeer vroege historische
perioden bekend. In het Nieuwe Testamentvordt er
gewag van gemaakt. In de Openbaring van Johannes
wordt gezegd: ,,Het hemellicht was gelijkend, op den
allerkostbaarsten steen, den diamant, helder als kristal”.
De Oud-Grieksche wijsgeer Dionysius vertelt, dat in de
Rhipaïsche bergen (de Oeral) bij de bevroreii zee (de
Oostzee) , ,adamanta te pamphanoonta” (schitterende
diamant) gevonden wordt. Het British Museum herbergt
een 2000 jaren oud beeldje met oogen van ruye diamant.
In Voor-Indië, met name in de eenmaal zoo machtige
stad Golconda, werd in oude tijden, ruwe, diamant ge-
vonden en waarschijnlijk reeds geslepen.

1

Jet waren de politieke gebeurtenissen aan, hei einde van
de 16e en gedurende de 17e eeuw, die, de diamantnijver-
heid en daarmede den aanvoer van het ruw naar Nederland

en in het bijzonder naar Amsterdarn leidden. De Spaansche
Furie verdreef de diarnantbewerkers uit Antwerpen naar’
het Noorden; gelôofsvervolgingen hadden omstreeks 1648
tot resultaat, dat vele Poolsche Joden, die het vak be-
oefenden, zich hier vestigden; door de herroeping van het
Edïct van Nan,tes verhuisden vele slijpers uit Frankrijk
en zochten veilige haven in Amsterdam, waar de nij-verheid
weldra de buitenlandsche ging overvleugelen. Ruwe dia-
mant werd aangevoerd uit Brazilië, het Oeralgebied en
Borneo, dat volgens de opvatting van velen nog steeds,
indien behoorlijk geëxploiteerd, een belangrijk productie-
gebiedzou kunnen, zijn. Gedurende de periode van 1870 tot 1876 was een ongekende, -geweldige opbloei gaande
door de ontdekking van diamantvelden in Zuid-Afrika.
De namen: Jagers-, Bult-, Koffy Fontein, de Beers, Kim-
berley zijn overbekend. Na 1904 komt een tweede op-
Lving van beteekenis door de ontdekking van de Premier-
mijn bij Pretoria. -In 1926 en 1927 worden ontdekkingen
gedaan ten Zuiden, van de monding der Oranjerivier; de Belgen en Portugeezen vinden ruwe diamant in de
Congo-en in Angola.
De verkoop van het ruw kwam aanvankelijk in handen
van de ,,Beers Consolidated Diamond Mines”, een onder-
neming, die uitsluitend verkocht aan het ,,London Diamond
Syndicate”, later de ,,Diamond Trading Corporation
Ltd.”, die’ de contrôle’ van bijkans de geheele wereld-
opbrengst in handen heeft en den verkoop der ruwvoor-
raden aan de bestaande diamantcentra regelt, daarbij
strevende naar een bevredigende distributie. Door deze
centralisatie van den ruwverkoop ontstaat een groote
stabilfteit, d,ie de werelddiamantmarkt, zeker in deze
precaire na-oorlogsche tijden, ten goede kan komen. Dit
Londensche distributie-apparaat heeft de machtde buiten-
sporige ontwikkeling van eenig centrum tegën te gaan en
de sij,jpcentra te dwingen tot een gepaste politiek van ge-
matigdheid. Tevens heeft het echter de macht —een gevaar,
dat aan een dergelijke monopolistische positie inhaerent is – de prijzen naar goedvinden vast te stellen. Sir Ernest
Oppenheimer, de tegenwoordige leider van het ,,Syndi-
caat” – zooals’de ,,Diamond Trading Corporation” in de
wandeling nog steeds genoemd wordt -, heeft ter gelegen-
heid van zijn bezoek aan Amsterdam, begift December
1945, verklaard, dat Nederland niet alleen -een moreele
,,claim” heeft om weer te worden ingeschakeld, maar
dat ook de goede reputatie, die ons product nog steeds
geniet, hiertoe alle
aanleiding
geeft. Tot onze bevrediging kunnen wij dan ook constateeren, dat Amsterdam, in ver-
houding tot het geringe aantal arbeidskrachten,’ goed
wordt bevoorraad. Ongeveer eens in de twee maanden
geeft het Syndicaat ,,zicht” aan een aantal diamantairs,
die te harer keuze zijn, waarbij de tendens waarneembaar
is het ruw over een betrekkelijk groot aantal gegadigden
uit te spreiden.

Aanstonds eclter valt hier het oog op een onbillijkheid,
die door de betrokkenen begrijpelijkerwijze als een ver-
keerden toestand wordt gequalificeerd; maar waartegen
geen -directe maatregelen, kunnen worden genomen. Ge-
durende den bezettingstijd heeft de structuur van de
diamantindustrie ,een wijziging ondergaan in dier voege,
dat, waar zij v&5r den oorlog gedrageh werd door een
gering aantal groote en middelmatige bedrijven, gedurende
de laatste jaren een naar. verhouding belangrijke hoeveel-
heid kleine-industrieelen is opgekomen (zulks in verband
met de tewerkstelling en bescherming van de nog over-
gebleven niet-Joodsche arbeiders). Deze kleine fabrikanten,
die uit den aard der zaak bij het Syndicaat volkomen on-
bekend zijn, zien zich de kans om het ruw rechtstreeks uit
Engeland te betrekken ontgaan en moeten ,het,dus op de
,

Amsterdamsche markt tegen hoogeren prijs koöpen, met het gevolg, dat zij geen of slechts een zeer geringe winst
kunnen maken. Naar mijn oordeel is ei’ slechts één middel
om aan dit bezwaar tegemoet te komen,- en wel den i’uw
toevoer zooveel mogelijk bevorderen. – In d’,vangmaatrege-

182

ECONOMISCH:STATISTISCHE BERICHTEN

20 Maart 1946

lèn, bijv. prijsvoorschriften of herdistributie, zie ik geen ,heil. Daarentegen is het steeds mijn streven geweest ook deze kleine fabrikanten in de gelegenheid te stellen naar
Londen te reizen, teneinde hun belangen aldaar te kunnen
behartigen: Dit heeft tot resultaat gehad, dat reeds een
niet onaanzienlijke hoeveelheid zgn. , ,outside’ ‘-goederen
(ruw, dat buiten het Syndicaat om wordt gekocht) ter’ beschikking is. Mijns inziens zijn dan ook de scheipe
kantjes van het’zoo juist gestelde probleem reeds aan het
afslijten.
De op de wereldmarkt beschikbare hoeveelheden ruwe
slijpdiamant zijn groot, waarbij echter in aanmerking moet
worden genomen, dat alle mijnen nog gesloten zijn en dat
dus eerst over enkele jaren van een nieuwe productie
sprake kan zijn. Het Syndicaat verkoopt thans uit haar reserves, zoodat niet uitgesloten is, dat in de toekomst
de behoeften der verschillende centra uit de loopende
productie zullen moeten worden bestreden.
Naast het slijpdiamant is het ruw voor industrieele
doeleinden van groote beteekenis; hieraan e. aan de
mogelijkheden van dit product, ook in verband met onze
deviezenpositie, zou een n.fzondei’lij ke beschouwing kunnen
worden gewijd, wa.arv’oor echter in het bestek van dit
artikel geen• plaats is.
Tenslotte zij medegedeeld, dat sedert September 1945
omstreeks 50.000 krt. ruwe slijpdiarnant voor een bedrag
van 15.800.000 is geïmporteerd. Wat hiervan de
economische beteekenis voor ons land is, zal bij de bhande-
ling van den export blijken.

De e:rpo’t oan geslepen diamant.

De geheele Amsterdamsche diamantnijverheid is in-
gesteld op export; de hinnenlandsche juweelenindustrie
komt niet, althans nog niet, in aanmërking, een vraagstuk,
dat echter zondei’ twijfel in

de naaste toekomst onder
oogen moet worden gezien. –
In wezen zien we hier dus een zuivere veredelings-
procedure, die onze deviezenpositie voor honderd procent
‘ten goede komt.
In het kader echter van de veel omstreden geleide eco-
nomie is dooi’ den Centralen Dienst voor In- en Uitvoer,
welke
instantie
het Rijksbureau voor Diamant ter zake
heeft gedelegeerd, een contrôlesysteem ingevoerd, waar-
door, althans binnen redelijke grenzen, de besteding en de
opbrengst van de voorgeschoten buitenlandsche deviezen
(in hoofdzaak ponden) wordt vastgelegd.
Ingesteld is de ,,Diamant Im- en Export Commissie”,
bestaande uit eenige vooraanstaande figuren uit de
branche, die het in hen gestelde vertrouwen waardig zijn. Deze Commissie controleert in de eerste plaats de prijzbn
van het geïmporteerde ruw en het geëporteerde geslepen,
en wel met,dien verstande, dat zij er nauwkeurig op toe-
ziet, dat:.
wat het ruw betreft dit niet te hoog gefactureerd is,
zoodat in verhouding tot de waarde niet te veel ponden
worden betaald;
het geslepen product niet te laag is berekend, het-
geen tengevolge zou hebben, dat in verhouding tot het
bedrag aan buitenlandsche deviezen, dat betaald wordt,
een te groote waarde het land ‘verlaat, waardoor de expor-
teur in de gelegenheid zou zijn in het desbetreffende buiten-
land een niet te versmaden saldo aan te kweeken.
Voorts taxeert de Commissie wat het ruw betreft:
het slijpverlies, zoodat dus het percentage, dat een be-
paalde partij moét opbrengen, hiermede komtvn.st te staan;

de vermoedelij ke deviezenopbrengst, eveneens uit-.
gedrukt in een perceitage.

Deze gegevens worden tezamen met de andere, welke
het Rij ksbureau ter beschikking staan – bewerkings-
vergun,ningen, opgaven van de ‘resultaten. door de fabri-
kanten, koop- en verkoopvergunningen —,.nauwkeurig op
kaart gebracht, zoodat het uiteindelijke resultaat kan
worden gecontroleerd. Hierbij mag echter niet uit het

oog worden verloren, vooreerst, dat, althans gedeeltelijk,

ook de oude ,,stock” wordt geëxporteerd, en voorts, dat
de verschillende ,,zichten” niet uit elkaar kunnen worden
gehouden, hetgeen tengevolge heeft, .dat de berekening
der resultaten slechts door gemiddelden kan geschieden.
Niettemin is de contrôle van dien aard, .dat kan worden
vastgesteld, of een behoorlijke, aan de door de Commissie
gegeven taxatie, beantwoordende deviezenwirist wordt
gemaakt.

Zoo levert de calculatie van het eerste, in September
1945 geïmporteerde zicht, als resultaat op, dat op een
import van f 1.265.000 (afgerond) een deviezen.winst is
gemaakt van 11.165.000, dus ongeveer 100 pCt. 1-lierbij
moet iA aanmerking worden genomen, dat de export oude
,,stock” een geflatteerd beeld ‘kan geven, en tevens,’dat
dit eerste zicht bestond uit voor de devezenopbrengst
zeer voordeelige goederen.
In totaal is sedert 1 November 1945 geëxporteerd voor
een bedrag van ruim 8 millioen gulden.. Een voorloopige
becijfering wijst aan, dat, met inbegrip van de nog in be-
werking zijnde ruwe goederen., de wezenlijke deviezeri-
opbrengst ‘tot op heden omstreeks 41 millioen gulden be-
draagt en tevens, dat, wanneer zich geen mdeilijkheden
van eonomischen aard zullen voordoen, de totale.winst
over 1946 op 15 millioen gulden mag worden geraamd;
een resultaat, dat onder de gegeven omstandigheden zeer
bevredigend mag worden genoemd.
Tenslotte zij medegedeeld, dat tot nu toe de U.S.A.

onze voornaamste afnemer van het gèslepen product is
en dat de groote vraag van dit land de hoop wettigt op
een verbetering van onze dollarpositie.

Het aibeidersraagstuk.

.Het ïn.den aanvaug van deze beschouwing vermelde
tekort aan arbeiders is een uiterst bedenkelijke ren,
wn.tbetreft den snellen opblöei derAmsterdamsche diamant-
nijverheid. De mij ter beschikking staande plaatsruimte
laat niet toe, dat ik diepei’ op dit uiterst belangrijke
probleem inga, zoodat ik mij .beperk tot het noemen van
enkele cijfers, die echter reeds op zichzelf een beeld van de
situatie geven.

Het aantal arbeiders, werkzaam in de industrie, bedraagt:
In 1904

4196

1914 ie halfjaar

4930

2e

,,

1053 1919

8500

. .

11
1924

4934
1934

1320 1939

-i– 2400
Thans

+ 900
Dit beteekent, dat het aantal arbeidskrachten onder de
huidige omstandigheden lager ligt dan in de crisisjaren
1933 cv. en dat zelfs het voorooriogsche ni’eau vn 1939 nog gedurende geruimen tijd niet zal zijn bereikt.
Met man en macht woi’dt gewerkt aan de opleiding van
leerliiigen, ten deele in de personeelen der fabrikanten,
ten deele in het ,,Opleidingsinstituut voor Ansterdamsche
diamantbewei’kers”, dat is ondergebracht in een stichting,
waarvan het bestuur is samengesteld uit functionnarissen dci Bedrijfsorganisatie van den Algemeenen Nederland-
schen Diamantbew’erkers Bond en het Rijksbureau. Het
volgende, vergelijkende, lijstje van ai’beidski’achten in
enkele centra leert ons, vooreerst, wat deze op het gebied
vân het arbeidersvraagstuk hebben gepresteerd, en tevens,
welke concurrentie ons te duchten staat.
-.

1939

1946
België

25.000 12.000

• U.S.A.
400

4.000
Canada ..

20

. 400
Brazilië

30

4.000
Cuba

. . .

.

5

2.500
Palestina .

1.000

3.500

Hierbij valt vooral het oog op Palestina, welk land erin

20 Maart 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN.

188

geslaagd is gedurende enkele jaren 2.500 leerlingen op te
leiden tot arbeiders, die, hoewel niet volleerd, niettemin productief zijn en een artikel voortbrengen, dat volgens
deskundigen. zeer goed en mitsdien concurreerend is. Laat
ons dit een voorbeeld zijn om ons niet blind te staren op
een opleiding tot in de pérfectie, die jaren in beslag neemt,
maar om, met zin voor de praotijk en in het belang van het economisch leven, de leerlingen zoo spoedig mogelijk een
plaats te geven ii het productie-apparaat.

Mijn conclusie is: de Ams.terdamsche diamantnijverheid
is niet uitgeschakeld; zij krijgt de mogelijkheid zich om-

hoog te werken en zij zal daarvan gebruik maken; haar
goede reputatie is in stand gebleven; haar product wordt
gevraagd; door eerlij ken arbeid zal zij kunnen medewerken,
tot den opbouw van Nederland; binnen enkele jaren zal de
productiecapaciteit tot het vooroorlogsche niveau zijn
opgevoerd; zoo al de roem verbleekt zoude zijn, Amsterdam

zal zijn ouden naam van ,,Diamantstad” heroveren –
‘t Sal waerachtigh. wel gaen
Mr. N. R. H. VAN ESSEN.


DE INTERNATIONALE VOEDSEL- EN

LANDBOUWORGANISATIE VAN DE UNO.

Een nieuw type van internationale organisatie begint
lahgzamerhand duidelijker vormen aan te nemen. De
Vereenigde Volkeren werden een feit op 24 October 1945,
toen de eerste 29 van de 51 leden het Handvest hadden
geratificeerd. Opmerkelijk in, het nieuwe internationale

schema ‘zijn in de eerste plaats de permanente gespe-
cialiseerde, of wel
Junctioneele,
internationale lichamen:
de Internationale Voedsel- en Landbouworganisatie, of
wel de FAO (16 Oct. 1945); het Internationale Monetaire
Fonds en de Internationale Bank voor Herstel en Ont-
wikkeling (27 Dec. 1945); de Internationale Burgerlijke
Luchtvaart Organisatie, of wel de ICAO; de UNESCO
(United .Nations Educational, Scientific and Cultural
Organization). Vervolgens bestaan er eenige tijdelijke
gespecialiseerde internationale organisaties, zooals de
UNRRA (9 Nov. 1948) en de ECITO (European Central
Inland Transport Organization, 27 Sept. 1945). Daarnaast

bestaan nog gespecialiseerde internationale organisaties,
die van vôér den oorlog dateeren en waarvan sommige
wel, sommige nog niet in het nieuwe internationale kader
passen. Tenslotte een aantal lichamen, die aan één van
de bovengenoemden zijn gesubordineerd, doch door den
buitenstaander niet als zoodanig worden gezien.
Zeer terecht had de eerste van de na-oorlogsche perma-
nente gespecialiseerde internationale lichamen betrekking
op voedsel- en landbouuproblemen. Onmiddeljk rijst
hier de vraag, hoe deze organisatie in het nieuwe inter-
nationale kader past, d.w.z., wat is haar taak, hoe is
zij verbonden met de UNO, de organen daarvan en met
andere instanties? Alvorens echter deze vragen te be-
antwoorden, is het gewenscht iets te zeggen over het
ontstaan van de FAO: in hoeverre zal de FAO het werk
van haar voorgangers voortzetten en uitbreiden en in
hoeverre zal zij werkzaamheden verrichten, die nog niet
door eenie intei’nationale organisatie zijn ondernomen?
Voor dit doel wordt in het kort verwezen naar de
eeiste conferentie van de 36 leden-staten van de FAO,
gehouden te Quebec City van 16 October tot 1 November
1945, naar de Interim Commissie, ingesteld na de con-
ferentie van 44 landen, gehouden op uitnoodiging van President Roosevelt te .Hotsprings in Virginia, van 18
Mei tot 3 Juni 1943 teneinde de problemen van voedsel,
landbouw en
voeding
over de geheele wereld te bespreken,
naar het werk, verricht tijdens deze conferentie zelf en
tenslotte naar het werk van de voorgangers van de FAO te Rome en Genève.
De doeleinden van de FAO zijn in het kort vervat in
de inleiding op haar constitutie:

,,The Nations accepting this Constitution, being deter-
mined to promote the common welfare by furthering
separate and collective action on their part for the pur-
pose of raising levels of nutrition and stndards of living
of the peoples under their respective jurisdictions, securing
improvements in the efficiency of the production and

distribution of all food and agricultural products, bettering
the condition of rurl populations and thus contributing
towards an expanding worldeconomy, hereb •establish

the Food and Agricultural Organisation of the United
Nations. . .. through which the members will report

to one another on the measures taken and the progress
achieved in the fields of action set forth.”
I’Iieruit blijkt, dat de doelstelling veel verder reikt dan
die van het Internationale Instituut voor den Landbouw
te Rom
,
e, dat reeds van 1905 af hot op heden bestaat
en dat zich voornamelijk bezig hield met het verzamelen en
coördineeren van agrarische statistieken, met het verza-
melen van wetenschappelijke en technische gegevens be
treffende vele agrarische bedrijfstakken, zoowel in’tropische
en sub-tropische als in meer gematigde zônes, met’ ver

taling en publicaties van studies over technische, eco-
nomische en sociale problemei betreffende den landbouw,
en met de organisatie van, confeienties van deskundigen
betreffende een veelheid van onderwerpen. Ook grijpt
de FAO verder dan’ de Gemengde Commissie, opgericht
door den Volkenbond in 1935, waarin deskundigen op
het gebied’ van voedingleer, landbouw en economische
politiek de vereenigbaarheid van de bèhoeften van con-sumenten en voedselproducenten bestudeerden. Tevens
blijkt eveneens uit bovenstaande aanhaling, dat de nieuwe
organisatie, die nu ‘eenmaal werkzaam is in een wereld
van – souvereine onafhankelijke staten, géén ,,wereld-
voedselministerie” vormt, dat de hongerigen direct met
behulp van eigen executieve macht zal voeden, zooals
enthousiasten misschien zouden willen gelooven, op grond
van enkele recente persuitlatingen.

Zonder twijfel zal de FAO ruimschoots gebruik maken
van het werk van haar voorgangers. Het vaststellen
van ‘uniforme statistische standaarden – een enorme
taak, aangevangen door het Instituut te ‘Rome – wordt
door de FAO met spoed noodzakelijk geacht
1),
in verband
met het feit, dat het meer dan ooit noodzakelijk is een
overzicht te verkrijgen van ‘s weïelds agrarische pro-ductie en potentieel na de belangrijke veranderingen,
die gedurende den tweeden wereldoorlog hébben plaats
gevonden in de aanwending van land voor landbouw,
als weidegrond, voor bosschen en voor andere doeleinden.
Het is noodzakelijk en in zekere mate ook mogelijk het
aantal en de verdiensten van de agrarisch werkzame
persônen (mcl. werknemers), pachters en eigenaars van
land, en ook de outillage en de mate van credietverleening
in de agrarische sfeer kwantitatief vast te stellen. De in
het verleden in dit opzicht verzamelde cijfers dienen
noodzakelijk te worden uitgebreid en vei’beterd
Men ziet in, dat meer volledige gegevens van dit fun-
damenteele karakter vereischt zullen zijn, indien de
FAO aan de verschillende regeeringen middelen aan de
hand wil doen, waardoor de doeleinden, genoemd in bo-venstaande inleiding op haai constitutie, 1unnen worden
verwezenlijkt. Het Instituut te Rome is opgegaan in de
FAO en de’publicatie der gegevens zal onder de auspiciën
van de FAO worden heivat. Dit geldt ook voor het Inter-
nationaal Centrum voor Boschbouw, de Internationale
Hout Commissie en een aantal andere instellingen. Onder-
zoekingen op grooter schaal dan tot nu toe zullen worden
verricht; verder wordt ‘voorgesteld, dat de economisch-
statistische experts van de FAO zullen samenwerken
met nationale statistische bureaux, researchinstellingen
en’ andere academische .instituten, ,’elke werkzaam zijn op het terrein van economie en statistiek met betrekking

)
Tg
,.Repoi’L of Commi ttee VI (Siatisties) of Comosission A of the Quebec Conference”.

181

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 Maart 1946

tot voedsel en landbouw. Bovendien wil men in 1950
een wereldvolkstelling houden, of zoo spoedig mogelijk
nadien, waarin een grondstatistiek zal worden opgenomen,
onderscheiden naar den status ‘van de bebouwers en den
omvang der bedrijven. Er bestaat een groote behoefte
aan betrouwbare statistieken op het gebied van voedigs-
middelenconsumptie, prijzen en marktproblemen, speciaal
in de minder ontwikkelde deelen van de wereld, en de FAQ zal trachten methoden op te stellen voor het ver-
gemakkelijken van vergelijkingen.

Wat de voedingsleer betreft, heeft de Directeur-Gene-
raal van de FAO, Sir J. B. Qrr, erop gewezen
2),
dat
de verschillende onafhankelijk van elkaar berekende
minimum-voedseleischen alle zeer nauw overeënstemmen.
Het rapport van de ,,British Medical Association on
Nutrition’ (1933), de standaard van H. K. Stiebeling, op-
gesteld ondei’ auspiciën van de Economische Afdeeling van
het Departement van Landbouw der Vereenigde Staten
(1933), het ,,Report on the Physiological Bases of Nu:.
• trition” van den Volkenbond (1935/36), de Canadeesche
standaard, gepubliceerd in ,,Food for Health in Peae
and War. What Canadian doctors suggest for wholesome
meals atlowcost” (1940) en het rapport van de commissie,
betreffende ,,Food and Nutrition”, ingesteld door de
Regeering der Vereenigde Staten (1941) stemmen zoozer

overeen, dat zij tezamen kunnen worden beschouwd als ,,the
modern dietary standard for health and physique in so
fa.i’ as that can be attained by proper feeding”
3).
De
deskundigen van de FAQ zullen echter deze hoeveel-
heden calorieën, proteïnen, vetten, mineralen, carbohy-
draten en vitaminen nog moeten ,,vertalen” in hoeveel-
heden specifieke voedingsmiddelen, passend voor ver-
schillende klimaten, tradities en voedingsgewoonten.
Hier is het de taak van de FAQ, het vroeger verrichte,
werk vooi’t te zetten langs de lijnen, aangeduid op de
conferentie te I-Iotsprings, waar werd vastgesteld, dat
,,ample evidence has been presentéd revealing the existene
of malnutrition in every country with its inevitale
consequence of ill health” en dat de eerste stappen tel
eliminatie van voedselgebrek niet moesteii wachten op
de uiteindelijke oplossing van alle andere problemen.
Alle middelen, die de FAQ ter beschikking staan, moeten worden aangewend om de bestaande voeclselschaarschte
en ondervoeding te bestrijden. Na een snelle inventa’i-
satie van de beschikbare hoeveelheden voedsel, de voor-

raden en de behoeften van landen, waar gebrek heerscist,
moeten alle krachten Worden ingespannen voedsel daar-
heen te transporteeren, waar het meest poodig, is; on-
voldoende productie en aanvoer moet worden gestimu-
leerd, teneinde met alle mogelijke middelen een maxiniuin
voedselvoorziening te bereiken.

Dit brengt ons op de functie van de UNRRA
4),
die hier-
mede zeer veel verwantschap vertoont, zoodat een be-
spreking van het verband tusschen de twee organisaties
noodzakelijk is. lntusschen moet men niet vergeten,
dat in vele deelën van de wereld chronishe ondervoeding
en armoede heerschen, ook’ afgezien van den oorlog en
zijn consequen.ties. De FAQ wil de betrokken regeeringen
bijstaan en hun hulp vragen voor speciale regelingen ter
verbetéring van de voedselvoorziening der kwetsbare
groepen, zooals gedefinieerd op de conferentie van Hot-
springs en door cle Interim Commissie
5).

Van groot belang is, dat rapporten van de in verschil-
lende Staten gevolgde methoden aan anderen ter beschik-
king worden gesteld. Practische methoden, overeen-
stemmend met locale voedingsgewoonten e.d., zijn in vele
landen nog niet uitgewerkt. De adviscrende dienst van
de FAQ zal personeel noodig hebben voor de scholing
van administratieve krachten, leden van gezondheids-
kundige diensten, agrarische deskundigen en sociale
werkers. Men is van plan een ,,United ations Health
Qi’ganisation” op te bouwen, die nauw moet samen-
werken met de FAQ. De FAQ heeft eveneens een groote
taak bij het aanmoedigen van researchwerkzaamheden
inzake problemen betreffende het coilserveeren van de
voedingswaarcie van verschillende voedingsmiddelen, bijv.
door reductie van verlies van nuttige bestanddeelen bij
het bereiden van rijst, farween maïs, of betreffende het
toevoegen van vitaminen en mineralen. In aansluiting
hierop kan internationaal toezicht op de fabricage van
patentvoedingsmiddelen wenschelij k blijken te zijn.
In elk geval zal de FAQ een nauwe samenwerking van
wetenschappelijke instituten zooveel mogelijk bevorderen.
Het probleem, dat de grootste moeilijkheden zal bieden,

is dat, wat vaak de ,,integratie” der voedingspolitiek
wordt genoemd. De Gemengde Commissie van den Vol-
kenbond wees met klem op de noodzaak van de ,,ïnte-
grated approach” in ieder land. Dat was in 1937. Tusschen
dat jaar en het uitbreken van den oorlog stelden 25-re-
geeringen nationale voedingscommissies in, en vergade-
ringen van’ de vertegenwoordigers de1′ betrokken landen werden door den Volkenbond georganiseerd in de enkele
jaren, die nog restten véÔr de groote catastrophe. Van
de zes ondercommissies van de ‘FAQ
6)
is de vijfde het
meest interessant, aangezien, zooals het rapport van
deze ondercommissie zelf opmerkt, de ma,rktproblemen
in het geheele voedsel- en agrarische probleem van essen-
tieele beteekenis zijn. 1

Jet is zeer gemakkelijk, om te
zeggen, dat het voedsel van producenten naar consumen-
ten moet worden gebracht tegen een. prijs, die een juiste
belooning voor den producent vormt en die binnen de
koopkracht van den consument valt,, maar hoe moet dit
worden gedaan?
7)

De economische reguleering van internationale markten
zal voor de FAQ nog andere werkzaamheden meciebrengen
dan alleen het verzamelen van statistische gegevens:
Wat de FAQ, een organisatie zonder eenige executieve
bevoegdheden, zal kunnen bereiken, moet worden af-
gewacht. Bekend zijn de internationale overeenkomsten
betreffende verschillende goederen, zooals tarwe, suiker,
wol, thee, rubber, waarvan sommige reeds uit. de jaren
omstreeks 1930 dateeren, en het is nog niet duidelijk,
hoe de vijfde ondercommissie van de FAO deze wil
integreeren. 1

let is natuurlijk mogelijk, dat het initiatief
tot integratie van de producenten zelf zal uitgaan. Reeds
in Februari 1931 kwamen de agrarische deskundigen
van de Economische Commissie van den Volkenbond
bij een bespreking van het probleem van de prijsdalende
werking van graanoverschotten tot de erkenning ,,that
the disposal of surpluses of European cereals is not merely
a European but a world problem, and that a vholly
satisfactory solution could be reached only by an under-
standing between all the parts of the world concerned”.
De FAQ-assemblée sprak de meening uit, dat de grond-
stoffenovereenkomsten op den langen duur dienstig

1. ,,Nutrition and Food Management”.
2. ,,Agriculture”, gesplitst in 8 afdeelingen, betreffende:
sociale toestanden op het platteland,
bodemschatten, hun ontwikkeling en i nstanclhoudi»g,
opvoed kundige en adviseerende diensten, ui tvisseling
van technische en economische gegevens,
productie- en research techn iek,
c.
integratie en coördinatie van agrarische programma’s
en agrarische politiek,
f.
agrarisch crediet, coöperatie ccl.,
q. kunstmeststoffen, machinerieën en verdelgingsmiddelen,
h.
behoeften van speciale gebieden.
3. ,,Forestry and Forest Products’.
4. ,,Fisheries”.

‘) In hoofdstuk . 5 van zijn boek ,,Fighting for vh,t?”. Mac-

5.,, Marketing”. millan 1942.

.

6. ,,Statistics”.
).Sir J. 13. Orr, l.c.
‘ Voor een volledige discussie van dit belangrijke onderwerp

) Zie: ,,UNRRA”door Prof. Dr.
J.
F. ten Doessehate in ,,E.-S.B.’

wor
)
de verwezen naar: K. Brandt, ,,The Reconsiruetion of World
van 11 October 1945.

Agriculture” (Allen & Unwin London 1945); ,,Food for the World”,

) A.s. en jonge moeders, kinderen, jeugdige personen en arbei-

een onderzoek vaneen groep deskundigen op instigatie van dc

ders met speciale behoefteh (buy, zij, die zwaren arbeid verrichten,

Norman Wait Harris Foundation, gepubl. ,door de University of
of zij, die groote gezinnen en lage inkomens hebben).

I
jcago.

;.v,,.

‘-

20 Maart 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1855

kunnen zijn voor de expansie zoowel van de productie
als van de consumptie, ongeachtde uiteindelijke belangen
van producenten of consumenten. Momenteel, nu de landen,
die door de Verenigde Volkeren worden geholpen, slechts
15 millioen bushels broodgraan per maand kunnen ver-
krijgen, inplaats van de benoodigde 26 millioen bushels
per maand
8),
schijnt de handhaving van een hoogeren
producen.tenprijs zeer wel mogelijk, doch vele producenten
herinneren zich, dat de tarweprijzen begönnen te dalen
in Mei 1920, slechts enkele maanden na het einde van
den vorigen oorlog. Algemeei’i beseffen zij, al herinneren
zij zich misschien de cijfers niet meer, dat in de Ver.
Staten, het groote agrarische exporland, de prijsindex
van alle agrarische producten van 230 in 1919 tot 123
in 1921 daalde (1909-1913 = 100). Zij herinneren zich ook
de depressie na 1930, toen, om de woorden van Dr. Brandt
te gebruiken
9),
,,notvithstanding the conspicuous flood
of conferences any effective effort to co-operate on an
international scale in the fight against the depression
was lacking. Each nation
was
lef t to work out
a
solution
separately….

Het is duidelijk, dat vraagstukken van
welvaart in den landbouw en verinijding van cyclische
fluctuaties, die in het verleden zoo funest zijn gewëest,
in nauw verband staan met vraagstukken van algemeene
economische politiek en bovenal van vertrouwen. Bij cle
bespreking van het rapport van de vijfde ondercommissie,
op den vijfden dag van de conferentie te Quebec, werd
het vraagstuk van de verhouding vn de FAÖ tot de
grondstoffenovereenkomsten verwezen naar den Directeur-
Generaal.

Om de crnferentie van Quebec samen te vatten: het is te optimistisch om te zeggen, dat overeenstemming
werd bereikt betreffendê een programma ter uitbanning
van honger en gebrek uit de wereld. De ‘heer Lester B.
Pearson, voorzitter van de conferentie, vatte de situatie
meer in overeenstemming met de werkelijkheid samen,
toen hij aan journalisten mededeelde, dat de vraag, wat
cie FAO zou kunnen presteeren, afhing van de vraag,
welk gebruik regeeringen en volkeren ervan zouden
malcen. De Directeur-Generaal is met zijn executieve
comité van 15 personen – grootendeels deskundigen van
internationale reputatie – zijn werkzaamhQden be-
gonnen, en niemand twijfelt aan zijn toewijding. Zijn
opvatting van een weréldvoedselpolitiek is duidelijk
uiteengezet in de hoofdstukken 5 t/m 8 van zijn boeic
,,Fighting for What?”

Hoe ernstig de handicap zal zijn, die het afzijdig blijven
van

de USSR, de verschillende afzonderlijke Sovjet-
republieken, van Argentinië en een aantal andere Ame-
rikaansche republieken zal opleveren, moet afgewacht
worden. Eenige zorg baart ook de vraag, in hoeverre de FAO zijn huidige jaarlijksche budget van $ 2,5 millioen
zal kunnen ten uitvoer leggen, alsmede het geprojecteerde
budget van $ 5 millioen. Bij de volgende conferentie
van de FAO
– ci.
i. het legislatieve lichaam, waarin ieder
land is vertegenwoordigd – kan wellicht een duidelijker beeld worden verkregen. Momenteel heeft de FAO nog
nauwelijlcs vasten vorm aangenomen. Zoo moet het aantal,
de functies en de vestigingsplaatsen van de regionale
afdeelingen nog vastgesteld worden.

Alvorens onze tweede vraag betreffende de plaats
van de FAO in het nieuwe internationale schema te be-
antwoorden, moet nog iets gezegd worden betreffende
het werk, dat de FAO heeft verricht sinds .de conferentie
van Quebec. Het uitvoerend comité vergaderderde ge-
crurende de week, volgende op de conferentie. Men besloot
een zoo volledig mogelijk gebruik te maken van
ad hoc-
commissies en van groepen deskundigen van regeerings-
en andere organisaties, vooral omdat de staf van de FAO

slechts zeer langzaam Ican worden opgebouwd. De Di-

‘) Vgl. de rede van den heer
H.
Lehrnan, directeur-generaal van
de
U.N.R.R.A.,
te Washington D.C. op
4
Februari
1945.
‘) Op. cit. blz. 77.

recteur-Generaal heeft twee speciale adviseurs aange-
wezen, de heei S. L. Louwes (Nedërland), en de heei
F. L. Mc Dohgall (Australië). Het executieve comité
nam het voorstel van den Directeui-Gèneraal aan,
dat de eelste taak van de FAO zou bestaan in het
‘opstellen van een ,,vereldbalans”, bevattende laad

voor land de productie, voorraden, handelsbeweging,
consumptie ‘
per hoofd
en de hoeveelheden van ver-
schillende belangrijke goederen, benoodigd in landen met onvoldoende voorziening. Een ad hoc-commissie
van economen en statistici is hieraan reeds werkzaam.
Voorts zijn twee ad hoc-commissies, iesp. voor bosch-
bouw en -producten en voor visscheiij, door den
Directeur-Generaal aangewezen. Het executieve comité
van 15 komt weer bijeen op 19 Maart a.s.

Van het begin af aan lag het in de bedoeling, dat de
FAO in zeer nauw contact zou staan met de UNO (waar-
van zij een onderdeel vormt), dooi middel van,den Eco-

nomischcn en Socialen Raad, zooals bedoeld in de artikelen
57 en 63 van het 1

landvest der Vereenigde Volkeren.
Artilcel 63 zegt, dat de Economische en Sociale Raad
,,shall co-ordinate the activities of the specialised agencies
through consultation and recommendations to such
agencies and through recommendations to the General
Assembly to the members of the United Nations”. De
Economische en Sociale Raad bestaat uit 18 leden, ge-
kozen door de Assemblée van de Vereenigde Volkeren.
Dienovereen.komstig zal de FAO, die thans slechts tij-
delijk gehuisvest is te Washington D.C., zijn zetel in dezelfde plaats hebben als de UNO, die ook de zetel
van den Economischen en Socialen Raad zal zijn, terwijl
haar financieele jaar met dat van de UNO zal samen-
vallen. De FAO theeft bovendien getoond gaarne zoo
uitgebreid mogelijk te willen samenwerken met andere
officieele internationale instanties, waarvan dè werkings-
sfeei die van de FAO raakt, en met niet-officieele inter-
nationale instellingen. Zoo bestaat er bij’. reeds contact
met het Internationale Arbeidsbureau, thans te Montreal,
terwijl er ook reeds een uitwisseling van gegevens heeft
plaatsgevonden met de ,,Combined Food Board” en
met het ,,Middle East Supply Centre”, dat thans opge-
heven is. De Internationale Conferentie betreffende voed-
sel- en landbouwstatistieken, gehouden te Londen van
17 tot 22 September 1945 en georganiseerd door het
,,Emergency Economic Committeè for Europe”, in samen-
werking met de UNNRA, was voorts van zeer direct
belang voor de FAO, gezien het doel van die conferentie:
bestudeering van methoden voor het zoo snel mogelijk
‘verzamelen van vergelijkbaar statistisch materiaal be-
treffende de voedsel- en agrarische situatie in de bevrijde
landen, teneinde een passende distributie van voorraden
te vereenvoudigen. De adviezen waren tijdig gereed,
zoodat ze op de conferentie van Quebec ter sprake ge-‘
bracht konden worden.

Van vitaal belang is de vraag van de verhouding tusschen
de FAO en de UNRRA, de oudste organisatie der Vei-
eenigde V61keren. Beide organisaties houden zich bezig
met ,,rehabilitation” en planning op langen termijn.
De UNRRA zal dit vermoedelijk niet willen erkennen,
maar het is duidelijk, dat een politiek van hulpverleening
en de daarbij gebezigde methoden een diepgaanden in-
vloed zullen hebben op een voedsel- en agrarische politiek
op langen termijn. Desalniettemin ligt het in de bedoeling
de UNRRA in December 1946 op te heffen, tei’wijl het
budget van de UNRRA ten bedrage van $ 7,4 milliard
(gedurende en ng den eërsten wereldoorlog bedroeg de
brutowaarde van alle hulpacties $ 2,1 milliard) ter-
nauwernood voldoende is in verband met de vèel grootere
behoeften
10).
Om ‘eenigen indruk te geven van den om-
vang van het weik, dat reeds door de UNRRA is ver-

IQ)
Men zie voor een volledig overzicht van

het werk van de
UNRR.A
de rede van den, juist afgetreden, Directeur-Generaal, den
heer H. L’ehman, Washington,
22
December
1945.

f
l,

186

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 Maart 1946

richt, is het voldoende de hoeveelheid van 4J millioen
long tons aan allerlei verschillende goederen te noenn,
die tot het einde van het vorige jaar door de UNRRA
waren verscheept. De landen, die hulp van de UNRRA
ontvangen, zijn: Albanië, Tsj echö-Slowakije, Griekenland,

Polen, Joego-Slavië en de Dodekanesos; voorts zendt
de UNRRA thans groote hoeveelheden goederen naar
China,. Abessynië en de Philippijnen. Dit jaar zijn de
Sovjet-republieken vn Byelo-Rusland en de Oekraïne,
Italië, Oostenrijk, Finland, Korea en Formosa aan de
lijst toegevoegd. Woordelijk zeide de heer Lehman: ,,I
want to enphasize that the demands for aid now being
pla.ced. on UNRRA, by members of the United Nations
are far beyond the resources of the Administration”.
In feite houdt de UNRRA zich sterk bezig met ,,reha-

bilitatie” (de.tweede R in haar naam); deze omstandig-
heid, en het feit, dat zij haar werkzaamheden einde .1946 zal beëindigen, vormt eén aanduiding, dat er een formeel
verband met de FAO zou moeten bestaan. Tot nu toe
bestaat dit echter nog niet.
Er: is een informeele samenwerking door uitwisseling

van gegevens en werkzaamheden van commissies, waarin
beide organisaties zijn vertegenwoordigd. Typisch voor
dozen laatsten vorm van s,menwerking is die, welke

bestaat met het ,,Economic Emergeny Committee for
Europe” en met de ,,Combined Working Party”,
welke
een UNRRA-secretariaat heeft en bestaat uit vertegen-woordigers van de Engelsche en Amerikaansche regee-
ringen., van de UNRRA en het betrokken land, weiks
agrarisch potentieel telkens het voorwerp van onderzoek
is. Het voornaamste doel. hiervan is het samenstellen van
productiestatistieken; de betreffende rapporten worden
dorgegeven aan de FAO en ook gebruikt door de UNRRA en voor het schatten van voorzieningsbehoeften. Wanneer

de FAO zijn practische werkzaamheden begint, zal deze
statistische dienst er een onderdeel van vormen, terwijl
de ,,Combined Wïorking Party” zal ophouden te bestaan.
Wat het ,,Emergenc.y Economic Committee” betreft, dit
heeft tot taak in functie te blijven, totdat de Economische
en Sociale Raad van de UNO de coördinatie van’de ver-
schillende aspecten van het te verrichten werk heeft ge-

regeld. Een voorbeeld van goede samenwerking tusschen de UNNRA en de FAO geeft het feit, dat na de liquidatie
van het ,,Agricultural Rehabilitation Committee” van
de UNRRA ‘de betreffencte werkzaamheden samen met
een gedeelte van den &taf door de FAO werden over-

genomen.
Zoo is dan de situatie, zooals zij zich voordoet op dit
moment. Verschillende details zijn nog niet duidelijk,
doch dit kan op een dergelijk vroegtijdig tijdstip nauwe-
lijks worden verwacht. In toenemende mate begint men

zich echter allerwege te realiseeren, dat, zooals Sir Arthur
Salter het uitdrukte, the world is to an astonishing

extent an interdependent unit”.

University of Oxford.

H. A. RFIEE, M.A.

NÉDERLANDS KANS ALS

OCTROOICENTRUM. VAN EUROPA.

Nu het Duitsche octrooi, dat in vele landen als waarde-
bepaling voor een uitvinding dienst deed, practisch is
weggevallen, bestaat er behoefte aan een vervanging
daarvan, waarvoor het Nederlandsche octrooi, met zijn

zoo bij ‘uitstek gunstigen naam, zeer goed dienst zou

kunnen doen.
Ter nadere toelichting diene, dat men in de verschil-

lende landen in het algemeen tvee systemen van octrooi-
verleening kent. Hoewel het drietal hoofdeischen, waaraan
een geldig octrooi moet voldoen, overal gelijk is, te wetn,.
dat de in het octrooi neergelegde werkwijze of inrichting
nieuw moet zijn, een uitvinding rnoet.behelzen en een
uitkomst op het gebied van de nijverheid moet geven,

verschilt cle wijze van octrooiverleening in de verschillende
landen principieel. Aan den eenen kant kent men de landen
zonder vooronderzoek. Dit zijn in hoofdzaak de Romaan-
sche landen, zooals Frankrijk, België, Italië, Spanje, de
Zuid-Amerikaansche landen en de Balkanlanden. Ook
Zwitserland, hoewel dit een scherp formeel voor

onderzoek

tepast, kan hiertoe worden gerekend. In deze landen
wordt het octrooi verleend zonder voorafgaand onder-

zoek, of
aan
de drie hierbovèn genoemde materieele eischen
van nieuwheid, uitvinding en technisch effect is voldaan.
Het aantrekkelijke van dit sy.3teem is, dat de octrooi-
verleening eenvoudig en zonder rompslomp verloopt en
niet ten onrechte voor belangrijke, doch schijnbaar .vooi

de hand liggende, objecten octrooi wordt geweigerd.
Komt er strijd over het octrooi, in den regel, omdat

namaak in een inbreukactie voor den rechter wördt ver-
volg d,’dan maakt deze uit,of het octrooi al dan niet terecht,

d.w.z. in overeenstemming met de drie genoemde voor-
waarde’n, is verleend. Alleen voor octrooien, die practisch
van belang. zijn, vindt dus beoordeeling van de eischen

van octrooieerbaarheid plaats. Daar het leeuwendeel
der octrooien niet ter toetsing voor den rechter komt,
biedt het stelsel van octrdoWerleening zonder vooronder-
zoek hetvoordeel, dat geen monnikenwerk wordt gedaan.
Fliertegenover staat echter een groot nadeel. Men heeft
namelijkbij de octrooiverleening niet den minsten waai’börg,
dat het otrooi rechtsgeldig zal blijken. En daar octrooien
juist dienen om een zoo groot mogelijkeekerheid te krijgen
voor het kapitaal, noodig voor het ontwikkelen en erin

brengen van nieuwe technische vindirigen, zal het duide-
lijk zijn, dat zoo’n octrooi, verleend zonder vooronder-
zoek, in de pra,ctijk van zeer problematische waarde bleek.
Daarom is men er in andere landen toe overgegaan.
octrooien eerst te verleenen, nadat van staatswege een
onderzoek is ingesteld, of het ter octrooieering aangeboden
object voldoet aan de eischen van nieuwheid, van uit-vindingswaarde en technisch effect sorteert. Dit is het
stelsel van octrooiverleening met vooronderzoek. Hier-
voor moet dus de Staat beschikken over een met voldoende
technische kennis en octrooi-ervaring uitgerust, uitstekend
gedocumenteerd lichaam. In Europa heeft het Duitsche
,,Patentmt” in dit opzicht jarenlang onbetwist aan de
spits gestaan. Het gevolg was, dat een Duitsch octrooi algemeen als het waardevolle octrooi werd aangezien.
1-lad men nu eeri octrooistrijd te voeren in een land zonder
vooronderzoek of met een slechts aan matige eischen
voldoend vooronderzoek, zooals in de Scandinavische
landen, dan bleek het van groote waarde, dat men op het
bezit van een overeenkomstig Duitsch octrooi kon bogen.
1-let zal dan ook geen verwondering wekken, dat men in
vele landen zonder vooronderzoek begon met een Duitsch
octrooi aan te vragen, temeer, daar het resultaat van het
Duitsche vooronderzoek in den regel nâ 3 tot 6 maanden

bekend was.

Ocirooiverleening in Nederland met materieel yooronderzoek.
Toen ons land in 1910 opnieuv een octrooiwet invoerde,
besloot men ook hier het stelsel van octrooiverleening met
vooronderzoek te volgen, w,artoe hier de juridisch en
technisch goed uitgeruste Octrooiraad in het leven werd
geroepen. Hoewel dè Regeering bij de behandeling van de
Octrooiwet in de Kamers verwachtte, dat ons vooronder-
zoek, gezien het feit, dat wij maar een klein land zijn,
slechts aan matige eischen zou voldoen, is dit,in de practijk
geheel anders uitgevallen. Dank zij de uitstekende oplei-
ding onzer ingenieurs en hun groote talenkennis, ook op
technisch gebied, heeft in den loop der jaren ons vooronder-
zoek zich tot groote hoogte ontwikkeld en stond het op
een even hoog peil als in Duitschiand, ja, overtrof het

zelfs menigmaal het Duitsche vooronderzoek. Men kan
dan ook zonder grootspraak constateeren, dat het Neder-
landsche octrooi, dank zij ook de Nederlandsche octrooi

20 Maart 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

– 187

gemachtigden, vaarvan de samenwerking met den Octrooi-
raad maar ”einig te wenschen overlaat, reeds vöôi den
oorlog internationaal hetzelfde aanzien génoot als het
Duitsche octrooi. Echter is het Nederlandsche vooronder-
zoek met één grootnadeel behept. 1

Jet is veel te langzaam.
Terwijl men in Duitschland na 3 tot 6 maanden het resul-
taat van het vooronderzoek te hooren kreeg, duurde dit
in ons land gemiddeld 1 jaar en nu zelfs nog belangrijk
langer. Dit is te wijten aan een grooten achterstand, o.a.
tengevolge van porsoneelgebrek, bij den Octrooiraad.
Thans is het Duitsche ,,Patentamt” met al zijn archieven
en documentatiematerial vernietigd. Daarentegen is
de Nederlandsche Octrooiraad – een tijdelijke evacuatie

ten spijt – materieel ongerept den oorlog doorgekomen.
Dat hier een kans voor Nederland ligt, zooals zich maar
één maal voordoet, behoeft geen nadére toelichting.
Reeds in den oorlog, toen het Duitsche ,,Patentamt” door
wegroeping van zijn personel steeds langzamer en ten
slotte in het geheel niet meer het vooronderzoek verrichtte,
wendden Franschen zich tot Nederland met het verzoek
alhier het vooronderzoek te bespoedigen, waaraan toen,
dank zij de medewerking van den toenmaligen voorzittei van den Octrooiraad, is voldaan. Nu •hoort men reeds uit
landen zonder vooronderzoek allerwegen hetzelfde ver-zoek. Naar mijn meening noet Nederland deze nogelijk-
heid niet laten voorbijgaan, doch, hoe dan ook, alles in
het werk stellen om tot een niet alleen goed, doch ook
snel vooronderzoek te komen. Slagen wij daarin, dan staan
wij octrooitechnisch aan de spits in Europa. Dat dit
van groote cultureele beteekenis voor ons land is, behoeft
waarlijk geen nadere toelichting.

Liqu.idatie oan den achterstand bij het Nederlandsche 000r-
onderzoek.

De vraag is dus, hoe den

achtei’stand bij denOctrooi-
raad op korten termijn te liquideeren. Uitbreiding van den
staf van den Octrooiraad met technisch geschoold perso-
neel is dringend noodig, doch’ ingenieurs en academisch
gevormde chemici zijn thans moeilijk te yerkrijgen. Ik
ben echter van meening, dat zich nu een andere onge-
zochte gelegenheid voordoet. Het leeuwéndeel der bij den
Octrooii’aad onafgew’erkte octrooiaanvragen vojdt uit-
gemaakt door de 7.000 octrooiaanvragen van Duitschen
oorsprong, die thans van rechtswege in eigendom op den
Staat der Nederlanden zijn ovrgegaan, welke het beheer
daarvan aan een Stichting heeft opgedragen. Weggeyallen
zijn dus de oorspronkelijke uitvi’ndei’s, d.w.z. degenen, die bij de behandeling tijdens het vooronderzoek, bijge-
staan door hun octrooigemachtigden, de deskundige tegen-
spelers van den Octrooiraad zijn. Een normaal vooronder-
zoek kan dus feitelijk niet plaatsvinden. De Octrooi-
raad, die niet over laboi’atoria en werkplaatsen, doch
alleen over litteratuur beschikt, mist de voorlichting van
dé uitvinders en hun octi’ooigemachtigden.
Laat daarom dé. Stichting Octi’ooibeheer ertoe besluiten
alle 7.000’vijandelijke octrooiaanvragen ter kennis van het publiek te brengen door zO-ter inzage bij den Octrooiraad te leggen en een ieder, die belangstelling voor overneming
of licentieneming bij die octrooiaanvragen heeft, dit ter
kennis van de Stichting brengen. Doet zich na een be-
hoorlijken tijd (desnoods 5 jaar) geen gegadigde ‘voor,
dan mag veilig worden aangenomen, dat voor die octrooi-
aanvi’age geen

belangstelling bestaat. Zij kan dus dan
vervallen. 1

lierdoor za.i nien ongetwijfeld het overgroote
deel der vijandelijke octrooiaanvragen kwijt i’aken, temeer
daar de Duitschers de meeste belangrijke, tijdens

den
oorlog gedane, uitvindingen niet voor -octrooi aanmeidden
en vele octrooi

aanvragen alleen beteekenis hadden

voor
de oorlogseconomie.
Doen zich wel gegadigden voor eèn octrooiaanvrage
voor, dan verrichte de Octrooirgad het eerste vooronder-
zoek, waarna de waarde van de octrooiaanvrage veelal kan
woi’den beoordeeld. De Stichting Octrooibeheer kan dan

de octrooiaanvrage, bij voorkeur tezamen met de gegadig-
den, verder behandelen, waardoor de Oct’rooiraad weer
zijn tegenspeler krijgt.

1-lierdoor worden dtis alleen de vijandelijke octrooi-
aanvragen, waarvoor werkelijk belangstelling bestaat,
vooronderzocht, wat een enorme besparing van noodeloos
werk beteekent. Met één slag zal hierdoor de Octrooiraad het grootste deel van zijn achterstand kwijt zijn en gereed
kunnen staan om de plaats in te nemen,die het ,,Patent-
amt” tot dusver in Europa innam.

Van grootere en vooral ook van meer blijvende econo-
mische beteekenis, dan het over én of enkele jaren be-
schikken over toch maar gebrekkig in het vooronderzoek
behandelde vijandelijke octrooien, waarvan deskundigen
de beteekenis niet bijster hoog aanslaan
1),
is vooi Neder-
land, dat wij ‘oortaan het centrum op het octrooigebied
in Europa worden..

Ir. C.
M.
R. DAVIDSON.

‘) Zie
ZExc. Ir. H. Vos in De Ingenieur” van II Januari 1946,
bis. A 3 (EconomischeVoorlichting’ vhn 4 Januari 1949, bis.
2-3) en mijn artikel in ,.E.-S.B.” van 29 November 1945.

INGEZONDEN STUKKEN

FOUTEN
IN
DE RANTSOENEERING

bRONNEN
VÂ1′
DE
ZWARTË MARKT

Drs. H. Rijken van Olst schrijft ons:

Prof.’ Goudriaarr wijdt in de , Economisch-Statistische
Berichten” van 27 Februari jl. enkele beschouwingen
aan ons rantsoeneeringsstelsel, waarbij hij o.a. tot de

conclusie komt, dat 12,4 pCt. van de gerantsoeneerde
levensmiddelen, gemeten naar hun caloriewa,oj’de, worden
besteed voor een yerbruik boven het physiologisch nor-
male verbi.uik, met andere woorden, dat ,,een achtste deel
der gedistribiieerde’ levensmiddelen voor rekening komt
van overtollig verbruik”.
1

Jet cijfermateriaal, waarop Prof. Goudriaan deze con-
clusies baseert, wordt ontleend aan de ,,Mededeel’ingen
van,afd. 4 van het Centraal Bureau voor de Statistiek”
an December en Januari ji., alsmede aan ,,eenige stan-
daardwaarden uit de literatuur, afkomstig van erkende
deskundigen”.

Aan dit cijfermateriaal stellen wij ons voor thans :eenige
nadei’e aandacht te besteden, teneinde daarna ook Prof.
Goudriaan’s conclusie aan een onderzoek te kunnen onder-
werpen. – – –

In de genoemde ,,Mededeelingen- van het Centraal
Bureau voor de Statistiek” worden maandelijks bei’eke-
ningen gepubliceerd omtrent de caloriewaarde van het
distributiepakket, sedërt Januari 1946 aangevuld metden
post ,,overige voedingsmiddelen”. Deze post betreft de
ai’tikelen, welke niet meer op den bon wordan verstrekt.
T

let valt te betreuren, dat Prof. Goudi’iaan bij ht
schrijven van zijn artikel nog niet beschikte ovei’ deze
berekening voor de eerste week van Febivari; in dat geval

zou hem zijn gebleken, dat de’ geheele door hem ‘gecon-
stateerde stijging van de caloriewaarden van November tot
Januari teniet is gedaan dooi’ een niet onbelangrijke daling. 1-let overzicht van de caloriewaarden van het distributie-pakket (inclusief visch, groenten en fruit) en van de overige
(,,vrije”) voedingsmiddelen voor de eerste week van .Januari
en Februari ziet ei’ als volgt uit: zie tabeF 1, blz
188.
Zooals men kan opmerken is de calorische waarde van
het distributiepakket vooi’ de week van 3-9 Februari

1946 (zie laatste kolom) vrij sterk gedaald t.o.v. de eerste
week van Januari, hoofdzakelijk tengevolge van het feit,
dat de in December verstrekte tractitioneele extra rarit-

soenen (o.a. olie en suiker) het Januai’icijfer extra hoog
hebben gemaakt
2).

) De in dit artikel gebruikte cijfers zijn – voorzoover niet
anders vermeld – ontleend aan of gebaseerd op berekeningen
van het Centraal Bureau-voor c’e Statistiek.
‘) De week van 30 December-5 .Tanuari viel nI. in de veertien-
daagsche periode van 23 December5 Januari’, voor welke de
caioriewaarden per (lag- Zijn berekend.

188

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 Maart 1946

TABEL 1.

Aantal calorieën per
persoon per dag

30 Dec. ’45-5 Jan.’46
3-9 Februai ’46

Leeftijdsgroep
mcl.
ovc- rige (vrije)
excl. ove-
rige (vrije)
mcl.
ove-
rige (vrije)
exel. OYe
rige (vrije)
voedings- voedings- voedings-

1

voedings-
niidclelcn
middelen
middelen middelen
(t)
(2) (3) (4)

0- 1 jaar
2.005
1.892
1.789
1.678
2- 4
2.076 1.963 1.796
1.685
5-14
2.620
2.509
2.399
.2.266
15-20
2.788
2.677
2.567 2.436
21 jaar en ouder.

2.444
2.333
2.218
2.088
as. en jonge
moedeis
3.327
2.944
3.101
2.707
Iahgdurige

arbeid
2.819 2.708
.

2.593 2.463
zware arbeid
. . .
3.297 3.180
3.071
2.941
zeer,zwarearbeid
4.144
4.033 3.988
3.858
,

De ca.Iprische waarde vn het distributiepakket voor de
week van 30 December – 5 Januari vindt men in kolom
(2); Prof. Goudriaan gaat echter van d6 cijfers van kolom
(1) uit, waardoor zijn latere conclusie uiteraard, wordt,
beïnvloed.
Prof. Goudriaan geeft vervolgens in Tabel II van zijn
artikel eenige standaardwarden uit de literatuur, ,,af-
komstig van erkende deskundigen”. Deze cijfers dateeren
i’epectievelijk uit de jaren 1913, 1917 en 1924. Terstond
dringt zich de vraag op, of de door deze deskundigen op-
gestelde nomen’ ook in den tegenwooi’digen tijd nog erken-,
ning vinden. Hét is ni. een bekend, feit, dat men op dit punt thans tot geheel andere inzichten is gekomen dan
‘één of twee decennia geleden. Ook in Nederland blijkt men
zich thans veelal te baseeren op cijfers, afkonitig van het
,,National Research Council”, welke voorkomen in ,,Food
consumption levels in the U.S.A., Cancia and the United
Kingdom, report of a special joint committee set up by’
the Combined Fodd Board”. Deze cijfers dateeren uit
1945 en luiden als volgt:

benden 1 jaar 100 cal./kg, dus ongeveer
……..
1.000 cal.
.
1- 3 jaar

…………………………..
1.200
4- 6

…………………………………
1.60Û
7-9

……………………………….
2.000
10-12

………………………………
2.500
13-15

,,

(gem. jong
ens en meisjes)

……..
3.000
16-20

,,

(gern. jongens en meisjes)

……….
3.100
Man (70 kg) (betrekkelijk actief)

…………..
3.000
Vrouw (56 kg) (betrekkelijk actief)

…………..
2.500

Vergelijkt men bovenstaand overzichtje met de door
Prof. Goudriaan aangehaalde gegevens, dan vallen de
groote verschillen terstond op. –
De leef tijdsklasse 5-14 jaar bijv. heeft volgens de oudere
gegevens een gemiddeld normaal calorièverbruik van 1.670,
volgens de recente gegevens van
2.270;
de leeftijdsklasse
15-17 jaar van respentievelijk 2.175 en 3.0671
Tabel II van Prof. Goudriaan ziet er na deze correcties
als volgt uit: (zie volgende kolom).
Gaan wij thans over tot Tabel III uit Prof. Goudriaan’s
artikel. Hierin wordt berekend, welk deel van de rantsoenen
(gemeten in calorieën) van 30 Dcember 1945-5 Janua’i
1946, meer is dan het normale verbruik.
Prof Goudriaan gaat daarbij uit van den leeftijds-
opbouw volgens de volkstelling van 1930. Er zijn echter
meer recente gegevens beschikbaar, nl. van 31 December
1942, welke een kleine verschuiving laten zien ten opzichte
van 1930 naar de oudere leeftijdsgroepen.
Bij de berekening van het ,,aantal calorieën per 100
personen van gemiddelden leeftijdsopbéuw per dag.”
stelt Prof. Goudriaan voor de leeftijdsgroep ,,21 jaal’ en.
ouder” het rantsoen op 2.700 calorieën per dag.
Hij houdt dus blijkbaar rekening met een gemiddeld
extra-rantsoen per dag voor deze leeftijdsgroep yan 2.700
-2.444 ‘= 256 calorieën. Dit lijkt ons zeer hoog; 150
calorieën per dag is wellicht een juistere benadering,’,
waarvan veilighèidshalve verder zal worden uitgegaan.
Bij de berekening van het ,,meer dan normale” aantal
calorieën wordt voor cle leeftijdsklassen ,,18-20 jaal” en
,,21 jaar en ouden” geen bedrag opgegeven, waardoor de

‘I’ABEL II

,’,
.-
•3
.
.


.

3
.

Q

;z-

1′
2
3
4

5.
6
1

7
0
1.892
1.678
}

1.100
+ 792 + 578

2
1.963 1.685 1.200
3
1.200 1.333
+
630
+
352
4
1.600

5
2.509
2.266
1.600
6
1.600
7
.
,,

2.000
8
,,
2.000


2.270
+
239

4
11
2.500
2

2.500
3
3.000
14
3.000

15
2 677 2.436
3.000
16
,,
,,
3.100 3.067

390

631
17
3.100

18
2.677 2.436 3.100
119
,,
,,
3.100 3.100
-423
-664
20
,,
,,
3.100

2len
ouder
2.333
2.088 2.750 2.750

417
-. 662
In bovenstaande berekening werden extra rantsoenen voor zwaren
arbeid etc. buiten beschouwing gelaten.

mogelijkheid open blijft, dat, ingeyal deze waarden
negatief zijn, het eindresultaat van ,,12,4 pCt. te hooiz
verbruik” wordt beïnvloed.
Wanneer men de betreffende berekening dan ook op-
nieuw uitVoert, gebruik makende van de vermelde meer
recente gegevens, komt ‘men totde volgende resultaten:

TABEL III

Leef-

In pCt.
von de
1
geheele

Aantal calorieën per 100 personen van
gemiddetden leeftijdsppbouw per dag

Volgens
Volgens
tijds-
.bevol-

rant-
Daarvan
rant-
Daarvai
‘groei)
king
soenen
meer
soenen
meer
1(31 Dec.
30 Dec.

dan
39 Febr,
(Ial)
1942)
1945-5
norm aal
1946
noraal
m
Jan. t946

jaar
0- 1

3,94

7.454

+ 3.120

6.611

+ 2.277
2- 4._

5,70′

11.189

+ 3.591

9.605

. + 2.006
5-14

17,98

45.112

+ 4.297

40.743

– ‘ 72
15-.–17

5,31

14.215

-2.071

12.935

-3.351
18-20

5,37

14.375

-2.272

13.081

– 1.566
21 jaar
ouder

61,70 ‘ 153.201

-16.474

138.085

-31.590
Totaal

100,00 , 245.546

-9.809221.060

-34.296
=-4,0 %”/I

-1
.
5,5 %’)
Voor volwassenen werd hier gerekend, dat gemiddeld 150 calo-
neOn per dag aan extra rantsoenen werden verstrekt.

De conclusie, die uit de gegeven beschouwingen getrok-
ken mag worden, is wel een geheel andere clan die, waartoe
Prof. Goudriaan kwam. Er is, gemiddeld voor de geheele bevolking, geen sprake van overtollig verbruik, maar van
een niet onaanzienlijk tekort.
Begin Januari bedroeg dit tekort tengevolge van enkele
extra-rantsoenen nog 4,0 pCt. van het ,,normale verbruik”,
in Februari steeg het tot 15,5 pCt. Weliswaar staat. hier
tegenover, dat enkele voedingsmiddelen vrij vrkrijghaar
zijn, cjit is echter in zeer beperkte mate het geval en de
caloriewaarde van deze artikelen is niet hoog: gemiddeld
ca.120 calorieën per persoon pei dag voor den in de bereke-
ning van het Centraal Bureau voor de Statistiek opge-
non1en post , ,Overige ‘voedingsmiddelen”. Beschouwt .men

het distributiepakket
plus
deze overige voedingsmiddelen,

3)
Neemt men – evenals Prof. Goudriaaj deed -, alleen het
aantal calorieën van dc leeftijdsgroepen met een ,,overschot” als
percentage van het totaal, dan vindt men voor die leef tijdsklassefl
in Januari een teveel” van 4,5pCt., voor de andere l’eeftijdsgroepen
is het ,,tekort” dan echter 8,5 pOt. Voor Februari zijn deze cijfers
resp. ,,teveel” 1,9 pCt. en ,,tekort” 17,4 pCt.

20 Maart 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

189

dan vindt men in Januari een ,,teveel” van 0,5 pCt. en
in Febivari een ,,tekort” van 9,2 pCt:
4).

Beschouwen wij voorts de situatie in de verschillende
leeftijdsklassen, dan blijkt, dat het in begin Februari

verstrekte distributiepakke, gemeten naar den norm van
het ,,National Research Council”, voor kinderen van 9 jaar en jonger een ,,teveel” aan calorieën bevatte, voor
personen van 10 jaar en ouder echter een ,,tekort”.
Vanuit het oogpunt van nationaal belang bezien kunnen

hiertegen o.i. geen groote bezwaren bestaan; eenerzijds,
omdat jonge kinderen, die in de oorlogsjaren geboren
werden of hun prille jeugd doormaakten en dientengevolge
een zwakkere constitutie bezitten, wel een ,,meer dan
normaal” rantsoen toekomt, anderzijds, omdat de overige
gezinsleden, die tot de hoogere leeftijdsgroepen behôoren,
hierin voor hun ,,tekorten” een geringe compensatie
kunnen vinden. Voor ernstige stoornissen in de spijs-
vertering of een maximale ,,propensity to black marketing”
1′ ehoeft o.i. daarbij niet gevreesd te worden.

Dat aan de lagere’ leef tijdsgroepen gemiddeld een teveel
aan voedingsmiddelen en dus aan calorieën wordt toe-
gewezen, is voor een deel een kwestie van door d6 rantsoe-
neeririgstechniek opgelegde noodzaak. Kinderen van 5-14
jaar ontvangen dezelfde rantsoenen; omdat deze vool
11-jarigen voldoende moetenzijn, zullen zij voor 5-jarigen
veelal méér dan voldoende zijn, en avenroo voor de andere
groepen. De oplossing zou misschien zijn het aantal leef-tijd,’skl;ssen te vergrooten; het is echter zder de vraag, of
in ‘dat geval, de meerdere administratieve r’oOslomp
niet een overwegend bezwaar zou zijn.

Overigens zij hierbij opgemerkt, dat ook in bovenstaande
beschouwingen de voedselvoorzienihg van Nederland rog
•te gunstig wordt voorgesteld. De cijfers van de Neder-
landsche voedingsiTliddelentabel immers, waarop ook die
uit de ,,Mededeelingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek” zijn gebaseerd, hebben betrekking op het-per
persoon
toegediend
aantal calorieën. Wenscht men het
netto aantal opgenomen
calorieën te weten (waarop ook de
voedingsnormen. van het ,National Research Cduncil”
betrekking hebben), dan dient men met een aftrek van
ongèvëer 10 pCt. van de caloriewaarde rekening te houden
tengevdlge van verliezen door onvoldoende vei’tering..
De tekorten zijn eigenlijk, dus nog hooger dan de door,ons
berekende.

Hierbij komt nog een ander gezichtspunt. De voedings-
waarde vn een rantsoen mag niet alleen op grond van het
aantal calorieën worden’ beoordeeld; de samenstelling
ervan is mede van groote beteekenis. En nu doet zich het
feit voor, dat de behoefte van kinderen aan de meest
onmisbare bestanddeelen (eiwitten, mtnerale bestand-
deelen, vitaminen) in een geheel andere verhouding staat
tot die van volwassenen,, dan voor de calorieën. In het
algemeen is deze behoefte in verhouding belangrijk hooger;
in een aantal gevallen zelfs absoluut hooger, dan die van
volwassenen.
Zou men nu, op dezelfde wijze als dit voor het aantal
calorieëri is geschied, het verbruik van bijv. eiwitten vol géns de rantsoenen vergelijken met het normale verbruik,
dan is het zeer goed mogelijk, dat de overschotten en de
tekorten zich ubij geheel andere leeftijdsgroepèn zouden
blijken voor te doen dan t.a.v. de calorieën. Een “calorisch
overschot in een bepaalde leeftijclsklasse kan samengaan.
met een, tekort aan eiwit.

In deze beschouwingen kan men ongetwijfeld aanleiding
vinden tot het aandringen op zekere correcties in de distri-
butiemaatregelen ter vermijd’ing van overschotten en tç-‘
korten in gezinnen van bepaalde samenstelling; te spreken
van fouten
in
‘de rantsoeneering lijkt echter niet gemoti-
veerd.

‘) Niet onvermeld mag blijven, dat de uitkomsten van de budget-
statistieken, waarmede Prof. Goudriaan in Tabel
IV
het verbruik
volgens de rantsoenen van de laatste maanden vergelijkt, in drie
van de vier gevallen betrekking hebben
op
gezinnen in ongunstige
omstandigheden, ni. ten aanzien van twee gevallen op de laatste
jaren van den eersten wereldoorlog en van het derde op werkloozen.

Da door Prof. Goudriaan a,angsneden kwestie is juist
in deze dagen, waarin opnieuw de besoeften van vele

Europeesche en Aziatische landen aan voedingsmiddelen
aan een diepgaand onderzoek wosden onderworpen, van

het allergrootste belang. Zou inderdaad, ‘zooajs hij meent,
een achtste deel van de in Nederlandgedistribueerde
levën,smiddelen voor rekening komen van overtollig vei-

bruik, dan is het duidelijk, dat andere landen meer recht
zouden hebben op aanvoer van overzee dan Nederl.nd;
nu echter blijkt, dat ons distributiepakket gémiddeld
tenminste 15,5 pCt. minder calorieën bevat dan het’ in
Amerika en Engeland aanvaarde cijfer voor normaal
verbruik. kan ook ons land zijn eischen op dit punt terecht
stcllen.

Naschrift:

Bij elke gedachtenwisseling doet men goed onderscheid
te maken tusschen boord- en bijzaken.
Bijzaken zijn hier o.a.:

De verlaging’van het rantsoen in Februari. Misschien
is er in Maart of later weer een verhooging. Het is duide-
lijk, dat de berekening dan telkens tot eenander resultaat
komt. De essentieele fouten zijn evenwel ook in FebruaN
hardnekkig dezelfde gebleven, (zie beneden).
De rol det vrije voedingsmiddelen. Het is geen fout
deze bij de beoordeeling der rantsoenen in aanmerking
te nemen, wel om ze weg te )aten. Waar gaat men anders
heen, wanneer de rantsoeneering geleidelijk voor stèeds
meer groepen van artikelen wordt opgeheven? Zij beloopen
overigens slechts 110-130 cal. per persoon per dag en
veranderen vrijwel, niets aan de onderlinge verhouding
der vantsoenen (zie beneden)


Verandering in den leeftijdsopbouw tusschen 1930
en 1942. Ook dit element is quantitatief van geringdn, in-
vloed. Bovendien hebben tusschen 1942 en nu ook weer
veranderingen plaatsgehad; misschien door ,verhoogde
geboorte en door verhoogde sterfte van oude personen wel
in omgekeerde richting.

De schatting van de extra-rantsoenen op gemiddeld
256 cal. Dezê schatting is door rnij opzettelijk aan den
hoogen kant gehouden om het percentage van het ,,meer
dan normale” verbruik zooveel mogelijk te drukken
(zie noot 1, hlz. 132). Deze schatting speelt overigens in
mijn betoog geen rol.

1-Jet verschil tusschen toegediende en netto opge-
nomen calorieën. Alle Nederla,ndsche berekeningen over
calorieënverbruik zijn tot dusver steeds gebaseerd op
toegediende calorieën; de onderlinge vergelijkbaarheid ‘in
tabel IV
van
mijn artikel is dus volledig gewaarborgd.
I.
Het beroep’op de behoefte aan eiwitten, minerale
bestanddeelen en vitaminen. Een dergelijk ber’oep heeft in
een discussie als deze alleen zin, indien het gesteund
wordt door berekeningen. Deze zijn niet gegeven.
Hoofdzaken zijn:
a.
De tabel der calorische normen, welke men bij de
vergelijking der gegeven rantsoenen gebruikt. De, cijfers
van de ,,National Research Council” van 1945 zijn, tot
dusver in Nederland vrijwel onbekend;, in elk geunl ,de
wijze, waarop men tot deze cijfers is gekomen, en ‘dus ook
hun –
v
mate van bnsikbaarheid voor Nederlandsche er-
houdingen.

Deze cijfers vertoonen evenwel grooto overeenkomst mdt
die, welke reeds in 1907 door Prof. Lusk van Corneil University (VS.) zijn opgestêld. Deze zijn sedertdien
gebruikt bij de enduête in Gr. Brittannië (1918), in Egypte
(1920), in Bombay (1922) en ook door de toenmalige
,,Interallied Sci’entific Food’ Commission” aanvaard. Zij
zijn dus in Nederland sedert, jaar en dag bekend, niar
nooit toegepast. Alle voedingsenquêtes in Nederland van
.1917 af zijn herleid volgens de Amsterdamsche’ schaal.
WanneeF ik deze, na bijna 30 jaar, itog eens bezie, kan ik
er voor voelen ae getallen voor de 0-3 jarigen eenigsins
te verhooen. Toepassing van de Amerikaartsche schaal

‘4
Z rjr

.s’-

;.;-

‘..

•1’• I.

190

ËCONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

‘ 20 MaarL 1946

in Nederland is evenwel niet verantwoord, omdat daar-voor de omstandigheden te veel uiteenloopen. Als men nu, uitsluitend om de discussie te vereen-
voudigen, de cijfers van de ,,National Research Council”
een oogenblik aanvaardt, dan blijkt uit Tabel 11 van
inzender dat het rantsoen der 0-1 jarigen 792 cal. of
70 pCt. boven zijn zelf gekozen norm ligt; dat der 2-4
jarigen 630 cal. of 47,5 pCt.; dat der 5-14 jarigen 239
cal. of ruim 10 pCt., terwijl het rantsoen der volwassen
mannen 417 + 250 = 667 of ruim 22 pCt. beneden de
norm blijft.

1-her ligt de kern van de
cluaestie
en op dit punt komen

de berekeningen van inzender en van mij tot hetzelfde
resultaat. Volgens zijn berekeningen liggen de rantsoenen van de
leeftijdsgroepen 0-1, 2-4 en 5-14 voor Januari en
Februari op 83 en 81; 84 en 81 en op 108 en 109 pCt. van
den volwassen man. Uit tabel 11 en fig. II van mijn artikel
blijken de waarden 82, 85 en 108. En het zijn deze ver-
houdingscijfers, die voor hem en mij hetzelfde zijn, welke
men met geen enkel beroep, op welke schaal van calorische
waarden ook, kan verdedigen.
– De hieruit blijkende anomalieën worden in de wecke-: lijkheid ook volstrekt niet in redelijke mate gecomp.en-
‘seerd door de’ samenstelling der gezinnen. Bij de alleen-won,enden (2 pCt. der bevolking) en de gezinnen zondei”
‘inwonende kinderen (bijna een kwart van het totaal) vindt
in het geheel geen compensatie plaats. Bij de gezinien
met 3 of meer kinderen (meer dai een derde van het totaal)

vifldt aanzienlijke overcompensatie plaats. Bij de ge
zinnen met 1 of 2′ kinderen (ruim 40 pCt. van het totaal)
is er, in verbhn.d met de exti’a rantsoen,en voor zwren,
arbeid, voor rond een derde van dit aantal ovej’compen-
satie, enz.

De hoofdarbeiders, die gemiddeld minder kinderen en
zoo goed als nooit extra rantsbenen hebben, komen er veel
slechter af dan de handarbeiders. Brabant en Limburg,
waar mn het minst van den honger heeft geleden, maar
de giootste gezinnen vindt, worden bevoordeeld tav,
de hongersteden in N en Z. T

holland, waar de gemiddelde

gezmn.sstërkte veel kleiner is.
1-let is deze toestand, die een belangrijk deel van
de zwarte markt creëert en in stand houdt.’ Eén
procent van het distributiepakket, dat van het ,,teveel
via. de zwarte markt naar het ,,tekort” vloeit, beteeken
reeds een weekomzet van een kwart millioen gulden, be
rekend op officieelen prijs, dus van het 5- of lO-voudige
op zwarten prijs: Hier ligt ook een belangrijk deel van de
verklaring van het groote tekort aan aanod van jeugdige
vrouwelijke werkkrachten. ,Wanne’oç men. door den simpelen
verkoop vah he
2 suikerbonn f 30 in het laaidje krijgt
valt de reden weg om de jonge meisjes,’ hetzij een huishou-
delijken dienst, hetzij fabrieksarheid te laten doen.” Aldus
schreef mij één der leiders van een voortreffelijk ingericht
levensmiddelenbedrijf in de omgeving van Amsterdam,
dat onoanks hooge bonen en aantrekkelijke arbeidsvoor-
waarden aan de vraag naar zijn product niet kn voldoen
wegens tekort aan meisjespersoneel. Aldus houden. de
maatregelen op grond van cle schaarsçhte, de schaarschte
in stand.

,,De gebreken van elk stelsel van rantsoeneering
treden sterker o den voorgrond, naarmate de rantsoenen

ruimer zijn”:Dan immers
groeien
de gevaren: le. dat men
het verbruik stimuleert in plaats van het te beperken
(men denke aan onze, thans sigaretten rookende, dames.
aan de daliiig van het peulvruchtenverbruik na het op-
heffen der rantsoeneering enz.) ; 2e. dat een aantal ver-
bruikers hun bonnen als geidswaardig papier beschouwen
en incirculatie brengen. Geen enkel stelsel van rantsoe-
neering ‘kan deze gevaren volledig vermijden.
Maar
men

kan’ ze wel beperken. Daartoe is noodzakelijk, dat het
rantsoen van elk individu zoo dicht mogelijk hi,gt bij het-
geen naar sexe en leeftijd noodzakelijk is. Anders ontstaat

door de uiteenloopende samenstelling der gezinnen altijd
ci.mulatie van pvcischotten hij een zeker deel, cumula,tie
der tekorten hij anderen..
Men doet daarom het beste om, bij een gegeven aantal
rantsoeneeringsklassen, de opklimming der calorische
waarden voor deze klassen te kiezen volgens een meet-
kundige reeks. liet constante opkliiiimingspercentage
‘beperkt dan de grootste percentueele afwijking tot het
minimum, dat bij het gegeven aantal klassen bereikbaar
is. Thans heeft men vijf klassen, dus vier intervallen. Als
men de laagste calorische waarde aanneemt op 1.000, de
hoogste op 2.500, is het interval dus rond 25 pCt.

1,25), Zoekt men bij de hiei’uit resulteerende waarden de
passende leeftijdsgrenzen, dan komt men ongeveer tot
onderstaande tabel:
• 1.000 cal. voor de 0— 1 jarigen

1.250

2— 4

1.600

5-10

2.000

11-13

2.500

,;

14-jarigen en oudet’; bij vdorkeur
te splitsen in 2.300 voor meisjes en vrouwen en 2.700 voor jongens en mannè’n.
Wanneer men dan bovendien bij de uitgifte der rant-
soenen voor elke, klasse rekçning houdt met de vrij be-
schikbare goederen, zal men stellig tot aanmerkelijk beter
resultaat komen dan thans.
FJet samenvegen van rantsoenen, die volgens de zelf
gekozen tabel behooren te varieeren van 1.600 tot 3.000
(zie kolom 4 van tabel II), dus viijwel van 1
01)
2 in ééÎ’i

enkele klasse, is ongerijmd. –
Nog een enkele opmerking over inzender’s stelling :,,Er is, gemiddeld voor de geheele bevolking, geen sprake van
overtollig verbruik, maar van een niet onaanzienlijk
tekort”. Dit zou een conclusie zijn, geheel nders dan die,
waartoe ik kwam. –
Ik heb het gemiddelde verbruik van de gehêele bevol-
king niet gemeten. Dat lag ook niet in de lijn van mijn
betoog.Jk heb slechts laten zien, dat de lage leettijdsklassen,
een overschot toebedeeld ‘krijgen en de volwassenen, die
het grootste deel vhn de wei’kende bevolking uitmaken,
minder, krijgen dan zij noodig hebben.
Die conclusie, waartoe ik mij heb bepaald, blijft door
bovenstaand ingezonden stuk onaangetast.
J. GOUDRIAAN.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Het totale tegoed dei’ banken bij De Nederlan.dsche
Bank bedi’oeg op 11 Maart jl. f 106 millioen. In verband
met de in het vorige overzicht géschetste ontwikkeling
ter geldmarkt was dit totaal gioot genoeg, om nog lagere
koersen op de geidmarkt tot stand te b’rehgen dan de
vorige week. Driemaands promessen n’oteerden 1
viermaands promessen 1
1
/
8
pCt., terwijl Septembérpapier

tegen 1
1
/
8
pCt. werd gevraagd. Ook de langere térffiijnen
aven lagere noteeringen te zien, zoodat Decemberpapier
bij overigens geringe omzetten tegen 1
3
/
pCt. werd ‘er-

handeld.
Ter beurze van Amsterdam was de be1agstelling voor
binnenlandsche obligates en, pandbrieven gering. Niet
alleen van d zijde van het publiek, waardoor practisch
onverancierde koei’sen tot stand kwamen, maar ook van
de zijde van de effectenhandelaren. Deze werden meer
in beslag genomen door de recente uitlating van Minister
Lieftinck in de Vereenigde Staten betreffende de vrij-
wil,lige liquidatie van het Nederlandsche bezit aan Amen-
kaansche fondsen, welke vrijwillige li4uidatie eventfleel
door een gedwongen verzilvering 7ou worden g’evolgd.
Dit ontlokte aan het bestuur van de Vereeniging voor ‘den
Effectenhandel een in krasse bewoordingen gesteld tele-
graf isch protest, hetgeen dooi’ den Minister min of meer
geringschattend als een ,,storm in een glas water” werd

gekarak teniseerd.

20 Maart 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

191

Bij een nadere beschouving’van deze, voor de geheele
Nederlandsche volkshuishouding zoo belangiij ke kwestie
valt op, dat van de zijde der direct geïnteresseerden, i.c.
de efectenhandelaren, zoo weinig te bemerken, is van een
gedegen verdediging hunner belangen binnen het raam
van het landsbelang. De Regeering moet kiezen, tusschen
eenerzijds het opnemen van buitenlandsche leeningen en
het intact laten van bezit aan buitenIaidsche ‘waarden,
anderzijds tusschen een liquidatie van het buitenlandsche
bezit, waarbij buitenlandsche leeningen niet of althans in
geringere mate behoeven, te worden opgenomen. FIet be-
stek van dit artikel veroorlooft slechts een enkele opmer-
king over deze controverse. Bij handhaving van het buiten-
landsche effectenezit hoopt men’ Amsterdam een rol als
internationaal financieel centrum te kunnen, laten behou-
den, maar een dergelijke rol zal slechts vervuld kunnen
worden bij een vold.oende vrij internationaal betalingsver-
keer. De mogelijkheden, om hiertoe tegera.kn
, zijn echter
beperkt en door het opnemen van buitenlandsche credieten
met de daaraan verbonden rente- en aUossingsve’l’plich
tingen – de noodzakelijke consequentie van dit standpunt
– worden deze’ moelijkheden slecht& verkleind. ‘Verder
levert het bujtenlandsch bezit inkomsten op, welke echter’
slechts in tijden van een gunstige conjunctuur binnen-
komen, terwijl de rente op de verkregen credieten steeds
moet worden betaald. 1-let aanhouden van, het Amerikaan-
sche effectenbezit beteekent in wezen hièt ‘andérs dan
een speculatie op groote sbhaal tav. het aanhouden van een gunstige bonjunctuur in Amerika. Natuurlijk is het
gemakkelijker om thans het buitenlandsche bezit af te
stooten, dan het door nieuve besparingen in de toekomst
weer te vormen. De op te nemen leeningen moeten ook wel
door nieuwe besparingen worden afgelost, maar deze
besparingen zullen door het gedwongen karakter gemak-
kelijker plaatsvinden. Indien echter besparingen moeilijk
gemaakt kunnen worden, steekt men zich bij een toekom-
stige ongu-nstige conjunctuur in de Vereenigde Staten
vrijw’illig in de moeilijkheden. Eeii belangrijk punt blijft
natuurlijk de handhaving van de werkgelegenheid voor
een bepaalde groep van personen binnen de Nederlandsche
volkshuishouding. In e’en toestand, welke ,,full eiploy-
ment” vrij dicht benadért, hetgeen -voor de nabije toe-
komst in ons land zeer zeker mag worden verwacht, zal
een dergelijke overweging echter moeilijk een beslissende
rol kunnen spelen.
0

STATISTIEKEN.

DE NEOERLANDSCIIE BANK.


(Voornaamste posten In duizenden guldens)

Munt,
Wissels, prom.
enz

Data
muntmate
openmarhtpapier,
beleeningen,

voor-
Totaal

Totaal
opeisckh.
riaal
en
deviezen
schotten
a/h
Rijk en,
activa
schulden
diverse

rekeningen

II

Mrt. ’46
5.339.312
240:84
5.653.297
4.993.006
4

,,

’46
5.324.032
246.603

5.643.777
4.960.831
25 Febr. ’46
5.363.395
207.132


5.643.669 4.960.193
18

,,

’46
5.377.386
203.771
5.654.300 4.975.382
11

,,

’46
5.383.257
231.423
5.687.720
5.009.423
4

,,

’46
5.390.718

233.755
5.697.513 5.025.108
28 Jan, ’46
5.286.506
218.455
5.578.003
4.985.638
21

,,

’46
5.258.117
221.197
,
5.552.356
4.987.096
6 Mei

’40 1.173.319

248.256
1.474.306
1.424.016

Bankbiljet-
Saldi
Cebloh-
keerde
Bankassig-
Data
ten in om-
in
Saldo

Rijk natiën en’
loop
R/C
RIO (D/C)
van
diverse

banken
rekeningen

11 Mrt. ’46

2.348.1721)
T7

01.888.3951
106.534
328.058
4

,,

’46

2.330.316′)
2.630.486

01.902.540
350.618
25 Febr.’t6

2.250.450 2.709.478

C1.806.459
1


351.408
18

’46

2.194.’786
2.7,80.463

Cl .800.8Z8
346.716
11

,-

’46

2.148.409 2.860.962

C1.914.8951
346.018
.4

,,

’46

2.11 9.729
2.905.251

01.949.2421
340.202
28 Jan. ’46

2.025.037 2.960.293

C2.1 16.4631
260.350
21

,,

’46

1.945.521
3.041.607

C2.169.716
1
233.104
6 Mei

’40

1.153.613
255.174

C

22.9621
10.230
i)
waarvan fliouw’e uitgifte
f2.049.175.
f2.028.737.

– NATIONALE BANK VAN BELGIË.
– (Voornaamste posten In mlllloenen trance)

m
c

5,
too
Data
t

.3
c
i
uE
.E
,Ou

0,
‘nGo

.0
0

14 Maart 1946

33095
3.873 1.736
.

259
556
50.65(
7

,,

1966
33.096
‘4.059
1.666
257
520
50.99E
98 Febr. 1946
32.728
4.575
1.736 392
515
49.891
21

,,

1946
32.738
4.509
1.277
392

500
4979€
14

1946
32.754
4.139
1.540
509

473
50.27
7,,

1946
32.754
3.160
1.932
575
442
51.001
6
4
p
Jan.

1946
31.943 3.120 2.366
502
421
50.901

Rekening-,.,
courant saldi
s’
.u)
‘a
0
0
5)

Data
0*-‘
‘°

0
‘_

0
,.55)
,

0

14 Maart 1946
653
155.885
73.242
3
2,843
851
7

.

19,46
653
156.309
73.570
5
2.914
856
28 Febr. 1946
653
155.649 .73.143
3
2.672
861
21

‘.1946
‘653
155.019
72.634
2
2.965
864
14

1946
653

1155.497
72.915
5
3.132
872
7,,

1946
653

1
15
5.671
73.062
3


3.148
878
9’tj Jan.

1946

.
653-
155.063
72.470
-6
3.112
890

‘)Waarvan 10.493 millioen fres. onbeschikbaar .goudsaldo iia
herwaardeering van den goudvoorraad. (]Jesluitwet no. 5 van
1-5-1944).
0
‘) Waaronder begrepen de post ,,Emissiebank te Brussel”, ten
bedrage van 64.597 millioen frcs.
‘) Deze post omvat: oude biljetten over te boeken op tijdelijk
onbeschikbare of geblokkeerde rekeningen en niet aangegeven
oude biljetten.

Verschen en:

Full. Employment

itt de Nieuwste Engelsche Literatuur. (o.a. de
irizichten van BEVERIDGE en KEYNES).
Openbare les van H. W. Laanbers, ec; drs.
Prijs f 0.95. Levering via den boekhandel., Uitgever: H. A. M. Roelants te Schiedam.
IfTI71R,it
i

wicITcgii

Jongeman, 28 jaar, 5-jarige H.B.S. Afd. B. 9-jarige handels’
ervaring in kantoor. en buitendienst, thans studeerend economie
en -commeTc,ce!e bedrijfsorganisstie zoekt ptaatsrng als

ASSISTENT ‘SALES-PROMOTOR

op afd. Verkoop-ontwikkeling eener vooraanstaande onderneming.
Br. onder no. 405 bureau van dit blad, postbus 42, Schiedani.

ADMINISTRATEUR

leeftijd 30 jaar, organisatorisch en commercieel talent biedt (ter –
studie) belangelooze medewerking a
a
n practische objecten. Br. onder
no. 406, bureau van dit blad, poëtbus 42, Schicdam.

Drs. Economie

organisator, met grootk belangstelling voor cultureele en maat.
schappclijke vraagstukken en uitgebreide e’rvaring in- ‘leidbnde
functiet op het gebied van Organisatie, sociale zaken, budgettee-
ring, kostprijsber., bedrijfseconomie, financiën, prijsvorming, afzet.
problemen, wenscht van werkkringte veranderen en zoekt daarom
leidende positie in bedrijfsleven of ov,erheidsinstelling. Voorkeur
voor Westen des tand. J..eeftijd 37 jaar, P.C.’ Brieven onder no.
413 bureau van dit blad, postbus 42, Schiedam.

– Enei’giek zakenman, Pr,ocuratikhouder. van een der g’èootstc
Handel Mijen “in :Ned.-Indië, zoo juist gerepatrieerd,..oud 34 jaar,
zoekt • ,

Lévenspositie in Nederland

met zeer goede vooruitzichten .(event. later opname in Directie)
in Industrie en/of Handelsonderneming (event. ook techn. Handel).
Goed organisator en gewend leiding te geven op het gebied- van
in, en verkoop, correspondentie, alsmede aan rayon’ vertegenwoor-
digers, etç. Comm. erv.Europa en Ned.-Tndjë. Br. onder no, 414
bureau van dit blad, postbus 42, Schiedam.


734

Alle correspondentie betreffende advertenties gelieve U te richten aan Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerij ‘ H. A. M. -Roelants,
Lange Haven 141, Schiedam (Tel, 69300, toestel 6).

.4

Door het C.B.S. w&rdt gevraagd e:i

LEIDER VAN DE

RIJKS WONINGTELLING

in den rang van boofdcommies/referefldariS.
Salarisgrenzen: gehuwd f 4038—f 6397, ongehuwd
f 3804—f 5661.
Vereischten: Ingenteursdiploma of doctoraal exa-
men in de economische of sociale wetenschap-
pen. Bekendiieidmet de volkshuisv€stindspro-
blemen, zoomede statistische en organisatorische.
ervaring strekken tot aanbeveling.
Sollicitatiebrieven binnen 7 dagen na het ver-
schijnen van dezen oproep te richten tot den
Directeur van het Centraal Bureru voor de
Statistiek te ‘s-Gravenhage.

Accountantskantoor H. F. van Zuylen zoekt voor
haar kantoren Den Haag en Rotterdam.

ENIGE GEVORDERDE EN ENIGE

ERVAREN ASSISTENTEN

al;mede een GEROUTiNEERDE -TYPISTE.
Sollicitaties bij voorkeur schriftelijk aan het kantoor
Frankenslag 160, Den Haag.

VAN
N
E LLE

ROTTE ROt

HAV BANK – SCHIEDAM

Levensverzeke.i’ ing en L’jfrenÉe

Hederlandsch Indische Handelsbank, N.Y.

Amsterdam – Rotterdam – ‘s.Gravenhago

Çei#iaa/Bwau

5

Alle Bank-en Effectenzaken

Dopr het C.B.S. wordt gevraagd een

PLV. LEIDER VAN DE

RIJKS WONINGTELLING

in den rang van
commies,
met uitzicht op den
rang van hoofdeommies.
Salarisgren7erl gehuwd f 3020—f 3934, cngehuwd
f 2709—f 3446.
Vere:schten: Einddiploma H.B.S.-B 5 j. c. of
gymnasium of een hiermede gelijk te stellen
ontwikkeling; organisatorische ervaring en in
staat om leiding te geven aan 60-80 personen.
Sollicitatiebrieven binnen 7 dagen na het ver-
chijnen van dezen oproep te richten tot den
Directeur van het Centraal Bue6u voor de
Statstiek te ‘s-Gravsnhage.

;t
G’
eeee’i Pias
‘4

40k
ese,

PATRUSPOORTCLAZEN

TELECIIAAFPLATC
I1MJO1IETEI1GL%ZEN
S
PElLGLt7E1 .OLIEfLAZFJ4
III1FLEXCL,tzEle

V,tTElt5LETLItGLAZEN EI’IL

_Q/ad

_____

Pie1errnan.
WESTVEST 17 . SCHIEDAM . TELEFOON 69269

VOOR SCI-lPU- O[VI.1OUDMACHlN[S1 PEN;

POTLOOD [N AGAATSTUT

VAN DIJK & Co.

EÊNDRACHTS WEG.
11 – ROTTERDAM

Makelaars en Commissionnairs in Effecten

Effecten – Coupons

Vermogensbeheer

Fe1efoon 20845 – 21889 – 40631

Beurs Nis
6

Te1efoon 24178

24378

UW TOEKOMST IS VEILIG met een polis van de

ALGEMEENE FRIESCHE

LEVENSVERZEKERING MIJ.

of de

GROOT-NOORDHOLLANDSCHE

VAN 1845

LEEUWARDEN
(Burmaniahuis) AMSTERDAM (v. Brienenhuis)
1

N.V. A.T.O.

VAN GEND
&
LOOS

Geregelde vrachtauto-dienst

Nederland – Tsjecho-Slowakije

Vraagt inlichtingen bij onze 80 kantoren of bij van

Uden’s Transport Bureau – Veerhaven 15 – Rotterdam

Alle correspondentie betreffende advertenties, gelieve U ie richten aan Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerij H. A. M. Roelants,

Lange Haven 141, Schiedam (Tel. 69300, toestel 6)

Druk Roelants, Schiedam.

Auteur