Ga direct naar de content

Jrg. 30, editie 1490

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 29 1945

II
:

_

0*

0

11

II

o

0

IC

0

30e JAARGANG – N. 1490

DONDERDAG 29 NOVEMBER 1945

*

/

R.MEES & ZÔON:EN

Ao1720′

Rotterdam, ‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam

Vlaardingen, Amsterdam (alleen assurontiën)

BEHNDELING VAN ALLE BANKZAKÉN,

• BÉZORGING VAN ALLE ASSURANTIËN

AMSTERDAMSCHE
1,

BANK N;V.

V

131B(IKANTOP.EN SN ZITDAGEN
KAPITAAL £ 55.0I0C% RESERVES t 31500.000

EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering Mij.. op het Leven en tegen Invaliditeit N.V
Gevestigd te ‘s-Grevenhage

OMINISTRATIKANTOOR DORDRECHT. BELLEVUESTRAAT 2, TELEFOON 5346

Personeels- Pensioenverzekering
verschaft drecte liscale besparing – elschrijving van toe-
kcm.tige lasten – blijvende Sociale voldoening

Vraaqt U eens welgedocumenteerd advies aan ons
BUREAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN

De .psychoi,ogiche fador

otwel de menschelijke factor kan in het bedrijfs-
leven nimmer stratfeloos genegeerd worden; der-
halve, ook niet, in de wetenschappen, die zich met dit bedrijfsiëven bezig houden. Men vrage daarom
omgaand het kostelooze prospectus aan van de
reeks: ‘loegepaste ‘psychologie, waarvan het eerste
deel: Mensenkennis”, Van de hand van Drs.

J. Slikboer, spoedig zal verschijnen bij

H. A. M. Roelants

Uitgever – Schtedam (Levering kan t.z,t, via Uw boekhandelaar geschieden).

Lai
VOOR MOOERNE

SChOIFÎELIJKE ‘CIIOSS

MBA
ROTTERDAM
810RUISADMINISTRAT11′

Leidt op
veor het examen -moderne bedrijfsadministratie –
B
e
h
ai
u
i
d
e
lf o.a.
adiihistratieve organisatie, de rekeningstelsels,
voor- en nacalçulatie, standaardkosten en budgetteering, loon-
stelsels en loonadministratie, bedrijfsstatistiek, toepassingen in

verscl?illende bedrijven –
Biedt-
uitstekend verzorgde lessen
en ‘besèhrijvingen, uitvoerige en gedegen correctie van de

uitgewerkte vraagstukken, alle gewenschte voorlichting op
studiegebied ,

Beschikt o’er
talrijke medewerkers uit de
praktijk van het bedrijfsleven –
Verzorgt
behalve den hoofd- cursus ook voorbereidende, aanvullende en repetitiecursussen.
Prospectus op aanvraag

Vacatures

Bij de Stichting ‘beheer Vijandelijke Octrooien en

Merken te ‘s-Gravenhage zijn te vervullen de vacatures,

van –

directeur,

en onderdirecteur

In aanmerking komen uitsluitend gegradueerden in

de reclts of technishe wetenschappen. Zij, dio over

ervaring in octrooizaken beschikken genieten de voor-

keur. Sollicitaties v66r 10 December as, te richten

aan dc Stichting, Gebouw Octrdoiraad, Willem Witsen.

plein 6, ‘sGravenhage. Persoonlijke kennismaking eerst

na oproep.

BELANGRIJKE INSTELLING wenscht in verbinding
te treden met

commercieel en

economisch geschoold&

personen

welke in staat zijn in het buitenland marktanalyses te
verrichten en relaties aan te knoopen ten behoeve van
Nederlandsche ondernemingen. Gegadigden moeten over
buitenlandsche ervaring bechikken, op de hoogte zijn
van handelsusances en vreemde talen volledig machtig
zijn. Brieven onder no. 361 aan Advertentiburesu
Hund, Groenmarkt 36, Den Haag.

,

Groote . Fabriek ‘van verpakte verbruiksartiklen
zoekt voor de functie van

bedrijfsleider

een energiek persoon mt organisatietalent en initiatief. –
Bij gebleken geschiktheid levenspositie.
Vereischten: Middelbaar onderwijs en techn. scholing.
‘Ruime ervaring. Leeftijd 30-35 jaar. Godsd. R. K.
)liefl eerste krachten worden verzocht eigenhandig
geschreven sollicitaties, met bijvoeging van foto te
zenden onder no. 295, .bureau van dit, blad, postbus 42,
Schiedam. Vertrouwelijke behandeling wordt verzekerd.

Textieffabriek fn Twente vraagt voor apoedige in-
diensttreding: econ. drs. als

chef ,an de admini-

stratieve afdeélingen

Gegadigden dienen’ ruime ervaring op bedrijfs-organi.
sstorisch en administratief gebied te hebben.
Brieven onder no. .296, bureau van dit blad, post-
bus 42, Schiedam.

II

1111

•• –

. .

HAAKT GEBRUII( van de rubriek ,,Vacatures voor hef
oproepen van sollicitanten v6or leidende functies.

‘Voor
het vervolg van’ de rubriek ,,Vacatures”
zie
pag. 267

1

II

A UTEURSPECHT VOORBEHQUDEN

E
çon:.
*1;

Berichten.

ALGEMEEN WEEKBLAD VOÖRHANDEL, NIJVÉRHEID, FINANCIËN
EN VERKEER,

UITGAVE VAN HET NEDEkLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

30E
JAARGANG –

DONDERDAG 29 NOVEMBER 1945

.No. 1490
II

!1

LT

COMMISSIE VAN REDACTIE,

J. F.- een Doesschaee; N. J. Polak;

J. Tinbergen; H. M. H. A. oan der Valk; F. de Vries;

H. W. Lczmbers (Redacteur-Secretaris).

Assistent-Redacteur: A. de Wit.
1

BERICHT.

Aan de leden van het Nederlandsch Ecdnmisch Insti-
tuut wordt beleefd verzocht – voorzoover zij dit niet reeds
deden – de contributie voor het jaar 1945, ten bedrage

van f2, voor het binnenland en £23 voor, het buiten-
land, v66r 15 December a.s. te voldoen op girorekening
no. 8408 of op onze rekening bij de hoeren R. Mees & Zoo-
nen, alhier. Nâ dien datum zullen wij over het betreffende
bedrag, verhoogd met incassokosten, per kwitantie dispo-

neëren.
INHOUD:
hlz.

De

geleide

economie

als

tech n i sch- organisatorisch

probleem

door

S.

C.

Bëkhenist

……………..
256

Theorie der geldzuivering II door
Prof. Dr. P. hen-

nipman…………………………………
259

lIpt vijandelijk octrooi- en merkenbezit door C. 111.
R.

DaQidson

……………………………….
261

Monetaire problemen in Indië door
J. E. Spinosa

Cattela

…………………………………
262

Boekaankondiginen

Paul Einzig: ,,Currency after the war. The British

and Arnerican plans”
door F. R. Boot….
…..
264

Prof. Dr. Jacques E. Mertens:
,
La naissance ei le

dé2elopperneni de l’étalon-or
1696-L1922″

……
265

Société des Nations.,, Rationne,nent

alinzent4ire

ei raoitaillenient
1943-1944″

…………….
265

Geld- en kapitaalmarkt

Ontvangen

boeken

en brochures ……… ……….
266

Statistieken:

Bankstaten

…………………………266,
267

DEZER DAGEN

voornaamste zorg blijft Indië. Ook in vogelvlucht is geen
overzicht van de situatie meer te verkrijgen, al bracht de
,,Skymastér” honderden brieven mee terug van zijn
eersten geslaagden tocht. De minister-president heeft het
zoo juist gezegd: door deze handenbi,nding vliegt de gele-
genheid om met den frisschen moed van den eersten imptils
het opbouwwerk te gaan volbrengen, voorbij. -,,Post calva
fortuna”, van achteren is de fortuin kaal; velen vFeeien,

dat dit voor Indië reeds geldt.

In Nederland zelf zijn er een paar goede punten. De

spoorwegen doen keurig werk. Zij hebben gezorgd, dat men
weer elk half uur
van
Amsterdam en Rotterdam naai Den

Haag kan vertrekken om daar besprekingen te voeren.
Want wat moet men anderg doen, als de eene officieele

instantie na de andere mededeelt,
dat
zij de binnengekomen
post niet meer kan verwerken.? 1

let werkwoord ,,afwachten”
hebben we al zoo lang vervoegd.
Yan groot belang is ook het herstel van twee andere
verbindingen. De spoorbrug over den Maas bij Roermond

kwam gereed; de kolentreinen naar het Noorden kunnen
gaan rijden. Een andere vitale verbinding, de Rijn, is thans
voorloopig schoongemaakt tot Straatsburg toe; het verkeer
te water naar Zwitserland is hierdoor weer mogelijk. Reeds

arriveerde in de haven van. Rotterdam het eerste schip.
met graan, voor doorvoer naar Zwitserland bestemd. Er kan nog veel meer komen, want aan volle bezetting der

huidige capaciteit van 24 millioen ton ‘s jaars –
1
1
5
van
die van voor den oorlog – is het Rotterdamsche haven-

gebied lang.nlet toe.

liet is nog geen botertje tot den boôm. Integendeel,
zoo gering is de beschikbare hoeveelheid boter, dat spe-
ciale maatregelen moesten worden getroffen om hen,
die het vooral
1
behoeven, den geheelen winter dopr te
kunnen voorzien. En over den varkensstapel werd be-
kend, dat nog slechts, naar aantal,
det’
helft over is
van 1939; en die zijn niet eens zwaar. Vet zullen we
dus niet soppen dezen winte. Maar het treurspel vn

den winter van 1944, waarin 50.000 Nederlanders van den
honger stierven, zal zich niet herhalen. Als er één ding is,
dat voldoening wekt, dan is het de voedselvoorziening.
In de Vereenigde Staten botert het nog niet. Volgens
de laatste berichten zijn er reeds 1,8 tot 2 millioei- werk-
loozen, terwijl bevodgden een snelle verdere stijging ver-wachten. Hier ligt een kernprobleem voor de t’oekomstig
economische ontwikkeling
van
de wereld; zeker voor Wet-
Europa zal de loop der conjunctuur in de Vereenigde Staten
‘van beslissende beteekenis zijn. De Vereenigde Staten
zullen bereid moeten zijn importen te aanvaarden, maal’
hoe dit aan het Amerikaansche bedrijfsleven bij t brengen,

als men zich daar door een teruggang der bedrijvigheid
bedreigd vbelt? Kenmerkend voor de oi’de van grootte van het prôbleem, is wel het verschil
van
200.000 man

in de schatting; dat is een even groot aantal werkloozen

als Nederland• thans officieel telt.
Oorlogsnasleep, al wat wij vermeldden. In den meest
stnikten zin geldt dit vooi’ de ‘processen, die thans in ons
land en in Neurenberg worden gevoerd tegen hen, die
aansprakelijk worden gesteld voor de schuldkwestie aan
en in den oorlog. Floe men de beteekenis van deze processen
ook mag zien, in-elk geval zijn zj geschikt materiaal voor
de internationale pers, die dooi’ den vrede van ,het ,,stOp
press news” is beroofd. 1-let is immers typisch joui’na.listiek

gedacht, wanneer elke keer

het aantal woorden van de
dagvaarding met groote
nauwkedrigheid
wordt vermeld.
t is ei’ in de rechten ook een wending naar het quantita-

tieve evenals’it’i de econdmie?

256

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 November 1945

DE GELEIDE, ECONOMIE ALS TECHNISCH-

ORGANISATORISCH PROBLEEM.

Flet’is onze bedoeling in het hierna volgende op eenige,

voor het stelsel der geleide economie, fundamenteele or-

ganisatorische problemen de aandacht te vestigen.
Tot nu toe werd, voor zoover ons bekend aan deze

zijde van het vraagstuk der geleide economie nog weinig
aandacht geschonken. Dit is verklaarbaar, aaiigezien

allereerst de fundamenteele economische problemen in
behandeling rioesten komen.
Dit neemt niet wei, dat de organisatorische vraag-

stukken evenzeer de volle aandacht verdienen, daar de

verwezenlijking der economische bedoelingen in hoogê mate afhankelijk zal zijn van de oplossing dezer organi-

satorische vraagstukken.
Alvôrens wij hiertoe overgaan, komt het ons gewenscht
voor er op te wijzen, dat naar onze meening het wezens-
kenmerk van de geleide economié is, dat de Ovérheid

van ,,bovenaf” tracht te komen tot coördinatie van

de beslissingen van de leiders van de bedrijfsverh.oudingen,
voor zoover wij denken aan productie en distributie vn

goederen en diensten.
Coördinatie der beslissingen van’ consumenten zal

veelal eveneens plaats vinden, doch dit is voor een stelsel

van geleide economie niet essentieel.
Het streven naar coördinatie, naar het op elkaar af

stemmen der beslissingen, zoodanig, dat zij gezamenlijk
voor de maatschappij als geheel gezien het optimale

economische rsultaat doen bereiken, is het punt, waarop

de geleide economie zal moeten toonen de nieerdere te
zijn van het stelsel der vrije ec6nomie. In deze maat-

schappij toch, beslissen de subjecten volkomen zelfstan-

dig, bedacht op eigen voordeel. 1-lierdoor konit het regel-

matig voor, ‘dat beslissingen tegen elkaar indruischen en
– zeker niet als totaliteit gezien het optimale resultaat
doen bereiken. Het prijsmechanisme stelt de suhjecten

in staat kosten tegen opbrengst af te wegen en hierin

vinden zij hun eenig richtsnoer. Hierdoor wordt’ de pro-
‘ductie dp bepaalde producten gericht; hierdoor vindt

de verdeeling van de geproduceerde goederen en diensten
over de afnemers plaats en hierdoor vindt de verdeeling

van het nationale inkomen over de leden plaats,.’
In de geleide economie nu is de prijs als eenig richt-
snoer onttioond en• treedt, zooals Prof. ten Doesschate

zoo juist formuleert
1),
het menschelijk inzicht in de

plaats van de vrije werking der economische vetmatig-

heid.
De eçonomische theorie heeft ons’rees geleerd, welke
economische problemen in principeS dienen te worden

opgelost. Het is ons allen bekend, dat de productie-
kracht op zoodanige wijze over de productiehuishoudingen
dient te worden verdeeld, dat alle productiekracht wordt
.aaiigewend en een maximum aan’ behoeftebevrediing

wordt verkregen. Dei’gelijke formuleerinen, hoe juist op zichzelf en hoe
nuttig voor de verdieping van het economisch inzicht,

lossen de problemen niet op, doch formuleeren of stellen

ze slechts. –
1-let spreken over prioriteiten, over schalen van drin-

ge.ndheid gef t op hetzelfde moment, dat we den prijs
als ongeschikt buiten de deur hebben gezet, niet de maat-
staf, die *ij behoeven voor de optimale oplossing. –

Wanneer wij echter eenmaal de geleide economie heb-
ben aanvaard, kunnen wij niet blijven staan voor de

problemen, künnen..wij niet volstaan
S
met te wijzen op

de onoverkomelijke moeilijkheden, maa1 moeten we er
doorheen. Knoopen moeten worden doorgehakt op gevaar

af van fouten te maken. De achtr ons liggende, periode
is daarvoor zeer leerzaam geweest. De enorme goederen-
schaarschte op alle gebied maakte overheidsingrijpen,

‘)
Zie het artikel ,,U.N.R.R.A.” door Prof. Dr. J. F. ten Does-
Chate
,
in ,,E.-S.B.’ van 12 oetsber 1944.

directieven van boven af, bindingen en uitschakelen van

het prijsmechanisme, dwingend noodzakelijk. Hierover

waren voor-
1
zoowel als tegenstanders eensgezind.’ Het

uitsluitend richten op het prijsmechanisme behoort bij

,,an economy
1
of.plenty” en had dientengevolge afgedaan,

ook voor de voorstanders van vrije economie, op hetzelfde

moment, dat1deze voorwaarde niet meer vervuld werd.
De achter) öns liggende periode heeft dientengevolge

noodgedwongen ‘als een goede leerschool dienst gedaan.

De voorstanders, der geleide econonlie hebben kunnen

Ieeren.en ervaring op kunnen doen. Telen zal ongetwijfeld
zijn geblekenl, dat ,,leiden” in de praktijk moeilijker is dan

in de theorié;’ dat problemen, die in de theörie om hun..
onbelangrijkheid, gezien in het groote verband, geen

plaats vinden, in de practijk den econoom, die verant-

woordelijkheidsge’oel heeft en met zijn ,,patiënt” mede-

leef t, voor .haast’ onoplosbare problemen• stellen.
De oorlogsjaren hbben velen, die moesten ,,ordenen”,
veeleer beke’erd dan rijp gemaakt
I
voor de gedachte der

gelei’de econ6mie. Zij hebben gelee’rd, hoe moeilijk, hoe

ontstellend noeilijk het is om het goed

te doen, d.w.z

de juistebeslissing te nemen, niet maar één of andere

beslissing, maâr de optimale’ beslissing. ,Otimaal” is

in de theorie,
1
een niet te ontberen woord; in de praktijk

van het doen een niet te bereiken doel:
De problemen liggen in de geleide ‘economie in het

,,doen”, in het uitvoeren van de theoretische conceptie,
die achter dèn lessenaar is uitgedacht. Men behoeft voor

dit ,,doen” e’n organisatie.
Deze orgal!lisatie bestaat uit menschen, die ieder hun

zwakheden, fouten en tekortkomingen hebben. lit is

reeds de eerste en scliiër onoverkomelijke barrière, waar-
voor de geleide economïé komt te staan op haar weg
naar optimale behoeftebevrediging.

Geleide econon
1
iie pereischt centraal punt Qan leiding.

De geleide economie vereischt een centraal purt van
waaruit ,,geleid” wordt. Dit centrale’punt is voorwaarde;

zonder eenheid
1
in de leiding kan van leiding geen sprake
zijn. De zoo gewenschte coördinatie kan slechts plaats

vindén, wanneer er tenslotte ergens een top is. Principieel

is deze top niette-vermijden, ook al zou men dit uit tacti: sche overwegingen wenschen, omdat men voelt, dat hier –
ben zwakke plek in het systeem schuilt. De omstandig-
heid,. dat de leider zooveel waar mogelijk delegeert en
decentraliseert, doet aan de noodzaak van het centrale
punt niets af, , maar bevestigt het integendeel. Zonder
centraal punt kan er geen sprake zijn van delegatie van
verantwoordelijkheid, noch van decentralisatie van de,

uitvoering.
Dit centrale punt vindt men in zekeren zin in Neder-land in de figuur van den minister van Handel en Nij-
verheid, voor zoover het de industrie en den handel
betreft: Onder dezen minister vallen tevens alle . consu-

menten, aangezien de regeling van de consumptie is toet
vertrouwd aan, het Centraal Distributiekantoor, welke
organisatie te zien is als uitvoerend orgaan van den mi-
nister van Handel en Nijverheid. Naast den minister van.
Handel en Nijverheid moeten, wat betreft den economi-
schen sector, nog genoemd worden de ministers van:
Landbouw, Visscherij en Voedseloorziening, Financiën,,

Openbare Werken, Scheepvaart,
Deze ministers bestrijken gezamenlijk het geheele
economische terrein. In onze gedachte van één centraal
punt zou hierboven een figuur moeten staan, van wien

gezegd mag worden, dat hij leiding geeft aan het eco-

nomisch leven. –
Dit is echter tot nu. toe piet het geval, waardoor de
mogelijkheid van coördinatie der beslisingen al onmid-
dellijk in gevaar komt. In de plaats hiervan treedt de
ministerraad. Dat er tusschen de beslissingen der mi-
nisters onderling evenzeer coördinatie noodzakelijk is,
moge het navplgende voorbeeld duidelijk ‘maken.

,29 November 1945

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

257

Deze noodzaak blijkt reeds aanstondsf wijieer.men

denkt aan het deviezenprobleern. Ieder der departementen

heeft voor de onder zijn leiding staande bedrijven deviezen

noodig. Financiën zit op de geidzak en bepaalt uiteinde-
lijk de hoeveelheid deviezen, welke ter beschikking gesteld
kunnen wordén. ‘ –

Alleen dit vraagstuk, de verdeeling der deviezen-

voorraad tusschen de hier genoemde departémenten

(met uitzondering van Financiën) stelt de leiding” voor
onoverkomelijke problemen.

In principe is een rationeele verdeeling onoplosbaar.

De ministers missen de gegevens en het ‘cijfermateriaal,
om de behoefte exact op te bouwen, om af te wegen, wat
noodig en wat niet noodig is, wat wachten kan of wat
geen uitstel duidt. –

Het is déarenboven in vele gevallen een kwestie van

nuance, van in elkaar overloopende gradeeringen van
dringendheid. –

Tussclen, de departementen onderling is een verge-

lijking/en. het afwegen van belangen schier onmogelijk.
Het wordt – het klinkt hard, maar waarom het niet te
erkenne — een zuiver opportunistische en willekeurige

beslissing..Dat deersoon van denminister en zijn per-

soonlijke autoriteit daarenboven nog bij het verkrijgen
van zijn aandeel ‘van doorslaggevende beteekenis kan zijn,
zal een ieder duidelijk zijn, die door het aureool heen ziet.
Zoolang er geen sprake is van leiding uit één centraal
punt, loopt de coördinatie gevaar en geeft men in principe
in den top het kenmerkende -van de geleide, economie
prijs, aangezien het, voor het geven van leiding, nood-
zakelijk is, dat de beslissingsbevoegdhèid in één hand ligt
en niet meer dan één persoon bevoegd is over dezelfde
zaak te beslissen.
Wij ontveinzen “ons niet, dat aah het leggen van alle
economische beslissingen in én hand bezwaren verbonden

zijn, niet het minst van democratischen aard. Dit neemt
niet weg, dat uit organisatorisch oogpunt eenheid in de
leiding gewenscht is. .

Het is wellicht hier tevens de plaats te wijzen op de
noodzaak van continuïteit in de leiding, zoodat de eenheid
van beslissing ook in de tijdvolgorde gewaarborgd wordt. Dit, wat betreft de noodzaak vn leiding uit één centraal
punt. Wij zullen ons in het hiernavolgende eenvoudig-
heidsha.lve ‘beperken tot de vraagstukken, welke liggen,
binnen het Departement van Handel en Nijverheid èn’
den minister van dit departement zien als den leider van
alle vraagstukken, welke binnen zijn werkingssfeer liggen.
Hiermede is,voor alle vraagstukken, die ressorteeren onder
dit ministerie, in theorie de voorwaarde voor eenheid in
de leiding in principe gewaarborgd.

Functioneele decentralisatie en hiërarchie.

De minister beschikt voor de uitvoering van zijn.taak
over een omvaigrijke Organisatie: het departement;
de daaronder ressorteerende Rijksbureaux van Handel en
Nijverheid: verschillende nevenorganisaties, zooals het

Centraal Bureau voor de Statistiek, Centraal Distributie-
kantoor, Centrale Dienst voor in- en uitvoer, Economische
Voorlichtingsdienst, Dienst van de Prijzen, enz.

Een dergelijke gedecentraliseerde organisatorische op-
bouw is noodzakelijk om het zoo omvangrijke terrein te kunnen bestrijken. Binnen deze geheele organisati6 valt
een functioneele en hiërarchische opbouw te constatee-
ren.’ De Rijksbureaux staan functioneel en hiërarchisch onder het departement. Het , departement met zijn ver-
schillende afdeelingen is te beschouwen Als het staf-
orgaan van den minister. Binnen het departement treffen
wij opnieuw een hiërarchischèn opbouw aan. De wei’k-

zaamheden,. die moeten worden verricht, maken arbeids-
verdeeling mogelijk en noodzakelijk. Het eenvoudige
werk, dat weinig denkvermogen en zelfstandig oordeel
vraagt, wordt opgedragen aan de laagste ambtenaren.
Het betere werk, dat meer ervaring en opleiding vraagt,

is béstemd voor. de lagere ambtenaar. Op zichzelf is d
e
&
ze

organisatorische opbouw logisch, rationeel en noodzake-

lijk. Zij bergt echter groote gevaren in, zich. Het is aan-stonds duidelijk, dat de top, de minister met’zijn directe

medewerkers, zich tot de allergrootste lijnen zal bepalen.
Zij zullen er dus’voortdurend op bedacht dienen te zijn,

wei’k af te schuiven; aan onder hen ressoi’te’ende ambte-

naren alles over te laten, wat deze kunnen verrichten.
De hoofden van afdeelingen staan voor een soortgelijk

vraagstuk. Ook ‘zij d,reigeii overbelast te geraken; ook

zij moeten afschuiven naar beneden, wat maar. eenigszins
mogelijk is. Zoowel de’ minister als zijn directe mede-

werkers zullen zelfs ,,groote” lijnen of althans betrekkelijk
groote lijnen, moeten afschuiven, zij zullen zelfs onvol-
doende tijd hebben om zich in problemen te verdiepen,

die verband houden met voorstellen, welke hen ter be-
slissing door hun ambtenaar worden voorgelegd. Deze
voorstellen gaan veelal vergezeld van eenS toelichting,

opgesteld door den ambtenaar, die het voorstel heeft
geconcipieerd.

Voorzoover zaken van .minder belang, ter ontlasting
van, den ministei niet’ door hem worden beslist, rnaai’
door den la,geren ambtenaar, verschuift de overheids-
leiding’ van den top naar beneden.

Voorzoover de zaak eerst aan den minister moet
worden voorgelegd, mist deze den tijd. zich voldoende in de materie te verdie’pèn. Hij gaat grootendeels af op
de toelichting en het advies van den ambtenaar, die het
voorstel gereed raakte. In dit geval wordt formeel de
‘beslissing genomen door den minister, terwijl in feite
geregeerd wordt door de ambtenaren, die de zaken voor-
bereiden.

De omstandigheid, dat het voorstel, voordat het den
minister bereikt, eenige personen passeert, die hieraan
door parafeering hun goedkeuring moeten hechten,
heeft slechts betrekkelijke waarde. Zij’ ‘doen dienst als
zeef. Het voorstel gaat omhoog naar dnn top en passeert
op zijn weg verschillende haltes.
Teel,
meer dan ,,haltes”
kunnn het niet zijn, gezien het groote aantal concepten
dat van beneden naar ‘boven gaat. -,

De practische conclusie, welke uit deze uiteenzetting
moet worden getrokken, is, dat in de departernentale
organisatie de overbelasting van den top tot gevolg heeft,
dâ.t de beslissingen afdalen naar den ambtenaar, die
zoo laag zit, dat hij de betreffende zaak tot in détails
kent, zoodat hij hierover een nota kan maken en voor-..
stellen kan doen.
Dit is dus niet de lage ambtenaar, die slechts routine-
werkzaamheden verricht, maar de laagstef amhtnaar,.
cie op grond van opleiding en ervaring zelstandig kan
werken. In feite zijn dit de jonge academici, die in zoo groote getale een functie op de departementen vinden.
In hun handen ligt de oerheidsleïding roor een belangrijk
deel.

Het verschuiven van de beslissingen van den top naar
beneçlen brengt de eenheid van beslissing in gevaar en
hierdoor mede de mogelijkheid van coördinatie der be-
slissingen. ,.

Hieraan kunnen wij een andere ‘opmerking toevoegen
Het departement staat als Organisatie functioneel
booen

het bedrijfsleven. Dit heteekent, dat zelfs de laagste
beambte boven den directeur van een groot industriee
bedrijf staat. Het behoeft geen betoog, dat hierdoor moei-
lijkhéden ontstaan. Ambtenaren, die, wat betreft sociale en
financieele standing, maatschappelijke positie, leeftijd en
ervaring, beneden onze directeuren van veelal groote
bedrijven staan, nemen uit hoofde van hun positie op het
departement, hun invloed en beslissingsmacht, een do-
mineerende plaats in. Deze tegenstrijdige positie is in,-
haerent aan den organtsatorischen opbouw op het departe-
ment. Zij, is op haar beurt weer een logisch uitvloeisel
van de aan het departement toebedeelde taak. Men treft aldaar een groot aantal in de hiërarchische departemen-

t

.,

-‘

,

1

.

.

,

258
,

ECONOMISCH

STATISTISCHE BEIICHTEN

29 November 1945

taje rangorde laag gepliatste ambtenwen aan, die zich
‘ze1s
komen is duiileiijk. In pincipe bekwainer

dan de

i’c1er hebben gespecialiseerd 6p een klein partje van het
directeur van één van de bedrijVen vai1 diehedrijfstak.

onder dit departement ressorteerende bedrijfsleven. Aan
Zijn

hiërarchich.e

poitie

moet

aan

de

functioneele

ieder, dezer ambtenaren zijn hijv. één of meer vakgroepen
plaats worden’ angpast.

toegewezen.

Voorzoover

en

voor

zoolang

et RijkS-
Dit brengt onstot de”conclusie,

dat, voozoover, van

bureaux zijn, staat
:
onder dezen ambtenaar,

,,ondei”
den deprtein6nta1en ambtenaar een zelfstandig dordeel

klinkt hard; maar functioiee1 is het volkomen juist

wordt gevraagd en zijn werkzaamheden geen rouUne-

het Rijksbureati en onder dit Rijkshureau de hetrefferde
werkziamheclen zijn, zijn positie niet ,,laag” maar ,,hoog”

bedrijfstakken. De-betreffende ambtônaar van het dearte-
moet

zijn;

ook

al nemt hij

in. den
,
departementalen
n)ent neemt qua plaats in de hiërarchische organisatie
hiërarchichen

opbouw’ een relatief la9e
1
piats in. Dit

t.o.v.den directeur een ôndergeschikte plaats in;

qua
.
heteekent, dat hij de personeeikeuze

hiermede rekening

functioneéle

Organisatie

staat

de

directeur

onder ‘den moet worden
.
gehouden en de salarieering dienovereen-
betreffenden amltenaar.

,

,
komstig mot worden aangepast. Hetsalaris zal zoodanig
Eetgeeii ‘hiervoor gezegd is
OOi’
het departement, geldt
moeten zijn
‘,

hij, wat belooning.en daarmede samen-
mutatis mutandis, voor de Rijksureauc. Ook daar de
hangende natschappelijke standing betieft, op het niveau tegenstrijdigheid in functioneele en hiërarchische plaats.
wordt gebracht, dat met zijn functioneele positie
booen
Het, Rijksburea.0 staat
boQen’
de industrie. Ook in het
het bedrijfsleven vrband houdt.
Rijksbureau bestat de n6odzak naar b,eneden af te
Hiermede is ee, salarispolitiek, waardöor wordt Qoorkomen,
schuiven
;
ook op het Rijksbureau verchuift de feitèlijke
dai 000,’tduréncl de beknamè ambtenaren naar het bedrijfsieQen
verheidsléiding yan directeur naar de
,
aan hem onderT
afloeieri
;
op grbad Qan voorgaande organisatorischd ‘analyse,
geschikte ambtenaar.

•;

S


‘rationel

efundeerd.

1-let is een misvatting bepaalde departementale taken
.

. ,

,

De

Pjze Qan ut9oertng.

,
als ,,laag” té kwalifiçeeren. Dit sruit’voort uit de plaats
.
Voorts

kan

nog een

onderscheid worden

gemaakt
in den hiërar,chischenopbouvder departementale organi-

tusschen

het tormuleefen van de richtlijnen eh de
uit-
saties. Men moet bij

zijn oordeel zien naar de plaats,

voering. In het hiervoorgaande is gedact aan het formu-

die deze a”btenaar ‘in’ het geheele ecotiomische leven in-

leeren van

le iicht1ijn6n, de principieele lijn. Voorzoover
neemt en den omvang der beslissingen, die van
zijn inzicht
.
men nog bezwaar zou willen maken tegen’ de hirvo6r
afhankèlijk zijn. Naast hekwaamheid dient de departe-

uiteengézette gedachtengang, dat het leiden naar beiieden.
mentale organisatie zorg te dragen, dat de ambtenaren

verschuift, dan zal men’toch moeten toestemmen, ci,t de
onkreukbaar en toegewijd zijn.

.

.
toepassing van de iichtlijn, de uitvoering zeker door de

Het wordt, om ‘te kunnen oordeelen over

probleinen

lagere
2)

ambtenaar ‘geschiedt. Ook daarin ligt een gi’oot
in bepaalde bedrijfstakken, veelal noodaakelijk geoordeeld,

deelvan

de overheidsléiding besloten. Een richtlijn, een
dat men vakkennis van de betreffende branche heeft.

voorschi’ift, is nooit

aterdicht

past nooit voor alle ge-
Deze Qverweging is bijv. van groote’beteekenis geweest

vallen; er doen zich steeds uitzonderingen voor; gevallen
bij de benoeming van de directeuren der Rijksbureaux.
waaraan bij de opstelling van het voorschrifl niet is ge- ‘Als ambtenaar. dient men echter objectief tegenover de

dacht;

gevallen ‘waarbij

het

vooï’schrif t

moet worden
‘problemen te staan.

einterpreteerd. Hierbij

ien wij.in
het bijzonder de zaak Men moet het algei’neen belang in het oog houden en

vervloeie’n.

De een is formeel ‘en hierdoor’ onbillijk;

de
bepaalde groepsbelangen niet laten prevaleeren.

Komt

ander toont ,,common sene” en loopt gevaar van de
men uit het vak, dan wordt dit al’ zee!’ moeilijk, in het

‘uitzdhderingen regel te maken; loopt gvaaIi
willekeurig
bijzonder, wanneer mende positie a15 tijdelijk ziet’ en

•te worden, waardoor het principe ‘van ,,gelijke monniken,
t.z,t. in het.vak terugkeert, zoodat men niet de sympathie

gelijke kappen” ernitig in gevaar.komt. In ieder. geval,
der vakge’nooten wenscht te verspelen.

.

‘optima is uitvoerin’g

an voorschriften overheidsbeleid in
‘v
De eischen ‘v’akkennis en integriteit bestrijden’ diènten-

forma. 1-let kan een goed voorschrift slecht en een slecht
‘gevolge elkaar. Dit is vân het grootste gewicht hij de

,
voorschrift goed maken.

Hierbij is in het bijzonder .dei
:personeelkeue.


De eisch van integriteit staat nar one

manier waarop, de toon, van doorslaggevende beteekenis,
meening bovenaan, want, een’ ambtenarencorps dat niet

Het

is ‘moeilijk,’ zeer, moeilijk ‘als

ambtenaar jezelf

te
volkomen onkreukibaar is, heeft catastrophale gevolgen,.

blijven; gen ,,houding” aan te nemen tegenover de leiders 1-let is echter’een punt, dat de voortdurende aandacht van

van bedrijven.

Het is alleszins menschelijk en daarom
de leiding behoeft, aangezien de beslissingen in
.’ ele g’e-

begrijpelijk, dat velen hierin wei eens të kort schieten.
vallen grootefinanciee]e gevolgen voor
bepaalde
bedrijven

Het
i

echter in hooge mate t’ betreuren, want hierdoor
of zelfs bedrijfstakken kunnen hebben, 1-let is voorts zeer

ontstaat een verkeei’de sfeer, een onwillige en tot critiek
moeilijk hierop toeicht ‘te’ houden, omdat eed nuance,

geneigde stemmi’ig bij

het bedrijfsleven.

De ps’ycholo-
verschil
van
inzicht of vantoepassing, van grootefintnoieelè’

gische zijde is van het gi’ootste gewicht, aangezien de be-
waarde kan zijn. Dit is naar onze meening een achilleshiel

drijfsman ‘door

de

Overheid

op

de

m,eest

essentieele
van de geleide economie. De geleide economie heeft er

punten aan banden wordt gelegd.’ Dit vereischt tat en
zelfs mçer dan één

nog eens tact,

.

.

.

‘,

.’


Toetsing der ef/tetency,

De plaats pan denanzbtenaar.

Hoé toetst men de toewijding en ijvr van den ambte-

Uit het vorenstaande blijkt, dat zelfs de lage ambte-
naai?’De ambtelijke organisatie is in de geleide economie

naar, in

de geordende matschappij een belangrijke en omvahgrijk. Zij’ heeft een belangrijke taak en naast de

hooge plaats inneemt Van zijn bekuaêmheid vakkennis
deskundigheid waaimede deze taak wordt verricht is het

en tact, hangt uiteindelijk het slagen of falen van de ge-
beslissingstempo

en de efficienc

van werken van groote

leide etonom4e af. Hij staat ‘boven het bedrijfsleven en
beteekenis. Alsin het amhtenarencorps de geest algemeen

heeft hierdoor het recht en de macht op verschillende
zou heerschets, dat de klant koning is, 7ou veel zijn-ge-

punten voor het bedrijfsleven te beslissen en dan niet voor
wonnen.

In het bedrijf

werkt

allereerst’ de klant ‘als

één bedrijf, maar yoor één of meer bedrijfstakken gelijk-
coi’rectief. Wanneer hij over de behandeling of afhandeling
tijdig. Eed

t’outieve’ be’slissin’g’ heeft dan ook g’roote ge-
klaagt, zit de directie’er achtet’ aan, om den verantwoorde-

‘volgen. Dat op deze plaats dus bekwame personen moeten
lijken man op te sporen en hem de les te lezen. Vooi’ts is’
hèt het belang van de leiding, dat zoo
efficiënt
mgelijk
2)
Opgemerkt zij, wellicht ten overvloede dat het w oord

lagere”
niets af kèurends inhoudt. Het bedoelt slechts de plaats in dè hier-

,

,


n

wordt gewerkt. Het streven

aar winst brengt nood zake
lijk met zich het voortdurendaandacht schenken aan de
archische organisatie aan te geven.

,

,

.
1

41

29 November 1945

ECONOMISéH-STATISTISCHE BERICHTEN

259

kostenzijde. Hiermede zij allerminst betoogd, dat in het

bedrijfsleven steeds efficient wordt gewerkt. Er is echter
een kracht, die naar efficiency drijft. Zoo staat het er in de ambtelijke organisatie niet voor.

De klant kan niet als correctief optreden. De ambtenaar
neemt een ,,monopolie-positie” ifi en loopt geen geyaar

klanten te ver’iezen, wanneer hij zijn werk niet goed doet.

Klachten moeten over den top en bergen het gevaar in

zich, dat zij den klager treffen.
Dat het bedrijfsleven, door de conçurentie gedreven,

streeft naar service is kortelings zeer duidelijk gebleken

bij de fraaie service, die de groote banken hun cliënten en het publiek hebben gegeven bij de geidsaneering. Queue-

vorming kwam slechts in zeer geriige mate voor, terwijl
toch een omvangrijke taak moest worden verricht. Stel
daartegenover de permanente rijen, welke men bij allerlei

overheidsdiensten aantreft. Wij kunnen niet aannemen,
dat deze rijen ‘niet te voorkomen zijn, wanneer men

dit ernstig wenscht. T-her stuiten wij echter op een menta-
liteitsprobleem. Zoolang men het niet als critiek voelt

op de eigen organisatie, wanneer de ,,klant” van den

overhedsdienst steeds in de rij moet staan, zal men niet
op middelen zinnen om deze onvolkomenheid op te lossen.

Deze foutieve mentaliteit schl.!ilt hij de leiding van een

dergelij ken dienst. De service-gedachte moet in iederen
overheidsdienst worden gpropagee?d. Dat dit kan, hebben
verschillende overheidsdiensten in het verleden bewezen;
men denke aan de spoorwegen. Zooals gezegd: zij moet uitgaan vn de leiding en deze moet zijn geheele staf met
deze idee doordrenken, in deze idee opvoeden en de ele-
menten, die zich niet wenschen aan te passen, zoo noodig
uitstooten.
Tenslotte zal de ove4ieidsdienst steeds bereid moeten
zijn van het bedrijfsleven, wat betreft de interne Organi-
satie, te leeren. Het bedrijfsleven streeft ffioodgedwongen
naar efficiency, naar tempo in het beslissen, naar service.
Dit zijn elementen, diè’ evenzeer in de departementale
organisaties en de onder haar ressorteerende bureaux
en diensten thuis hooren. Ook daar is tijd geld; ook daar
mag geen geld worden betaald, zonder dat een waardige
tegenprestatie wordt ontvangen.
Drs. S. C. BAKKENIST.

THEORIE ‘DER GELDZUIVERING
(II).

In het vorige artikel’) zijn de vaagstukken besproken
welke bij ‘de deblokkeering optreden, voordat het mo-

netaire evenwicht is hersteld. Thans verdienen die pro-
blemen de aandacht, welke rijzen met betrekking tot de
handhaving van het herstelde evenwicht.
Allereerst is er reden zich af te vragen, of er een waar-
borg bestaat, dat; ook zonder verdere vergrooting van
de geldhoeveelheid, niet opnieuw zwevende koopkracht
zal ontstaan met alle bekende en funeste gevolgen van dien. Weliswaar is het . in beginsel onbetwistbaar,’ dat
in iedere periode het inkomen uit productieve prestaties
gelijk zal zijn aan het tijdens dit tijdvak voortgebrachte
sociale product.. Doch dit sociale product bestaat slechts
voor een deel uit consumptierijpe goederen. In normale
omstandigheden is een volledige besteding der inkomens
voor consumptiegoederen mogelijk zonder dat storende
gevolgen optreden; het beteekent slechts, dat een verdere
uitbreiding van het productieapparaat achterwege blijft.
Tegenover het feit, dat productiekrachten worden Ean-
gewend voor de vervanging van het productieapparaat
staat, dat de in het vérledeh geschapen productiemddelen
thans hun resultaten afwerpen, dank zij de synchronisatie
der productieprocessen. De inkomens, gevormd in de be-
drijven, welke productiemiddelen – produceeren, vinden
daardoor consumptiegoederen tegenover zich. Thans is
dit echter anders; de continuïteit is verbroken; de gebrui-

Zie ,,E.S.B

van 22 NGvember ‘jI.

kelijke synchronisatie der verschillende fasen van het pro-

ductieproces is niet meer ten volle gegeven. Onze kapitaal-
goederenvoorraad moet opnieuw op peil worden gebracht;

de daarvoor benoodigde produçtiekrachten zijn niet be-
schikbaar voor het voortbrengen van consumptiegoederen,

en daar staat niet een voldoende stroom van consumptie-

goederen uit het bestaande apparaat tegenover. Wanneer
de consumenten hun inkomen ten volle op de markt der

finale goederen ‘willen besteden, zal daar onmiddellijk

een nieuwe wanverhouding tusschen ‘geld en goederen

optreden, welke slechts zal kunnen worden vermeden,

indien evenveel bespaard wordt als het door investee-
ringen gegenereerde inkomen bedraagt en de besparingen

vôrden vastgelegd op eei zoodanige wijze, dat zij voor
den spaarder niet in onmiddel(ijk liquiden vorm besdhik-baar blijverL

Hier dreigt een zeer groot, gevaar voor het welslagen

der geheele saneering. Immers, het is te vreezen, dat,

gegeven het tekort aan consumptiegoederen en de na-
werking van de inflatiementaliteit, de vrijwillige spaar-
drang gering
bRI
iijn. Terecht zal de Regeering alles in
het werk stellen om het sparen te bevorderen; zoo even-
wel de vrijwillige besparingen onvoldoende mochten blijken,

zal zij genoopt worden te overwegen tot, sparn te
verplichten en dus een of anderen vorm van gedwongen
sparen in te voeren.

In ieder geval, blijft een strenge handhaving van de
prijs- en distributievoorschriften het onmisbare comple-

ment der geldpolitiek. Tijdens den oorlog was, tengevolge
van de voortgezette geldschepping, het ,,zweven” van
koopkracht onvermijdelijk. Thans beteekent ieder bedrag
aan ,,zwevende” koopkracht, dt de .’oorwaarden voor
een duurzame saneeririg zijn aangetast, dat men ôf den

gesloten kringloop door oigerechtvaardigde geldschepping
heeft doorbroken, ôf dat besparingen, die voor de finan-
ciering van den wederopbouw dringend noodig zijn,
worden achtergehouden. Immers, een voor zich zelf sprekende voorwaarde voor
de handhaving van het evenwicht tussehen geld en goe-
deren is, dat men zich, behoudens het geval van een ver-
grooting van het nationale product, (mits deze niet het
gevolg is van een vooruitgang der techniek), strikt onthoudt
van iedere vergrooting van de geldhoeveelheid. De Over-

heid zal dus haar uitgaven ten volle moeten bestrijden uit middelen, welke uit de inkomens worden afgetapt,

hetzijdoor belastingheffing, hetzij door het beslag leggen op besparingen. Zij zal .zich er teveis van bewust moeten
zijn, dat naarmate zij een grooter deel der besparingen
opeischt, minder ter beschikking staat voor andere doel-
einden. .

De eisch, dat verdere geldschepping moet worden na-

gelaten, houdt eveneens in, dat, wanneer eenmaal de’in
beginsel wenschelijk geachte omvang van de geldcirculatie
is bereikt, van deblokkeering ten behoeve, van particu-
lieren en bedrijfsleven, ook vôor de uit -privaateconomisch
oogpunt meest dringende belangen, moet worden afge-
zien wanneer er geen besparingen, welken den vrijen
geldomloop verkleinen, tegenover staan. Wanneer be-paalde behoeften als ônafwijsbaar moeten worden be-
schouwd, zal men er derhalve zorg voor dienen te dragen,
dat daartegenover een even groot bedrag aan de circulatie
wordt onttrokken.
Het bedrijfsleven zal zich derhalve met de’ gedachte
moeten verzoenen, dat de aanwezigheid van uit intering
van voorraden en ‘uit afsch?ijvingen vrijgekomen gelden
op zichzelf geen iecht verschaft tot besteding ervan.
Bij het bepalen van het totale bedrag, dat vooi deblok-
keering in
aanmerking
komt, zal men moeten beslissen,
in hoeverre dze desinvesteeringsgelden dienen te worden
vrijgegeven. Welke normen men hierbij zal moeten aan-leggen, is reeds besproken. Op grond van de aangegeven
richtsnoeren zal zonder twijfel slechts .een deel dezer
middelen gedeblokkeerd kunnen worden. Het totaal der

260

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 November 1945

desinvesteeringen gedurende de periode

1 Sept. 1939-

1 Mei ‘1945, is berekend op f 7,7 milliard, gerekend naar

het prijspeil van 1939
2).
Nu is niet voor dit totale bedrag
de tegedwaarde in den vorm van ,,desinvesteeringsgelden”

aanwezig. Wanneer men daarom dat gedeelte, dat ver-
oorzaakt is dooi directe oorlogsschade, en dat berekend

is op f 2,3 milliard
3),
in mindering breng, resteert nog

een bedrag, dat aanzienlijk hooger is dan het totaal der
thans toelaatbare circulatie, terwijl de geldomloop boven-
dien niet alleen Weer op peil gebracht zal worden uit de-

investeeringsgelden.

Het is dus onvermijdelijk, dat een deel der desinvestee-

ringsgeiden geblokkeerd moet blijven. Wel is te ver-
wachtn, dat voor de financiering va,n het loopende

productieproces en de vervanging van de daarvoor ge-

bezigde productiemiddelen in voldoende mate -geld ter

beschikking zal kbmen, oipda,t immers ex hypothesi bij

de bepaling van de wénschelijk geachte circulatie is uit-

gegaan van den gegeven omvang en de gegeven structuur

der productie. Voor de firianciering ‘v.an de vervanging,

de vernieuwing en de vergrooting
van
het productie-

apparaat kunnen echter
1
buiten de in het bovenstaande’

aangegeven grenzen: geen gelden worden vrijgègeven,

zonder dat de doelstelling der saneering in gevaar wordt

gebrcht.

Deze conclusie is van ingrijpende
beteekenis.
Wanneer
men zich houdt aan het hier aangegeven richtsnoer,
zal het onvermijdelijk gevolg zijn, dat
;
wanheei’ eenmaal

het peil der gewenschte geldcirculatie is bereikt, ver-

schillende ‘ondernemingen in de situatie komen te ver-
keeren, dat zij investee’ringen, waarmee een
aanvang
is

gemaakt, ondanks het feit dat zij misschien nog over ge-
blokkeerde gelden beschikken, niet uit eigen middelen

zullen kunnen voltooien, een situatie, welke een zekere

mate van analogie ‘vertoont met die, welke de monetaire
conjunctiurtheorie kenmerkend acht voor het einde van

de hausse.
/
Een dergelijke dr,stische maatregel zal vooral menigen

practicus als onaanvaardbaar voorkomen, en hem een moedwillige belemmering van den wederopbouw toe:

schijnen. In werkelijkheid beteekent hij slechts de er-
kenning van het feit, dat sociaal-economisch bezien, deze

investeeringsgelden voor een belangi’ijk deel iedere reëele
tegenwaarde
missen,
en is als zoodanig een noodzakelijke
prijs’ van de saneering. Het maatschappelijk vermogen,
dat de desinvesteeringsgelden ‘eens vertegenwoordigden,

is opgeteerd; voor vervanging’is seen besteding van op-
gepotte gelden, doch sparen noodig. Er is nu eenmaal
geen ontkomen aan, dat het verloren gegane kapitaal
uit het loopende inkomen moet worden vernieuwd.

Er is aanleidÏng hierop met klem te wijzen, omdat
ook in het reeds aangehaalde rapport vân de Maatschappij
voor Nijverheid en Handel,
Het geldraagstuJi en het schul-
den probleem,
wordt opgemerkt, dat deze desinvesteerings-
gelden voor den opbou’ van het productieapparaat nood-
zakelijk zijn
4).
In werkelijkheid zijn zij dit, buiten de
in het voorgaande gestelde grenzen, slechts uit privaat-
economisch, niet uit sociaal-economisch oogpunt. In
het genoemde rapport wordt dit trouvens erkend, daar
men tvoi’n opmerkt, dat tegenover vrijgegeven des-
investeeringsgelden een even groot bedrag aan de circu-latie moet worden onttrokken
6
). Uiteraard kan men de
vraag, hoe de lasten van ‘het sparen moeten worden ver-deeld, en welk offer de getroffen ondernemingen daarbij
moeten brengen, op zeer verschillende wijze beantwoorden.
Het uitgangspunt moet, evenwel steeds het inzicht in
onze armoede zijn, een inzicht, dat, gezien de grootscheep-
sche vernieuwingsplannen waarover men in de dagbladen

‘3)
Ir.
J. J.
van der Wal c.s.,,De schal@ en heL herLel”,
bie. 18.
6) ,Ald.
bis.

20.
‘)

Bis.

14.

S

0
) Bis. 11.

regelnatig kan lezen, nog te weinig is doorgedrongen.

Met instemming kan voor deze kwestie worden verwezen

naar de beschouwingen, die Prof. Koopmans onlangs
in dit tijdschrift aan het vi’aagstuk der kapitaalschaarschte

heeft gewijd. De beslissingen, voor welke investeeringen

middelen zullen worden vrijg’egeven, zullen genomen

moeten worden op grondslag van een algemeen’ investee-

ringsplan, ,zoodat de maatregelen in den geldsector aan-

sluiten bij die in, den goederense,ctor.

De boventaande uiteenzettingen hebben een weinig aan-

trekkelijke, doch fundamenteele waarheid in het licht

gesteld, nl., dat van een honoreering der in den oorlog

ontstane zwevende koopkracht slechts zeer ten deele
sprake kan zijn; en wel voor de desinvesteeringsgelden:

voorzoover maatschappelijk bezien met den wederopbouw

van het kapitaalapparaat een aanvang is gemaakt of
ongebruikte productiekrachten ter beschikking staan;

voor het onbesede inkomensgeld der consumenten

slechts voorzooverre spaarderssubstitutie optreedt. ,Dit

laatste spreekt, bij eenig nadenken, vanzelf; imulers, de
loopende productie is in beginsl gelijk aan de loopende

inkomens. Een vergrooting van de productie doet ,pari
passu” de inkomens toenemen, welJe die vergroote pro-

ductie opnemen. Voor hen, die met aanspraken uit het
verleden komen, is aan dezen disch geen plaats, tenzij de

rechthebbenden vrijwillig opschikken door hun inkomen

niet voor consumptie aan te wenden.
Enkele gevallen zijn e,r, waarin ,deblokkeering mogelijk

is, zonder dat hierdoor gevarn van nieuwe monetaire sto-

‘ringen zijn te duchten. In’ de eerste plaats geldt dit voor,

betaling van deviezen, die door den Staat of De Neder-
landsche Bank ter beschikking worden gesteld. De voor
dit doel vrijgegeven ‘gelden veidwijnen onmiddellijk
uit de circulatie. Dit geldt niet, wanneer deviezen van een

andere bank of een andere onderneming worden over-
genomen.Op één lijn met het ter beschikking stellen van
deviezen staat de verkoop door den Staat van uit ‘het

buitenland verkregen goederen of waarden
6).

Ook voor betalingen aan’ fle Overheid kan zonder be-

zwaar van geblokkeerd gel& gebruik gemaakt worden,

mits de Staat de aldus ontvangen middelen nièt opnieuw

in het
4
ierkeer brengt, doch deze aanwendt voor met geld-
‘vernietiging gepaard gaande schulddelging. Wanneer de
geblokkeerde saldi in een vordering op den Staat worden
overgezef, is de betaling ermee reeds synoniem met schuld-‘
vermii4ering. Uiteraard zal evenwel de Staat, naarmate
een grooter deel van zijn ontvangsten in dezen vorm
binnenkomt, in mindere mate vrij geld optyangen, terwijl
hij zijn betalingen in vrij geld zal moëten verrichten.
Naarmate aldus aan de eene zijde de schuld yermindert, zal aan de andere zijde’ nieuwe ‘schuld ontstaan.
In het voorgaanda zijn nog geenszins alle vragen, die

het geldpolitieke experiment doet rijzen, aangeroerd,’
laat staan beantwoord. Zoo bleef bijv. de vraag, in hoeverre
het gebruik van geblokkeerde saldi, voor aankoop van

beleggingswaarden toelaatbaar is, onbesproken. Ook liet
de plaatsruimte niet toe, de concrete voorschriften aan
de theorie te toetsen. De lezer zal evenwel gemakkelijk
zelf kunnen nagaan, in hoeverre de feitelijke deblok-
keeringspolitiek al dan niet met de theoretische begin-
selen in overeenstemming is. Slechts zij opgemerkt, dat,
wat de groote lijnen betreft, de toegepaste methoden theo-
retisch verantwoord lijken, al zal men geneigd zijn enkele bepalingen, zooa,ls die betrêffende de voor girale betaling

vrijgegéven bedragen, tamelijk royaal te vinden.
Het zou evenwel onjuist zijn, iedere afwijking vn de

zuivere theorie geheel te veroordeelen. De werkelijkheid is
ingewikkelder dan eenig theoretisch schema; het is onver-

mijdelijk, dat men op enkele punten concessies doet en
een compromisoplossing kiet. Als voorbeeld hiervan
werden reeds de uitgestelde inkomstenbetalingen genoemd.

b)
Vgl. hiervoor nader.,, Het goldvraagstuk en het. schulden-
probleem’,
bis. 15 cv.

29 November 1945

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

261

Evenzoo was het .noodig, degenen, die hun levensonder-

houd bstrijden door vermogensintering, reeds terstond

een zeker bedrag aan middelen ter beschikking te stellen,

ook al beteekent zulks een doorbreking van den inkomens-
kringloop. Het voornaamste is, dât de hoofdgedachten
betreffende datgene, wat een goede geldzuivering ver-
eischt, in
liet
oog worden gehoiden, Er is alle aanleiding
in dit opzicht in den Minister en zijn medewerkel’s volledig

vertrouwen te stellen.
P. FIENXJLMAN.

HET VIJANDELIJK OCTROOI-

EN MERKENBEZIT.

Krachtens het Besluit vijandelijk vermogen (Staatsblad

1944 Nr. E 133) is op 25 October 1944 alle vijandelijk

vermogen hier te lande van rechtswege in .eigendon
overgegaan op den Staat der Nederlanden. Hieronder

bevinden zich de Nederlandsche oetrooien, octrooiaan-
vragen en merken ten name van Duitschers, Italianen en

Japaneeen.
Het Nederlandsche Beheersinstituut heeft een stichting

in het leven geroepen om dit vijandelijke octrooi- en
merkenbezit ten bate randen Staat te gelde te maken.
Het gaat hier om een acht duizend Nederlandsche octrooien,
waarvan de Oetrooiraad thans lijsten opmaakt, die dezé
octrooien, ingedeeld over de verschillende takken van
x
cIe
techniek, opsommen.
Voorts zijn er ongeveer 7.000 octrooiaanvragen, die
echter noggéheim zijn. Het is dus zaak, dat het Beheers-
instituut hiervoor den geheimhoudingsplicht van den
Octrooiraad opheft, opdat een ieder kennis kan nemen
van die octrooiaanvragen (en liefst van bij. het vooronder-
zoek door den Octrooiraad daartegei gerezen bezwaren).
Gegadigden kunnen dan die octrooiaanvragen overnemen
en zelf verder voortzetten.
Tenslotte zijn er naarschatting een twintig duizend merken.
Het is echter eer de vraag, of men’ deze zoo maar ‘zal
verkoopen. Hierbij is immers het publiek belang nauw betrokken. Het ghat niet aan, bekende merken aan den
meestbiedende over te dragen zonder garantie, dat onder
dit merk e’en deugdelijke waar verhandeld wordt als
voorheen. Men denke aan pharmaceutische merkenarti-kelen (bijv. Aspirine, Istizin, Vigantol, enz.), chemische
producten (bijv. 4711), messen (hijv. Herder, tweelinge.n,
enz.). Deze garantie is echter practisch alleen te verkrijgen,
wanneer de nieuwe eigenaar ook de fabricagemethodes,
recepten

en fabrieksgeheimen van ..den oorspronkelijken
fabrikant van het merkenartikel kent. Dit zal slechts bij
uitzondering liet geval zijn. De beteekenis van den aankoop
van een vijandelijk merk, waaronder men om redenen
van publiek belang toch geen artikelen in den handel
mag brengen, bepaalt.zich dan tot de mogelijkheid met
dit merk den invoer van het dorspronkelijke merken-
artikel uitDuitschl?nd, Italië of Japan te beletten. Zoo’n
merk wordt dan dus een geducht concurrentiewapen
tegen den oorspronkelijken houder van dit merk.
De vraag is nu, welke richtlijnen de stichting, die dit octrooi- en merkenbezit te beheeren krijgt, zal volgen.
Moet het primaire doel zijn, gezien dat het hier orn verhaal
gaat van den door den vijand aangerichte schade, zooveel
mogelijk kapitaal uit dit octrooi- en merkenbezit te slaan?

Of moet dit bezit in de eerste plaats ter beschikking
worden gesteld van de Nederlandsche industrie, ook al
biedt bijv. een Engelsche of een Amerikaansche fabrikant
meer?

Het spreekt wel vanzelf, dat als een Iederlandsche
fabriek reeds rechten (optie of licentie) op een dergelijk
octrooi kan doen gelden, deze rechten gerespecteerd dienen
te worden en deze Nederlandsche fabriek in de eerste
plaats in aanmérking dient te komen. De Staat treedt
dan eenvoudig in de rechten en plichter van den oorsron-

kelijken octrooihouder’ en ontvangt de gelden die anders
deze octrooihouder zou toucheeren!

Doch hoe te handelen als er nog geen Nederlandsche

rechthebbende is? Alen zou kunnen redeneeren, dat dan
de Nederlandsche industrie, gezien het uitsluitçnd karakter
van het octrooi, de uitvinding toch niet toe kon passen en

dat het er dus niet toe doet, of nu in de plaats van den

eenen buitenlandschen (Duitschen) octrooihouder, een
andere. vreemde (Engelsche of Amerikaansche) octrooi-houder treedt.

Toch geloof ik, dat het gezien de bedoeling van onze

octrooiwet om door octrooibescherming jde Nederlandsche
industrie te bevorderen, juister is in de eerste plaats de
Nederlandsche fabrieken in de gelegenheid te stellen dit
vijandelijk octrooibezit over te nemen en alleen als er

geen Nederlandsche gegadigden tegen redelijke voor-

waarden zijn te vinden, te trachten buitenlandsche inte-
ressenten ervoor te winnen. Het is naar mijn meening
namelijk var meer belang nieuwe Nederlandsche bedrijven

op basis van die octrooien te scheppen, dan eenmaal een
grooter bedrag uit clie octrooien te verkrijgen. Dit klemt
des te meer, omdat ik niet ver’vacht, dat deze octrooien

bij verkoop groote bedragen zullen opbrengen. In tegen-

stelling met de veel gehoorde opinie, dat het Duitsche octrooibezit in Nederland een goudmijn zal blijken te
zijn, koester ik daarvan slechts matige verwachtingen,
vooral ook gezien de ervaringen in Amerika na den vorigen
wereldoorlog. Daar werd bij de ,,Trading with the Enemy
,

Act” van 6 October 1917 een beheerder van vijandelijk vermogen, (,,Alien Property Citodian”) aangesteld, die
met het vijandelijk vermogen naar beste weten mocht
handelen.

Deze beheerder nam 12.300 octrooien, 1.321 merken

en 3.149 auteursrechten van vijanden in beslag.,
Hij verkocht aan de ,,Chemical Foundation” 4.767
odtrooien en 867 merken voor $ 271.850. Dit waren in

hoofdzaak de Duitsche kleurstofoctrooien, die de ,,Che-
mical Foundation”, welke in het leven was geroepen om
de belangen van de textielindustrie bij den verkoop der
vijandelijke octrooien te behartigen, in licentie gaf aan
belanghebbenden. –

Verder verkocht deze beheerdér aan de Amerikaanlche
Regeering 154 octrooien voor $ 1.690.000, terwijl hij haar
nog 5.850 licenties verleende voor $ 100.000. Dit .waren
grootendeels de octrooien op radiogebied en met deze
octrooien in de hand bracht de Amerikaansche Regeering
de radiofabrikanten tot samenwerking, waaruit het ont-
staan van de later zoo machtige ,,Radio Corporation
of America” voortvloeide.
Aan particuliere

firma’s verkocht de beheerder slechts
96 octrooien en merken voor in totaal $ 1.383.000, waarin
begrepen is de prijs van 1 millioen dollar, die betaald
werd voor het bekende tandpastamerk ,,Pebeco” van de
.Firma P. Beiersdorf & Co. Voorts werden door tusschenkomst van dé ,,Federal
Trade Commission” nog 87 licenties verleend aan parti-
culiere bedrijven ten bedrage van $ 993.000.
Uit reeds bestaande, dus eertijds door Duitschers af

gesloten, licentiecontracten ontving de ,,Custodian” nog
$ 200.000, terwijl ten slotte eèn aantal octrooien tegelijk
werden overgedragen met in Amerika gelegen bedrijven,
die in het bezit waren van vijanden. De waarde dezer
octrooien is, bij gebrek aan gegevens, niet te schatten.
In totaal leverde dus het vijandelijk octrooi- en merken-

bezit destijds in Amerika een kleine 5 millioen dollar op.
Dat dit bedrag wel heel erg aan den lagen kant is, is
zeker voor een deel toe te schrijven aan het feit, dat de
Amerikaansche industrie over het algemeen zeer afkeerig
bleek van het overnemen van dit in beslag genomen
octrooi- en merkenbezit, daar zij het niet billijk Qordeelde
de oorlog tusschen de landen als aanleiding te gebruiken
om zich bezit van particulieren toe ‘te eigenen.
Dit zelfde argument hoort men ook nu reeds van enkele

262

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 November 1945

Nederlandsche industrieelen, al ligt’ de situatie hier anders,

doordat ht thans gaat om het verhalen van de enorme
en grootendeels onnoodig en moedwillig door de Duitschers

toegebrachte schade. Desondanks oordeelen sofrimigen”

dat deze schade op het.Duitsche Rijl in zijn geheel, doch
niet op de Duitsche octrooihouders, d.w.z. een groep

Duitsche particulieren en fabrieken, verhaald moet worden.

Dit soort opvatting heeft er in Amerika tenslotte toe

geleid, dat het bij de ,,Settlement of War Claims Act”
van 1928 werd mogelijk gemaakt de oorspronkelijke hou-

ders der in beslag genomen octrooien en merken schâde-
loos te stellen. 1.069 octi’ooihouders dienden toen een eisch

tot schadeloosstlling in met betrekking tot een kleine

6.000 octi’ooien. ‘De belangrijkste eisch kwam van ,,T&le-

funken”, die voor haar ten deele inderdaad zeer principieele
75 radiooctrooien een schadevergoeding vroeg van

$ 50.000.000, doch slechts $ 5.000.000 toegewezen kreeg,

waarbij nog inbegrepen ws de vergoeding voor een in
beslag genomen radio zend- en ontvangstation.

Van de 1.069 ingediende eischen om schadeloosstelling

werden er 587 afgewezen eq 313 Duitsche, 138 Oostenrijk-

sche en 31 Hongaarsche toegekend. De 313 Duitsche ge-
vallen kregen vergoed $ 9.079.830 plus $ 3.405.557,83

rente, dus in totaal $ 11.485.387,83.
Als men deze bedragen ziet, die de vijandelijke octrooien
in een belangrijk en groot industrieland als Amerika op-

brachten, zal het duMelijk zijn, dat het vijandelijke octrooi-

bezit in het zooveel kleinere en minder industrieele Neder-

land heel wat minder (volgens sommigen nog geen fnillioen

gulden) zal opbrengen.
Waaraan is het toe te schrijven, dat deze opbrengst zoo
laag geschat dient te worden? Daargelaten de kwestie,
of het in beslagnernen van particulier octrooi- ‘en merken-

bezit, ook al is dit vijandelijk vermogen, al dan niet sym-

pathiek is, is een andere reden, dat men ei’ met het octrooi
alleen nog niet is. 1-let octrooi is immers slechts een stuk

papier, dat de uitvinding min of meer nauwkeurig be-
schrijft. Om tot practische toepassing- van die uitvinding

te komen, komt in den regel heel wat nieer kijken en
moeten diverse kinderziekten worden doorstaan. Het,
octrooiwezen vindt juist zijn motiveering in het feit, dat

hetin de practijk verwe.rkelijken van uitvindingen heel
wat meilijkheden met zich brengt, zoodat iemand, die
daarvoor tijd en geld over heeft, recht heeft

,
deze kosten

terug te verdienen.
De fabrikant, die het vijandelijke octrooi koopt, moet
dus zelf de moeilijkheden, die zich bij het in de practijk
brengen onvermijdelijk zullen voordoen, overwinnen,

terwijl hij bij den normalen verkoop of licentie van het
octrooi geholpen zou zijn door den octrooihouder, door
– het te zijner beschikking stellen van werkteekeningen,
recepten fabricageknepen, bedrijfservaring, en z.
Dezelfde moeilijkheid, die ik hiervoor bij merken aan-
stipte, dat zelfs een goed merk zonder het fabricage-
procédé weinig waarde heeft, doet zich ds ook; zij het in

mindere mate, bij octrooien voor
1).

Een octrooi of merk zonder de kennis van dep oorspron-
kelijken houder is als een étalagedoos; even fraai van

uiterlijk als de echte verpakte waar, maai’ in werkelijk-
heid leeg en dus vrijwel waardeloos, tenzij men in staat

is zelf ook de volle doos te maken. /
C. M. R. DAVIDSON.

‘) Zie ook: ,,Het beheer van DuiLsche octrooieri”, door Mr. Ir.
C. J. de Haan in ,,E.-S. B.” van Ii Oct. 1945.

MONETAIRE PROBLEMEN IN INDIÊ.

Nu waarschijnlijk ;oo lngzamerhand in Nederland
mededee,lingen van allerlei aard omtrent de toestanden in

Indonesië binnenkomen, zullen zij, die zich voor dergelijke
vraagstukken intere’sseeren, zich afvragen, hoe de mone-
taire toestand in dit groote eilandenrijk was tijdens de

Japansche bezetting en welke maatregelen tot dusverre

genomen werden om tot een meer geordenden toestand op

monetair gebied te geraken.
-. In het onderstaande zal, aan de hand van de betrekkelijk

weinige gegevehs, die thans bekend zijn, getracht worden
eenig inzicht te verschaffen in deze vraagstukken, waarbij

speciale aandacht zal worden geschonken aan de proble-

men van het oogenblil. Toen in Maart 1942de val van Java een feit geworden.

was, waren er behalve ‘de bankbiljetten, uitgegeven door

de Javasche Bank muntbiljetten, van f1 en f 250 in

‘omloop en daarnaast een bedrag
aa!n
teeken- en pasmi.fnt.

De omloop vn bankbiljetten bedroeg per 21 Februari

1942 f 341.000.000, hetgeen belangrijk hooger was dan het
gemiddelde der laatste vooroorlogschejaren. (Ultimo Maart

1940 ‘f212 millioen, ultimo Maart1941 f230 millioen,ultirno

Maart 1942 f 267 millioen).

Japansch .papie4cld. ‘

Een der eerste daden van de Japansche bzettings-

irdepen was -te bepalen, dat naast het,in omloop zijnde
Nederlandsch-Indische geld het door het bezettingsleger
uit te geven papiergeld (gunpyo) eveneens als betaalmid-

del moest worden aangenomen, waarbij 1 yen gelijk ge-

steld werd aan f1.
Dit was echter een voorloopige regeling, want in,Maart

1948 werd begonnen met uitgifte van biljetten door de
Nanpo Kaihatsu Kinko (Southern Development Com-
pany), welke thans feitelijk het eenige soort papiergeld

vormt, dat in den geheelen archipel door de hevrijdende

troepen werd aangetroffen.
Gëlijktijdig werd aan de bevolking bevolen alle door het
Nederlandsch-Indische Gouvernement en De Javasche Bank
uitgegeven betaalmiddelen zonder vergoeding in te leve-
ren. Dit gehod werd slechts zeer schoorvoetend opgevolgd

en toen de bevrijdingstroepen de verschiilende gebieden
binnentrokken, bleek het dat nog vrij groote bedragen aaii

oud Javabankpapier en oude muntbiljetted door de be-

volkiog verstopt waren.
Bleef aanvankelijk de circulatie van liet Japansch&
papier nog binnen betrekkelijk redelijke grenzen, vooral

sinds begin 1945 werd een ware lawine van papiergeld

over het land uitgestort.
Volgens dpor de Japanners na de overgave medegedeel-de en daarna, openbaar gemaakte cijfers, bedroeg de totale
uitgifte van het Legerpapiergeld ca. 97 niillioen gulden
tot einde Maart 1943. Nadien werd de circulatie van dit

papier niet meer uitgebreid, doch werd begonnen met de
uitgifte van de Nanpo Kaihatsu Kinko-biljetten.

Van deze biljetten ‘werd in de laatste 8 maanden van
1943 uitgegeven rond 36 millioen gulden,
in 1944

532

in 1945 tot 31 Aug. ,, 1.001

Uit deze cijfers blijkt reeds, dat in waarheid van een
lawine wordt gesproken, hetgeen nog’ beter geïllustreerd
wordt,- indien men de maandcijfers voor 1945 beschouwt.

De uitgifte bedroeg in: ‘

Januari
1945

……….
58

millioen gulden.

Februari
…………
58

Maart
…………
81

April
………….

86

ivlei
………….
117

Juni
…………
110

Juli
,’………..
96

1-20 Aug .
..

……….

173

21-31 Aug

……….

222

In totaal was dus per êinde Augustus 1945 alleen aan
Nanpo Kaihatsu Kinko papier f1.569 millioen in omloop
gebrmht, terwijl daarnaast, zooals reeds gezegd, ook het
Legerpapier tot een betrekkelijk gering bedrag was uit-
gegeven, en bovendien, zij het dan tegen de bevelen der
Japahners in, nog een zeker bedrag aan vooroorlogsch

29 November 1945

ECONOMISCH-STATISTISCHE BÉRICHTEN

263

Nederlandsch-Iidisôh geld door de bv’o1king was verstopt

en onmiddellijk na de overgave van Japan weer openlijk

te voorschijn kwam.
Gegevens omIent het bedrag aan oud Nederla’ndsch-

Indisch geld, dat nog bij de b&volking aanwezig is, alsmede
omtrent het bedrag der zich bij de bevolking in omloop

bevindende,legerbiljetten, staan op dit oogenblik nog niet

ter beschikking.

Volledigheidshalve moet nog worden vermeld, dat de

door de Japanners verstrekte opgave omtrent de circulati’e

van Nanpo Kaihatsu Kinko papier. ad
11.589 millioen de

toevoeging bevaIte ,,Java District”. Het schijnt echter,

dat deze woorden niet beteekenen, dat genoemd bedrag
allëeri ten behoeve van Java zou zijn uitgegeven, doch
veeleer, dat het,,Java-district’de uitgifte voor den geheien

Indischen archipei omvatte.

Uiterlijk der Japansche biljetten.
1

Het uiterlijk dezer Japansche biljetten is mrkwaardig.

De druk is niet te slecht, alhoewel noch papier, noch druk-

procédé voldoen aan de eischen, welke bij de vervaardi-
ging van waardepapier gesteld moeten worden. Geen der
biljetten is genummerd, wel bev’tten ze allen een aan-
duiding, bestaande uit 2 of- 3 letters, waarvan
één een S is,

welke waarschijnlijk het Nederlandsch-Indische gebied aanduidt, daar hijv. alle biljetten, in Ponden of shillings
luiden de en in Britsch Nieuw Guinea in omloop gebracht,

de aanduiding 0 bevatten.
Uitgegeven ‘werden:

biljetten van 1 ct. tot een waarde van f. 3,7 millioen
5

, ,,,,,,

,,

,,

f1 13,5
10

,,

,,

,,

,,

,, 1 31,4 –

50 ,,

,,

,,

,,

,, f 47,5
1 gld.

f111,8

5

,,,,
,,

,,

.,, f 154,9
10 ,.

,,

,,

,,

,, f 810,4
100 ,,

,,

,,

,,

,, f396,0

Deze laatste biljetten van honderd gulden werden eerst
sinds begin
1945 in omloop gebracht.
De tekst, van de papiertjes van 1, 5 en 10 cts luidt:
De Jaansche Regeering
een cent

(resp. vijf, tien cent).
Die van de bi]jetten van 1 0,50 en hooger luidt: De Japansche Regeering

betaalt aan toonder

half gulden

(enz.)!

Behalvg de handteekening, ontbreken ook op alle biljet-
ten de dagteekening. Den laatsten tijd werden geen biljetten
van 1 0,50 en hooger meer. met Nederindsche tekst uit-
gegeven, doch luidde het opschrift:
Dai Nippon Teikoku
seihu

satoe roepiah.

. (enz.)
Verder bevatten alle biljetten van 1 0,50 en hooger eenige

Japansche letterteekens.
• Aanvankelijk leek het, of de bevolking vertrouwen
stelde in het door de Japanners in omloop gebrachte papier
althans de koopkracht week niet eel af van die van de

oude Nederlandsc.h-Indische betaalmiddelen. Toen echter
de oude betaalmiddelen ingeleverd moesten worden en
het Japansche papi
f
er in steeds grooter hoeveelheden het
land begon tè overstroomen, stegen de prijzen in steeds
sneller tempo.

Voorbereidende niaatregelen der iVederlandsch-Indische
I
Re-
geering.

Intusschen haa de Nederia ndsch -Indische Regeering,
die door radio en ,,intellignce” berichtén op de hoogte
van den
I
‘monetairen toestand in Indië, maatregelen
genomen om zoo snel mogelijk na de bevrijding tot geld-
zuiering ,te kunnen ger’aken. Hiertoe behoorden o.a. het
doen vervaardigen van nieuw muntpapier in coupures van 0,5, 1, 2,5, 5, 10, 25, 50 en 100 gulden. Deze biljetten zijn

gedrukt door ,,The Americn .Banknote Company” en

gelijken in uiterlijk éenigszins op het nieuwe in Nederland

in omloop gebrachte papier. De hoevoelheid is zoo

gesteld, dat zij ruim voldoende moet worden geacht.

Daarnaast gaf de Nederlandsch-IndischeRegeering opdracht.

tot het slaan van een groote hoeveelheid teeken- en pas-‘
munt in zilver en koper, in uitei’lijk geheel gelijk aan de
voor den oorlog in Indië gangbare munten.

Bij alle maatregelen door de Nederlandsch-lndische Re-geering genomen, dient men voor oogen te houden, dat tot

zeer kort voor de overgave van Japan het zichliet aanzien,

dat Indië stap voor stal) met de’vapenen zou moeten wor-
den bevrijd. Niets deed een z66 snelle en algemeene over-
save vermoeden.

Indië is nooit geheel door de Japanners veroverd, met

name op de Zuidkust van Nieuw Guinea (Merauke en om-
liggende gebieden) is de criekleur steeds blijven wapperen.
In dit gebied verd.dan ookde eerste geldzuivening door-

gevoerd, hetgeen niet moeilijk was, doordat uiteraard geen

Japansch papier circuleerde. Men wisselde eenvoudig het
oude in. omloop zijnde bankpapier en muatpapier a pa’ri

tegen het, nieuwe gouvernementsgeld in.
• Anders was de toestand in de met de wapenen bevrijde
gebieden, zooals Flollandia, Noemfoor, Biak. Morotai en

later Tarakan en Balik Papan. In die plaatsen was Ja-
pansch apier tot vrij aanzienlijke bedragen in circulati.
Den binnenrukkenden hevrijdingstroepen (Amerikanen,
Engelschen, Australiërs en Nederlandsch-Indische troepen)
waren tevoren met het niëuwe gouvernementsgeld voorzien

om daarmede bepaalde betalingen voor arbeid en,leveran-
cies te kunnen doen. Ook het onmiddellijkachter de troe-
pen aankomende personeel van het burgerlijk bestuur
(,,Netherlands Indies Civil Ad ministration”, kortweg Nica genaamd) beschikte over het nieuwe geld en betaalde daar-
mede de ten hare behoeve gepresteerde diensten en gele-

verde goederen, alsmede de bezoldigingen der nog aan-
wezige of nieuw aan te stellen landsdienaren liet Japan-
sche papier werd in deze gebieden onmiddellijk waardeloos
verklaard en de inlevering werd voorgeschreven.
rren
aan-
zien van het vroeger gangbare geld (Javabankbiljetten,
‘muitbiljetten en munten) werd bepaald dat het oude
papiergeld a pari kon worden ingewisseld, en zijn kracht als

wettig betaalmiddel had verloren, terwijl de minten
gangbaar bleven. –

De situatie na de capitulatie ran Japan

De toestand werd echter, ten aanzien van de overige

gebieden, geheel anders, toen medio Augustus de Japanners
plotseling tot overgave gedwongen werden. Hier toch had
men te doen met een zeer uitgestrekt gebied, verspreid
over tallooze eilanden, waarin tot dien, datum uitsluitend
Japansch geld circuleerde. Onmiddellijk het Japansche
papier van onwaarde
verklaren
was’ niet door te voeren, daar het niet mogelijk was dit omvangrijke gebied direct
door geallieerde troepen te bezetten en op de voor Hol-
landia, Biak, enz. gevolgde wijze het nieuwe geld in om-
loop te brengen. De bezetting door de geallieerden en het
daarbij behoorende Nica-personeel, kon slechts geleidelijk gaan en bij het schrijven van dit artikel (medio November)’
zijn er nog groote deelen van den archipel, waar de g:eallieer
den nog niet zijn geland.

Daarbij kwam nog een niet te verwaarloozen factor.
Zelfs daar, waar het mogelijk was binnen niet al te langen
tijd geallieerde troepen aan land te zetten,, werd in veel
gevallen de aanvoer bemoeilijkt, door de houding van de
Australische ,,wharfies”, die weigerden onze schepen, met
bestemming voor het bevrijde gebied, te laden. Dien ten-
gevolge was de geldaanvoer voor een gioot deel aange-
wezen op vervoer door de lucht, hetwelk in verbénd met
de zeer groote gewichten, uiteraard in langzaam tempo
kon geschieden. Vooral ten aanzien van de munten, waar-
van het gewicht zeer aanzienlijk is, gold dit bezwaar in
aanzienlijke mate.

264

.
ECONOMISCH-STATISTISCHE ERICHTEN

29 No’vember 1945

– Buitendien bestond het gevaar, dat de Japanners, die

op tal van plaatsen nog niet ontwapend waren en in feite

nog het gezag bleven uitoefenen tot den aankomst der

geallieerden, de vroeger in beslag genomen oude betaal-
middelen ten eigen bate weer in het verkeer zouden bren-

gen. Verdèr was het vermoeden gerezn, dat de Japanners

tijdens den bezettingstijd het zich in de kelders ‘v’h De

Javasche Bank bevindende, onuitgegeven b’ankpapier, in

omloop hadden gebracht.

En ten slotte was er nog de politieke onrust in sommige
deelen van den archipel, die tot gevolg had, dat bij de be-

volking een zeker wantrouwen ontstond jegens het nieuwe

gouvernementsgeld, welk wantrouwen op Java zelfs zoo
ver ging, dat het tot heden

niet mogelijk bleek het nieuwe
geld in omloop te brengen, hetgeen nog verder bemaeilijkt

werd door ht feit, dat op dit groote eilaiidde verkeers-
middelen nog steeds niet in handen der geallieerden zijn.

En de eerste vooraarde vooi het in omloop brengen.van

nieuw geld is *el de mogelijkheid, om het te kunnen bren-

gen op âlle daarvoor, in aanmerking komende plaatsen,

tot in de verste hoeken van Java.

Het feit echter, dat Indië bestaat uit een aantal groote
eilanden en eilandengroepen, waartusschen het verkeer,

vooral in dezen tijd, weinig intensief is, maakte het mo-

gelijk voor de verschillende gebieden verschillende wijzen
tot geldzuivering te volgen.

Zoo werd op Timor, dat al ‘vrij vlug door de Australiërs

werd bezet, op ‘dezelfde wijze gehandeld als bij de over
gave in Hollandia, Biak, Noemfoor enz had plaats ge-

vonden. M.a.w., het Japansche geld werd waardeloos ver-

klaard en de inlevering werd verplicht gesteld; de oude
munten bleven geldig: Javabankpapier en oud muntpapier
werd
a
pari ingewisseld en door de bezettingstroepen werd

automatisch het nieuwe gouvernementsgeld in omloop

gebracht. De inlevering van het Japansche papier ging
zeer vlot. Een ooggetuige schreef, datbij den intocht der bevrijdende troepen in Koepang
de
w6gen door de be-

volking met verscheurd Japansch papier, bij wijze van con-

fetti, bestrooid waren. Op een kort daarna gehouden ,feest,
• door het burgerlijk bestuur (Nica) aan de bevolking aan-
‘geboden, kwam als glansnummer vodr, het openbaar ver-
verbranden van f 16 millioen ingenomen Japansche bil-
jetten. .

Niet overal ging het echter van zoo’n leien dakje als op
Timor. Men mag daarbij nl. niet uit het oog verliezen,
dat het geldverkeer op dit eiland nog steeds vrij primitief
en weinig intensief is.
Op Celebes bijv. -en op andere eilandenvan De Groote

Oost, waar het gel5verkeer een veel bèlangrijker plaats
in het economisch leven inneemt, zou het geheel van on-
waarde verklaren van het Japansche bankpapïervdor vele
leden van de bevdlking tot groote möeilijkhëden en on-
rechtvaardigheden hebben
geleid,
Daarbij kwam natuur-
lijk ook de reeds gesignaleede moeilijkheid, in sommige
gevallen zelfs onmogelijkheid, om bijtijds het nieuwe geld

in ‘voldoende mate te doen aanvoeren. 0p grond van de
koopkracht, die het Japansche papier in dit gebied bleek

te bezitten, werd besloten de waarde van het Japansche
papier op 3 cts per Japansche gulden vast te stellen, onder
aankondiging, dat de inwisseling tegen nieuw gouverne-
mentsgeld op een nader te bepalen tijdstip zoij volgen.

De vrees voor onregelmatigheden bij de uitgifte van bank-
biljetten der Javasche Bank, hiervoor reeds besproken en
‘het gevaar van infiltratie van zoodanig papier uit Ja-
pansch bezit, deed de Regeering ,besluiten, dit geld, wat
betreft de coupures boven f10, zijn kwaliteit van wettig
‘Ietaalmiddel te ontnemen, tot op een later tijdstip’zal
worden aangekondigd, op welke wijze inwisseling. tegen.
nieuw gouvernementsgeld zal kunnen geschieden. De bank-
biljetten van De Javasche Bank

ad f 5,— en f 10,-
bleven als we’ttig betaalmiddel gehandhaafd. Dezelfde
maatregelen werden genomen voor de reeds bevrijde
gebieden van Borneo. –

Op Biliton werd.’eeni soortgelijken weg bewandeld, met

dien verstande, dat 60 Japansche guldens-gelijk geveld

werden met een gouvernementsgulden. ,.Te’veiis we op

.dit eiland de Biliton-Mij. gemachtigd ter voorzienii’ig in

het gebrek aan pasmunt oer. te gaan tot de uitgifte van
noodgeld.

Weer geheel anders is de toestand te Batavia, de eenige plaats op. Java, waar de geallieerden tot op zekere hoogte

het heft in handen hebben. De weigering van de bevolking

om het nieuwe gouvernementsgeld aan te nemen, gepaard

aan de groote moéilijkheden, inzake de verbindingen,
hebben ertoe geleid, dat daar thans nog uitsluitend het
Japansche papier in omloop is. De prijzen, die voor de nog

verkrijgbare artikelen betaald worden, wijzen op een sterke

waardevèrminderirig van dit Japansche papier. Om eenige

voorbeelden te noemen, een maaltijd bestaande uit nasi

goreng plus. een koffie-ijs in een behoorlijk Chineesch

restaurant, kost thans f 20,—, een fiets van f 1100,— tot
f1700,—, een schrijfmachine (vrijwel nieuw) f 3000,—,

tot f 5000,__1_, een flesch slaolie (Deiftsche nog) kost f 40.—,

een p’ak van 400 Japansche cigaretten f 60,—, een flesch
bier f 60,— enz. De prijzen worden echter met den dag
hooger.

Ten einde den militairen en burgerambtenaren in gou-
vernementsdienst in staat t4 stellen enkele klëinere aan-koopen te doen, wordt hen een voorschot op hun salaris

in Japansch geld verleend, waarvan de verrekening zal
plaats ‘vinden, zoodra het mogelijk is een waardeering

van het.
Japansche
geld vast te stelleh.

Dit alles geldt.slechts voor Batavia en Bandoeng; zoo-
als bekend laten de politieke verhoudingen in het overige

gebied van Java niet toe reëds thans een bepaalde regeling
vast te stellen. – –
Zooals reeds hiervoor betoogd, is de bezetting van Su-

matra voor de geallieerden ternauwernood begonnen, zoo-dat omtrent de daar getroffen, resp. te treffen-maatregelen
op monetair gebied, nèg niets bericht kan worden. Te zijner

tijd zal hierop nader worden teruggekomen.
Ten slotte nog de opmerking, dat het in de bedoeling

ligt het nieuwe gouvernementsgeld slecht tijdelijk in
circulatie te,laten. Zoodra rust en orde in het land zijn
weergekeerd en het mogelijk is een algeheel overzicht te

verkrijgen van den financieelen toestand in Indië, zal dit’
nieuwe
geld
waarschijnlijk wéer door bankbiljetten van
De Javasche Bank vervangen worden.

3.
E. SPINOSX cATTELA.
Batavia 18 November 1945.

BOEKAANKONDIGINGEN.

PauUEinzig.
Currene?, after the War. The British and
– American plans. Uitg. Nicholson & Watson, London.

De schrijver geeft in dit boekje van 150 blz., op. zijn

bekende duidelijke wijze, een overzicht van de plannen
van Keynes en White. Zooals voor ieder verarmd Euro-peaan begrijpelijk is, heeft hij en uitgesproken voorkeur
voor het plan van Keynes, dat hij prijst om zijn originali-
teit, diep zinnigheid en andere kwaliteiten; daarvn acht
hij de internationale credietcreatie de belangrijkste. Het
plan-White daarentegen getuigt volgens den schrijver van

weinig verbeeldingskracht, omdat het id wezen niets nieuws

geef t.
Ondanks het feit, dat Einzig een groot .bewonderaar –
blijkt van den persoon Keynes, .kan men niet zeggen, dat
hij de objectiviteit bij zijn verhandeling uit het oog verliest. Hij doet het plan-White volledig recht wedervar’i%. Duide-
lijk laat hij uitkomen, dat het Keynéspla,n vooral rekening
houdt met de Engelsche belangen en het White-plan nog
meer rekening houdt met de Amerikaansche belangen.
Wat dit betreft; moeten beide plannen eigenlijk een beetje
kleinzielig worden genoemd, zooals zij ook blijken te zijn,
zoodra de vaststelling der machtsverhoudingen wordt

29 November 1945

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1

25

geanalyseerd. Voor het overige is zulks bijna onvermijdelijk,
aangezien beide opstellers rekening blijken tëhebben ge-

houden met het feit, dat hun plan parlementaire gdedkeu-
ring zou veseischen.
I

Behalve de QVerzichtelijke opstelling der overeenkom-
sten en verschillen van beide plannen, heeft het boek nog

een verdienste; het.vestigtde aandacht op het feit, dat het
Keynes-plan, wil het suces hebberf, ordening van den

jntenationalen handel vereischt, welke slechts mogelijk is

na voorafgaande binnenlandsche’ ordening. Einzig acht

het bezwaar hiervan gering, aangezien hij ordening in alle

sectoren van het zakenleven vanzelfsprekend acht, omdat
hij slechts het alternatief ziet tusschen ,,planned prospe-
rity or unplanned poverty”. Een waterdichte ,,exchange control” acht hij
daarvoor
ook noodzakelijk en zelfs het

feit, dat zulks briefcensuur moet inhouden (9 van de 10

gevallen van deviezensmokkel werden gedurende den oorlog

door den censor ontdekt), acht hij geen bezwaar. Hij geeft
dus blijk de consequenties van internationale ordening

goed te beseffen. Behalve, dat men over de wenschelijk-

heid van de in te voeren maatregelen van meening kan
verschillen,. kan vastgesteld worden, dat er fiog heel wat
water door de 1-ludson moet stroomen voor Amerika
zoo diep in den put zal zitten, dat het bereid zal zijn het

Keynes-plan met haar conseQuenties te aanvaarden. Einzig
geeft blijk dit zeer goed te beseffen en schroomt daarom
niet zijn bezwaren tegen het White-plan scherp te uiten.
Hij acht voor Engeland ,,geen plan” beter dan

het White-plan, aangezien Engeland zich volgens hem-
beter in het Empire kan terugtrekken dan aan Amerikaan-
schen leiband te gaan loopen. Dat deze meening door de
Engelsche Regeering wordt gedeeld, zou men opmaken uit
de huidige besprekingen van Halifa.x en Keynes te Washing-
ton. Dat het plan-Keynes overigens een betere basis biedt
om een ideaal te bereiken dan het plan-White, is wel zeker,
omdat de wereld, die het plan-White voor. zegenrijke
werking noodig heeft, er niet is en zoodra zij er is, het plan-
‘White kan misser.
F. R. BOOT.

Prof. Dr. Jacques E. Merters,
,,La naissance et le déelop-
pernent de l’é1aionor,
1696-1922. (Presses Univer-.

sitaires de Frnce, Paris 1944).

Dit boek, uitgegeven door het ,,Institut de Recherches
Economiques” te Leuven, bevat een uitgebreide studie
over het ontstaan en de ontwikkeling van de gouden stan-
daard. Nadat in het eerste hoofdstuk een schets is gegeven
van object en methode van het onderzoek, worden in de
volgende hoofdstukken achtereenvolgens behandeld de
problemen, die in het algemeen met de productie
van
goud

en zilver en met de functiè van deze beide edele metalen
als circulatiemiddel samenhangen, de geboorte van de
gouden standaard in Engeland, 1696-1816, de eerste
theorieën, zoowel bimetallistische als monometallisti-
sche, de verdere ontwikkeling van de gouden standaard in andere landen met een daaraan parallel lopendë ont-
wikkeling van verschillende monetaire theorieën; aan de
problemen van het zi1vr als standaardmetaal wordt bij
dit alles in ruime mate de aandacht geschonken.

Na deze
aflalyses
tracht het laatste hoofdstuk een syn-
these te geven van de verschillende fac.toren, zowel econo-
mische als ideologische en juiidische, welke het ontstaan
en de ontwikkeling van de gouden standaard hebben be-
paald en beïnvloed. In deze opzet valt een zekere analogie
met die
van
1-laberler’s ,,Prosperity and Depression” niet
te ontkennen.
In de inleiding van dit boek kordt er uitdrukkelijk op
gewezen, dat het onderzoek zich beperkt tot het probleem
van de gouden standaard in den strikten zin des woords,
d.w.z. het vraagstuk van de keus van het goud als basis voor een werkelijk monetair ,,systeem”, met uitsluiting
van andere edele metalen. Ter completering zou in feite
nodig zijn een bestudering van twee verdere vraagstukken,

ni. het probleem van de metaaldkking der circulatiebn-
kn (Banking Principle versus Currency Theoryl) en het

probleem van de credietpolitiek der centralé banken, ‘of
wel yan de disconto-techniek en de modernere vormen van

credietpolitiek, die in de plaats hiervan zijn getreden.

Zeer bruikbaar zijn de aan het boek toegevoegde uit-
gebreide litteratuur-lijst, die liefst 35 pagina’s beslaat, en

de vele tabellen en grafieken, die’vooral den historicus be-

lang zullen inboezemen zo wordt in de tabellen 33 en 34

een overzicht gegeven van de goud- en zilverproductie
van het jaar 1493 af.

Voor het overige, is men geneigd zich af te vragen, wat
het nut is van een zo ver teruggaand en een zo gedetail-
leerdonderzoek als dit boek tracht te geven. Toch, ook al

behoort .de gouden standaard, naar het schijnt, als alge-

meen aanvaard monetair systeem tot het verleden, is een
dergelijke studie niet van blang ontbloot. Nu de Tweede

Wereldoorlog ten èinde is, vragen niet alleen wederopbouw-
problemen van ‘internen aard de ‘aandacht,’ maar vooral
ook het herstel van gezonde internationale monetaire ver-

houdingen vormt een problem van eminent belang. Een
studie van wat het verle.den-in dit opzicht geboden heeft

kan bij de oplossing van dit probleem nuttige diensten
bewijzen. Een analyse van de ervaringen, opgedaan sinds
1914-.—1918, wordt in het boek van Prof. Mertens echter
node gemist.

Rationnenient alimentaire et raQitaillement
1943-

1944, Département économique, financier et du
Transit, Sociëté des Nations, Genève 1944.

Een onderzoek naar de hoogte, çle sameiïstelling en de
voedingswaarde van de officieel vastgestelde voedings-
middelenrantsoenen tegen het einde van 1943 in Europa

en elders, niet daarop aansluitend een overzicht van de gezondheidstoestand in Europa op genoemd tijdstip en
van de productie van voedingsmiddelen in ”erschillende
deelen van de wereld gedurende de eerste oorlogsjaren.
Het eerste hoofdstuk van dit rapport, dat de in den
herfst van 1943 in ve.rschillende landen geldende levens-
middelen rantsoenen tot in bijzonderheden analyseert,

bevat een uitgebreid cijfermatèriaal, dat zeer bruikbaar is
voor een vergelijking van de mate, waarin de levensmidde-
lenvoorziening in die landen den inyloed van den oorlog
heeft ondergaan. Deze vergelijking valt, zooals te verwach-
ten is, sterk ten gunste van de geallieerde en neutiale lan
den uit. Hoofdstuk II bevat gegeven’s omtrent den invloed
van den oorlog op de – gezondheidstoestand in diverse
landen; ziekte-, geboorte- en sterftecijfers worden aan een
kort oaderzoek onderworpen. Het laatste hoofdstuk be-
handelt de ontwikkeling van de landbouwproductie in.
verschillende deelen van de wereld tijdens den oorlog.
Het onderzoek is afgesloten iii Maart 1944. Een voort-
zetting ervan, waarin met name aan de gevolgen van de
,,hongerwinter” 1944/’45 aandacht wordt geschonken,
moet van groot belang worden geacht.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De noteeringen op de geldmarkt vertoonen practisch
geen verschillen met die, welke in het voorafgaande over-

zicht werden vermeld. Driemaandsch papier werd aange-
bodentégen 1
1
/
pCt., vierma.ndsch papier tegen 14 pCt., terwijl vijf- en zesmaa.ndsch promessen tegen.resp. i• pCt.
en
1
/
8
PCL verkrijgbaar waren. Ook bij de langere ter-
mijnen treden geen merkbare verschillen in de ‘disconto’s
aan het licht; schatkistpromessen met een looptijd van
negen maanden werden bijv. aangeboden tegen 2 pCt.
Caligeld noteerde 1 pCt. met een duidelijk waarnembare
tendens tot koersstijging. Het beeld van de geldmarkt
vertoont nog steeds een grootere scha.arschte aan geld,
dan men tot voor korten tijd gewend was. Een geringe

1

266

,

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 N’ovemler 1945

-i

,1

.

.-

__.

I

I

%

I

I

verbetering is hierin echter gekomen, getuige de vermin-

dering’van denpost Beleeningen op den weekstaat van De

,Nederlandsche Bank per 26 November jl. met niet min-

dér dan f 18 millioen, in vergelijking met de voorafgaande

weekbalans. Hieraan is o.a. het feit niet vreemd,’ dat een

gedeelte van de houders van sçhatkistpaper hun’tot verval
/ komende promessed niet weder beleggen in nieuw papier.
Dit verschijnsel kn vrij groote vormen aannemen, zooals

blijkt uit den per 15 November 1945 gepubliceerden Stand

• van,’s Rijks Kas, welke aangaf, dt het totale uitstaande

bedrag aan schatkisipromessen in één week tijds mei f70
millioen was verminderd.

• Het saldo vari de Schatkist bij De Nederlandsche Bank

nam in de atgeloopen week nog toe met f 30 millioen,

waardoor het totaal bedrag’steeg tot f 2.490 millioen. De
financieele positie van het Rijk is dus oogenschijnlijk zeer

sterk. Toch dient men hierbij de bijzondere omstandig-

heden niet’ uit het oog te verliezen, welke tot dit resultaat
bijdragen. In de eerste plaats vormen de verplichte zeker-
hçidsstellingen een belangrijke bron van inkomen voor
het Rijk,’terwijl in de tweede plaats de’ii het buitenland

opgenomen credieten de positie van de Schatkist binnen-

slands versterken met den ,verkoopsprijs der ingevoerde

goederen. Weliswaar legt de Staat hierop een zeer om-

• vangrijk bedrag aan subsidies toe, zoodat per saldo de
schuidpositie van het Rijk slechter wordt. Maar in het.

binnenland zit men hiervan aanvankelijk slechts het

tëgendeeL Eventueele tekorten van de overheidshuishou-
ding – en den stelli’en iiidruk ontstaat, dat deze zeer

omvangrijk zijn -. treden door de genoemde bijzondere –

omstandigheden thans’ niet aan het licht, niaar het is
• duidelijk, .dat deze bronnew,vn inkomen na betrekkelijk
korten tijd zullen opdrogen. Daar komt nog dit bij, dat de

betalingen aan het Rijk uit hciofde van de bovengenoemde

oorzaken voor en belangrijk gedelte uit geblokkeerde
tegoeden geschieden, terwijl de betalingen van het Rijk
waarschijnlijk .grootendeels in giraal- of vrij geld plaats-

• vinden. Een spoedige’ saneering der overheidsfinanciën,

• waardoor de uitgaven
van
het Rijk ‘worden gedekt met

aan het publiek onttrokken geldmiddelen, is dus vel een
dringend vereischte.

• De .bankbiljettencirculatie vertoonde een ‘sterke toene-ming, nl. met f 69 inillioen. Ook hier wreekt zich het ge-
brek aan statistisch materiaal, evenals bij het vooraf-
gaande onderwerp, zoodat een inzicht in de veranderingen
der totale geldcirculatiè niet is te verkrijgen.
Voor de, komende effecteni’egistratie zijn thans nieuwe
regelen vastgesteld, welke aan de practische moeilijkheden

dei’ vorige regeling trachten tegemoet te komen.
1
Voor een

,spoedige hervatting van den beurshandel, zij het op be-
perkte schaal, schijnen mogelijkheden aanwezig te zijn.
,

‘Vooral de te verwachten koersvorming geeft aanleiding tot
allerlei bespiegelingen, waarbij den omvang en de wijze
van.vaststelliiig der vermogensaanwasbelaotïng en vermo-
gensheffing belangrijke elementen van onzekerheid biedn.

ONTVAIIGEN BOEKEN EN BROCHURES.

BOEKEN.

Economic, Financial and Transit Department:
The league
6f nations reconst,’uction scheines in the interwar period.

Ofîiial’ No.: C. 59. M. 59. 1945.11. A. (F. 1696 (1)).
Geneva, July 1945.

Econor:nic, Financial and Transit Department.
Agricul-
tural production.in
continental Europe during the
1914-18
– war and the- reconstruction period.
League of nations,
Geneva, 1943. Series of League of Nations Publications
• II. Economk and .Financial 1943. II. A. 7.

BROCHURES.

Nederindsch Instituut voor Efficiency, Amsterdam.
‘Enkele problemeh van .centrale plannihg,
door Prof.
J. Tinbergen. Publicatie nr. 247. 1945, 14 pag.

Nederlandsch Instituut. voor Efficiency, Amsterdam
Pro gress of scentif ie tianagenient, in Great ‘Britain

during the war,
door H. Ward, M; Sc., F.R.I.C.,
F.C.I.S. Publicatid nr. 240, 8 pag.

Nederlandsch Instituut vooi’ Efficiency, Amsterdarn.
Grondslagen van het systeem’ van variabele kosten-

bu4getteeriii.g,
door Drs. A. M. ‘Groot. Publicatie
nr. 241, 1945, 22 pag.

Nederlandsch instituut, voor EUiciency, Amsterdam.
1

Significant developinenis iii personnel management
dw’ing the war,
door G. R. Moxon. Publicatie nr. 242,

1945, 8 pa,g.

Nederlandsch Instituut voo!’ Efficiency, Amsterdam.

Werkclassificatie,
door Ir. J. M. Matthijsen. Publi-

catie nr. 243. 1945, 70 pag. .

Nederlandslh Instituut voor Documntatie en registra-

tuur.
Documentatie in het nat u.u.rwetenschappelijk

onde,’zoek en voorstellen tot coördinatie daarvan,
dooi’

Dr. W, W. Yarossieu. Publicatie nr. 244. 145,

26 pag.

Nederlandsch Instituut voor Efficiency, Amsterdam.

Enkele theoretische beschouwingen over marktanaly-

tische problemen,
door H. Th. Vreede. Publicatie
/

nr. . 245. 1945, 35 pag.

D. W. Brand’s Gids voor Anserikaansche fondsen.
No. 4,

dd. 27 October 1945. – No. 5 d.d.- 3 November 1945.

(Bevat een lorte beschouwing over onze beleggingen

in het buitenland).

Fiscal Committee.
Model Bilateral Gonventiohs for’. the
Preventiôn of International Double Taration and Piscal
Evasion.
Second i’egional tax conference Mexico, D. F.,

July 1943. League of nations, Geneva. 1945.

‘De organisatie van het bedrijfsleven
door Mr. J. P. Barth.

Uitg. J. M. Meulenhoff, Amstei’dam. Mei 1945. 67 pag.

Econoinic conditions, governnzental finance, United States

securities.
1944. The National City
Bank
of New York.

143 pag. •

STATITIEKEN

DE NEDERLANDSCtLE BANK.
(Voornaamste posten in duIzenden guldens)

Binnent. wissels
/
Munt,
open markt papier,
Totaal
Data
muntmate-
beleeningen, voor-
Totaal
opeischb.
riaal en
schotten a/h Rijk
activa ‘schulden
deviezen ‘)
en diverse

26 Nov. ’45
5.248.240
t

191.483 5.512.615
‘5.030.316
19

,,

’45
5.23’4.643
1

211.895
5.519.432
5.037.561
12

,,

’45
5.233.086,
1

196.465
5.502.773
5.020.660
5

,,

’45
5.232.604
I

178.955
5.484.781 5.002.686
29

Oct. ’45
5.222.334
183232
‘5.481.388
4.999382
22

,,

’45
.
5.222.523
1

179.553
5.477.897
4.995.907
15

,,

’45
5.212.597 183.536 5.471.955 4.990.119
8

,,

’45
5.214.825
189.471

5.480.118,
4.998.420
6 Mei

1
40
1.173.319 248.256
1.414.306
1.424.016

Bankassig

Schatkist-
Bienkbil jet-
Saldi natiën en
Saldo Rijk
papier

Data
ten in om-
in
diverse
R/C
(D/C)
rechtstr.

loop
R/G
rekeningen
onder-

gebracht

26 Nov. ’45 1.450.557)
3.579.734
150.054
c2.595.138

19

,,

’45 1.405.748
3
)
3.631.388
150.027 C2.565.344

,
12

,,

’45
1,375.206
2
)
3.645.426 149.897 C2.592.020

5

,,

’65
1.351.016′
3.651.661 149.859
C2.513.999

29

Oct. ’45
1.311.581
3687.796
149.775
C2.560.265

22

,,

’45
1.297.569 3.698.327
149.764


02.492.804


15

,,

’45
1.330.770
3.659.344
149.594
c2.067.338

8

,,

’45
1.252.976
3.745.4471
149.393
c1.790.893
6 Mei

‘406.158.613
t

255.1741

10.230
C.

22.962

1)
De posten ,,Corrspondenten in het buitenland” ‘èn ,,Buiten-
landsabe betaalmiddelen (excl. pasmunt)”, voorheen.begrepen mde
Diverse rekeningen”, zijn van 5 Juli 1943 af opgenomen onder
de
buiteniandsche portefeuille, in onzen staat samengevat als ,,deviezen”.
‘) waarvan nieuwe uitgifte
t
890,388.

t

942.312.
t 1.010.742.

/

VAN WO’ENEL’S. SCHOENMAGAZIJNEN
vragen voor hare, bedrijfsorganisatie in de tunetie vang
leider van dc administratieve Organisatie een

Drs. Economie of,

Accountant (N. I. v. A.)

Het accent valt meer op ,,orgnisatie” dan op ad-
ministratie”. De candidaat- moet de Directie assisteeren
bij d voorbereiding van de ,,planning” van inkoop,
verkoop en andere afdeelingen en ‘haar regelmatig op
de hoogte houden van de resultaten van uitvoering’.
Hij zal derhalve aanleg en belangstelling dienen te
hebben voor de bedrijfs-economischo vraagstukken en
vooral de ambitie om op dit terrein bij voortduring
werkzaam te zijn. In voorkomende gevallen moet deze
functionaris de Directie tijdelijk kunnen vervangen.
Behalve commercieel inzicht zal hij ook enkele
karaktereigenschsppen moeten bezitten, die hem daar-
voor geschikt maken, zooals initiatief, tact om met
menschen om te gaan, . leidend en organiseerend ver-
mogen en een zelfstandig critisch oordeel omtrent den
koers van het te voeren beleid. Zeer goede verant-
woordelijkepositie. Uitsluitend R. K. gegadigden met ervaring in het bedrijfsleven richten hunne uitvoerige
schriltelijke sollicitaties met foto aan van Woensel’s
Schoennsagazijnen, Schooistraat 19, Den Haag,

NATIONALE BANK VAN
BELGIË.
/

(Vooriiaamte posten in millioenen franes)

c
Data

a


•-‘-•
,O5)
c/)
0)0

22 Nov.

1945
31.166
4.770
551 281
284
44.812
15

1945
31.166
5.180
280 225 260
47.922
7

,,

1945
31.166
4983
274
213
237
47.502
30 Oct.

1945
30.603
5.478
260
248
937
47.017
25

1945
,
30.604 5.305
254
197
237
46.342
18

1945
30.605
5.268
377
228
224
46.684
11

,,

1945
30.717
‘5,140
375
282
213
46.165

itekening-
courant saldi

Data
😮
0
2
0
1-I)

“‘
o
‘5
0
,a
B

1.0

22 Nov.

1945
653
147.457
66.413
8
3.170
62.246
15
653
149.624
66.874

3
4.554
62.57,7
7

1945
653
149.971
67.230
6
4.375
62.745
30 ‘Oct.

1945
653 149.431
66.448
6
,
4.503
62.860
25

1945
653
148.522
65.924
4
4.061
62.921
18

,,

1945
653
148.967
65.991
6
4.367
62.993
11

,,

1945
.

653
148.468
65.996
.

5
3.797
63.061

)
Vaarvan 10.493 miIioen frcs.- onbeschikbaar goudsal10 na’
herwaardeering van den goudvoorraad. (Besluitwet no. 5 van
•1-5-1944).
3)
Waaronder begrépcn de Post ,,Emissiebank te Brussel”, ten
bedrage van 64.597 millioen frcs.
3)
Deze post omvat: oude biljetten .en rekeningen-courant op de
Bank, overgeboekt en over te boeken op tijdelijk onbeschikbare
of geblokkeerde rekeningen’ en niet aangegeven oude biljetten.

PUBLICiyFIES yAN HET N.E.I.

Pels, Dr., P. S.,
Een economisch-statistisch onderzoek

naar de chemische industrie in Nederland. (f 3,65,
ledenprijs f2,75).

Djojohaclikoesoe?no, R. M. Dr. Soemitro,
Het volkscrediet-
wezen in de depressie. (f,5,50, ledenpi’ijs
1′ 4,10).

Buning, Dr. J. R. A.,
De beleggingen der bijzondeie
spaarbanken in Nederland. (f 3,65, ledenpi’ijs î 2,75).

Schut, M. J.,
Tinrestrictie en tinprijs. (t 1,55, ledenprijs
f1,10).

Winsemius, Dr. A.,
Economische aspecten der inter-
nationale migratie. (f 2,10, ledenprijs t 1,50).

Koopm’ans, Dr. T.,
Tanker freight rates and tankship
building.
(f
3,15 geb., f2,10 ingen.; ledenprijs f2,25
geb.,, t 1,50 ingen.).

VÂN
DIJK&
Co.

EENDRACHTSWEG 11 – ROTTERDAM’

Mczkelaars ‘en Commissionnczirs in Effe’cten
Effecten – Coupons – Verrnogensbe’heer

Telefoon 20845
– 21889

40631

Beurs Nis 6

Telefoon 24178

24378

Verschenen, ht’ hogst actucele werk:

The Seat of Authority,

A ‘comparative analysis of the relations between

the legislativ& power and the executive powef in

the British constitutional systern and the American .?.Federal Constitution. Proefschrift van
Mr. Joha. van der Meulen

Prijs. f 8.50


– Levering door tuaschenkomst vaïi Uw bockhandel.
Uitgave van R. 4. M. Roeta ts, Sehzedam

vacaletres

Bureau van Bedrijfsorganisatiei te ‘s-Gravenhagc
zoekt tegen 1 JaDuari as.

-Jong Econoom

voor de functie van medewerker van den Sccrtaris.
Brieven met uitvoerige inlichtingen omtrent leeftijd,
opleiding, godsdienst, verlangd salaris, enz. in te zen-
den onder no, 299, bureau van dit blad, postbus 42,
Schiedam,

LE VE NSPOSITIE

Institutionecle belegger zoct

all-round kracht

voor de verzorging en de uitbreiding van
de
bypothe-
kenportefeuille en het bezit aan onroerende goederen.
Voor de vervulling dezer functie, die een groote mate
van zelfstandigheid . medebrengt, zijn technische be-
kwaamheid, alsmede een commercieelc inslag on-
ontbeerlijk.
Leeftijd bij voorkeur niet beneden 35 jaar. Academi-
sche vorming strekt tot aanbeveling. Gegadigden
gelieven hunne sollicitaties, die zeer vertrouwelijk
zulle’n worden behandeld, in te zenden onder no. 302,
bureau van dit blad, postbus 42, Schiedam.

NEDERLANDSCHE SPOORWEGEN

Voor de Afdeeling Personeelzaken en Sociale Aan.
gelegenheden te Utrecht wQrdt gevraagd ‘

een Sociograaf

of

,Jurist met

belangstelling op sociaal terrein

Eenige ervaring gewensche. Indiensetrediug zoo spoe-
dig -mogelijk. Brieven met volledige inlichtingen
aan den Algemeenen Dienst, 2e Afdeeling te Utrecht.

Alle correspondent;e betreffende advertenties gelieve U te richten aan Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerij H. A. f4.- Röelants’

.

t Lange Haven 141, Schiedam (Tel. 69300, toestel 6)

gispen

culemborg
amsterdam
rot terdam

N.V. KONINKLIJKE

N E D E R L A N DS(HE

ZO U T IN D U ST RI E

Boekelo Hengelo

ZOUTZIEDERU

Fabriek van:

ZOUtZUUr, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

chloorbleekloog

natronloog, caustic soda.

Koninklijke

Nederlandsche

Boekdrukkerij

H. A. M. Roelants

Schiedam

4

llederlandsch ,Igdische OadeIsbank, N.Y.

Amsterdam

Rotterdam

‘s•Gravenhago

Alle Bank- én Effectenzaken

HAv
BANK – SCHIEDAM

Levensverzeke ing en L ijfrei/e

‘De 4wwulleHde /3raidpoIis

van

D
e
,,/ssun’iij” oai 1896 A.D.

s-ravenhiage

UW
TOEKOMST IS VEILIG
met een polis
van
de

ALQEMEENE FRIESCHE

LEVENSVERZEKERING MIJ.

ofde

ÔROOT-NOORDHOLLANDSCHE

VAN1845

LEEUWARDEN (Burmanihuis) AMSTERDAM (v. Brienenhuis)

;t gea.
4esoe’t
P.ieterinas”
ok eoor 4edse

does

PATRUSPOORI’GLAZCN

TELECBAAFPL3TEN
MANOIlFrERCL,%ZENOPEIL(;LAZENeOLIEGLAZEN
ItrF

LEXGLAZEN
S
WATERMETERGLAZEN ENL

‘Pletermd
‘n
V.
WESTVEST
17 SCHIEDAM . TELEFOON 69269

VÂN
N
I

E

.

LLE’

RoTtEROi

/
GRAANFACTORY

EXPEDITIE

BEVRACHTING

*

OP- EN OVERSLAG

LADING -CONTROLE

BEMONSTERING

Pletchriolls

]4AVENBEDR’JF

ROTTERDAM

TELEF. .72872

POSTBUS 893

0e4u15

1′-

Esso

.

STINDARD

AMERIKAANSCHE

PETROLEUM CIE.

GEBOUW PET ROLEA

GRA VEN RAGE

TAN GEND & LOOS

verzending van
alle
goederen naar
alle

béstemmin gen in binnen- en buitenland

AAT VÉÉL

LNGER MEE

Alle côrrespondentie betreflende advertenties, gelieve U te richten aan Koninklijke r’Jederlandsche Boekdrukkerij H. A.’1’4.
Roe/nts,

Lange Haven 141,
Schiedam
(Tel. 69300, toestel 6)

D,uk Roelanto, Schiedam.

Auteur