Ga direct naar de content

Jrg. 25, editie 1300

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 18 1940

18 DECEMBER 1940-

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

EconornischStatistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJ VERHEID, FINANCIËN EN VERKEER.

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

2
5E JAARGANG

WOENSDAG 18 DECEMBER 1940

No. 1300

COMMISSIE VAN REDACTIE:

J. G. Koopmans; P. Lief tinck; N. J. Polak; J. Tinbergen
en F. de Vries.

Secretaris nan de Redactie: M. F. J. Gooi.

Redactie-adres: Pieter de I-Joochweg 122, Rotterdan,.-W.
Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatweg.

Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408.
Abonnemenesprijs 900r het weekblad, waarin tijdelijk
is opgenomen het Econo,n isc/i-Statistisch Maandberi.cht,
f,anco p p. in Nederland / 20,— per jaar. Buitenland en
koloniën / 23,— per jaar Losse nummers 50 cent. Dona-
teurs en leden Qan het Nederlandsclj Economisch Instituut
.ontQangen het weekblad gratis en genieten een reductie op
de oerdere publicaties. Adreswijzigingen op te gei.’cn aan
de Redactie.
AdQertenties Qoorpagina / 0,50 per regel. Andere pagina’s.
f 0,40 per regel. Plaatsing hij abonnement irnigens tarief.

Administratie Qan adoertenties: Nijgh n oan Ditmar N. T”.,
Uiiec’ers, Rotterdam, A msterdam., ‘s-Grai’enhage! Post-
chèque- en girorekening Ne. 145192. Adres te Rotterdam:
Erasmushuis, Tel. Nr. 31696.

BERICHT.

In
verband
met de a.s. feestdagen zal het volgend

nummer
verschijnen op
27 December as. in plaats van

op
25
dezer en het eerste
nummer
in het nieuwe jaar

01)
2 Januari 1941 in plaats van
op den eersten.

INHOUD:

Blz.

1-Jet streven
naar.
ordening irf den landbouw door
Dr.

Ir.

iii.

D.

Dijt

…………………….758

Noodgeld

1940

…………………………..-762

Stichting Winterhulp Nederland door
Mr. J. de
Vries………………………………….768

Opcenten op de Winstbelasting door
M. F. J. Cool 769

A a n t e e k e n i
n
g e n.

Besluit van den Sècretaris-Generaal van het Depar-
tement van Financiën in zake het heffen van op-
centen op de winstbelasting ten behoeve van het Rijk
770

Overheidsmaatregelen op economisch gebied ……
770

S t a t is t i e k e n.

Bankdisconto’s – Geld- enWisselkoersen – Bank-
staten ………………………………771-772

GELD. EN KAPITAALMARKT.

Op de
geld

arkt
bleven de omzetten tot een minimum

beperkt. De
jaarswisseling is in aantocht, en waar
boven-

dien de bij de jongste maandswisseling geregistreerde

uitbreiding van de biljettencirculatie nog niet is inge-

loopen,
althans niet
noemnswâard,
blijven de geidgevers

grootendeels terughoudend en omzetten van beteekenis

blijven derhalve achtei’wege. De belangstelling, die er voor –

discontomateriaal was, richtte zich voornamelijk op. het

zeer koitloopende materiaal dat nog in den loop van deze

maand vervalt, terwijl
ook
wat papier, dat
in
de eerste
dagen van
Januari vervalt, werd vrhandeld.

Op
de beleggingsmarkt was deze
week,
vooral in de tweede

helft, duidelijk een ommekeer waar te nemen.
De koersen,

vooral van
het
materiaal met
middelmatigen
looptijd

(8
tot 13 jaar
gemiddeld), vertoonden aanhet einde van

de week in vergelijking tot het
begin een
zeer duidelijk

avans. De 3
pCt. Nederland
1936 bv.
staat nu op een

rendementsbasis van niet meer dan 3 pCt. Ook het

langloopende papier was, vooral tegen het einde dei week,

uitgesproken gevraagd, hoewel daarin de omzetten niet

zoo groot waren als hij het korter loopende
obligatiemate-

riaal. De weitelachtige stemming van de voorgaande
weken

is duidelijk vooibij
en heeft plaats
gemaakt
voor een
vastere

stemming met overwegende vraag.

Nu de belangrijke verhooging van de winstbelasting

– die overigens reeds eenigen tijd geleden, zij het zonder

vermelding van het percentage, was aangekondigd – de

aantrekkelijkheid van aandeelen in vergelijking
tot obli-

gaties
heeft verminderd,
is
het alleszins denkbaar,
dat

de gesignaleerde tendens zich inversterkte
mate zal voort-

zetten.
Weliswaar
is nog
niet bekend,
of ook
met betrek-

king
tot vaste rentegevende
beleggingen nieUve
fiscale

maatregelen te verwachten zijn,
maar
op het moment

heeft toch ongetwijfeld de winstbelasting een stimuleerend

effect op de obligatiemarkt.

11

758

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 December 1940

HET STREVEN NAAR ORDENING IN DEN

LANDBOUW.

liet organisatiewezen op het gebied van den landbouw
is vooral na 15 Mei 1940 in beroering. De oude vormen

voldoen niet meer aan de eischen, welke het heden stelt,
vodral niet meer daar, waar de noodzaak bestaat om eener-
zijds de belangen van de landbouwbevolking te verte-
genwoordigen bij de Overheid, anderzijds de wenschen
van de Overheid met het oog op het algemeen belang
te verwezenlijken in het landbouwbedrijf. Maar het is
niet alleen de vorm van het organisatiewezen, welke on-
toereikend is, ook de inhoud, het doel der organisatie,
dient, niet liet oog op de op te lossen problemen anders
gericht te worden. Slechts een •zeer principieele wijzi-
ging in den opbouw der maatschappelijke organisaties,
welke tevens beteekent een harmonische inschakeling in
en samenvoeging met het Staatsapparaat op het terrein
van den landbouw, zal een oplossing kunnen brengen,
welke voor den landbouw en voor de maatschappij vrucht-
dragend kan zijn.

In de afgeloopen eeuw, die volgde op de 1″ransche re-
volutie, werd de ontwikkeling van de samenleving. be-heerscht door de gedachte, dat het algemeen belang het
best gediend zou zijn door een volledig vrije ontplooiing van de individueele mogelijkheden, welke gedachte zich
in liet economisch leven vorm gaf door het streven naar
vrijheid van prijsvorming, van handel, van voortbrenging,
van vestiging, van dienstverrichting, enz. Ook op het
gebied van den landbouw werkte deze ideologie door.
Flierbij paste – zoo absoluut mogelijk genomen – eigen-
lijk geen Staatsbemoeiing met den landbouw, anders
dan wat betreft bevordering van verkeer en eenige hulp
i)ij waterwegen, waterloozing, waterkeering, enz. Ook
pasten daarbij geen maatschappelijke organisaties, welke
op eenigerlei wijze tot monopolievorming aanleiding
zouden kunnen geven, daar deze – in den vorm van de
gilden – immers door de Fransche revolutie volkomen
waren geIicuideerd.

Eenerzijds heeft de Vrije ontplooiing van de individueele
krachten zeer er toe bijgedragen, dat de voortbrenging
per hoofd der bevolking, ook in den ]andbouw, sterk is
toegenomen, anderzijds echter is voortdurend gebleken,

dat aaneensluiting tusschen bedrijfsgenooten op bepaalde
gebieden of voorlichting van de zijde van de Overheid
onontbeerlijk waren om tot die hooge voortbrenging te
komen. Zoo vormden zich in de vrije maatschappij in de
vorige eeuw reeds spoedig vereenigingen van personen,
die de bedoeling hadden bepaalde landbouwbelangen door
samenwerking te bevorderen en bij de Overheid te ver-
tegenwoordigen. Gelijktijdig hiermede ontwikkelde zich
de Staatszorg voor den landbouw, die vooral in de tweede
helft der 19e en in de 20ste eeuw tot uiting kwam op het
gebied ;an de voorlichting, het onderwijs, de stichting en
exploitatie van proefstations e.d. De afschafling door
de Overheid van de stapelrechten en accijnzen, waardoor
de positie van den landbouw ook verbeterd werd, kon
– in tegenstelling tot de positieve zorg – beschouwd
worden als liggende in de ontwikkeling van de noodzaak
van Vrije ontplooiing der individueele krachtn.

Oprichting Qan het Nederlancische Landbouwco,nité.

Vanaf het begin van de oprichting der verschillende
landbouwvereenigingen, welke reeds spoedig provinciaal
georganiseerd waren, maar eerst later (1884) tot een lande-
lijk verband samenkwanien, bestond een zeker dualisme
inzake de verhouding tot de Overheid. Nu iveer helde
men meer over tot een duurzamen officieelen band van
den landbouw met de Regeering, dan weer achtte men een
vrijwillige autonome Organisatie van den landbouw meer
gewenscht, welke telkens, wanneer dit noodig was, advi-
seerend bij de Regeering zou kunnen optreden, doch
anderzijds zichzelf zonder regeeringsinmenging zou moe-
ten kunnen constitueeren.

J3ehalve. liet probleem van de verhouding der land-
bouworganisaties tot de Regeering, hetwelk tot heden niet is opgelost en in den loop der tijden verschillende
aspecten heeft gehad, bestond en bestaat nog het pro-
bleem der samenwerking tusschen de afzonderlijke orga-

nisaties, hetwelk eveneens verschillende phasen heeft
doorloopen en evenmin tot oplossing is gebracht.

Wat betreft de verhouding tot de Regeering, werd van
de zijde van den landbouw al spoedig het bezwaar gevoeld
van het afzonderlijk optreden en requestreeren der ver-
schillende provinciale organisaties. Het was de groote
nood als gevolg van de in liet spoelingdistrict lieerschende longziekte, welke de provinciale organisaties deed samen-
gaan in het in 1884 gestichte Nederlandsche Landbouw-
Comité (N.L.C’.). Bij deze oprichting was het N.L.C.
autonoom.

In 1893 kreeg het Comité een meer officieel karakter,
toen de Regeering deze vereeniging ging beschouwen
als een lichaam, dat 1-Jaar in landbouw-zaken zou kunnen
voorlichten. Behalve de gewone leden, nl. verschillende
provinciale maatschappijen van landbouw, vereenigingen
op liet gebied van tuinbouw, bloembollencultuur, stam-

boeken e.d. hadden eenige vertegenwoordigers van de
Ministeries van Waterstaat, Oorlog, Financiën en Binnen-
landsche Zaken als adviseerende leden zitting. Als tegen-
hanger aan de zijde van den Staat resulteerde uit deze
ontwikkeling in 1898 de oprichting van een afdeeling
Landbouw aan het Departement van Binnenlandsche
Zaken met aan liet hoofd daarvan een Directeur-Generaal
van den Landbouw.

Verdere ontwikkeling en splitsing.

Inmiddels werden in liet begin van de 20ste eeuw nieuwe
pogingen aangewend om te komen tot èen nog meer offi-
cieele vertegenwoordiging van den landbouw door het
instellen van ,,Iandbouwraden”. Dit had geen voortgang

en in 1907 werd de autonomie van het N.L.C. zelfs weer
geheel hersteld door schrapping – met goedkeuring van
den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid
van de bepaling, dat de Regeering een aantal adviseerende
leden zou aanwijzen. Sedert dien tijd is de autonomie

van de maatschappelijke organisaties niet meer aange-
tast.

Wat de samenwerking der afzonderlijke organisaties betreft, zijn doorloopend groote verschuivingen opge-treden. Verschillende vereenigingen op het gebied van
den tuinbouw en de bloembollencultuur traden tusschen
1903 en 1017 uit het N.L.C. of werden nieuw opgericht,
anderzijds traden weer vereeiiigingen met meer technische
doeleinden (op liet gebied van de landbouwindustrie, het
verzekeringswezen, den coöperatieven aan- en verkoop) toe.
In 1918 kwam een fusie tt stand met de in 1908 opgerichte
Koninklijke Nederlandsche Landbouwvereeniging, welke
tot doel had het vestigen op deugdelijken grondslag
van het laridbouwtentoonstellingswezen. Sedert dien tijd heet het N.L.C. het Koninklijk Nederlandsch Landbouw-
Comité (K.N.L.C.) en in 1919 was dit de toporganisatie
van den Nederlandschen Landbouiv, waarin als leden
ook de verschillende Roomsch Katholieke boerenbonden
en de Christelijke Boeren- en Tuindersbond waren aan-
gesloten. Deze – in tegenstelling tot de het oorspronke-
lijke N.L.C. samenstellende , ,algemeene” vereenigingen –
bijzonder” te heeten organisaties, en wel bijzonder wat
de kerkelijke of godsdienstige overtuiging van de leden
en niet wat hunne landbouwbelangen betreft – waren
eerst later opgericht, niet zoozeer, omdat de behoefte
aan deze organisaties door de betreffende boeren econo-
misch w’erd gevoeld, als ivel, omdat de politieke ontwikke-
ling in ons land dit verlangde. Zoo is de R.K. Nederland-
sche Boerenbond in 1896 gesticht en in 1897 tot liet
N.L.C. toegetreden, in 1899 weer uitgetreden om zijn
leden-organisaties, provinciale boerenbonden genaamd,
als leden bij het N.L.C. te doen aansluiten. De Christe-

18 December 1940

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

759

lijke l3oei’en- en Tuindersboncl werd eerst in 1918 opge-
richt en sloot zich toen eveneens bij het N.L.C. aan.
De in 1919 bestaande veel-eenheid op het gebied van het organisatiewezen van den landbouw was echter van
korten duur. De politieke ontwikkeling van Nederland
tendeerde in cle richting van de drie zuilen, ,,algemeen”,
,Roomsch Katholiek” en , ,Protestaatsch Christelijk”.
Het gevolg Nvas, dat in 1920 de Roonisch Katholieke or-
ganisaties en per 1 Januari 1921 ook de Christelijke Boeren-
en Tuindersbond uit het K.N.L.C. traden op politieke
en godsdienstige motieven. Tal van technische organi-
saties, waarvan Roomsch Katholieke en Protestantsch
Christelijke leden deel uitmaakten, bedankten eveneens,
wat het K.N.L.. verzwakte en aanleiding gaf tot nood-
zaak van contrihutieverhooging; op haar beurt weer
leidend tot het bedanken van andere technisch(
,
. ver-
eenigingen.

De splitsing in deze drie zuilen werd door de Regeering
aanvaard, door sedert dien naast het K.N.L.C. als ver-
tegenwoördiging van den Landbouw de beide ,,bijzondere”
centrale landbouworganisaties te erkennen. Zoo werd
bv. na het overlijden van den vroegeren Dii’ecteur-Gene-
raal van den Landbouw door dec betreffenden Minister
opgemerkt, dat hij geen aanleiding had een nieuwen
Directeur-Generaal aan te stellen, omdat hij zich
01)
het
gebied van den landbouw voldoende kon doen voorlich-
ten door de drie Centrale Landbouworganisaties, te weten,
het K.N.L.C. en de Roomsch Katholieke en Protestanisch Christelijke çentrale organisaties.
lIet ligt voor de hand, dat de verdeeldheid op het ge-
bied der maatschappelijke organisaties de behartiging
van het algemeene Nederlandsche Landbouwbelang be-
lemmerde, daar iedere organisatie tot op zekere hoogte
een doel-in-zichzelf moest worden en daardoor geneigd
was meer te zoeken naar middelen om eigen bestaans-
recht te bewijzen en minder naar het algemeene belang
te zien. Aan de andere zijde, nl. aan die van den Staat,
moest dit algemeene belang tevens in de verdrukking
komen, omdat principieel met de verdeeling in de drie
zuilen werd gerekend.
Tot welke groote moeilijkheden deze verdeeldheid en
dus gebrek aan eenheid in de praktijk echter ook aan-
leiding gaf, er waren ook andere verschijnselen, waaruit
bleek, dat bijzondere, nl. groepsbelangen meer en meer
naar voren kwamen en het algemeen belang in de ver-
drukking deden komen.
Oorspronkelijk waren de landbouwvereenigingen veelal
geleid en opgericht dooi’ menschen, die niet tot de eigen-lijke hoeren behooi’den. Men sprak ei’ van, dat de leiding
in handen was van de ,,heeren” en bij’ de politieke orga-
nisaties van de ,,geestelijken”. Bij het toenemen van de
ontwikkeling van de boeren, maar ook bij den groei van
de het groepsbelang bevorderende vereenigingen (coöpe-
raties
1),
enz.) kwam hoe langer hoe meer de gedachte
naar voren, dat ,,de boer zelf de leiding hebben moest”.
Dit had eenerzijds het voordeel, dat de boerenstand meer en meer bewust werd, anderzijds het nadeel, dat de land-
bouwbelangen steeds meer in tegenstelling tegenover
andere belangen werden gezien, een ontwikkeling, die
uiteraard bevorderd werd door de .tendenties in de geheele
maatschappij, die door klassen- en belangentegenstellingen
meer en meer uit elkaar werd gedreven. De meer ,,objec-
tief” ingestelde ,,heeren” werden hoe langer hoe meer
vervangen dooi’ de tot ,,groepspartijdigheid” gedwongen
boeren. Zoo ontstonden coöperatieve zuivel-, aardappel-
meel-, stroocai’ton- en andere fabrieken tegenover de

1)
De coöperaties werden weliswaar opgericht met de gedachte ,,één voor allen, allen voor één”, maar konden
uit den aard der zaak deze ideologie slechts binnen groeps-
verband vei’werkelijken en moesten daarom, in de be-
stande maatschappelijke structuur, tot op zekere hoogte
liet groepsbelang tegenover andere belangen verdedigen.

particuliere instellingen op dit gebied. De coöperatieve
aan- en vei’koopvereenigingen, oorspronkelijk opgericht
om misstanden op het gebied van den handel te bedwingen,
werden meer en meer uitgebouwd om den handel en den middenstand uit te schakelen. Daartegenover ontwikkel-
den zich tallooze vereenigingen op het gebied van den
handel in en de bewerking van landbouwproducten en
-benoodigdheden. Maar ook in het landbouwbedrijf zelf
groeide de tegenstelling; de groep van de veehouders b.v.
kwam tegenover die van de akkerbouwers te staan. Voorts
was de boer als wèrkgever vereenigd, de arbeider als
rerknemer. Vaak kwamen zij tegenover elkaar te staan,
omdat de arbeider niet in de landhouworganisaties ver-
tegenwoordigd. was.

De crisis d’an
1929.

111
deze – op verschillende wijze – verdeelde situatie
trof de crisis van 1929 en latere jaren den Nederlandschen
landbouw. Er werden verschillende maatregelen geno-
men met de bedoeling den landbouw voor ondergang te
behoeden in de veronderstelling, dat de maatregelen tijdelijk
zouden zijn, hetgeen verband hield met de opvatting, dat de
crisis slechts een tijdelijke inzinking zou zijn in een ovei’i-
gens in de toekomst gelijkblijvende maatschappelijke
structuur. Uiteraard berustte dit inzicht op een mis-
vatting, omdat – hetgeen in den loop der jaren bleek,
doch bi.j een diepgaand onderzoek der economische ver-
houdingen reeds eerder duidelijk had kunnen zijn – een
principieel ingrijpen in deze verhoudingen noodzakelijk
werd. De genomen maatregelen echter gaven aanleiding tot een verandering in de verhouding van Staat en maat-
schappij, van Overheid en maatschappelijke organisaties.
De landbouwmaatschappijen en -vereenigingen werden,
hoewel autonoom zijnde, bij de doorvoering der crisis-
maatregelen ,door’ de Overheid ingeschakeld. Hierbij
werden verschillende functionarissen en ambtenaren der
maatschappelijke vreenigingen belast met de uitvoering
van de door de Regeering genomen besluiten. En waar de autonome maatschappijen noch ieder voor zich, noch ge-
zamenlijk, alle bij de landbouwvoortbrenging betrokken personen in zich vereenigden, kregen de functionarissen
en ambtenaren van de landbouworganisaties competenties,
welke ver uitgingen boven het gebied van hun eigen
autonomie. Daarom moesten de diverse landbouw-crisis-
organisaties gesticht worden, waarvan het lidmaatschap
dwingend
voorgeschreven werd, welke figuur bij de land-
bouworganisaties uiteraard niet voorkwam.
Een der moeilijkheden, welke hierdoor ontstonden,
was, dat de functionarissen en ambtenaren
i
die door de
boeren gekozen werden, besluiten moesten uitvperen,
waarvoor zij wel tegenover de Regeering, maar feitelijk niet tegenover hun eigen,,kiezers” verantwoordelijkheid verschuldigd waren. Dit moest zich wreken, vooral toen
er veel kritiek kwam t.o.v. de genomen maatregelen,
die in vele gevallen niet doeltreffend genoeg waren en tot
ontevredenheid in allerlei vorm aanleiding gaven. Als
gevolg van de bestaande versmelting tusschen Staat en
maatschappijen richtten de klachten zich tegen beide.
Vele boeren achtten hunne belangen niet meer voldoende
verdedigd door de maatschappijen, die door de verhou-
dingen van hunne functionarissen en ambtenaren tot de
Regeering nog wel autonoom, maar niet meer werkelijk vrij waren, en zochten naar nieuwe vormen van Organi-
satie. Hier’bij was ook van invloed, dat de ontevredenheid
niet alleen de mate, maar in vele gevallen ook het prin-
cipe van den ,,steun” betrof.

Optreden oan nieuwe organisaties.

In deze sfeer ontstonden op het einde van 1931 en in
de volgende jaren de Nationaal Socialistische Beweging
en eenige hoerenhonden, zooals ,,Landhouw en Maat-
schappij”, de ,,Nederlandsche Tuindersbond” en de ,,Acties
van kleine boeren”. Terwijl eerstgenoemde beweging

760

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 December 1910

hervorming van de rhaatschappelijke verhoudingen èn
van de staatkundie structuur als één probleem stelde,
trachtten de andere hun leden meer bewust te maken van
hun functie in de samenleving en stelden zij zich tot deel
hun inzichten kenbaar te maken bij de Regeering en poli-
tieke partijen. De ,,Nederlandsche Tuindersbond” nam
later ook deel aan enkele functies bij de uitvoering der
crisismaatregelen, bleef echter in hoofdzaak principieel;
de ,,Acties der kleine boeren” ontwikkelden zich spoedig
in meer politieke richting; ,,Landbouw en Maatschappij”
bleef tot 10 Mei jI. op het standpunt staan, dat de nood-
zakelijke hervormingen in de maatschappij ook onder het
bestaande politieke systeem doorgevoerd zouden kunnen
worden. Na 15 Mei 1940 stelde de N.S.B. het ,,Boeren-
front” in, dat tot doel had den geheelen boerenstand in
corporatieven zin te omvatten. Inmiddels bleef Land-
bouw en Maatschappij” tot de fusie met het ,,Boerenfront”
op het standpunt staan, dat zijn denkbeelden onder
ïederen staatsvorm gepropageerd moesten worden, erkende
sedert dien evenwel het nationaal-socialisme als de eenig
mogelijke richting en stelde zich daar derhalve op in.
Inmiddels ontwikkelden zich meer en meer opvattingen
tegengesteld aan die, welke de 19e eeuw beheerschten.
Men zag hoe langer hoe meer in, dat het individueele streven
naar rentabiliteit niet in alle opzichten dienstbaar was
aan het algemeene belang, integendeel, het werd duide-
lijk, dat dit individueele streven daarnaast hoe langer hoe meer met het algemeen belang in botsing kwam.
Hierdoor ontstond de wensch den mensch weer meer te
gaan zien als dienstbaar aan de gemeenschap, aan het
volk, waarvan hij deel uitmaakt. De nieuwe stroomingen,
waarvan de N.S.B. op alle levensgebieden en Landbouw
en Maatschappij op landbouwgehied verschij ningsvormen
‘aren, zochten daarom niet alleen naar een veranderde
technisch-economische politiek, maar ook .naar een ver-
anderde levenshouding. De bestaande landbouwmaat-
schappijen en -vereenigingen daarentegen bemoeiden zich
meer in het bijzonder met het eerste gebied.

L:üga,zgssituatie bij het strepen naar ordening in den land-
bowv.

Zoo dient bij de heoordeeling van het streven naar
ordening derhalve rekening te worden gehouden met het
tot dusverre gegroeide en het voor de toekomst wen-
schelijke.

Wat het tot dusver gegroeide betreft, kunnen dus
worden onderscheiden:

le. Het departement van den landbouw, dat de land-
bouwbelangen van de zijde .ran den Staat behartigt. Dit
departement overkoepelt alle landbouwbelangen in al-
gemeen opicht.

2e. De landbouwcrisisorganisaties, welke stichtingen
gedirigeerd w’orden door de Regeering of haar ambtenaren
met inschakeling van de functionarissen en ambtenaren
van de onder 3e te noemen landhouworganisaties.
Van deze stichtingen zijn allèn, die hun bedrijf op een
door de stichtingen bestreken gebied wenschen uit te
oefenen, gedwongen lid te zijn.

3e. De verschillende landbouworganisaties, -vereeni-
gingen en -coöperaties, welke autonoom zijn, waarvan het
lidmaatschap vrijwillig is en die, zooals hierboven beschre-
ven is,
01)
allerlei wijzen verdeeld — en tot op zekere hoogte
ook tegen elkaar verdeeld – en tegen andere maatscliappe-
lijke groepen gericht zijn. Zij vertegenwoordigen min of
meer den landbouw bij de Regeering; hun ambtenaren
en functionarissen zijn hij de uitvoering van de landbouw-
crisismaatregelen ingeschakeld.

4e. De verschillende organisaties op het gebied van
den handel in en de bewerking van landbouwproducten,
welke niet als coöperaties reeds onder 3e ressorteeren.

5e.

Landbouw en Maatschappij”, een vrijwillige,

autonome organisatie van agrariërs, welke opvoedend en
voorlichtend werkt en geen deel heeft aan de onder 2e
genoemde landbouwcrisisorganisaties.

Ge. 1-let ,,Boerenfront” van de N.S.B., dat streeft
naar een totale hervorming van Staat en maatschappij
beide. Dit werkt tot nu toe uiteraard ook slechts opvoe-
dend en voorlichtend. –

Wat het voor de toekomst gewenschte betreft, is er
nog een belangrijk verschil en over het algemeen nog
geen scherp omlijnd plan. Het minst ver gingen daarbij
de onder 3e genoemde landbouworganisaties. Wel werd
in deze kringen het gemis aan een grootere eenheid op verschillende tereinen gevoeld; tevens kwam de nood-
zaak om zich ook buiten het zuiver technisch-econo-
mische gebied te bewegen er tot uiting. Zoo wordt de taak van het K.N.L.C. b.v. in het bijzonder in de vier volgende
punten omschreven:

le. de belangen te behartigen van den Nederlandschen
Landbouw en van den Nederlandschen boerenstand, in den ruirnsten zin opgevat;

2e. de krachten, die de Nederlandsche boerenstand
omvat, harmonisch te richten op het algemeen welzijn;

3e. de Overheid bij de oplossing van alle vraagstukken
behulpzaam te zijn en wel in het bijzonder door rapporten
uit te brengen en deskundige voorlichtiiig te geven;

4e. de economische, technische en sociale vraagstukken
in studie te nemen en voorlichtende leiding aan de boeren
te geven.

De Roomsch Katholieke en Christelijke centrale organi-
saties hebben een gelijke taak, beoogen echter, zooals
gezegd, in die taak tevens bepaalde kerkelijke wenschen.
De drie centrale landbouworganisaties hebben met den Federatieven Nederlandschen Zuivelbond tezamen een
secretariaat, waarbij tevens wordt samengewerkt met de
georganiseerde landarbeiders. (Het centrale punt heet
,,Het Nederlandsche Landbouw-Secretariaat”).
hoe langer hoe meer treedt aan het licht, dat bij de
behartiging van tot op zekere hoogte tegengestelde be-langen door samenwerkende autonome organisaties het
gebied van de Staatstaak reeds is betreden en

dat een
vruchtbare werkwijze feitelijk slechts mogelijk is door
een synthese met de Staatsorganen, ook al omdat een
besluit door de Overheid geautoriseerd zal moeten worden
om tot werkzaamheid te komen.
Op de gebieden van den handel in en de bewerking van
landbouwproducten bestaan zeer vele organisaties, welke
over het algemeen en uit den aard der zaak nog moeilijker
tot samenwerking zijn te brengen. In de eerste plaats
heeft men hier de tegenstelling coöperatief en particulier,
waarbij de eerstgenoemden grootendeels onder de diverse
Centrale Landhouworganisaties ressorteeren, de laatst-
genoemden daar buiten staan; in de tweede plaats treft
men hier ook, al is het in iets mindere mate, de splitsing
in de drie zuilen aan; en ten slotte – en dit geldt niet het
minst – leent dit gebied zich nog minder dan dat van den
eigenlijken landbouw tot vrijwillige samenwerking zonder
autorisatie door de Overheid. Een poging tot concentratie
van den handel in en de bewerking van landbouwproducten,
in de laatste jaren door den ,,Nederlandschen Industrie-
en hiandeisraad voor land- en tuinbouw” ondernomen,
kan als mislukt worden beschouwd.

Recent st,eoen naar sainenn’erking.

Door de onder 3e genoemde autonome landbouworganisa-
ties is na 15 Mei ji. gepoogd tot een soort fusie te geraken,
welke veel intensiever zou zijn dan de samenwerking in
het Nederlandsche Landbouw Secretariaat. Deze poging is
mislukt en alle pogingen in deze richting zullen door de
onderlinge tegenstellingen o.i. ook in de toekomst moeten

18 December 1940

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

761

mislukken
2).
Toch wordt, vooral in de kringen van hel.
Koninklijk Nederlanclsch Landbouw-Comité de noodzaâk
van een eenheidsorganisatie, den geheelen boerenstand
omvattend, ingezien. De beschouwingen, die de voorzitter
van liet K.N.L.C., de heer II. D. Louwes, huldigt, komen
in hoofdzaak hierop neer, dat eenerzijcls een organisatie
door
de boeren, anderzijds een organisatie
oier
de boeren
van de zijde van den Staat tot stand zouden moeten
komen. Indien wij dit goed begrijpen, zou dit hierop
neerkomen, dat eenerzijds alle autonome vereenigingen
tot één onverdeelde autonome vereeniging zouden ver-
smelten, waarbij tevens alle niet georganiseerden zich
zouden moeten aansluiten, terwijl anderzijds de Staat
door middel van een uitbouw en aanpassing van het land-bouwcrisisapparaat en van de I)irectievan den Landbouw
de Organisatie over de boeren zou moeten verzorgen.
Naar onze meening zal echter ook voor de Organisatie
door
de boeren een zekere autorisatie van de Overheid
niet gemist kunnen worden, wil men de bestaande ver-
deeldheid opgeheven zien. Daarmee zou echter de auto-
nomie uiteraard aangetast moeten worden.
liet verst gaat uiteraard het ,,Agrarisch Front”, ont-
staan door het samengaan van ,,Landbouw en Maat-
schappij” en ,,Boerenfront”, dat een Organisatie van de
geheele bodemproductie, benevens de bewerking van en
den handel in bodemproducten tot doel heeft, en derhalve
eenerzijds alle bij die productie, bewerking en distri-
butie betrokken nienschen in zijn Organisatie wil op-
nemen, anderzijds het geheele Staatsapparaat op het
gebied van den landbouw in zijn organisatie wil inschake-
len om op liet moment van de verwerkelijking van zijn
doel gezamenlijk te verdwijnen, dus op te gaan in de
gewenschte nieuwe organisatie, welke ,,landbouwcorpo-
ratie”, , ,rij ksvoedingschap “,,,rij ksvoedingscentrale” of
desnoods anders mag. heeten
).

S!Jnthesc oan maatschappelijke en staatkundige organen

In een dergelijke synthese van maatschappelijke en
staatkundige organen zou dus de Organisatie ,,door de
boeren” met die over de boeren” tot één geheel samen-
gesmolten worden, w’aarbij er voor gezorgd zou moeten

De heer G. J. Ruiter, voorzitter van de Friesche
Maatschappij van Landbouw, doch tevens mede-oprich-
ter van liet door Landbouw en Maatschappij” eener-
zijds en het ,,Boerenfrormt” anderzijds gestichte ,,Agra-
risch Front” zeide in een rede in zijn eerstgenoemde functie
te Leeuwarden, op 27 Nov. jI. hij de opening van de al-
gemeene vergadering van de Friesche Maatschappij van
Landbouw gehouden, o.a. het volgende:
le. cle pogingen tot concentratie van de (,entrale
Landbouworganisaties te geraken zj n definitief mislukt.
2e. de pogingen om provinciaal tot concentratie te
komen zijn evenmin gelukt. In zijn brochure over ,,IIet Nederlandsch Agrarisch
Front” spreekt de heer E. J. Roskam, leider van liet
Boerenfront, over , ,Rijksvoedingsstand”. Deze brochure
begint als volgt: , ,Het ,,Nederlandsche Agrarische Front”
is een organisatie, die in liet leven is geroepen, om zoo
spoedig mogeli,ik te verdwijnen. Een zeer bijzondere taak
heeft deze organisatie dan ook, en dat in een wel zeer
bijzonder tijdvak van ons volksbestaan.
,.Een bepaald doel staat ons voor oogen.
lii één zin samengevat is het onze taak: ,,De voorbe-
reiding van den Rijksvoedingsstand op volkschen grond-
slag, waardoor cle bewerkers van onzen bodem, de ver-
zorgers van ons vee en de verwerkers der landbouw-
producten, de hun toekomencle plaats verkrijgen, in de
organische volksgemeenschap, welke gedragen zal worden
door den vrijen boer, den zelfstandigen burger en den
zelfhewusten arbeider en waarin liet kapitaal en het
intellect, gee9 heerschende, maar een dienende functie
zullen krijgen”.”

worden, dat al hetgeen ,,van onderen op” komt, de moge-
lijkheid heeft in de hoogere sferen door te dringen en al

hetgeen ,,van boven
af”
opgelegd moet worden op zoo-
danige wijze via de lagere organen tot werkzaamheid komt,
dat hiervoor bij de bedrijfsgenooten een behoorlijk begrip ontwikkeld wordt. De synthese van Staat en maatschappij
op dit gebied verlangt dus een andere instelling van den
mensch. In plaats van liet accent te leggen op de tegen-
stellingen, zooals de 19e eeuw dit deed, moet de nadruk
op de samenwerking, de gelijkgerichtheid, de dienstbaar-
heid aan een en hetzelfde hoogere doel, i.c. liet geheele
volk, worden gelegd. In deze sfeer behoort dus ook de
tegenstelling door de boeren” en ,,over de boeren” te
worden opgeheven.
Wanneer de boer, de bewerker en de handelaar echter
gezien kunnen worden als dienstbaar aan de samenleving
en niet alleen en eenzijdig als ondernemers, die een zoo
groot mogelijke rentabiliteit voor hun bedrijf hebben
na te streven, zal ,,de plicht” van de genoemde catego-
rieën t.o.v. de verzorging van de voedings- en andere voor
het volk noodzakelijke behoeften op den voorgrond
komen te staan. Er zal zooveel mogelijk en in zoo goed
mogelijke kwaliteit moeten worden voortgebracht, be-
werkt en verdeeld, waartegenover een recht op een,,reeht-
vaardigen” prijs van de producten en een redelijke be-
looning van de bewerking en de verdeeling hiervan zal
moeten ontstaan
4).
De consequenties van deze principieel
andere doelstelling zijn groot. Ook hier komt de tegen-
stelling tot de 19e eeuw tot uiting. In plaats van prijs-
vorming, handel, voortbrenging, vestiging, dienstver-
richting, enz. aan liet Vrije spel der maatschappelijke
krachten over te laten, moet – in liet belang van producent
en consument h2iden – regelend opgetreden worden. De
marktordening, welke noodzakelijk wordt, eischt daarom
reeds een synthinie van maatschappelijke en staatkunclige
organen, waarbij producent, bewerker en handelaar
betrokken moeten zijn en deze ordening impliceert een
regeling van den handel in en de bewerking van landbouw-
producten, een bemoeiing dus niet alleen met den binnen-,
maar ook met den buitenlandschen handel.
Het ,,rijksvoedingschap” of hoe deze instelling ook
heeten moge, zal zich voorts met tal van problemen
hebben bezig te houden, welke gedeeltelijk reeds, gedeel-
telijk nog niet door de Directie van den Landbouw zijn
ter hand genmen. Zoo zal een toezicht op en een regeling
van liet bodemgebruik (dus een ,,bodemordening”) niet
kunnen worden gemist. De vraagstukken van den kleinen boer en van den landarbeider zullen tot oplossing moeten
worden gebracht. Zooals bet tot nu toe ging, verdween
de bestaansmogehijkheid van den kleinen boer hoe langer
hoe meer en geraakte mede daardoor bv. de midden-
stand ,,overhezet”; en ivat den landarbeider betreft, zijn
inschakeling in liet boerenbedrijf werd hoe langer hoe
meer een incidenteele en deze dient veer een organische
te worden, waarbij de kwestie van de ,,rechtvaardige”
-belooning ook moet worden opgelost.
Zooals men weet, is in Duitschland de synthese van staatkundige en maatschappelijke organisaties met het
oog op, de principieel anders gerichte levensbeschouwing
op liet gebied van den landbouw reeds verwezenlijkt in
den ,,Reiclisnhhrstand”. In Duitschland waren de ver-
houdingen evenwel minder ver ontwikkeld dan in Neder-
land en derhalve minder ingewikkeld. Behalve dat de
verdeeldheid op liet gebied der landbouworgaiiisaties
er minder groot was dan in ons land, had men b.v. prac-tisch geen export van landbouwproducten, i’eike bij ons
zeer gecompliceerd was. Indien na den oorlog de export-mogelijkheden, zooals w’ij die ook vôôr September 1939
hebben gekend, weer terugkeeren, zou het zin kunnen
hebben bij onze verhoudingen het rijksvoedingschap”

• 4)
Zie Dr. F. E. Posthuma, ,,Een Agram-isch Front als
Landhouworgani,.

m tie”, blz. G. (Uitgave Nenasu, Leiden).

762

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 December 1940

wel onder -één centrale leiding te stellen – omdat de be-
langen van de verschillende groepen niet met elkaar in
strijd mogen komen en er derhalve van de zijde van den
Staat één boven alle belangen staande centrale verant-
woordelijke figuur dient te zijn – maar hieronder drie in-
stanties te organiseeren, nl. één voor den boer en de voort-
brenging, één voor de bewerkers en de bewerking der land-
bouwproducten, en één voor den handelaar en den handel.
Uiteraard mag deze onderverdeeling slechts gezien
worden met het oog op het practisch doorvoeren van de
verschillende maatregelen, omdat zgn. belangenvertegen-
woordiging bij cle toekomstige organisatie moet worden ver-
meden. Het is immers juist cle wijze, waarop het eigen belang of het groepsbelang in de afgeloopen eeuw ver-
dedigd is, welke heeft geleid tot de groote economische
moeilijkheden, die Europa, ook in internationaal opzicht,
thans moet doormaken, moeilijkheden, welke in de toe-
komst in het belang van de bestendiging van ons wereld-
deel overwonnen
moeten
worden.
Hoe men echter tot de synthese van Staatsingrijpen
en maatschappelijke organisatie zal komen, het is ondenk-
baar, dat daarbij verschillende autonome organisaties
naast en tegenover elkaar
01)
een en hetzelfde terrein
zullen kunnen blijven werken. Men zal derhalve bij de
synthese zeer zeker gebruik kunnen maken van het vele
opbouwende werk, dat tot nu toe door de organisaties
reeds is verricht en daarbij ook hun instellingen kunnen inschakelen, doch even zeker zullen de bestaande orga-
nisaties daarbij hun autonomie moeten verliezen en der-
halve in hun momenteelen vorm moeten verdwijnen
5).

liet ligt echter voor de hand, dat de lust tot verdwijnen
niet groot is, terwijl de bestaande organisaties ook niet
mogen
verdwijnen, zoolang de nieuwe vorm niet klaar is.
hierdoor ondervindt het streven naar ordening groote
moeilijkheden, welke slechts overwonnen kunnen worden,
wanneer eenerzijds de wensch naar de nieuwe orde onder
boeren, bewerkers en handelaren grooter wordt, anderzijds
de Overhieidsmacht, die, naar wij hopen, op dit gegroeide in-
zicht zal kunnen steunen, op dit terrein wordt uitgeoefend.

Dr.
Ir. M.
D. DIJT.

5)
In zijn reeds genoemde rede voor de Friesche vEaat-
schappij van Landbouw, zeide de heer Ruiter, sprekende
over cle nieuwe orgatrisatie voorts o.a.: ,,Naar mijne mee-
ning dan zal deze nieuwe agrarische organisatie, dé Orga-
nisatie van de toekomst zijn, zoowel door haar juisten
aan den eisch des tijds beantwoordenden opbouw, als bij
gehrelc aan w’elke mededingster ook. Dientengevolge
zullen de werkzaamheden v
on onze Maatschappij, die
natuurlijk d6ér dienen te gaan, straks
in andere organi.sa-
torische banen
(cursiveering van ons) dienen te woraen
geleid. Daarbij behoeft niets dat waardevol is te worden
vernietigd, ook al zal de vorm veranderen. Tenslotte
gaat het den werkenden boer niet om den dooden vorm,
maar om den levenden inhoud: het algemeen welzijn
van den boerenstand als fundeerend onderdeel van een
gezond volk.”

NOODGELD 1940.

Zooals in alle economisch ontwikkelde landen vindt
in Nederland het betalingsverkeer plaats zoowel met
behulp van chartale geldmiddelen ,,handgeld” als met
behulp van girale geldmiddelen ,,boekgeld”. Hoewel in
deze eeuw het girale geldverkeer een steeds belangrijker plaats is gaan innemen, is de behoefte aan chartale geld-
middelen nog altijd zeer groot. In deze behoefte wordt in
normale tijden voornamelijk voorzien door middel van
bankbiljetten, waarnaast voor de kleine coupures teeken-
geld en pasmunt worden gebruikt
1).
Een groot aantal

‘) Meer uitvoerige beschouwingen omtrent den om-
vang en de samenstelling der Nederlandsche geldcirculatie
hopen wij binnenkort te geven in een afzonderlijk des-
hetreffend artikel.
dei’ loopende uitgaven van overheid en particulieren ge-
schiedt vrijwel uitsluitend met behulp van chartaal geld.
Men denke slechts aan de uitbetaling van bonen, steun-
gelden e.d. Ten behoeve van het verrichten dezer betalingen
worden door overheid en particulieren kasvoorraden aan-
gehouden, terwijl saldi bij banken en giro-instellingen, die onmiddellijk of op korten termijn .in chartale geld-
soorten kunnen worden omgezet, ter aanvulling van deze
kasvoorraden dienst doen.
In abnormale omstandigheden echter, zooals bij het
uitbreken van een oorlog, kan – zoowel in verband met
den wensch naar grootere liquiditeit als met een mogelijk
wantrouwen in bepaalde geldsoorten – een ahnormaal
groote behoefte aan chartale geldmiddelen in het alge-
meen of in bepaalde vormen

en/of coupures ontstaan.
Zoo leidde het uitbreken van den oorlog in Septenibr
1939 tot een vergroote behoefte aan contante middelen,
welke echter gepaard ging met eenig hamsteren van
zilveren munten. In deze vergroote behoefte aan chartale
betalingsiniddelen werd voorzien door middel van ver-grooting der hankbiljettencirculatie en weer in liet ver-keer brengen van oude en aanmunting van nieuwe zil-
veren munten.
Een dergelijke

vergroote geidbehoefte deed zich wederom
gevoelen in Mei jl. ‘Wij zullen in dit artikel achtereen-
volgens nagaan, door welke oorzaken een vergroote geld-
behoefte en in vele gevallen tevens een geldschaarschte
ontstond, op ivelke wijze aan deze vergroote behoefte aan
contante middelen werd tegemoet gekomen door de uit-
gifte van nieuw gecreëerd geld, en welke beteekenis aan
deze additioneele geldcreatie moet worden toegekend.

Geidbehoe / te en gcldschaarschte in ITIei 1940.

Toen ons land op 10 Mei jl. in den oorlog werd betrokken,
trad een door de regeering getroffen regeling in werking,
op grond waarvan hij terugtrekken der Nederlandsche
troepen de gemeentelijke kassen voorzoover mogelijk bij
de plaatselijke militaire commandanten werden ingeleverd.
Tegelijkertijd deed zich echter vrijwel in alle gemeenten een onmiddellijke behoefte aan contante betaalmiddelen
gevoelen, vooral in de kleine coupures. De uitbetaling
van steungelden, werkverschaffingsloonen, bonen van
gerneente-werlclieden, kostwinnersvergoedingen e.d. dien-
de immers voortgang te vinden. In sommige gemeenten
steeg de behoefte aan kasgeld zelfs ver hoven het normale
peil, voornamelijk tengevolge van de tijdelijke vergrooting
van het inwonertal met een groot aantal van elders ge-
evacueerden. Ter voorziening in deze behoefte aan kas-
middelen stonden in vele gevallen niet voldoende geld-middelen in den vorm van kasgelden bij de banken e.d.
ter beschikking.
Voorts werd ook door het bedrijfsleven en door parti-
culieren een somtijds bezwaarlijk geheel te bevredigen
behoefte aan contante middelen in kleine coupures ge-
voeld, aangezien in zeer vele gevallen, op grond van den
onzekeremi toestand, contante betaling werd geëischt,
terwijl de ondernemers soms niet onmiddellijk over vol-
doende liquide middelen ter uitbetaling van bonen en
salarissen en tot het verrichten van andere loopende
uitgaven konden beschikken, mede in verband met de
beperkingen in de mogelijkheid van opvraging van saldi
bij hankinstellingen door het bankenmoratorium en met
den vaak ontoereikenden omvang der kassen bij de
provinciale bankinstellingen, welke van elke verbinding
met de hoofdkantoren waren verstoken
2)
Men bedenke
bovendien, dat de gelden, benoodigd voor de boonbeta-
lingen op Zaterdag, gewoonlijk Vrij dags worden opge-
vraagd. Hiertegenover staat echter, dat liet tijdstip,

2)
1-Jet gevolg hiervan was, dat in vele gevallen de uit-
zonderingen op het bankenmoratorium,.bijv. ten behoeve
van loonbetaling, geen practische heteekenis hadden.

18 December 1940

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

763

waarop Nederland in oorlog geraakte, niet met een maand-
ultimo samenvie], terwijl bovendien in verband met
de aanstaande Pinksterdagen waarschijnlijk in vele ge-
vallen voor eenïgen extra kasvoorraad was gezorgd.
Wellicht heeft zich hier en daar eenige oppotting van
zilveren munten voorgedaan, maar wij meenen te mogen
aannemen, dat dit verschijnsel in en na de oorlogsdagen
geen omvang van beteekenis heeft aangenomen. Reeds
hij het uitbreken van den oorlog in September 1939 is
gebleken, dat het wantrouwen in papieren geidsoorten,
dat in 1914 tot een ware zilverjacht aanleiding had ge-
geven, grootendeels voor andere opvattingen heeft plaats
gemaakt. Aan cle vergroote behoefte aan zilveren munten
als gevolg van eenig hamsteren kon in September gemakke-
lijk worden tegemoet gekomen door het in circulatie bren-gen van de bijna 18 millioen stuks halve guldens, die sinds
1934 van Indië waren overgenomen en zich in de kelders
van ‘s Rijks Munt bevonden
3).
Noodgeld behoefde in
September 1939 – anders dan in Augustus 1914 – niet
te worden tiitgegeven.

Voorzoover omzetting van geldsoorten werd verlangd, betrof dit thans – binnen cle grenzen, gesteld door liet af-
gekondigde ban kenmoratorium – voornamelijk de inwisse-
ling van giraalgeld en cleposito’s (saldi bij giro-instellingen,
algemeene banken, spaarbanken, enz.) in chartale geld-
soorten – waarbij papiergeld en zilvergeld meestal ge-
lijkelijk w’erden gewaardeerd – welke omzetting uit liqui-
diteitsoogmerken te billijken was en geenszins op wan-
trouwen behoefde te berusten.

In de in het bovenstaande geschetste behoefte aan baar
geld in kleine coupures kon in cle oorlogsdagen, mede in
verband met de stagnatie in liet vervoer, niet onmiddellijk
op voldoende groote schaal worden voorzien dooi- ver-
grooting van dé aanmunting van teeken- en pasmunten
en evenmin door middel van het van Rijkswege in circulatie
brengen van zilverbons. Teneinde op zeer korten teimij ii den
geldnood te kunnen lenigen, werd door de Commissarissen
der Koningin – daartoe hij telegram van 11 Mei 1940 door
liet Departement van Binnenlandsche Zaken gemachtigd – aan de gemeentebesturen medegedeeld, dat zij gei-ech-
tigd waren tot de uitgifte van noodgeld
4).

Vgl. het Muntverslag over 1939, blz. 3.
Onder ,,noodgeld” verstaan wij alle gelclsoorten,
uitgegeven ter voorziening in een plotseling opgetreden
behoefte aan geldmiddelen, waarin niet met behulp van
de algemeen gangbare geldsoorten kan worden voorzien.
Onder deze definitie vallen dus behalve het provinciale
en gemeentelijke noodgeld ook het Rij ksnoodgeld: de zilverbons en het Duitsche noodgeld: de Reichskredit-
kassenscheine. Men dient echtei- te bedenken, dat de van
Rijkswege uitgegeven zilverbons in het algemeen .spoedig

het karakter van noodgeld verliezen en een belangrijk
financieringsinstrument worden in het kader van de
vlottende Staatsschuld. Bovendien kwam te onzer kennis,
dat ookeen aantal particuliere ondernemingen noodgeld
hebben uitgegeven en wel voornamelijk bij de uitbetaling van
de bonen. Een overzicht over den bmvang van dit ver-
schijnsel is bezwaarlijk te verkrijgen. Wij beperken ons
derhalve in dit artikel tot de uitgifte van de bovengenoem-
de vormen van noodgeld. Bij wijze van voorbeeld zij slechts
vermeld, dat een machinefabriek in de omgeving van

Rotterdam gedurende twee achtereenvolgende weken voor
de uitbetaling der bonen gebruik maakte van eigen
noodgeld ten bedrage van resp. t 15.000.— en f 12.000.—.
Medio November was hiervan f 3700.— nog niet inge-
visseld. Merkwaardig is, dat het meerendeel der gevallen
van noodgeld-uitgifte door particuliere ondernemingen,
welke ons ter oore kwamen, betrekking had op papier-
fabrieken. Wellicht ligt de verklaring hierin, dat deze
fabrieken er zeer gemakkelijk toe konden overgaan, zelf
noodgeld te vervaardigen. In Helmond geschiedde de nood-
geld-uitgifte dooi de gezamenlijke fabrikanten.

Ondertusschen was men hiertoe in sommige gevallen
reeds zelfstandig overgegaan, hetgeen ook geschiedde in
verschillende gemeenten, welke de machtiging van den
Commissaris der Koningin niet ontvingen.

Ter voorziening in de behoeften van het bedrijfsleven
aan geldmiddelen in kleine coupures werden de banken

in de gelegenheid gesteld, groot bankpapier tegen nood-
geld in te wisselen. 1-lierbij verleende in vele gevallen De
Nederlandsche Bank haar tusschenkomst.

De verleende machtiging werd hij telegram •d.d. 17
Mei jI. ingetrokken, terwijl het Departement van Bin-

nelandsche Zaken bij circulaire van 19 Juni d.o.v.
tot de gemeentebesturen het verzoek richtte, er voor
zorg te dragen, dat het noodgeld uiterlijk 8 Juli 1940 uit
de circulatie zou zijn genomen en het onbruikbaar gemaakte

noodgeld – voorzoover niet reeds vernietigd – aan het
Departement zou worden toegezonden. Tevens werd door
het Departement aan de gemeenten om opgave verzocht
van den omvang en de coupures, waarin noodgeld was
aangemaakt, in circulatie gebracht en tot 24 Juni weer
aan de circulatie onttrokken. De resultaten dezer enquête
werden in handen gesteld van het Departement van
Financiën en van De Nederlandsche Bank. Dank zij de
bereidwilligheid van de genoemde instanties zijn wij in
staat, met behulp van de uitkomsten der ingestelde
enquête, een overzicht omtrent den omvang van de
circulatie van noodgeld samen te stellen.

De o/noang pan de circulatie van provinciaal en gemeentelijk
noodgeld.

Uit tabel 1 (blz. 764) blijkt, tot welke bedragen en in welke
coupures in Mei jI. door provinciën en gemeenten noodgeld
werd aangemaalct, in circulatie gebracht en tot 24 Juni
weer uit de circulatie genomen. De onzekerheid omtrent
den duur en de intensiteit van den noodtoestand en de daaruit voortvloeiende geldbehoefte was oorzaak, dat
een dusdanig groote hoeveelheid noodgeld werd aange-
maakt, dat van het totaal bedrag der aangemaakte biljet-
ten, vermeld in tabel 1, ad t 5.302.000
5)
slechts bijna
de helft of f 2.538.000 in circulatïe werd gebracht.
Reeds spoedig Icon in de behoefte aan contante midde-
len in kleine coupures op andere wijze worden voorzien;
behalve door vergroote aanmunting van teekengeld en
pasmunt geschiedde zulks met behulp van twee andere
vormen van noodgeld, waarvan de verzending weer moge-
lijk werd. In de eerste plaats werden – evenals in 1914-
1918 – zilverbons in omloop gebracht
6)
door het Rijk,
terwijl de bezettingsautoriteiten zgn. , ,Reichskredit-

kassenscheine” als wettig betaalmiddel invoerden. Wij
komen hierop nader terug.

De genoemde uitbreiding van de circulatie der beide
laatstgenoemde hetaalmiddelen maakte het mogelijk,
dat op 24 Juni van het uitgegeven provinciale en gemeen-
telijke noodgeld reeds t 2.135.000 of 84,1 pCt. uit de
circulatie was genomen.

De meest voorkomende coupure was het biljet van
f 1.—. Van het totale waardebedrag der uitgegeven bil-
jetten bestond onge’eer de helft uit guldensbons; van het
totale aantal in circulatie gebrachte biljetten (1.757.181
stuks) waren niet minder dan 1.249.949 stuks of 71,1
pCt. in coupures van t 1.— uitgegeven. De overige meest
frequente coupures waren – naar de aantallen uitgegeven
biljetten – resp. die van f 2.50, t 0.25, t 0.50 en f 10.—.
Opmerkelijk is, dat de uitgifte van noodgeld zich niet
slechts tot de kleine coupures beperkte, maar dat ook,
behalve een aanzienlijke hoeveelheid biljetten van t 10.—,

Dit bedrag is iets te laag, daar in sommige gevallen
het bedrag der aangemaakte, maar niet uitgegeven bil-
jetten niet bekend is.

Voor een waarde van ruim een millioen gulden waren
uit den oorlog 1914-1918 nog zilverbons in omloop,
voordat tot deze nieuwe uitgifte werd overgegaan.

764

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 December 1940

Tabel 1.

Noodgeld 1940,
door provinciën en gemeenten aangemaakt, in cireulatie
gebracht en ingewisseld
1).

Tot omstreeks 24 Juni
Omstreeks 24 Juni 1940

Coupures


Aangemaakt

In circulatie gebracht

uit de circulatie genomen
nog in circulatie

Aantal

Totale waarde

Aantal
Totale waarde
Aantal

Totale waarde
Aantal
Totale waarde
t
t t
t
t
100.-
3.130
313.000,-
757
75.700,-
436
43.600,-
321
32.100,-

25.–
900
22.500,-
400
10.000,-
400
10.000,-

20.-
436
8.720,-
.36
720,-
36
720,-
– –

15.-
57
855,-
57
855,-
57
855,-

10.-
68.193
681.930,–
44.358
443.580,-
33.043
330.430,-
11.315
11.150,-

5.-
20.929
104.645,-
5.619
28.095,-
5.604
28.020,-

115
75,-

3.-
2.000
6.000,-
1.643
4.929,-
1.625
4.875,-
18
54,-

2.50
582.280
1.455.700,-
262.007
655.017,50
216.072
540.180,-
45.935
114.837,50

2.-
3.047
6.094,-
3.047
6.094,-
3.010
6.020,-
37
74,-

1.-
2.546.784
2.546.784,-
1.249.949
1.249.949,-
1.107.182
1.107.182,-
142.767
142.767,-

0.50 167.169
83.584,50
76.397
38.198,50
75.671
37.835,50
726
363,-

0.25 264.617
66.154,25
96.091
24.022,75
95.344
23.836,-
747
186,75

0.10
37.00Ö
3.700,-
9.312
931,20
9.068
906,80
244
24,40

0.05
51.850
2.592,50
6.086 304,30
5.997
299,85
89
4,45

0.01
2.250
22,50
1.422
14,22 1.384
13,84
38
0,38

Totaal
3.750.642 5.302.281,75
1.757.181
2.538.410,47
1.554.929
2.134.773,99
202.252
403.636,48

1)
De in deze tabel vermelde specificatie kon niet worden gemaakt voor de gemeenten: Brakel, Dinxperlo, Haar-
lemmermeer, Hedel, Hendrik-Ido-Ambacht, lleurwenen, Nuth, Ouderkerk a. d. IJssel, Poederoyen en Venray, welke
tezamen f 38.504,50 aan noodgeld in circulatie hebben gebracht. In totaal werd dus f 2.576.914,97 aan noodgeld in

circulatie gebracht.
Bovendien waren geen cijfers beschikbaar voor de provinciën Drenthe en Zeeland en enkele gemeenten, die wel
noodgeld aanmaakten, maar hiervan niets in circulatie brachten. In de geval]en, waarin cle specificatie van de coupures
niet voor alle vier in de tabel opgenomen grootheden bekend was, werden de cijfers, geschat op grond van de bekende

specificatie der overige grootheden bij de betrokken gemeente.

in beperkte mate biljetten van £ 15.-, f 20.-, f 25.- en

zelfs f100.-
7)
werden uitgegeven. Blijkbaar traden dus

soms ook acute moeilijkheden op hij de grootere betalingen,
zooals voor looperide uitgaven door ondernemingen, het-
geen niet al te verwonderlijk is, wanneer men bedenkt,
dat de eisch van contante betaling in de oorlogsdagen
vrij algemeen werd gesteld, terwijl de verbindingen vol-
komen waren gestoord, zoodat men niet elders geld kon
opnemen.

De geografische Qerspreiding van de uitgifte van prootnctaal

en gemeentelijk noodgeld.
Een bijzonderheid, waardoor het provinciaal en gemeen-
telijk noodgeld zich onderscheidt van de in meer normale tijden uitgegeven geldsoorten, is, dat het noodgeld in veel
beperkter mate ter voldoening van hetali rigsverplicliti ngen
bruikbaar is dan de gebruikelijke geldsoorten. Deze be-
perking geldt zoowel ten aanzien van de grootte van het
1
gebied, waar het noodgeld gebruikt kan worden, als ten

7)
Verreweg het grootste gedeelte van deze f 100.-bil-
jetten, namelijk 677 stuks op een totaal van 757 stuks,
werd uitgegeven door de provincie Groningen. (Vgl. liet
afgedrukte voorbeeld).

aanzien van den aard der betalingsverplichtingen, welke met noodgeld kunnen worden voldaan.
Over het algemeen is hèt noodgeld slechts gangbaar
binnen de grenzen der gemeente of der provincie van uit-
gifte. Derhalve geeft het bedrag van het in een bepaalde
gemeente of provincie uitgegeven noodgeld een aanwijzing
omtrent de mate, waarin zich binnen die gemeente of pro-
vincie een geldschaarschte heeft doen gevoelen.

®

o.
o

o

110.000.150.000



1
1.000.1
(0.000


.

,nd,d.,,11.000



P,nd0

noodgeid i, ,eeen

Het verschijnsel der geldschaarschte blijkt zich, niet
over het geheele land overal in gelijke mate te hebben

18 December 1940

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

765

Tabel
H.

Noodgeld, in Mei 1940 door Nederlandsche gemeenten in circulatie gebracht (in guldens).

Gemeenten
In

circulatie
gebracht
Gemeenten
In

circulatie
gebracht

188.245,—
Waspik

……………………..
3.221,-
131.757,—
Nuth

……………………….
3.129,25
100.000.—
Westzaan

……………………
3.000,-

..

42.800,—
Beek

(L.)

……………………
2.591,25
40.000,—
Borculo

……………………..
2.575,-
24.000,—
Denekamp

…. ………………
2.526,-
23.655,—
Zaitbommel

………………….
..
2.400.-
22.140,—
Drie!

……………………….
2.378,—
21.575,50
Uden

………………………..
2.185,—
19.999,—
2.075,-
18.999,—
2.055.50
Druten

………..

……………
18.000,—
Peize

……………………….
2.018,75
16.840,90
Coevorden

……………………
1.788,-
15.662,50
Rossum

……………………..
1.675,-
15.300,—
1-lavelte

……………………..
1.625,-
13.521,—
Amstenrade

………………….
L600,-
13.297,95
1-luissen

……………………..
1.474,50

Rotterdam

…………………….
Harderwijk

…………………..

13.249,—
Herpen

……………………..
1.406,70

Beverwijk

…………………….

12.000,—
Wehi

……………………….
1190,-
11.550,—
Bunde

……………………..
1.100,-

Den

Helder

…………………..

Schiedam

…………………….
Heerlen

………………………

11.095,50
1-ledel

……………………….
1.075,-

Oss

………………………….
Waalwijk

…………………….

10.419,75 Veen

……………………….
1.0.70,-
Ouderkerk

aan

den

IJssel ……….
8.361,25
Brakel

……………………..
987,50

..
Hoorn

………………………
Kampen

…………………….

Sliedrecht

…………………….

Zevenbergen

…………………..
8.306,—
Stem.

……………………….

.. ..

945,75

..
..

Zwijndrecht

…………………..

Haarlemmermeer

……………….
Doetinchem

…………………..

Hattem

……………………..

..

Simpelveid

………………….
900,-
7.000,—

Wijk en Aalburg

………………

..

Grave

……………………….
717,25

..

Bergen
op
Zoom

……………….

6.950,—

.
Berghem

……………………
..

Bergharen

……………………

..
..

..

709,-

Krimpen

aan

den

IJssel

………..
Emmen

………………………

Helmond

…………………….

Urk

………………………..
6.598,—
Woudrichem

………………….
675,—
Loonopzand

………………….
6.250,50
Willemstad

..

Deurne

………………………
Oosterhout

…………………….

Venray

.
………………………

.
Geleen

………

……………..
5.857,50
Rosmalen

……………………

..
..

….

594,—

Vaals

………………………..

Heerenveen

………………….
5 .843,10

.. ..

Poederoyen

………………….

..
..

550,-
Wijchen

……………………..
5.796,—
Ravenstein

………………….
450,-
Vlagtwedde

………………….
5.698,—

..

Soest

……………………….

..
..

.. ..

438,-

Valkenswaard

…………………

Hoensbroek

………………….

7
..777,50

Poortugaal

………………….

..
..

283,25
Koilumerland

c.a.. ……………
4.500,—
Heurwenen

………………….
250,-
Raamsdonk

………………….

Dussen

……………………..

..
..
..

239,-
Ubach over Worms

…………….

..

Dinxperlo

……

………………

..
..

226,-
Borger

……………………..

..

Ivleerlo

……………………..
205,-
Wieringen

……………………

..4.614,72
..

4.026,50

..

Geulle

……………………..

..

..

183,-
Overschie

……………………

..4.456,— ..4.248,—

3.601,20
Almkerk

……………………

..
.. ..

169,50

..

Meerssen

……………………

..4.204,—

3.500,—

..

Elsloo

……………………..

..

97,50
Hendrik

Ido

Ambacht

…………
3.454,50

..

6,40

..

Krimpen

aan

de

Lek

…………..
3.250,-

.. ..
Giessea

…………………..
……
..

901.834,97

..
Totaal

85

gemeenten

……………

voorgedaan. Uitliet op blz. 764, 2e kolom, afgedrukte over-
zichtskaartje blijkt, dat vooral in bepaalde streken van
ons land de noodgeld-uitgifte een aanzienlijken omvang
heeft aangenomen. De gegevens, op grond waarvan dit kaartje werd samengesteld, zijn samengevat in tabel II.
Het kaartje laat zien, dat naar verhouding het meeste
noddgeld werd uitgegeven in de gebieden, die 5f al spoedig
door het bezettingsleger van de rest van het land w’erden
geïsoleerd (Groningen, Friesland, Zuid-Limburg, grens-
streek) 5f in het brandpunt van den strijd kwamen te
liggen en daardoor vaak werden geïsoleerd (Noord-Brabant,
streek der groote rivieren, Rotterdam, Den 1-leider) dan
wel een stroom van geëvacueerden moesten huisvesten
(Harderwij k, Noord- Hollandsche gemeenten). In het
Oosten des lands nam de uitgifte van gemeentelijk nood-
geld geen grooten omvang aan, hetgeen waarschijnlijk
verband houdt met de omstandigheid, dat aldaar in de
behoefte aan contante middelen reeds spoedig kon worden
voorzien met behulp van de door de bezettingsautoriteiten
in omloop gebrachte Reichskreditkassenscheine. in Gro-
ningen en Friesland was dit laatste in geringere mate noodig

in verband met het spoedig ingrijpen van cle provinciale
besturen.
In totaal werd in ons land aan provinciaal cii gemeente-lijk noodgeld uitgegeven:

door de provincie Gronirigeri . . . . f 1.172.580,-
door de provincie Friesland pIm.

502.500,-
door 85 gemeenten

901.834,97
rp
zamen pl.m. …….. f 2.576.914,97

Behalve door de beide genoemde provinciën werd nood-
geld aangemaakt øf althans geclicheerd, maar niet uit-
gegeven, door de provincies Drenthe en Zeeland. In de
laatstgenoemde provincie iverci de uitgifte op het laatste
oogenblik onmogelijk, doordat de persen niet meer konden
draaien ivegens stagnatie in de electriciteitsvoorziening.

Bepeiking c’an de aa,ui ‘endings:nogelijkheid naar den aard
der betalingsverplicheing.

Zooals wij reeds opmerkten, waren niet alle door pro-
viriciën en gemeenten uitgegeven nooclgelc!-biljetten iii
onbeperkte mate voor alle mogelijke betalingen binnen

766

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 December 1940

Zuid ook noodgeld in circulatie gebracht door een Com-
missaris van Politie aan den Linker Maasoever. Van de totale noodgeld-uitgifte in Rotterdam werd uitgegeven:

Gemeente Rotterdam

flOOÖQCiÖ 1940

GOED VOOR

Twee Gulden Vijftig Cent

lnwiss.elbaar bij den Gemeente-Ontvanger
na aankondiging.
De Burgemeester.

OUD.

/

/

I

het gebied van uitgifte te gebruiken. Behalve bons met
onbepaalde aanwendingsmogelij kheid werden in vele
gevallen bons uitgegeven, die bijv. slechts voor aankoop
van levensmiddelen en/of voor betaling van huren ge-
bruikt konden worden. Van beide categorieën vindt men
hierbij voorbeelden afgedrukt.
Naar uit deze voorbeelden blijkt, werd in Rotterdam
naast gedrukte biljetten ook geschreven noodgeld uit-
gegeven, hetgeen het geval was in die gedeelten van de
stad, welke kort na het uitbreken van den oorlog van het
stadscentrum met het raadhuis waren geïsoleerd; de
geschreven biljetten werden hier uitgegeven door Maat-schappelijk Hulpbetoon. Bovendien werd in Rotterdam-

GoldI tol
•fl
n.]
0Mal 1940.

Volg to.

Cotlg bis Oom 30 ltai 1940.

WIkel en Huurbon

Ni’ 14999
Laden

Waren – Schein
Goed
voor EEN GULDEN winke!war en hoi,hunr.
to, 010 QUIDEN.on.
,
i 10
W.o.,, ,nd

1.— – Mank
L10′,
GEMEENTE

Dne ho,, vOOr 1 Juni 1940 Inwî,,.l,,,1 hij de Olmor G,,tncheln boon, do,, 1 Juni 1940
om
nu l*u.n boL
.i’tn,tor,1.,,utt,be Hiink of 1 I,tniltnaro.cItapj)i
Wç,clto gebrek uit, Ma,, g4d, »r.rJçn
w:uke;ur, ve,wvh,, ik ho,,o :…n ii
ufvo:en in te

infu114 bliogni nt klimt,,, (bui

i.aikub lncrçihciep, die SchOne
SO
vOl
u
nunghich to .a,mrI,, lieve,
,,,
,liev,Ilen elnkr,’c.
N,et bn,l.,t,d con, end,,,

bonik.
lSloh, nog.foo.an
0, and.,o Zw,ocbe. NLni,I vrhndelb.rt

Op den Rechter-Maasoever
……….
f 55.373,50
Op den Linker-Maasoever:
door den Dienst voor Maatschappe-
lijk Hulpbetoon
…………….
..67.106.-
door een geïsoleerden politiepost ..

9.277,50

Totaal

………………
f 131.757,-

Uit het hiervoren afgedrukte noodgeld blijkt, dat bijv.
in Ilelmond, waar de uitgifte geschiedde na de capitulatie,
de bons zoowel in het Nederlandsch als in liet Duitsch zijn gesteld, terwijl de vaste omrekeningskoers erop is
vermeld.

De orde pan grootte an het veischijnsèl der noodgelci-uitgi/te

Ter bepaling van de orde van grootte en de relatieve
beteekenis van het verschijnsel der noodgeld-uitgifte is
het gewenscht, te i)eschikken over een overzicht van cle
geldhoeveelheid in Nederland op het tijdstip, waarop
ons land in den oorlog werd betrokken, en van de mutaties,
welke zich daarna in de geldhoeveelheid hebben voorge-
daan.
Daar het hier cle uitgifte van chartale geldmiddelen
betreft, beperken wij ons tot de circulatie van chartaal
geld.
Uit tabel III (hlz. 767) blijkt, met welk bedrag en in
welke procentueele verhouding de totale chartale geld-
hoeveelheid en de afzonderlijke chartale geldmiddelen in
de periode van 9 tot en met 31 Mei zijn toegenomen. De hierin opgenomen schatting van den omvang der uitgifte
van Reichskreditkassenscheine werd opgesteld in overleg
met De Nederlandsche Bank.
Tabel III laat zien, dat van de totale stijging der char-
tale geldhoeveelheid met 9,7 pCt. of f132 millioen slechts
een bedrag van ruim f 2,5 millioen (di. 2 pCt. van f 132
millioen) voor rekening komt van de uitgifte van provin-
ciaal en gemeentelijk noodgeld. Verder kwam 13,9 pCt.
van de toeneming der totale chartale geidhoeveelheid
of ruim f18 millioen voor rekening van het Rijksnood-
geld (zilverbons) en ciica 3,8 pCt. of circa f 5 millioen
voor rekening van het Duitsche noodgeld. Verreweg het
grootste aandeel in de toeneming der cliartale geldhoe-
veelheid hadden echter de bankbiljetten, waarvan de
circulatie met ruim f99 millioen of 8,5 pCt. toenam, welke
toeneming 74,9 pCt. der totale stijging van de chartale
geldhoeveelheid uitmaakte. Tenslotte steeg de circulatie
van teekengeld en pasmunt met f 7 millioen of 3,4
pCt.,
hetgeen van de totale toeneming 5,4 pCt. bedroeg.

Ve,’gelijlring met de noodgeld-uitgi/te in
1914.

Bij het bespreken van de noodgeld-uitgifte in Mei
1940 dringt zich een vergelijking op met een vroegere
periode, waarin in ons land tot uitgifte.van noodgeld werd
overgegaan: de eerste weken na het uitbreken van den
oorlog in 1914. Er werd toen naast de zilverhons van het
Rijk alleen door een aantal gemeenten noodgeld uitge-
geven
8).
In die dagen moest reeds tot uitgifte van nood-
geld worden overgegaan, ook al was ons land niet recht-
streeks in den oorlog betrokken. Wij zagen reeds in de
inleiding, hoe de toenmalige verschijnselen op monetair
gebied verschilden van de
huidige.
Er deed zich onmiddel-
lijk na het uitbreken van den oorlog een ware zilverjacht
voor; zilveren munten werden in zeer grooten omvang op-

8)
Vgl. ,,Documenten van de economische crisis van
Nederland in ooriogsgevaar”, uitgave van de Koninklijke
Bibliotheek; eerste serie, aflevering 6 (24 November
1914): ,,De monetaire crisis”.

18 December 1940

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

767

Tabel III.

Mutaties in de Nedcrlaiidsche chartale geidhoeveelheid in de periode 9 Mei-31
Mei 1940.

(in duizenden guldens en in procenten van het totaal)

li
Teekengeld en
,..
,,
. . Reichskredit- Provinciaal en Totale chartale
pasmunt ‘) Zilverbons -) Bankbiljetten ) kassenscheine
4)
gern. noodgeld geidhoeveelheid

x f 1OPO.— IpCt x £ 1000.1 jpCt. x f 1000.— pct. x f 1000.— jpCt. xf 1000.— ipct.1
1
x f 1000.— IpCt.

In circula-
tie om-


streeks 9
Mei 1940

208.213 15,2:

1.063

0,111.158.613 8

– 1.367.889 100

Toeneming
der geld-
hoeveel-

t,
heid van

t

9-31 Mei
1940….

7.167

5,4

18.378

13,9

99.058 74,9′ pIm. 5.000 3,8 pim. 2.577 2,0llpl.m. 132.180 :100

In cii-cula-

1

tie per 1

II

pim.
Juni1940

215.380 14,3 19.441

1,4 1.257.671 83,8 pim. 5.000 ,0,3 pIm. 2.577 0,2 1.500.069 100
Toeneming

t!


iii

pCt.
t.o.v. 9
Mei ….

3,4
1.728,9

8,5

1

pl.m.97

Berekend met behulp van het Muntverslag 1939 en gegevens, ons welwillend verstrekt door ‘s Rijks Muntmeester.
Opgaven van den Stand van ‘s R.ijks Kas.
Weekstaten Nederlandsche Bânk.
Schatting; in overleg met De Nederlandsche Bank.

gepot
9).
Tevens vond een run op De Nederlandsche Bank
plaats. Kortom, cle reacties van het publiek
01)
monetaii-
gebied waren chaotisch te noemen geheel anders
dan toen in Mei ‘ji. Nederland in den oorlog werd
betrokken.
De uitgifte van gemeentelijk noodgeld beliep in Augus-
bis 1914 f 990.516,40, d.i. per hoofd der totale bevolking
ongeJeer f 0,16. In Mei 1940 nam de totale uitgifte van
provinciaal en gemeentelijk noodgeld eveneens een slechts
bescheiden omvang aan, namelijk van f 2.567.914,97 of
circa f0,29 per hoofd der bevolking; aan gemeentelijk
noodgelci was hieronder begrepen f 901.834,97 of on-
geveer f 0,10 per hoofd der bevolking. In beide ge-
vallen was de uitgifte van provinciaal en gemeentelijk
noocigeld derhalve dus gering in verhouding tot de totale geldcirculatie (chartaal en giraal geld te zamen), welke ja
de genoemde perioden op circa f 800 millioen resp. circa
f 3500 millioen kan worden gesteld. De cijfers betreffende
de uitgifte van provinciaal en gemeentelijk noodgeld per hoofd der bevolking zijn niet zonder meer vergelijkbaar,
daar de betalinsgewoonten in 1914 belangrijk veFschilden
van de huidige. Met name heeft het girale betalingsver-
keer in de tusschenliggendeperiode een belangrijke ont-
wikkeling doorgemaakt, vooral sinds de oprichting van
den Postchèque- en Girodienst in 1918.

Behalve een verschil in betalingsgewoonten is ook een
verschil in de houding van ‘het publiek ten aanzien van
het noodgeld te constateeren. Terwijl in 1914 hier en daar het publiek weigerde, het noodgeld te acceptee-
ren, zijn ons voor Mei 1940 dergelijke gevallen niet bekend. Men accepteerde blijkbaar het noodgeld op
grond van vertrouwen, hetzij een ,,circulair” vertrou-
wen, nl. in de algemeene bereidheid tot accepteeren,

9)
1-lierbij moet in aanmerking worden genomen, dat
de zilveren munten destijds een grootere metaalwaarde
vertegenwoordigden dan thans. Het zilvergehalte van den gulden bedroeg in 1914: 0,945 en thans 0,720.
Bovendien bedroeg de zilnerprijs te Londen (in pence per
oz.stand.) op 30 Juli 1914: 23
3
/
4
d., op 9 Mei 1940:
20/8
d.

hetzij vertrouwen in liet crediet van de overheid
10)

De beteekenis ,’an het ç’erschijusel de, noodgeld-uitgi/te

Wij willen ei- aan liet slot van onze beschouwingen
nog op wijzen, dat aan het verschijnsel der uitgifte van
provinciaal en gemeentelijk noodgeld geen enkele invloed
van blijvenden aard kan worden toegekend, zulks in tegen-
stelling tot de vergrooting van de circulatie der overige
chartale geldmiddelen, waaronder Rijksnoodgeld en
Duitsch noodgeld.
Het provinciale en gemeentelijke noodgeld diende uit-
sluitend ter compensatie van tijdelijke tekorten aan con-
tante middelen, ter overbrugging dus van een korte pe-
node van te kleine kasvoorraden; de uitgifte ervan heeft
door liet tijdelijk karakter ervan een zuiver
neutialisee-
,enden
invloed. De vergrooting van de circulatie der overige
chartale geldmiddelen zou echter
,
behalve een compen-
seerenden of neutraliseerenden invloed – in verband met
den toegenomen liquiditeitsdrang – vergrooting der
kasvoorraden en aanvankelijk ook met de gedaalde om-
loopsnelheid van het giraalgeld als gevolg van het ban-
kenmoratorium – ook een eenigszins
in/latoire
werking

kunnen uitoefenen, aangezien deze geldmiddelen langen
tijd in circulatie blijven of – zooals bij de uitgifte van
Reichskreditkassenscheine het geval is – tot een vergroote
uitgifte van andere soorten chartaal geld (in dit geval
bankbiljetten) aanleiding geven in een periode van ver-minderenden goederenomzet. 1-Jet spreekt vanzelf, dat
in de huidige omstandigheden liet gevaar van een derge-
lijke inflatoire werking niet verschillende middelen kiacht-
dadig kan worden bestreden. 1-Jet valt echter buiten het
kader van deze beschouwing, hierop nader in te gaan.

REDACTIE
ECONOMISCH-STATISTISCH MAANDB:ERICFIT.

10)
In geval van uitgifte van noodgld door particu-
liere ondernemingen was natuurlijk het crediet der betref-
fende onderneming van belang. Merkwaardig is, dat
bijv. de bons, uitgegeven door de in noot
3)
bedoelde onder-
neming, in allerlei deelen van het land in betaling werden
genomen.

768

1

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 December 1940

STICHTING WINTERHULP NEDERLAND.

Nu de aandacht van het publiek zoozeer getrokken
wordt door de Stichting Winterhulp Nederland, lijkt het
goed op deze plaats omtrent de armenverzorging en de
plaats van de nieuwe instelling te midden van haar soort-

genooten eenige oriënteerende cijfers te verstrekken.
lIet déel van de Winterhulp is in de uiteenzettingen van
den directeur-generaal aan de pers duidelijk naar voren
gekomen. T-Jet is het verstrekkeii van
ertra hulp in den

lvinter.
Alle vormen van sociale verzorging gaan daarnaast
hun eigen weg verder. De hulp zal zich niet tot het strikt
noodige beperken, doch zoodanig zijn, dat den behoeftigen
het leven ,,vreugdevoller” gemaakt wordt.
Natuurlijk zullen in den aanvang de werkzaamheden
van de Winterhulp zich voornamelijk richten op het ver-
krijgen van de noodige bronnen van inkomsten. Omtrent
de wijze van besteding der ingezamelde gelden, de wijze
van hulpverleening zelve is dan ook nog niets definitief
bekend. Naar analogie van de Duitsche zusterorganisatie
zal wel in de eerste plaats gedacht moeten worden aan
gaven in natura: levensmiddelen, kolen, kleeding, hedde-
goed, huisraad, hetgeen echter geschieden zal door de verstrekking van bons (waardebons) op winkeliers. In
de practijk blijken evenwel vele personen niet anders dan
met geld te helpen te zijn, waarbij te denken is aan del-
ging van huurachterstand, ebetaling van leveranciers-
schulden bij kleine zelfstandige handelaren, verstrekken
van liandelsgeld e.d. Wellicht zal de Wiriterhulp zich ook
op dit aparte gebied begeven. Of de wintersteun zich ook
zal uitstrekken tot het geven van periodieken steun,
bv. een wekelijkschen bijsteun gedurende den kouden
tijd van het jaar, is nog geheel onbekend. Dit zal w’aar-
schijnlijk pas blijken, nadat cle uitkomsten van een
enquête bekend zijn, welke men zich, blijkens persberich-

ten, voorstelt te houden.
De vragen, die thans beantwoording verdienen, zijn

deze: hoe groot is de behoefte, welke categoriedn moeten
Sesteund worden, wat wordt er reeds gedaan, wat blijft
er te doen? Ieder dezer vragen behoort te worden gesplitst in de soorten van behoefte en de daarop passende vormen
van hulpverleening en is eerst dan voor eenige beant-
woording vatbaar. Een concreet antwoord valt alleen te
geven op de twee middelste vragen, de vraag naar het-
geen reeds verricht wordt, en op de vraag, welke
catego-

rieën
geholpen moeten worden.
Alvorens de onderdeelen van dit antwoord uiteen te
zetten, moeten wij nog een opmerking maken. De winter-
hulp zal zich, naar verwacht mag worden, niet begeven
op het terrein van de sociale politiek en van de sociale
voorzorg. liet individueele geval staat hij maatschappe-
lijk werk als dit steeds op den voorgrond, niet de algemeene
maatregel. Een bepaalde huurder zal geholpen worden,
maar er zullen niet maatregelen gefinancierd w’orden om
te komen tot huurverlaging voor den arheidersstand
(volkshuisvesting); een begaafde jongen kan met studie-
geld gesteund worden, doch aan verbetering van vak-
onderwijs of voorlichting hij beroepskeuze kan niet ge-
dacht worden; incidenteel kan bijstehri verleend worden,
niet algemeen. Anders zou de Vinterhulp zich verwij-
deren van het gebied der liefdadigheid, waarvoor het
bedoeld is; al klinkt het woord liefdadigheid niet , modern”.
Dit sluit natuurlijk niet uit, dat de Winterhulp categorale
hulp verlent, bijvoorbeeld aan de slachtoffers van een
bepaalde ramp, evenals het Algemeen Steun-Comité
1989 zulks deed, ten aanzien van groepen slachtoffers
der oorlogsomstandigheden, terwijl de inclividueele hulp
werd overgelaten aan het Nationaal Fonds voor Bijzondere

Nooden en de Nat. Vereeniging tot steun aan Mili(„iens.

.Eenige cijfers een de armenzorg in 1937.

De bron voor het antwoord op de vraag, hoeveel er in
ons land jaarlijks aan w’eldadigheid wordt besteed, is de

Armenzorgstatistïek, welke tot en met
1937
gepubliceerd

is
1).
In
1937
was dit bedrag ruim f
129.000.000.—.
Hier-

van kwam 80 pCt. ten laste van de Overheid,
20
pCt.
werd door de kerkelijke en particuliere instellingen van
w’eldadigheid bekostigd. Dc samenstelling van dit bedrag
en het aandeel van de. kerkelijke en particuliere instanties
daarin moge blijken uit onderstaand staatje, waarvan de
gegevens aan genoemde statistiek zijn ontleend. Zij
hebben betrekking o)i het ,jaar
1937.
Zooveel mogelijk

zijn de subsidies, welke van overheidswege worden ver-
strekt, verj’ekend.

v
IttI

Aandeel van parti-
? en

culiere en kerkelijke
Vormen van onderstanct

1

1

instellingen

in niillioeneir guldens
1
In
pCI.

57,0
10,001 17,5

18,5
8,598
46,4

22,1
2,306
9,9

14,8
6,048
0,3

1,6
0,068
4,2

1,1
0,465
422

1,5
1,388
92,5
7,5
1,973
20,3

4,4
0,510
11,5

129,5

1

25,357

1

19,58

Omtrent de inkomsten der instellingen geeft de statistiek
geen uitsluitsel. De vragenliisten, welke aan de statistiek
ten. grondslag liggen, vragen niet naar de totale inkom-
sten, doch slechts naar de opbrengst van bepaalde bronnen.
Omtrent eventueele winsten of tekorten over het jaar,

1937
is eveneens niets bekend. Wel weten wij dit: de in-
komsten der particuliere en kerkelijke instellingen uit
hunne bezittingen bedroegen f
9.389.000.—
en hunne

inkomsten uit collecten, contributies en andere vrijwillige
bijdragen en giften bedroegen 1 1.055.000.—, te zamen
21.444.000.—. liet is niet mogelijk het genoemde bedrag
van 1 12.000.000.— te specificeeren naar bijvoorbeeld
collecton in de kerken, openbare collecten, contributies e.’d.
De grootste uitga’en-post is blijkens de statistiek de
onderstand met geld en levensbehoeften. Hiertoe behoort
al hetgeen van overheidswege (gemeente of burgerlijk
armhestutir) gedaan wordt voor cle armlastigen en vooi
allen, die zich het noodzakelijke levensonderhoud niet
kunnen verschaffen
2).
Een groot gedeelte hiervan wordt
besteed aan regel matige, wekelijksche uitkee ringen voor
hen, die meestal voor langeren tijd of voor de rest van hun
leven in ondersteuning zijn opgenomen. Ten aanzien
van dezen steun bepaalt de w’et, dat de te verstrekken
ondersteuning de grens van het voor het levensonderhoud
noodzakelijke niet mag overschrijden (art.
29,
lid 3 der

Armenwet). hieromtrent treffen wij in de statistiek een

staatje aan, waaraan op blz.
769,
le kolom bovenaan

een en ander wordt ontleend.
lIet laat zich nu indenken, dat de Winterhulp voor-
nemens zou zijn iets voor deze categorie van landgehoo-
tea te doen, hij voorbeeld een eenmalige. uitkeering van
1 10.— per ondersteunde. Deze extra hulp zou dan onge-

veer 1
3.000.000.— vorderen. Voor toezicht 01) de beste-

ding zijn völdoende organen aanwezig. Het zou werke-

Uitgave Centraal Bureau voor de Statistiek:
De werkloozensteun staat hier geheel buiten. De totale

kosten daarvan bedroegen in
1937
ruim 1 145.000.000..

Ondersteuning mei geld en
levensbehoeften
Uitbesteding in gezinnen
en gestichten en verpleging
in gestichten van kinderen,
maatschappelijk ongeschik-
ten, gebrekkigen en ouden
van dagen
Geneeskundige armenzorg
in en buiten ziekenhuizen
herstellingsoorden en sana-
toria; vijkverpleging .
Verpleging en uitbesteding
van armlastige kran kam-
nigen

………………
Kleeding en voeding van
schoolkinderen ……….
Vacanhie- eis gezondheids-
kolonies; uitzending van
kinderen naar buiten .
huisvesting in hofjes en
vrije woningen ……….
l)iverse andere vormen
(sluitpost)
Kosten van beheer der in-
stellingen

Totaal …………….

18 December 1940

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

769

Aantal

ondersl Cain(len

1
Geniiciclelct
Besteed
jaarbecirag
hoofden
Alleen-
bedrag

ifl
per onder-
van
wonncl
e

en
guldens
steuning in
gezinnen

guldens

Overheitlsinstel-
138.842 50.655

46.790.78
246.92
Kerkelijke en par

lingetr

………..

ticuliere

instel-
1

lingen

……..
79.588
22.740

9.1 27.570
89.20
Totaal

291.825

1
5 5.91 8.24 81

191.62

lijk een ,,extra” zijn boven de gewone ondersteuning,
welke gemiddeld beneden de f 4.— per week ligt. Bij de
beoordeeling van dit bedrag valt te bedenken, dat een
onbekend deel der ondersteunden alleen bijsteun ontvangt
in den zinvan een toeslag
0
de inkomsten van het ge-
zinshoofd of van de andere gezinsleden, tot de steunnorn
van de betreffende gezinsgr.00tte bereikt is.
Een betrekkelijk zeer gering gedeelte van de in de sta-
tistiek genoemde f 57.000.000 wordt besteed aan de hulp-
verlening met losse giften.Het is niet bekend, welk ge-
deelte van deze soort hulp in natura — kleeding, dekking,

levensmiddelen – en welk gedeelte in geld wordt ver-
strekt. Wij ontleenen aan de statistiek de volgende cijfers:

Aantal

Totaal

Gemiddeld
personen bedrag in

bedrag in
guldens

guldens

Overheidsinstellingen
55.174

1.609.287
1

29.16
– Kerkelijke en particuliere in-
stellingen

……………
132.265

1.436.471

10.86

Deze lage gemiddelden toonen wel aan, dat het karakter
dezer giften nog ver verwijderd is van het soort giften,
dat een de armoede opheffende werking heeft, als bedoeld
in het eerste lid van art. 29 der Armenvet. Werkelijk

nuttig resultaat wordt hier pas bereikt met een gift van
gemiddeld pIm. f 200.—.
Dit opheffende werk wordt nog in een te geringe mate
door de overheidsinstanties verricht. Daaiwoor moet men
zijn hij een particuliere instelling als het Nationaal Fonds voor Bijzondere Nooden, dat door middel van zijn Com-
missies van Samenwerking in talrijke gemeenten zulke
hooge bedragen geeft. In 1939 bijvoorbeeld werd in ruim
2400 gevallen een bedrag van ruim f 000.000.— geschon-
ken, gemiddeld per geval f 245.—.

Categorieën behoeftigen.

In het vorenstaande komen de. belangrijkste totaal-
cijfers voor omtrent hetgeen er in ons land in een gewoon
jaar als 1937 werd uitgegeven. Een analyse van de belang-
rijkste cijfers toont al dadelijk aan, dat naast het nood-
zakel ijlc minimum voor levensonderhoud, dat grooten-
deels door de overheid gegeven wordt, in vele vormen nuttig werk door particuliere en kerkelijke instellingen
wordt verricht. Ditzelfde verschijnsel zal ook blijken hij
de andere vormen van maatschappelijk werk, welke in
het vorenstaande o’erzicht niet tot hun recht zijn gekomen
in hun rijke verscheidenhëid. De f 25.000.000.—, welke

in 1937 door kerkelijke en particuliere instellingen werd
besteed is een hoog bedrag. 1-let is per hoofd der totale
bevolking van ons land f 3.—. lIet is zelfs zooveel, dat in
vele gemeenten, waaronder vooreerst de grootste gemeen-
ten, bepaalde vormen van maatschappelijk hulpbetoon
nimmer w’orden geweigerd op grond van geldgebrek. Iedere
afwijzing op een verzoek om steun wordt daar slechts gemotiveerd door de antecedenten van den verzoeker.
Het is zelfs zooveel, dat het de vraag is, of de Winterhulp
niet goed zal doen met zich te richten tot andere catego-
rieën van behoeftigen, dan tot hen, die reeds in onder-
steuning zijn. Deze laatsten immers hebben hun levens-
omstandigheden aan hun inkomstenpeil reeds aangepast.
Natuurlijk zou ook daar een gift per ondersteunde welkom
zijn bij het stijgend peil van de kosten van levensonderhoud.

Maar daarmede worden niet diegenen bereikt, die het thans
het moeilijkst hebben. Wij denken daarbij vooral aan de
indirecte slachtoffers van den oorlog in den handel en de
industrie, aan al diegenen, die thans voor het eerst een
beroep moeten doen op de hulp van hun families of van
‘openbare of andere instellingen van weldadigheid. Deze
categorieën hebben meestal hunne uitgaven nog niet aan-
gepast aan hunne inkomsten. Voorts denken wij aan de chronisch zieken, aan de groote gezinnen (hier ook die
der ondersteunden).

T-let is nog niet bekend, welke categorieën de Winter-
hulp Nederland speciaal zal betrekken in haar arbeid.
1-let is derhalve ook onmogelijk om te schatten wat voor
de beoogde leniging van den nood noodig zal zijn. Zoo-
lang de plannen van de Winterhulp Nederland niet zijn
komen vast te staan is iedere schatting hier een slag in
de lucht.

Indien dan ook de opbrengst der eerste inzamelingen
mocht tegenvallen, dan moet bedacht worden, dat wij niet
gewend zijn te geven zonder nauwkeuriger te weten,
waarvoor en hoe het geld besteed zal worden.
De opbrengst zal, naar het mij voorkomt, wel toenemen,
naarmate de richting van de besteding der gelden duide-
lijker wordt.
31r, J. DE VRIES.
‘s-Gravenhage, 19 November 1940.

OPCENTEN OP DE WINSTBELASTING.

Bij het Besluit
1)
van den Secretaris-Generaal van het
Departement van Financiën van 11 dezer, worden ten
behoeve van het Rijk opcenten op de Winsthelasting ge-
heven. Een sober Besluit als dit, waarin kort en bondig
in slechts vier artikelen een ingewikkelde materie wordt
geregeld, geeft juist door zijn bondigheid veel stof tot
overdenking. Het ontbreken van een Menorie van Toe-lichting, zooals die vroeger wetsontwerpen vergezelde,
verplicht ertoe, bij dat overdenken ook de hypothese en
de fantasie te hulp te roepen. Met betrekking tot de be-
doeling der nieuwe bepalingen zijn deze hulpkrachten
reeds van belang; ten aanzien van de vermoedelijke uit-
werking van het Besluit en van de reacties daarop spelen
zij zeer zeker een rol van heteekenis.
Door het bedoelde Besluit wordt het effectieve heffings-
percentage van de Winstbelasting 1940 verhoogd van
114
1,
tot 3ij-. Deze verhooging wordt echter verlaagd tot
26-t pCt., indien ovei’ eenig jaar de winst van een lichaam
niet meer bedraagt dan 8 pCt. van het bedrag, dat aan
het einde van dat jaar het gestorte kapitaal aangeeft.
Het is vooral deze matiging, die stof tot overdenken
geeft. De bedoeling is duidelijk: in deze eenvoudige dis-
criminatie zit een element van draagkracht. De uitwerking
evenwel is minder eenvoudig. Wat toch wordt hier met
,,winst” bedoeld en wat met ,,gestort kapitaal”? 1-leeft men hiei’ de winst op het oog volgens artikel 5 van het Besluit op de Winstbelasting 1940, dan wel denkt men
aan de belastbare winst na de berekeningen volgens arti-
kel 6 van dat Besluit, of meent men soms de gezuiverde
belastbare w’inst na aftrek volgens artikel 7 dan wel het
overschot aan belastbare winst na de verliescompensatie
volgens artikel S van laatstgenoemd Besluit? En welk
kapitaal is bedoeld; het nominale kapitaal na aftrek van
het ongeplaatste en niet gestorte deel daarvan, of wellicht
als ander uiterste het zuivere vermogen, dat toch i’eeds
zulk een belangrijk element is voor de w’instberekening?
Mogelijk een daartusschen gelegen grootheid?
Op de laatste reeks vragen geeft het Besluit zelf ant-
woord. Hei bezigt namelijk den tei’m ,,gestort kapitaal”,
die in artikel 2 nog geen evident vasten inhoud heeft, in
artikel 3 opnieuw, en wel in een daar z66 ondubbelzinnige

1)
De volledige tekst van dit Besluit wordt hieronder in de rubi’iek aanteekeningen afgedrukt.

770

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 December 1940

beteekenis, dat daardoor ook de twijfel ten aanzien van
artikel wordt weggenohen. Artikel 3 bevat een even
merkwaardige als noodzakelijke bepaling, die ingrijpt
in de statutair voorgeschreven winstverdeelingen. Deze
toch gaan meestal uit van het primair dividend voor aan-
deelhouders – eventueel voor verschillende categorieën
achtereenvolgens – waarna de overwinst in tiepaalde
verhoudingen wordt verdeeld. Er zijn dus vaste, meestal van het gestort kapitaal afhankelijke, althans niet met de
winst zelve evenredige, winstaandeelen ) en er zijn met
de winst – of de overwinst – evenredige winstuitdeelingen,
bepaald in percentages van die winst of overwinst. Een
zware belasting op de winst laat de vaste winst-aandeelen,
voorzoover die voor de evenredige gaan en voorzoover

de winst toereikt, ongemoeid en drukt dus vooral op die
evenredige aandeelen. Daarom bepaalt artikel 3, dat de
bestuurders bevoegd zij.n de ,,op de ivinstverdeeling van
invloed zijnde vaste bedragen of percentages van het ge-
storte kapitaal” met ten hoogste een vijfde te verlagen.
Hier moet gedacht zijn aan primair dividend, derhalve
aan nominaal gestort kapitaal. Het is niet aan te nemen,
dat dezelfde term in artikel 2 een andere beteekenis zou
hebben dan in artikel 3. De matiging der heffing wordt
dus verleend als de winst niet grooter is dan 8 pCt. van het
nominale gestorte kapitaal.
Een naamlooze vennootschap met een millioen gestort
kapitaal en f 500.000 reserve, die f 110.000 winst maakt,
betaalt dus aan w’instbelasting f 34.650; een andere ven-
nootschap met f 1.500.000 gestort kapitaal zonder reserve,
die eveneens f 110.000 winst maakt, betaalt f 29.150 of f 5.500 minder dan de eerste. Op het eerste gezicht lijkt
dit vreemd. 1-let kan een speling van het toeval zijn
s

zooals zoo vaak onzuiverheden te voorschijn komen bij
het toepassen van belastingtarieven.
houdt deze discriminatie wellicht een prikkel in zich tot
het voeren van een andere kapitalisatie- of uitdeelings-
politiek? Eerstgenoemde vennootschap heeft het in de
hand, de reductie deelachtïg te worden dooi’ wijziging van
haar kapitalisatie. Zoodra zij de bedoelde f 500.000 re-
serve omzet in gestort aandeelenkapitaal verschilt zij in
geen enkel opzicht van haar zuster. Maar dooi die om-
zetting wordt, tegen de bedoeling van artikel 3 in, het uit
te deelen bedrag aan primair dividend met 50 pCt. ver-
meerderd. Bovendien
zou
deze omzetting de vennoot-
schap f 12.500 registratierecht kosten op de nieuw uit
te geven bonus-aandeelen. En als de reserve dateert van
v66r het overgangstijdstip, waarop de Winstbelasting
1940 voor haar begon te werken, dan deelt zij een oude
reserve uit en is zij daarover ingevolge artikel 41 lid 2
winstbelasting verschuldigd De veronderstelde bedoeling
om tot herkapitalisatie te prikkelen kan dus niet aan-
wezig zijn.

Ook voor de met te weinig aandeelenkapitaal en te veel
geldschulden toegeruste – veelal besloten – naamlooze
vennootschappen vormt de discriminatie geen prikkel tot
herkapitaliseering. Rente van schuld is, als bedrijfslast,
vrij van winstbelasting, dividend op aandeelen niet.
Tegen de hooge lasten
01)
deze laatste bron van inkomen weegt de 50 pCt. discriminatie in bepaalde gevallen niet
op. Het euvel van de overwegend ,,fiscale” kapitalisatie met vreemd kapitaal wordt door deze discriminatie niet
bestreden.

De discriminatie kan hoogstens gezien worden als een
premie voor hooge, een boete voor lage kapitalisatie.
Somtijds kan er reden bestaan, onderkapitalisatie af te keuren, vooral wanneer die onderkapitalisatie uit anti-
fiscale motieven is ontstaan. Maar in andere gevallen kan
deze toestand juist heilzaam werken, doordat zij, het
aandeelenkapitaal laag houdend, groote uitkeeringen aan

2)
Gedacht wordt aan primaire dividenden, vaste aan-
spraken, achterstallige cumulatieve dividenden, royalties,
sciuildrestanten en dergelijke uitdeelingen.

primaire dividenden voorkomt en daardoor tendeert in
de richting van matige uitkeeringen, wat vooral in tijden
als deze gewenscht moet worden geacht. In zulke gevallen
zal men evenwel aan de boete voor lage kapitalisatie niet
kunnen ontkomen.
Wel zal menige besloten naamlooze vennootschap aan
de verhoogini der Winsibelasting kunnen ontkomen door…
loslaten van den rechtsvorm der naamlooze vennoôtschap. Als dit Besluit hiertoe in aanzienlijke mate den stoot geeft,
en maatregelen worden beraamd om dit zonder onaan-
vaardbare fiscale consequenties tot stand te doen komen,
dan zal dit een bijkomstige bate zijn voor de Nederlandsche
Gemeenschap, naast die, welke in ‘s Rijks Kas zullen
vloeien, al. C.

AANTEEKENINGEN.

Besluit van den Secretaris-Generaal van het De-

partement van Financiën in zake het heffen van

opeenten op de winstbclasting ten behoeve van

het Rijk.

Op grond van § 1 der Verordening No. 23/1940 en in
overeenstemming met de §§ 2 en 3 dei’ Verordening No.
3/1940 van deh Rijkscommissaris voor het bezette Neder-
landsche gebied wordt bepaald:

Artikel 1.
Er worden ten behoeve van het Rijk opcenten op
de winstbelasting geheven.
De opcenten worden geheven op de aanslagen over
de jaren aanvangende met of na 1 Januari 1940.

Artikel Q.
1-let aantal opcenten bedraagt 200.
Het aantal opcenten blijft beperkt tot 150, indien
de winst 8 ten honderd van het gestorte kapitaal niet te
boven gaat. Het gestorte kapitaal wordt bepaald naar
den toestand bij het einde van het jaar.

Artikel 3.
Ten einde de verhooging van den belastingdruk glijkmatig te verdeelen, zijn de bestuurders van de be-
lastingplichtige lichamen bevoegd, met betrekking tot
boekj aren, waarover opcenten volgens dit besluit worden
geheven, te bepalen, dat de vôôr de inwerkingtreding van
dit besluit
01)
de winstverdeeling van invloed zijnde
vaste bedragen of percentages van het gestorte kapitaal
worden verlaagd met een door hen te bepalen gedeelte
van ten hoogste een vijfde.
De bevoegdheid, toegekend bij het vorige lid, be-
staat niet ten aanzien van het berekenen van aandeelen
in de winst, vallende onder artikel 6, eerste lid, onder 1,
van het Besluit op de Winstbelasting 1940.

Artikel 4.
Dit besluit treedt in werking op den dag zijner afkondi-
ging.
‘s-Gravenhage 11 December 1940.

Overheidsmaatregelen op economisch gebied.

1{ANI)EL EN NIJVERHEID.

Centrale vcrwarmiiigsbetlrjî. De zgn. spertijd voor het
centrale verwarmingsbedrijf is opnieuw met zes maanden
verlengd tot 3 Juli 1941. (E.V. 13/12/’40, pag. 1538; Stct.
No. 241).

Commissie bakkerjbedrjf. Opheffing van de op 22 Mei
1939 ingestelde commissie, welke tot taak had een onder-
zoek in te stellen naar de oorzaken van de in het bakkerij-
bedrijf bestaande economische moeilijkheden in den ruim-
sten zin. (E.V. 13/12/’40, pag. 1538; Stct. No. 235).

Caustisch gebranile magitesiet. Enquête vanwege het
Rijksbureau voor Bouwmaterialen naar productie en ver-
bruik van caustisch gebrande magnesiet in Nederland.
(BV. 13/12/’40, pag. 1540).

18 December 1940

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

771

Bindertwhie. Vaststelling van rnaximumprijzea voor hindertwine, dat voor tenminste de helft uit v]as is ver-
vaardigd. (Prijzenbeschikking oogstgaren No. 1). Nadere
regeling van de verstrekking van een toewijzing voor
bindtouw voor tomaten, hoonen, enz. (E.V. 6/12/’40,
pag. 1507; 13/12/’40, pag. 1544; Stct. No. 233).

€ieLnachtigde voor de Prijzeti. Benoeming van een ge-
machtigde voor de prijzen, tot regeling van de prijzen
van alle goederen en diensten, benevens van vergoedingen
van iederen aard, alsmede tot handhaving van deze prijzen
en vergoedingen. De gemachtigde wordt hij de uitvoering
van zijn taak bijgestaan door een door den Secretaris-
Generaal van het Departement van Handel, Nijverheid
en Scheepvaart te benoemen interdepartementale com-
missie. (E.V. 6/12/’40, pag. 1505; Stct. No. 235; V.B.
No. 39).

Kaas. Nadere regelingen van den kaashandel en liet
afleveren van voorraden. (E.V. 13/12/40, pag. 1540).

Regeling van bonen en amidere arbeidsvoorwaarden. Ver-
ordening betreffende de totstandkoming van regelingen
inzake bonen, salarissen en andere arbeidsvoorwaarden.
Deze regeling heeft niet betrekking op de arbeidsver-
Imoudingen

in overheidsdienst of op huiselijke diensten.
Arbeidsovereenkomsten en collectieve arbeidsovereen-
komsten (cao.) mogen geen bepalingen bevatten, welke
een wijziging van bonen afhankelijk maken van het
intreden van omstandigheden, welké niet direct de tusschen
werkgevers en werknemers bestaande verhoudingen raken
(zooals bijv. schommelingen in de kosten van levens-
onderhoud). Verhooging van bestaande bonen, hetzij in
geldende arbeidsovereenkomsten, hetzij voorzien in
nieuwe of gewijzigde c.a.o., behoeft de goedkeuring van
het College van Rij ksbemiddelaars.
Indien het tot stand komen van een c.a.o. noodzakelijk
lijkt, doch dit niet geschiedt of indien in een bestaande
cao. geen genoegzame regeling is neergelegd, kunnen
booien enz. bindend worden vastgesteld.
Verschillende bevoegdheden inzake het verbindend of
onverbindend verklaren van c.a.o. zijn aan het College van Rijksberniddelaars overgedragen. Nadere regeling
van cle functies van dit College ten opzichte van de c.a.o. (E.V. 6/12/’40, pag. 1505/06; Stct. No. 235; V.B. No. 39).

Rijwielbanden. Nadere voorschriften ten aanzien van
het monteeren van rijwielhanden op tea verkoop bestemde
rijwielen en andere rij- en voertuigen, en den ,handel in
rijwielhanden in het algemeen. (E.V. 13/12/’40, pag.
11540).

Tiir. Vaststelling van maxi mumprij zen voor turf,
varieerend naar de verschillende productiegebieden in
Nederland. (Prijzenbeschikking turf No. 1). (E.V. 6/12/’40,
pag. 1507; Stet. No. 234).

Schroot. Bi,j de iJzer- en Staalbeschikking 1940 No. 4″,
worden voorschriften uitgevaardigd met betrekking tot den handel in schroot. Verplichte voorraadopgave. Be-
paalde ruil- en omwerkingstransacties, welke op geslagen
of gegoten schroot betrekking hebben, zijn zonder ver-
gunning van het Rijksbureau voor IJzer en Staal ver-
boden. (E.V. 6/12/’40, pag. 1508; Stct. No. 234).

LANDBOUW EN VOEDSELVOORZIENING.

Gedroogde garnalen. Prijsregeling voor gedroogde gar-
nalen. Aan garnalendrogers zal uit het Laadbouwcrisis-
fonds steun worden verleend in den vorm van een toeslag
ad £ 1.- per 100 kg. gedroogde garnalen van den vangst
1940, afgeleverd aan de Nederlandsche Centrale voor
Eieren en Pluimvee.
(E.V.
13/12/’40, pag. 1542144; Stct.
No. 237.)

Boomnkweekerij. Vaststelling van het percentage voor de
teelt van boomkweekerij producten voor het kalenderjaar
1941. (E.V. 13/12/’40, pag. 1542; Stct. No. 237).

Ruiidvee. liet voorhanden of in voorraad hebben van rundvee is verboden, tenzij op bepaalde tijdstippen een
door de Veehouderij Centrale te bepalen aantal ten behoeve
van de volkshuishouding aan genoemde Centrale wordt
geleverd.
Deze levering is voorloopig voor de periode van 25
November 1940 tot 28 Februari 1941 en zal daarna door
een definitieve regeling worden vervangen.In de periode,
welke loopt tot 28 Februari 1941, moeten de volgende
aantallen worden geleverd: door veehouders met 5-9
runderen (melk- en kalfkoeien, mestvee en stieren van
één jaar en ouder) 1 rund; met 10-14 runderen 2 stuks;
15-19 runderen 3 stuks; 20-24 runderen 4 stuks; 25-29
runderen 5 stuks; door veehouders met meer dan 29
runderen per
5
runderen of gedeelte daarvan telkens 1 rund meer. (E.V. 13/12/’40, pag. 1541/42; Stct. No.
239 A).

Inventarisatie veestapel en wintergewassen. In het
tijdvak van 2 tot 7 December 1940 is een inventarisatie
gehouden van den veestapel en van de wintergewassen.
(E.V. 13/12/’40, pag. 1542; Stct. No. 235).
Tulimbouwteeltregeling 1941. Voorschriften betreffende
de teelt van tuinbouwgewassen voor het teeltjaar Ï941.
(E.V. 29/11/’40, pag. 1474).

RA1TSOE1EERING EN DISTRIBUTIE.

Centrale Levensmiddelendistrihutieraad. Dit, op 14
December 1939 ingestelde lichaam is thans opgeheven.
(E.V. 13/12/’40, pag. 1544; Stct. No. 238).
Zeep. Nadere regeling van de distributie van zeep in
verband met wasscherijen e.d. (E.V. 13/12/’40, pag. 1544/
45).

Motorbrandstof. In verband met de huidige gasolie
situatie wordt belanghebbenden aangeraden dieselmotor-
rijtuigen te vervangen door materiaal, waarvoor een
andere motorbrandstof (geen benzine i.v.m. de schaarschte
van dit product) geschikt is of hun voertuigen om te bouwen
voor het gebruik en de montage van gasgeneratoren.
(E.V. 6/12/’40, pag. 1513).

GELD-, CREDIET- EN BANKWEZEN EN BELASTINGEN.

Betalingsverkeer met het buitenland. Nadere regeli ngmi
voor het betalingsverkeer met
Zwitserland, Bulgarmljë
en
ouemaking uan kapitaal naar Duitschi and en hei Protectoraat
Bohe,nen-Morai’ie.
(E.V. 6/12/’40, pag 1514; 13/12/’40,
pag. 1546; Stct. Nos. 285 en 236).

STATISTIEKEN.

BANIiDISCONTO ‘S.
Nedá Disc. Wlss. 3

28Aug. ’39
Lissabon
. .
.. 4

11

Aug.’37
Bel.Bi.Eff. 34 28Aug. ’39
Vrsch.InRC 34 28Aug.’39
Londen
……..
Madrid

……
2

26 Oct. ’39 4 29Mrt. ’39
1
)
Athene

……
6

4 Jan.
1
37
N.-York F.R.B.

1

27 Aug. ’37
Batavia

……
3

14 Jan. ’37
Oslo

……….
‘.4 21 Sept. 39
Belgrado

……
5

1 Febr. ’35
Parijs

……..
2

3 Jan. ’39
Berlijn

……..
34

9 Apr. ’40
Praag
……….
3

1 Jan. ’36
Boekarest

. . . .
3

12 Sept.’40
Pretorla
……..
3415 Mei

’33
Brussel

……”)
25 Jan.

40
Rome
……….
44 18 Mei

•36
Boedapest

.

22Oct. ’40
Stockholm
…….
34 17Mei

’40
Calcutta

28 Nov. ’35
Tokio

……..
3.46 11 Mrt38
Dantzig

……
4

.2 Jan. ’37
Warschau
……
4418 Dec. ’37
Helsingfors

. . . .
4

3 Dec.

34
Zwits. Nat.
Bk. 14 25 Nov. ’36
Kopenhagen

.. 4

15 Oct. ’40
‘) 3
%
voor

wissels,

promessen
en

leeningen met een looptijd
van meer dan 120 dagen.
‘) Niet officieel bevestigd.

OFFICIEELE WISSELKOERSEN NEDERLANDSCHE BANK.
Valuta’s (schriftelijk en t.t.)
IN.-York
i
Berlijn 1Brussel
1
Züricb
IStockh.1
Helsinki
10 Dec. 1940
1.88’1.
75.354
30.14
43.67
44.854 3.814
11

,,

1940 1.88
1
/,
75.354
30.14
43.67
44.854
3.81+
12

,,

1940 1.88
3
/, 75.354
30.14
43.67 44.854 3.814
13

,,

1940 1.88
8
/. 75.354
30.14
43.67 44.854
3.814
14

,,

1940
1.88’1,
75.354
30.14
43.67
44.854
3.814
16

.,

1940 1.88
5
/,
75.354
30.14
43.67
44.854
3.814
Laagste d.w.
1.88’/,,
75.28
30.11
43.63
44.81
3.81
Hoogste d.w.
1.88
1
1,,
75.43
30.17
43.71
44.90
3.82
Muntparlteit
1.469
59.263
24.906
48.003
66.671
6.266

772

ECONOMISCH- STATISTISCHE BERICHTEN

IS December 1940

KOERSEN TE NEW-YORK.
(Cablo).
Data
Londen
Parijs

Berlijn

Amsterdam
($ per £)
($ per
400
/r.)($ p.
100
Mb.) ($ P.
/ 100)
lO

Dec.1940
4.0311.

40.05


11

1940
4.031

40.05


12

1940
4.0311,

40.05


t 3

1940
4.03’/4

40.05


14

,,

1940
4.0311

40.05


6

,,

1940
4.03’1

40.05


18

,,

1939
3.951
4

2.24’/

40.20

53.19
Muntparlteit
4.86 3.90
8
1

23.81’1
4

40
1
1
1cO5’IeS1N
T1I

LONI)F.N.
Plaatsen en
landen
Not..
eenh.
9114
Dec.
’40

14
Dec.
Laagste

Hoogste

1940
217
Dec.
’40
Laagste

Hoogste 7Dec.
1940

Officieel:
New York
S
p.
£
4.021 4.031
4.03 4.021
4.031
4.03
Parijs
E?r.p.
..


– –

Stockholm
Kr.p.
16.85
16.95
16.90
16.85 16.95
16.90
Montreal
$ p. £
4.43
4.47
4.45 4.43
4.47
4.45
Buenos Aires
Pes.p1
16.90
17.13
17.01 &
16.90
17.13
17.01

Niet .Offieieel: Alexandriê
P. p. £
97.50
97.50
97.50
97.50
97.50 97.50
Athene
Dr.p.
515 515 515
515
515 515
Bangkok
Sh. p.lical
Bombay
d. p. r.
18.- 18.-
1
18.-
18.-
18.-
Budapest
P. p. £
19.50 19.50
19.50
19.50 19.50
19.50
Hongkong
d.p. $
IS.-
15.-
15.-
15.-
15.-
IS.-
Istanbul
Tp.2
510
510

510 510 510
Kobe
d.

p. yen
14.21
14.25
14.25 14.25
14.25
14.25
Lissabon
(scu.p £
99.80
100.20
lOO.-
99.80
100.20
100.-
Madrid
Pt.p. £
37.70
40.50
40.50 37.70
37.70
37.70
Montevideo
d.p. p.






Rio de Janeiro
1. p.

mii.
– – – –


Shanghai
d. p. $
3.81
3.81
3.81
3.75
3.81
3.81
Singapore
d. p. $
28.18 28:18
28:18
28.18
28.18
28.18

ZJLVERP1CIJS

GOUDPEIJS
Londen’)

N. York’)

A’dam’)

Londen)
10

Dec.

1940.. 23
1
1

34
1
1

10

Dec.

1940..

2125

1681-
11

,,

1940.

22’/

34’1

11

,,

1940..

2125

1681-
12

1940.. 221

341
4

12

,,

1940..

2125

1681-
13

,,

1940..

22’/

34
3
/

13

.,

1940..

2125

1681-
14

1940..

221/

34
3
/

14

,,

1940..

2125

1681-
16

,,

1940..

23

34
3
/

16

,,

1940..

2125

168/-
18

,,

1939..

23/

34’1

18

,,

1939..

2070

1681-
23

Aug. 1939..

1 8’/.

37114

23 Aug.

1939. .

2110

14816
1
1.

‘)
In pence p. oz. stand.

‘)
Foreign silver in $c. p. oz. One.
‘)
In guldens per Kg. 100011000.

‘)
In sh.
p.
oz. one.

S’I’AND
VAN ‘s
RIJKS ICAS.

V o r d e r i n g e n
t

30 Nov. 1940 7 Dec. 1940
Saldo

van

‘s Rijks Schatkist
bij de Nederiandsche Bank


Saldo b. d. Bank voor Ned.
t

1.71 l.445,62
t

‘237.971,42
Voorschotten op

uit. October
aan de gemeenten

versir.
op aan haar uit te keeren
hoofdsom

der

pers.

bel.,

Gemeenten

…………….

aand. in de hoofdsom

der
grondbel. en der gem. fonds- bel., alsmede opc. op dle be-
lastingen en op de vermo-

Voorschotten aan Ned.-Indi8′)
,,

116.033.916,40,,
118.808.916,40
Idem aan Suriname
1)
……
,,

9.756.954,58
Kasvord. wegens

credietver-
strekking a. h. buitenland
,,

74.1 50.577,67
,,

73.573.601,09
Daggeldieeningen tegen onder-

gensbelasting

……………….

pand

………………

….9.756.984,58

– –
Saldo der postrek. van Rijks-
comptabelen

…………
67.977.747,18
,,

71.508.727,77
Vordering op het Alg.

Burg.

…….

Pensioenfonds

‘)

……..
1.243.163,37

..


Vordering op andere Staats-
…..

bedr.
en
instellingen
1)
10.086.461,64
,,

3.126.181,50
Verplichtingen

Voorshot door de Ned. Bank
ingevolge art. 16 van haar
octrooi verstrekt

……..
t

15.000.000,-
f

15.000.000,-
Voorschot door de Ned. Bank
In reken.-cour. verstrekt ..,,
6.038.523,74
,,

6.482.921,81
Schuld aan
de

Bank

voor


Ned. Gemeenten.

…… …..
Schatkistbiljetten

in

omloop
,,

171.331.000,-
,,

171.058.000,-
Schatklstpromessen in omloop ,,t.035.800.000,-‘)
,,1 .065.400.000,-‘)
Daggeldleeningen


30.975.250,50
,,

31.410.254,50
Schuld

op

uIt.

October ’40
aan de gem. weg. a.h.

uit
te keeren

hoofds.

d. pers.

..

bel., aand. 1. d. hoofds. d.
grondb. e. d. gem. fondsb.
aism. opc. op die bel, en op
Zllverbons In omloop

… …….

6.777.417,32
,,

6.777.417,32
Schuld aan Curaçao
1)
142.320,07
,,

142.320,07
Schuld

aan

het

Alg.

Burg.
Pensioenfonds ‘)

483.874,11

de

vermogensbelasting………

Id. aan het Staatsbedr. der P.
T.
en

T.

‘)

…………..

……..

188.469.919,79
,,

183.712.482,36
Id. aan andere Staatsbedrij-
ven

‘)

………

……..

…..

….

11.000.000,-
,,

11.000.000,-
Id. aan dlv. Instellingen ‘)

..,,
166.843.231,77
,,

167.611.953,36
1)
tn rekg. crt.
met.
‘5
Rijks
Schatkist.

‘)

Rechtstreeks
liii

De
Nederlandsche Bank t 199.000.000,-
‘)

Idem
t 218.000.000,-.


DE NEDERLANDSOIIE BANK.
Verkorte balans op 16 December 1940.
Aetiva.
Binneni. Vissels, ( Hfdbank.

218.503.970

Promessen, enz. Bijbank.,,

50.738

Agentsch. ,,

144.560
218.699.268
Papier op liet Buitenland . .

t

15.371.590
Aî: Verkocht maar voor de
bank nog niet afgeloopen

l3eleeningen mcl. ( llfdbank
voorschotten in l3ijbank.
rekening-courant ( Agentsch
op onderpand

Op Effecten

enz.

……..

t

497.250.489
‘)
Op Goederen en Ceelen ….

..748.192
197.998.677
1)

Voorschotten

aan

het

Rijk

………………
15.000.000
Munt en muntmateriaal:
Gouden munt en gouden
muntmateriaal ……….t

1.101.109.833
Zilveren

munt,

enz.

……

..17.210.117
1.118.319.950
Belegging van kapitaal, reserves en pensioenfonds ,,
48.609.241
Gebouwen en meubelen der Bank

…………..
4.500.000
Diverse rekeningen

………………………
117.321.4
4
0

f1.735.820.166
Passiva.
Kapitaal

…………………………….t
20.000.000
Reservefonds

…………………………..
4.454.252
Bijzondere

reserves ……………………..

..
13.494.514
Pensioenfonds

…………………………..
Bankbiljetten

in

omloop

………………….
10.935.847
1.497.159.700
l3ankassignatiên

in

omloop

………………..
70.905
Rek.-Courant

Van het Rijk

t


saldo’s

Van anderen

,,

182.604.649 182.604.649
Diverse

rekeningen

……………………..
7.100.299
1.735 820.166

Beschikbaar metaalsaldo

.

…………….

t
446.440.757
Minder bedrag aan bankbiljetten in omloop dan
waartoe de Bank gerechtigd

is

………….
1.116.101.890
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank onder-
gebracht

………………………..
212.000.000
‘)

Waarvan

aan

Nederlandsch-Indiê
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad No. 99) t
57.977.150

Voornaamsto posten in duizenden guldens.

Gouden
.

Andere

t
Beschikb.
Dek-
Data
munt
en
‘)
C1msu-
opeischtm.
Metaal-
kings-
muntmater.
schulden

i

saldo
perc.
46 Dec. ’40ET.1
01.110
1.497.160
182.675
1

446.441
±70
9

,,

‘401
1.099.807 1.492.277
186.812
444.242
±70
2

,,

‘l
1.098.213 1.493.958
l93.368
438.425
±70
6 ?,lei

‘401
1.160.287 1.158.613 255.183
1

607.242
83
t

Totaal
Schatkist-
t

Belee-
t

Papier
Div.
Data
bedrag
prom.
op
het
reken.
1
disconto’s
rechtstr.
ningen
1

buitçnl.
(act.)
16

Dec. ‘401
218.699
212.000
197.999
15.372
ii
9

,,

’40
225.739
219.000 197.582
15.372
112.243
2

,,

’40 232.758
226.000
202.151
15.372
111.239
6 Mei

‘411
9.853

217.756
750
20.648

‘)
Per 1 April 1940 herwaardeering van den gouclvoorraacl op flasls
van een depreciatte-percentage van 18 pCt.

BANK VAN
ENGELAND.

Bankbilj. 1
Bankbjlj.
Other 8ecurjttes

i Disc.and
Secu-
Data
Metaal
in
in Bank.
circulatie
Departm.
Advances
1

ritjes

11

Dec.

’40 1.410
604.540
25.700
3.920
20.820
’40
1.270
598.250 32.000
3.860
20.450
27 Nov. ‘4 01
1.190
593.250 36.900
6.940
23.890
20,,

40
990
592.650
37.590
3.940
20.820
23 Aug.

’39 247.263
509.064
38.353
5.711
24.334

Data
Go);,
Other Deposits
Reserve
Dek-
kings
Bankers

Other

Acc.
perc.
1)

11

Dec. ’40
149.830
16.430
115.900

51.290
26.820
14,7
4

,,

’40
139.830
21.950
105.790

51.610 32.160
18,5
27 Nov.’40
137.350
27.110
110.830

50.310
37.840
20,1
20,,

’40
140.850
22.390
112.410

51.400 38.339
20,6
23Aug. ’39
99.666
22.371
92.132

36.229
39.199 26,0

DUITSCHE RIJRSBANK.

Goud
Renlen-
Andere wissels
Belee-
Data
en
bank-
chèques
en
njngen
deviezen

scheine
i

schat istpapier
7 Dcc.

1940
1,

77,8
203,1
13.364,5
23,4
30 Nov. 1940
77,5
199,9
13.531,7
26,1
23

,,

1940
77,4
240,3
12.312,1
14,5
23 Aug.

1939
77,0
27,2
t
8.140,0
t

22,2

Data
Ej/ec-
Diverse
Circu-
Rekg.-
Diverse
ten
i

Activa
latie
i

Crt.
Passiva

7

Dec.’40

t
50,8
1

1 .939,0
13.059,9
1.748,6
633,8
30 Nov. ’40
50,8
1

1.870,0
13,198,0
1.706.2
637.2
23

,,

’40
1

49,1

1

1.994,8
12.198,3
593,7
23 Aug. ’39
1

982,6

1

1.380,5

t

8.709,8

t

1.195,4

t

454,8

15.371.590 t

152.556.689
1)

3.184.050
42.257.938

t

197.998.677

Auteur