Ga direct naar de content

Over vices, vis en het rapport-Brandt

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 10 1981

Ingezonden

Over vices, vis en het
rapport-Brandt
PROF. DR. J. TINBERGEN

In ESB van 27 mei komt dr. A. E. van
Niekerk (,,Het Brandt-rapport is vices
noch vis”, biz. 516-518) o.m. terug op
mijn bespreking in dit blad (5 maart
1980, biz. 263-270) van het rapportBrandt. Naar zijn mening is er in Nederland niet voldoende kritisch over gedacht. Hij had graag ook in ons land
meer kritiek gezien, waarschijnlijk om
bepaalde regeringen van ontwikkelde
landen een alibi te verschaffen voor him
tekortschietende gedrag. Als we overigens in de politick moesten wachten tot
de wetenschappers en andere deskundigen het eens zijn, zou er nooit iets gebeuren. Dit verlangen naar meer kritiek
— in belangrijker landen dan Nederland
al behoorlijk gespuid — lijkt mij contraproduktief.
Dr. Van Niekerk komt nu met nog
enige eigen kritiek, die overigens niet op
alle punten overtuigend is, of zelfs met
de feiten in overeenstemming. Deze punten vragen om een antwoord van de
meest geciteerde, onvoldoende kritische,
criticus.
In het rapport-Brandt is o.m. een beroep gedaan op morele argumenten.
De heer Van Niekerk erkent dat men van
de commissie ook moeilijk anders kon
verwachten. Ik zie daarin geen tekortkoming van het rapport. Het enige relevante in dit deel van het artikel is, dunkt
mij, dat de regeringen van een aantal
ontwikkelde landen zo’n beroep niet
prettig vinden.
Naast een beroep op morele argumenten ziet dr. Van Niekerk als tweede tekortkoming dat het rapport niets nieuws
brengt. Het vragen om nieuws heeft iets
journalistieks over zich. Dat er miljoenen ondervoed zijn is inderdaad voor
de journalist geen nieuws. Is het daarmee ook onbelangrijk voor de politick?
Afgezien daarvan heb ik in mijn bespreking van 5 maart 1980 gemeend wel
nieuwe elementen te kunnen aanwijzen.
Bij voorbeeld het feit, dat gewezen werd
op de plichten die de regeringen van
onderontwikkelde landen, zelf hebben.
Of op de analogic met ons eigen sociale
vraagstuk in de tijd dat de arbeidersbeweging opkwam en het antwoord
daarop van Henry Ford. Of het onderzoeken van de vraag hoe het nu met de
wereld zou staan als wij in het verleden
wel hadden geluisterd naar sommige
ESB 17-6-1981

deskundigen.
Dat ik overigens het rapport alleen
maar ,,bewierook” is moeilijk vol te houden. Op verschillende punten heb ook ik
van andere opvattingen doen blijken.
Over de belangrijkste ,,noviteit” van het
stichten van nog weer een Fonds heb ik
mijn inzicht naar voren gebracht — en
in extenso uitgewerkt op een conferentie
in Dubrovnik in 1980 over financieringswijzen van ontwikkelingsprojecten —
dat een lopend budget aanbeveling verdient. Ik heb crop gewezen dat ook over
het voor ons nodige herstructureringsbeleid meer had kunnen worden gezegd.
Ten slotte heb ik eveneens gesteld dat
meer nieuwe denkbeelden welkom zouden zijn geweest, b.v. op het gebied van
het nieuwe zeerecht. Maar dan natuurlijk niet de ,,nieuwe” ideee’n van president Reagan.
Met de heer Van Niekerk kan ik instemmen, wanneer hij zegt dat de in het
Noorden bestaande crisis als uitgangspunt had kunnen worden genomen om
te komen tot enige voor het Noorden
interessante onderhandelingspunten. Dit
zou onder meer betekend hebben dat wij
een stukje opleving in onze metaalverwerkende industrieen kunnen trachten te
verkrijgen juist door het verhogen van de
financiele overdrachten aan de derde
wereld. Of een onderhandeling — als
voorgesteld door minister De Koning
— met de OPEC, maar dan ook over
onze inflatie, waarbij mede de vakbeweging te betrekken zou zijn. Bij de
onderhandeling over het UNCTADstabilisatiefonds zouden westerse regeringen beseft kunnen hebben, dat ook
ons bedrijfsleven bij stabielere grondstofprijzen gebaat is (behalve de speculanten, althans een deel van hen).
Overigens is het verwarrend daarbij de
term ,,overlevingskansen van het Noorden” te hanteren. Het gaat in het Zuiden
om leven en dood; in het Noorden is er
wel een vraag van leven of dood later,
maar dat is de wapenbeheersingsvraag,
die maar zeer ten dele te maken heeft met
de vraagstukken van de commissieBrandt.
De heer Van Niekerk noemt het een
elementaire vergissing, wanneer gesteld
wordt ,,the South needs above all
finance”. Hij bedoelt natuurlijk dat het
ook ontbreekt aan menselijke kwalitei-

ten op het gebied van bedrijfsleiding,
bestuurlijk vermogen en een aantal
andere ,,skilJs”. Toch is de behoefte aan
financieringsmiddelen duidelijk genoeg;
de schuldenpositie na de olieprijsverhogingen, de.lopende betalingsbalanstekorten en de — ook in belang van het
Noorden — volkomen onvoldoende omvang van het fonds tot stabilisatie van
grondstoffenprijzen zijn een paar voorbeelden die in de tientallen miljarden
dollars lopen.
Ten aanzien van dit laatste punt is het
onthutsend, van hoeveel onbegrip de op
de Manilla-bijeenkomst van UNCTAD
betrekking hebbende uitspraak van
bondskanselier Schmidt getuigt. Hij
wou als politieke concessie wel wat bijdragen, maar de vrije krachten van de
wereldmarkten moesten de prijzen vaststellen. Het grote verschil tussen labiele
(grondstoffen- en agrarische) markten
en stabiele markten was kennelijk niet
tot de Duitse delegatie doorgedrongen.
Onthutsend is evenzeer de kortzichtigheid waarmee de leiders van vele westerse regeringen de belangen van hun eigen
bevolking zien. Men denkt nauwelijks
aan wat op iets langere termijn (tien of
twintig jaar) ons te wachten staat als wij
de armoede van de derde wereld laten
voortbestaan: de invasie van ,,illegale
gastarbeiders” als een der, reeds aan de
gang zijnde, processen, om maar iets te
noemen.
In een voetnoot stelt Van Niekerk dat
ook in het Zuiden de commissie-Brandt
de boot gemist heeft. Hij verwijst naar
de bijeenkomst van zeshonderd economen uit ontwikkelingslanden in Havanna. Over de discussie en besluitvorming
aldaar kan prof. Van Dam hem voorlichten (zie diens bijdrage in NRC Handelsblad van 16 mei jl.). Over de bevolkingsconferentie in 1974 in Boekarest
gehouden zijn ook getuigenverklaringen
beschikbaar omtrent de wijze van discussie.
Te oordelen naar de huidige bedoelingen van president Reagan, premier
Thatcher en enkele andere westerse
leiders staat het er met de uitvoering
van de aanbevelingen van het rapportBrandt inderdaad niet zo best voor.
Een troost is dat eerstgenoemde al een
paar keer door zijn wat meerdeskundige
ambtenaren is gecorrigeerd. Een andere
troost is dat de nieuwe Franse minister
van buitenlandse zaken, Claude Cheysson, in Le Monde van 30 april jl. pleit
voor ,,Un ‘new deal’ planetaire”. Cheysson, die bedrijfsmanager is geweest en
als commissaris van de EG de Lomesamenwerking heeft opgebouwd, weet
waarover hij het heeft.
Dat brengt mij tot mijn laatste punt
in deze fase van de discussie. Kan dr. Van
Niekerk een alternatief voorstel formuleren, met nieuwe en voor de grote
industrielanden overtuigende argumenten?
J. Tinbergen
587

Auteur