Ga direct naar de content

Jrg. 29, editie 1438

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 12 1944

12 JANUARI 1944

AUTEURSRECHT VOORBEHO UDEif

c

1,

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

29E
JAARGANG


WOENSDAG 12 JANUARI 1944

No. 1438

COMMISSiE VAN REDACTIE:

J. F. ten Doesschate; P. Lieftinck (tijdel. afwezig);

J. Tinbergen; H. M. H. A. aan der Valk; F. de Vries;

M. F. J. Gooi (Redacteur-Secretaris).

U. W. Lambers – Adjunct-Secretaris.

Abonnementsprijs aan het blad, waarin tijdelijk is op

genomen het Economisch-Statistisch Maandbericht, franco

p. p. in Nederland / 20,85* per jaar (,,Prijsaastsieliing

No. 052. IM. 312″). Buitenland en koloniën / 23,— per

jaar. Abonnementen kunnen met elk nummer ingaan en

slechts worden beeindigd per uit imo aan elk kiilenderjaar.

Losse nummers 50 cent. Donateurs en leden aan het Ne-

derlandsch Economisch Instituut ontaangen het blad gratis
en genieten een reductie op de aerdere publicaties. Adres-

wijzigingen op te geaen aan de administratie.

Administratie: Nieuwe Binnenweg 175a, Rotterdam (G.).

Telefoon 38340.

Aangeteekende stukken aan het Bijkantoor Museum-

park, Rotterdam (G.).

Adaerte’zties aoorpagina / 0,28 per mm. Andere pagina’s

/ 0,22 pci mm. Plaatsing bij abonnement aolgens tarief.

INHOUD:

Blz.

V66r vijf en twintig jaar ……………………16

De uitkomsten van het eerste jaar Ziekenfondsen-
besluit door
Dr. Mr. L. P. aan der Does ……..16

Eenige beschouwingen over het lidmaatschap, van de

bedrijfsorganisatie door
Mr. J. F. B. Vermaas 18

De ontwikkeling op de internationale effectenbeurzen
II door
B. H. A. Meijerink ………………..22

Roemenië na twee jaar oorlog door
L. J. M. a. d. Berk
25

Aanteekeningen

De leen- en pachthulp der Vereenigde Staten van
Maart

1941—Augustus

1943

…………….
26

Overheidsmaatregelen

op

econo –
misch

gebied

……………………..
27

S t a t i s t i e k e n

Stand

van

‘s Rijks

kas

……………………
27

M a a n d c ij f e r
S

Maandcijfers en weekcijfers betreffende den econo-
mischen toestand in Nederland …………..
28

GELD- EN KAPITAALMARKT,

In het begin van de maand hneft de Agent van .de Schat-
kist ter dekking van de geidbehoeften een behoorlijk
bedrag papier afgegeven. Maar de marktsituatie heeft
daardoor, overeenkomstig hetgeen wij in ons vorig over-
zicht schreven, niet de minste wijziging ondergaan, omdat

immers het beschikbare aanbodsurplus zoo omvangrijk
is, dat aan uitputting daarvan niet te denken valt. Welis-
waar is dat surplus om de jaarswisseling wat verminderd;
als gevolg van de krachtige stijging van den biljettenomloop,
die dit keer niet d?els gedekt werd door toeneming van de
buitenlandsche wisselportefeuille, maar bij een bedrag
van verscheidene honderden millioenen speelt die factor,
tenzij hij een blijvend verschijnsel zou worden, geen rol.
Op den jongsten weekstaat is de ommekeer trouwens al
weer gekomen: de biljettencirculatie’ is in de laatste week
opgeloopen mt f
3,1
millioen, de buitenlandsche wissel-
portefeuille met f
33
millioen.
Bij de banken nemen de crediteurencijfers nog steeds
toe, hetgeen deels hierdoor is te verklaren, dat handels-
en industrieele ondernemingen, die zelf een portefeuille
schatkistpapier bezaten, vervallend papier maar ten deele
kunnen .vervangen door nieuw papier, met het gevolg,
dat het verschil – de per
saldo-aflossing van papier dus,
die
zij ontvangen – i
deposito wordt geplaatst.
Bij
de
meeste banken werden
dan ook nieuwe recordcijfers voor
de creditgelden geboekt.
De tweedehandsmarkt blijft onder dit
alles
onbewogen;
daar
schijnt min of
meer een toestand
van evenwicht te
zijn bereikt, hetgeen ook begrijpelijk is,
omdat de quan-
titatieve
verhoudingen zich ook niet meer noemenswaard
wijzigen. De omzetten blijven trouwens minimaal, omdat
aanbod vrijwel geheel ontbreekt.

De
obligatieniarkt
vertoonde in de eerste week van het
nieuwe jaar geen bijzonder groote omzetten, soms kwam
een noteering pas in de derde of vierde tape tot stand.
Uitermate vast gestemd was de gestaffelde leening, waar-
voor ndg steeds vele beleggers een voorkeur aan den dag
leggen. Deze week werd de parikoers behaald, terwijl toen
de
3 %
leening
1943
1/16
%
onder pari noteerde. Deze
verhouding is nog nimmer geregistreerd, hoewel reeds
maandenlang de overschatting van dè gestaffelde leening den genoemden voorkeur tot uiting brengt. Verscheidene
houders maken van deze verhouding gebruik om hun
1938-obligatiën
om
te ruilen
in
die van de
leening
1943,
hetgeen eensdeels een rendementsverbetering brengt,
anderdeels een grooteren koersweerstand doet bereiken
voor het geval van rentestijging na den oorlog. Hetzelfde
geldt, en dan k fortiori, voor omzetting van
3
%
Neder-
land
1937
in
Si
%-leeningen.

16

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Januari
1944

V16R VIJF EN TWINTIG JAAR,

UIT: ,,ECONOMISCH-STATJSTISC}IE BERICHTEN”
VAN 8 JANU-
ARI 1919.

,,Wat de rantsoeneering van, hij wege van emissie,
ierkregen kapitaal betreft, wordt in ,,Swedish Export”
medegedeeld, dat de Rijksbank, in afwachting van eene
wetgeving, waarbij voor alle emissies Koninklijke goed-keuring wordt voorgeschreven, met de groote geldinstel-
lingen een regeling aangegaan heeft, teneinde de kapitaal-
rantsoeneering reeds thans effectief te kunnen doen zijn. Een commissie van vertrouwensmannen is ingesteld, die
zal onderzoeken en beslissen inzake de stichting van
nieuwe maatschappijen en verruiming van de kapitalen
der bestaande, zoomede de uitgifte van obligaties, met
uitzondering van die van staats- en gemeentelijke lee-
ningen. De commissie bestaat uit
5
leden, waarvan een
benoemd is door de directeuren van de Rijksbank, twee
door de Zweedsche bankassociatie, een door de Zweedsche
industrieele federatie en een door de Zweedsche export-
associatie. De lezer weet, hoe goed de vakbelangen in
Zweden centraal georganiseerd zijn.
Nieuwe uitgiften, als boven bedoeld, die een bedrag
van Kr. 100.000 te boven gaan, moeten ter goedkeuring
voorgelegd worden aan deze commissie van vertrouwens-
mannen. Teneinde aan deze regeling sanctie te verleenen,
is voorts het volgende besloten: aandeelen en obligaties,
die uitgeeven zijn zonder machtiging der commissie,
worden door de banken, behoorende tot de Zweedsche
bankassociatie, niet in onderpand van leeningen aan-
genomen, ook de Rijksbank zal deze stukken niet aan-
vaarden.
Uit een aanteekening: ,,De hapitaatrantsoeneering in Zweden’S

DE UITKOMSTEN VAN HET EERSTE JAAR

ZIEKET4FONDSENBESLUIT.

Inleiding.

Sedert de invoering van het Ziekenfondsenbesluit op

den eersten November
1941
heeft het aan voorspellingen
over de uitkoms’ten van deze maatregelen niet ontbroken.
Het is opmerkelijk, dat, hoewel nog in het geheel geen
statistisch materiaal ter beschikking was, de deskundigen
zeer somber gestemd waren. Men meende, dat de premie,
dié vier procent bedraagt, niet voldoende was en tot zes
procent diende te worden verhoogd. Zelfs in het ,,Maand-
schrift van
het
Centraal Bureau voor de Statistiek” trof
men einde
1942
de volgende zinsnede aan: ,,In vakkringen
is men de meening toegedaan, dat de financiee]e uitkom-
sten der ziekenfondsverzekering ongunstig zijn te noemen.
Verhooging der premie tot ten minste
6
procent wordt
noodzakelijk geacht; intusschen is deze premie ook voor
het jaar
1948
wederom bepaald op
4
procent van het

verzekeringsplichtige loon.”
1)
Véér ons liggen nu de
uitkomsten voor het jaar
1942,
die binnenkort in het jaar-
verslag van den Commissaris, belast met het toezicht op
de Ziekenfondsen, zullen worden gepubliceerd. Daar echter voor dit materiaal zoowel in als buiten de vak-
kringen groote belangstelling bestaat, meenen wij goed
te doen enkele der belangrijkste statistische data nu reeds
te vermelden, hoewel moet worden toegegeven, dat de
keuze niet gemakkelijk is. Ten overvloede merken wij
nog op, dat wij ons van uitvoerige beschouwingen over de
meegedeelde statistieken zullen onthouden, plaatsruimte
benevens de tijd, benoodigd voor verdere analyse, ont-breken ons hiertoe.

Aantal 9erplicht-Qerzekerden.

Wij beginnen met het totaal aantal verplicht-vérzeker-

0)
,,Maandchrift van het Centraal Bureau voor cle Statistiek”,
Nov/Dec. 1942, blz. 760. Zie eveneens het voorzichtig geschreven
artikel van Dr. Mr. W. Schuurmans Stekhoven: Ziekenfonds-
oeconornie”, ,,E.-S.B.”, 10 Sept. 1941; onvoorzichtiger Dr. Mr. W.
Schuurmans Stekhoven: ,,Ziekenfondsoeconornle”, Het Zieken-
fonds” 1942, blz. 33 e. v., blz. 41 e. v.

Verloop Qan het aantal Qerpll.oht-oerzekerden gedberende
1942 en het’ eersge haijjacsr 1943.

mm

‘mml

•NIU

,.00CM’E

n_
t 11110

•34

Nt

4-wekelijksche perioden.

den. V66r de invoering van het Ziekenfondsenhesluit.
bedroeg het totaal aantal fondsleden
4.025.541 1
Jan.
1940),
d.w.z.
456
per 1.000 inwoners. Het gemiddeld aantal
verplicht-verzekerden’ gedurende het jaar
1942
bedroeg 3.360.255,
waarbij aan vriwiffig vetzekerden nog een
totaal aantal van
2.031.87
dient te worden gevoegd.
Het totaal aantal verzekerden is dus ongeveer met
34%
toegenomen. In de hierboven afgebeelde grafiek is het
verloop van het aantal der bij de algemeei’ie ziekenfondsen
‘ingeschreven verplicht-verzekerden gedurende
1942
en
het eerste halfjaar
1943
afgebeeld. De lijnen
geven het verloop in de verschillende provinciën aan.
De -.-. lijn geeft het totaal verloop voor geheel Neder-
land weer. Wij merken op, dat de verdeeling over de ver-
schillende provinciën volgens de plaats van vestiging
van hel ziekenfonds is geschied. Zoolang de districts-
ziekenfondsen nog niet tot stand zijn gekomen, zal het
moeilijk zijn meer nauwkeurige cijfers dan de door ons geproduceerde te verschaffen. In de gevallen, waar één
ziekenfonds over m’eer dan één provincie zijn werkzaam-
heden uitstrekt, worden de verzekerden gerekend woon-
achtig te zijn in de provincie, waarin het ziekenfonds is
gevestigd. Slechts voor het algemeen ziekenfonds A.N.O.Z.
en voor de fondsen, welke voor hun verschillende afdee-lingen zelfstandige kantoren hebben, heeft een verdeeling
van de verzekerden over de onderscheiden provinciën
plaats gevonden.

Kosten poor de Qerschillende oerstrekkin gen.

De in tabel 1 gepubliceerde gegevens zijn zeer belangrijk
en nog nimmer over eenig jaar gepubliceerd. In deze
tabel worden de totale kosten, benevens de kosten’ voor
de verschillende uitgavencategôrieën vermeld, terwijl
ook de gemiddelde kosten per ziel en per jaar worden weer-
gegeven. Het trekt de aandacht, dat het totaal bedrag

12 ,Iannari
1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

17

TABEL
L
;Iosten van het Ziekerijoncsenbesluit in
1942.

Kosten
per ziel
per jaar
Totale kosten

Geneeskundige hulp
t

3,195
t

10.736.000
Gemes-
en verbandniLdUen

.,,
2,848
•,

8.562.000
3. Specia’istische hulp
4. Tancibeelkundige hulp

….

:
,,

1,447
,,

4.862.000
3.397.000
1,011
.,,
“,,

0,3150
.,,
,,

1.210.000
Ziekenkuisverpleging
.,,

3,068
,, 1’0.309.000
Uitwendige geneeswijzen
,,

10,158
,,

531.000
0,211
,,

729.000

5. Verloskundige hulp
………….

9. Incasso, beheer- en conteIe-
,,

1,4,23
,,

‘4.782.000

8.

Kunstoliddelefl
……………

10. Bulten liet fondsgebiedver-
kosten

……………..

leende hulp

……
.,,

0,030
,,

101.000
11.

Overige uitgaven
……………
0,017

,.,,
57.000

t 13,474

f 4,5276.000
JTverzekerbsQpremiën:
,12. Uitkeering bij overlijden

,,
0,400

,,
1.’34.000 113. Tegemoetkoming in de kosten
van sanatoriumverpleging

,,
0,400 ‘ ,, 1.344.000

14,274
1
t 47.9IWL.000

aan verstrekkingen zeer hoog is. Bjna acht en veertig
‘nlillioen guldens werden uitgegeven. Bezien wij de onderdeelen, .die tint to’taaleçJj’ag ;uit-
;m.ken, dan kinnen wij de volgende toelichting geven.
Onder het hoofd ,,geneeskwdige buip” worden de :honoraria van niet apotheekhoudende artsen., alsmede
.dat deel van de ‘Jionoraria der apethee’kao.udende artsen
)

dat ‘de verleening van geneeskundige hulp tietroft.,
:begrepen. Wij vermoeden, dat in de to.eiwmst., wan,neer
êr meer uniforme contracten zijn tot stand gekonien, de
kostenvoor deren post zullen stijgen. Zooals uit een tin-
neilkoet te verschijren artikel blijkt, heerscht op het
gebied van het conbsactenrecht op het oogenblik nog de
tmeest imogelijk denkbare verscheidenheid
C).

‘Onder ,,genees- en verbandmiddelen” zijn het hono-
,rarium der apothekers, tiet honorarium van den apotheek-
leoudenden arts voor zijn apothekersfunctie, de kosten
van ‘medicamenten en verbandmiddelen, alsmede de
kosten wan speciale geneesmiddelen, begrepen.
S. De kesten voor ,,speealistische hulp” zullen waar-
schijniijlc.esîeneens in de tpekomst stijgen. Aanpassing
van de honoraria aan het nieuwe Ziekenfondsenbesluit
heeft slechts in enkele gevallen plaats gevonden. Wij
verwachten,, dat in de toekomst langzaam naar de uni-
forme contracten zal worden toegewerkt. Onder de ,,spe-
cialistische h’uli” volgens het Ziekenfondsenbesluit wordt
verstaan de kosten van consultatieve, poliklinische en
klinische hulp door specialisten, alsmede de kosten voor
reisvergoedingen in verband met specialistische hulp-
verleening. De kosten zijn uit den aard der zaak niet altijd
te scheiden van de kosten voor ziekenhuisverpleging,
daar in verschillende deelen van ons land in de zieken-
huizen voornamelijk ,,011-in “-tarieven worden berekend,
waarin gewoonlijk de kosten van klinische behandeling zijn begrepen.
De ,,tandheelkundige hulp” – wij komen hier nog
nader op terug – is tot op heden nog één der grootste
zorgenkinderen. Vooral in kringen der beter gesitueerde
verzekerden heerscht over het karakter van deze hulp
groote ontevredenheid. In het oog houdend, dat op dit
gebied nog een zeer groote achterstand in Nederland
bestaat, is het wel zeker, dat geheel nieuwe wegen zullen
moeten worden bewandeld om tot betere resultaten te
komen. Zooals uit de tabel blijkt, bedroegen de kosten
voor de tandheelkundige hulp ongeveer drie en een half
millioen gulden. Per ziel waren deze kosten f 1,011.
Onder ,,verloskundige hulp” wordt gerekend het
honorarium voor de vroedvrouw, voor den speciaal ge-
machtigden huisarts en voor de bijzondere verloskundige
hulp. Zooals uit het onderstaande zal blijken, prevaleert
ook in de practijk de hulp der vroedvrouw.

‘) H. Jansen: ,,Honoreering van medewerkérs aan algemeene
ziekenfondsen”, ,,De Sociale Verzekeringsgids”, Februari 1944.

De post ,,ziekenhuisverpleging” komt,. wat kosten
betreft, als tweede voor in het budget van het eerste
jaar Ziekenfondsenbesluit. Met een klein verschil volgen
de kosten der ziekenhuisverpleging op die der kosten voor
de huisartsen. Ook. de kosten voor de ziekenhuisverpleging
toonen een stijgingstendens, die weliswaar zal worden
beperkt door het gebrek aan ziekenhuisruimte. Onder
ziekenhuisverpleging worden gerekend de kosten voor
verpleging, operatiekamer, röntgenfoto’s, ziekenvervoer
en overige bijkomende kosten.
De ,,uitwendige geneeswijzen” zijn een zeeopnbereken-
bare kostenfactor. Over het jaar 1942 bedroegen de kosten,
zooals uit de tabel blijkt, ruim een half millioen gulden.
iGlok op dit gebied is echter het eindpunt nog niet bereikt.
In den loop van het jaar 1944 zullen door den Commissaris
nieuwe regelen op dit gebied worden gesteld.. Vblgens
de beschikking van den Commissaris wordt onder de
,,iaiwendige geneeswijzen” op het oogenblik verstaan:
De skosten voor hoogtezon, diathermie, röntgen-opper-
vlakt.bestraling, infrarood-, lichtboog-, gaslamp- en
electrische behandeling, geneeskrachtige baden, röntgen-
dieptebestraling, radiumbehandeling, finsen en aan-
verwante bestralingen en heilgymn astiek.
Als ,,,kunstmiddelen” noemen wij de kosten van
brillen in modelmontuur, kunstoogen, breukbanden,
buikbanden., elastieken kousen, ,orthopaedisch schoeisel,
steunzolen en grootere apparaten, als kunstledematen e.cl.
De kosten der medische contrôle zijn eveneens be-
grepen onder de
,,incasso-, beheer- en contrôlekosten”.
Wij constateeren, dat het geheele administratieve appa-
raat der ziekenfondsen ongeveer evenveel kost als de
specialistische hulp. Over de administratiekosten ware
nog zeer veel te zeggen. Men verwachte van ons geen
oordeel, of deze hoog of laag moeten worden geacht. In
ieder geval zullen deze administratiekosten bedrjfs-
economisch dienen te worden beschouwd. De ver-
deeling van deze kosten over de verschillende vitgaven-
categorieën zal wellicht in de toekomst merkwaardige
versehuivingen te zien geven. Dit is echter een probleem
van een dusdanig wijde strekking, dat behandeling den
omvang van dit artikel verre overschrijdt.
• 10. Onder ,,buiten het fondsgebied verleende hulp”
moet worden verstaan de kosten van medische huipver-
leening aan verzekerden, die buiten het fôndsgebied
verblijf hielden en waarvoor niet de normale wijze van
honoreering kon worden gevolgd.
11. De ,,overige uitgaven”, die betrekkelijk gering
géacht kunnen worden, zijn de uitgaven als subsidies,
enz., die door algemeene ziekenfondsen aan Kruisvereeni-
gingen en dergelijke worden verstrekt.

Tandheelkundige verstrekkin gen.

In tabel II hebbeii wij de tandheelkundige verstrekkin-
gen nader geanalyseerd. In dit overzicht ontbreken de
gegevens voor de provinciën Groningen, Friesland, Drenthe
en Utrecht, daar wij voor deze provinciën niet over vol-
doende representatieve cijfers beschikken. Voor de be-
rekening der totaalcijfers is echter wel met alle provinciën
rekening gehouden. Op grond van de verstrekte gegevens

TABEL 11.
Tandheelhundige verstrekkingen
per 1.000 verplicht verzekerden in
1942.

ii
Prov.
bD
.
.i



P

188,825
20,126
4,644 3,779 6,980
Noord-Brabant
……
11,118 7,708
6,110
11,627
Limburg
…………
.
36,310
25,240 2,620 4,507
11,903
109,806
18,000
9,784
7,275
13,206

Overijsel
………….
.93,481

167,416

.

15,381
6,567 4,820
9,487
Zeeland

………….

Gelderland
……….
199,931
19,474
5,317
4,625
9,572
Noord-Holland
…….

206,453
.
18,020
12,662
7,576
23,415
Zuid-Holland
………
Geb.

land

………..
177,594
17,615
7,741
5,662
13,919

18

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Januari 1944

kon worden afgeleid, dat in het jaar 1942 aan verplicht-
verzekerden werden verstrekt:
(Vullingen in het gebit ………596,800
Zenuwbehandelingen in het gebit .. 59.200
Prothesen ………………….26,000
Halve prothesen …………….19,000
Partieele prothesen …………46,800

Verloskundige hulp.

Ook het aantal gevallen van verleende verloskundige
hulp geven wij weer per 1.000 zielen (tabel III) (verplicht-
verzekerd) per jaar, gesplitst naar de verleening door
vroedvrouwen, resp. artsen en specialisten. Zeer opvallend
zijn de verschillen tusschen de onderscheideçi provinciën;
Limburg en Zeeland vormen inderdaad twee uitersten.

TABEL III.
Aantal geoallen van Qerleende oerloskundige hulp door ç’roedn’rouwen, artsen en
specialisten per 1.000 Qerplicht-Qerzekerden in
1942.

Vroed-

Artsen
en

vrouwen

Specialisten

Overijsel

…………………
16,952

6,244
Utrecht
…………………..

..
13,449

5,984
Noorcl-Brabant

……………
16,712

8,760
Limburg

…………………
36,386

.

2,520
Zeeland
..
……………… ..

….

..2,999

25,412
Noord-Holland

……………
16,205

6,155
Gelderland..
………………

.17,713

6,098
Zuid-I-Iolland

………………
17,270

8,601

Geheele land
……………….
16,800

7,459

Verstrekkingen oan kunstmiddelen.

Het gemiddeld aantal der kunstmiddelen, dat gedu-
rende 1942 per 1.000 verplicht-verzekerden werd verstrekt,
blijkt uit staat IV.

TABEL IV.
Verstrekking oan kunstmiddelen
per 1.000 oerplicht-oerzekerden in
1942.

Brillen
Breuk-
banden
Buik-
1
banden
1
Elast.

Orth.
hoei
sc
1
kousenl

se
Steun-
zolen

Overijsel
58,816
1,273
2,368
3,109
0,543 5,512
Utrecht.

…..’
51,399
2,161
2,644 3,258 0,609 1,592
Noord-Holland
59,299
1,810
2,277
3,118
0,404
7,026
Noord-Brabant
40,442
0,965 2,723
2,114
0,270 2,555
Limburg
49,057
0,914
0,837
1,961
0,162
2,556
Zeeland
47,283 1,494
2,439 1,747 0,797 2,750
Gelderland

. . .
50,914
1,631
2,482
3,354
0,550 6,408
Zuid-Holland

.
60,576
2,388
4,058
3,082
0,251
11,796
Geheele land

.
53,318
1,628
2,709
2,856
0,378
7,226

Evenals voor staat III beschikken wij niet over ge-
gegevens over alle provinciën. Bij de gegevens voor het
geheele land is echter wel met de niet-individueel ver-
melde provinciën rekening gehouden.

In 1942 werden aan verplicht-verzekerden verstrekt:
Brillen ……………………179,200 stuks
Breukbanden ………………5,470
Buikbanden …………………9,100
Elastieken kousen …………..9,600 paar
Orthopaedisch schoeisel ……..1,270
Steunzolen ………………..24,300 stuks

Aantal oerpleegda gen.

In tabel V ontbreken de gegevens over de provinciën

TABIIL V.

Aantal ziekenhuisoerpleegdagen
en opnamegei’allen per 1.000 erplicht-oerzekerden in
1942.

Verpleer-
dagen
Opname-
gevallen

Overijsel

………………..
743,894
45,334
Utrecht

………………….
776,716
48,954
Noord-Brabant

…………..
769,622
50,056
Limburg

………………..
1.046,660
60,547
Zeeland

………………….
795,118

….

31,203
Noord-Holland

……………
840,030

…. ….

47,559
Gelderland
………………..
858,836

..
..

49,687
Zuid-Holland

…………….
719,995

..
..
43,060
Geheele

land
………………
..794,231
..
47,878

Groningen, Friesland

en Drenthe; wel zijn deze in de’
berekening van het gemiddelde voor het geheele ,,lancl”
opgenomen. Bij de verschillen, welke in deze tabel op-
vallen, rijst de vraag of hier de medische indicatie meer
of, minder is toegepast, spoediger tot opname werd over-
gegaan of dat de gezondheidstoestand op een verschillend
peil staat. Meer speciale factoren, die min of meer
grooten invloed hebben, zijn eveneens aan te geven.
Ook deze cijfers zijn een nadere bestudeering zeker waard.
In het jaar 1942 werden in totaal opgenomen 160.90G
verplicht-verzekerden, terwijl het aantal verpleegdagen
2.668.800 in ziekenhuisverplegingsinrichtingen bedroeg.

Medische contrôle.

De medische contrôle staat bij vele ziekenfondsen nog in de kinderschoenen. Van de fondsen, waar deze kosten
echter wel gemaakt werden en waarvan de gegevens reeds,
in ons bezit zijn, bleken de kosten f 0,06 per verplicht-
verzekerde ziel per jaar te bedragen. Het aantal inge-
schrevenen gedurende 1942 bij deze groep fondsen bedroeg
960.721 verplicht-verzekerden.

Heroerzekering.

De deskundigen hebben zich bij hun voorspellingen
bijzonder vergist in hun berekeningen,over de uitkeering
bij overlijden en de tegemoetkoming ‘in de kosten van
sanatoriumverpleging. liët is opvallend, dat deze her-
verzekeringskosten voor beide verstrekkingen gelijk en
betrekkelijk gering zijn. De werkelijke kosten zijn nog
lager. Het mag a18 bekend worden verondersteld, dat
de uitkeering bij overlijden vijftig gulden bedraagt en bij overlijden van een kind beneden twee jaar dertig gulden.
Als ,,tegemoetkoming in de kosten van sanatorium-
verpleging” geven de algemeene ziekenfondsen een bedrag
van f 1,50 l9er dag voor den tijd van ten hoogste een jaar.
Beide verstrekkingen zijn, zooals reeds werd vermeld,
herverzekerd, hoewel de herverzekeringsinstituten t.a.v.
deze materie meer administratiekantoren zijn
3).

Totale kosten.

Zooals uit tabel T blijkt, bedragen de totale kosten voor
de verstrekkingen in het jaar 1942 bijna acht en veertig
millioen gulden; dit is
f
14,27 per ziel. Neemt men aan, dat
de gemiddelde opbrengst per ziel in 1942 ongeveer f 16,-
bedroeg, dan kan de belangstellende lezer, indien de
andere factoren in rekening worden gebracht, het saldo
van het vereveningsfonds berekenen.
L. P. VAN DER DOES.

‘)
Zie over het geheele vraagstuk Drs. J. Meuldijk Jr.: ,,De
geldelijke uitkeering bij overlijden ingevolge het Ziekenfondensen-
besluit”, ,,Sociale Verzekeringsgids” Mei 1943, blz. 127 e. v.

EENIGE BESCHOUWINGEN OVER HET
LIDMAATSCHAP VAN DE BEDRIJFS-

ORGANISATIE.

In een vorig artikel
1)
werd een bespreking gewijd aan
het belangrijke vraagstuk van de door de bedrijfsorgani-
saties uit te vaardigen lidmaatschapsverordeningen. In
de hier volgende beschouwingen wordt getracht omtrent
enkele andere aspecten van het lidmaatschapsprobleem
nader dé gedachten te bepalen. Het is geenszins een een-
voudige taak om in deze materie tot klaarheid te geraken,
waar de enkele artikelen in de uitvoeringsbesluiten, die
over het lidmaatschap handelen, weinig of geen houvast
bieden, terwijl ook vrijwel geheel de toelichtingen en
commentaren ontbreken, welke, zooals vroeger de parle-mentaire stukken, eenig licht zouden kunnen verschaffen
omtrent de bedoelingen, die bij de formuleering van de
stof hebben voorgezeten.

1)
Zie ,,E.-S.B.” van 8 Dec. 1943: ,,Het vraagstuk der zgn. ,,er-
kenningen” en de door de bedrijfsorganisatles uit te.vaardigen
erkennings-verordeningefl”. Men zie ook het artikel van Mr. C. E. de Rooy: ,,Rondom het recht van bedrijfsuitoefening” in hetzelfde
-nummer.

12 Januari 1944

ECONOMISCH—STATISTISCHE BERICHTEN

19

op

De bepalingen, welke hier van belang zijn, vindt men
vornamelijk in artikel 3 van het Tweede Uitvoerings-
besluit
2).
Uit de bewoordingen van dit artikel blijkt,
dat in de nieuwe organisatie van het Nederlandsche
bedrijfsleven het beginsel van het verplichte, automa-
tische lidmaatsclap toepassing gevonden heeft
3).
Op
de beteekenis daarvan behoeft in de kolommen van dit
tijdschrift niet nader te worden ingegaan. Wel is het
goed in dit verband er op te wijzen, dat het principe van
het verplichte lidmaatschap – naar men mag aannemen
– voor de organisaties de verplichting met zich brengt,
om ondernemingen, die aan de vereischten voor het lid-
maatschap voldoen, ook als lid te aanvaarden. Tegenover
de organisatieplicht van den ondernemer staat dus een
,,passieve” organisatieverplichting van de betrokken
bedrijfsorganisatie. Tegen dit beginsel is, vooral in den
aanvang van de organisatie, nog al eens gezondigd. Zoo
zag men het vaak gebeuren, dat ondernemers, die in het
verleden nimmer bereid waren gevonden tot een organi-
satie toe te treden, en die in feite het streven der organi-
satie hadden tegengewerkt, thans als lid van de nieuwe
bedrijfsorganisatie werden geweigerd. Zulk een handel-
wijze kan logischerwijze niet worden geduld. Een ieder,
die aan de in de hierna te behandelen instellingsbeschik-
king genoemde normen voldoet, – normen, welke, zooals
in het vorig artikel werd betoogd, in een erkennings-verordening nader kunnen worden geïnterpreteerd -,
moet als lid worden aanvaard. De organisatie bezit dan
wel zoodanige machtsmiddelen, dat practijken, die haar
als ongewenscht voorkomen, voor de toekomst onmogelijk
worden gemaakt.

Aanvang f’an het lidmaatschap.
Het lidmaatschap van de bedrijfsorganisatie vangt aan
met het in werking treden van de desbetreffende instellings-
beschikking, welke, naar de tekst van artikel 3 bepaalt,
indeeling en grenzen van het gebied van het bedrijfsleven,
-waarvoor de organisatie bevoegd is, moet aangeven. Men
kan dus in het algemeen zeggen, dat het tijdstip van
afkondiging van genoemde instellingsbeschikking het lid-
maatschap een aanvang doet nemen. Dit geldt althans
voor die ondernemingen, welke op bedoeld tijdstip reeds
werkzaam waren. Van de ondernemingen, die eerst na
het in werking treden der beschikking hun werkzaamheden
aanvangen, begint het lidmaatschap ook eerst op dit
tijdstip te loopen. In beide gevallen is derhalve van de
zijde van de ondernemers noch een aanmelding noch
eenige andere daad vereischt om het lidmaatschap effectief te doen worden. Het feit, dat een aanmelding niet vereischt
is om het lidmaatschap te doen ingaan, wil nochtans niet

‘)
Bedoeld ,artikel luidt als volgt:
Artikel
3.
De organisatie-commissie bepaalt bij algemeene beschikking,
in overeenstemming met den Secretaris-Generaal van het Departe-ment van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, indeeling en grenzen
van het gebied van het bedrijfsleven, waarvoor de bedrijfsorganisaties
bevoegd zijn. Door zoodanige beschikking worden ondernemers
en ondernemingen (natuurlijke en rechtspersonen), die op het be-trokken gebied van het bedrijfsleven werkzaam zijn, dan wel zoo-
danige werkzaamheid aanvangen, bij de bevoegde hoofdgro
aangesloten. Onder ondernemingen worden ook de bedrijven van publiekrechtelijke lichamen verstaan.
De verdeeling van de leden over de lagere organisaties geschiedt
door de hoofdgroep. Is een onderneming werkzaam op het gebied
van meer dan tén bedrijfsorganisatie, dan wordt zij als boofdlid
in die bedrijfsorganisatie ingedeeld, op het terrein waarvan het voor-
n aamste deel harer werkzaamheden ligt. In andere organisaties
wordt zij als vaklid of, in geval van onbelangrijke, respectievelijk
slechts in hulpbedrijf plaats vindende werkzaamheid, als niet be-
talend bijzonder lid ingedeeld,
Het lidmaatschap van een bedrijfsorganisatie houdt op met
het blijvend stopzetten van de werkzaamheid, welke den grondslag
van dat lidmaatschap vormt.
‘) Vgl. het artikel van Mr. P. A. Blaisse in ,,De Naamlooze
Vennootschap” van Juli 1942, ,,Het rechtskarakter der bedrijfs-
organisaties en de positie van den ondernemer daartegenover”,
waarin wordt betoogd, dat het begrip ,,lidmaatschap”, als stam-
.mende uit de privaatrechtelijke sfeer, in het statuut van de bedrijfs-
organisatie feitelijk ten o1rechte is opgevoerd.

zeggen, dat zulk een aanmelding ook niet gewenscht is.
Integendeel! Wil men vermijden, dat bovenbedoelde
bepaling tot een leege huIs wordt, dan zal men niet kunnen
ontkomen aan een aanmeldingsplicht. Het is eigenlijk
zeer merkwaardig, dat deze aanmeldingsplicht niet uit-
drukkelijk in de uitvoeringsbesluiten is genoemd. De ver-
schillende instellingsbeschikkingen regelen wel de aan-meldingsplicht, doch de desbetreffende bepalingen zijn
waarschijnlijk slechts toepasselijk op de ondernemingen,
die op het moment van in werking treden der instellings-
beschikking op het betrokken gebied werkzaam waren, en
zij hebben derhalve slechts eenm.alige gelding. Voor den
handel en het ambacht, waarvoor de aanmeldingsplicht
in een afzonde.rlijke beschikking is geregeld, is het een-
malige karakter daarvan duidelijk. Het ontbreken in de
uitvoeringsbesluiten van een bepaling, welke de ver-
plichting tot aanmelding regelt, is dan ook zeker als een
leemte te beschouwen. Zooals uit het bovenstaande bleek, vindt de aansluiting bij de bevoegde hoofdgroep plaats op grond van een be-
schikking, waarbij ,,indeeling en grenzen van het gebied
van het bedrijfsleven, waarvoor de bedrijfsorganisaties
bevoegd zijn” worden bepaald. Welke zijn nu deze be-
schikkingen, waarbij deze indeeling en grenzen zijn vast-
gesteld? Met grond kan worden beweerd, dat alle instel-
lingsbeschikkingen – met uitzondering wellicht van
enkele beschikkingen, waarbij hoofdgroepen werden
ingesteld, vgl. bijv. de beschikkingen, houdende instelling
van de hoofdgroepen Handel en Ambacht onder deze
formuleering vallen, omdat zij allen een nadere begrenzing
van het eenmaal door een vorige beschikking afgebakende

gebied geven
4).
Een concreet voorbeeld moge dit duidelijk
maken: de insteffingsbeschikking van de bedrijfsgroep
Detailhandel begrenst nader eeii gedeelte van het gebied,
hetwelk onder’ de hoofdgroep Handel ressorteert, doch de
beschikking, houdende instelling van de vakgroep ,,Detail-
handel in IJzerwaren en Gereedschappen, Verwarmings-
en Sanitaire Artikelen” bakent binnen het aldus begrensde
gebied van den detailhandel weer een aantal nieuwe ge-
bieden af (de gebieden nI. van de aldaar genoemde onder-
vakgroepen). Beide beschikkingen, zoowel die van de bedrijfsgroep Detailhandel als die van laatstgenoemde
vakgroep, vallen onder de formuleering van artikel 3,
lid 1. Werd nu bijv. een ijzerwarenhandelaar bij de hoofd-
groep Handel aangesloten en begon dus voor dezen het
lidmaatschap te loopen op het moment van afkondiging
van eerstgenoemde, dan wel door de laatste beschikking?
Beziet men de zaak practisch, dan moet men tot het laat-
ste besluiten. Immers, stelregel moet toch zijn, dat men
tegenover de verplichting tot Organisatie, welke men een
ondernemer oplegt, noodzakelijkerwijze ook bepaalde
rechten, bepaalde voordeelen stelt. En deze voordee-
len kan de betrokken ondernemer niet deelachtig wor-
den van de bedrijfsgroep Detailhandel, die niet geroe-
pen is en niet in stkat is om hem de behartiging van
zijn specifieke vakbelangen te verzekeren. Dit laatste
kan slechts de vak- c.q. ondervakgroep, tle laagste organi-
satie dus, en het is daarom rationeel om aan te nemen, dat het lidmaatschap eerst ingaat op het oogenblik, dat
de ondernemer van dit lidmaatschap ook de voordeelen
kan genieten, dat is dus op het moment van instelling
van deze laagste organisatie.
Het heeft er den schijn van, alsof dit betoog slechts
academische waarde heeft. Dit is toch geenszins het
geval; voor tal van ondernemingen is dit vraagstuk ook
van practische beteekenis, zooals hieronder moge blijken.
Een onderneming wordt dus door een instellings-
beschikking, als boven besproken, op grond van artikel 3,
lid 1, tot ,,lid” van de betrokken hoofdgroep. Daarnaast
bestaat een lidmaatschap van de lagere organisaties,
4)
Voor den handel is het bovenstaande van het meeste belang,
omdat daar de instellingsbeschikkingen trapsgewijze zijn afge-
komen. Bij de andere hoofdgroepen luiden de beschikkingen per
hoofdgroep, hetzij per bedrijfsgroep.

20

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Januari 1944
afgeleid van dat der hoofdgroep, op grond van een daad
van de hoofdgroep, vgl. artikel 3, lid 2: ,,De verdeeling van de leden over de lagere organisaties geschiedt door
de hoofdgroep”. Men kan het derhalve aldus zien, dat
een onderneming, behalve van de hoofdgroep, lid is van
alle lagere organisaties. Men kan ook aldus redeneeren,
dat deze ondernemer lid is van de hoofdgroep Handel,
als draagster van het lidmaatschap van alle ondernemin-
gen, die den handel uitoefenen, dat hij door of vanwege

de hoofdgroep
5)
bij de laagste organisatie wordt inge-

deeld en dat de tusschenliggende organisaties geen mdi-
vidueele leden kennen, doch slechts corporatieve leden,
nl. de vak- en ondervakgroepen, resp. de ondervakgroepen.
Dit is ook practijk. Deze ,,hoogere” organisaties hebben
in het algemeen niets met de individueele ondernemers
van doen, zij hebbeil met deze in den regel ook geen contact: haar leden zijn de onder haar ressorteerende
groepen. Een en ander sluit uit den aard der zaak niet
uit, dat de hoogere organisatie een zuiver administratief
contact met de individueele ondernemingen onderhoudt,
zooals de bedrijfsgroepen bijv. in vele gevallen voor de
contributie-inning en voor de vorming van een cartotheek
zorg dragen. Wanneer dan ook bijv. de bedrijfsgroep
Groothandel een cartotheek verzorgt, dan geschiedt: dit
niet, omdat zij behoefte gevoelt om met elk der in deze
cartotheek geregistreerde ondernemingen in rechtstreeksch
contact te staan (dit toch blijft in eerste instantie aan de
lagere organisaties voorbehouden), doch omdat zij als
centraal orgaan – men denke hier aan de statistische
taak en aan de zorg voor een juiste indeeling – daartoe
als het ware aangewezen is.

Moeilijkheden bij de indeeling der ondernemingen.

Elk streven om te komen tot een sluitençle organisatie
van het bedrijfsleven, elk streven om dit zoo oneindig
gevarieerde bedrijfsleven te dwingen in een naar zijn aard
onsoepel systeem van bepalingen, zal noodzakelijk een
aantal bezwaren ontmoeten, welke niet te ondervangen,
doch ten hoogste te beperken zijn. Elke indeeling van het
bedrijfsleven in een aantal groepen zal onafwendbaar
een stroef, schematiseerend karakter hebben, hoe vaag
de grenzen dezer groepen ook worden aangegeven en hoe
ruim ook, in verband daarmede, de armslag bij de indeeling

kan zijn.
Men steile zich immers voor, hoe de organisatie plaats
vindt. 1-let bedrijfsleven woidt in een zestal groote stukken
gedeeld (hoofdgroepen). Uit den aard der zaak treden
reeds hier onmiddellijk
leemten
aan den dag, doordat er

tal van ondernemingen zijn, die onder geen dier zes hoofd-
groepen kunnen worden ondergebracht. Men denke bijv.
aan ondernemingen als nachtveiligheidsdiensten, in het al-
gemeen aan de zgn. dienstverleeningsbedrijven, wier karak-
ter nog in het geheel niet duidelijk is. Anderzijds vinden

ooerlappingen
plaats, doordat een onderneming op grond

van haar functie logischerwijze tot twee groepen zou
kunnen worden gerekend, zoodat discriminatie dient plaats te vinden. Een soörtgelijke cumulatie van leemten en over-

5)
In de practijk vindt de indeeling meestal niet door de hoofd-
groep plaats, doch door de bedrijfsgroepen. De bepaling, dat in-
deeling door de hoofdgroep plaats vindt, heeft dan ook blijkbaar
meer ten doel het beginsel tot uitdrukking te brengen, dat, ingeval
van meeningsverschil omtrent de indeeling, door welke oorzaak
ook, de hoofdgroep de beslissende instantie is. Bij verschil van
meening
tusschen twee hoofdgroepen
beslist de Secretaris-Gene raal
(zie artikel 24 Derde Uitvoeringsbesluit). Door artikel 13, lid
4, van het Vijfde Uitvoeringsbesluit is deze bevoegdheid door
den Secretaris-Generaal aan den Raad voor het Bedrijfsleven
overgedragen. Uiteraard zal deze procedure uitzondering blij-
ven, daar in de meeste gevallen tusschen de betrokken
hoofdgroepen wel een compromis kan worden bereikt. Het
zal hier meestal wel niet gaan om de indeeling van dtn of meer
individueele ondernemers, doch eerder om het onderbrengen van
een
categorie
ondernemers bij de eene dan wel bij de andere hoofd-
groep. In vele gevallen zal de practijk er toe leiden om het bedoelde
overleg tusschen twee boofdgroepen aan een bepaalden vorm te
binden (vgl. als voorbeeld van een
dergelijk
orgaan van overleg
de Commissie Afbakening Industrie/Ambacht).

lappingen in de organisatie herhaalt zich bij de onder-
verdeeling der hoofdgroepen, vervolgens nogmaals binnen
de bedrijfsgroepen en in sommige gevallen tenslotte nog-

maals binnen de vakgroepen.
De aard van de organisatie brengt, met zich, dat
zooveel mogelijk gelijksoortige ondernemingen binnen
één groep worden samengevoegd. Ware dit niet het geval,
dan zou immers de organisatie niet of nietdoelmatig haar
taak kunnen vervullen. Elk van die groepen van gelijk-
soortige ondernemingen vordt nu als het ware geïsoleerd
beschouwd en voor deze groepen worden vervolgens
instellingsbeschikkingen gemaakt. Aldus heeft men bijv.
in den detailhandel beschikkingen gekregen voor den
detailhandel in kruidenierswaren, —in brood,—in zuivel
en enkele tientallen andere groepen. En aldus kon onge-
veer 99% van den detailhandel worden ingedeeld, doch
tal van ondernemingen zijn voorshands onorganiseerbaar
gebleven, omdat voor hen geen instellingsbeschikking

aanwezig is (detaillisten in touw, – in brandblusch-
apparaten bijv.). Uiteraard zou het mogelijk zijn deze
(meestal kleine) ondernemingen in een bepaalde groep
onder te brengen door de instellingsbeschikking van deze

groep ruim te interpreteeren. Voorts bestaat evenzeer de mogelijkheid al deze ondernemingen, welke bij den hui-
digen stand van zaken niet in de bestaande groepen
passen, bijeen te organiseeren in een te vormen ,,sluit-
groep”. Alvorens daartoe over te gaan, bedenke men
echter, dat moet worden georganiseerd niet om der wille
van het organiseeren zelf, doch slechts dan, wanneer
men tegenover de (vaak zware) verplichtingen, welke men
den ondernemer door het lidmaatschap oplegt, bepaalde
rechten kan stellen, en wanneer hem in elk geval de vol-
ledige behartiging van zijn, in dit geval specifieke, be-
langen kan worden gewaarborgd. Noch door Organisatie
in een ,,sluitgroep” als bovenbedoeld, noch door indeeling
bij een bestaande verwante groep zou een dergelijke

belangenbehartiging worden bereikt.
Dezelfde moeilijkheid doet zich bij het ambacht met zijn sterke specialisatie in nog sterker mate voor. Voor
vele ambachtsbedrijfjes heeft men van organisatie voor-
loopig moeten afzien, omdat geen groepen aanwezig zijn,
waarbij zij zouden kunnen worden ondergebracht
6).

Wij komen in dit verband nog in het kort terug op de
boven gedane bewering, dat het lidmaatschap van de
ondernemingen – d.w.z. de aansluiting bij de hoofdgroep
– eerst ingaat op het moment van instelling van de
laagste organisatie. Vooral voor de zoo juist besproken onorganiseerbare ondernemingen is deze constateering
van belang, omdat daarmede wordt vastgelegd, dat zij,
voordat de instellingsbeschikking van de laagste Organi-
satie, waartoe zij behooren of waarbij zij worden ingedeeld,
is tot stand gekomen, niet deel uitmaken van de zelf-
standige organisatie van het bedrijfsleven, en dat hun
uit dien hoofde geen verplichtingen kunnen worden

opgelegd, terwijl zij uiteraard ook van de aan het lid-
maatschap verbonden voordeelen verstoken blijven
7).

Uit het bovenstaande kan reeds blijken, dat het ont-

breken van het lidmaatschap de uitoefening van het
bedrijf niet kan verhinderen of, anders uitgedrukt, dat
het behooren tot de organisatie van het bedrijfsleven
niet maar zonder meer – tenzij, zooals in ons vorig
artikel werd betoogd, bij een erkenningsverordening
uit-

sluiting
van het lidmaatschap plaats heeft gevonden -,
en zeker niet in de huidige phase van organisatie, als voor-
waarde kan worden gesteld voor de uitoefening van het be-
drijf. Daarom is het o.i. ook onjuist en getuigt het van een
verkeerd inzicht in het wezen en den opbouw van de

) Een kleine bloemlezing uit deze categorie: mosterdmakerij,
fabricage van bakkerij-spuitzakken, lekstoppenfab nek, vervaar-
diging van dichtingsmateniaal; – van Haarlemmerolie, – van
kleermakersbusten, – van plantaardig ketelsteeniniddel, – van
schoenzooltjes, – van anti-ladderproduct, snuiffabriek, e.t.q.
‘) Anders in een artikel onder de rubriek ,,Handel” in ,Eco-
nomische Voorlichting” 1943, no. 3, pag. 66.

12 Januari 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

21

organisatie, dat het lidmaatschap va1 een bedrijfsorgani-
satie bijv. door Rijksbureaux als eisch wordt gesteld
voor het verkrijgen van toewijzingen. Hoogstens zou men
kunnen verlangen, dat wordt aangetoond, dat de onder-
neming zich op de voorgeschreven wijze bij een organisatie
heeft aangemeld. Tal van ondernemingen worden thans
door het stellen van een, eisch als boven bedoeld onnoodig
gedupeerd.
In dit verband moge er tevens op worden gewezen,
dat de indeeling bij en daarmede het lidmaatschap van
een bepaalde bedrijfsorganisatie slechts
organisatorische
beteekenis
heeft en dat deze indeeling niet steeds met het
werkelijke economische karakter van de betrokken onder-
neming behoeft overeen te stemmen. Zoo4zijn bijv. tal
van ambachtsondernemingen om redenen van doel-
matigheid of wegens andere motieven bij de organisaties
van de industrie ingedeeld. Het zou dan ook onjuist
zijn, indien men voor de behandeling van deze onder-
nemingen bijv. bij marktregelingen deze organisatorische
indeeling als norm zou gaan stellen. Men zie bijv. een
circulaire van de ondervakgroep Gortpellerijen van
28 April 1942, waaruit kan blijken, dat voor de beoordee-
ling, of aan een bepaalde onderneming de grossiers-
dan wel de detaillistenprijs zal worden berekend – o.i.
volkomen ten onrechte -, de inschrijving bij de bedrijfs-
groep Groothandel als maatstaf wordt genomen.

Naast de zoojuist besproken leemten ontstaan ook
regelmatig
overlappingen,
ni. wanneer een onderneming
voor de uitoefening van één functie bij twee of meer groepen zou zijn onder te brengen. De hier bedoelde
bezwaren zijn, naar de practijk uitwijst, zij het na vaak
langdurig overleg, in de meeste gevallen wel op te lossen
door middel van door de betrokken groepen af te sluiten
,,afbakeningsovereenkomsten”, waardoor de werkterreinen
van elk dier groepen zoo nauwkeurig mogelijk worden
omgrensd en op basis waarvan vervolgens de indeeling plaats vindt.
Alle hierboven uiteengezette bezwaren krijgen uiter-
aard nog meer reliëf door de buitengewone snelheid,
waarmede de orgapisatie van het bedrijfsleven haar
beslag heeft gekregen. De enorm korte tijd, waarbinnen
deze organisatie is tot stand gekomen, heeft, zooals van-
zelf spreekt, zijn sporen nagelaten. Zonder dat een lang-
durige voorbereiding mogelijk was, zonder dat den orga-
nisatoren een alzijdige oriëntatie was gegund, moest
deze zeer ingewikkelde materie worden ter hand genomen.
In talrijke gevallen miste men nauwkeurige recente
gegevens over de structuur van den te organiseeren be-
drijfstak èn andere data, welke feitelijk noodzakelijk
zouden zijn geweest om de meest doelmatige organisatie
te kunnen opbouwen. En verder ligt het voor de hand,
dat concrete bezwaren tegen de wijze van opbouw eerst
in de practijk van het organisatieleven naar voren kwamen.
Het is dan ook te verwachten, dat nog jaren zullen ver-
loopen, – jaren, waarin de organisatie op tal van punten zal moeten worden aangevuld of gewijzigd en overeen-komsten de noodzakelijke scheiding van werkterreinen
zullen moeten brengen – alvorens kan worden gezegd,
dat de in de gegeven omstandigheden meest doelmatige
opbouw is bereikt.

Dubbel en meervoudig lidmaatschap.

Een ander bezwaar, hetwelk inhaerent is aan een strak
en consequent doorgevoerd organisatie-systeem, zooals
het hier te lande toepassing heeft gevonden, is dat van
het dubbel en zelfs meervoudig lidmaatschap. Zooals
boven reeds bleek, wordt niet de onderneming als zoo-
danig georganiseerd, doch de onderneming, een bepaalde
functie op het gebied van het bedrijfsleven uitoefenende.
Een dubbele of meervoudige organisatie vindt dus
niet
plaats wegens dezelfde werkzaamheid. Noodsakelijk
wordt dubbele of meervoudige organisatie echter steeds,
zoodra binnen -één onderneming
verschillende
werkzaam-

heden, vallende onder
verschillende
instellingsbeschikkingen,
worden uitgeoefend. Organisatie binnen vijf of zes groepen
is dan ook, met name in groothandel, kleinhandel en
ambacht, genszins uitzondering
8).
Voor de groepen
heeft dit deze consequentie, dat zij naast die ondernemin-
gen, die in den betrokken bedrijfstak hun hoofdbedrijf
hebben, tevens als lid krijgen toegewezen al die onder-
nemers, die in dezen bedrijfstak een nevenbedrijf uit-
oefenen. De groep Detailhandel in Lederwaren bijv. zal
dus moeten opnemen, behalve die handelaren, die ge-
noemde artikelen in hoofdbedrijf of als min of meer be-
langrijk nevenartikel voeren, ook de duizen.den kappers-
bedrijven, byouteriezaken, win,kels in damesmode-artikelen,
enz., die eveneens, zij het vaak in zeer geringe mate, het
artikel lederwaren verhandelen. Bij deze redeneering
wordt er van uitgegaan, dat de hier bedoelde ondernemin-gen overigens aan de normen voldoen, die de in ons vorig
artikel besproken ,,erkennings-verordeningen” voor het
lidmaatschap van een bepaalde bedrijfsorganisatie zullen
stellen.
Men kan een dergelijke wijze van organisatie, vooral
voor de kleinere bedrijven, te bezwaarlijk achten, de tekst ‘
van het hierboven weergegeven artikèl 3 laat o.i. de
mogelijkheid voor een andere interpretatie niet open.
In dezelfde richting wijst ook de term ,,omvatten” -in de
verschillende instellingsbeschikkingen (,,de groep omvat
alle in Nederland gevestigde ondernemingen, welke enz.”),
welken term men zeker zal moeten opvatten in den zin
van ,,neemt als leden op” en niet slechts als ,,onderwerpt
aan haar rechtsmacht”. Ook de practijk maakt het wen-
schelijk, dat juist de kleine bedrijfjes volledig in de orga-
nisatie worden opgenomen. Wil een bepaalde groep
leiding kunnen geven aan haar bedrijfstak, wil zij haar
taak tegenover de centrale Overheid en tegenover het
aan haar zorgen toevertrouwde deel van het bedrijfsleven
ten volle vervullen, dan is het noodzakelijk, dat zij ook
de kleine bedrijven, die trouwens vaak de meeste moei-
lijkheden zullen berokkenen en voor een doeltreffende
ordening de grootste hindernissen opleveren, kent en
onder haar hoede neemt. In ,,Economische Voorlichting”
no. 3, pag. 57 jg. ’43, wordt in een artikel, ,,De omvang
van de verordenende bevoegdheid der bedrijfsorgani-
saties”, o.i. ten onrechte, een andere opvatting verdedigd.
De schrijver poneert in dit artikel zijn stelling, dat de verordeningen der groepen ook niet-leden binden, en
noemt dan als practisch argument voor deze stelling,
dat daardoor de gelegenheid ontstaat om de organisatie
zoo eenvoudig mogelijk te houden. Ondernemingen,
‘yvelke bepaalde handelingen slechts in zeer beperkten
omvang verrichten, behoeven – aldus wordt betoogd –
niet voor deze handelingen georganiseerd te worden,
omdat zij toch aan de verordeningen van de desbetref-
fende groep onderworpen zijn.
Deze redeneering is

o.i. niet juist. Niet alleen eischt
artikel 3 de Organisatie van Mle ondernemingen, ook van
die, welke op het betrökken gebied slechts in beperkte mate werkzaam zijn, zulks is ook noodzakelijk, wil de
betrokken groep haar doeleinden kunnen verwezenlijken.
Boven werd reê’ds toegegeven, dat de door artikel 3
gestelde eisch, dat alle, ook de kleinste ondernemingen,
voorzoover zij aan de lidmaatschapseischen voldoen, als
lid vaii de Organisatie moeten worden opgenomen, èn
de groepen èn de ondernemingen vaak (vooral admi-
nistratief) onevenredig zwaar zal belasten. Een al te
groote administratieve rompslomp kan wellicht worden
voorkomen door overeenkomsten tusschen de belang-
hebbende groepen, waarbij de registratie (eventueel ook
de contributie-inning) van bepaalde categorieën van
ondernemingen, die tot elk dier groepen behooren, aan

‘) Bij voorkeur wordt het betoog met voorbeelden uit handel
en ambacht gestaard, omdat daar dit vraagstuk het meest spreekt
en omdat daar de moeilijkheden, verband houdende met de lid-
maatschapsproblemen, meer naar voren komen dan in de overige
organisaties.

22

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Januari 1944

één van hen wordt opgedragen. Formeel blijven de onder-
nemingen dus van elk der betrokken groepen lid – zoodat
de constructie van het
bovenvermelde
artikel in ,,Eco-
nomische Voorlichting” niet noodig is —,idoch admi-
nistratief (eventueel ook financieel-administratief) wordt
een aanmerkelijke vereenvoudiging van de organisa-
torische belasting, voor de groepen zoowel als voor de
leden, tot stand gebracht.
9)

Is een vèrgaande organisatorische belasting in vele
gevallen al niet te voorkomen, wel is getracht de grootste
bezwaren er aan te ontnemen door het creëeren van
enkele graden van lidmaatschap, nI.

Hoofdieden, ç’akleden en bijzondere niet-betalende leden.

Ingevolge het tweede ilid van artikel 3 – hierboven
reeds gereleveerd – wordt een onderneming, die werk-
zaam is op het gebied van meer dan één bedrijfsorgani-
satie, ingedeeld:
als
hoofdlid
in die bedrijfsorganisatie, op het terrein
waarvan het voornaamste, deel harer werkzaamheid ligt;
in andere organisaties wordt zij ingedeeld als
Qaklid,
of in geval van onbelangrijke, resp. slechts in hulp-
bedrijf plaats vindende werkzaamheid, als
niet-betalend
bijzonder lid.
Deze gradatie geldt naar den letter slechts voor de
organisaties binnen één hoofdgroep, zoodat bijv. een
groothandelaar-detaillist als hooi dlid bij den groothandel
en als vaklid bij den detailhandel, of omgekeerd, za]
worden ingedeeld. Zeker is, dat in de huidige phase van opbouw, nu de samenwerking op dit terrein tusschen de groepen nog niet geperfectionneerd is, aan deze onder-
scheiding nog niet veel aandacht zal worden geschonken.
Hoewel zulks niet met zooveel woorden uit den tekst
van artikel 3 blijkt, zal het doelmatig zijn, indien men
bovenbedoelde gradatie-regeling naar, analogie ook bin-
nen de lagere organisatie toepast, zoodat in bovenge-
noemd voorbeeld de ondernemer binnen de bedrijfsgroep
Detailhandel nog eens in de resp. vak- en ondervakgroepen
als hoofdlid, vaklid en bijzonder lid zal moeten worden
ingedeeld.
10)

Deze lidmaatschapsgradatie kan, indien consequent doorgevdèrd, zoowel voor de groepen als voor de be-
trokken ondernemingen een aanzienlijke vermindering

van de organisatorische belasting, resp. een efficiente
verdeeling van deze belasting bewerkstelligen. Eenerzijds
zou een regefing te treffen zijn, zooals deze elders be-
staat en volgens welke de resp. vakbelangen van den
ondernemer door alle betrokken groepen worden behar-
tigd, doch de algemeene belangenbehartiging (d.i. dus de
behartiging van andere dan specifieke vakbelangen)
slechts geschiedt door de groep, waarbij de ondernemer
als hooi dlid is ingedeeld.
Anderzijds zal met behulp van deze gradatie door de
organisaties, voor wat betreft’ het contact met haar leden,
een bepaalde arbeidsverdeeling kunnen worden toegepast.
Zoo kan men zich indenken, dat met een belangrijke
aanwijzing van den voorzitter van een hoofdgroep, welke
aan alle leden individueel moet worden ter kennis
gebracht, aldus wordt gehandeld, dat de bedrijfs- of vak-
groepen hierbij worden ingeschakeld, die bedoelde aan-
wijziging slechts aan haar hoofdleden verzenden, waardoor
wordt bereikt, dat elk der bij de hoofdgroep ingedeelde ondernemingen deze slechts eenmaal ontvangt. Ook in
tal van andere gevallen kan, door op bovenomschreven
wijze te handelen, worden voorkomen, dat de meer-

‘)
Men vgl. omtrent deze materie nog he artikel ,,Collectieve
aansluiting hij hedrijfsorganisaties” in ,,Economische Voorlich-
ting” no. 33 van 12 Nov. j.l.
10)
Door de Centrale Carthoteek Detailhandel-Ambacht, welke
voor den detailhandel en het ambacht voor een voorloopige in-
deellog heeft zorg gedragen, Is een onderscheiding tuaschen hoofd-
leden en ‘Vakledert tot stand gebracht. Een verdergaande 8plitsing
kon, hij gebreke van normen, welke door de groepen zelf dienen
te worden opgesteld, nog niet worden gemaakt.

voudig georganiseerde onderneming de organisatie als
een last gaat ondervinden (overstrooming met papier-
lawines, overmatige enquêteuring, enz.).
De derde hierboven genoemde categorie van leden,
de bijzondere nipt-betalende leden, wordt gevormd door
hen, die de voor de desbetreffende groep van belang
zijnde werkzaamheden slechts in onbelangrijke mate,
resp. slechts in hulpbedrijf verrfchten.
Onder ,,hulpbedrijf” zal men, gezien het verband met

de overeenkomstie Duitsche bepalingen, moeten ver-
staan hetgeen de zgn. ,,Reform-Erlass” van 7 Juli 1936
met dien term aanduidt, nl. een bedrijf, dat, op een voor
soprtgelijke ondernemingen typische wij ze, overwegend
voor de eigen behoefte van de onderneming werkt en
slechts bij wijze van uitzondering of in relatief onbetee-
kenende mate voor de vrije markt.
Wanneer bepaalde werkzaamheden slechts in
onbelang-

rijke mate
worden verricht, is in het algemeen moeilijk
uit te maken. Het gaat hier uiteraard om een absoluten
norm, niet om een relatieve, d.w.z. niet om de vraag,
of een werkzaamheid voor èen bepaalde onderneming
al dan niet belangrijk is. Omtrent dergelijke normen
zullen het best de betrokken groepen kunnen adviseeren.
Bij gemis aan een desbetreffende bepaling zal men op
grond van artikel 3, lid 2, Tweede Uitvoeringsbesluit
moeten aannemen, dat de beslissing omtrent ,,Uner
heblichkeitsgrerizen” door de hoofdgroep plaats vindt,
zij het dan ook, dat deze haar bevoegdheden aan de
bedrijfsgroep kan delegeeren.
Het practische nut van het bijzondere lidmaatschap
ligt in de omstandigheid, dat de onderneming voor het
desbetreffende onderdeel contributie-vrijstelling wordt
verleend. Kan dus op dergelijke wijze een financieele
overbelasting worden voorkomen, in organisatorisch op-
zicht zal een yermindering van de belasting in de practijk.
wel niet gemakkelijk zijn te verwezenlijken, gezien de nood-
zaak – waarop reeds hierboven werd gewezen -, dat de
bedrijfsorganisaties juist uit practische motieven alle
ondernemingen, ook de zeer kleine, in haar gelederen
opnemen.
Mr. J. F. B. VERMAAS.

DE ONTWIKKELING OP DE INTER-

NATIONALE EFFECTËNBEURZEN IN 1943

II.
Brussel.

De beurs van Brussel, waar het’koersniveau wegens
het ontbreken van stopkoersen veel sterker was gestegen
dan in Amsterdam en Berlijn, heeft, in tegenstelling met de beide laatste beurzen, in 1943 een belangrijke reactie
te zien gegeven. Een groot deel van het koersverlies –
zeer ruw genomen de helft – kon de laatste maanden
echter weer worden ingehaald. Het algemeen indexcijfer
was nl. als volgt:

9
Mei
1940 = 100

aandeelen

obligaties
31 Dec. 1942
……………

357,4

134,37
19 Jan. 1943

……………..377,3

134,57
6 Aug. 1943
……………..
282,8

136,19
29 Oct.

1943

………………
333,3

136,79
29 Dec. 1943

……………..
342,5

137,45

Het koersbeeld hangt dus nauw samen met de militaire
en politieke ontwikkeling. Het laagste niveau valt on-
geveer samen met het aftreden van Mussolini. De aan-
deelenmarkt blijkt zeer gevoelig te zijn voor exogene
invloeden, de obligatiemarkt bleef er daarentegen vrijwel
immuun voor. Duidelijker wordt dit nog, als wij het
koersverloop gedurende den oorlog bezien van een vijftal
van de meest toonaangevende aandeelen:

12 Januari 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23

Belg. francs
9 Mei
1940
hoogste koersen in
1940

1942
2 Aug.
1943
24 Dec.
1943

Soc. Gén. de
Belgique

. . .
1.925
5.275

ij
.250

11.500 7.510

9.200
Sofina
……….
4.950
12.300

29.900

28.900 20.210

25.550
Angleur Athus
354
760

1.150

1.065
760

825
Union Minière
.
3.345

.

7.000

13.800

13.500 9.580

11.800
Brufina
328 845

1.850

1.745
1.200

1.425

In 1943 hebben de voornaamste aandeelen groote koers-
fluctuaties te zien gegeven. Een aantal voorbeelden doen

wij hier volgen.

Hoogste
1943
Laagste
1943
Eind
Dec. 1943

I.odçte

laagste

Oude schuld
95,95
88,50
95,95
108,4
Elh. 3+
%
’37
95,40
90
94,80
106
Geunif. schuld
102,8
100
102.80 102,8
Brufina

.
;.
1.700 1.100
1,395,00
154,5
Cofinindus

.
547,50
381
440
143,7
Electrobel

.
4.300
2.900
3.820 143,7
Electrorail

.
7.600
5.850 6.850
129,9
Sofina
31.100
19.510
25.460
159,4
Cockerili

.
4.440
3.065
3.450 144,9
Ougrée
Marihaye
1.685 1.175
1.322
143,4
La Lainfère
3.200 2.060 2.705
155,3
Viscose

….
2.625 1.520 2.055 172,7
U. Cotonn.
6.990
4.510
5.760
155
Geomines

..
1.850
1.160
1.497 159,5
Katanga preI.
149.900 90.000
118.200
166,6
Katangaord
122.900
74.900
100.250
164,1
Kilo Moiopb.
822,50 602,50
750
146,5
Un Minitre
13.700 9.200 11.660 148,9
Fin. Caout

.
.
470
317
378
148,3
Englebert

. .
4.390 3.325 4.090
136,1
Pap. Belg. p.
1.990
1.400
1.745
142,1
Innovat. 1. . .
14.550
10.100
13.710
144,1

De tegenstelling van dit bewogen beeld tot het volmaakt
onbewogen karakter der Nederlandsche aandeelenmarkt
is slechts schijnbaar. Hier te lande nl. verhinderden de stopkoersen een verdere stijging boven het niveau van
begin November 1942 voor Olies, Cultures e.d. en boven
het niveau van begin Maart 1943 voor binnenlandsche industrieelen en andere soorten. Dezelfde stopkoersen
verhinderen thans een daling onder dat niveau, omdat
het niet mogelijk bleek alle aankooporders tegen die stop-
koersen uit te voeren, wegens het ontbreken van vol-
doende, resp. van ebnig aanbod. De geaccumuleerde achter-
stallige aankooporders worden in een fonds als Kon.
Olies thans nog geschat op 2.000 â 2.500 stuks, ioodat
men thans nog bezig is aan orders van November vorige
jaar; in H.V.A.’s en Unilevers op verschillende honderden
stuks. In binnenlandsche industrieelen is de achterstand
veel geringer, in vele gevallen bestaat hij niet meer.
In Parijs en Brussel kent men dezen toestand niet.
Daar konden vraag en aanbod vrij in evenwicht komen
en was de koers – in tegenstelling tot Amsterdam –
de uitdrukking van de feitelijke verhoudingen van vraag
en aanbod.

Londen.

Men kan moeilijk zeggen, dat de Londensche beurs in 1943 een infiatiekarakter heeft gedragen, hoewel enkele
verschijnselen daar wel aanleiding toe zouden hebben
kunnen geven. De practische conclusies, die de aandeelen-
markt uit deze verschijnselen heeft getrokken, werden
voor een deel weer door andere overwegingen teniet ge-
daan, zooals de hooge belastingen, de moeilijke grondstof-
voorziening, de moeilijke positie van de Britsche in-
dustrie na den oorlog – met name wat betreft haar con-
currentievermogen t.o.v. de Amerikaansche industrie.
Ook het ontstaan van industrieën in landen, die vöÔr den oorlog een belangrijk afzetgebied voor Engeland
waren, en het gevaar van een toenemend streven naar
autarkie werken remmend op den ondernemingslust ter
beurze. In dit verband trok voortdurend de buitengewone
achteruitgang der Engelsche betalingsbalans sterk de

aandacht, mede omdat de voorwaarden voor de grond-
stoffenvoorziening na den oorlog hier nauw mede

samenhangen.

Ook de tendenz tot toeneming der sociale – naast de
fiscale – lasten (o.a. Beveridge-plan) vormden tijdelijk
een beursfactor, die een domper zette op een potentieele
inflatie-hausse, welke zoo nu en dan dreigde door te breken,
als gevolg van de, ook in Engeland met een toenemende
goederensclaarschte hand in hand gaande, groote geld-
ruimte, een dreiging, welke steeds prompt werd gevolgd
door het lanceeren van geruchten, dat de Overheid een
ongemotiveerde koersstijging niet zou tolereeren.

Wat de algemeene factoren, die de beursstemming tot
stand brachten, betreft, heeft het oorlogs- en het politieke
nieuws per saldo weinig invloed gehad. Zoo bleek de
lichte hausse na den inval in N.-Afrika slechts kortstondig,
al bleven de oorlogsindustrieën (Armstrong en Vickers)
en koloniale waarden, alsmede binnenlandsche in-
dustrieelen, zooals , ,Courtaulds” er , ,I mperial Chemical”,
hierdoor niet onbeïnvloed. Meestal deden zuiver finan-
cieel-economische berichten de beurs spoedig weer naar de
realiteit terugkeeren. Zoo is niet te ontkennen, dat het
bekend worden van berichten als de winstdaling der
,,British American Tobacco” met ongeveer 25 %, nl. van
£ 4,09 tot £ 3,07 millioen, gepaard gaande met een di-videndverlaging van 141 tot 10%, wel geschikt waren
om iedere hausse te temperen, resp. in haar tegendeel te
doen verkeeren. In het onderhavige geval bijv. viel hieruit
weer gemakkelijk te concludeeren tot een, de Empire-
situatie typeerende, ontwikkeling. Men realiseerde zich
nI., dat het verlies niet alleen uit het Oost-Aziatische
bedrijf voortvloeide, doch evenzeer uit de Amerikaansche
dochtermaatschappijen, welker aandeelen bij de ,,Recon-struction Finance Corjoration” moesten worden verpand.

Om den haverklap waren er voor het overige berichten,
die den Engelschen belegger op onaangename wijze her-
innerden aan den voortdurenden achteruitgang der be-
talingsbalans. Zoo bijv. de officieele verklaring van Zuid-
Afrikaansche zijde, dat als regel geen goud meer aan
Engeland afgegeven zou worden, daar men dit zelf noodig
heeft voor betaling van den goedereilimport uit de Ver-
eenigde Staten. Het moederland zou nog slechts goud krijgen voor terugbetaling van in Londen opgenomen
leeningen, zoodat de goudstroom uit dien hoofde wel
niet groot meer zal zijn geweest. In dit verband waren
zoowel dè goudkwestie als de verhouding $- voort-
durend onderwerp van discussie, die de marktstemming
nu eens in de eene, dan weer in de andere richting ten-
.deerden te beïnvloeden, al naar gelang men meende, dat,
hetzij bij het goud, hetzij bij de toekomstige vaststelling
der valutaverhouding, de – Engelsche, resp. de Amen-
kaansche – import-, de export- of de financieele belangen
de overhand zouden krijgen.
Blijkbaar gaf men zich echter wel terdege rekenschap van het geleidelijk duidelijker wordende Amerikaansche
overwicht, hetwelk na den oorlog zoo maar niet weer on-
gedaan zal zijn gemaakt. De berichten, die dienaangaande
omtrent enkele voor de Londensche beurs belangrijke artike-
len binnendruppelden, lieten aan duidelijkheid niets te
wenschen over. Zoo bijv. die over de oprichting. door den
Amerikaanschen Staat van de ,,Rubber Reserve Corp.”, de
,,Petroleum Reserve Corp.” en de ,,Metals Reserve Corp.”,
(koper en tin). De werkzaamheden dezer grootsch opge-
zette ondernemingen tot, beheersching der grondstof-
markten, wijzen er duidelijk op, dat hier een blijvend
gevaar voor de Engelsche belangen aanwezig wordt ge-
acht. Teekenend is in dit verband bijv., al zegt het bij
de huidige mârktconstellatie niet veel, dat de prijs voor
synthetische rubber in de Vereenigde Staten dezen herfst
lager werd gesteld dan die voor natuurrubber. Dat rubber-
aandeelen hierop te Londen niet reageerdeii, is niet zoo onbegrijpelijk,, daar deze na de bezetting van, Malakka

24

ECO4OMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Januari 1944

door Japan eind 1941 – in tegenstelling met die te Am-
sterdam – met 50% waren gedaald, waarop later weer

een behoorlijk herstel intraj, toen men zich realiseerde,

dat het koersniveau zelfs beneden het bedrag der in Londen
bij de betreffende ondernemingen aanwezige liquide
middelen was gedaald. Een ander teeken van de expansie
der Vereenigde Staten op de grondstofmarkten was bijv.
de overdracht van £ 1 millioen nom. deelnemingen aan
de ,,Rhodesian Anglo American of South Africa”.
De Amerikaansche penetratie op de petroleummarkt
(Mexico, Venezuela, het Nabije Oosten) is té bekend. Wij
memoreeren slechts het afstaan van de Iracj Petroleum
belangen door de ,,Anglo Iranean” en de ,,Royal Dutch”

aan de VereenigdeStaten.
De eenige afdeeling van de Londensche beurs, die ge-
regeld onder invloed van inflatie-vrees stond, was die der

Zuid-Afrikaansche mijnen (goud en diamant), waarbij
men echter wel moet bedenken, dat het grootste deel der
vraag uit Zuid-Afrika zelf kwam, welk land van de groote
geldruimte en de onmogelijkheid, waarin het moederland
verkeert om voldoende goederen te leveren, gebruik
maakt om aandeelen terug te koopen. Voor de Zuid-
Afrikaansche goudmijnen komt daar nog de overweging
bij, dat de ontwikkeling der Keynes-White-plannen geacht
wordt meer in de richting te gaan van een blijvende rol
van het goud bij de door Engeland en de Vereenigde
Staten besproken wereldvaluta-prdening, dan aan-

vankelijk werd gedacht. Bovendien overwoog men,
dat na den oorlog alle landen min of meer van inflatie
zullen blijken te hebben geleden, zoodat men meent,
dat voor goudmijnen een ,,gouden tijd” zal aanbreken.

lntusschen zijn de productiekosten der goudmijnen thans
gestegen(in 1942 van 99,6 sh. tot 101,7 sh. per ounce fijn
goud), gedeeltelijk als gevolg van de exploitatie van mijnen
met lager ertsgehalte, verder t. g. v. hoogere belastingen
en hoogere onkosten, als gevolg van lagere productie
1
).

De totale goudmijndividenden zijn dan ook teruggeloopen
van £ 21 millioen over 1940 tot £ 19,4 miljoen over 1941
en £ 17,5 miljoen over 1942. Over vrijwel de geheele linie
hebben de goudmijnen haar dividenden verlaagd.
Enkele voorbeelden:

Uitgekeerde die idenden in

interim

totaal

totaal
1943

1942

1941

East geduld

274

55

624
Randtontein

3

184

224
Witwatersrand . . .

7

174

234
Geduld Prop

30

614

674
Crown Mines

50

130

450
Rand Mines

70

160

160

De diamantmaatschappijen daaentegen gaven om
verschillende redenen veel betere resultaten te zien.
Zoo was bijv. de omzet op de diamtmarkt in het eerste
halfjaar van 1943 reeds even groot als in het geheele jaar
1942. De winst van sommige maatschappijen was in 1942
reeds verdubbeld t. o. v. 1941. Als voorbeeld noemen wij
de ,,Consolidated Diamonds of S.W. Africa”.

In inillioenen £

1942

1

1941
Bruto winst
……………………..

..1,29

0,64
Netto winst

…………………….
1,08

0,46
Dividend

………………………
15%

15%

Het gesignaleerde verschijnsel van terugkoop van in
Britsch bezit zijnde fondsen doet zich overigens ook voor
de staatsfondsen voor, en niet alleen voor die van Zuid-
Afrika, doch voor die van alle Empirelanden, alsmede
van de Zuid-Amerikaansche staten, die vroeger groote
leeningen in Londen hebben opgenomen.
1)
De Z.-Afrik. goudproductie bdroeg in de eerste tien maanden (in 1.000 ounces):

1941

1942

1943

12.001

11.909

10.696
Men zie Ook:
J.
F. C. Schotel: ,,Zuid-Afrika in oorlogstijd”, In
,,E.-S.B.” van 5 Januari 1944.

Deze houden thans alle groote saldi in Londen aan,
waaruit zij hun schulden verminderen. Sommige staten
gingen tot vervroegde aflossing van hun schulden over of
kwamen met reorganisatieplannen. Vooral Brazilië en
Mexico stelden de City teleur, daar zij in normale tijden
steeds zorgenkinderen waren geweest. Wat de Empire-
landen betreft, had Engeland liever gezien, dat zij hun
saldi hadden gebruikt voor deelneming in Engelsche
oorlogsleeningen. In het midden van het jaar was de
totale schuld van Engeland aan de sterlingbloclanden

reeds tot £ 1 milliard gestegen, welk bedrag met £ 1 mil-
lioen per dag toeneemt, zoodat men voorloopig te Londen
rekent op blijvende belangstelling voor obligaties
2)
en
aandeelen der betreffende landen. Zelfs al zou het mogelijk
zijn deze schulden te consolideeren, dan zou de dienst der
leeningen waarschijnlijk toch slechts uit een eventueel
exportsurplus na den oorlog kunnen worden betaald. In

verband hiermede reageert de beurs steeds gunstig op
pogingen, die de industrie thans doet om zich ten deze
sterk te maken, o.a. door exportconcentratie, waartoe
bijv. plannen zijn uitgewerkt in de industrie voor radio,
auto’s, rijwielen, katoen en andere.

In dit verband dient ook de scheepvaart afzonderlijk
genoemd. Weliswaar werden over 1943 meerendeels nog
onveranderde dividenden gedeclareerd, doch deze waren
gedeeltelijk mogelijk gemaakt door de zeer ruime liqui-
diteit en vrijgekomen reserves, daar de boekwaarde der
schepen lager was dan de ontvangen vergoedingen voor
verloren gegane tonnage. De vraag is echter, of deze ver-
goeding voldoende zal zijn voor lateren nieuwbouw, resp.
aankoop. Voorts hebben de reeders, die feitelijk tot agenten
van de Regeering gedegradeerd zijn, al is hun teruggave
der schepen in het vooruitzicht gesteld, zorg over de
komende concurrentie van de luchtvaart en van de Ver-
eenigde Staten, terwijl zij, wat het heden betreft, over
onrendabele vrachtvergoedingen klagen. In het voorjaar is de Regeering hun wenschen – zij het slechts gedeelte-lijk – tegemoet gekomen door een schema voor hoogere vrachten toe te staan. Hoewel dit ongeveer neerkomt op
een verhooging der vergoedingen van 6 sh. 2d. tot 7 sh. 8 d.
per ton per maand, betoogen de reeders, dat de bedrijfs-
kosten nog sterker gestegen zijn. Ook de vergoedingen voor stilliggen zijn verhoogd, onverschillig, of dit al of
niet een gevolg is van oorlogsschade. De schadevergoeding
wordt te gering geacht, de bouwkosten zouden thans
het dubbele van véér den oorlog bedragen. De Regeering
repliceert echter – met verwijzing naar inflatiegevaar – dat de verloren gegane tonnage thans toch slechts zeer
gedeeltelijk door nieuwe kan worden vervangen. De
situatie is dan ook zoo, dat de beurs weinig belangstelling
vertoont voor ,,schepen”; de belangstelling, die de reeders
echter voor schepen toonen, is niet te bevredigen, ten-
gevolge der oorlogsomstandigheden. In dit licht moet
men ook de financieringsmaatregelen van enkele scheep-
vaartmaatschappijen bezien. Zoo kondigde de ,,Bri-
tisch India Steam Navigation” de aflossing van de 4 %
obligatieleening aan, daar zij haar vloot voorloopig
toch niet kan vernieuwen. De ,,Cunard Steamship” kon voor ‘t eerst sedert 1919 de dividendbetaling hervatten,
nadat het vorige jaar de achterstand was ingehaald. Bij de ,,Ocean Steamship” stegen de reserves van £ 5,4 tot
£ 9,6 millioen, hetgeen echter in wezen niet anders is
dan een teeken van goederenschaarschte.
Voor het moment is het een schrale troost, dat de ont-
wikkeling der bouwkosten in de Vereenigcle Staten veel
ongunstiger is. Voor de toekomst put men hieruit echter voor de Engelsche werven moed, omdat men hoopt, dat
de lagere bouwkosten in Engeland als een magneet op de
internationale bouworders zullen werken.
De tankvaart schijnt het ergste getroffen, daar de

‘)
In het begin van 1944 werd bekend, dat Zuid-Afrika alle lee-
ningen, die te haren laste in Londen uitstonden, heeft afgelost.

12 Januari 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

25

reparatiekosten hier een rendabel bedrijf volslagen on-
mogelijk maken. Zoo heeft de ,,British Oil Shipping” het
dividend gepasseerd, nadat in 1942 nog 15% was uit-

gekeerd.
Het gemiddelde dividend der lijnreederijen bedroeg
over 1942 6,72 %, tegen slechts 4,89 % over 1941, terwijl
de rserves nog belangrijk gestegen zijn.
Kunstzijdewaarden
waren vrij gunstig gedisponeerd,
daar de invoer van katoen en wol moeilijker is geworden.
,,Courtaulds” en ,,British Celanese” werden bovendien
gestimuleerd door fusiegeruchten, vooral na de overneming
van het bankiershuis Cuil & Co., dat nauwe relaties heeft
met de ,,British Celanese”, door Morgan Orenvelle & Co.,
die in het bestuur van Courtaulds zetelt. In de vergade-
ring der nieuw opgerichte ,,British Rayon Federation”

(doel: export-concentratie) heeft Samuel Courtaulds
voor subsidies gepleit op grond van de groote beteekenis
van den Engelschen kunstzijde-export na den oorlog.
Het financieele resultaat in de industrie was blijkbaar
wat beter. Zoo boekte de ,,British Enka” eei nettowinst
van £ 66.080 (v. j. £ 56.332), waardoor het verlies werd
teruggebracht tot £ 444.448. Teekenend is, dat ook hier
wordt overgegaan tot aflossing der 6 % obligatieleening
tegen den koers van…. 107 %.

De
petroleumafdeeling
genoot ook goede belangstelling,
niettegenstaande de reeks van evenementen in Mexico,
Venezuela en het Nabije Oosten. Zoo steeg ,,Anglo Ira-
nian” van 75 sh. in het begin van het jaar tot 91 sh. eind
Juli en 110 sh. eind Augustus. De dividendverhooging
van 71 tot niet minder dan 20% werkte deze hausse sterk
in de hand. De sterke dividendverhooging lokte echter
critiek uit. Vandaar, dat het aangekondigde interim-
dividend van 12% vergezeld ging van de mededeeling,
dat er waarschijnlijk geen slotdividend zal worden uit-gekeerd, hetgeen weer een domper zette op de hausse.
,,Burmah Oil” wist, niettegenstaande de teleurstellingen
in het Verre Oosten, het dividend op lij% te hand-
haven, dank zij de deelnemingen o.a. in de ,,Anglo-Ira-nian”. ,,SheU Transport”, de zustermaatschappij van de
Koninklijke Olie, deelde slechts matig in de hausse, het-
geen met het gebruikelijk geworden dividend van slechts
5 %niet zoo verwonderlijk is. Daar zij niet alleen pro-
ductie-, doch ook distributie-maatschappij is, bleek zij
aan veel grooter risico’s, met name t. a. v. de Amerikaan-
sche penetratie, blootgesteld, hoewel de verslagen hoog
opgaven van de op synthetisch gebied bereikte resultaten.

De
oliegtuigaandeelenniarkr
deelde niet in de oorlogs-
conjunctuur. De steeds verder gaande nationalisatie van
vliegtuigfabrieken uit militaire overwegingen was hier de
voornaamste oorzaak. Bovendien zijn de winstmarges
blijkbaar niet overdreven, de belastingen daarentegen wel.
Ook de uitlating van Cripps, dat de vraag naar vliegtuigen
na den oorlog slechts 10% (!) van de huidige zal zijn, bleef
niet onopgemerkt.
De
staalindust,’ie
verkeert in een oorlogscoojunctuur,
hetgeen de markt echter slechts sporadisch wist te inspi-
reeren. ,,Dirman & Long” kon de dividendbetaling her-
vatten en wel met 8%. Eind October werd ook hier aan-
gekondigd, dat de 5% obligatieleening ad £ 3 millioen
zal worden afgelost, waarvoor de middelen zullen worden
verkregen uit een verhooging van het aandeelenkapitaal
van £ 1,67 tot £ 3,67 millioen.
Allerwegen ziet men het Britsche vennootschapswezen gebruik maken van de geldruimte om de kapitaaistructuur
te verbeteren in plaats van hoogere dividenden uit te
keeren. Men streeft veeleer naar stabiele dividenden.

Voor het
bankwezen
geldt hetzelfde,, zoowel wat dividend-
als kapitaalpolitiek betreft. Door de toegenomen vreemde
middelen, die meerendeels in schatkistpapier moeten
worden belegd – een situatie, die na den oorlog wel niet
zeer spoedig zal veranderen – is de verhouding van de
eigen middelen tot de deposito’s zeer ongunstig geworden.
Er zijn teekenen, dat zij beneden 3% zal dalen, tegen 10%

vÔôr den vorigen wereldoorlog. In verband hiermede
schijnt – ook om andere redenen – een kapitaalverhooging over de heele linie in het voornemen te liggen. Tegen het
streven om de bankwinsten ook door de ,,Excess Profit
Tax” te doen treffen, heeft Mc. Kenna zich reeds bij voor-
baat gekeerd met het argument, dat de banken den Staat
aan gezond en goedkoop crediet helpen en dat de marge tusschen deposito-rente en schatkistpapier zoo gering is,
dat de Staat de belasting eventueel toch zelf zou betalen!
De bankwinsten. en dividenden blijven zeer stabiel, zooals uit onderstaande tabel blijkt:

Netto-winst

Dividenden
in millioenen £

in %
1942
1
1941
1
1940

19421
1941
1
1940

Lloyds

1,35

1,27

1,38

12

12

16
Midiand

2,-

1,96

1,93

16

16

15
Nat. Provincial

1,13

1,06

1,68

15

15

10
Barclays

1,53

1,35

1,53

10

10

10
Westminster ‘.

1,24

1,19

1,31

18

18

18

Tenslotte doen wij hier een overzicht volgen van het
koersbeloop van een aantal fondsen op de Londensche
beurs.

22-1-’42
1

2-1-’43
124-12-’43

2
1%

Consols
……
821
81′,
8031,
791/,
31% War1oa

.
. .
105
106
106
103’1,
103’/,
De Beers der.

….
11’/,
17+
21
1
1,
18
7
1
Cons.

Goldf
…….
40
421
47+
51+
55
5
1,
1371 1371
141+
152+
147’1,

….
81

7
10
13
14+
17’1
4

Rand Mines
…….
Rio

Tinto
…………
46+
78*
90
90′!,
1.16’1
5

Anglo Iran

…….
10*
11
11
5
1,
12*
10’/,
Shell Transp

.
. .

.82*

2″J,,
3’115
3
1
1,
3’1
9

3
11
1,
0

51+
58*
56+
63’1,
80
34

.
3431,
34’1,
371
43’1

Mex. Eagle

…….

Imp. Tab
6’114
71
71
7’/,
7
1
1

Burmah

………

33
1
/,
37
39
1
1,
39+
38′!,

Courtaulds
………

Lever Bros

. .
115/,,
111
115
11
151,
1,14

tmp. Chem

…….

5+
5
1
1,
5′,
5
1
1
Rolls Royce …….41
Vickers

………..
.
6’/,
18
1
1,
201
18’/,
17
1
1,

B. H. A. MEIJERINX.

ROEMENIË NA, TWEE JAAR OORLOG.

Roemenië neemt, economisch bezien, op het oogenblik
een benijdenswaardige positie in Europa in. Dit is des te
verwonderlijker, daar het land sinds 1940 verschillende
belangrijke crises heeft doorgemaakt. Men denke slechts
aan den afstand van Bessarabië en de Boekowina aan de
UdSSR, van een groot gedeelte van Zevenburgen aan
Hongarije, van Zuid-Dobroedzja aan Bulgarije, terwijl ook
het actief deelnemen van Roemenië aan den oorlog de
zwaarste eischen aan het economische leven van het land
stelde. Men spreekt dan nog niet van de ernstige binnen-
landsche troebelen op het einde van 1940 en het begin
1941.
35,9% der vooroorlogsche graanvoortbrenging van
Roemenië ging door bovenvermelde oorzaken verloren,
33,9% der productie van voedingsgewassen, 53,9% der
productie van industriegewassen en 23,6% der wijnbergen.
In den industrieelen sector beteekende dit het verlies
van 23% der voedingsmiddelennijverheid, 33% der hout-
nijverheid, 5,9% der textielnijverheid, 2,3% der metaal-nijverheid, 24% der glas- en aardewerknijverheid, 4,1%
der chemische nijverheid en 4,5% der papierindustrie.
Men spreekt dan nog niet van het verlies van grondstoffen-
bronnen als aardgas, goud, ijzer, enz.
Roemenië heeft dan ook een zeer moeilijken tijd.achter
zich. Twee mislukte oogsten in opeenvolgend,e jaren
verzwaarden nog de taak, waarvoor de Regeering zich
geplaatst zag, zoodat het graanland Roemenië voor de
ongelooflijke noodzaak kwam te staan, het brood te rant-
soeneeren. Erger was echter nog de mislukking van den
maïsoogst, daar hiervan in hoofdzaak de voedselvoor-
ziening van het land afhankelijk is.

26

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Januari 1944

De herovering van Bessarabië in 1941 heeft inmiddels

haar gunstigen invloed reeds doen gelden. Hierdoor steeg
de Roemeensche tarweproductie met 428.400 ton, de maïs-voortbrenging met 456.580 ton, de roggevoortbrenging met
94.000 ton ot ongeveer 44%. Daarenboven werd de olie-voorziening van het land versterkt door de Bessarabische zonnebloemen- en sojaboonenproductie met een omvang
van 56.330 ton, resp. 27.235 ton, hetgeen eveneens van
de grootste beteekenis is.
Dank zij een zeer gunstigen graanoogst in dit jaar, bezit
Roemenië in 1943 wederom een belangrijk graanoverschot.
Het tarwebrood is inmiddels weer vrij gegeven, terwijl het
roggebrood nog gerantsoeneerd blijft om een.prijsstijging
te voorkomen. De maïsoogst is ook dit jaar, ter oorzake
van een
al
te groote droogte, niet overal onverdeeld gunstig
uitgevallen, zoodat rogge hier wederom te hulp moet
komen. Tarwe is in dit opzicht van minder belang, daar
de prijs van 50 lei (60 cent) per kg brood voor de meeste
Roemeensche beurzen te hoog is. De voedsel- en kleedingvoorziening is overigens geheel
gelijk aan die in vredestijd. Er is een overvloed aan ooft;
spek, boter, varkens- en rundvleesch zijn rijkelijk voor-
handen. Wat wijn betreft heeft men zelfs een afzetpro-
bleern. In den textielsector bezitten de winkels een voor-
raad, welke dien in vredestijd zelfs overtreft. Italië,
Duitschland, Zwitserland zijn de voornaamste leveranciers
geweest, doch ook de Roemeensche textielnijverheid zeil
heeft een belangrijke bijdrage geleverd tot de textiel-
voorziening van het land. De handel is op textielgebied
betrekkelijk zwak. Dit ongetwijfeld ten gevolge van de
zeer hooge prijzen welke voor textielgoederen worden
gevraagd, hoewel het land, véér dea oorlog, één der goed-‘
koopste van Europa was.
Dit neemt echter niet weg, dat Roemenië momenteel al
zijn behoeften rijkelijk kan dekken. Er is vrijwel niets,
waaraan gebrek bestaat, zoodat de zwarte handel hier
nauwelijks een bestaansrecht heeft. Wie geld bezit, kan
koopen zooveel hij wil, en wel tegen officieele regeerings-
prijzen. Zoo vormt Roemenië één der weinige oasen in
Europa, waar de koopkrachtige klant nog steeds koning is.

Boekarest, Septëmber 1943.

L. J.
M.
VAN DEN BERK.

Uityoer der Vereenigd.e Staten in millioenen dollars
1).

Totaal
Leen-en
Pacht
Andere

3.177

3.177
4.021

4.021
5.147
761
4.406
7.826
4.672
3.154

1939

……………
1940

……………
1941

……………

1942 Januari
479
176
303
Februari
478
194
284
Maart
611
310
301
April
695
403 292
Mei
525 295 230
Juni
618
374 244
Juli
629 397
232

1942

……………

Augustus
694
423
271
September

.
.
718
453
265
October
776
537
239
November

.
. .
750
524
226
December

….
853 ‘)
586
267
1963 Januari
694
504
190
Februari
669
480 189
Maart
927
712
215
April

……….

.
1.124 ‘)
839
285
‘) Cijfers ten deele voorloopig.
) Inclusief eenigen. in vorige maanden niet geregistreerden
uitvoer.

ming hebben begeven. De waarde hiervan bedroeg bij
benadering $ 70 millioen.

Aan het einde van April 1943 werd de totale waarde van
de Leen- en Pachthulp sedert Maart 1941 geraamd op
$ 8.260 millioen, samengesteld voor $ 4.278 millioen
(52%) uit vliegtuigen, motorrijtuigen en ander oorlogs-
materiaal, voor $ 2.177 millioen (26%) uit machines,
metalen, petroleum en andere industriëele producten,
voor $ 1.495 millioen (18%) uit voedingsmiddelen en voor
$ 310 millioen (4%) uit andere agrarische producten.

Eind Juli 1943 had het totaal der Leen- en Pacht-
leveranties de $ 10.000 millioen overschreden. Het vol-
gende overzicht geeft bij benadering de verdeeling van
den uitvoer naar landen van bestemming weer.

Uityoer der Vereen. Staten naar landen Qan bestemming

(in nzill. dollars)

1941

1942.

Totaal
1
Leen- en

Totaal

Leen- en

1
Pacht

Pacht

AAN1EEKENINGEN,

LEEN- EN PACHTHULP DER YEREENffiDE STATEN VAN
MAART 1941-AU€IUSTUS 1943

De gepubliceerde statistieken van den internationalen
handel der Vereenigde Staten omvatten niet de leveranties
aan Amerikaansche troepen in het buitenland, maar wel
de gegevens betreffende den uitvoer krachtens de Lee n-
en Pachtwet van Maart 1941. Over dit laatste onderdeel
verschaften de ,,Nachrichten für Aussenhandel” eenige
gegevens, welke, aangevuld met cijfers uit de zoo juist
verschenen December-aflevering van het ,,Bulletin Men-
suel de Statistique”, een indruk geven van de orde van
grootte der hierbij betrokken bedragen.
De voornaamste gegevens geven wij in het navolgende
weer.
Overeenkomstig deze maandclijksche cijfers bedroeg
de totale Leen- en Pachthulp tot eind 1942$ 5.413 millioen;
volgens een rapport van de administratie der Leen- en Pachtwet was de uitvoerwaarde in Januari 1943 opge-
looperi tot een bedrag van $ 5.959 millioen. Deze discre-
pantie is waarschijnlijk hieraan toe te schrijven, dat de
voorloopige cijfers een herziening hebben ondergaan.
In de bovenstaande uitvoercijfers zijn bovendien niet
opgenomen een aantal vliegtuigen en schepen,
welke zich op eigen kracht naar hun plaats van bestem-

Totaal
5.147
741
7.826
4.672
Britsche Rijk

.
3.229
617
4.705.
2.666
waarvan
Ver. Koninkrijk
1.642
572
2.362
1.867
Indië
98
8
378
287
Australië

.
91
13
286
211
Nieuw-Zeeland
31
2
76
63
Uniev. Z.Afrika
187

100
52
Anderen

. . .
1.180
22
1.503
486
1
1.379
.1.317
U.S.S.R……..108
Egypte
250
..

1.500
89 583
446
Andere
34
1.159
243

Eind Juli 1943 bereikte de Leen- en Pachtuitvoer naar
de U.S.S.R., welke voor het grootste deel uit oorlogs-
materiaal bestond, een waarde van $ 2.444 millioen (24%)
en die naar het Ver. Koninkrijk $ 4.458 mili. (44%).
De verschepingen van voedingsmiddelen naar de U.S.S.R.
zijn in den loop van 1943 aanzienlijk toegenomen; zij belie-
pen in de eerste zes maanden van het jaar een derde van alle Leen- en Pachtleveringen van voedingsmiddelen.
De Leen- en Pachtuitvoer vertegenwoordigt echter niet
alle goederen, welke door de Regeering der Ver. Staten ter beschikking zijn gesteld, aangezien slechts ongeveer
90 % van de onder het Leen- en Pachtstelsels overgedra-
gen goederen werkelijk geëxporteerd zijn. Een andere vorm van hulp bestaat bovendien uit het bewijzen van
diensten, zooals productiefaciliteiten, verhuur en herstel
van schepen, enz.

De ontwikkeling van de totale Leen- en Pachthulp
(zoowel , ,overdrachten”als diensten) gedurende 1943 wordt
getoond in de volgende tabel.

`
~
20

12
Januari
1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27

Totale Leen- en Pachthulp..

1

Maandelijksche

1
Cumulatieve totalen

cijfers

1
sedert Maart 1941
1943

I,,Over-

‘Over

t
drach
1
Dien-

To-
drach
Dien-
Totaal
ten”

ten”
1


sten

taal


sten

Januari

. . . .
627
55
682…
7.175 1.760
8.935
Februari

. . . .
656
41
697
7.831 1.801
9.632
1)
Maart
663
25
688
8.494
1.825 10.319
63
733
9.214
1.888
11.102
Mei
……….
716
74
790
9.930
1.963
11.893
April

………720

929

..

101
1.030
10.859
2.064 12.923
Juni

………..
Juli

……..
1.018

32
1.050 11.877
2.096
13.973
Augustus

. . . .
.1.139
123
1.262
13.016
2.219
15.235
‘)
Waarvan 46 % naar het Ver.
Koninkrijk
en 19 %
naar de
U.S.S.R.

Thans volgen nog eenige nadere bijzonderheden be-
treffende de leveranties gédurende de maanden Juli en
Augustus 1943, evenals die gedurende de geheele periode
van Maart 1941 af tot het einde van Juli 1943.

Miflioenen dollars
Juli

Aug.
1943

1943

Verdeeling in

%
Juli

Aug.

Mrt 1941
1943

1943

Juli 1943
1.050
1.261
100 100 100
Goederen
1.018
1.114
97
88 85
Totaal

………

Oorlogsmate-
riaal
728
872
65 69
50
Machines

en
industr. prod
158 152
15
12
21
Voed.middelen
en

andere
agrar.

prod
132
90 13
7
14
Diensten
32
147
3
12
15

In verband met de sterke toeneming der bedragen
verdient wel het bericht de aandacht, volgens hetwelk
de Amerikaansche Leen- en Pachtpolitiek een wijziging
zou ondergaan in dezen zin, dat een aantal goederen
van de lijst der Leen- en Pachtleveranties zal worden
geschrapt en slechts tegen contante betaling verkrijgbaar
zal zijn.
Voor Engeland betreft het o.a. alle werktuigmachines,
alle boor- en raffinaderij-installaties en alle draagbare
werktuigen, terwijl ongeveer 90% van alle textielleveran-
ties naar de landen van het Midden-Oosten van de lijst
worden geschrapt.

OVERHEIDSMAATREGELEN OP
ECONOMISCH GEBIED.

1JAN EL EN NIJVERHEiD.

Administratieplicht. Afkondiging van een

Verordening
inzake Algemeene Administratieplicht. (E. V. Nos. 31
en 32; blz. 838 e. v. en868).
Ambacht. Aan de hoofdgroep Ambacht en de 4aartoe
behoorende bedrijfs- en vakgroepen is de bevoegdheid
verleend op het haar toegewezen gebied van het bedrijfs-
leven uit vakoogpunt verordeningen te maken. (E. V.
No. 32; blz. 880).
Arbeidszaken. Beschikking inzake de belooning van
overwerk voor werknemers, werkzaam in het beroeps-
goederenvervoer, welke beschikking, daar deze ten on-
rechte gepubliceerd is, veertien dagen later weer is ing-
trokken. Verlenging van de voorloopige uitgevaardigde
regeling van bonen en andere arbeidsvoorwaarden in den
landbouw. Instelling van een zgn. leerlingstelsel voor de
zilversmederij. Mededeeling inzake wijzigingen bij het
aanvragen van vrijstelling voor den arbeidsinzet voor
handel en ambacht. Wijziging van de Ongevallenwet 1921.
Bepalingen inzake het toekennen van een toeslag op de
tariefloonen bij het rooien van suikerbieten. (E. V. Nos.
30, 31, 32 en 33; blz. 822, 850, 875, 880, 893, 894 en 905). Betalingsverkeer met het buitenland. Nieuwe bepalingen
inzake regeling van het betalingsverkeer met Zweden.
(E. V. No. 30; blz. 814).

Handel. Bepalingen inzake verplichte openstelling van
winkels van 1 November 1943 af. Nadere aanvullingen op het verkoopverbod voor accumulatoren. (E. V. Nos.
32 en 33; blz. 70 en 899).

In- en uitvoer. Bericht inzake regeling en werkterrein
der zgn. in- en uitvoermonopolies, waarbij alle mono-
polieproducten en hun indeeling worden gegeven. (E. V.
No. 33; blz. 894 e. v.).

Industrie. Beschikking inzake een vervaardigings- en

toepassingsverbod voor aluminiumlegeeringen. Bekend-
making met betrekking tot de fabricage van bepaald
aardewerk, porselein en glaswerk.. Opheffing der zgn.
Diamant-adviescommissie, waarvan de taak door de

bedrijfsgroep Diamant- en edelmetaalindustrie is overge-
nomen. Vaststelling van voorschriften, welke in acht
moeten worden genomen bij de vervaardiging van staal-
draadhevels. (E. V. Nos. 30, 31 en 32; blz. 816, 842, 843
en 897).
Organisatie Bedrijfsleven. Instelling van een vakgroep Tusschenpersonen in metaalwaren. Reorganisatie van de
vakgroep Groothandel in minerale olieproducten, ten aan-
zien van de verdeeling in ondervakgroepen. Wijziging
van
.
de instellingsbeschikking der vakgroep Groothandel
in specerijen. Instelling van een zestal ondervakgroepen
met. totaal 32 secties bij de vakgroep Tusschenpersonen
in textielwaren. Bij de vakgroep Tusschenpersonen in
granen en de ondervakgroep Import van diverse en afge-
leide minerale olieproducten zijn verschillende secties
gevormd. Splitsing van de vakgroep Detailhandel in
visch, wild en gevogelte in twee nieuwe vakgroepen, resp.
voor den Detailhandel in visch en in wild en gevogelte.
(E. V. Nos. 30, 31, 32 en 33; blz. 918, 845, 870 en 899).

STAND
VAN
‘s
RIJKS KAS.

Vorderingen

1 15 Dec. 1943 1 23 Dec. 1943
in guldens
in guldens
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
hij De Nederlandsche Bank
18.173.290,66 10.950.855,39
Saldo b. d. Bank voor Ned.
Gemeenten
690.460,54 492.836,16
Voorschotten op uit. Oct.fNov.
1943 aan de gern. verstrekt
op aan haar uit te keeren
lioofdsom

der

pers.bel.,
aand. in de hoofdsom der
grondbel. en der gem.fonds-
bel., alsmede opc. op die be-
lastingen en op de vermo-
gensbelasting

……….
22.030.880,91
Voorschotten aan Ned.-Indië
1
)
324.025.380,19
324.075.1 54,19
Idem
voor
Suriname
1)
8.658.977,58 8.658.977,58
Idem
voor
Curaçao
‘)
91.986,55
91.986,55
Kasvord.

wegens credietver-
strekking a. h.

buitenland
16.012.028,-
16.012.028,-
Daggeldieeningen tegen
onder-

..22.030.880,91,

pand………………


Saldo der postrek. van Rijks-
243.825.247,41 255.350.953,31
Vordering
.
p het Alg. Burg.

……

comptabelen

………….

Pensioenfonds
1)


Vordering op andere Staats-
bedr. en instellingen
‘)
. . .
177.072.808,22 176.520.311,34
V
er n 1 i c h t i n
g
e n
Voorschot door De Ned. Bank
ingevolge art. 16 van haar
octrooi verstrekt
– –
Voorschot door De Ned. Bank
in rekg.-crt. verstrekt

Schuld aan de Bank voor Ned.
gemeenten


Schatkistbiljetten in omloop
6.736.000,- 6.706.000,-
Schatkistpromessen in omloop
3.029.700.000,-
1
)
3.027.800.000,-‘)
Daggeldieeningen


Zilverbons in omloop
217.549.999,50
218.975.894,-
Schuld op uIt. Oct./Nov. 1943
aan de gem. wegens a. h. uit
te
keeren hoofds. d.

pers.
bel., aand. 1.

d. boofds.

d.
grondb. e. d. gem. fondsb.
a]sm. opc. op die bel, en op
de vermogensbelasting
. . .
– –
Schuld

aan

het Alg.

Burg.
14.588.469,43
3.677.175,59
Id. aan het Staatsbedr. der

P. T. en T.
1
)
561.611.099,83
577.768.561,53

Pensiorifoends
‘) …………

Id. aan andere Staatsbedrij-
3.574.527,60
2.946.127,60
ven’)

………………….
Id. aan div. instellingen
‘)

. .
283.947.174,31 284.947.174,31

‘)
In rckg.-crt. mt
‘s Rjk S1 itkht.
‘)
Nihil.

‘)

Nihil.

,0

Alfabetische Index Overheidsmaatregelen op economisch gebied

(zie voor den alfabetischen
index Overheidsmaatregelen
In
1943
het Jaarregister 1943, laatste bladzijde)

/

Blz
Blz
Blz.
Administratleplicht ………………
27

Betalingsverkeer met

het buitenland .

27

Industrie

.
……………………..
27
Ambacht
……………………..
27

Handel

……………………….
27

Organisatie Bedrijfsleven
…………27
Arbeidszaken

………………….
27

In-

en

Uitvoer ………………….
26

MAANDCIJFERS


Maandcijfers
en
weekeijfers betreffende
den
economischen toestand
van
Nederland.
(Centraal Bureau voor de Statistiek)

1942
1943
Omschrijving maandcijfers
Eenheid
Dec.
Jan.
Vebr. Mrt. Apr.
Mei

Juni
Juli
Aug.
1
Sept.
Oct.
Nov.
Dec.

Nederlandsche Bank

….
Giroverkeer.

f1.000.000
3669
2239
2483
2682 2756 2708
2414
2744
3945
2059
2254 1986
Postchèque- en

G-irodienst
(1.000.000
t695
1692
1629
1691
1549 1906 1907
2082
1974 1816 1846
1861
Renieslanden.
Wisseldisconto Nederl.Basik
%
2,50
2,50 2,50
2,50
2,50
2,50 2,50 2,50
2,50
2,50
2,50 2,50 2,50
Prolongatiereflte, A’dam
%
2,25
2,25
.

2,25
2,25
2,25
2,25
2,25 2,25 2,25
2,25
2,25 2,25
2,25
Callgeldnoteeriflgen,,,
%
2,22
1,35
125
1,56
1,94
1,36
1,28 1,00 1,00
1,00 1,00
1,00
1,00
Rendement oblig.
‘)
,,

.
%
3,57
3,50
3,48 3,45
3,41
3,37
3,39
3,47
3,48
3,54
3,46
3,39
3,36
Hypotheekrente onroerende
%
4,13 4,05
4,08
4,00
4,01
3,87
4,03 4,06
4,09 4,05
4,07
§4,02
Hypotheekrente schepen . .
%
4,97 4,99
5,17
4,95
5,01
4,87
4,86
4,98
5,31
4,84 4,75
§5,04

goederen

……………

Koersen van aandeelen.
Algemeen

indexcijfer

. . . .
1930=400
135,9 141,3
151,4
150,4
151,8
152,5
152,4
151,9
151,7
152,1
152,1
152,2
Nijverheid

…………
1930=100
173,9
184,2 201,6 200,5 202,7 203,6 203,3
202,6
202,1
202,8
202,8
203,0
wo. prod.middelen industr.
1930=100
170,9 179,7
196,2
196,6
198,6 199,8 199,2
198,3
197,6
198,8
199,0
199,1
cons. goederen industr.
1930 =100
177,7
190,1
208,2
205,7
208,0
208,7
208,8
208,2
208,0
208,0
208,0 208,3
Spaarbanken.
Rijkspostspaarbaflk, Inlagen
f1.000.000

..

16,05
18,93
19,30 42.30
36,50
37,88
33,49 37,21
32,48
27,62 28,83
28,37
Rij kspostspaarbaflk,

terug-
11.000.000
9,86 8,58
9,02
12,27
12,79
12,37 11,26
13,92
14,02
12,43
11,78 10,49
Bijzondere spaarb., inlagen
f1.000.000
15,29
23,83
20,76 28,49
24,79 28,92 24,36
28,51
26,24
22,57
22,92
§23,54
Bijzondere spaarbanken, te-
11.000.000
15,31
14,12
11,89
15,12
15,33 14,78
13,11
15,08
15,64 12,60
12,62
§11,85

betalingen

………….

rugbetalingen

………..
Hjpothehen
(nwe. inschrijv.)’)
(1.000.000
35,25
22,34
24,90
31,89
87,58
62,32
28,54
29,53
25,74
25,30
21,65
§24,25
29,70
17,71
20,07 26,77
80,65 52,69
22,82 25,02
21,65
21,51
17,91
§18,92
f1.000.000
5,21
4,33
4,32
4,60
6,53 9,33
5,35 4,19
3,69
3,68
3,64
§4,80
f1.000.000
0,34 0,30
0,51
0,52
0,40
0,30
0,37
0,32
0,40
0,11
0,10
§0,53

Totaal

……………..
w.v. op gebouwen

…….(4.000.000
op

landerijen

…….

‘,Verkloosheid,

werk toozenzorg.
Geheel workloozen
1.000
39
36 30
26 25
23
20
16 15
14
14
§13

op schepen

………

Tewerkgestelden
1.000
17 16
13 10
10
9
9
8 7
7
7
§16
Geplaatsten in Duit,schl.’)
1.000
263
271
281
296
302
312
350
372
379 380
384

in Frankr. en Belg.
1.000
37
37 37 37
37 37
37
371
37 38
38
-I

1943

Omschrijving

weekcijfers
Eenheid
0 0 0
0
o

2

2
2

Nederlandsche
Bank (Maandag)
Binnenlandsche

wissels

.
(1.000.000
Papier op het buitenland
(1.000.000

2778

2779

2813
2854

2893

2911

2951

2998

3041

3074
3080

3119

3170
Bankbiljetten en assign. In
(1.000.000

3041

3099

3118
3134

3156

3205

3218

3240

3271

3326
3361

3384

3424
11.000.000

138

139

137 136

137

137

135

136

135

135
135

135

136
Rek.Courant saldi v.anderen
675

621

629
651

674

656

669

666

683

642
602

621

632
(1.000.000

100

100

100 100

100

400

101

132

101

116
136

120

120

omloop

……………
Beleeningen

………….

‘1.000.000

4.

6

5
6

5

8

6

11

7

8
18

8

.

8
Speciale rekening

………

Rentestanden.
Diverse rekeningen

……..

Callgeldnoteeringefl

…….
%

1.00

1,00

1,00
1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00
1,00

1,00

1,00
Rendement oblig.(Woensd.)
%

3,54

3,54

3,10
3,43

3,42

3,43

3,38

3,37

3,38

3,37 3,37

3,37

3,36

= voorloopige cijfers.

‘)
Gewijzigde
reeks. 6 Staatsleeningen, 3
Provinciale en Gemeente-leeningen en 2 pandbrieven.

1
1 Hieronder
niet begrepen enkele hypotheken, waarvan de geldschieter niet bekend is.

‘)
Na aftrek van teruggekeerden.

DE
TWENTSCHE BANK
N.V.

MAANDSTAAT OP 31 DECEMBER 1943

Kas, Kassiers en Daggeldleeningen
……….f

59.245.196,65
Kapitaal

………………………..
. …
f

40.000.000,-

Nederlandsch

Schatkistpapier
………….

..
291.794.693,25
Reserve

…………………………….
..

11.200.000,-

Ander

Overheidspapier

…………………4.114.960,56
Bouwreserve

……………………….
..
1.500.000,-

Wissels

………………………………561.381,17
Deposito’s

op

Termijn

………………..
..

52.083.857,62

Bankiers in

Binnen- en

Buitenland

………

..

13.474.955,77
Crediteuren

…………………………
..
297.604.129,31

Effecten

en

Syndicaten

………………….
960.753,42
Overloopende Saldi en Andere Rekeningen
..,,

7.102.400,59

Prolongatiën en Voorschotten
tegen Effecten ,,

11.377.397,89
Reserve voor Verleende Pensioenen
………
..

1.353.454,56

Debi.teuren

…………………………..
22.523.388,44
Aandeelhouders voor Effecten in

Leendepôt ,,

13.034.450,-

Deelnemingen (mcl. Voorschotten) …………1.437.660,37

Gebouwen

……………….. . ……….

..
4.000.000,-

Belegde Reserve vaor Verleende Pensioenen ,,

1.353.454,56

Effecten van Aandeelhouders in Leendepôt..,,

13.034.450,-

423.878.292,08
f 423.878.292,08

Verantwoordelijk voor het red. gedeelte: Drs. M. F. J. Cool te Rotterdam; voor de advertenties: H. A. M. Roelants te
Schiedani. Drukker en.Uitgever: H. A. M. Roelants te Schiedam. Verschijnt wekelijks. Abonnementsprijs f20,85 per jaar
;(,,Prijsvaststelling No. 052. IM 312″). Prijs per nummer 50 ct. P 1299/1. K 2191

Auteur