Ga direct naar de content

Jrg. 28, editie 1412

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 10 1943

,-.

-.

..-..-, –..- -.-..–.

—‘.-:’–•–

-•.:

_•_•’•
-.’i

10 FEBRUARI 1943

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

cono-m–isch~Statistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

28E
JAARGANG

WOENSDAG 10 FEBRUARI 1943

No. 1412

HOOFDREDACTEUR:

111. F. J. Gooi (Rotterdam)
PLAATSVERVANGEND HOOFDREDACTEUR:

H. W. Larnbers (Rotterdam):

Redactie en administratie: Pieter de Hoochcveg 122, R’dn-W

Aangeteekende stukken: Bijkantoor R uigeplaatweg.

Telefoon Nr. 35000,

Postrekening 8408.

Abonnements prijs voor het weekblad, waarin tijdelijk

is opgenomen het Econonz isch- Statistisch Maandbericht,

franco p. p. in Nederland f 20,85 per jaar. Buitenland en

koloniën f 23,— per jaar. Abonnementen kunnen met elk

nummer ingaan en slechts worden beëindigd per ultimo van

elk kalenderjaar. Losse nummers 50 cent. Donateurs en

leden van het JVederlandsch Economisch Instituut ontvangen

het weekblad gratis en genieten een reductie op de verdere

publicaties. AdreswiJzigz.n gen op te geven aan de administratie.

Advertenties voorpagina / 0,28 per mm. Andere pagina’s

/ 0,22 per mm. Plaatsing bij abonnement volgens tarief.

INJIOU1):

i3lz

De grenzen van de clearing door
Jhr. Mr. E. vanLennep 72

Statistische mogelijkheden der distributie-admini-

stratie

door

T.

Gulden

……………………
74

De sterftetafels 1931-1940 door
Jhr. Mr. J. Schuur-

bequc

Boeye

…………………………….
76

De Zwitsersche machine-industrie (1) door
P. Brandes
80

Overheidsmaatregelen

op

econo-

miscli

gebied

……………………..
82

M a a n d c ij f e r s.
Emissies gedurende de laatste vier maanden van
1942
82

S t a t
i
S
t
i
e k e n.

Stand van ‘s Rijks Kas

Bankstaten

……..
83

GELD- EN KAPITAALMARKT.
Nog steeds kan de Schatkist het zonder de
geldmarki
stellen. De middelen vloeien blijkbaar ruim om de loopende
betalingen te kunnen verrichten. Dit neemt natuurlijk
niet weg, dat binnen kortere of langeren tijd de afgifte
van schatkistpapier aan de markt weer een aanvang moet
nemen. Reeds in ons vorige overzicht hebben wij er
0
1)
gewezen, dat per medio Februari rond f 50 millioen aan
lossingen van de 4 % leening 1941 is te voldoen, en per den eersten Maart weer een ongeveer gelijk bedrag aan
losbare obligatiën der 3-3-} % leening 1938. Dit bedrag
kan natuurlijk slechts worden opgebracht door de geld-
markt in te schakelen, en de banken zullen dan dus ge-
legenheid krijgen de overtollige liquiditeiten, die sedert
begin Januari aangegroeid zijn, uit te zetten. Die hquide
middelen heloopen een vrij omvangrijk bedrag, waarvan
echter vorige week een flink deel weer afvloeide door de omvangrijke stijging van den hiljettenomloop. Daar hier-
.tegenover slechts een geringe aanwas van de buitenland-
sche wisselportefeuille en diverse rekeningen op de balans
van De Nederlandsche Bank stond, onderging de geldmarkt
uit ciezen hoofde een noemenswaarde verkrapping. Op deze
beweging volgde in de verslagweek een redres in dier
voege, dat de buitenlandsche deviezenvoorraad met f
26
millioen steeg, terwijl de biljettenomloop met f 5 millioen
daalde, zoodat pet’ saldo aan de markt werd toegevoerd
rond t 30 millioen.
De
obligatie’nwkt
heeft deze week weer weinig fluctua-
ties getoond, terwijl de omzetten betrekkelijk gering waren.
J.(oerswij zigi ngen van heteekenis kwamen niet voor, de
nieuw’e leening 3 %
1942
was vooral in het laatst van de
week nogal aangeboden, terwijl de daartegenover staande
vraag ietwat terughoudend was. Aldus is bijv. de marge
tuschen deze .leening en de 3-3k % leening 1938 inge.
lrompen tot rond 1 .j- %, hetgeen uitzonderlijk weinig is
en ook noemenswaarci minder dan de , ,theoretische”
marge bij gelijk rendement zou moeten heloopen.
Verschillende groote beleggers, die tot voor kort nog
regelmatig als koopers aan cle markt waren, hebben in den
lCatsten tijd blijkbaar gelegenheid gehad door het over-
nemen van oncierhandsche leeningen een deel van hun
beschikbare middelen te beleggen, zoodat zi.j met hun
vraag minder dringend aan cle markt liggen.
De
aandeelen’narkt
heeft in den
1001)
van de week even
een vrij omvangrijke reactie geregistreerd, toen uit Berlijn
het bericht kw’am, dat volgens een juist afgekondigde
maatregel Duitsche kapitaalhezitters, die sedert 1 Januari
1942 Neclerlandsche aandeelen hebben verworven met een
waarde van meer dan f 50.000, ,deze moeten aangeven,
terwijl van hen Ican worden -erlangcl, dat de aangemelde
fondsen tegen de koersen van 2 Maart 1942 worden afge-
dragen, dan wel dat zij ter hêurze worden ‘verkocht. De
reactie, die daarop hier ter beurze volgde, was deels toe te
schrijven aan anticipatie 01) het eventueele aanbod, dat
t.z.t. uit deze.n hoofde te verwachten is, deels aan de ver-
vachting, dat ook hier de aanmeldingsgrens zou worden
gereduceerd tot f 50.000 (voorheen beliep deze, zooals he-
.kend, f100.000). lndedaac1 kwam clie maatregel den vol.
geoden dag, maai de reactie van de aandeelenkoersen zette
zich niet voort. integendeel vond een scherp koersherstel
plaats, dat daarna nog w’erj geaccentueerd, zoodat de
markt voor vele fondsen op gelijk of zelfs hooger niveau
sloot dan vÔÔr de reactie had gegolden.

72

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Februari 1943

DE GRENZEN VAN DE CLEARING.

Gelijk bekend, zijn door Nederland vÔér den oorlog,
als afweermaatregel tegen deviezenrestricties in bepaalde
landen, clearingverdragen van verschillenden omvang
afgesloten. In deze clearingverdragen werd een bepakide
sector van het betalingsverkeer tusschen de verdrag-
sluitende landen in dier voege geregeld, dat limitatief
werd opgesomd, welke vorderingen over de clearing
moesten worden verrekend. Buiten deze groepen van
vorderingen bleef de zgn. ,,vrije” sector. Het belang
van het land met het vrije betalingsverkeer bracht
uiteraard met zich, dat deze vrije sector zooveel mo-gelijk werd ingeperkt. Het feit, dat deze clearingver-
dragen steeds tusschen een valuta-sterk en een valuta-
zwak land werden afgesloten, het feit dus, dat vast-
stond, dat het eene land (dat met de deviezencontrôle)
zijn verplichtingen jegens het andere land niet volle-
dig kon nakomen (dit was immers juist de oorzaak van
de clearing) noopte echter steeds tot een zekere be-
grenzing van de werkingssfeer der regelingen. Deze be-
grenzing was dus noodzakelijk ter wille van het evenwicht
van de clearing. In de practijk zagen wij dan ook, dat
alle vooroorlogsehe verdragen, waarbij Nederland partij
was, ,,partieel” waren, d.w.z. dat steeds eenige groepen der wederzijdsche verplichtingen geheel of gedeeltelijk
buiten de clearing om moesten worden voldaan. Tot deze
groepen behoorde steeds een aantal verplichtingen in
het kapitaalverkeer en in het verzekeringsverkeer.
Hoe is de situatie thans?
Vooropgesteld zij, dat de zeer bijzondere eischen, die
de oorlog aan het internationale handelsverkeer stelt,
uiteraard een belangrijken invloed op de huidige ontwikke-
ling van het internationale betalingsverkeer uitoefenen.
Het opstellen van algemeene theses ten aanzien van de
mogelijkheden van de ontwikkeling van het clearing-
verkeer heeft derhalve voor de hedendaagsche practijk
slechts betrekkelijke waarde. Toch wil het mij voorkomen,
dat het ook onder de gegeven omstandigheden nuttig
kan zijn eenige vragen ten aanzien van de clearing eens
wat nader te belichten.

De oerplichting tot omrekening van vat utavorderin gen

Een essentieel element van ieder clearingverdrag is,
gelijk bekend, de bepaling, dat onder de regeling vallende vorderingen, luidende in een andere geidsoort dan die der
verdragsluitende Staten, worden omgerekend tegen een
bepaalden koers. Juridisch beschouwd, zijn valutavorde-
ringen ifwel vorderingen, waarbij de vreemde valuta de
functie van rekeneenheid heeft, ôfwel vorderingen, waarbij
het vreemde geld het voorwerp van de verbintenis vormt,
vorderingen dus, die niet in binnenlandsche geldsoort
kunnen worden voldaan. Is een vordering in buitenland-
sehe geldsoort uitgedrukt, dan zal aan de hand van het contract tusschen partijen moeten worden vastgesteld,
of de debiteur zich al dan niet door betaling in binnen-
landsche geldsoort kan bevrijden. Staat vast, dat tusschen
partijen betaling in vreemde munt is overeengekomen, dan kan de debiteur zich bijv. niet op compensatie be-
roepen, indien hij tegenover zijn valutaschuld een in
binnenlandsche geldsoort luidende vordering op zijn
wederpartij kan geldend maken (H.R. 11 November
1932; N.J. 1933, p. 297); slechts dan zou compensatie
kunnen plaats vinden, indien de crediteur van de valuta-
vordering uitdrukkelijk verklaart, met betaling in binnen-
landsche geldsoort genoegen te nemen (contractueele
compensatie).

Terugkeerend tot de verplichting tot omrekening in
clearingverdragen, kunnen wij vooreerst vaststellen, dat
een clearingregeling steeds op het door haar bestreken
terrein de bestaande en toekomstige, effectieve valuta-
vorderingen omzet in valutavorderingen, waarbij de
vreemde valuta de functie van rekeneenheid heeft. Dit be-

teekent, dat het clearingverdrag hij voorbaat de mogelijk-
heid uitsluit, dat een ingezetene van het eene land, op grond van een door hem te verrichten prestatie jegens
een ingezetene van het andere clearingland, betaling in
effectieve vreemde munt kan eischen. Omtrent de mo-
tieven, die tot dit ingrijpen in de civielrechtelijke verhou-
dingen hebben geleid, kan in het kort het volgende worden
gezegd:
De essentieele grondslag van een clearing is de weder-
keerigheid, de gelijkheid van de uit te ruilen leveranties
en prestaties.
Besluiten nu twee landen hun goederen- en diensten-
verkeer op ruilbasis te doen plaats vinden, dan is daarvan
een noodzakelijk gevolg, dat door deze landen tevens wordt overeengekomen, dat niet wordt toegelaten, dat
door leveranties van goederen en het verrichten van
diensten andere vorderingen ontstaan, dan die welke
met de vorderingen uit hoofde van soortgelijke prestaties
door het andere land kunnen worden verrëkend; deviezen-
vorderingen uit hoofde van toekomstige leveranties en
prestaties, vallende onder de ruilovereenkomst (veelal
neergelegd in de contingenten), zullen dus niet als zoodanig
kunnen worden erkend.

De ,,totale clearing”.

In de laatste jaren is een plotselinge uitbreiding van den
omvang der clearingen te constateeren. Het instellen
van een multilaterale Europeesche clearing, waarbij
vrijwel uitsluitend deviezenarme landen met deviezen-
contrôle zijn betrokken, heeft niemve facetten van het
clearingwezen naar voren gebracht. Ik doel hier voorname-
lijk op het feit, dat de bilaterale evenwichtsgedachte op den achtergrond is gebracht, en op de mogelijkheid van wederzijdsche volledige verrekening van verzekerings-
en kapitaalbedragen. Wij hebben thans in de practijk het
begrip ,,totale “clearing, voorheen practisch niet bestaan-
baar geacht, werkelijkheid zien worden.

Evenals de vroegere Nederlandsch-Duitsche clearing
na Mei 1940, bestrijken de regelingen met België, Frank-
rijk, het Generaal-Gouvernement en Italië, zoowel het goe-
deren- en dienstenverkeer als het verzekeringsverkeer en
het kapitaal- en kapitaalopbrengstenverkeer. Dat in de prac-tijk de verrekening van kapitaalbedragen steeds nog van af-
zonderlijke toestemming van de betrokken landen af-
hankelijk wordt gesteld, doet niet af aan het feit, dat het
kapitaalverkeer bij dergelijke clearingregelingen niet,
zpoals voorheen, in den vrijen sector ligt. Een effectieve
valutakapitaalvordering tusschen twee landen, die een
dergelijke clearingregeling hebben, kan derhalve niet in
deviezen, doch slechts over de clearing worden geïnd.
Wij zien dus thans deze situatie: er bestaat een streven
de clearingen ,,totaaï” te maken. Deze totaliteit impli-
ceert, dat alle vorderingen, die tusschen de twee clearing-
landen bestaan en ontstaan, clearingvorderingen zijn.
Een zgn. Vrije sector bestaat dan niet meer. Men bedenke
hierbij, dat een debiteur, die zijn verplichting door storting
in de clearing kan voldoen, deze verplichting ook over de
clearing
moet
voldoen; clearingplicht of deviezencontrôle
verhinderen een andere wijze van betaling.

De vraag nu, welke ik tot onderwerp van deze beschou-
wing zou willen maken, is, of, en zoo ja in hoeverre, een
begrenzing van het door de clearing te bestrijken terrein
noodzakelijk is. Is het uiteindelijke, practisch te verwezen-
lijken ideaal, dat alle clearingregelingen ,,totaal” zijn,
waarbij slechts in bepaalde gevallen overmakingen worden
tegengegaan, teneinde te groote toevloeiing of afvloeiing van
kapitaal naar en van een land te verhinderen, of moet
‘men veeleer stellen, dat ieder clearingverdrag gebonden
is aan een zeker plafond, dat altijd een begrenzing der
groepen te verrekenen vorderingen noodzakelijk zal zijn;
of anders gezegd: is het bij een clearing slechts van belang
terwille van het evenwicht te letten op de totalen der te

10 Februari 1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

73

verrekenen bedragen of moet men daarnevens nog zekere
eischen stellen ten aanzien van de aan de betalingen ten
grondslag liggende transacties. Zou het laatste het geval
zijn, dan zou buiten de clearing om altijd een zeker de-
viezenverkeer tusschen de landen blijven bestaan, en
zou dus voor bepaalde prestaties betaling in deviezen
kunnen worden bedongen. Deze deviezenvorderingen
zouden dan niet door het clearingrecht worden bestreken.
Zij zouden naar de gewone regelen van het burgerlijk recht

kunnen worden afgewikkeld.

De omstandigheid, dat cleviezenvorderingen, die wèl
onder de clearingregeling vallen, ingevolge de voorschriften
van het clearingrecht, als clearingvorderingen worden be-
stempeld, vindt, gelijk wij zagen, haar verklaring in het
belang van de clearing zelve. Het is een noodzakelijke
consequentie van het clearingverdrag. En aangezien nu
de grondslag van het clearingverdrag het algemeen be-
lang der verdragsluitende Staten moet zijn, zullen wij
moeten onderzoeken, of dit algemeen belang ook eischt,
dat door het instellen van een totale clearing alle vorde-
ringen uit welken hoofde ook in de clearing worden be-
trokken, dat m.a.w., ongeacht de eigen prestatie, nooit

op
betaling in deviezen door het andere land aanspraak
kan worden gemaakt. Zou zulks met het belang van een
van beide landen strijden, dan zou hiermede reeds een
grens van het door de clearing te bestrijken terrein zijn

gegeven.

Wij stuiten hier vooreerst op de moeilijkheid om vast
te stellen, van welken aard het algemeen belang is, waaraan
hier een beslissende invloed wordt toegekend. Voor de hand ligt in de eerste plaats te denken aan het handels-
en industriebelang. Immers, was er geen clearing, dan
zou de export naar een deviezenarm land, vooral van de
artikelen met sterk elastische vraag, practisch tot stil-
stand zijn gedoemd. 1-let zijn dus, ruwweg gezegd, de
exporteurs in de deviezensterke landen en de importeurs
in de deviezenarme landen, die in de eerste plaats bij
een transferregeling als de clearing zijn gebaat. Het zou
overigens niet moeilijk zijn naast het handels- en industrie-
belang ook andere economische belangen op te noemen,
welke door een clearingregeling worden gediend. In het
bijzonder zij nog melding gemaakt van het nationale

deviezenbelang
1).
Een clearing schakelt het deviezen-
verkeer in een bepaalden sector van het internationale
betalingsverkeer uit. In beginsel heeft een clearing der-halve ten aanzien van de deviezenpositie der betrokken
landen deze gunstige werking, dat van de- voorhanden
zijnde deviezen niet meer een gedeelte tijdelijk behoeft
te worden afgestaan voor de betaling van schulden aan
het andere clearingland. Indien bijv. de goederenimporten
dienen te worden betaald, voordat betaling voor den
eigen export is ontvangen, kan dezé ,,deviezenbesparing”
beteekenis hebben. In zooverre kan men het deviezen-
belang voegen bij de belangen, welke bij een uitbreiding van een clearingregeling zijn gebaat.

1-let nationale deviezenbelang vormt echter anderzijds
ook een remmenden factor en wel in dien zin, dat een
clearing in beginsel de deviezenpositie van het land niet
mag verzwakken. Hoezeer bijv. bepaalde handelsbelangen
kunnen eischen, dat een transferregeling tusschen twee
landen tot stand komt, deze transferregeling zal de devie-zenpositie van het land niet mogen- benadeelen. Een ver-
zwakking van de deviezenpositie beteekent immers een
verarming van de geheele gemeenschap. –
Zoo zien wij, dat eenerzijds een coniplex van belangen
het tot stand komen van een zoo ruim mogelijke clearing-
regeling eischt, dat anderzijds deze belangen niet – be-
slissend kunnen zijn bij het bepalen van den omvangder
clearingregeling zelf; de clearingregeling zal nl. in beginsel

1)
Ik heb gemeend hier het ,,cIeviezenblang” gemakshalve als
objectief gegeven te mogen beschouwen, hoewel er uiteraard trans-
acties zijn, waarbij het antwoord op de vraag, of. daardoor het
deviezenbelang al dan niet wordt benadeeld, geenszins vaststaat.

niet tot een verzwakking van de deviezenpositie mogen

leiden.
Ik meen op grond hiervan den volgenden algemeenen
regel te kunnen opstellen: een clearingregeling kan in beginsel onbeperkt zijn, tenzij daardoor het deviezen-
belang van één der bij de regeling betrokken landen wordt
benadeeld. Wij zullen dus dienen te onderzoeken, of een
,,totale” clearing het deviezenbelang van een der clearing-
landen kan benadeelen en zoo ja, welke dan de grenzen
zijn van een clearingregeling, die niet het deviezenbelang
van één der clearinglanden benadeelt. Bij ons onderzoek
wordt er van uitgegaan, dat in beide bij de clearingregeling
betrokken landen een deviezenreglementeering is ingevoerd,

zulks omdat

er thans in de geheele wereld vrijwel geen land meer is, waar dit niet het geval is.
Tot goed begrip van hetgeen volgt, is het wellicht dienstig
er, nog op te wijzen, dat een deviezenreglementeering
impliceert, dat vorderingen van particulieren, voorzoover
zij buitenlandsch zijn, als vorderingen van den Staat
kunnen worden beschouwd. De Staat kan ze immers te
allen tijde opvorderen en verbiedt iedere beschikking

erover. –
Wij kunnen derhalve onze thans aan de orde zijnde vraag
aldus formuleeren: in hoeverre kunnen twee landen hun
wederzijdsche bestaande en toekomstige deviezenvorde-
ringen in een clearingregeling opnemen, zonder inbreuk te maken op het beginsel, dat een clearing het deviezen-belang van één der bij de clearing betrokken landen niet

mag benadeelen.

Het nationaliteitsbeginsel bij de elearing.

Naar algemeene opvatting, wordt deze grens bij het

goederen- en dienstenverkeer bepaald door de ,,nationali-
teit” der goederen en diensten, welker betaling over de
clearing wordt verricht. Men is dus van meening, dat de
norm, dat alle deviezenvorderingen uit hoofde van
leveranties van goederen en het verrichten van diensten
in clearingvorderingen moeten worden omgezet, slechts
kan gelden voor die leveranties en prestaties, die inder-
daad worden uitgeruild tusschen twee landen, dus voor-
zoover de goederen niet van oorsprong zijn uit, en de
prestaties niet worden verricht door, een derde land. Zou
men deze beperking niet aanbrengen, dan zou de weg
openliggen voor transacties, die in het voordeel van het
derde land en ten nadeele van één der clearinglanden zouden
werken. Bijvoorbeeld: clearingland A koopt tegen betaling
in vrije deviezen in land X goederen, van oorsprong uit
dit laatste land. Land A verkoopt deze goederen vervolgens
aan clearingland B. Zou nu land B aan land A over de
clearing B—A betalen, dan zouden voor land A uit deze
transacties een clearingvordering op land B en een de-
viezenschuld (of -verlies) jegens land X resulteeren. Indien land B niet bereid zou zijn geweest voor dezelfde goederen vrije deviezen af te geven, is het belang bij deze transacties
zoowel van land B als van land X evident en ligt het voor de hand, dat deze landen er spoedig toe zouden
komen, bijv. door schijntransacties met tusschenpersonen
in land A, de clearing A—B in omvangrijke mate ten
nadeele van land A te misbruiken. Men kan in het alge-
meen zeggen, dat in beginsel slechts de koopsommen -van
die goederen voor verrekening over de clearing in aan-
merking komen, die een ,,nationaal” karakter hebben,
d.w.z. die in het binnenland zijn geproduceerd, zonder dat
daarbij voor een belangrijk percentage betalingen naar het buitenland voor grondstoffen of anderszins hebben
– moeten plaats vinden, dus die geen deviezen hebben

gekost
2).
Ten aanzien van alle andere goederenvorderingen

‘)
In de practijk heeft men den eisch gesteld, dat de goederen
tenminste een ,,wezenlijke bewerking” in het land, waarheen wordt
betaald, moeten hebben ondergaan. Het uit deze noodzakelijke
uitbreiding van het begrip ,,nationale goederen” voor het verkoo-
pende land voortvloeienee devlezenverlies wordt gecompenseerd,
doordat een bepaald percentage der sotrtingen in het koopende
land in vrije devlezen ter beschikking wordt gesteld, dan wel door-
dat ook het koopende land zijnerzijds een contingent niet zuiver
natIonale goederen levert.

74

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Februari 1943

(de niet-, ,nationale” goederenvorderingen) neemt meh dus
aan, dat het deviezenbelang eischt, dat deze in beginsel in deviezen ‘dienen te worden voldaan. Uitzonderingen
van dit beginsel zijn slechts mogelijk voorzoover het
deviezenbelang van beide clearinglanden
zich
tegen de
betreffende transacties niet verzet. 1

Jet aan deze begren-
zing der clearing ten grondslag liggende beginsel zou ik
het , ,nationaliteitsbeginsel” willen noemen.
Wij zien dus, dat ten aanzien van het goederenverkeer
naar algemeene opvatting een zekere
hegrenzing
van
cle clearing noodzakelijk is. Minder eenstemmigheid
heerscht ten aanzien van het kapitaalverkeer en het ver-
zekeringsverkeër. In een volgend artikel hoop ik ook
deze sectoren van het betalingsverkeer in het onderzoek
naar de grenzen van de clearing te betrekken.
Mr. E. van LENNEP.

STATISTISCHE MOGELIJKHEDEN DER

DISTRIBUTIE-ADMINISTRATIE.

Inleiding.

Sinds in het najaar van 1939 suikei als eerste artikel
en dan nog eigenlijk meer bij wijze van proef werd
gerantsoeneerd, heeft het aantal gedistribueerde arti –
kelen – zoowel voedingsmiddelen als industrieele pro-ducten een groote vlucht genomen. Gelijken tred hier-
mede hield de uitbreiding van het distributie-apparaat;
hier toch berust de uitvoering der distributiemaatregelen
voor die artikelen, die bij de uiteindelijke consumenten
worden gedistribueerd. De rantsoeneering van detaillisten,
grossiers, handelaren en fabrikanten vooi’ de overige
artikelen is het domein der Rijksbureau’s en bedrijf-
schappen.
Door de perfectionneering van de mechanische boek-
houding – I

Iollerithsysteem – en door het snel w’erken
der plaatselijke distributiediensten is het mogelijk ge-
worden, de gegevens omtrent de verantwoording van het uitgereikte en ingenomen waardemateriaal – bon-
kaarten, rantsoenbonnen, toewijzingen en opplakvellen
met consumentenbonnen -, die de distributiediensten
hij het Centraal Distributiekantoor (C. D. K.) moeten
inzenden, zeer snel te verwerken en ter beschikking te
stellen van de betreffende instanties, die aan de hand
van deze gegevens de voorraadpositie kunnen overzien
en de nieuwe rantsoennormen kunnen vaststellen.
Teneinde met vergelijkbare tijdsruimten te werken,
is het jaar administratief verdeeld in 13 perioden van
elk 4 weken; de looptijd der bonkaarten en ook de ver-
antwoordingen aan het C.D.K. houden hiermede gelijkeri
tred. De statistische gegevens zijn nu precies één periode
hij de wei’kelijkheid ten achter; van een bepaalde periode
staan de cijfers dus aan het einde van de daaropvolgende periode ter beschikking:
De gegevens, die de bases vormen der diverse bere-
keningen, zijn te verdeelen in twee groote groepen; cijfers
omtrent de uitgifte en omtrent het verbruik.

Uitgifte.

la. Algemeene bonkaarten.
Tot de uitgifte moet iii de
eerste plaats worden gerekend de uitreiking der alge-
meene bonkaarten, die periodiek plaats vindt en in tweeën
wordt verantwoord. Aan het begin der verbruiksperiode
– dat is dus direct na de uitreikingsperiode – vindt de
verantwoording dér hoofduitreiking plaats; een periode
daarna wordt de na-uitreiking verantwoord (in hoofd-
zaak aan jonggeborenen en gerepatrieerden) en de
inneming (in hoofdzaak van overledenen en naar het
buitenland vertrokkenen). Deze verantw’oordingen vinden,
evenals alle andere verantwoordingen aan het C.D.K.,
plaats per disti’ibutiekring. In vele gevallen vallen de
grenzen der omstreeks 400 distributiekringen samen met
de gemeentegrenzen. In sommige gevallen zijn – om
technische redenen – meer gemeenten samengevat tot

één kring; waar dit het geval is, staat een specificatie
per gemeente niet ter beschikking.
Met uitzondering van eenige, niet zee!’ omvangrijke
groepen —om. langdurig verpleegden in ziekenhuizen, ge-
vangenen, personen in arbeidsdienstkampen – wordt
aan eIken inwoner van ons land een algemeene honkaart
verstrekt; het bevolkingscijf er wordt daarom vrij getrouw
weerspiegeld door het aantal uitgereikte bonkaarten en
dus ook de schommelingen in de bevolking.
Omdat de diverse leeftijdsgroepen (0-3, 4-13, 14-20
en 21. en hoogor) verschillende bonkaarten krijgen èn de verantwoord i ngen volgens deze groepen gespecificeerd
zijn, wordt hierdoor een aanwijzing verkregen omtrent
veranderingen in den leeftijdsopbouw per distributie-
kring, die tegenwoordig soms niet onaanzienlijk zijn.
Deze gegevens, die het voordeel hebben zeer recent
te zijn, kunnen een goede aanvulling vormen op de door
het C.B.S. berekende bevolkingscijfers van het Rijk,
cle provincies en een groot aantal gemeenten.
Door de specificatie der bonkaarten boven en beneden
de inkomensgrens’ (de K- en L-kaarten) kan bovendien eenig inzicht worden verkregen in den welstand der be-
volkingsgroepen; deze gegevens moeten échter met
groote omzichtigheid w’orden gehanteerd, omdat sinds
de laatste enquête in Augustus 1941 de inkomens in-
grijpende veranderingen kunnen hebben ondergaan.
De uitreikingsc.ijfers der algemeene bonkaarten zijn
voor de goede werking van de distributie van bijzonder
groot belang, vooral in een tijd, waarin sterke bevolkings-
verschuivingen plaats vinden; dikwijls zal de evacuatie
aanzienlijke geografische behoefteverschuivingen met zich
brengen, waarmede bij de bevoorrading der detaillisten
in de desbetreffende kringen terdege rekening moet wor-
den gehouden. Dit klemt te meer, omdat verreweg het
grootste deel van het Nederlandsche verbruik plaats
vindt op consumentenbonnen van algemeene bonkaarten;
zoo bedraagt het verbruik op deze bonnen van brood
circa 92,5 % van het totale Nederlandsche broodverbruik.

lb. ‘J’oeslagkaarten bijzondemen arbeid.
In de tweede plaats
moet tot de uitgifte gerekend worden de uitreiking van
toeslagkaarten voor zeer zvaren, zwaren en langdurien
arbeid. De uitreikingscijfers per distributiekring over
een reeks van perioden geven een goed beeld van de
geografische verspreiding dezer bijzondere arbeidsvormen
en van de seizoenbeweging, die daarin merkbaar is. Van
deze kaarten wordt een specificatie gegeven van arbeid
verricht in land- en tuinbouw en van arbeid in de overige
categorieën, waaruit kan worden opgemaakt, welke dezer
categorieën overheerscht en in welke mate dit het geval is.

lc. Bijzondere distributiekaa,’ten.
In de derde plaats
behoort tot de uitgifte de uitreiking van bijzondere distri-
hutiekaarten, waartoe behooren de gewone aardappel-
kaarten en die voor personen beneden de inkomensgrens,
tabaks-; cigaretten- en versnaperingskaarten, zeep- en
toiletzeepkaarten, brandstoffen-, textiel-, petroleum- en
serviesgoedkaarten. Sommige dezer kaarten kennen weer
een indeeling in leeftijdsgroepen: zeepkaarten van 0-7,
toiletzeepkaarten van 0-2, textielkaarten van 0-6 maan-
den, van 6 maanden-3 jaar, van 3-15 jaar en van 15 jaar
en ouder.

Door de distributiekringen samen te vatten tot eco-
nomisch-geografische gebieden of tot groepen, ingedeeld
volgens grootte der gemeenten – tellingen, die door de Ilollerithafdeeling worden veri’icht – kan inzicht w’or-
den verkregen in verschillende vraagstukken, waar-
omtrent men vroeger in het duiter tastte. Om een enkel
voorbeeld te geven: zoo kan thans de vraag worden be-
antw’oord, of de vrouwen boven 25 jaar op het platte-land meer rookerskaarten hebben genomen dan -in de
steden, in den landbouw meer dan in de industrie, in
Drenthe – meer dan in Zeeland. Uit het aantal brand-
stoffenkaarten, dat voorheen werd uitgereikt aan houders

10 Februari 1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

75

van centrale verwarmingsinstallaties, kon een inzicht
in het aantal hiervan verkregen worden. Door de uit-
reiking van petroleumkaarten voor verlichtingsdoeleinden
kan worden afgeleid, in hoeveel gezinnen en waar gas en

electriciteit ontbreekt.

2.
i?antsoenbonncn.
Naast de uitreikihg van kaarten
kan als tweede onderdeel van de uitgifte de uitreiking
van rantsoenbonnen worden beschouwd, die om ver-
schillende redenen worden verstrekt. Van cle voedings-
middelen vormen de rantsoenbonnen voor zieken en voor
aanstaande en jonge moeders verreweg den grootsten post.
Uit de cijfers omtrent cle ziekenrantsoenen der producten
kunnen conclusies getrokken worden omtrent het véér-
komen van bepaalde ziekten – voornamelijk diabetes en
rnaagziekten – in bepaalde deeleri van ons land. Daar-
naast is het mogelijk, door bewerking van de door de
artsen ingediende verzoekschrifteri, het verband na te
gaan ,tusschen ziekte, leeftijd, geslacht, welstand en be-
roep,en yn inzicht te verkrijgen in de werking van ons
ziekenfondswezen; deze gegevens kunnen voor de me-
dische wereld van belang zijn.
Naast de ziekenrantsoerieri worden zoowel van voe-
dingsmiddelen als van iridustrieele producten ook rant-soenbonnen verstrekt uit geheel anderen hoofde. Uit de
verantwoording der distributiekringen van de verstrekte
rantsoenbonnen, gespecificeerd naar aantal, artikel en
reden van verstrekking, is een schat van gegevens te
putten, waardoor eenig inzicht kan worden verkregen
in den omvang en geografische verspreiding van tal van verschijnselen in de meest uiteenloopende gebieden van

onze volkshuishoucling.
Zoo is – om slechts eenige voorbeelden te geven
na te gaan, hoeveel melk voor giftigen arbeid wordt ver-
strekt, hoeveel zeep voor vuilen arbeid wordt uitgereikt,
hoeveel kaarsen dienen voor stalverlichting, hoeveel
werkschoenen verstrekt worden, hoeveel textielpunten
huwenden krijgen, hoeveel kamerbewoners brandstoffen
krijgen, terwijl van al deze gegevens, doordat de ver-antwoordingen per distributiekri ng plaats vinden, de
geografische verspreiding bekend is.
De rantsoenbonnen worden steeds verantwoord in
rantsoenen, een voor elk artikel vaststaande, maar tus-
schen de artikelen onderjing verschillende, gewichts- of
i nhoudsmaat, waarin ook alle verantwoordingen betref-fende het verbruik worden omgerekend. ‘Soms is het ge-

wenscht, te rekenen met
norrnaaloerbrv..ikrs,
dat ‘vil

zeggen het aantal rantsoenen, dat een volwassen persoon
per periode van vier weken krijgt toegewezen.

3..
Extra-toewijzingen.
Naast de kaarten en de rantsoen-
bonnen vormen de extra-toewij zingen aan instellingen liet derde deel van de gegevens omtrent de uitgifte. De
instellingen, die deze extra-toewijzingen ontvangen, wor-
den verdeeld in twee groepen, te herkennen aan het
codenummer. De eerste groep (8000) omvat – enkele
categorieën daargelaten – in hoofdzaak de ziekenhuizen,
rusthuizen en sanatoria, de tweede groep (9000) omvat
de hotels, café’s, restaurants en cantines. Met het oog op de inrichting van de administratie der
ziekenhuizen w’orden de extra-toewij zingen aan instel-
lirigen-8000, in tegenstelling met alle andere verant-
woordingen, althans van voedingsmiddelen, per maand
berekend en verantwoord. Deze toewijzingen, die geba-

seeid zijn
01)
het aantal patiënten, vorden verantwoord
pet’ distributiekring en per instelling, zoodat het verloop
van de ziekenhuisbevolking – gezien het feit, dat per
patiënt een vastgestelde hoeveelheid voedingsmiddelen
beschikbaar wordt gesteld – vrij nauwkeurig is te vol-
gen; hetzelfde ‘geldt voor de gevangenissen.
De extra-toewijzingen aan instellingen-9000 w’orden
ereneens verantw’oord per distributiekring en per in-
stelling, zoodat de omzet der hotels en restaurants, met
een groote mate van nauwkeurigheid, van de verant-

woordin
g
en kunnen worden afgelezen.
0
1) het C.D.K. wordt verder een kaartsysteem der
instellingen bijgehouden, w’aaru it de extra-toewij zingen per instelling onmiddellijk blijken.
Zelf oerzorgers.
Landbouwers, die in eenigszins om-
vangrijke mate aardappelen telen, vallen met hun familie
en het inwonend personeel onder de zelfverz,orgers-rege-
ling; hun worden geen aardâppelkarten uitgereikt.
Door het aantal uitgereikte algemeene bonkaarten, te
verminderen met het aantal uitgereikte aardappelkaarten
– beide gegevens gespecificeerd naar leeftijdsgroepen –
kan het aantal zelfverzorgers van aardappelen per distri-
butiekring en dus cok per economisch-geografisch gebied

worden berekend.
Een dergelijke regeling bestaat ook voor graanver-
bouwers ten aanzien van brood, voor varkens- en schapen-
houders ten aanzien van vleesch en voor houders van
melkvee ten aanzien van melk. Van zelfverzorgers voor
brood, vleesch en melkartikelen, waarvoor geen aparte
bonkaarten, zooals voor aardappelen bestaan, kun-
nen, tegen afgifte van een inleveringsbewijs, de betref-
fende deelen van de bonkaart worden ingenomen. Aan
de hand van de verantwoording dezer inleveringsbewijzen
en van het hiermede overeensternmende aantal ingenomen,
deelen van bonkaarten – w’ederom gespecificeerd naar
leeftijdsgroepen – is het aantal zelfverzorgers dezer
voorthrengselen per distributiekring en dus ook weer

per economisch-geografisch gebied na te gaan.

Verbruik.

Tegenover de gegevens van de uitgifte, staan die van
het verbruik, waaromtrent de verantwoordingen der ver-
strekte aan vullingstoewij zingen aan detaillisten lich t ver
schaffen. De bij de detaillisten gerealiseerde consumenten-
bonnen en rantsoenbonnen worden door dezen op opplak-
vellen geplakt en bij de plaatselijke distributiediensten
ingeleverd; van deze diensten ontvangen de detaillisten
dan toewijzingen, in rantsoenen gelijkstaande aan het
aantal door hen ingeleverde rantsoenen, waarmede ‘zij
zich bi,j hun grossier of fabrikant dan w’eer kunnen be-

voorraden.
Deze toewijzingen nu worden door de clistributiedien-
sten wekelijks aan het C.D.K. verantwoord en vormen
een betrouwbaren maatstaf voor het verbruik op con-
sumenten- en rantsoenhonnen.
In de eerste plaats vindt deze verantwoording plaats
per detaillist; door een reeks perioden met elkander te

vergelijken wordt inzicht verkregen in de schommelingen
in den naar artikel gesplitsten omzet der verschillende
detaillisten, terwijl hierdoor tevens gegevens worden
verkregen omtren t de bedrij fsgrootte der detaillisten.
Van de detaillisten is bovendien een kaartsysteem aan-
ge.legd, waarvan door bijschrijving van de verstrekte
aanvullingsvoorschotten – de beginvoorraad van alle
detaillisten was bekend – op elk moment de theoretische
voorraadpositie per detaillist moet Icunnen worden af-
gelezen. Mocht deze theoretische voorraad niet over-
eenstemmen met den werkelij ken voorraad, dan wordt een
onderzoek naar de oorzaak hiervan ingesteld, welk onder-
zoek zeer vaak eindigt met een tuchtrechterlijke uit-

spraak.
Flet feit, dat naast de omzetten per detaillist ook de
prijzen bekend zijn – van overheidswege worden deze
immers vastgesteld – maakt het mogelijk, eenig inzicht te verkrijgen in de bruto-inkomsten der detaillisten, ,al
vallen alle niet-gedistribueerde artikelen buiten het

gezichtsveld.
In de tweede plaats is uit de verantwoordingen pel’
artikel na te gaan, hoeveel detaillisten dit artikel ver-
kochten en wat de omzet daarvan per detaillist was.
]-lierdoor is het mogelijk, den gemiddelden omzet per artikel
te berekenen, terw’ijl daarnaast kan worden onderzocht, welke winkeliers van een bepaald artikel meer en welke

daarvan minder omzetten.
Naast de vergelijking van de omzetten per artikel en

76

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Februari 1948

de omzetten per detaillist is het mogelijk, een vergelijking
te maken tusschen de omzetten der verschillende soorten
detaillisten: kleinwinkelbedrijf, winkelmaatschappijen, co-
operaties, warenhuizen. Dat zulk een onderzoek voor de
ordening van den distributieven middenstand van het
grootste belang kan zijn, is duidelijk.
In de derde plaats vindt de verantwoording der aan-
vullingstoewijzingen plaats per distributiekring, waaruit
het plaatselijk verbruik valt af te lezen. Het is van belang,
dit verbruik per gemeente en per provincie te kennen in
verband met de benoodigde transportruimte voor den
aanvoer der distributiegoederen en tevens in verband
met de in sommige bedrijfstakken door te voeren orde-
ning, waarbij aan bepaalde fabrieken vastomlijnde afzet-
gebieden worden toegewezen. Daarnaast moeten soms
voorraden in depôt worden opgeslagen met het oog op de
dislocatie van het verkeer in de wintermaanden.
Het totale verbruik kan worden vergeleken met de
productiecijfers en met de hoeveelheden, die door de
fabrieken zijn afgeleverd; deze hoeveelheden moeten,
nadat een correctie is aangebracht voor diefstal, in-
drooging e. d., dan vrij nauwkeurig met elkaar over-
eenstemmen.

Verbruiksintensiteit en nerbruiks percentages

Veel belangrijker dan een beschouwing van de ver-
bruikscijfers zelf, is echter de vergelijking tusschen de
cijfers van uitgifte en verbruik. Onder de uitgifte wordt
in dit verband verstaan de uitgifte van bonkaarten,
rantsoenbonnen en extra-toewijzingen, omgerekend in rantsoenen. Bij rantsoenbonnen en extra-toewijzingen
is dit eenvoudig, omdat deze in rantsoenen verantwoord worden; de bonkaarten moeten echter omgerekend wor-
den in rantsoenen door het aantal bonkaarten te ver-
menigvuldigen met het aantal rantsoenen, dat per kaart
en per periode beschikbaar wordt gesteld, waarbij er op
gelet moet worden, dat deze aantallen voor de verschil-
lende leeftijdsgroepen en arbeidscategorieën uiteehloopen.
De aldus berekende uitgifte moet dan nog worden ver-
minderd met het aantal rantsoenen, dat om diverse re-
denen werd ingenomen.
Tegenover de uitgifte wordt dan het verbruik gesteld,
waaronder in dit verband wordt verstaan het verbruik
op consumenten- en rantsoenbonnen – de aanvullings-
toewijzingen dus – vermeerderd met de extra-toewijzin-
gen; hierbij wordt dan van de veronderstelling uitgegaan,
dat de extra-toewijzingen ten volle worden verbruikt.
Het aldus berekende verbruik omvat niet het geheele
Nederlandsche verbruik, omdat de consumptie der zelf-
verzorgers hieronder niet is begrepen; het zou echter
mogelijk zijn, hiervoor een correctie aan te brengen, omdat
de hoeveelheden, die de zelfverzorgers per persoon voor
eigen gebruik mogen behouden, bekend zijn. Voor de
berekening van het Nederlandsche verbruikspotentieel is deze correctie van belang, voor een vergelijking der
cijfers van uitgifte en verbruik echter niet. Door nu de verhouding te berekenen tusschen de uit-
gifte en het verbruik worden de verbruikspercentages der
verschillende artikelen verkregen, waaruit valt af te lei-
den, met welke intensiteit de bonnen worden gerealiseerd.
Deze intensiteit verschilt bij de diverse artikelen, al naar
gelang het eene artikel meer begeerd wordt dan het
andere – zoo zal het verbruikspercentage van gestan-
daardiseerde melk hooger zijn dan van taptemelk –
en naarmate de artikelen langer gedistribueerd zijn,
waardoor de particuliere voorraden uitgeput raken. Het
is eveneens begrijpelijk, dat een rantsoenverlaging van
een bepaald artikel een stijging van het verbruikspercen-
tage met zich brengt.
Periodiek worden de verbruikspercentages voor het
geheele land per artikel berekend en vergeleken met de
percentages van het loopende jaar, omgerekend in ge-middeden per vier weken. Het is op deze wijze moge-

lijk, de seizoenschommelingen in de intensiteit van het
verbruik op te sporen.

Deze landelijke verhruikspercentages vormen een
waardevol materiaal en zijn een graadmeter voor de be-
hoefte en voedingstoestand van ons volk. Nog interes-
santer. wordt het echter, indien de verbruikspercentages worden berekend voor de economisch-geografische ge-
bieden. Het blijkt dan, dat de verbruikspêrcentages per
economisch-geografisch gebied sterk uiteenloopen, waarbij
in het algemeen de groote bevolkingscentra een tendens
vertoonen tot hoogere percentages. In de steden, waar
de niet-gedistribueerde artikelen als groente en fruit
moeilijker zijn te krijgen dan op het platteland, is de
prikkel tot verbruik der op de bonnen beschikbaar ge-stelde voedingsmiddelen blijkbaar sterker. Bovendien
bezitten velen op het platteland een lapje grond, waarop,
laten wij veronderstellen, aardappelen worden verbouwd; indien nu op kleigrond minder dan 5 are en op zandgrond
minder dan 10 are met aardappelen worden ,bebouwd,
valt dit niet onder de ze]fverzorgers-regeling en mag de
oogst geheel worden behouden, waardoor de prikkel tot
verbruik der bonnen geringer wordt dan in de steden.
Een nauwkeurige analyse van de verbruikspercentages
der economisch-geografische gebieden leidt dan ook tot
bijzonder belangwekkende psychologische en sociaal-
economische conclusies.
Naast de indeeling in economisch-geografische gebieden
worden de verbruikspercentages ook berekend voor de provincies, voor het stad- en landgebied en voor het in
zuiveikringen gebruikelijke wettelijk en niet-wettelijk
melkgebied. Al deze gebieden gedragen zich verschillend,
wisselend naar artikel en naar seizoen. Een indeeling
naar grootte van de gemeenten geeft tenslotte aanwij-
zingen omtrent het verschillend gedrag der consumenten
in de groote steden, in de kleine plaatsen en op het platte-
land.
Vergelijking met vooroorlogsche cijfers is in de meeste
gevallen niet mogelijk, omdat de beschikbare verbruiks-
statistieken in ons land te onvolledig en vooral te weinig
gedetailleerd waren. Dit valt te betreuren, omdat de
statistieken, die gebaseerd zijn op de cijfers der distri-
butie, tenslotte het verbruik onder abnormale omstandig-
heden weergeven. In hoeverre de thans verkregen cijfers
een grondslag kunnen vormen voor een meer uitge-
breide verbruiksstatistiek na dan oorlog, valt moeilijk te
beoordeelen.
In elk geval beijert het C.D.K. zich om reeds thans
de beschikbare cijfers zoo overzichtelijk mogelijk te ver-
zamelen en te bewerken, omdat de vorige oorlog ge-
leerd heeft, dat de belangstelling voor dergelijke gegevèns
na opheffing van de distributie spoedig is verdwenen.
Het zal geheel afhangen van de mate, waarin de distri-
butieve middenstand na den oorlog zal worden geordend,
of de thans gedane onderzoekingen van blijvende practische
waarde zullen zijn of dat zij slechts van belang zullen zijn
voor de geschiedschrijving van de distributie in Neder-
land gedurende den tweeden wereldoorlog.

T. GULDEN.

DE STERFTETAFELS 1931-1940.

Onlangs zijn de sterftetafels over de jaren 1931—’40,
samengesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek,
verschenen. Hiermede is het verloop van de sterfte-
kansen in Nederland gedurende de periode van een eeuw
bekend. Deze tafels zijn berekend naar een methode, welke
gedurende dezen tijd op slechts ondergeschikte punten
werd gewijzigd, welke laatste wijzigingen in hoofdzaak
verband houden met verbeteringen van de statistische
gegevens, welke de onderlaag voor de berekening van deze tafels vormen.
Toen men de berekening van de sterftetafels over

10 Februari 1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

77

de jaren 1931-’40 opzette, stuitte men op het bezwaar,
dat men niet de beschikking had over de uitkomsten van
een volkstelling. Deze had einde 1940 moeten plaats
vinden, doch zij werd in verband met de abnormale tijds-
omstandigheden voor onbepaalden tijd afgelast. De cijfers
daarvan waren noodig geweest om den invloed van vesti-
ging en vertrek tijdens de sedert 1930 verloopen jaren te
kunnen vaststellen. In andere bronnen waren dienaangaan-
de niet voldoende gegevens te vinden.Een overwegend
bezwaar was dit aan den anderen kant ook al weer niet,
want uit de ervaring over vroegere jaren was bekend, dat
de correcties, welke in verband met vestiging en vertrek
moesten worden aangebracht, van geringe beteekenis wa-ren. Op grond van in het verleden gevonden verschillen is
de gevolgtrekking gemaakt, dat zonder deze correcties be-
rekende sterftekansen ten volle het vertrouwen verdienden,
zoolang vestiging en vertrek niet een belangrijk grooteren omvang zouden aannemen dan tot 1930 het geval was ge-
weest. Inmiddels is gebleken, dat de migratie gedurende
de periode 1931-’40 van zoo geringe beteekenis was, dat
de correcties wegens vestiging en vertrek op de einduit-
komsten een te verwaarloozen invloed hadden. In de toe-
komst echter zal de statistiek van verhuizingen van en
naar het buitenland worden aangevuld met cijfers aangaan-
de den leeftijd van de migreerende personen, waardoor
correcties, welke tenslotte toch noodig blijven, volgens een
nauwkeuriger methode dan tot nu toe mogelijk
zullen zijn.
Bij de vaststelling van de sterfte-quotiënten over 1940
deed zich een tweede moeilijkheid voor, ni. hoe gehandeld
moest worden ten- aanzien van de sterfgevallen ten-
gevolge van de oorlogshandelingen. Men heeft dit vraag-
stuk opgelost door twee reeksen sterfte-quotiënten te be-
rekenen, nl. één serie inclusief en één serie exclusief de
overledenen tengevolge van oorlogshandelingen, waaronder
begrepen zijn zoowel de gesneuvelde militairen als de door
oorlogsgeweld omgekomen burgers. Daarentegen werden
niet onder de oorlogssterfte begrepen de sterfgevallen,
welke slechts indirect verband met den oorlog of de ge-
volgen daarvan hielden.
Een berekening van de sterftekansen voor de vier groot-
ste gemeenten van ons land heeft ditmaal niet plaats ge-
vonden, aangezien in dit geval vestiging en vertrek een
veel grootere rol spelen en deze cijfers te belangrijk zijn,
dan dat zij verwaarloosd mogen worden.
Evenals uit de vorige publicaties op dit gebied, zijn ook
uit deze drie zeer belangrijke gegevens te putten: de sterfte-
kansen, de cijfers inzake de overlevenden en tenslotte de
getallen betreffende den gemiddelden levensduur, uit welke
laatste de leeftijd blijkt, welke door een groot aantal ge-
borenen bijv. 100 of 1.000 of 100.000 gemiddeld zal worden
bereikt, verondersteld, dat de sterfte volgens de berekende sterftekansen verloopt.

De ster/tekansen.

Allereerst dan de
ster/tehansen.
Het hieronder volgend
overzicht geeft dienaangaande enkele samenvattende
cijfers.

Reeds op het eerste gezicht blijkt duidelijk, welk tijd-
stip men ook voor vergelijking als uitgangspunt neemt,
dat de sterftekansen algemeen sterk verbeterden. Dit kon
ook, bmdat in verloop van jaren de sterfte op alle leeftijden
krachtig daalde. Wel valt het op, dat aanvankelijk gedu-
rende eenigen tijd de sterftekansen voor de 0-jarigen in
stede van aan daling aan een stijging onderworpen waren.
Dit duurt vanaf 1840 tot en met 1870-’79. Voor de jongens
vindt men in 1850-’59 en 1860-’69 resp. 0,20979 en 0,21160 als sterftekansen, voor de meisjes resp. 0,18205 en 0,18232.
Onder de jongens van dien leeftijd steeg in die jaren de
reeds zoo hooge sterfte derhalve krachtiger dan onder de
meisjes.
Vergelijkt men nu de sterftekafisen, zooals deze over

de periode 1931-’40 werden berekend, met die van de
jaren 1870-’79 en drukt men de eerste uit in procenten
van de laatste, dan blijkt, dat beneden het 40ste jaar de
sterftekansen voor de vrouwen het krachtigst daalden,
terwijl daarentegen op de middelbare leeftijden de mannen
in het voordeel kwamen, doch op de hooge leeftijden weer
het omgekeerde het geval was. In dit laatste geval heeft
de daling echter betrekkelijk niet zooveel om het lijf gehad.
Stelt men de sterftekansen uit de jaren 1870-’79 = 100,
dan bedragen de indexcijfers van de overeenkomstige
waarden in 1931-’40:

M.
V.
M.
V.

0-jarigen
. . .

20,6 18,7
50-jarigen
. .

.

39,6
51,5

10-
. . . –

19,2
15,1
60-

,,
….

54,6
62,5
20-
23,8
23,5
70-

,,
….

67,6 69,6

30-
. . . –

26,6
22,1
80-

,,
. .
-.

83,3 80,8
40-
29,8
27,8
90-

,,
….

89,6 87,7

Vooral voor de 50- en 60-jarigen bestaat in de mate van
daling tusschen beide geslachten een grooter verschil dan
op andere leeftijden.
Van zeer veel beteekenis was de daling van de zuige-
lingensterfte. Overleden in 1870-’79 vÔôr het bereiken
van het eerste levensjaar gemiddeld 22,2 % van de jongens
en 18,9% van de meisjes, in 1900-’09 was dit gemiddelde gedaald tot 14,0 en 11,8% en in 1931-’40 tot 4,6 en 3,5%.
Ook op de andere jeugdige leeftijden valt een sterke ver-
betering waar te nemen.
Maar ook, wanneer men de vergelijking minder ver in
het verleden uitstrekt en zich bepaalt tot de uitkomsten
van de beide laatste berekeningen, dan blijkt, dat de
sterftekansen gedurende de periode 1931-’40 vergeleken
met die over 1921-’30 aanzienlijk konden dalen, niet-
tegenstaande eenige jaren geleden de verwachting werd
uitgesproken, dat gedurende 1931-’40 de daling van de
sterftekansen aan een vertraging ondrhevig zou zijn,
eenerzijds, omdat de tafels over de jaren 1910-’20 door
de oorlogsjaren ongunstig waren beïnvloed, waartegen-
over de periode 1921-’30 reeds een belangrijke verbetering
– welke niet kon aanhouden – te zien had gegeven
en verder, omdat de jaren 1931-’35 gekenmerkt werden
door een langdurige depressie en een stijgende werkloos-
heid, welke haar invloeden ook op dit gebied zouden kun-
nen doen gelden. Stelt men nu ook de sterftekansen uit

Ster fte/cansen volgens de sterf tetaf eis
1840-1940.

Mannen Vrouwen
Leeftijd
1840-51
1870-79

1
1900-09
1921-30

1
1931-40 ‘)
1840-51
1

1870-79
1900-09
1

1921-30
193

1-40

0
0,19136

0,22157
0,14046
0,06528 0,04568 0,16540 0,18853 0,11769
0,05062
0,03521
10
589 494 226
131 95
608
517
.228
120
78
20
1175
950
507

280
226
850 684 384
261
161
30
1118 870
475.
276
231
1207 1004
517
319
222
40
1720 1109
679 380 330
1582
1245
710
471
346
50
2210 1720 1177
774
681
1812
1368
1009
796 704
60
3705 3209 2429 1912 1752
2952
2613
2075 1760 1634
70
7356 6843 5743
4932
4625
6799
6227
5174
4619 4333
80
16068
14810
13700
12730
12340
14820
14520 12780 11800 11730
90
37234 30200 29000
27620
27053
35452
28800 27000 25430
25281

1)
Inclusief oorlogssterfte 1940.

78
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
10
Februari
1943

Ooerleaenden oolgens de stei’/tetafels
1 840_L1940.

Mannen
yrouyen

1840-51
1870-79 1900-09
1921-30

1

1931-40
1
)
1840-51
870-79 1900-09
1921-30
1931-40

0

.

.

.
10
00,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0 100,0
100,0
20
64,4 65,4
78,8
90,0
93,3
66,6
68,4
81,3
91,9
94,7 60,5
62,0
76,6
88,4
92,1
62,6
64,7
78,9
90,3 93,7
40
54,0 56,6 72,9 85,9
90,1
57,0
59,6
75,5
87,8 92,0
50
47,8
51,5
69,1
83,2
87,7
50,0
53,1
71,1
84,5
89,5
60
39,6
44,9
63,3
79,0
83,7
42,7
‘6,8
65,7
79,7
85,4
70
29,9
35,7
53,6
70,0 75,1
34,0
39,1
57,3
71,0
77,0

80
17,2
22,4 36,9 51,5 56,4 21,0
26,0
41,2
53,4
59,0
90
4,7
7,6
14,7
22,8 25,7
6,3
9,3
17,7
24,7
28,2
0,3
0,7
1,6
2,8 3,3 0,4
0,9 2,3
3,6
4,2

‘) Inclusief oorlogsslcrfte 1940

de periode 1921-’30 = 100, dan zijn in 1931-’40 de
verhoudingen als volgt geweest:

fl1.

V.

M. , V.

0-jarigen

70,0 69,6

50-jarigen
…..
88,0 88,4
10-

72,5 65,0

60-

. . . 91,6 92,8
20-

80,7 61,7

70-

93,8 93,8
30-

. . . 83,7 69,6

80-

96,9 99,4
40-

. . . 86,8 73,5

90-

97,9 99,4

Op vrijwel alle leeftijden – de hoogste echter uitgezon-
derd – was de daling van de sterftekansen voor de vrou-
‘en grootei’ dan voor de mannen.Dit spreekt het meest
voor de 20-, 30- en 40-jarigen. Verder hebben in het alge-
meen de vrouwen van 20 jaar en jonger het sterkst van de
verbeterde sterftekansen kunnen profiteeren.
Wanneer men voorts de stèrftekansen op de afzonder-
lijke leeftijden voor mannen en vrouwen met elkandei’
vergelijkt, dan blijkt, dat – inclusief de oorlogssterfte –
ditmaal de sterftekansen voor dé vi’ouwen op den leeftijd
van 15, 16, 31, 32, 35 tot en met 43, 46 en 49 tot en met
51 jaar hooger, dus minder gunstig, waren dan voor de
mannen. Gedurende de jaren 1921-’30 waren deze leef-
tijden anders gegroepeerd en vond men voor de vrouwen de ongunstige cijfers op den leeftijd van 13 tot en met 16 en vanaf het 25 tot en met het 51ste jaar. Elimineert men
de ooi’logssterfte, dan waren de sterftekansen voor de
vrouwen in 1931-’40 op de leeftijden tusschen 28 en 43
jaar en voorts op het 46, 49, 50, 51 en 54ste levensjaar
hooger dan die van de mannen.
Zeer lage gemiddelden werden ditmaal gevonden bij
de mannen van 10-13 jaar, ni. 0,00095; 0,00093; 0,00091
en 0,00099. Voor de eerste maal ziet men hier dus ge-
middelden lager dan 0,001. Dezelfde lage sterftekansen –
êchter dan nog gunstiger – neemt men waar onder de
vrouwen tusschen het 8ste (0,00094) en het 14e jaar
(0,00097), waarbij het laagste gemiddelde (0,00079) op
hetlie jaar gevonden wordt. Evenals in 1921-’30 gaven
gedurende de periode 1931-’40 de jongens van 12 jaar
èn de meisjes van 11 jaar de laagste sterftekansen.

De , ,i’angorde can af ste,’oen”

De sterftekansen en de verbetering daarvan weer-
spiegelden zich in de eerste plaats in de zgn.
i’angorde van
afsterven
van een generatie van een bepaald aantal personen.
Van alle ‘levendgeborenen was in
1840-’49
op
het
40ste

jaar ,’eeds
52,2 %, dus mee,’ dan de helft, ten grave gedragen, terwijl men, one dit gemiddelde in
1931-’40
te vinden, zoowel
voor mannen als voor vrouwen ‘na het 70ste jaar moet zoeken
en .1vel voor mannen op het 73ste en voor vrouwen op het
74ste jaar. Was van de mannen in 1840-’51 en in 1870-’79
i’esp. 35,6 en 34,6% véôr het 10e levensjaar overleden
en van de vrouwen 33,4 en 31,6%, in 1931-’40 bedraagt
dit gemiddelde slechts 6,7 en 5,3 %.

Het aantal overlevenden van een generatie is na verloop
van zekeren tijd onder de vrouwen gemiddeld steeds
hooger dan onder de mannen. Dit wil echter niet zeggen,
dat de mannen in mindere mate van de verbetering der
sterftekansen konden profiteei’en. Integendeel. Stelt men voor elk der beide geslachten het aantal overlevenden op
een bepaalden leeftijd telkens = 100, dan hebben als,
regel, vergeleken met 1840-’51 en 1870-’79, de mannen
daarvan iets meer geprofiteerd dan de vrouwen. Zoo is
het aantal nog in leven zijnde mannen op het 10e jaar,
vergeleken met de overeenkomstige cijfers uit 1840-’51
en 1870-“79, met 122% in 1900-’09, en tot
143%,
in
1931-’40 gestegen, terwijl voor de vrouwen van ‘den-
zeifden leeftijd de indexcijfers te stellen zijn cip 122 en
142. Op het 20ste levensjaar bedragen dçze indexcijfers
voor de mannen resp. 127 en 152, voor de vrou.1ven 126
en 150. –

Wanneer men nu de cijfers van deze i’eeksen grafisch in
beeld zou brengen, dan zou men duidelijk zien, hoe pri-
cipieel geheel anders de lijn over een bepaalde spanne
tijds is gaan loopen. Zij heeft in plaats van, zooals in 1870-
1879, een uitgehold karakter, als gevolg van het weg-
vallen van degroote jeugdsterfte, een bol verloop vei-
kregen.

De gemiddelde levensduur.

Als derde, belangrijk punt komt tei’ sprake het cijfei’
inzake den
gemiddelden levensduur.
.Was in 1921-’30 de
gemiddelde levensduur voor een pasgeboren jongen of
meisje met resp. 61,9 en 63,5 jaar alreeds hoog te noemen,
men was toen nog niet aan den top gekomen, omdat
1931-’40 gemiddelden zou opleveren van 65,5 en van
67,2 jaren. Elimineert men nu de invloederî van de oorlogs-
sterfte, dan stijgt de gemiddelde levensduur voor pasge-
boren jongens tot 65,7 jaren.
In vroeger jaren was het een bekend verschijnsel, dat
de gemiddelde levensduur van de 0-jarigen gedurende de

Cern iddelde levensduur.

.
Jaar
Mannen

.

.-

Vrouwen

1840-51
1870-79
1900-09
1921-30
.
1931-40
1840- .51 1870-79
1

1900-09
.1921-30 1931-40

0
36,2
38,4 51,0 61,9
65,5
38,5
40,7
53,4
63,5
67,2
10
44,4
48,0
54,3
58,7
60,1
46,1
48,7
55,4 58,9
60,8
20
36,9
40,3
.

45,7
49,7
50,8
38,7

41,2
46,9
49,8
.

51,5
30
30,7
33,7
37,8
41,0
41,8


32,0
34,3
38,8
41,1
42,3
40
24,1
26,5
29,5
32,1
32,8
25,8
27,9
30,8
32,5
33,3
50
18,0
19,6
21,8
23,5
24,1
19,3 21,0
22,9
24,1
.
24,7
60
‘12,1
13,3
14,7
15,9
16,2
12,9
14,1
15,5
16,4
16,8
70

……’
7,2
8,2
8,9
9,6
9,8
7,6
8,4
9,4
‘10,0
10,2
80

…….
4,0
.

4,6
4,9
5,2
5,2
4,1
4,7
5,2
5,5
5,5
90
, ,

,

2,2
….
2,2
,

2,2
2,7
2,7

2,3

,
,

2,4
,

,
2,4 2,9
2,9

10 Februari
1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

79

O’erleQenden en gesto!’Qenen in proceflten van het aantal le’endgeborenen.

Leeftijd

1870-1879

1931-1940

Lo.fti1d

1870-1879

1931-1940

in jaren
Mannen

in

oren

c1Û
.•°

Vrouwen

0000000
0
0
0

10
10

11100
0
000
0

20

20

1W000000

30 III!
ÛÛÇXI

°
1111000
0
00

xiCK?iO

°

IXIIIXCIÜ
IÜÜX?

40
1111100
.0
00

IÇ)

50

1111

XKX1

50

60

xxxxxxXX

60

IIIIIIÇK2)O
IIXOQSX?

70

IIIIIIIIX
iiii

70

80

flflj

80

xxiixxnxü
xxxxxxx

90

IIIIIIUI

.
90
111flfl111
XIIIIIIII

Èlk
teelcen stelt lO/e voor

darop volgende eerste feensj aren nog “rij, krachtig kon
stijgen om vervolgens soms eerst na het 3e ef’4e’ jaar een
dalende richting in te slaan. Dit verschijnsel bestaat nog
wel, maarde verschillen zijn met den tijd geleidelijk meer
,

en meer ingekrompen. Zoo stijgt in 1890-’99 cle gemid-
delde levensduur van een pasgeboren jongen en meisje van 46,2 en 49 jaar tot resp. 56,4 en 57,8 jaar op het 2e
levensjaar. Daarna dalen deze gemidde]den. In 1921-’30
is de stijging reeds beperkt tot 65,3 en 65,8 op het 2e
jaar voor jongens en meisjes, terwijl ditmaal de gemiddel-
den nog stijgen tot 67,8 en 68,6 jaar voor jongens en
meisjes van 1 jaar. Nadien daalt het cijfer regelmatig.
Voör 1900 was de toestand n

m
og zoo dt de geiddelde
levensduur van een 20-jarige man of vrouw nog langer
was dan voor een pas’gebôrene, terwijl çst na 1920 de
gemiddelde levensduurvan een 0-jarige, dien van een kind
van 10 jaar overtreft.
Uit het hierbij weergegeven staatje blijkt duidelijk,
dat het in de eerste plaats de jongste leeftijden zijn, welke
van de verbetering der sterftekansen profiteerden, maar
daarnevens, dat ook voor andere leeftijden een min of meer
sterk avans was weggelegd. Dit eindigt ongeveer bij het
50ste levensjaar, waarna nog wel verlenging van den levens-
kans, maar niet meer in zoo sterkemate als voor de andere
leeftijden, valt waar te nemen.

1931-’40.

Overlevenden

1
Gemiddelde levensduur

Inclusief 1 Exclusief 1 Inclusief

Exclusief
~
flogssterftel oorlogssterftel oorlogssterttel öoi’logssterfte

0

. . .
100.000 100.000
65,5
65,7
10

. . .
93.330 93.340
60,1
60,3
20

. . .
92.116 92.153
50,8
51,0
30

. . .
90.060
90.302
41,8
41,9
40

. . .
87.679
88.031
32,8
32,9
50
83.711
84.107
24,1
25,0
60

….
75.101
75.507
16,2
16,3
70

. .
.
56.403 56.735
9,8
9,8
80

.
. .
25.734
25.901
5,2
5,2
90

……
3.340
3.364
2,7
2,7

N.d. CkM,g

rfusschen
de berekeningen inclusief en exclusief cle oor-
logssterfte bestaan verschillen, waarop hieronder samen-
vattend alsnog de aandacht wordt gevestigd. Deze zijn
alleen berekend ten aanzien van de
,hannelijke bevolking
en het nevenstaande staatje heeft dan ook alleen
betrekking op de mannen.
Verbijsterend groot
zijn de
afwijkingen onderling niet;
vooral niet, wanneer men de getallen inzake den gemiddel-
den levensduur raadpleegt.
Sterker treden naar voren de verschil]en bij de aantallen
overlevenden van een generatie. Aanvankelijk, men kan
zeggen tot
het 20ste jaar,
blijven zij binnen uiterst
beperkte
grenzen, maar nadien komt ei’
meer
teekening
in het onder-
scheid tusschen de beide waarden.
rrenslott
e
een vergelijking met
enkele
buitenlançlsche
gegevens.
Hoewel het beschikbare materiaal niet zeer recent mees’
is, blijkt hieruit toch duidelijk, dat Nederland ten aanzien
van den gemiddelden levensduur een p]aats vooraan in-
neemt en verder, dat op dit gebied zeei’ veel verschil be-
staat. Voor een pasgehorene bedraagt de gemiddelde
levensduur in Denemai’ken (1931-’35) gemiddeld 62,0 en
63,8 jaren, voor Duitschland (1932-.’34) 59,9 en 62,8.
jaar
1
); in Zweden (1931-’35) 63,2 en 65,3 jaren, in
Zwitserland (1933-’37) 60,7 en 64,6 jaren. Sterk contras-
teeren
hiermede de cijfers van Be]gië (1928-’32) met 56,0 en
59,8 jaar en van Frankrijk (1928-’33) met 54,3 en 59,0
jaar. Meerendeels is ook het verschil tussehen de gemid-
delden van beide geslachten in deze landen grooter dan
in Nederland.

Wanneer
wij buiten Europa gaan, dan zijn de gemiddel-
den van Australië (1932-’34) met 63,5 en 67,1 jaren
en
Nieuw-Zeeland (1931) met 65,0 en 67,9 de hoogste,
daarentegen
de laagste die van Japan (1926-’30) met
44,8 en
46,5
jaren.
SCHUURBEQUE BOEYE.

‘)
Ontleend aan ,,Aperçu de la Démographic des divers pas’s
du mônde” 1929-1936, pag. 202.

80

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Februari 1943

DE ZWITSERSCHE MACHINE-INDUSTRIE.

I.

De machine-industrie van ZWitserland is tot een merk-
waardig hoogen bloei gekomen. Niet slechts heeft het
land zich weten staande te houden in den concurrentie-
strijd met de groote producenten van Engeland, Duitsch-
land en de Vereenigde Staten, het heeft tevens den roep
kunnen verwerven een eerste klas product te leveren,
ja, het heeft zelfs zulk een vertrouwen kunnen winnén,
dat de kooper, ondanks hoogere prijzen, in vele gevallen
de voorkeur geeft aan het Zwitsersche voortbrengsel.
Niet minder dan tweederde deel der productie van dezen
belangrijken bedrijfstak, die tezamen met de metaal-
industrie meer dan 30 % van de Zwitsersche fabrieks-
arbeiders in zijn dienst heeft, vindt – in normale tijden –
zijn afzet in het buitenland.
Van Nederlandsch gezichtspunt uit is het een aantrek-
kelijke taak een onderzoek in te stellen naar de oorzaken
van dezen bloei. Zwitserland is een land, dat in verschei-
dene opzichten met het onze kan worden gelijk gesteld.
Dat een klein land – het inwonerstal beloopt ongeveer
vier millioen – het tot zulk een hoog ontwikkelde machine-
industrie vermocht te brengen, vormt voor ons land een
voorbeeld, waaraan niet mag worden voorbijgezien.
De verklaring van den hoogen stand der Zwitsersche
voortbrenging van machines is niet gemakkelijk te geven.
De omstandigheden, waaronder de industrie groot moest
worden, waren niet bijzonder gunstig, veelal zelfs uitge-
sproken ongunstig. De initiale uitvindingen vonden niet
in het land zelve plaats. De natuur heeft het met grond-stoffen uiterst karig bedeeld. De economische en cultu-
reele ligging tusschen Italie, Frankrijk en Duitschland
is weliswaar gunstig, maar gaat gepaard met een moeilijke
transportligging. Goedkoope waterwegen vindt men in
dit bronnenland van de groote Europeesche rivieren niet,
wel vele onstuimige bergstroomen, die voor de in_voering
van het rail- en wegverkeer even vele obstakels vormden.
Thans heeft men weliswaar ten koste van groote investee-
ringen door middel van een intensief spoorwegnet deze
moeilijkheden overwonnen, vroeger evenwel, in de jaren
van de opkomst der industrie, toen het transportapparaat
nog in primitieven toestand verkeerde, was het isole-
ment van het berglandschap aanzienlijk. Het land is
klein; voldoende afzet voor normale productie in groot-bedrijven kan slechts worden gevonden in afhankelijk-
heid van de buitenlandsche vraag en in weerwil van de
buitenlandsche beschermende maatregelen. Het beschikt
niet over een gemakkelijk afzetgebied in den vorm van
eigen koloniën.
En niettemin ontstond een machine-industrie met een
wereldnaam en konden ook andere takken van industrieele
voortbrenging, zooals Zwitsersche uurwerken en chocolade,
Bally-schoenen, Maggi-soepen, enz., ondanks soortgelijke
moeilijkheden, tot bloei geraken en zich staande houden
onder den druk van een internationale concurrentie.
Het belangwekkende vraagstuk, waarvoor men zich
bij de bestudeering van de Zwitsersche machine-industrie
gesteld ziet, wordt uit deze inleidende opmerkingen
reeds duidelijk. Waar ondanks verre van gunstige natuur-
lijke omstandigheden de fabricage van machines een
hooge vlucht heeft genomen, moeten de scheppende men-
schelijke krachten – vaardigheid, doorzettingsvermogen,
organisatietalent – zich zoo krachtig hebben ontvouwd,
dat zij de natuurlijke weerstanden konden compenseeren
en meer nog, hen konden overtreffen. In het onderstaande
zal dit inzicht herhaaldelijk bevestiging vinden. Daarbij
zal vooral aandacht worden geschonken aan die facto’en,
welke voor de Nederlandsche machine-industrie van
beteekenis zijn.

Omd’ang der Zwitsersche machine-industrie.

Bij gebrek aan een productiestatistiek is de waarde
der jaarlijksche voortbrenging van machines slechts te

schatten. De secretaris van de Vereeniging van Zwitser-
sche machinefabrikanten vermeldt als gangbare opvat-
ting, dat in de dertiger jaren twee derde deel der voort-
brenging ten uitvoer kwam. Bij een export van 236 mil-
lioen frs. aan machines, vaartuigen, instrumenten en
toestellen in het jaar 1937 zou men voor dat jaar komen
op een waarde der productie van rond 360 millioen frs.
Dit bedrag kan tot 400-420 millioen frs. worden verhoogd,
als men rekening houdt met enkele voortbrengselen der
machine-industrie, die in de handelsstatistiek in andere
categorieën worden vermeld. Deze schatting stemt over-
een met het bedrag, dat men vindt door uit te gaan van de
uithetaalde loonsom en daarbij de Zwitsersche bronnen
volgt, die aannemen, dat de productiekosten voor onge-
veer 60 % uit bonen bestaan.
De totale waarde is van zulk een orde van grootte,
dat het Zwitserland op de vijfde plaats der lijst van ma:
chine-exporteerende landen stelt. Het verschijnt vlak
achter de machtige industrieën van de Vereenigde Staten,
Duitschiand en Groot-Brittannië en achter Frankrijk.
Ons land verschijnt eerst op de. achtste of negende plaats.
Per hoofd der bevolking is de machineproductie in Zwit-
serland grooter dan in eenig ander land ter wereld.
1-Jet aantal arbeiders, dat in de machine-industrie een
bestaan vindt, is dan ook relatief zeer groot en heeft de
textielindustrie, die vroeger den omvangrijksten bedrijfs-
tak vormde, overtroffen, gelijk uit onderstaande cijfers
duidelijk blijkt.

Voornaamste bedrijfstakken van
Zwitserland
Aantal

ârbeiders

1895
1

1911
1

1938

23.906 47.630 75.673
Horloges

e.

d.

…………………..
±6.334
34.983
37.425
Metaalindustrie

…………..
. ……
±0.126
23.325
34.724

Machines

………………………

13.336

.

28.606 2.473
Borduurwerk

……………………
Zijde

………………………….
31.219

.

32.024
13.211
Katoen

………………………..
35.206
29.550
25.294

Hoe snel de ontwikkeling is geweest, toonen de cijfers
van den in- en uitvoer duidelijk aan. In slechts enkele
decennia is de uitvoer toegenomen tot het meer dan tien-
voudige. Voorts geven de cijfers eenigen indruk van den
diepen val in de crisis na 1929 en het sindsdien gevolgde
herstel.

Machines, voertuigen, instrumenten en toestellen.

In mii] ioenen frs.

Invoer

Uitvoer

1895

………………….
25,9

27,7

1913

………………….
79,3

129,2

1920

………………….
236,9

348,2

1929

………………….
244,0

331,1

1935

………………….
109,9

144,8

1937

…………………..
127,6

236,4

Vroeger richtte de uitvoer zich bovenal op de naburige
landen, doch hoe langer hoe meer werden ook andere
landen door de Zwitsersche nijverheid bediend. Ook dit
feit zij door enkele cijfers geïllustreerd.

Uitvoer in millioenen frs.

Verdeeling

Afzetlanden

_____________________________

in /

1895
!
1913
!
1920
!
1929
! 1935!
1937J 1895! 1913! 1937

Nabuurstaten
. .

17,7 63,2 162,0 105,8 58,1 80,8 64,0 48,9 34,2
Rest
v.
Europa

8,3 42,9 122,9 149,6 61,9 102,5 29,9 33,2 43,3
Amerika

1,0 13,3 25,1 35,4 8,7 24,2 3,6 10,3 10,2
Aziê ………..
0,3

5,7 22,4 24,3 11,9 18,2

1,1

4,4

7,7
Afrika ……..
.0,4

3,5 13,7 12,2

3,5

8,0

1,4

2,7

3,4
Australië

0,6 2,1 3,8 0,8 2,7

0,5 1,2

De grond- en huipstoffen.

In het algemeen heeft de aanwezigheid of het gemis aan
eigen grondstoffen bovenal invloed, wanneer het gaat om
de opkomst van een bedrijfstak, om den groei van klein
tot grooter. Wanneer een eigen grondstoffenbasis ont-
breekt, is dit een ernstige handicap voor het
ontstaan
van
kleine bedrijven en dus voor het ontstaan van een orga-
nisch gegroeiden bedrijfstak. Is een industrie eenmaal tot

10 Februari 1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

81

wasdom gekomen, dan kan zij meestal voortbestaan, ook

al moeten de grondstoffen worden ingevoerd.
Het huidige Zwitserland bezit een ijzerwinning, die
slechts in staat is voor enkele percenten in de behoeften
der metaalindustrie te voorzien. Kolen worden vrijwel in
het geheel niet gewonnen. De grondstoffenpositie der
machine-industrie moet dus ongetwijfeld ougunstig
worden

geoordeeld.
Vooral vroeger, toen het transportapparaat en het inter-
nationale ruilverkeer nog weinig ontwikkeld waren, zou
in dit bergiandschap gemis aan ijzer en kolen een onover-
komelijke moeilijkheid hebben gevormd. De snelle ontwik-
keling der Zwitsersche machine-industrie zou wel nauwelijks
mogelijk zijn geweest, indien reeds in het begin der 19e
eeuw het buitenland den voorsprong in de winning van
ijzer had bezeten, welke het thans heeft
1).
Gelukkig heeft
de Zwitsersche bodem wel kunnen voldoen aan de be-
scheiden eischen van een opkomende machine-industrie.
Zelfs lag in het eigen ijzer een bevorderende factor besloten,
daar het zeer goed van kwaliteit was. Het leende zich uit-
stekend voor smeedwerk en staalbereiding. Ook later, toen
het laaggeprijsde Engelsche ijzer meer en meer over de
grens drong, bleef de eigen grondstof zich handhaven; het slechtere Engelsche product vond alleen aanwending voor
goedkoop gietwerk.
Nog omstreeks 1850 overtrof de eigen productie van ijzer
den invoer. Nadien drong de import de plaats der Zwitser-
sche ijzerindustrie steeds meer terug. Zij had in die jaren
voor de opstrevende machine-industrie een blok aan het
been kunnen worden, indien de Bondsregeering gehoor
had gegeven aan de luide smeekbeden om protectie tegen
het buitenlandsche ijzer. De Regeering heeft echter met
ruimen blik erkend, dat de hoogovens wegens de schrale
ertslagen van nature gedoemd waren tot een kwijnend
bestaan en dus niet een steun mochten genieten, die de
ontplooiing der levensvatbare machine-industrie zou
kunnen schaden.
Ook het gemis aan eigen kolen is minder ernstig dan op
het eerste gezicht lijkt. Voor de reductie van het ijzererts
verschaften de vele bosschen hout in overvloed; op het Europeesche continent werkten tot het midden der 19e
eeuw alle hoogovens met houtskool. En als krachtsbron
werd de afwezigheid van kolen goedgemaakt door de
beschikking over de witte steenkool. De vele bergrivieren waren reeds vroeg, aok voor den tijd dat ijzeren machines
werden gebruikt, in dienst van de menschelijke productie
gesteld. Met behulp van het primitieve waterrad hebben de Zwitsers hun eerste ervaring opgedaan op het gebied van mechanische arbeidskracht, zooals de Nederlanders
in de Zaansche windmolens hun eerste leerschool hebben
gevonden. De met de windmolens opgedane ervaringen
hebben thans hun beteekenis vrijwel geheel verloren; be-
houdens het kleine deel, dat kon worden getransponeerd
op andere technieken. De oude inzichten, hoe het water. aan de menschelijke doeleinden dienstbaar kan worden
gemaakt, leven nog steeds voort; uit hen is de hoog ont-
wikkelde techniek der waterkrachtinstallaties geboren.
Aanvankelijk moest bij de toepassing van waterkracht
een zekere gebondenheid worden aanvaard. Men was be-
perkt in de keuze van de vestigingsplaats, die aan een
rivier van voldoenden omvang en met het noodige verval
moest liggen,en genoodzaakt stagnatie van het bedrijf te
accepteeren in tijden van felle koude of groote droogte.
De voortschrijdende techniek heeft te dien aanzien een
voortdurend grootere vrijheid gebracht. Eerst werden in
het bedrijf enkele stoommachines geplaatst om hij te
springen, wanneer de waterstroom onvoldoende was. Tegelijkertijd werd het waterrad verbeterd, zoodat de
kracht van het water met grooter efficientie in nuttig
effect kon worden omgezet. En de grootste schrede voor-

1)
Dr. B. Lincke, ,,Die schweizerische Maschinenindustrie und ihre
Entwieklung in wirtschaftl icher )3eziehung”, Frauenfeld, 1911,
blz. 24 e.v.

waarts kon aan het einde der 19e eeuw geschieden, toen de teôhniek den mensch in staat stelde op commercieele
schaal waterkracht in electrisch vermogen om te zetten,
dat langs hoogspanningsleidingen met minimale verliezen
tot ver van de krachtbron kon worden getransporteerd
en niet slechts de op een afstand van de rivieren gelegen
terreinen voor industrieele vestiging ontsloot, doch ook

binnen de bedrijfsorganisatie een meer efficiente productie
mogelijk maakte. Ook de bouw van stuwdammen en soort-
gelijke middelen behooren in dit verband te worden ge-noemd. Aldus is steeds meer de witte steenkool één der
grondpeilers van de Zwitsersche industrie geworden.
Behalve van ijzer en van een krachtbron maakt de ma-
chine- en electrotechnisqhe industrie in toenemende mate
gebruik van andere grond- en hulpstoffen.. Genoemd zij
slechts koper, tin, legeeringsmetalen, enz. Deze grond-
stoffen moeten geheel worden ingevoerd.
Eeh uitzondering vormt aluminium. In Zwitserland met
zijn goedkoope electriciteit heeft de wieg gestaan der Euro-
peesche electrolyse van bauxiet: in 1888 werd het eerste
aluminiumbedrijf in Neuhausen geopend. Sedertdien heeft
de aluminiumwinning een hooge vlucht genomen, ver
boven de binnenlandsche behoefte uit. De ertsen moeten
echter uit het buitenland worden aangevoerd.
Samenvattend kan dus de
krachwoorziening
der Zwitser-
sche industrie gunstig worden genoemd; zij bezit hierin
een voorsprong op de meeste buitenlandsche rivalen. De
beteekenis van dezen factor is afnemend; de electriciteits-
winning uit kolen is thans mogelijk tegen kosten, die nog
maar een fractie liggen boven clie der hydraulische electri-
citeitsopwekking.
De
grondstoffenQoorziening
daarentegen is ongunstig; zij
schept afhankelijkheid van het buitenland, die in sommige
gevallen drukkend kan zijn. In de 19e eeuw, een tijdvak,
dat, afgezien van de jaren 1860—’70, minder groote oorlogen
heeft gekend dan eenige andere eeuw der moderne geschie-
denis, hebben zich geen moeilijkheden met de ijzervoor-
ziening voorgedaan. Een nadeel van den afhankelijken
ijzerinvoer lag in de ongunstige positie ten aanzien van de
te voeren prijs- en voorraadpolitiek, waarbij de Zwitsersche
fabrieken een achterstand hadden tegenover de dichter
bij de ijzersyndicaten staande buitenlandsche concurrenten.
Voorts uitte zich de grootere afstand van de producenten
van ijzer en haiffabrikaten in hoogere transportkosten.
Maar deze factoren wogen niet zeer zwaar.

Een nieuw aspect van deze afhankelijkheid trad naar
voren, toen de ijzer- en staalindustrie overging tot de vor-
ming van kartels. In den eersten tijd, toen de marktbe-
heerschende invloed dezer kartels beperkt bleef tot de
markt in het land hunner vestiging en zij elkaar op de
internationale markt hevige concurrentie aandeden, profi-
teerden de kleine landen, zooals Zwitserland en ook Neder-
land, van deze ontwikkeling: de bedrijven dier landen
konden hun grondstoffen tegen lageren prijs betrekken
dan die der omringende grootere landen. Maar de kartel-
ontwikkeling zette zich voort, eensdeels in verticale rich-
ting door opneming van voornamelijk binnenlandsche
metaalverwerkende bedrijven in de concerns. Daardoor kreeg de ijzerlevering aan de Zwitsersche fabrieken het
karakter van levering aan een concurrent. En ook in hori-
zontale richting hebben de kartels zich uitgebreid: zij
werden internationaal, waardoor de kleine landen hen
niet meer tegen elkaar konden uitspelen. Een en ander
heeft ertoe geleid, dat de Zwitsersche industrie in de latere
jaren haar grondstoffen slechts tegen ongunstiger voor-
waarden kon verwerven dan de Duitsche, Fransche, En-
gelsche en andere rivalen. Een emancipatie van dezen in-
vloed, waarmede ons land een begin heeft gemaakt door
de vestiging der Hoogovenbedrij.ven en die successievelijk
een voortzetting vond in de stichting van bedrijven, die
ruwijzer verwerken tot halffabrikaten, stond voor Zwitser-
land met zijn ongunstige transportligging niet open.
Een vergelijking tusschen de positie van grond- en hulp-

82

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Februari
1948

stoffen der Zwitsersche en der – Neclerlandsclie machine-
industrie valt eenigszins ten gunste van laatstgenoemde i.iit. Arm aan grondstoffen zijn beide landen. Wel bezit
Zwitserland in zijn rivieren een belangrijke krachtbron en in zijn hout een reserve voor tijden, dat de buitenlandsche
aanvoer van brandstoffen onvoldoende is, doch Neder]and
beschikt niet slechts over zijn kolenmijnen, doch ook over
hoogovens, alsmede een tinsmelterij en daarbij aanslui-
.tende verwerkingsbedrijven. 1-let moet echter cle metaal-
ertsen invoeren. De ligging van Nederland ten opzichte
van de grondstoffeb en haiffabrikaten leverende landen
is gunstiger dan de Zwitsersche.

De afzet.

In haar on.tstaanstijd, dus in de eerste helft der 19e
eeuw, leverde de Zwitsersche machine-industrie vrijwel
uitsluitend aan het binnenland. Zooals in andere landen
is deze bedrijfstak geboren uit de behoeften van de textiel-
industrie, met name van de spinnerijen. Spirimachines en
betere w’aterraderen dan de primitieve houten waren de
hoofdproducten der eerste jaren. Later richtte zich de
binnenlandsche vraag ook op weefstoelen en, minder dan
elders, op stoommachines, o.a. voor het scheepvaartver-
keer op de Zwitsersche meren.
rpezelçdertijd
kregen de
werktuigen van de graan- en papiermolens, de houtzage-
rijen, enz., steeds meer het karakter van machines; ook
in deze richting openden zich voor den opkomenden be-
drijfstak afzetmogelijkheden op de binnenlandsche markt.
Deze geheele ontwikkeling leidde tot een steeds verder-
gaande verbreeding van het fabricageprogranima der
machiriefabrieken, die er alle zooveel mogelijk
01)
uit waren,
de behoeften van hun afnemers in hun geheel te voorzien,
voor hen dus zoowel de arbeidswerktuigen als de kracht-
werktuigen als de transmissie-inrichting te maken. Een
groote verscheidenheid van product was de eenige wijze,
waarop in dien tijd van regionalen afzet— veel verder
dan de streek, waarin zij gevestigd lagen, kwamen de
machinefabrieken niet met hun producten – een regel-
matige.bedrijfsbezetting was te verkrijgen, al had daarnaast
elk bedrijf wel enkele specialiteitei, waaraan het, om ze
verder te ontwikkelen, bijzondere aandacht schonk. Deze

veelzijdigheid bleef typisch ook in de vijftiger en aestiger
jaren der vorige eei.iw, toen de Zwitsersche machine-
industrie haar vleugelen breed uit ging slaan. Toen was
de kracht der industrie groot genoeg geworden om ook op
de buitenlandsche markt met haar producten te verschij-
nen. In die jaren was de vraag levendig; een opgaande
grondtendens beheerschte de conjunctuurontwikkeling van
1848-1873 en de jonge Zwitsersche machi nes-producee-
rende industrie profiteerde daar ten volle van.
Doch deze tijd van voorspoed bleef niet voortduren.

Hij eindigde in den bekenden crisis van 1873, die de Zwit-
sersch e machine-industrie dwong tot heroriënteering. In
de eerste helft der zeventiger jaren stonden de fabrikanten,
die kort te voren nog overal hun producten konden plaat-
sen, vooi’ de noodzaak zich af te vragen, of de machine-
industrie van een klein land, dat niet in staat is machts-
middelen in den handeispolitieken strijd te werpen en toch
op huitenlancischen afzet is aangewezen, wel reden van
bestaan heeft. Er zijn toen beslissingen genomen van zeer
verstrekkende gevolgen, en – naar thans achteraf is te
zeggen – getuigend van een juist inzicht. Zij zullen in het
volgende nummer worden behandeld.

P. BRANDES.

OVERHEIDSMAATREGELEN OP
ECONOMISCH GEBIED.

IEANDEL EN NIJvERREm.

Buitenlanolsche handel.
Nadere regelingen met be-
trekking tot het in- en uitvoermonopolie van het Aan-
en Terkoopbureau van Akkerhouwproducten, alsmede
inzake het in- en uitvoermonopolie der Groenten- en
Fruitcentrale. (E. V. 29/1/’43, pag. 116; Stct. No. 16).
Handel.
Nadere administratievoorschriften voor be-
paalde categorieën kleinhandelaren; door het Bureau
voor de lVletalenverwerkende industrie is met ingang
van 26 Januari jl. een algemeene vergunning tot het
verkoopen en afleveren van electrische gloeilampen ver-
leend aan de bij dit bureau ingeschreven fabrikanten en
grossiers; uitbreiding van het afleveringsverbod voor
droge batterijen; nadere mededeeling inzake het ge- en
verbruiken van verf; aanvullende bepalingen inzake
den handel in schrot. (E. V. 29/1/’43, pag. 115/116; Stct. Nos. 13 en 14).

MAANDCIJFERS.

RECÂPITULA’I’IE VAN E1USSIES GEDURENDE 1942.

Nieuw kapitaal
Maand

Aandeelen

Obligatiën

Totaal

Januari


Februari
f

350.000

350.000
Maart
,,

95.000
f

2.500.000
f

2.595.000
April
403.000

463.000
Mei

27.600
,.

27.600
Juni
– – –
Juli

14.000
14.000
Augustus
393.000

398.000
September



October

166.600
,,

166.600
November
2.800.000
,, 1.000.000.000
,,

1.002.800.000
December
,,

465.000

,,

465.000

Totaal

T 4.566.000

T 1.002.708.200

T 1.007.274.200

EMISStES GEDURENDE DE LAATSTE VIER MAANDEN VAN 1942.

Naam van deq emittent:

van

bij

Aandeelen

ReOeIe

Maand

Koers

Obligatiën

uitgifte

uitgifte

Nieuw

Conversle

Rente

Looptijd

wade

Otaaisleening.

rndustrieele ondernemingen.

Koninkrijk der Nederlanden ……….

..Nov.

994

1.OÜO.00Q.00

35 %

20 jaar

995.009.000

Machinefabriek Du Cr00 & Brauns

Dec.

123

300.000

369.000e
Ijzer-, Metaal- en Tempergieterij vfb B.

Nederlandsche Kabelfabriek ………..Nov.

150

2.800.000

.

4.200.000)

rcerkelijke

leeningen.

Ubbink

&

Co.

N.V.

…………….

..

140

165.000

.

231.000)
Nederduitech

Hervormde

Gemeente

Gereformeerde Kerk van Weesp

100

60.000

35 %

00.000
Ver, tot Verzorging van Kinderen ,,De

Chr.

Gerefoi’niecrde

Gemeente

van

Delfshaven

…………………….Sept.

100

87.000

34

%

30 jaar

87.000

Rudolphstichling”

………………..,,

100

.

300.000

34

%

26 jaar

300.000)

Geref. Kerk te Amsterdam-Zuid

100

107.000

35 %

28 jaar

1 07.000)
R.K. Parochiaal Kerkbest. van de II.

Groningen

…………………….Oct.

100

3.600

70.400

34′

%

40

jaar

80.000

(conv. 995)
Bonifacius,

Zaandam ……………..,,

100

56.000

94.000

34 %

25 jaar

149.530

1)
Uitsluitend voor aaidee1houders, in dc verhouding 1 : 5. ) IJitsluitend voor aandeelhouders, in de verhouding 1 3.

Eerste
hypothecaire leening. ) Ter aflossing hypothecaire schuld.

_”’•;’.’ ”;’

-“-‘

;
v’-

10 Februari 1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

83

Prijsregelingei. Nadere prijsvoorschriften met betrek-
king tot restitutie van zekere prijsverschillen ten aanzien
van gasolie voor de scheepvaart, voorzoover gekocht na
een bepaald en datum, nieuwe maximum-verkoopprijzen
voor eikels, kastanjes en beukenoten, vaststelling van maxi-
mum-prijzen voor plantsjalotten, wijziging van de export-
prijzen voor hoomkweekerijproducten.
(E.V. 22/1/’43,
pag.
87
en
88;
Stct. No. 10).
Nadere prijsvoorschriften met betrekking tot de vast-
stelling van maximum-prijzen voor heide- en voeder-
bieten, en regeling inzake een algemeene prijsverhooging
voor caseïne.
(E. V. 29/1/’43,
pag. 115; Voedselvoorzie-
ningsbiad Nos. 5 en 6 van
23
en
27/1/’43).
Verzekering. De taak van de organisatiecommissie van
het bedrijfsleven op het gelied van het verzekerings-
wezen is met ingang van
21
Januari jI. geëindigd, behalve wat betreft de overgangsregelingen.
(l. V. 29/1/’43,
pag.
115; Stct. No.
14).

‘LANDBOUW EN VOEDSELVOORZIENING.

Bindtouw.
Nadere regeling inzake het verkrijgbaar stel-
len van zgn. bindtouw voor landbouwdoeleinden, waarbij
om. i’ekening wordt gehouden met de ingeleverde hoeveel-
heden oud touw.
(E.V. 22/1/’43,
pag.
88/89;
Stct.
No. 12).
Sierteelt. Afleveringsverbod, behoudens verleende ont-
heffing, vooi’ bollen en knollen van siei’teeltgewassen uit
den oogst
1943. (E.V. 22/1/’43,
pag.
88;
Voedselvoorzie-
ningsbiad No.
3,
d.d.
13/1/’43).

VERKEER.

Treisibrieven.
De afgifte van stukken, aan de stations
der Nederlandsche Spoorwegen is met ingang van 15
Januai’i ji. opgehe’ven.
(E.V.
22/1/’43,
pag.
88).

STATISTIEKEN.
STAND VAN
‘s
RIJKS
KAS.

V
o r d e r i n g e n
1

15

Jan. 1943
21

Jan. 1943
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij de Nederlandsche Bank
r


t


Saldo b. d. Bank voor Ned.
Gemeenten

…………..
139.754,61
,,

1.155.187,29
Voorschotten op uit. Decem-
ber 1942 aan de gemeenten
verstrekt

op

aan

baar
uit te keeren hoofdsom der
pers. bel., aand. in de hoofd-
som der grondbel. en der
gem.fondsbel., alsmede opc.
op die belastingen en op de
vermogensbelasting

……
14.319.329,53

………

,,

12.893.947,06
Voorschotten aan Ned.-Indi0′)
,

258.427.040,29
,, 258.841.328,25
Idem voor Suriname
1)
8.140.279,15
,,

8.140.279,15
Idem

aan

Curaçao ‘)
280.227,66
,,

280.227,66
Kasvord.

wegens credietver-

……

strekking a. h. buitenland
,,

16.012.028,-
,,

16.012.028,-
Daggeldleeningen tegen onder-

……

pand………………
Saldo der postrek. van Rijks-
………

comptabelen

…………
..170.373.345,59
,,

207.683.581,03
Vordering op het Alg. Burg.
Pensioenfonds
1)
,,

2.904.430,31
Vordering op andere Staats-
…6.593.899,09

bedr. en Instellingen
1)
11

95.340.338,72
,,

125.305.737,40
Verolichtingen
1

ingevolge art. 16 van haar
t

13.336.140,84
t

3.426.993,08
Voorschot door de Ned. Bank
In reken.-cour. verstrekt
..,,


,,
Schuld

aan

de’ Bank

voor

Ned.

Gemeenten

…. ….

Schatkistbiljetten

in

omloop
,,

110.096.100,-
,, 110.096.000,-
Schatkistpromessen in Omloop
,,2487.100.000,-) ,,2483.500.000,-)

Octrooi

verstrekt


……

Zilverbons in omloop

……
136.871.237,-
136.634.567,-
Schuld op

ultimo December

Daggeldleeningen

………………

1942

aan

de

gem.

weg.
a. Ii. uit te keeren hoofds. d.
pers.bel., aand. i. d. hoofds.

………

d. grondb. e. d. gem. fondsb.
alsm. opc. op die bel, en op
de vermogensbelasting

Schuld

aan

het

Alg.

Burg

Pensioenfonds
1)
Id.
aan het Staatsbedr.

der
……..-

P.
T.
en
T.

‘)

…………
386.821.449,85
,,

395.919.670,47
Id. aan andere Staatsbedrij-
ven1)
……
………………
…6.981.455,92
,

6.989.455,92
Id.
aan dlv. instellingen
1)

..,,
117.846.345,86
124.774.852,63
‘)
In
rekg. crt. met ‘s Rijks
Schatkist.

‘)
Rechtstreeks
bij De
Nederl. Bank geplaatst t 244.000.000,.-.
‘)
Idem
f244.000.000,-.

DE NEDERLANDSCHE BANK.
Verkorte balans op 8 Februari 1943
Activa.
Binnenl.

wissels,

(I-Ifdbank.

t
230.000.000
promesscu, enz.

Bijbank

,,

(Agentsch.

,,
200.000
t

230.200.000
Papier op

het buitenland

. .

f1.893.279.683
Af: Verkocht maar voor de
bank

nog

niet

afgeloopen

1.893.279.683
Beleeningen mcl.

Hfdbank.

t
130.393.394
1)
voorschotten in

Bijbank.,,
1.824.664
rekening-courant

Agentsch. ,,
1
0.65′ .503
op onderpand
142.872.561

Op effecten,

enz .

……….

f
142.774.465 ‘)
Op goederen en ceelen
98.096
142.872561
1
1
Voorschotten

aan

het

Rijk

………………..
4.617.772
Munt en muntmateriaal:
Gouden

munt

en

gouden
muntmateriaal ………..f
887.445.106
Zilveren

munt,

enz.

……..

..
4.080.124

Belegging van kapitaal, reserves en pensioenfonds
891.525.230
,,

60.682.765
Gebouwen en meubelen der Bank
…………
4.000.01)0
Diverse

rekeningen

……………………..
139.639.459

f3.366.817.470

Passiva.

Kapitaal

…………………………….
f

20.000.000
Reservefonds

…………………………..
8.050.923
Bijzondere

reserves

……………………
19.564.874
Pensioenfonds

…………………………..
..
13.171.586
Bankbiljetten

in

omloop

………………..
3.108.164.515
Bankassignatiën in omloop

………………
34.923
Rek.-Courant

Van het Rijk

t


saldo’s

Van anderen

,,

188.076.868
188.076.868
Diverse

rekeningen

……………………
..9.753,781

f3.366.816.470

Beschikbaar dekkingssaldo ………………f1.503.235.559
Minder bedrag aan bankbiljetten in omloop dan
waartoe de bank gerechtigd is …………..3.750.808.890
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de bank onder-
gebracht

……………………………..230.000.000
‘)Waarvan aan Nederlandsch-Indië (Wet van
15 Maart 1933, Staatsblad No. 99) ……….52.706.500

Voornarnsto posten in duizenden guldens.

Gouden
t

.
Andere
i3eschikb.
Deh-
Data
munt en
1
opeischb.
dekkings-
kings-
muntrnater.
1
schulden
saldo
pere.
8Febr.’43
887.445
1

3.108.165
‘188.111
1.503.236
27
1

,,

’43
887.466
1

3.112.973 182.220 1.495.131
27
25

Jan. ’43
895.001
1

3.058.787
230.859 1.504.873
27
6 Mei ’40
1.160.282
1

1.158.613
255.183
607.042
83
Totaal
Schatkist-
Belee-
Papier
Div.
Data
bedrag
prom.
1 1

op
het
reken.
_______
disconto’s rechtstr.
ningcn
1

buitent.
(act.)
8 Febr”I
230.200
230.000
142.873
1.893.280
1

,,

‘431
244.300
244.000 146.078 1.816.415 190.596
25 Jan. ‘431
244.400
244.000
144.676
1.817.168

1139.639

174.792
6 Mei ‘401
9.853

217.726
750
150.648

DUITSCHE RIJKSBANR.
(in miii. R.M.)
1

Goud
Renten-

1
Andere wissels,
,B
Data
1

en
i
bank-
1

chèques en
1 1

nielee-

1
deviezen

1
scheine
1
schatkistpo pier
ngen

30

Jan. 1943
t

77,0
331,2
26.270,2
1

21,8
23

,,

1943
1

76,8
i

391,7
25.648,0
1

16,4
15

,,

1943
1

76,6
1

308,8
26.517,3
1

23,0
23 Aug. 1939
1

77,0

t

27,2
8.140,0
1

22,2

Data
Effec-
Diverse
1

1

Circu-
1

Rekg.-

1
Diverse
ten
Activa

1

tatie

1

Crt.

1
Passion
30 Jan. ’43
50,6
1

2.038,3

1
23.664,3

1

3.891,6

1
633,7
23

,,

’43
50,3
1

1.31 5,9

1
22.660,4

1
3.636,2

1
617,1
15

,,

’43
l

60.7
1

1.425,7

1
23.139,4

1
3.917,7

1
771,4
23 Aug. ’39
1

982,6
1

6.380,5

1
8.709,8
t

1.195,4

1
94,2

GEZAMENLIJKE STATEN VAN DE NATIONALE BANK VAN
BELGIË EN VAN DE EMiSSIE BANK TE BRUSSEL.
(in miii. Francs)

1
.


«
v
.5
.
uc
0
a
1
0
0
.

Ci)
JQ
21

Jan. ’43
1
54.13

1

i
öo
ÖÎ
tö’öï
t5’i7′
14

,,

’43
1
53.751
772
21.467 1.977 68.855
3.984 4.336
7

,,

’43
1
53.512
803
21.758 1.945
68.638
4.026 4.563
29 Dec. ’42
53.276
743
21.297 1.917
67.881
4.032
4.524
22

,,

’42
l
52.549
753
21.416
1.903
67.597
3.998
4.227
8 Mei ’40
23.606
5.394 695 1.480
29.806

909

84′

10 FEBRUARI 1943

Atfabetische Index Overheidsinaatregelen op economisch gebied

(Zie voor den alfabetischen Index Overheldsmaatregelen in 1942 het Jaarregister 1942, laatste bladzijde)

Blz.
Advertenties ……………………69
Arbeldszaken

………………….25
Belastingen

……………………12
Betalingsverkeer m. h. buitenland

12
Blauwmaanzaadkaf ………………54
Bouwnijverheid ………………..69
Buitenlandsche handel …………25, 82
Chemische producten …………….25
CoOperatie ………………………12
Economische rechtspraak …………25
Grond…… . ………………….. 39
Handel ………………12, 25, 39, 82
Hotels, enz . …………………… 39
Industrie ……….12, 25, 26, 40, 54, 69
Landbouw ………………26, 40, 83
Loonbelasting ………………….54
Losdagen ………………………54

BIz.
Motorbrandstof

…………………
54
Oliën…………………………
40
Omzetbelasting

………………
12,
54
Organisatie bedrijfsleven

……..
12,
25
Pluimvee

……………………..
40
Prijsregelingen

……..12,

26,

40,
54,
83
Sierteelt

……………………
12, 83
Spertijden

……………………..
26
Steunregelingen

………………..
40
Stilgelegde

bedrijven

…………….
2
6
Textiel

……………………….
69
Vee…………………………
26
Vennootschapsbelasting

…………..
54
Verbeurdverklaarde voorwerpen ……
26
Vervoer

……………………….
83
Verzekering

……………………
83
Voedselvoorziening

………………
26

Blz.
Vordering ……………………..26
Zaden ……………
……………26
Zuivel………………………….12

Publicaties van het Nederlandsch Economisch Instituut:

22.
Dr. H. J. FRIETEMA
Productie en prijsvorming op de Engelsche markt van Nederlandsche, Deensche en kolo-
nialeboter

…………………………………………………………

28.
Dr. Ir. A. BAARS
Openbare werken en conjunctuurbeweging

…………………………………
(/
2,10)

Dr. Ir. F. J. C. VAN DER SCHALK
Een analyse van de arbeidsproductiviteit in Nederland

………………………
(f
2,60)’

Dr. L. R. W. SOUTENDIJK
Methoden tot het vaststellen van den omvang der besparingen

………………..
(1
2,60)*

J. VAN DER WIJK
:
Inkomens
,

en Vermogensverdeeling

……………………………………..
(t
2,60)
‘I’

Dr. T. KOOPMANS
Tanker freight rates and tankship building

………………..

(t
8,15

geb.,
/
2,10* jagen.)

Overzicht van de ontwikkeling der handelspolitiek van het Koninkrijk der Nederlanden
van 1923 tot en met 1938, samengesteld door een groep medewerkers van het N.E.I.,
onder leiding van

Prof.

Mr.

P.

Lief tinck

………………………………..
(1
2,10)

Dr. A. WINSEMIUS
Economische aspecten der internationale migratie

…………………………..
(f
2,10)’

Dr. H. M. H. A. VAN DER VALK
Egalisatiefondsen en monetaire politiek in Engeland, Nederland en de Vereenigde Staten

(derde

gewijzigde

druk)

………………………………………………..
(t
2,10)

81.
M. J. SCHUT
Tinrestrictie

en

tinprijs

………………………………………………..
(f
1,55)

32.
Dr. J. R. A. BUNING
‘De beleggingen der bijzondere spaarbanken in Nederland
…………………….
(f
3,65)”

Uitgave: De Erven F. Bohn N. V. Haarlem

Verkrijgbaar in den boekhandel

DE TWENTSCHE
.
BANK
N.V.

MAANDSTAAT OP 31 JANUARI 1943

Kas, Kossiers en Daggeldieeningen …….

Nederlandsch Schatkistpapier …………

Ander Overheidspopier ………………

Wissels……………………………

Bankiers in Binnen- en Buitenland ……

Effecten en Syndicaten ………………

Prolongatiën en Voorschotten tegen Effecten

Debiteu ren …………………………

Deelnemingen
(mci.
Voorschotten) …….

Gebouwen …………………………

Belegde Reserve voor Verleende Pensioenen

Effecten van Aandeelhouders in Leendépôt

f

15.167.402,95
Kapitaal

……………………………f

40.000.000.

256.498.556,62
Reserve

…………………………….,,

11.000.000,-

7.291.876,93 Bouwreserve

………………………..

..

1.500.000,—

1.625.156,74
Deposito’s

op

Termijn

………………..,,

45.057.753,36
12.164.098,33
Crediteu ren

………… . ……………..

..
237.274.855,79

2.587.519,84
Overloopende

Saldi

en

Andere Rekeningen ,,

7.236.811,44
11.908.355,98
Reserve voor Verleende Pensioenen

…….,,

1.426.538,98
29.336.188,70
Aandeelhouders voor Effecten

in

Leendépôt ,,
12.521.950.-

1.490.264,50

4.000.000,-

1.426.538,98

12.521.950,-

356.017.909,57
f
356.017.909,57

Verantwoordelijk voor het Red. gedeelte: Drs. M. F. J. Cool te Rotterdam; voor de Advertenties: H. A. M. Roelants te
Schiedam. Drukker en Uitgever: H. A. M. Roelants te Schiedam. Verschijnt wekelijks. Abonnementsprijs f20,85
S)
per jaar.

Prijs per nummer 50 cts. P. 1299/3.

K 2193

Auteur