Ga direct naar de content

De Golf-oorlog en de Amerikaanse economie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 6 1991

ECONOMIE

De Golf-oorlog
ende
Amerikaanse
economie
In november 1990 publiceerde de
OESO haar meest recente rapport
over de stand van de Amerikaanse
economie. De vooruitzichten waren
somber. Afnemende economische
groei, een dalende consumptieve
vraag en teruglopende investeringen,
bij een stijgende werkloosheid en een
voortdurende inflatoire druk wezen
op een naderende recessie . Sindsdien is de economische ontwikkeling
verder afgezwakt. In het laatste kwartaal van 1990 was er sprake van een
negatieve groei van 2,1% (op jaarbasis). Zelfs het ‘Witte Huis’ kon niet langer verbloemen dat de Verenigde Staten in een recessie verkeerden.
De recessie volgt op een lange periode van economische expansie. Deze
expansie is echter niet benut om een
aantal structurele problemen waarmee de Amerikaanse economie
kampt, op te lossen. Integendeel, er is
een blijvend hoog en weer stijgend tekort op de federale begroting en een
nog immer negatieve handelsbalans.
Produktiviteit en investeringen blijven
achter bij een relatief lage spaarquote. Aan deze misere hebben zich een
zeer hoge schuldenlast van het bedrijfsleven en een algehele fragiliteit
van het Amerikaanse financiele stelsel
((spaar)banken) toegevoegd. Een recessie nu komt op een wel heel ongelukkig moment. Nog immer teren de
Verenigde Staten op geleend geld en
geleende tijd. Klinken hier niet de
“echoes of the 1930s’, toen een ‘credit
crunch’ in de Verenigde Staten een
mondiale economische depressie inleidde?2
Sinds 2 augustus vorig jaar staat dit
reeds sombere economische gesternte onder grote invloed van de verwikkelingen in het Midden-Oosten. De
Iraakse inval in Koeweit deed aanvankelijk een herhaling van de oliecrises
van 1973 en 1979 vrezen. Maar nu de
vijandelijkheden tussen de Verenigde
Staten plus bondgenoten en Irak
daadwerkelijk zijn uitgebroken, is de

162

vraag veeleer welke invloed een oorlog zal hebben op de wereldeconomie en op de Amerikaanse volkshuishouding in het bijzonder. Drie punten
staan hier centraal: de recessie, de begroting en het Amerikaans leiderschap binnen de wereldeconomie.

De oorlog en de recessie
De eerste readies op beurs, in financiele kringen en in officiele gremia
deden vermoeden dat de oorlog een
positief effect zou hebben op de
Amerikaanse economie. Nog nauwelijks was de recessie erkend, of het
herstel werd aangekondigd. Dit optimisme werd, behalve door ‘wishful
thinking’, veroorzaakt door berichten over geallieerde successen tijdens de eerste uren van de oorlog,
maar vooral door de grootste verrassing tot nu toe: het kelderen van de
olieprijzen.
Een snelle overwinning en dalende
olieprijzen vormen de twee belangrijkste elementen van het ‘optimistische scenario’ voor de Amerikaanse
economie. Het eerste zou het geringe vertrouwen van de Amerikaanse
consument doen toenemen en de
knagende onzekerheid over de economische vooruitzichten verminderen, hetgeen een stimulans is voor
bestedingen en investeringen. De
snelle daling van de olieprijs was
vooral een welkom bericht voor de
monetaire autoriteiten. Een, naar verwacht, sterke stijging van de olieprijs zou immers in het bijzonder
voor de VS nadeling zijn geweest.
De energie-intensiteit is relatief
hoog. En bij een stijgende afhankelijkheid van olie-import en zonder
het voordeel van de lage dollarkoers
zouden de VS in het bijzonder geraakt worden door inflatie en verslechtering van ruilvoet. Een ter bestrijding van de recessie
broodnodige renteverlaging zou dan
uitgesloten zijn geweest. De externe
balans zou verder verslechteren. Netto-resultaat: een verdieping van de
inzinking. Nu echter lonkt het perspectief van afnemende inflatie en
van lagere rente en van een spoedig
einde aan de recessie.
Wat is het realiteitsgehalte van dit optimistische perspectief? De lage olieprijs is inderdaad een welkome meevaller. Gelet op de gunstige situatie
op de Internationale oliemarkten, de
relatief geringe kans op vernietiging
van produktiefaciliteiten in SaoediArabie en het crisismechanisme van
het Internationaal Energie Agentschap (IEA) is de kans op hoge olieprijzen ook niet zo groot. Veeleer

dreigt op termijn een oliecrisis van
lage olieprijzen . Maar het optimisme
over een snelle en gemakkelijke overwinning is na de eerste dagen getemperd. Het schrikbeeld voor de optimisten, een ‘worst-case scenario’ van
een langdurige, bloedige en kostbare
oorlog, tekent zich af. In dat geval
zouden onzekerheid en wantrouwen
blijven heersen, met negatieve gevolgen voor groei en welvaart.
Het belangrijkste kritiekpunt op dit
scenario betreft echter de suggestie
dat de Golfcrisis de oorzaak is van
de recessie. De afzwakking van de
Amerikaanse economie tekende zich
ver voor 2 augustus af. Zo daalde de
economische groei gedurende de
eerste helft van 1990 tot 1% op jaarbasis. Binnen het geheel van (deels
structurele) oorzaken van de economische neergang is de Golfcrisis dan
ook slechts een (conjuncturele) factor. De gewelddadige beeindiging ervan doet daarom weinig af aan de
fundamentele zwakte van de Amerikaanse economie.

Bestedingsimpuls
Een variant op het optimistische scenario wordt gevormd door de stelling dat oorlog in het algemeen goed
is voor de Amerikaanse economie.
“Wars cause booms, not recessions”,
schrijft Paul Krugman4. Hij baseert
deze stelling op de positieve effecten van de eerste en tweede wereldoorlog en van de Korea- en Vietnamoorlogen op groei en
werkgelegenheid in de VS. Paradoxaal genoeg wordt met deze historische verwijzing impliciet hetgeen
hierboven als het ‘worst case’-scenario is bestempeld, als de grondslag
van economisch herstel gezien: namelijk een langduriger en kostbaarder oorlog.
Zo’n oorlog noopt tot hogere overheidsuitgaven, hetgeen tot een bestedingsimpuls leidt. In het geval van
de VS lijkt dit verband inderdaad te
bestaan. Hoge defensie-uitgaven,
veelal samenvallend met oorlog, correleren met periodes van relatief
hoge economische groei.
1. OESO, OECD economic surveys, United States, Parijs, november 1990.
2. The world economy; echoes of the
1930s, The Economist, 5 januari 1991, biz.
17-20.
3. Zie: J.Q.Th. Rood, De oliecrisis van
1990: Irak en de inval in Koeweit, Internationale spectator, jg. 45, 1991, nr. 1,

biz. 45-49.
4. P.R. Krugman, The economic history
lessons of war, U.S. News & World Report,
28 januari 1991, biz. 51.

DEZEWEEK

Maar in dit conflict lijkt er vooralsnog weinig reden te zijn om een
‘Keynesiaanse’ bestedingsimpuls te

veronderstellen. Zo is Krugmans ver-

men. De oorlog zou dit nog verder
kunnen verhogen, maar verschaft de
beleidsmakers vooral een alibi om
aan terugdringing ervan een minder
hoge prioriteit toe te kennen. Daarmee verzwakken zij de positie van de
VS op de langere termijn nog verder.
Over deze positie is de afgelopen jaren het nodig te doen geweest onder
de noemer van het Amerikaans
machtsverval. De VS zouden ernstig
aan economische macht hebben ingeboet. Dit proces van verval zou
nog eens versneld zijn door te lang
vast te houden aan te hoge militaire

Aan deze ontwikkeling ligt een aantal structurele factoren ten grondslag . De spreiding van economische
macht naar andere landen en regio’s. De toegenomen economische
en financiele kwetsbaarheid van de
Amerikaanse economie. De werking
van ‘de wet van de remmende voorsprong’ waardoor het spreekwoordelijke Amerikaanse concurrentievoordeel verloren is gegaan.
Het begrotingstekort heeft de Amerikaanse economie via een relatief
hoge rentestand en een aantasting
van de ruimte tot produktieve investeringen verder verzwakt. De overheidsgelden zijn bovendien niet ge-

uitgaven en te grote externe ver-

bruikt voor verbetering van de

plichtingen. De VS lijden aan ‘imperi-

economische infrastructuur en van
onderzoek en onderwijs; punten die
ook in de laatste OECD Survey als negatief worden bestempeld.
Deze oorlog zal de ‘normalisering’
van de Amerikaanse economie niet
tegengaan. De oorzaken ervan zijn
van een andere orde. Voor zover dit
conflict de aandacht afleidt van het
begrotingstekort c.q. dit tekort vergroot, zal het zelfs tot een verdere
verzwakking van de intern economische structuur van de VS kunnen leiden en het vermogen tot leiderschap
verder aantasten.
In tijden van onzekerheid is de behoefte aan een ‘masterplan’ groot.
De kans dat de VS, gesterkt door
deze oorlog, zoals na 1945 bereid en
in staat zullen zijn om het economisch leiderschap op zich te nemen
is echter zeer gering. De naoorlogse
idealen van vrijhandel en monetaire
stabiliteit zullen ook de komende jaren door binnenlandse belangen en
kwetsbaarheden worden gefrusteerd.
Hierbij zij aangetekend, dat er goede
redenen zijn om deze oorlog nu te
voeren. Maar de suggestie dat hij het
herstel van de Amerikaanse economie en een hernieuwd Amerikaans
leiderschap zal bewerkstelligen is,
kortom, niet gefundeerd.

gelijking gebaseerd op oorlogen die
verscheidene jaren duurden. Er lijkt
op dit moment weinig reden om een
zo langdurig conflict met Irak te verwachten. In een door het Congressional Budget Office doorberekende
pessimistische variant van het conflict duurt de oorlog maximaal zes
maanden. De bestedingsimpuls die
van deze variant uitgaat blijkt echter
vergelijkenderwijs gering te zijn. De
kosten van zo’n conflict zijn + $ 86
miljard, hetgeen over twee jaren verdeeld (1991/1992) op jaarbasis minder dan 1% van het bnp is.
De belangrijkste reden waarom het
positieve economische effect van
deze oorlog zal tegenvallen is echter
dat de bestedingsimpuls reeds heeft
plaatsgevonden, namelijk in de jaren
1982-1986, toen Ronald Reagan zijn
niet-verklaarde oorlog met de Sovjetunie uitvocht via een sterke verhoging van de defensie-uitgaven. Deze
verhoging correleert met een periode
van hoogconjunctuur. Het conflict
met Irak wordt grotendeels met de
toen opgebouwde voorraden en wapens uitgevochten. In die zin is deze
oorlog inderdaad, zoals Prowse heeft
opgemerkt, ‘pre-paid’ . De bestedingsimpuls wordt verder verkleind
doordat met het einde van de ‘Koude
Oorlog’ de noodzaak om verschoten
munitie en verloren gegaan materiaal
te vervangen, is afgenomen. Anders
gezegd, slechts een deel van de kosten van de oorlog drukt op het (toekomstige) overheidsbudget.
Voor zover de kosten wel budgettair
zijn, kan ook dat bericht met gemengde gevoelens worden begroet. Het
verhaal is bekend. De belangrijkste
economische prestatie van de Reaganjaren is een groot tekort op de Amerikaanse federate begroting geweest. In
1986 bereikte dit tekort een voorlopig
hoogtepunt van $ 221 miljard (5,3%
van het bnp). Ondanks herhaalde wet-

peerd door te hoge defensie-uitgaven. De Reaganjaren lijken deze
trend te hebben versterkt.
Maar is de Golfoorlog niet een eerste teken van een ommekeer ten goede? Kunnen wij inderdaad, zoals president Bush in zijn recente State of
the Union aankondigde, “een volgende Amerikaanse eeuw”, “een nieuwe
wereldorde onder Amerikaans leiderschap” verwachten?
Zoveel is zeker, dat zonder het Amerikaanse militaire apparaat en indien
de VS niet het initiatief genomen
zouden hebben, Irak weinig te vrezen zou hebben gehad. Maar het huidige Amerikaanse ingrijpen kan ook
heel wel als een laatste hegemoniale
oprisping worden gezien, hetgeen,
indien juist, weinig goeds doet verwachten voor en van de komende
‘nieuwe wereldorde’.
Een zelfde scepsis geldt voor de verwachting van een herstel van het
Amerikaans economisch leiderschap.
De VS hebben ontegenzeggelijk een
cruciale rol gespeeld bij de totstandkoming van de naoorlogse Internationale economische orde. Niet ten onrechte draagt deze de naam Pax

telijk gesanctioneerde pogingen om

Americana. Hun vermogen om deze

tot een sluitende begroting te komen,
bestaat het tekort nog steeds en is het
weer stijgende. Zo voorziet de
Gramm-Rudmanwet per 1993 een sluitende begroting. Een in de herfst van
1990 gesloten akkoord over bezuinigingen belooft per 1996 een schoon
budget. Voor het lopende begrotingsjaar (1991) is een tekort van $ 254 miljard voorzien (bijna $ 200 miljard boven de Gramm-Rudmandoelstelling).
Gevreesd wordt dat het feitelijk deficit boven de $ 300 miljard zal uitko-

orde vorm te geven was mede gebaseerd op hun economisch hegemoniale positie; zelf in niet geringe mate
het resultaat van de tweede wereldoorlog. Maar reeds in de jaren zestig
begint dit vermogen af te nemen. Met
de ineenstorting van Bretton Woods
maakte leiderschap in toenemende
mate plaats voor unilateralisme, misbruik van privileges en onvoorspelbaarheid. Steeds vaker gedragen de
VS zich dan, zoals ook anderen, als
een ‘free rider’.

ESB 6-2-1991

Het Amerikaans machtsverval

al overstretch’, zo schreef Paul Kennedy in een geruchtmakend werk .

De broodnodige ruimte voor produktieve investeringen werd opgesou-

J.Q.Th. Rood
De auteur is onderzoeksmedewerker bij
het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen ‘Clingendael’ te Den
Haag.

5. M. Prowse, Economics of “pre-paid”
war, Financial Times, 25 januari 1991.
6. P. Kennedy, The rise and fall of the great powers; economic change and military
conflict from 1500 to 2000, New York,

1987.
7. Zie: J.Q.Th. Rood en J.G. Siccama, Verzwakking van de sterkste; oorzaken en gevolgen van Amerikaans machtsverval,
Clingendael Cahier 14, Den Haag, 1989.

163

Auteur