Ga direct naar de content

Jrg. 63, editie 3144

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 1 1978

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

1 MAART

esb

STICHTING HET NEDERLANDS 63eJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT No. 3144

Dezer dagen

en wel op t maart 1978 was het veertig jaar geleden

dat Hendrik Wïlm Lambers, toen 22 jaar oud, zijn in-

trede deed op het Nederlands Economisch Instituut.

Het was in 1938 reeds te voorzien dat zijn activiteiten

niet tot dit Instituut beperkt zouden blijven en dat

op vele andere terreinen een inbreng van hem mocht
worden verwacht. Deze verwachtingen werden twee

jaar later bevestigd door een cum laude doctoraal

examen en een benoeming tot hoofdredacteur van

het lijfblad van het NEL,
Economisch Statistische

Berichten.
Weer twee jaar later huwde hij de voor hem

ideale levensgezellin, die hem vanaf dat moment

bijstond in zijn steile carrière: lector NEH en secre-

taris NEI in 1945, hoogleraar NEH en directeur NEI

in 1947, rector van de NEH in 1950/51, 1958/ 59, van

1960 tot 1964 en in 1970/71, voorzitter van de Com-

missie Economische Mededinging van 1958 tot 1970,

en van 1967 tot 1971 vice-voorzitter van de Raad voor

het Wetenschapsbeleid, voorzitter van de Vereniging

tot Huisvesting van Bejaarden Humanitas in Rotter-

dam en commissaris van Internatio-Muller, Hoog-

ovens, Estel en de Perscombinatie. Zijn publikaties

bewogen zich in overeenstemming daarmede op

het gebied van de onderneming, mededinging en

economische orde.

Het Nederlands Economisch Instituut heeft geduren-

de de afgelopen 40 jaar en in het bijzonder gedurende

het grote deel van deze periode dat Henk Lambers

als directeur optrad, ten volle van de eigenschappen

kunnen profiteren die elders de basis vormden voor

zijn eigenlijke carrière. Het genoeg hebben aan twee

woorden, het net iets sneller vooruitdenken en daar-

door de consequenties van eigen en andermans

woorden juist iets sneller kunnen overzien dan anderen,

maakt hem niet alleen tot een uniek discussieleider,

doch ook tot een waardevol raadgever, zelfs daar waar

de raadvrager uit hoofde van zijn functie eigenlijk

verondersteld kan worden de materie beter te beheer-

sen dan hij. Dit, gevoegd bij zijn uitgebreide kennis

van historische achtergronden van maatschappelijke

ontwikkelingen zowel als van ontwikkelingen in en

rond de universiteit, maakt hem tot de directeur bij

uitnemendheid van een instituut dat niet slechts

maatschappelijke vraagstukken onderzoekt, doch

ook, als onderneming, van maatschappelijke ontwik-

kelingen de weerslag ondervindt.

Wellicht hadden de genoemde eigenschappen niet

zo sterk op de voorgrond kunnen treden, als zij niet

waren ondersteund door een volmaakte beheersing

van de Nederlandse taal. In het bijzonder in korte
speeches boeit hij de toehoorder met de door zijn

levendige geest ingegeven en door een perfecte, half-

intuïtieve techniek op de juiste plaats ingezette onver-

wachte wendingen, waardoor de zinnen net iets anders

eindigen dan verwacht. Wetende wat de ander ver-

moedt dat hij zal gaan zeggen, zorgt hij ervoor dat die

prognose nèt niet uitkomt en verleent daardoor aan

zijn discours een verrassende en soms zelfs verwarren-

de frisheid. Zeven en een halfjaar
Dezer dagen
in
ESB

leggen van deze Mozart-achtige combinatie van geest

en techniek een geschreven getuigenis af.

De frisheid bleek ook tijdloos te zijn. Zij leed niet

onder het voortschrijden van de tijd van 1938 tot

1978. Het valt daarom moeilijk in te zien waarom voor

ons het jaar 1981 een ander jaar zou moeten worden

dan alle voorgaande waren.

L.
H. Klaassen

209

Inhoud

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

esb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Prof.
Dr.
L. H.
Klaassen:

Dezer dagen ………………………………………….209

Column

Van broddellap tot weefgetouw, door Drs.
L.
Hoffman …………
21
1

Prof
Dr.
L. H.
Klaassen:

De ontwikkelingshulp aan Suriname en de indeling van investerings-

projecten…………………………………………….212

Vacatures
……………………………………………..214

Dr. M. M. G. Fase:

Een verdeelmodel voor liquide activa. De overheveling als voorbeeld

van toegepaste economie, met naschrift van
Drs.
H. S.
van der Knoop
215

A.
A.
M. M. Tak:

Nederlandse baggeraars in internationale wateren ……………..
219

Europa-bladwijzer

Het Europees Sociaal Fonds, een druppel op een gloeiende plaat?,
door

Mr. C. A. Crisham …………………………………….
222

Boekennieuws

…………………………………………226

Bedrijfseconomie

Methodologische aspecten van de theorie van de ondernemingsfinancie-

ring,
door Drs.
H. J. J.
Bronsema en Drs. F. M. Tempelaar …….
227

Mededelingen
…………………………………………..230

Aan de minister van Defensie.
ESB
slaat in als een bom

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Stati.rtische Berichten.

NAAM…………………………………………………….

STRAAT
.

…….. …………………………………………..

PLAATS
.

………………………………………….
………..

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)
.
………………………

Ingangsdatum
.
………………………………………………

‘ ESB,
Ongefrankeerd opzenden aan . Antwoordnummer 2524

Handtekening:
ROTTERDAM

*Djt adres alleen gebruiken voor opgeven van âbonnemen(en.

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. 11.1 Klaassen, H. W. Lambers,
P.
J. Montagne, J. H. P. Pae/inck, A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L van der Geest.
Redactie-medewerker: T de Bruin.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rotierdam-3016: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (010) 1455 II, toestel37û/.
Bij adreswi/ziging s. v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie: in twee voud.
getypt, dubbele regelafs’tand, brede marge.
Abonnementsprijs:f
137,28 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studenten
f
96,72
(md.
4% BTW), franco per post voor
Nederland, .elgië, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies (na ontvangst van stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93,
Rotterdam, t.n. v. Economisch Statistische
Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3,30
(i,cl.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t.n. v. Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelanis/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch instituut

Adres:
Burgemeester Oudlaan 50.
Rotterdam-3016: tel. (010) 1455 II.

Onderzoèkafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek
Ba/anced International Growth
Bedrtjfs-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek Statissisch-Mathematisch Onderzoek
Transport- Economisch Onderzoek

210

L Hoffman

Van broddellap

tot weefgetouw

Eens heb ik de euvele moed gehad

Fijn is anders,
het pamflet waarmee de

Industriebond
NVV
ten strijde trok

tegen de in Wassenaar gesignaleerde

dikbui kige kapitalist, een socialistisch

verlakstuk te noemen 1). Thans weet ik

beter,
Fijn is anders
was een broddellap,
het breiwerk is eind vorig jaar gepresen-

teerd:
Breien met een rode draad.
Hoe-

wel ook bij dit in hoge mate versimpelde

werkstukje heel wat steken zijn gevallen,
moet mij toch van het hart dat ik het een

leuk en interessant boekje vind. Iedereen
die betrokken is bij het huidige systeem
van arbeidsverhoudingen zou het in een

gouden lijstje boven zijn bed moeten

hangen. Immers, ons aller maatschappe-

lijke toekomst ligt in dit breiwerk ver-

scholen, of we het leuk vinden of niet.

Laat mij aangeven wat de ideeën van

Groenevelts rode bond zijn. Die ideeën

worden het duidelijkst weergegeven

door de in het boekje afgedrukte ,,con-

cept-congresstellingen 1978″. De In-

dustriebond NVV pleit voor een ge-

decentraliseerde socialistische maat-

schappij op basis van arbeidsdemocratie.
Hoe die maatschappij eruit ziet, werd

mij niet helemaal duidelijk. Ik kreeg de

indruk dat de bond op diverse niveaus

(nationaal, bedrijfstak en bedrijf) een

soort arbeiderszelfbestuur wil instellen.

Dit lijkt mij enigszins in strijd te zijn met
de parlementaire democratie diedebond
wil verdedigen, waarover straks meer.

Desondanks presenteert de Industrie-
bond NVV zich als een constructieve ge-

sprekspartner van de werkgever. Con-

structief, omdat de bond meedenkt over

het oplossen vande huidige economische
problemen zonder daarbij prioriteit te

verlenen aan het vullen van het loonzakje

van zijn leden.

De werkgelegenheidsbevordering heeft

thans prioriteit bij Nederlands groot-
ste vakbond. Daartoe wil de bond op
nationaal, bedrijfstak- en bedrijfs-
niveau de cao-onderhandelingen uitbrei-

den met onderhandelingen over de z.g.
arbeidsplaatsenovereenkomsten (apo’s).

De Industriebond NVV zal alleen nog
maar deelnemen aan gesprekken over herstructurering, als daarin onderhan-

deld kan worden over de apo’s. Ik vind

het om twee redenen onbegrijpelijk dat
de centrale werkgeversorganisaties zich
hiertegen verzetten. In de eerste plaats
omdat het als een unicum mag worden

beschouwd dat de vakbeweging verant-
woordelijkheid durft aanvaarden bij het

realiseren van een zo groot mogelijke

volledige en volwaardige werkgelegen-

heid en bereid is offers daarvoor te bren-

gen.

De tweede reden heeft te maken met

de mogelijke invulling van de apo’s. De
Industriebond
NVV
ziet ordening van

de werkgelegenheid in eerste instantie
als een zaak tussen werkgevers en werk-

nemers. Binnen die ordening beschouwt

de bond drie belangrijke aspecten. Het eerste aspect betreft de aansluiting van

vraag naar arbeid op het aanbod van
arbeid. Elke onderneming zou in prin-

cipe een arbeidsbevolking moeten heb-

ben die qua samenstelling overeenkomt

met het arbeidsaanbod wat betreft leef-

tijd, sexe, handicaps ena. Onder dit
aspect vallen ook scholingsprogram-

ma’s, het uitbreiden van de werkzaam-

heden der arbeidsbureaus en het kappen
van de werkzaamheden van commer-
ciële uitzendbureaus. Dit alles om te

voorkomen dat er gedwongen ontslagen
vallen.

Het tweede aspect betreft de spreiding

van werk (of beter: rantsoenering van

arbeidsplaatsen): arbeidstijdverkorting,
educatief verlof enz. Het derde aspect be-

treft de beïnvloeding van arbeidsinhoud

en arbeidsomstandigheden. Werk-

gevers zouden dit moeten aangrijpen
om de cao-onderhandelingen in ons aller

belang af te ronden. Tot nu toe schijnt
onze te zeer gepolariseerde maatschappij
dit echter onmogelijk te maken. De over-

heid kan daarbij de helpende hand bie-

den door voor een deel de apo’s te fi-
nancieren.

Tot slot wil ik wijzen op een inconse-
quentie in
Breien met een rode draad,
die vooral de progressieve vrienden van

de industriebond zal interesseren. De

bond schijnt zich te willen inzetten voor

de belangenbehartiging van zijn leden

en voor het tot stand brengen van een

socialistische maatschappij. In de

socialistische literatuur worden deze
twee uitgangspunten als onverenigbaar

beschouwd. Zo wees bijv. G. van den

Bergh in zijn in 1924 verdedigde disser-

tatie,
De medezeggenschap der arbei

ders in de particuliere onderneming, op

een dreigend conflict tussen het groeps-

belang van de vakbeweging en het ge-
meenschapsbelang. De heer Van den
Bergh schreef dit ook nu nog actuele

boek naar aanleiding van studiereizen

die hij voor de SDAP en het
NVV
maakte ten behoeve van het in 1923 uit-
gebrachte rapport
Bedrijfsorganisatie
en medezeggenschap,
waarin hetzelfde
conflict wordt vermeld. Beide publi-
katies willen dit conflict oplossen door
een publie krechtelij ke bedrijfsorgani-

satie, waarin de Industriebond
NVV

overigens geen vertrouwen heeft. Ook in

een recenter rapport wordt van dit con-

flict melding gemaakt. In het beste rap-

port, dat de PvdA Ooit publiceerde,

De weg naar vrijheid
(1951) wordt ge-
wezen op het gevaar van syridicalisme
indien de macht van de vakbond zich

aan parlementaire controle onttrekt.

Ik ga er voorlopig vanuit dat de In-

dustriebond
NVV
dit wel beseft, maar er
bij het schrijven van zijn rapport niet
aan heeft gedacht. Ik zie daarom met

belangstelling uit naar zijn volgende
rapport,
Van broddellap tot weef-
getouw.

t) In
ESB
van 9april1975.

ESB 1-3-1978

211

De ontwikkelingshulp aan Suriname
en de indeling

van investeringsproj ecten

PROF. DR. L. H. KLAASSEN

In de besprekingen binnen de CONS (Com-

missie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-

Suriname) over de verdeling van de ontwikke-

lingsgelden over verschillende investeringspro-


jecten worden de investeringen ingedeeld in

produktieve investeringen, infrastructuur-in ves-

teringen en investeringen in sociaal-educatieve

projecten. Vervolgens wordt aan elk van deze

categorieën investeringen een zeker percentage

van de totaal beschikbare gelden toebedacht.

Prof Klaassen, president-directeur van het

Nederlands Economisch Instituut, acht de ge-

noemde indeling van investeringsprojecten vol

strekt onjuist. Zij leidt tot een verkeerde beste-

ding van de ontwikkelingsgelden.

De indeling in produktieve investeringen, infrastructuur-

investeringen en investeringen in sociaal-educatieve pro-

jecten is in feite een dubbele tweedeling, nI. die in produk-

tieve en niet-produktieve investeringen en de tweedeling
van deze laatste in investeringen in infrastructuur en

in sociaal-educatieve projecten. Daarbij worden de eerste

geacht bij te dragen tot een verhoging van de materiële

welvaart van het land terwijl dit voor de laatste niet

wordt aangenomen. In het volgende 1) zal worden ge-

tracht deze opvatting nader onder de loep te nemen

en zal in tweede instantie worden ingegaan op de vraag

in hoeverre de bijdrage tot de materiële welvaart van
het land het enige criterium voor de beoordeling van

de urgentie van een investering dient te vormen.

Infrastructuurprojecten

Eén van de essentiële kenmerken van onze huidige

maatschappij is de intensieve interactie tussen individuen
onderling, tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven

en gezinshuishoudingen. Deze interactie vindt plaats door middel van de z.g. fysieke infrastructuur waaronder uiter-

aard tevens begrepeh de specifieke infrastructuur benodigd

voor telecommunicatie. Zij bestaat uit het zich bewegen

van de woonplaats naar het werk, het transport van

goederen van het leverende bedrijf aan het ontvangende

bedrijf, uit de levering van goederen en diensten door
bedrijven aan gezinshuishoudingen en uit alle activiteiten

van de leden van gezinshuishoudingen waarvoor verplaat-

singen noodzakelijk zijn (schoolbezoek, recreatie, sociaal
contact met anderen, winkelen, artsenbezoek enz.). Al

deze verschillende interacties, die een essentieel onderdeel

van het menselijke bestaan vormen, zijn alleen mogelijk

indien en voor zover een adequate infrastructuur daartoe

de mogelijkheid biedt.

Nu is het duidelijk dat de mate waarin de interactie

plaatsvindt, niet onafhankelijk is van de kwaliteit van

de infrastructuur. Hoe lager de ,,afstandsweerstand” in

de interactie is, des te intensiever de interactie zal

verlopen. Waarderen we nu de interactie zelf als een

positieve factor – en het zou erg moeilijk vallen dit

niet te doen – dan betekent dit dat een tot een verhoging

van de kwaliteit van de infrastructuur leidende investering

een intensiever worden van de interactie met zich mee-

brengt en daardoor een duidelijke bijdrage aan de welvaart

geeft.
Een verkorting van een wegverbinding of een verbetering

van de kwaliteit van een weg die een tijdsbesparing

inhoudt voor het daarop plaatsvïndende verkeer zal niet

alleen aanleiding zijn tot een tegen lagere algemene kosten

verlopende bestaande interactie, doch tevens tot een uit-

breiding van de interactie met die activiteiten waarvoor

vroeger de transportkosten prohibitief waren.

Dit betekent voor bedrijven, dat bestaande markten

goedkoper kunnen worden bediend en nieuwe markten

kunnen worden aangeboord. Leveranties tussen bedrijven

kunnen goedkoper plaatsvinden waardoor de kosten van
grond- en hulpstoffen dalen en arbeiders kunnen op gemakke-

lijker wijze hun werk bereiken, hetgeen tot de regelmaat

van hun aanwezig zijn op het bedrijf bijdraagt.
Beperken we ons tot de bedrijven dan betekent dit

dat een uitbreiding resp. een verbetering van de infra-
structuur voor een bedrijf een effect sorteert dat vergelijk-

baar is met een interne verbetering van de efficiency

van het produktie-apparaat.

He
t doet met deze gedachtengang voor ogen vreemd

aan dat toch al eens, b.v. in de door de Commissie

Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname, blij-
kens recente persberichten ook nu nog gehanteerde indeling,

de infrastructurele verbeteringen tot de niet-produktieve
investeringen worden gerekend. Vooral met betrekking

tot een land als Suriname is dit vreemd, daar het hier

in een aantal zeer belangrijke gevallen, zoals b.v. in
West-Suriname bij de aanleg van de spoorweg en enkele

wegen, niet gaat om infrastructurele verbeteringen, doch

om de aanleg van een geheel nieuwe infrastructuur in
een gebied waar in het geheel nog geen infrastructuur

is. Een infrastructuur dus die een conditio sine qua

non vormt voor de exploitatie van de aldaar aanwezige

natuurlijke hulpbronnen.
Het bouwen van een elektriciteit leverende dam plus

1) De tekst is ook opgenomen in het jaarplan 1978 van het
Surinaams Planbureau.

212

de ontsluiting van een mijn en de bouw van een aluin-

aardefabriek en een aluminiumsmelterij kan als een vol-

strekt zinloze bezigheid worden beschouwd met een produk-

tiviteit gelijk aan nul, indien de voor deze activiteiten

zelf, voor de afzet van de produkten en voor het woon-
en werkverkeer, benodigde infrastructuur niet wordt aange-

legd. Deze infrastructuur vormt een essentieel
onderdeel

van het produktieve
complex
West-Suriname en is daardoor

in beginsel even produktief als alle andere bedrijfsmidde-

len of -onderdelen van het complex.
De enige eis die men aan de infrastructuur moet stellen

is die welke aan ieder ander onderdeel van het complex

moet worden gesteld, ni. dat de infrastructuur geschikt

is voor het doel en nôch te beperkt is, nôch te uitgebreid.
Het kan niet worden ontkend dat in een aantal ontwikke-

lingslanden infrastructuur van een zodanige kwaliteit

wordt ontworpen en gebouwd dat een deel daarvan als

nauwelijks meer produktief moet worden beschouwd doch

de wijze waarop de voorbereiding en goedkeuring van

het betreffende project in Suriname wordt behandeld,

geeft een goede garantie dat, zo het hier en daar eens

mocht gebeuren, dit toch wel tot de zeldzaamheden zal

behoren. Voor West-Suriname geldt het zeker niet. Daar

geldt dat er in het geheel nog geen infrastructuur aanwezig

is en de exploitatie van de aanwezige hulpbronnen uitge-

sloten is, indien deze niet wordt geschapen. Deze exploitatie
valt of staat met het al dan niet aanwezig zijn daarvan.

Naast de elementen van infrastructuurdie direct essentieel
zijn voor de produktie, zijn er ook infrastructuur-onderdelen

waar dit verband wellicht minder direct ligt, doch waarvan

het produktieve effect, hoewel moeilijker meetbaar, toch

geenszins geringer hoeft te zijn. In de
Mobilisatie van

het Eigene
heeft de Surinaamse regering een visie gepu-

bliceerd die erop gericht is de potenties van het land,

waar dan ook aanwezig, tot ontwikkeling te brengen.

De uitwerking van deze ideeën leidde tot de aanwijzing

van concentratiegebieden daar waar deze potenties het

grootst leken te zijn.
De bedoeling van deze aanwijzing is natuurlijk nooit

geweest in een aantal concentratiegebieden geïsoleer-

de ontwikkelingen te doen plaatsvinden die geen enkel

verband met elkaar zouden vertonen en die ook niet

van wederzijdse interactie zouden kunnen profiteren. De

bedoeling was wel een interacterend en communicerend

systeem van concentratiegebieden te creëren dat de drager
van de toekomstige nationale ontwikkeling zou dienen

te zijn. Doch een systeem kan slechts een interacterend

systeem zijn, indien er geen grote bottlenecks in het

landelijke infrastructuur-netwerk voorkomen die de inter-

actie belemmeren.

Een goed voorbeeld van een gewenste infrastructuur-

verbinding in deze zin vormt de weg van Apoera in
West-Suriname naar Nickerie, de verbinding dus tussen

een nieuw, arbeidskrachten vragend en potentieel groeiend

gebied en een bestaand, wat stagnerend, doch reeds aan-
zienlijk ontwikkeld tweede concentratiegebied. Is reeds

om deze reden de weg van belang, een aantal bijkomende
voordelen, zoals de mogelijkheid simultaan met de weg

een irrigatiekanaal aan te leggen en de aanwezigheid
van grote potentiële landbouwgebieden in de nabijheid

van kanaal en weg, maken dat de aanleg van de weg

met grote voortvarendheid ter hand dient te worden

genomen. Zo ergens, dan speelt hier de ontsluiting die

door de weg kan worden bewerkstelligd en die belangrijke

produktieve effecten kan oproepen, een uiterst belangrijke

rol.

Stellen we na het voorgaande de vraag of de infra-

structurele projecten derhalve een deel van de produktieve
effecten uitmaken, dan dient het antwoord daarop zonder

meer bevestigend te luiden onder het proviso dat bij

de infrastructuurprojectenbeoordeling dezelfde eisen worden
gesteld als bij andere projecten.

Sociaal-educatieve projecten

De vraag rijst na het voorgaande of, indien het begrip

produktieve projecten wordt uitgebreid met de infrastructuur-

projecten, het begrip improduktief project uitsluitend zou

moeten slaan op sociaal-educatieve projecten. Na enig

nadenken rijzen een groot aantal bedenkingen tegen een

dergelijke overhaaste conclusie.

Arbeid vormt in ieder bedrijf een van de meest essen-

tiële produktiefactoren. Wat b.v. eerder gezegd werd met

betrekking tot West-Suriname, nl. dat zinvolle produktie

onmogelijk is zonder infrastructuur, geldt evenzeer voor

arbeid. Zonder arbeid is er evenmin produktie. Nu zal

niemand willen ontkennen dat dit zo is, maar toch bestaat

er hier en daar de neiging voorzieningen in de sociaal-

educatieve sfeer, die om. bijdragen leveren aan de
kwali-

teit
van de arbeid als niet-produktieve voorzieningen

te beschouwen. Waar echter geschoolde arbeid vereist

is, is onderwijs en scholing van arbeiders tot geschoolde

arbeiders essentieel, waar management vereist is, dienen
managers te worden opgeleid en waar het jaarlijks aantal

produktieve dagen van een arbeider belangrijk is voor

de produktie – en waar is dit niet het geval – is

het alleen al economisch vanzelfsprekend dat de arbeider

een goede gezondheidszorg geniet. Als zodanig wijken

deze voorzieningen in hun betekenis voor de ontwikkeling
van de nationale economie dan ook niet af van de

eerder ge noemde bedrijfsinvesteri ngen of infrastructurele

investeringen. Zij vormen een onderdeel van de uitrusting

van een goed en efficiënt functionerende maatschappij

en verwaarlozing ervan wordt niet alleen met menselijk

leed, doch ook met produktieverlies gestraft.

Hoe we het ook bezien, ook hier is het niet alleen

ongewenst, maar zelfs gewoon fout om zonder meer
van improduktieve voorzieningen te spreken. De indeling

in produktief en niet-produktief komt daarmee in haar

geheel te vervallen.

Welvaarts- en welzijnsdenken

Met het voorgaande is nog lang niet alles gezegd.
De omwenteling in het maatschappelijk denken die in

de afgelopen decennia haar beslag heeft gekregen, is die
geweest waarbij het centrale begrip in of, zo men wil,

de hoofddoelstelling van het beleid van de overheid verlegd

is van de bevordering van de materiële welvaart naar

die van het welzijn.

In de praktijk heeft dit betekend dat sociale doelstellingen,

liggend op het terrein van het milieu en de ruimtelijke or-

dening, een wezenlijk groter gewicht hebben gekregen dan
voordien het geval was. Wellicht de grootste omwenteling

heeft zich voorgedaan op het gebied van de inkomensver-deling waarbij thans veel meer dan ooit tevoren wordt ge-

streefd naar een redelijker of sociaal meer aanvaardbare
verdeling. Als logisch uitvloeisel hiervan ziet een aantal

landen, waaronder Nederland, erop toe, in zoverre dit

uiteraard in hun macht ligt, dat de ontwikkelingshulp zoveel

mogelijk aan de arme lagen der bevolking ten goede komt.

Een min of meer logisch gevolg hiervan is dat thans ander

soortige projecten op de voorgrond komen dan vroeger het

geval was en zelfs sociale projecten op het platteland zowel

als in de steden onder de normale ontwikkelingshulp gaan

vallen. De voorzieningen in de z.g. verzorgingsgebieden

van Suriname vormen hiervan een voorbeeld. Van deze pro-

jecten kan men vaak niet zeggen dat ze bijdragen tot de
materiële produktie van het land, doch wel degelijk dat ze

welzijnsbevorderend werken. Ook om deze reden is het niet

altijd verstandig het al dan niet produktief zijn van een
investering als beoordelingscriterium te handhaven.

Het voorgaande kan in principe in de te hanteren termi-
nologie tot uitdrukking worden gebracht door in plaats van

ESB 1-3-1978

213

te spreken ov’er”produktieve .investeringen een neutralere

‘term te gebruiken, ni. invdsteringen.in bedrijven, waarbij dan

uiteraard een’ tweedeling kan worden gebruikt. naar soort

van bedrijven (b.v. landbouw en overige) zowel als naar be-

drjfsinvesteringen in de particuliere sector,dan wel in de

sector van de overheid. .

Een kwantitatief criterium?

Uit het voorgaande ‘vloeit de vraag voort in hoeverre

de gegeven beschouwingen leidentoteen antwoord op de

vraag welke verdeling van de beschikbaar komende midde-

len over de drie categorieën redelijk kan worden geacht. In

beginsel is het antwoord hierop moeilijk te geven, omdat

het van de aard van het land zowel als van, de potenties van
het land afhangt welke investeringen zullen worden geënta-

meerd en wat in deze investeringen (b.v. een industrieel com-

plex) de behoefte aan infrastructuur is. Niettemin lijkt een

a priori verdeling van 50%, 25%, 25% niet onaanvaardbaar.

Deze geeft in ieder geval een garantie dat er voldoende in

de sociaal-educatieve sector wordt geïnvesteerd. De ver-

houding 50%-25% tussen bedrijfsinvesteringen en infrastruc-.

tuur-investeringen is, zoals reeds uit het eerder betoog

volgt, wat twijfelachtiger. .

Bij dit alles dient te worden bedacht dat bij een grondige

projectvoorbereiding deze zaak uiteraard in detail wordt

voorbe”rcid en het kan niet w’orden’verwacht dat overdadig

veel in infrastructuur kan worden geïnvesteerd.Daar is het

gevende land niet mcc gediend, doch in feite het ontvangende

land, zeker wanneer, zoals vor Suriname, en vast totaal-

bedrg voor de ontwikkelingshulp ter beschikking staat,

nog veel mindçr. . .

Een punt dat wèl van betekenis is, is de péniode vaarvoor

een beoordeling van de hoogte der percentages dient plaats

‘te vinden. De opbouw’vn een industrieel complex zoals b.v1
dat in West-Suriname neemt ve!e jaren in bëslag, waarin ‘de

verschillendé investeringen elkaar op logische wijze dienen

op te volgen Het eerste wat daarbij aan bod komt is de infra-

structuur.. Zonder deze is een normale opbouw van het

complex uitgesloten. In deze beginjare’n is dan ook te ver-

wachten (en deze verwachting wordt door de cijfers voor

1977/81 bevestigd) dat het percentage van het totale inves-

teringsbedrag uitgegeven aan infrastructuur relatief hoog

‘zal zijn. Zowel het percentage bedrjfsïnvestringen als dat

•van investeringen in de sociaal-educatieve sector zijn dan

laag. In de. daaropvolgende periode waarin de opbouw van

bedrijven plaatsvindt zal het percentage bedrijfsinvesterin-

gen scherp stijgén en dat van dé infrastructuur scherp dalen.

Het percentage sociaal-educatieve investeringen blijft laag

.tot op het moment waarop de investeringen in voorzie-
ningen urgent beginnen te worden. Dit moment is uiteraard

bepaald door de komst van de arbeiders met hun gezinnen’

die in de eigenlijke produktie zullen worden te werk gesteld.’

Op dat moment zijn de investeringen in de bedrijven en in de .
infrastructuur nagenoeg voltooid en begint de opbouw van de’

woonplaats van de arbeiders met alle voorziëningen die

daarbij, horen. In deze fase zullen de sociaal-educatieve

investeringen de boventoon gaan voeren.’

Uit dit voorbeeld moge blijken dat een berekening van het

aandeel dat ieder van dé investeringscategorieën in het to-

taal uitmaakt, zal dienen te geschieden over degehe/e periode

van opb6uw van het industriële complex met alks wat

daarmee direct of indirect verbonden is. Eenbeoordeling kan
alleen op grond daarvan plaatsvinden en zeker niet op grond

vat’de-gegevens’van’een enkel jaar of zelfs van een periode

van 5 jaar. Daaruit zou men een volkomen scheef, beeld van-

de feitelijke verhoudingen krijgen. ‘

L. H. Klaassen

Vacatures

T iiin

es

BI,..

1
unilie,

Ip

Jul
i

r,ucIsiJ!
1%etenchappelijk onderioeker hij de lii,iifd
afeielnin onderzoek en staiktiek an iie (,einrent&’-
secretarie Fi ndho en
iiiuiuiiii (cii
heliuiese
i,,iiu
uit’ iivarkelin

hij
tic (
rntrsilc
diri (ie
1
,
1
\uciinniartt (inn!.

ri.) hij het

‘linisterie
isiii T
:ind-
bouw
en
Vissi
rij
Fleulrijku ruinuuuuiu tiiiiil, in,) suluir di .ifdeluig tiednujis-
,tdiiiiriistr.tlie in cuiiipt.ihilitrit ‘,in hrt t untra,il Bij.
resi
u s
air de
a,tatistir
t..
Fcuiiiiiiiii (niiul.

in,)
state iie iifdling ali,r’iiieiii
drift’
liet \linistirii ‘iii
( R\I
Bi
Ii’idsincdessi’rker (nini set
1
snnr iie .ibli’ling inten,u.i
tiurisi,il tsepsrritirr, hurenj turiesen en Pictic iaken
s,iii
liet \Iulisteric i.iii tekeer
cii
\ alt
rst,iat. 1 lirec
ii ra:it (.eiir rasil iii liet verkeer
1
ri,unipflirtrt.t (iruil. sri.) ‘oor
IIC
‘tudiedit nit
iiii De
‘,ederl,tndsche Bank
1
un,ineitt’l’eciiiii,iniscti .iuijujtvt directeur ttij
dc’
(,cnjecii-
Ii
ijLe

i,ci,iIe l)ieiist van de Gemeente Enschede
VeR nar
bui
piehjL programmeur (m/v) voor het Centritni
1
ir onderioek van de economie van de publieke
sector hij de l(ijksiiniiersitcit
1
eiden
\Tedewerker (mni

i
ri

star Ie .idsisatitrliiii t
inan-
(i
cli’
in t cuiniuniarili /iki
ii
i.iii
de
rniniiiit

liii
euterl tijdse
(cmvi
nten

hei

ectic

t.tjstii L uur de ,idininistratii in djtis-
hek hij di

ici.iIu
enivkeriiipsr.i.id
,
1′
iirotsenliehi er

III
Frs,run
‘i’u,iiiiuisi
h uinderiiir ken (iii

) siuiur
T
eiiiiiini
schv
,,iken hij (ie t,einernte l(itterdu-ini

,
141

T
i
iniiiirii
uiu,r de infaninatii sijinci

iui

t,h.0 , liet nier-
iii’ ‘iii,i.ule heleid hij iii ( ei)tn,l

(tircitie
111

II
1

4

1
nu,ineci ,il(eflieen

”iiniiuini siiir
iie

stRhtin

T ciiiiu-
niisr’h Teciiniiluiisvlu Instituut te t ineehi

III

(,essiiijj liiiuul1li’r.Ïir liii

1
hij

ie
1
iiidt)oUuulia(svliaiil
1 ‘-4

te ‘uaeningcii

III
.\djuiuct-directctir
(in s)
hij hel

\dsieshnreaii
1 4

kuuaiiteitsheletd en besliskunile In.
T.
s:iîi
t ttingen-
T

uttttg
t4
te Riittend,iin

I

t
55

liii
td (mnl./ sri.) hij liet

ttenieen Burgerlijk lensii
cii-
fiind, te l’Ieerleri lip de .ifili’iing leningen en efli
t
ten

ii
1 SS

\IeIewerker, sseteiisi’h.ippetijke h

eieiding (nini. sri,
t
sitor
het
Ministi rie
uuii)

erkeer
cii
V
itersi,i,it
(.1).
,
de
t
eb

tUullu, .iideliiut

(,idui’.i renit st,iflijire,ui iii het
nu

iujsterie)

Ii
\leuii iuerk(st)en )Bolnijfseouriiinisi’he ru litinpt hij

Ie
cli

i’nuiiiiuvie (,niunulpi’il tip Ii
t
l-tu

iii hi’griitiuig en iiuiaii-
cie!’ pia
iuuuin

III
i-(uinutelijk eiiuniiin
hij
d1′
s
.ikgniui’p l-luiintelijkc
1 cmi

ii

trui’ lan d1 rije
T
ni..rr’,iliit s_in
tsterd,iin

III

214

Een verdeelmodel voor liquide activa

De overheveling als voorbeeld van
toegepaste economie

DR. M.M.G. FASE*

Na aandacht te hebben geschonken aan de
omzetting van spaartegoeden in term ijndepo-

sito
‘5,
onderneemt schrijver een poging om ver-

schuivingen in de samenstelling van het liquide

vermogen ten gevolge van wijzigingen in de

onderlinge rente verhoudingen te analyseren op

basis van een verdeelmodel voor het liquide

vermogen. Hiermede wil hij het overhevelings-

vraagstuk plaatsen in hei perspectief van een

algemeen portefeuillemodel. Vervolgens geeft hij

het model bij wijze van voorbeeld empirische

inhoud.

Wie schrijft wenst te worden begrepen. Uit een recente
kritische aantekening door Drs. H. S. van der Knoop, opgeno-
men in de rubriek geld- en kapitaalmarkt van
ESB,
heb ik

geleerd dat in ten minste één geval deze wens niet in vervulling
is gegaan. In de bedoelde aantekening vat Van der Knoop

mijn in het kwartaalbericht van De Nederlandsche Bank

verschenen uiteenzetting over de verplaatsing van spaargel-

den naar termijndeposito’s samen en stelt hij een alternatief
voor 1).

Ik vermoed dat de kritische opmerkingen door Van der

Knoop voortvloeien uit onvoldoende inzicht in het theoreti-sche kader dat aan de gewraakte analyse ten grondslag ligt.

Liever dan specifiek te reageren op Van der Knoop wil ik

daarom in het volgende wat dieper ingaan op de portefeuille-

theorie en aldus een generalisatie van mijn eerdere analyse
geven. Naar goed wetenschappelijk gebruik bouw ik daarbij

voort op bijdragen uit de literatuur. Hiermede hoop ik

duidelijk te maken dat de hierna volgende analyse recht-

streeks aansluit bij in ruime kring aanvaarde economisch-

theoretische uitgangspunten en dat mijn eerdere uiteenzetting

van de methode inderdaad een vereenvoudigde versie is van
de macro-economische portefeuilletheorie.

De overheveling

Omdat in Nederland termijndeposito’s deel uitmaken van
de liquiditeitenmassa en spaartegoeden niet – behoudens het

kwantitatief niet zo gewichtige oneigenlijke spaargeld -,

leidt omzetting van spaartegoeden in termijndeposito’s meest-

al tot een toeneming van de liquiditeitenmassa. Aangelokt
door de relatief hoge rentevergoeding op termijndeposito’s

heeft zich gedurende de afgelopen jaren op vrij grote schaal
een dergelijke omzetting voorgedaan. Het is daarom van

belang bij de beoordeling van de actuele monetaire ontwikke-ling aandacht aan dit verschijnsel te besteden en de samenstel-

ling van de liquiditeitenmassa mede te bezien in het licht van
de feitelijke rentestructuur.

Vertekening van de liquiditeitenmassa ten gevolge van
verplaatsingen tussen spaargelden en termijndeposito’s is
louter een uitvloeisel van de gekozen begripsafbakening.

Uitbreiding van het liquiditeitsbegrip met spaartegoeden bij

geldscheppende instellingen lijkt daarom de meest voor de
hand liggende oplossing. Hiertegen zijn verschillende bezwa-
ren aan te voeren.

In de eerste plaats valt niet goed in te zien waarom spaarte-

goeden aangehouden bij geldscheppende instellingen princi-
pieel zijn te onderscheiden van dergelijke tegoeden bij spaar-

banken. Mitsdien zouden de spaarbanken bij een dergelijke
verruiming als geldscheppende instellingen moeten worden

aangemerkt. Daarnaast kan de vraag worden gesteld of bij
spaartegoeden het motief van de vermogensvorming niet

belangrijker is dan bij de termijndeposito’s die immers vooral
door bedrijven worden aangehouden welke, anders dan
gezinnen, de vermogensvorming niet als een op zich zelf
staande doelstelling plegen te beschouwen. Verder is het

denkbaar dat, in geval een verruiming is aanvaard, zich

andermaal vertekeningen aandienen, b.v. doordat het pu-

bliek op grond van aantrekkelijke renteverhoudingen zijn

spaartegoeden rechtstreeks gaat beleggen. In dat geval zou de

oude problematiek opnieuw opduiken, de gewijzigde statisti-sche definitie ten spijt.

Een andere, meer bij de bestaande praktijk aansluitende en
daarom aantrekkelijke, oplossing wordt verkregen door aan
de niet-zakelijke deposito’s zodanige vormvereisten te gaan

stellen dat het verschil in behandeling met de spaartegoeden

grotendeels verdwijnt. In dat geval laten verplaatsingen

tussen spaargelden en termijndeposito’s de omvang van de

liquiditeitenmassa vrijwel onberoerd, zonder dat hiervoor een

radicale breuk met dein het verleden gehanteerde statistische definities noodzakelijk is.

Overigens doen overhevelingen zich evenzeer voor binnen

een bepaalde liquiditeitsconceptie. Een voorbeeld vormt de

door de rente-ontwikkeling aangemoedigde verschuiving van
girale tegoeden naar termijndeposito’s in 1969 en 1973 en de
omgekeerde beweging in 1972.

Het voorgaande illustreert dat de overheveling – zoals in

de verslaggeving van de Bank ook bij herhaling werd gesigna-

leerd – een veel ruimer terrein betreft dan alleen de spaar- en
termijndeposito’s. De rest van dit artikel is een poging ver-

schuivingen in de samenstelling van het liquide vermogen ten

* De schrijver is als directie-assistent voor wetenschappelijk onder-zoek werkzaam bij De Nederlandsche Bank.
1) M. M. G. Fase, Spaargelden, termijndeposito’s en renteverschil-
len: een econometrische analyse,
Kwartaalbericht De Nederlandsche
Bank, 1977,
no. 1, blz. 34-44. H. S. van der Knoop, Overheveling
tussen spaargeld en termijndeposito’s,
Economisch Statistische Be-
richten,
no.
3122,21
september
1977,
blz.
928-930.
Zie ook M.M.G.
Fase, Verruiming of verschraling, in:
Selecte Studies,
Rabobank
975,
in het bijzonder blz.
20-22.

ESB 1-3-1978

215

additiviteitsrestricties, geschat op kwartaalcijfers voor de

periode 1970:1- 1976:1V 4). Hierbij zijn in eerste aanleg de
volgende liquide activa onderscheiden:

M(l):primaire liquiditeiten;

M(2):secundaire liquiditeiten, exclusief oneigenlijk spaargeld;

M(3):spaartegoeden bij geldscheppende instellingen en spaar-

banken.

gevolge van wijzigingen in de onderlinge renteverhoudingen

te analyseren op basis van een verdeelmodel voor het liquide

vermogen 2).

Een verdeelmodel

De financiële portefeuilletheorie leert dat de verdeling van

het vermogen over verschillende vermogenscomponenten

plaatsvindt met het oog op de verwachte rentestructuur en

risico’s. Deze theorie richt zich dus op het
vermogensbesiand

en de verdeling daarvan. De hierna volgende analyse beperkt

zich om praktische redenen tot het liquide vermogen en de

verdeling daarvan over een aantal liquide activa. Uitgangs-

punt is dat het door het publiek op den duur gewenste of

optimale aandeel
m*(i)
van het liquide vermogen dat wordt

aangehouden in activum M(i) afhangt van de onderlinge ver-

houding der relevante opbrengstvoeten r. We postuleren

derhalve:

M*(i) = (
iO +

ctr)M

(1)

meti,j=l,2. …… n.
Deze functie is homogeen lineair in het liquide vermogen,

M, met M = E M*(i); derhalve kan (1) ook worden her-

schreven in de aandelen
m*(i),
met
m*(i) = 1.

We nemen voorts aan dat er redenen zijn – b.v. de tijd en

kosten gemoeid met het transformeren van het ene activum in

een ander – om onderscheid te maken tussen de optimale

verdeling of verdeling op lange termijn en die op korte

termijn. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het volgen-

de gemodificeerde partiële aanpassingsmodel:

M(i) – M(i)
1
= X [M*(i) – M(i)_ ] +

(2)

Formulering (2) laat zien dat de feitelijke aanpassing per

activum op uniforme wijze wordt bepaald door het écart

tussen gewenst en feitelijk bestand alsmede door de toename

van het liquide vermogen, welke invloed in beginsel niet gelijk
is voor de onderscheiden activa. Op deze wijze wordt bewerk-

stelligd dat er een zekere wisselwerking mogelijk is tussen

onevenwichtigheden bij de verschillende activa, terwijl tevens

recht wordt gedaan aan de omstandigheid qaç een verande-
ring in de beleggingsportefeuille in begineij meer moeite

vraagt dan de belegging van nieuwe middelen. Substitutie van
(1) in (2) levert na herschrjving in aandelen:

m(i) = (1 – X) m(i)_
1
+

+
E a
ij
+ y.M

(3)

met m(i) = M(i)/M; m(i)_
1
M(i)_
1
/M;

M=iM/Meni=r1,2. ….. n.

Omdat steeds moet gelden dat EMi = M of m(i) = 1, is het

stelsel (3) onderworpen aan een’aantal beperlingen, waarmee

bij de schatting rekening dient te worden gehouden. Deze

beperkingen zijn:

Eel
i
= 1 – X; EY
i
= 1 –

= 0 voor alle j.

Bovenstaande analyse sluit in grote trekken aân op de reeds

genoemde ,,pitfall”-analyse van Brainard en Tobin. Aange-

toond kan worden dat het in formulering (3) gerepresenteerde

stelsel vragvergelijkingen resultante is van een algemeen

model voor een optimale portefeuillesamenstelling onder

onzekerheid ten aanzien van de opbrengsten bij risicomijding.
Het zou te ver voeren in het bestek van deze beschouwing

hierop dieper in te gaan. We volstaan er daarom mee naar de
betreffende literatuur te verwijzen 3).
Schattingsresultaten

Het verdeelmodel is, met inachtneming van vermelde

De hiermede corresponderende rentevoeten zijn:

rente op M(l): dit is een gewogen gemiddelde van de rente

op chartaal geld (= 0) en rekening-couranttegoeden;

rente op driemaands kasgeldleningen aan de lagere over-

heid als maatstaf voor de rente op termijndeposito’s;

rente op gewone spaartegoeden bij banken.

De variabele m(i) is telkens het aandeel van M(i) in het to-

taal der onderscheiden liquide activa. Omdat de aanhouding

van de onderscheiden vermogenscomponenten in beginsel

mede onderhevig is aan seizoenmatige fluctuaties in het re-

gressiemodel aangevuld met seizoendummies voor elk der

kwartalen.

De schattingsuitkomsten voor het stelsel (3) – met n = 3 –

zijn samengebracht in tabel 1; tussen haakjes zijn de stan-

daardfouten vermeld. De meeste coëfficiënten zijn significant.

Opvallend is dat de invloed van de groei van het liquide

vermogen, gerepresenteerd door
Nl,
afneemt naarmate men

zich van primaire liquiditeiten in de richting van het schier-

geld beweegt.

Gemakkelijk valt na te gaan dat de uitkomsten voldoen aan

de opgelegde restricties. De aanpassingskwaliteit is bevredi-

gend, evenals de DW-grootheid; kortheidshalve laten we deze

grootheden hier onvermeld.

Ten slotte zij vermeld dat het stelsel (3) eveneens is geschat

door de spaartegoeden te onderscheiden naar tegoeden aan-

gehouden bij geldscheppende instellingen en overige tegoeden

(derhalve voor n = 4). De rente op spaartegoeden bij spaar-
banken figureert als vierde rentevariabele. Bij deze verder-

gaande desagregatie resulteerden, in het bijzonder voor de

vierde vergelijking, niet-significante rentecoëfficiënten, zoals
moge blijken uit de in tabel 2 vermelde schattingsuitkomsten.

Opnieuw is gemakkelijk na te gaan dat is voldaan aan de

additiviteitsrestricties.

Het is duidelijk dat deze verdergaande desagregatie voor
de spaartegoeden, hoe elegant dit theoretisch ook moge zijn,

empirisch niet veel significants oplevert. We geven dan ook

de voorkeur aan de iets minder ver gaande opsplitsing van

Voor zover ik weet, is deze naamgeving afkomstig van Somer-
meijer, die met een dergelijk model een uitputtende verdeling van een grootheid over verschillende categorieën logisch consistent beschrijft.
Zie
W.
H. Somermeijer en J. W. W. A. Wit, Een verdeelmodel,
Rap-
port M 14,
Centraal Bureau voor de Statistiek, d.d.
22
juni
1956;
W. H. Somermeijer, Specificaties van economische relaties,
De Eco-
nomist.
jrg.
115,
maart
1967,
blz.
305-327.
Welbeschouwd
is
Somer

meijers eis van consistentie eveneens de drijfveer achter het klassieke
artikel van W. Brainard en J. Tobin, Pitfalls in financial model build-
ing,
American Economic Review,
jrg.
58,
mei
1968,
bla. 99-122.
Overigens ontbreekt in de door Somermeijer opgesomde klasse van
problemen de financiële portefeuilletheorie nog.
Bv. J. M. Parkin, Discount house portfolio and debt selection,
Review of &onomic Studies,
jrg.
28, 1970,
bla.
469-497;
E. M.
Gram-
lich en D.T. Hulett, The demand for and supply of savings deposits,
in: E.M. Gramlich en D.M. Jaffee (eds),
Savingsdeposits, mortgages
andhousing,
Heath,
1972,
blz.
13-62;
M. Saito, Household flow-of-
funds equations: specification and estimation, Journal of Monej;,
Credit and Banking,
jrg.
9, 1977,
blz.
1-20.
De econometrische details alsmede de speciale problemen die de
schattingsprocedure oproept, laat ik hier eenvoudigheidshalve rus-
ten. Zie hiervoor b.v. H. Theil.
Principles
of
econometrics,
New
York,
1971,
hoofdstuk
7.
De keuze van de steekproefperiode is voor-
al ingegeven door de omstandigheid dat zich vddr
1970
geen duidelijke
door de rente-ontwikkeling aangemoedigde overhevelingsverschijn-
selen hebben voorgedaan. Vgl. hiervoor M. M. G. Fase, Verruiming
of verschraling: een poging het liquiditeitsbegrip empirisch af te
bakenen,
Selecte Studies,
Rabobank,
1975.

216

Tabel 1. Schattingsuitkomsten voor verdeelmodel niet drie aci’iva, 1970: 1- 1976: IV

Actizum
r1
r
2
r
3

m(t)-
1

Kl
Constante
Seizoen

m (I)
0,0321

0,0039
0,0113 0,8619 0,45
0,000

0,003 0,006
-0,011
(0,0135)
(0,0006)
(0,0047)
(0.0373)
(0,20)
(0,026)
(0,006) (0,009) (0.003)


0,0491
0,0070

0,0I5I
0,9619 0,22
0,072 0,006

0,003
0,010
(0,0156)
(0,0007) (0,0056)
(0,0373) (0,23) (0,021)
(0,007)
(0,011)
(0,004)

0,0169

0,0031
0,0038 0,8619
0,19
0,066

0,003

0,003
0,001
(0,0065)
(0,0003) (0,0025)
(0,0373)
(0,10) (0,024) (0,003)
(0,005) (0,002)

Tabel 2. Schattingsuitkomsten voor verdeelniodel met vier activa, 1970: 1- 1976:1V

Aelivum
r1
r1
r3
r,
m(i)-
1

t
Constante
Seizoen

0,0505

0,0040 0,0024
0,0111
0,9492
0,46

0,046

0,002
0,006

0,0I2
(0,0144)
(0,0004) (0,0069) (0,0063)
(0,0240)
(0,15) (0,018)
(0,004) (0,006)
(0,002)


0,0717
0,0072

0,0058

0,0139 0,9492
0,27 0,085 0,005

0,004
0,010 (0,0169)
(0,0005) (0,0080) (0,0078)
(0,0240)
(0.16)
(0,015)
(0,005)
(0,007)
(0,003)

0,0186

0,0026 0,0024 0,0036 0,9492
0,18
-0,001

0,003

0,003
0,001
(0,0081)
(0,0003) (0,0037) (0,0034) (0,0240)
(0,08) (0,012)
(0,002)
(0,004)
(0,001)

0,0026

0,0005 0,0010

0,0008
0,9492
0,04
0,013
0,000
0,001 0,001
(0,0024)
(0,001)
(0,00I5)
(0,0016)
(0,0240)
(0,02) (0,006)
(0,00!)
(0,00I)
(0,000)

tabel 1 5). Zoals bij elk econometrisch model is het niet
moeilijk amenderingen te verzinnen op de gebezigde specifi-
catie en daarmede andere schattingsuitkomsten te genereren.

Ik heb, in samenwerking met Drs. Dongelmans ook ver

schillende andere specificaties beproefd. De resultaten wek-

ken de indruk dat deze variaties op hetzelfde economische

thema niet tot opzienbarende verschillen voeren.

Simulatie-uitkomsten
Een van de oogmerken van econometrisch onderzoek kan
zijn de verschaffing van een op de empirie gestoeld instrumen-

tarium om de werkelijkheid te bekijken onder b.v. andere dan

de heersende condities. Het is deze gedachte die ten grondslag
ligt aan onze pogingde omvang van de overheveling te ramen.
Vergeleken wordt daarbij de verdeling van het liquide vermo-

gen bij een normaal geachte rentestructuur met de verdeling

zoals deze zich in feite voordoet. Het is duidelijk dat hetgeen
als ,,normaal” wordt aangemerkt een oordeel vergt over de
rentestructuur. Analytisch is er daarom op zijn best sprake

van een hypothetisch referentiekader dat men naar believen
kan veranderen 6).

Bij wijze van werkhypothese ga ik ervan uit dat er een

bepaald gebruikelijk verschil bestaat tussen termijndeposito-
rente en spaarrente. We beschouwen daarbij drie alternatieve

situaties overeenkomend met een écart van resp.
1,8%,
1,2%
en
0,6%,
terwijl we de rente op primaire liquiditeiten en
spaartegoeden eenvoudigheidshalve fixeren op de werkelijke

waarde. Het behoeft geen betoog dat dit een vèrgaande
stilering is van een normaal geachte rentestructuur. Deze
werkwijze biedt echter de mogelijkheid enig inzicht te verwer-

ven in de omvang van de overheveling bij alternatieve veron-
derstellingen. De uitkomsten voor 1975 en 1976 zijnsamenge-
bracht in tabel 3.

Evenals in het artikel in het
Kwartaalbericht is
de procedu-
re de volgende. Als overheveling wordt aangemerkt het

verschil tussen het feitelijke bestand en het berekende bestand
bij de lopende rente op primaire liquiditeiten en spaartegoe-
den, terwijl de rente op secundaire liquiditeiten resp. 0,6 pro-

centpunt, 1,2 procentpunt of 1,8 procentpunt hoger is dan de

rente op spaartegoeden. De uitkomsten in tabel 3 laten zien
dat de simulaties een vertekening van de liquiditeitsquote

suggereren per ultimo 1976 van resp. 2,6, 1,8 en 1,0 procent-

Tabel 3. De overheveling van spaartegoeden naar de liquidi-
teitenmassa (+)

l’criodc
Renieverschil (r.

r,)

0.6
1,2
]

1,8
0.6

in mln, guldens
in
%
van het nationale inkomen

1975

t
6.300
4.900
3.500
3,5

2.7
1,9
II
5.100
3.600
2.200
2,8
2,0
1,2
III
3.800
2.300
800
2.0
1,2
0.4
IV
3.300
1.800
300
1,7
0,9 0,2

976

1
2.400 800

800
1,2
0,4
-0,4
Ii
2.100 400

.200
1.0
0,2

0.6
III
4.700
3.000
1.300
2.2
1,4
0.6
IV
5.800
4,000
2.200
2,6
1.8
1,0

punt. Dit is gemiddeld 0,5 procentpunt hoger dan de in het
artikel in het
Kwartaalbericht
(tabel
1
en tabel 2) vermelde
berekeningen voor dat tijdstip. Ongetwijfeld hangt dit ver-

schil samen met de wijziging in het model en de veel stringen-
tere veronderstelling ten aanzien van de rente die onze

voorgaande exercitie vraagt. Overigens is het geruststellend te
mogen vaststellen dat de mutaties in het niveau van de met de

overheveling gemoeide bedragen weinig afwijken van onze

eerdere resultaten. De beoordeling van de monetaire ontwik-

keling draait ten slotte toch om de veranderingen van de
liquiditeitenmassa en liquiditeitsquote.

Dit is één van mijn argumenten tegen het door Van der Knoop van
stal gehaalde formalisme dat de werkwijze van de Bank ,,in strijd is
met de eigen opvatting over hoe het proces zich afspeelt”. Relevanter
is echter de vraag of dit proces zich in enige omvang kan afspelen.
Gelet op de grootteverdeling van spaartegoeden bij spaarbanken is dit
twijfelachtig. De regressie-uitkomsten van tabel 2 geven bovendien
steun aan dit vermoeden. Ten slotte is het, zoals Van der Knoop
eigenlijk zelf ook zegt, geenszins zeker dat overheveling bij spaarin-
stellingen de liquiditeitenmassa onberoerd laat. De methode Uit het
Kti’arwa/hericht
mikt daarom op het voordeel van de twijfel.
In dit verband wil ik opmerken dat de beweringen van Van der
Knoop over een ,,toerekeningsprobleem” en een ,,onoplosbaar pro-
bleem” bij een dergelijke simulatie veeleer duiden op een nog beperkte
ervaring bij Van der Knoop dan op een beperking van de door mij
gevolgde procedure. Ik houd het er dan ook maar op dat hij de
kansen om onderzoekresultaten praktisch aan te wenden wat laag
heeft aangeslagen.

ESB 1-3-1978

217

Bij de beoordeling van deze uitkomsten
is
het goed te be-

denken dat met de uitkomst van een econometrische reken-

som evenmin het laatste woord is gezegd als bij alles wat

gedrukt Staat. De resultaten van een schatting, zoals in het

voorgaande is gepresenteerd, bieden een richtsnoer voor de

beoordeling van de lopende ontwikkeling van de liquidi-

teitenmassa. Aanvullende informatie, b.v. verkregen uit

steekproeven uitgevoerd door banken over de omvang van

de overheveling, opent de mogelijkheid zich een oordeel te

vormen over het werkelijkheidsgehalte van onze macro-

economische benaderingen. Deze behoefte aan aanvullende

gegevens klemt te meer wanneer de gevolgde procedure niet

slechts een veronderstelling vraagt over het
normaal geachte

renteverschil
(zoals bij de eenvoudige versie), maar ook over

het
normaal geachte niveau
der relevante rentevoeten (zoals
bij de onderhavige versie).

Besluit

Het voorgaande is een poging het overhevelingsvraagstuk
te plaatsen in het perspectief van een algemeen portefeuille-

model en dit vervolgens bij wijze van voorbeeld empirische

inhoud te geven. De uiteenzetting maakt duidelijk dat een
portefeuillemodel zich richt op bestandsgrootheden en dat

stroomgrootheden hiervan een afgeleide vormen 7). Een

interessante vraag is hoe het in dit artikel gepresenteerde

model zich verhoudt tot de eenvoudige versie, die eerder werd
gebruikt om de overheveling globaal te benaderen.

Ten gevolge van de additiviteitsrestricties leidt elke mutatie

in m(3) tot veranderingen in de overige liquide vermogens-

componenten, die echter per definitie samen de liquiditeiten-

massa beschrijven. Overheveling van spaartegoeden naar de

liquiditeitenmassa (of omgekeerd) wordt dus volledig be-

schreven door de relatie van m(3) uit tabel 1. Deze relatie laat

zich als volgt herschrjven:

m(3) = 0,86 m(3)_
1
– 0,0031 (r
2
—r
3
) + 0,007r
3
+

+ 0,0175r
1
+ 0,1951 + 0,066 + seizoen

(4)

De relatie, gebruikt in de gepubliceerde correctieprocedure,
luidt (in de in dit artikel gebezigde notatie):

in(3) = 0,78m(3)_
1
– 0,003(r
2
—r
3
) –
1- 0,118 +
+ seizoen

(5)

De overeenkomsten maar ook de verschillen tussen de

vergelijkingen (4) en
(5)
zijn frappant en illustreren andermaal

dat de in het
Kwartaalbericht
gebezigde versie inderdaad een

speciaal geval is van een algemeen portefeuillemodel dat

voldoet aan de vereisten van logische consistentie. Het meest

opvallende verschilis de lagere aanpassingssnelheid in verge-

lijking(4). Hier staat evenwel tegenover dat in de formulering

van dit artikel onderscheid is gemaakt tussen onevenwichtig-

heden ten gevolge van een veranderde optimale aanhouding

op grond van renteveranderingen en onevenwichtigheden

ontstaan door de groei van het liquide vermogen. Zoals reeds

werd opgemerkt, ligt het voor de hand dat het herverdelen van

de bestaande portefeuille meer tijd vergt dan het beleggen van

het nieuwe liquide vermogen.
Tot besluit is het dienstig, naast wat gezegd is over de

algemeenheid van onze benadering, ook iets te zeggen over de
beperkingen van het model. De belangrij kste beperking is wel

dat het, zoals meestal bij econometrische relaties, uitgaat van

vaste co&ficinten die zijn geschat uit gegevens over het

verleden. Dit betekent dat geen plaats is ingeruimd voor een
zich wijzigend gedrag t.a.v. renteverschillen die verschuivin-

gen in een financiele portefeuille aanmoedigen. Niet uitgeslo-

ten mag echter worden dat, onder invloed van de aanhoudend
grote renteschommelingen op de depositomarkt, gedurende

de laatste jaren bij het beleggende publiek een grotere rente-

bewustheid is ontstaan.
Hoe dit ook zij, de door mij beproefde modificatie van het

model in deze zin heeft tot dusver empirisch niet veel op-

geleverd. Een andere modificatie beschouwde y, in afhanke-
lijkheid van de r
j
. Deze uitbreiding heeft geen significant

resultaat opgeleverd. Het model is daarom in zijn oorspron-

keljke formulering gehandhaafd 8). Hier staat tegenover

dat de opneming van de variabele
N,
waardoor elke toe-
name van het liquide vermogen op zich zelf haar weerslag

vindt in de verdeling, zeker een verfijning is die plotselinge

wijzigingen in het liquide vermogen laat doorwerken in de

verdeling. Een meer praktische beperking van het bovenstaan-

de verdeelmodel is zijn geschiktheid voor extrapolatie van

de toekomstige ontwikkeling. Hoewel het in beginsel mogelijk

is met een verdeelmodel te voorspellen, ligt het bij deze toe-

passing meer voor de hand, uit te gaan van een stelsel vraag-

vergelijkingen voor liquide activa, zoals door mij bij een

andere gelegenheid werd uitgewerkt 9).

M. M.
G. Fase

Wat dit betreft lijkt de kritiek van Van der Knoop veel op een
onnodige mystificatie. Dit geldt evenzeer voor het door hem voorge-stelde alternatief. Op eenvoudige wijze kan algebraïsch worden aan-
getoond dat Van der Knoops voorstel een speciaal geval is van de be-
treffende vergelijking uit het artikel in het
Kwartaalbericht,
waarbij
de groeivoet van het liquide vermogen gelijk aan nul wordt gesteld.
Overigens is voor een correctie van de
!iquiditeiisquoie
alleen de stand
en niet de mutatie van de overheveling van betekenis; ons model gaat
echter Uit van standen.
Zie hiervoor ook B. M. Friedman, Financial flow variables and the
short-run determination of long-term interest rates,
Journal
of
Politica! &onomy,
no.
4, 1977,
blz.
66 1-689.
Zie bijv. M. M. G. Fase,
The demand for liquid assets: the time
series evidence for the Netherlands 1963:11 – 1975:1V,
gestencild
rapport
7705, De Nederlandsche Bank NV, maart
1977.

NASCHRIFT

De reactie van Dr. M. M. G. Fase op mijn kanttekeningen

speelt zich bijna geheel af in de noten bij zijn artikel. Deze

noten blijken gemakkelijk te kraken. Het gereedschap daar-

voor reikt Fase zelf aan.

Allereerst is daar de kwestie van het spaargeld van de

spaarbanken. Consequente toepassing van de portefeuille-theorie in de geest van het pitfalls-artikel van Brainard en

Tobin zou consolidatie vereisen van de spaarbanken en de

geldscheppende instellingen om te voorkomen dat de liquidi-
teiten aangehouden door de spaarbanken ten onrechte aan

het publiek worden toegerekend 1). Deze consolidatie heeft

echter tot gevolg dat men de spaarbanken 66k als geld-

scheppende instellingen zou kunnen beschouwen 2). In de

monetaire analyse van De Nederlandsche Bank (DNB)

gebeurt dat nu juist niet, zodat zij derhalve in het kader van

de portefeuilletheorïe tot het publiek zouden behoren.

In beide artikelen van Fase hangen de spaarbanken er tussen-

in: met betrekking tot het spaargeld worden zij tot de
geldscheppende instellingen gerekend, met betrekking tot

hun liquiditeitsbezit tot het publiek. Is er een reden voor deze

halfslachtige positie? Eigenlijk niet, omdat het twijfelachtig

is in hoeverre overheveling tussen spaargeld van spaarbanken

en liquiditeitenmassa de omvang van de laatste beïnvloedt

(zie mijn artikel). Bovendien blijkt uit Fase’s tabel 2, ver-

gelijking 4 dat de spaargelden aangehouden bij spaarbanken
niet significant rentegevoelig zijn, zodat beïnvloeding van de

liquiditeitenmassa uit dien hoofde toch wel erg onwaar-
schijnlijk wordt! Redenen genoeg om dit spaargeld weg te

laten en het portefeuillemodel geheel in overeenstemming met

DNB’s eigen monetaire analyse toe te passen.

Vervolgens mijn zogenaamde mystificatie. DNB hanteert

Zie hun schema (20.1) van activa en passiva der onderscheiden
sectoren, waarin alleen schuldverhoudingen tussen en niet binnen
de sectoren voorkomen.
Alleen met een lang bedrijf.

218

Nederlandse baggeraars

in internationale wateren

A.A.M.M. TAK*

De Nederlandse baggerindustrie heeft hei niet

gemakkelijk. Op de binnenlandse markt is de

hoeveelheid werk de afgelopen jaren sterk terug-

gelopen, waardoor de bezettingsgraad van het

materieel op een bedenkelijk laag peil is geko-

men. Op de buitenlandse markt is sprake van

sterke concurrentie. Bovendien wordt daar de

omvang van de projecten steeds groter, zodat

hoge investeringen noodzakelijk zijn en dejïnan-

ciering van deze projecten problemen kan gaan

geven.

Inleiding

Baggeraars moeten al in de oudheid hebben bestaan voor

het openhouden van rivieren en andere vaargeulen, doch over
de wijze waarop en met behulp van welk soort materieel men

dit destijds heeft gedaan is weinig bekend. Bij de ontwikkeling
van het baggermaterieel hebben Nederlandse werven steeds
een belangrijke rol gespeeld, met name omdat in Nederland

verschillende grote werken werden uitgevoerd (droogmakerij-

en in de 17de eeuw. Nieuwe Waterweg, Zuiderzeewerken,

Deltawerken enz). Vanaf ca. 1875 heeft de bouw van bagger-
molens een grote vlucht genomen en omstreeks diezelfde tijd

zijn ook de zuigers ontwikkeld, terwijl in het begin van de 19-

de eeuw baggermolens werden gebouwd van het thans nog

gangbare type (met schuin liggende ladder).
Door de uitvoering van o.a. de hierboven genoemde grote
baggerprojecten verkregen de Nederlandse baggeraars ook
internationaal grote bekendheid. Werd de eerste fase van

het graven van het Noordzeekanaal (1865 – 1876) nog uitge-

als hulpmiddel bij het monetaire beleid een model – de

monetaire analyse – waarbinnen bepaalde passiva van

financiële instellingen een etiket opgeplakt krijgen, na-
melijk (in dit verband) spaargeld of liquiditeiten. Dit vindt

plaats volgens nauwkeurig omschreven en diep doordachte
definities. Kan men nu gegeven een actuele verdeling van het
liquide vermogen en blijvende binnen het model
met zijn
definities
een andere toerekening maken? Natuurlijk niet.

Is het dan mogelijk – het model uitbreidende door de actuele

verdeling af te laten hangen van het renteverschil – een

verdeling te vinden door te abstraheren van het lopende
renteverschil? Dat kan evenmin. Maar dan is een correctie-

procedure welke een andere verdeling impliceert dan de actuele in strijd met het model zolang dat met zijn defi-

nities van spaargeld en liquiditeiten gehandhaafd blijft. Of

zijn die definities gewijzigd? Is spaargeld soms alleen spaar-
geld als het bij een renteverschil van 1,2% op een spaar-

voerd door een Engelse aannemer, de latere grote projecten

werden door binnenlandse baggermaatschappijen gereali-
seerd. Internationaal gezien hebben de Nederlandse bagge-

raars Juist in die periode de Engelse baggerindustrie van de eerste plaats verdrongen. Brenda Horsfield en Peter Bennet

Stone geven hiervan het volgende relaas: ,,Consider the British
dredging industry, this was once one of the world’s best but it

is now completely overshadowed by the Dutch” 1). Met

betrekking tot de redenen voor deze terugval van de Britten

wordt het volgende opgemerkt: ,,The reasons are partly the

decline of the Clyde Shipbuilding industry in spite of inject-

ions of the sort of taxpayer’s money that would set the oceano-

graphers rolling in their boats. But a more important reason is

that public policy has never given the dredging industry
anything to do” 2).

In Nederland ligt de hier geschetste situatie anders, hoewel
de laatste jaren van de zijde van de baggeraars wordt aange-
drongen op verregaande overheidsmaatregelen. De overheid

is weliswaar nog steeds de belangrijkste opdrachtgever op de
binnenlandse baggermarkt, maar door diezelfde overheid

worden ook maatregelen genomen die juist de hoeveelheid

werk in het binnenland voor de baggerindustrie sterk negatief
benvloeden. Hierdoor dienen de baggeraars hun materieel

elders in te zetten of althans te proberen hiervoor elders

* De auteur is projectleider op een marktonderzoekbureau. Bij het
samenstellen van het artikel heeft hij gebruik gemaakt van gegevens
van de Vereniging ,,Centrale Baggerbedrijf” te Leidschendam,alsme-
de van de studie ,,Het internationale baggerbedrijf’, gepubliceerd in
het Jaarverslag van de Nationale Investeringsbank NV, 1976, blz.
38-49. Speciale dank is hij verschuldigd aan Drs. D. J. Hugenholtz
van het ,,Centrale Baggerbedrijf’.
Brenda Horsfield en Peter Bennet Stone,
The great ocean business.
Hodder and Sloughton, 1972, blz. 196.
Idem.

rekening staat? Want dat is dan de consequentie van het vast-
houden aan de correctieprocedure. Is enige toelichting nu niet
op zijn plaats over het waarom van dit curieuze criterium,

meer dan dat er sprake is van een ,,hypothetisch referentie-
kader dat men naar believen kan veranderen”?

Er is echter een ,,correctie”-procedure mogelijk zonder de

definities uit de monetaire analyse te laten vallen, namelijk
via de wijze zoals aangegeven in mijn artikel. Hierbij stelt

men slechts vast hoeveel liquide vermogen zich in een zekere

periode van de ene component naar de andere heeft ver-
plaatst. Niet meer, maar ook niet minder 3).

H. S. van der Knoop

Gemakkelijk valt aan te tonen dat mijn voorstel zowel het voor-raadeffect als het stroomeffect van de renteverandering omvat; het
liquide vermogen kan groeien zoveel het wil.

ESB 1-3-1978

219

emplooi te vinden. De markt in de andere Westeuropesc

landen (exclusief de landen van het Oostblok) vertoont echter

min of meer hetzelfde beeld als in Nederland, zodat ook de

baggerindustrie in die landen naarstig naar andere afzetgebie-

den zoekt voor haar ,,produkt”.

Thans is de situatie zo dat met name in het Midden-Oosten

en in de Latijnsamerikaanse landen veel baggerwerkzaam-
heden beschikbaar komen voor de internationale bagger-

industrie. Op de internationale markt heeft Nederland zich

een redelijke plaats weten te veroveren, maar dat is niet vol-

doende. Niet alleen heeft men op de internationale markt te

maken met concurrerende landen die eveneens voor hun mate-

rieel capaciteit proberen te verkrijgen (met name landen als

Korea en Japan), doch tevens dient rekening te worden

gehouden met een mogelijk opkomende baggerindustrie in de

verschillende opdrachtlanden zelf.

Economische betekenis van de baggerindustrie

Een groot aantal ondernemingen in Nederland houdt zich

bezig met het uitvoeren van baggerwerken, waarvan met

name de grote bedrijven deze werken ook internationaal

uitvoeren. De baggerindustrie in deze betekenis bood in 1975

werkgelegenheid aan zo’n 6.700 personen. Daarnaast zijn zo’n

3.000 personen werkzaam bij de gespecialiseerde baggerwer-

ven in Nederland. Het grootste deel van het benodigde

materieel wordt in Nederland gebouwd. Volgens de studie van

de NIB bedroeg de waarde van de investeringen in drijvend

materieel in 1975 naar schatting f. 400 mln., terwijl wordt

verwacht dat deze in de komende twee jaar op hetzelfde

peil zal blijven. Tevens wordt jaarlijks tussen f. 300 en f. 400

mln. besteed aan reparatie en onderhoud, hetgeen voor een

groot gedeelte door Nederlandse bedrijven wordt i.iitgevoerd.

De internationale activiteiten van de Nederlandse bagger-
industrie, leveren een niet onaanzienlijke bijdrage aan de

Nederlandse betalingsbalans. Voor 1975 werd deze bijdrage
in genoemde NIB-studie geschat op f. 1,6 mrd.
De Nederlandse baggermarkt

De omvang van de binnenlandse baggermarkt is de afge-

lopen jaren sterk teruggelopen. Indien de werkhoeveelheid

in 1970 op 100 wordt gesteld, is deze in 1971 nog tot 113

gestegen, doch daarna sterk teruggevallen tot 83 in 1972. In

1975 is de werkhoeveelheid nog slechts 60% van de hoeveel-

heid in 1970 (zie tabel 1).

Tabel 1. Werkhoeveelheic/ in Nederland. 1970- 1975 in %

(1970 = 100)
a)

Totaal
Sleep-
Zuigers
Molens
Drijvende
Bakken
generaal
hopper-
tussen-
zuigers
Stations

1970
100
25
41
10
2
22
1971 113
34
44
10
2
23 1972
83
IS
34 9
2
23
1973
71
18
26
6
2
19
1974
67
15
26
6 2
18
1975
60
19
19 5
1
16
976
60
16
21
4
2
17

a) Onder werkhoeveelheid woudt verstaan:
totaal aantal uren gewerkt
X aanbouwwaarde 1971.
totaal aantal uren in jaar
De aanbouwwaarde 1971 is de nieuwbouwwadrde op basis van het prijspeil van 1970 en
wordt bepaald door de capaciteit van het materieel.
Bron: vereniging Xentrale Baggerbedrijr.

De Zuigers, de sleephopperzuigers en de bakken namen in
1970 ca. 88% van de totale werkhoeveelheid voor hun reke-

ning en in 1975 ca. 90%. Relatief gezien daalde de werkhoe-
veelheid voor de zuigers het meest; daarna die voor de molens

en de drijvende tussenstations.

Uit tabel 2 blijkt, dat de werkhoeveelheid van het groot

materieel in de periode 1970- 1976 met bijna 50% daalde, van

het middelgroot materiaal met ruim 50% en van het kleiner

materieel met
50%.
Voor de hopperzuigers daalde de hoe-

veelheid werk met ca. 36%.

Tabel 2. Verloop van de werkhoe veelheid naar grootte-

klasse van de werktuigen (1970 = 100)

Totaal Klein
Middel- Groot
Hopper-
materieel
groot
materieel
Zuigers
materieel

1970
100
100
100
lOO
100
1971
113 102
109
102
138
1972 83
88
98 69 62
1973
71
70
74
47
72 1974 67
63
65
61
64
1975
60
47 52
39 79 1976 50
48
51
64

Bron: vereniging Centrale Baggerbedrijf.

Een verklaring voor de relatief sterke achteruitgang van

zowel het kleine als het grote materieel is het feit dat het kleine

materieel een gedeelte van de markt verliest aan ,,droog”

materieel (zoals draglines e.d.), terwijl de grote projecten,

waarop bij uitstek het zware materieel wordt ingezet, in

omvang zeer sterk zijn teruggelopen. Volgens het Centrale

Baggerbedrijf is een andere verklaring het feit dat het groot

materieel steeds meer in het buitenland wordt ingezet en in

toenemende mate door middelgroot materieel wordt vervan-

gen.

De binnenlandse baggerindustrie is zoals gezegd in belang-

rijke mate afhankelijk van de overheid als opdrachtgever. In

1970 werd bij een werkhoeveelheid van lOO 83% van de totale

binnenlandse markt in opdracht van rijk, gemeenten en

provincies uitgevoerd. In 1976 daalde dit aandeel tot 77%.

De overige werkzaamheden werden uitgevoerd in opdracht

van zand- en grindbedrijven, waterschappen, ruilverkavelin-

gen en particulieren.
In dezelfde periode daalde de werkhoeveelheid welke voor
rekening van de overige opdrachtgevers kwam van 17 in

1970 tot 15 en 13 in de jaren 1973 en 1974 en eveneens 13 in

1976. Op basis hiervan kan worden gesteld, dat het beleid
van de overheid de belangrijkste oorzaak is van het terug-

lopen van de binnenlandse markt. De werkhoeveelheid in Nederland is sterk beinvloed door

de daling van het aandeel van de havenwerken hierin (ruwweg
daalde deze werkhoeveelheid tot een kwart van die van 1970).

Voor haast alle andere sectoren kan een teruglopende hoe-
veelheid werk worden geconstateerd (opspuiten van terrei-

nen, wegenbouw, deltawerken). De werkzaamheden voor

vaarwegen en binnenhavens zijn evenwel met uitzondering

van 1971 en 1974, vrij constant gebleven. Een andere factor, die de binnenlandse vraag naar bagger-
werken beinvloedt is de sterk teruggelopen vraag naar nieuw

werk. De vraag naar onderhoudswerkzaamheden is eerst na

1973 iets afgenomen. Dat de vraag naar nieuw werk sterk is

gedaald, houdt verband met het feit dat grote projecten in
de loop der jaren hun voltooiing naderden (Deltawerken),

terwijl de overheid niet voldoende compenserende werkzaam-

heden liet uitvoeren. Dit laatste heeft te maken met infra-

structurele problemen waarmee de overheid wordt geconfron-

teerd, alsmede met problemen betreffende het milieu e.d.
De zeer sterke achteruitgang van het aantal uitgevoerde

baggerwerken heeft de bezettingsgraad van de in Nederland
aanwezige vloot sterk in negatieve zin binvloed. Volgenshet

jaarverslag van het Centrale Baggerbedrijf heeft een sanering

van de vloot door middel van sloop in 1973 en een massale
trek naar het buitenland niet kunnen voorkomen dat de

bezettingsgraad van de vloot in 19.76 op een uiterst bedenke-

lijk peil is gekomen. De daling geldt voor het grote en kleine

220

materieel; de bezettingsgraad van de hopperzuigers mag

volgens dezelfde bron in 1976 bevredigend worden genoemd.

In tabel 3 wordt voor de periode 1970-1976 een overzicht

gegeven van de bezettingsgraad van de in Nederland aan-

wezige vloot.

Tabel 3. Bezetting van de in Nederland aan ti’ezige vloot

inclusief overuren en ploegendienst; stil liggend gedeelte in %

van de in Nederland aanwezige vloot

1970
1971
1972
1973 1974 1975
976

Bezetting (%):
43
45
41
37
40
31
34
70
73
62 53
60
53
50
93
92 66 48
63
41
58

Klein materieel

……………..

Groot matcrieel

…………….
118
126
69 88
89
131
86

Middelgroot materieel

……….

Hopperzuigers

……………..

Totaal
.
……………………..
$1
86
61
57
64
62
58

Stil liggend (%):
62
61
65 69
66
73
72
48
47
55
60
53
60 62
43 43
56 67
57
68
62

Klein materieel

……………..
Middelgroot materieel

……….
Groot materieel

…………….
42
44
63
56
56 44
61
Hopperznigers

……………..

Totaal
.
……………………..
48 48
59
62 57
61
64

Bron: Vereniging Centrale Baggerbedrijf.

Hieruit blijkt dat de bezettingsgraad van het kleine materi-

eel in 1975 op 31% is gekomen en van het groot materieel op

41%. In 1970 waren deze percentages respectievelijk nog43 en

93, hetgeen vooral voor het groot materieel aangeeft dat de

vraag hiernaar bijzonder sterk is teruggevallen. Aangezien de

bezettingsgraden zijn gebaseerd op een normale werkweek in
enkele ploeg, kan door ploegendiensten en overuren een

bezetting van meer dan 100% worden bereikt (hopperzuigers

13
1%).
Voor de totale binnenlandse vloot is de daling vrij

spectaculair geweest, namelijk van 86% in 1971 tot 57% in

1973. In 1974 vond een lichte opleving plaats tot 64% doch in

1975 trad opnieuw een daling in tot 62%.
In tabel 3 wordt tevens een overzicht gegeven van het

percentage van de in Nederland aanwezige vloot waarop geen

beroep behoeft te worden gedaan. Stil liggen en de bezettings-

graad zijn niet complementair, zodat de som van beide boven

de 100% kan uitkomen.

In de loop der jaren is een steeds groter deel van de in

Nederland aanwezige vloot niet benut, hetgeen blijkt uit het

stijgende percentage van de vloot dat stil ligt. Ook hier voert

het klein materieel met 72% in 1976 de boventoon, terwijl de

overige materiaalgroepen een hoog percentage bereiken. Voor
de hopperzuigers is in 1975, na een stabilisatie over de jaren

1973 en 1974, een vrij grote daling ingetreden, doch het is
thans nog niet bekend in hoeverre deze verslechtering zich in

1976 heeft doorgezet.

De buitenlandse baggermarkt

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn geworden dat de in-

ternationale baggermarkt voor de Nederlandse baggeraars

van groot belang is geworden. Toch kon de expansie in het

buitenland niet bewerkstelligen dat de baggervloot volledig

emplooi kon vinden, daar de in het buitenland uit te voeren

werken niet altijd geschikt waren om het beschikbare materi-

eel in te zetten. Het Centrale Baggerbedrijf stelt zelfs dat de indruk bestaat dat verdere expansie alleen gerealiseerd kan

worden door het bouwen van voor de buitenlandse markt geschikt nieuw materieel. (Wat van de Nederlandse vloot

geschikt is om in het buitenland te worden ingezet, werkt daar

ook momenteel).

De in het vorenstaande geschetste situatie ten aanzien van
de bezettingsgraad van de in Nederland aanwezige vloot en

het percentage dat stil ligt, kan alleen worden verbeterd door

opdrachten in Nederland zelf, waarbij de centrale overheid

een belangrijke rol kan spelen. Daarnaast zijn wellicht binnen

Europa nog mogelijkheden aanwezig, doch de kansen daarop

zijn nauwelijks te schatten.

Bijna de helft van de ingeschreven vloot bevindt zich in het

buitenland (gerekend naar de aanbouwwaarde). Meer dan

driekwart van de totale ingeschreven aanbouwwaarde van de
sleephopperzuigers, bijna een kwart van de drijvende tussen-

stations, meer dan een kwart van de bakken, ongeveer 40%

van de baggermolens en meer dan 40% van de zuigers bevond

zich per ultimo 1975 in het buitenland (zie tabel 4). Het

percentage van de totale in het buitenland aanwezige aan-

bouwwaarde is dan ook sterk gestegen (van 29 in 1971 tot 50

in 1976) en zal wellicht in de toekomst nog verder toenemen.

Tabel 4. Aanwezig in het buitenland in % van de ingeschreven

viool
(aanbouwu’aarde)

1971
1972
1973
1974 1975 1976

Sleephopperenigers
46
59
65
71
76 70
22
26 28 37
43 49
Baggermolens

…………37
33
36
45
39
46
Drijvende

tnsscnstations
17
22
18
16
24 34

Zuigers

………………

Totaal
nerkttrigen:
32
38
42 50 54

Bakken

……………..18
20
20 23 26
25
Totaal generaal:

……….
29
34 38
45 49 50

Bron: Vereniging Centrale Baggerbedrijf.

Er is weinig concrete cijfermatige informatie voor handen,

waaruit het belang van de internationale baggermarkt voor de

Nederlandse baggeraars voldoende kan worden afgelezen.

Enkele jaren geleden werd de internationale markt geschat op

een totale waarde van f. 3 mrd., waarvan f. 775 mln, voor

rekening zou komen van de Nederlandse baggeraars (markt-
aandeel van
26%).
Volgens gegevens van de NABU (een

Nederlandse vereniging van bouwbedrijven met belangen in
het buitenland) steeg het aandeel van de Nederlandse bagge-

raars in internationale wateren. De waarde voor deze bagge-

raars in het buitenland zou in 1975 tot f. 1.230 mln. zijn
gestegen. De totale waarde van de door Nederlandse aanne-

mers in het buitenland uitgevoerde werken beliep in dat jaar
f. 3 mrd., zodat de baggeraars daarvan 41% voor hun reke-

ning namen, gevolgd door de aannemers van woningbouw-
projecten met 18%.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat in de jaren 1974 en

1975 de waarde van de door Nederlandse baggeraars in het

buitenland uitgevoerde werken met bijna 60% is gestegen.

Hoe echter de ontwikkeling na 1975 is geweest kan thans nog

niet worden aangegeven. Het is niet onwaarschijnlijk dat het

marktaandeel van de Nederlandse baggeraars sindsdien on-

der zware druk van de buitenlandse concurrentie op de inter-

nationale baggermarkt is komen te staan. Feit is dat de
activiteiten zich steeds verder verschuiven, daar de Europese

markt minder interessant is geworden als gevolg van onder
meer de toenemende concurrentie.

De internationale baggermarkt is niet voor alle Nederland-

se baggermaatschappijen toegankelijk. Alleen de grote onder-

nemingen zijn in staat te investeren in zwaar materieel dat in

vele gevallen speciaal voor buitenlandse projecten moét
worden ontworpen. Op de Europese baggermarkt daarente-
gen is wel plaats voor kleine ondernemingen, doch deze markt
wordt gekenmerkt door de reeds genoemde hevige concurren-
tie.

Samen ‘atti ng

Het hiervoor geschetste beeld van de Nederlandse bagger-

industrie is weinig rooskleurig voor zover het de binnenlandse

baggermarkt betreft. De bezettingsgraden van het materiaal

ESB 1-3-1978

221

Het Europees Sociaal Fonds,

een druppel

op een gloeiende plaat?

.

Europa-b ladwijzer

MR. C. A. CRISHAM

Onlangs werd de werking van het Europees Sociaal Fonds – een van

de voornaamste instrumenten waarover de Europese Gemeenschap beschikt

voor hei voeren van een communaulair werkgelegenheidsbeleid – voor

de tweede maal herzien. Sinds de oprichting van hei Fonds is de werk-

gelegenheidssituatie in de Gemeenschap volledig veranderd. In dit artikel

zal worden ingegaan op de nieuwe bepalingen en op de vraag in hoeverre

het herziene Fonds in staat is een constructieve rol te spelen bi/de bestrijding

van de huidige werkloosheid.

Inleiding

Het Europees Sociaal Fonds werd

opgericht krachtens artikel 123 van het

EEG-verdrag. Het heeft tot taak de te-

werkstelling en beroepsmobiliteit van

werknemers binnen de Gemeenschap

te vergemakkelijken en te bevorderen,

in het bijzonder door het verlenen van

bijdragen in de kosten van herscholing

en verplaatsing van werknemers. In 1971
werd het Fonds voor de eerste keer gron-

dig hervormd. De nieuwe regels werden

door de EG-Ministerraad vervat in een

basisbesluit en een aantal uitvoerende

verordeningen 1). Ook deze hervorming

ging uit van een hoge graad van werk-
gelegenheid in de Gemeenschap, zodat
het Fonds zijn steun op een aantal knel-
punten van traditionele probleemgebie-

den en categorieën kon concentreren.
Intussen is de stand van de arbeids-

markt in de lidstaten van de Gemeen-
schap diepgaand veranderd. Niet alleen

de perifere regio’s en bepaalde groepen

van werknemers zijn getroffen, maar

alle gebieden en groepen, inclusief ,,de

mannelijke werknemer van gemiddelde

leeftijd in de centrale gebieden van de

Gemeenschap” 2).

Zoals voorzien in het basisbesluit van

1971, is de Raad van de EG in 1977 over-

gegaan tot een tweede herziening van het

Fonds. In maart heeft de Commissie
aan de Raad een gedetailleerde serie

voorstellen voorgelegd 3). Een pakket

van nieuwe maatregelen werd op

20 december 1977 door de Raad aan-

genomen en trad in werking op 1januari

1978 4).

Noemenswaard is dat het Verdrag tot

oprichting van de Europese Gemeen-

schap voor Kolen en Staal een eigen, veel
omvattender systeem van steunver

lening kent dat de kolen- en staalindu-

strie van een bevoorrechte positie t.o.v.

andere sectoren verzekerd. In de oor-
spronkelijke opzet van dit artikel was

er niet in voorzien het EGKS-systeem
van steunverlening te bespreken, maar

gezien de huidige belangstelling daar-

voor i.v.m. de plannen tot steun aan

Hoogovens, die gedeeltelijk door de

EGKS wordt gefinancierd, wordt aan

het einde van het artikel enige aandacht

aan dit systeem gewijd.

De werkterreinen van het Fonds

Bij de eerste herziening van het Fonds

ontstonden aanzienlijke meningsver-

schillen tussen de lidstaten met betrek-

king tot de optimale besteding van de

middelen van het Fonds. Enerzijds

wensten sommige lidstaten (met name

Nederland) van het Fonds uitsluitend

een instrument te maken ter begeleiding

van het communautaire beleid dat op

verschillende terreinen werd gevoerd,

bv. op het gebied van de landbouw.
Anderzijds wenste Italië dat het Fonds

een meer autonoom instrument zou wor-

den en met name steun zou verlenen aan
die lidstaten die ten opzichte van de
andere een structurele achterstand had-

den. Deze strijd is uitgemond in een

politiek compromis, inhoudende dat de

bijstandsverlening van het Fonds in twee

t)
Zie
Pb..
1971, L28.
Zie
Derde verslag van de Commissie over
de werkzaamheden van het Europees Soci-
aal Fonds. blz.
70.
COM(77) 90 def.
Zie
Pb..
1978 L 337.

dat in Nederland (nog) aanwezig is, staan onder zware druk en
een toenemend gedeelte van de binnenlandse vloot ligt stil. De
redenen voor deze weinig florissante situatie zijn reeds aange-

geven.
Daar de Nederlandse overheid de belangrijkste opdracht-
gever van de binnenlandse baggeraars is, zal diezelfde over

heid de eerst aangewezene zijn om in de situatie verbetering te

brengen. De sanering in 1973 van de in het binnenland

aanwezige vloot en de expansie van de baggeraars op buiten-

landse markten, hebben niet kunnen voorkomen dat de

binnenlandse situatie is verslechterd. Ook van de Europese

baggermarkt kan op korte termijn weinig heil voor de hier nog

aanwezige overcapaciteit van de vloot worden verwacht, daar

de concurrentie vrij groot is en de omstandigheden in de ons
omringende landen weinig verschillen van de Nederlandse

situatie.
Voor de internationale baggeraars zal het eveneens moeilijk

worden om hun huidige vooraanstaande positie te handhaven

of te verstevigen. De omvang van de projecten wordt steeds
groter, zodat steeds grotere investeringen in materieel nood-

zakelijk zullen zijn, terwijl tevens de financiering van deze

grote projecten problemen kan gaan geven. Ook hier ligt een
taak voor de Nederlandse overheid. Het verstrekken van

kredieten of garanties kan het mogelijk maken grote projecten

in het buitenland aan te nemen en te financieren. Daarnaast

zal echter ook de Nederlandse ondernemer in het buitenland

veel gewicht in de schaal moeten leggen door zijn know-how

op het gebied van geavanceerd materieel en ervaringen met

grote projecten op het gebied van baggerwerken in zowel

binnen- als buitenland

A.A.M.M.
Tak

222

categorieën werd gesplitst. Deze cate-

gorieën werden in de artikelen 4 en 5

van het basisbesluit vermeld.

Op grond van art. 4 van het basis-

besluit kan het Fonds bijstand verlenen

a. wanneer de situatie op de arbeids-

markt wordt verstoord of dreigt te wor-

den verstoord als gevolg van maatregelen

die in het kader van het communautaire

beleid zijn getroffen of b. om gemeen-

schappelijke acties te steunen die ten

doel hebben de aanpassing tussen het

aanbod en de vraag naar arbeidskrach-

ten binnen de Gemeenschap beter te

waarborgen. Een specifiek besluit van de

Ministerraad is vereist om werkterreinen

voor de bijstand van het Fonds te

,,openen”. Tussen 1972 en 1976 heeft de

Raad een serie van dergelijke besluiten

aangenomen ten behoeve van de volgen-

de categorieën: personen die de land-

bouw verlaten om een beroep daarbuiten

te gaan uitoefenen; personen die werk-

zaam zijn in de textiel- en kleding-

industrie; migrerende werknemers; ge-

handicapten en jonge werknemers

onder de 25 jaar.

In art. 5 is kennelijk aan de wensen

van Italië tegemoet gekomen. Op grond
van deze bepaling kan het Fonds bijstand

verlenen wanneer de situatie op de

arbeidsmarkt beïnvloed wordt door

moeilijkheden die niet direct voort-

vloeien uit de werking van de gemeen-
schappelijke markt. Dit kan zowel be-

paalde gebieden betreffen als econo-

mische sectoren of groepen van onder-
nemingen. De bijstand van het Fonds in

deze gevallen kan met name worden ver-
leend als bijdrage in de strijd tegen lang-

durige en structurele werkloosheid en

ondertewerkstellïng. In tegenstelling tot

art. 4, is hier geen specifiek besluit van

de Raad vereist, met het gevolg dat

steunverlening op dit gebied een meer
permanent karakter draagt.

Zoals zo vaak het geval is bij een poli-

tiek compromis, is sinds 1971 voort-
durend zware kritiek uitgeoefend op

deze splitsing van de steunverlening, met

name door het Europees Parlement. In
de eerste plaats werd op de kunstmatig-
heid van het onderscheid tussen steun-

verlening op basis van art. 4 of art.
5
ge-
wezen: bijstand werd, bijvoorbeeld, ver-
leend aan gehandicapten en aan jonge

werknemers uit hoofde van beide be-
palingen. Voorts werd het een gevaar

geacht dat de schaarse middelen van het

Fonds door een te grote verspreiding

over te veel verschillende gebieden en

categorieën versnipperd zou raken.
Eveneens werd kritiek geuit vanwege de
moeilijkheden die de splitsing opleverde

voor een goed budgettair beheer van het

Fonds. Volgens het basïsbesluit moest een evenwicht bewaard worden tussen
de uitgaven voor de twee categorieën,

maar wegens de trage besluitvorming

van de Raad is de situatie ontstaan
waarbij enerzijds niet genoeg geld be-

schikbaar was om aan de vloed van aan-

vragen uit hoofde van art. 5 tegemoet

te komen, terwijl anderzijds gelden,

welke bestemd waren voor activiteiten in

het kader van art. 4, niet werden ge-

bruikt en zelfs werden geannuleerd. Aan

deze laatste hoogstbedenkelj ke situatie

is echter in de laatste jaren een einde ge-

komen, zowel vanwege de opening van

art. 4 – bijstandsverlening t.b.v. jonge

werknemers (sedert 1975) – als wegens

de algemene toename van de aanvragen

voor bijstand uit hoofde van beide
artikelen.

Ondanks deze kritiek heeft men in

1977 toch besloten het onderscheid

tussen de twee categorieën van steun-

verlening te laten voortbestaan. Wel

zijn in het kader van de nieuwe her

ziening een aantal maatregelen ge-

nomen die moeten leiden tot een meer

rationele en geconcentreerde besteding
van de beschikbare middelen.

In de eerste plaats is art. 5 geherstruc-

tureerd om het gevaar van accumulatie

te vermijden. Vrouwelijke werknemers

en jongeren kunnen niet meer genieten
van steun uit hoofde van art. 5, maar

zijn nu gebracht onder specifieke beslui-ten op basis van art. 4
5).
Gehandicapten

Deze rubriek wordt verzorgd

door het Europa Instituut
van de Rijksuniversiteit Leiden

blijven vallen onder art.
5.
Het besluit
uit hoofde van art. 4 dat vroeger voor

hen gold, vervalt echter. Logisch be-
schouwd, was het misschien wense-

lijker geweest om ook de categorie van

gehandicapte werknemers onder te bren-
gen in een specifiek besluit op grond

van art. 4 (zoals de Commissie heeft
voorgesteld). Dat de Raad deze weg ten

slotte niet bewandeld heeft, vindt waar-

schijnlijk zijn oorzaak in de wens

althans aan deze bijzondere kwetsbare

categorie van werknemers een perma-nente steunverlening van het Fonds te

verzekeren.

Een betere concentratie van de mid-
delen van het Fonds wordt nagestreefd

door in de nieuwe regels de nadruk meer

te leggen op de achtergebleven regio’s

van de Gemeenschap. De vroegere

regeling van het Fonds bevatte al bepalin-

gen ten gunste van deze gebieden: deze
bepalingen worden nu versterkt.
Uit hoofde van art.
5
kan de bijstand
van het Fonds o.a. verleend worden ter

oplossing van werkgelegenheidsproble-
men in gebieden met een achterstand

in ontwikkeling of waar de overheersen-

de economische bedrijvigheid achter-

uitgaat. Onder de oude regeling moest
60% van alle beschikbare kredieten voor

acties uit hoofde van art. 5 aan activi-
teiten in deze gebieden besteed worden;
met ingang van 1978 moet
ten minste
60% op deze wijze worden besteed, wat

een grotere manoeuvreerruimte ten

gunste van de regio’s geeft. Terwijl onder

de vroegere regels ten minste 50% van al
de beschikbare gelden van het Fonds aan
acties uit hoofde van art. 5 over het alge-

meen moest worden besteed, moet

voortaan bovendien de helft van alle

beschikbare kredieten (uit hoofde van

zowel art. 5 als van art. 4) worden ver-

leend ten behoeve van acties in de

achtergebleven gebieden van de Gemeen-
schap.

Deze accentverschuiving in de nieuwe

regeling van het Fonds ten gunste van
de regio’s is in zekere mate een bevesti-

ging van een al bestaande praktijk. Naar

de Commissie in 1976 constateerde 6)

werd op dat moment al 73% van de totale
begrotingsmiddelen van het Fonds aan-

gewend in achtergebleven regio’s van
de Gemeenschap.

Wat de definitie van achterge-

bleven regio’s betreft, zou hier moeten

worden opgemerkt dat de Commissie

(waaraan het beheer van het Fonds is
toevertrouwd) sinds begin 1975 is uit-

gegaan van de regio’s en zones die in

aanmerking komen voor bijstand van het

Europees Fonds voor Regionale Ont-

wikkeling. Dit Fonds, dat in 1975 werd

opgericht 7), heeft tot taak de lidstaten

bij te staan bij het corrigeren van de
belangrijkste in de Gemeenschap op
regionaal ge bied bestaande onevenwich-
tigheden door een bijdrage te leveren aan

investeringen in industriële en dienst-

verlenende activiteiten. Bijstand van het

EFRO kan echter alleen verleend wor-

den t.b.v. projecten in gebieden die al in

aanmerking komen voor regionale steun-
verlening van de lidstaten. Het zijn dus

niet de gemeenschapsinstellingen die be-
palen welke regio’s voor steun van het
EFRO in aanmerking komen, met het

gevolg dat het gevaar bestaat dat met

de behoeften van de minst bedeelde

regio’s niet voldoende rekening wordt
gehouden 8). Dit gevaar bestaat nu ook

indirect met betrekking tot de regionale

steunverlening van het Sociaal Fonds.

Vormen van bijstandsverlening

Tot nu toe zijn de middelen van het

Fonds alleen besteed ten gunste van

Overigens was de uitvaardiging van een specifiek besluit t.b.v. vrouwen omstreden.
In het bijzonder Nederland vermocht de
noodzaak van een specifieke interventie niet
in te zien. Nochtans werd dit besluit op het
laatste moment in het pakket maatregelen
van 20 december 1977 meegenomen, nadat
zelfs de Europese Raad – de topconferentie
van regeringsleiders – op de noodzaak van
een communautaire interventie had aan-
gedrongen.
Vijfde verslag over de activiteiten van hei
ESF.
blz. 3.
Verordening nr. 724175 van de Raad,
Pb..
1975 L73/l.
Zie daarover i.h.b. het verslag van de heer
Delmotte,
Zittingsdocumenien van hei EP,
nr. 35/77.

ESB 1-3-1978

223

activiteiten die tot doel hebben, de

beroepsopleiding en/of mobiliteit van

werknemers te bevorderen(ïn de praktijk

was ongeveer 90% van de middelen be-

steed aan opleidings- en omscholings-

activiteiten, de overige 10% aan ver-

plaatsingskosten enz.).

Een dergelijke beperking van de taken

van het Fonds vloeit niet noodzakelijk

voort Uit art. 123 EEG-verdrag, dat im-

mers aan het Fonds een zeer brede doel-

stelling verleent, nl. de verbetering van

de werkgelegenheid van werknemers in

de Gemeenschap.

De uitvoeringsregeling van het Fonds

zelf bevat echter vanouds een aantal met

name genoemde categorieën waarvoor

geen geldmiddelen kunnen worden

besteed, zoals investeringen en sociale-

zekerheidsuitkeringen. Bepalingen die

ook bij de jongste herziening van het

Fonds gehandhaafd blijven. Maar ook

wanneer men deze uitzonderingen in

aanmerking neemt, zouden in theorie

toch nog, binnen de doelstellingen van

het Fonds, meer vormen van bijstands-

verlening denkbaar zijn.

Het is pas door de huidige graad van

werkloosheid dat de Gemeenschaps-

organen zich bewust werden van de

noodzaak de vormen van steunverlening

van het Fonds uit te breiden, met name
ter wille van het behoud van bestaande

werkgelegenheid en het creëren van

nieuwe arbeidsplaatsen. In 1974 stelde

de Commissie nog vast dat het Fonds

een instrument van structuurbeleid was

en geen oplossing kon bieden voor de

zuivere conjuncturele aspecten van de

werkloosheid 9).
Het gevolg van deze ontwikkeling is

dat in de herziene regeling van het Fonds
een opening werd gemaakt voor het in-

voeren, naast de traditionele vormen,

van nieuwe soorten steunmaatregelen,

met name bestemd voor: a. de tijdelijke

handhaving van het inkomen van perso-
nen die werkloos zijn, wier bezigheid is

beperkt of opgeschort, of die in af-
wachting zijn van een opleiding of van

werk; b. de voorlichting aan en de

begeleiding van werkzoekenden; c. de

bevordering van de werkgelegenheid in

de probleemgebieden van de Gemeen-

schap.
Helaas zijn deze nieuwe steun-

vormen niet onmiddellijk van toepas-

sing; zij moeten op een niet aangeduid
later tijdstip door middel van een raads-
besluit verder omschreven en geconcre-

tiseerd worden ,,naar gelang” – zo

luidt de nieuwe bepaling – ,,van de ont-

wikkeling van de behoeften op de

arbeidsmarkt”.
Alleen een bescheiden bepaling, die

de mogelijkheid bevat tot bijstands-

verlening ter wille van het scheppen van

werkgelegenheid in de achtergebleven

regio’s is onmiddellijk van toepassing.

Volgens deze bepaling kunnen middelen
van het Fonds gedurende 6 maanden

gebruikt worden ter dekking van hoog-

stens 30% van de lonen die bedrijven

uitbetalen aan nieuw aangeworven

werknemers. De betrokken werknemers

moeten in het aanwervende bedrijf een

aanvullende beroepsopleiding krijgen

of ze moeten, door hun gebrek aan prak-
tische ervaring, niet in staat zijn de soort

arbeidsprestaties te leveren die anders

bij de aanwerving van hen mocht worden

verwacht. Het valt niet te verwachten

dat deze bepaling – gezien zijn beperkte

strekking en de nogal onduidelijke be-

gripsvorming – van veel praktische

betekenis zal zijn.

Men hoeft niet ver te zoeken naar de

oorzaak van de aarzeling van de ge-

meenschapsinstellingen om op grotere

schaal nieuwe vormen van steunver-

lening in te voeren: als men een verdere

versnippering van de middelen van het

Fonds wil vermijden, dan moet de in-

voering van nieuwe soorten steun ook

gepaard gaan met een forse stijging van

die middelen.

Met betrekking tot één categorie

werknemers, namelijk jongeren onder

25 jaar, heeft de Raad zich – althans

in beginsel – al verbonden tot het in-

voeren op korte termijn van nieuwe

soorten steun. In een mededeling die op

14 oktober 1977 aan de Raad werd voor-

gelegd 10), heeft de Commissie op de

zeer zorgwekkende toename van het aan-

tal jonge werklozen gewezen: in 1969-

1973 was het percentage jongeren op

het totaal aantal werklozen gemiddeld

26,5; in 1977 was dit 37,4; een percen-

tage dat in de huidige economische
situatie naar alle waarschijnlijkheid zal

blijven stijgen. In het kader van een

programma van urgente communautaire
acties ten behoeve van jonge werklozen,

stelt de Commissie voor dat de Gemeen-

schap, naast de al bestaande mogelijk-

heden tot steunverlening voor activitei-

ten op het gebied van de beroepsoplei-

ding en mobiliteit, ook a. een systeem
van premies in het leven zou roepen

voor het creëren van arbeidsplaatsen in

privé-ondernemingen en b. een bij-
drage zou leveren aan het creëren van
werkgelege nheids programma’s in sec-

toren van algemeen belang.
Uit de verklaring van de Raad van

Ministers (Sociale Zaken) van 28 okto-

ber 1977, blijkt dat deze in principe ak-

koord ging met het invoeren van nieuwe

vormen van steun. De Raad was echter

niet in staat om deze onmiddellijk be-

schikbaar te maken en heeft de Com-

missie gevraagd met concrete voorstel-

len te komen. Deze voorstellen zullen

zeer binnenkort aan de Raad worden

voorgelegd en zullen de bereidheid van

de Raad om aan de uitbreiding van de

steunvormen van het Fonds concrete

inhoud te geven, op de proef stellen.

Geen reden tot groot optimisme geeft

de verklaring van oktober 1977, waarin
de Raad stelt dat de nieuwe steunvor-

men ten behoeve van jongeren ,,binnen
het kader van de middelen die beschik-

baar zijn voor de interventies van het

Fonds” moeten worden gecreëerd.

Percentage van steunverlening

Vanouds wordt de bijstand van het

Fonds verleend naar rato van 50%vande

uitgaven voor activiteiten die door

overheidsdiensten of publiekrechtelijke

instanties worden uitgevoerd. Wanneer

de activiteiten echter door privaatrechte-

lijke lichamen worden uitgevoerd, is

de bijdrage van het Fonds gelijk aan

de uitgaven gedragen door de overheid

die de activiteiten waarborgt.
Deze regeling is een groot struikel-

blok gebleken voor de aanwending van

de middelen van het Fonds in de struc-
tureel zwakste regio’s van de Gemeen-

schap, omdat bij voorkeur in rijke

regio’s en groeisectoren wordt geïn-

vesteerd.
Bij de recente herziening is een be-

langrijk element van flexibiliteit inge-
voerd ten gunste van de meest achter-

gebleven regio’s. Voortaan wordt voor

activiteiten uitgevoerd in een aantal

prioritaire ontwikkelïngsregio’s, het bij-

standspercentage met 10 verhoogd.

Zeer verheugend is ook het feit dat de
vaststelling van de regio’s die voor het

verhoogde percentage in aanmerking

zullen komen niet aan de lidstaten

is overgelaten: deze regio’s zijn expliciet

genoemd in een raadsbesluit en zijn:

Republiek Ierland, Noord-Ierland,

Groenland, de Mezzogiorno en de

Franse overzeese departementen.

Voor activiteiten uitgevoerd elders
dan in de genoemde regio’s zal de oude

regeling blijven gelden. Nog niet vast-

gesteld is de hoogte van het bijstands-
percentage voor nieuwe vormen van

steunverlening: dit percentage zal ook

te zijner tijd door de Raad moeten wor-
den vastgesteld. Vermeldenswaard is

dat de Commissie in haar voorstellen

betreffende de herziening van het Fonds

een bijstandspercentage van 35 heeft

gesuggereerd.

Het beheer van het Fonds

Het beheer van het Europees Sociaal

Fonds is toevertrouwd aan de Com-

missie, bijgestaan door een raadgevend
Comité van het Fonds dat onder het

voorzitterschap staat van een lid van de

Commissie en samengesteld is uit
vertegenwoordigers van de regeringen

van de lidstaten en van de verenigingen
van werknemers en werkgevers. Omdat

de aanvragen om bijstand van het Fonds

door de nationale overheid moeten

Derde verslag over de werkzaamheden
van het ESF, blz. 70.
Jeugdwerkloosheid, Bull.
van de EG,
Suppl. nr.
4177.

224

worden ingediend, is een nauwe samen-

werking tussen de Commissiedienstenen

de betrokken nationale instanties nood-

zakelijk II).

Tegen de trage werkwijze van het

Fonds is al jaren veel kritiek gericht,

in het bijzonder door het Europees

Parlement. Weliswaar is er in de laatste
jaren een zekere verbetering gecon-

stateerd, maar de bijstandsverlening

blijft traag, terwijl in verband met

het steeds groeiende aantal aanvragen,

een soepel en snel verlopende admini-

stratieve afwikkeling steeds noodzake-
lijker wordt. De vertragingen waren in

de eerste plaats te wijten aan de inge-

wi kkeldheid van de administratieve
procedures, maar ook aan de late in-

diening door de lidstaten van (ook vaak

onvoldoende gefundeerde) aanvragen

om bijstand.

De meer welvarende lidstaten kon

het niet veel schelen dat ze lang moesten

wachten op de principiële goedkeuring

van de bijstand van het Fonds, of dat ze
weer lang moesten wachten op de uit-

eindelijke uitbetaling van de beloofde

bijstand. Immers, in die lidstaten gingen
de betrokken projecten door, zo nodig

met overheidssteun, en alle gelden die

later van het Fonds werden ontvangen,

waren meegenomen. In dergelijke geval-

len hadden de vertragingen dan ook geen

serieuze gevolgen: alleen maakten ze

een karikatuur van het uitgangspunt
van de hele regeling, nl. dat de steun-

verlening van het Fonds een echt aan-

vullend karakter moet hebben.

Veel ernstiger konden de gevolgen

zijn in lidstaten die afhankelijk waren

van de bijstandsverlening van het

Fonds voor het doorvoeren van be-

paalde projecten.

Nieuwe bepalingen opgenomen in het

kader van dc jongste herziening moeten

de doeltreffendheid van het Fonds ver

groten door de procedures te ver

gemakkelijken en te versnellen 12).

• Met betrekking tot de
indiening

van aanvragen
zijn een aantal nieuwe
maatregelen opgenomen. In de eerste

plaats zijn de bepalingen betreffende
het tijdstip van indiening veel strakker

geworden. Voorts moeten de aan-

vragen in principe gebundeld per bij-

standsterrein worden ingediend (een
bepaling die pas in 1980 van kracht

wordt). Tot dusver werden door ver

schillende lidstaten tientallen gelijk-

soortige aanvragen ingediend, per ini-

tiatiefnemer afzonderlijk, wat tot een
zeer tijdrovende behandeling door de

commissiediensten heeft geleid. Verder

moeten de lidstaten bij het indienen

van aanvragen een kwalitatieve en kwan-
titatieve beschrijving geven van de

context van de arbeidsmarkt waarin de

voorgestelde maatregelen gesitueerd

zijn. Deze bepaling moet, door het ver-

strek ken van achtergrondinformatie, de
Commissie helpen een oordeel over de
aanvragen sneller te bereiken en beter

te funderen. Ten slotte moet de Com-

missie aan de lidstaten niet alleen van

elke beschikking tot goedkeuring van

een aanvraag (zoals vroeger) kennis

geven, maar ook van elk negatief be-

sluit. Dit houdt een verbetering van

de positie van de initiatiefnemers in en

in sommige gevallen van de overheids-

diensten die vroeger niet wisten welk

gevolg werd gegeven aan hun aanvragen.

• Een andere manier om de bijstands-

verlening sneller en eenvoudiger te

laten verlopen is het verstrekken van

ware
voorschotten op
de toegekende
bijstand. Volgens de nieuwe regels

wordt voor ieder goedgekeurde aanvraag

een voorschot van 30% uitbetaald, zodra

de betrokken lidstaat bevestigt dat met

de activiteit een aanvang is gemaakt;

een tweede voorschot van 30% wordt

uitbetaald wanneer het project voor

de helft is uitgevoerd, en de eindaf

rekening volgt na de voltooiing van het

project en de indiening van verant-

woordingsmateriaal. Dit betekent een
aanzienlijke uitbreiding van de vroegere

mogelijkheden tot voorschotsverstrek-

king, en zal i.h.b. ten gunste komen van

de fiscaal arme lidstaten en gebieden

van de Gemeenschap.

• Met het oog op een vereenvoudi-

ging van de administratie van het Fonds,
en ook, op lange termijn, op een vermin-

dering van de kosten, wordt voortaan op

zo groot mogelijke schaal bijstand toe-

gekend op basis van
eenheidskosten
per persoon en per tijdseenheid. Vroeger
werd dit gedaan op basis van de wer

kelijke kosten van de activiteiten, wat

de noodzaak met zich bracht de aparte

kosten van iedere deelnemer aan een

project vast te stellen. De eenheidskos-

ten of normbedragen zullen door de

Commissie worden vastgesteld enerzijds
op basis van de aan haar door de be-

trokken lidstaat verstrekte informatie,

en anderzijds op grond van soortgelijke

activiteiten in dezelfde lidstaat waar-

voor de steun van het Fonds is verleend.

Het systeem van normbedragen is al

bekend in sommige lidstaten, waaronder

Nederland. Om de andere lidstaten
de gelegenheid te geven zich aan het

nieuwe systeem aan te passen, wordt

bepaald dat wanneer de Commissie
niet over genoeg gegevens beschikt om

eenheidskosten te kunnen vaststellen,

de bijstand voorlopig nog kan worden

verleend op basis van de werkelijke
kosten.

• Een verdere maatregel die aan de
werkwijze van het Fonds een grotere
doorzichtigheid zal geven, is de ver-

plichting die nu op de Commissie wordt

gelegd om jaarlijks vdör 1 mei de
rkht

snoeren
voor het beheer van het Fonds
bekend te maken. Deze richtsnoeren,

die de beleidslijnen van de Commissie
bij de selectie van aanvragen voor bij-

stand weergeven, hebben in de laatste
jaren steeds grotere betekenis gekregen

wegens de groeiende belangstelling

voor het Fonds en de noodzaak voor het

vaststellen van prioriteiten die .daaruit

voortvloeit. De Commissie heeft trou-

wens al uit eigen beweging de richt-

snoeren voor het jaar 1977 gepubliceerd

13). Expliciet wordt bepaald dat de

richtsnoeren met de economische en

sociale situatie in de Gemeenschap, met

name met de ontwikkeling op de arbeids-

markt rekening moeten houden.

• Ten slotte zijnde bepalingen inzake
de
controle en de resultaten van goedge-

keurde aanvragen aanzienlijk opgehel-

derd, met name wat betreft de verant-

woordelijkheid van de garant-lidstaat

voor het goede verloop van de activi-

teiten. De lidstaten moeten voorts de

feitelijke en boekhoudkundige juistheid

van de betalingsaanvraag – die na

afloop van de activiteiten wordt inge-

diend -. bevestigen. De Commissie be-

houdt het al geldende recht om zo

nodig ter plaatse steekproefsgewijze con-
troles uit te voeren. Waar bij controle

onregelmatigheden aan het licht komen,
kan de bijstand opgeschort, verminderd

of afgeschaft worden. In dergelijke geval-

len is de betrokken lidstaat, naast de

verantwoordelijke initiatiefnemer, sub-
sidiair aansprakelijk voor de terug te

betalen bedragen.

Conclusie

De jongste herziening van het Euro-

pees Sociaal Fonds heeft de volgende
resultaten bereikt:

• een rationalisatie van de werkterrei-

nen van het Fonds;

• een grotere concentratie van middelen

op de achtergebleven regio’s;

• de opening van een mogelijkheid tot
invoering van nieuwe soorten steun-

maatregelen vooral gericht op de be-

vordering van de werkgelegenheid;

• een duidelijke verbetering van de pro-

cedures van het Fonds die de bijstands-

verlening sneller en doorzichtiger

zal doen verlopen.

Op het eerste gezicht is de balans

van de herziening dus positief. Maar

geplaatst in de context van de huidige

werkgelegenheidscrisis moet men conclu-

deren dat de verbetering slechts een

marginale betekenis heeft. Als deze maat-

regelen vijf jaar vroeger – toen men

nog van een hoge graad van werkge-

legenheid kon spreken – waren ge-

troffen, dan hadden ze de doeltreffend-

heid van het Fonds aanzienlijk ver-

II) In Nederland worden alle aanvragen
voor bijstand van het fonds gekanaliseerd
door het directoraat-generaal Arbeidsvoor-
ziening van het Ministerie van Sociale Zaken.
Interessant is te constateren dat bepaalde
bestaande praktijken van de Nederlandse
overheid een aanzienlijke invloed hebben
gehad op de nieuwe regeling.
Pb..
1977 C 141/2.

ESB 1-3-1978

225

groot; nu zijn ze te beperkt en komen

ze te laat.
De gemeenschapsinstellingen hebben

de herziening dus niet benut om de

hele opzet van het Fonds zodanig te
transformeren dat het in staat is een

constructieve rol te spelen bij de bestrij-

ding van de werkloosheid in de Gemeen-

schap. Om dit doel te bereiken waren

veel radicaler maatregelen gewenst,

met name:

• Als onontbeerlijke voorwaarde: een

onmiddellijke forse stijging van de mid-

delen van het Fonds. Deze zijn weliswaar

sinds 1973 meer dan verdubbeld, maar

bedragen nog steeds geen 5% van de

totale begrotingsmiddelen van de Ge-

meenschap 14); voorts dekken ze gemid-

deld niet meer dan 6% van de activitei-

ten van de lidstaten op de werkterrei-

nen van het Fonds (ofschoon de invloed

van het Fonds per lidstaat wel verschil-

lend is). Gezien de tegenzin van de

lidstaten om meer middelen aan de

gemeenschapsi nstellingen beschikbaar te

stellen, zou ook de mogelijkheid van

nieuwe fi nancieringsbronnen moeten
worden onderzocht, b.v. het opnemen

door de Gemeenschap van leningen

op de internationale kapitaalmarkt 15).

• Ook na een forse stijging van de
middelen van het Fonds, blijft de nood-

zaak om deze middelen zo doeltreffend

mogelijk te concentreren. De herziening

van het Fonds heeft weliswaar nuttige,

maar niet voldoende vergaande stappen

in deze richting genomen. Het Fonds

kan alleen als een echte stimulans fun-

geren, als zijn middelen daar gericht

zijn waar de meeste behoefte bestaat.

Om een onnodige versnippering te vermij-

den, moet in de eerste plaats het kunst-
matige onderscheid tussen art. 4- en

art. 5-i nterventies worden afgeschaft;

daarna moeten alle middelen van het
Fonds op de meest behoeftige regio’s

worden geconcentreerd, en daarbinnen

op de zwaarst getroffen sectoren en

categorieën werknemers. De noodzake-

lijke prioriteitenstelling moet op com-

munautair niveau volgens objectieve cri-

teria plaatsvinden. Dit voorstel houdt

in dat het Fonds een
echt
Fonds wordt,

nI. het veronderstelt een werkelijke over

dracht van middelen van de rijke lan-

den aan de minder welvarende.

• De vormen van steunverlening van

het Fonds moeten onmiddellijk worden uitgebreid, zodat ook bijstand kan wor

den verleend aan activiteiten gericht op de

bevordering van de werkgelegenheid,
met name het behouden en creëren

van arbeidsplaatsen.
• Met het oog op de concentratie
van de middelen van het Fonds en

de diversificatie van zijn taken, doet
zich de noodzaak voor van een nauwe

samenwerking met de andere gemeen-

schappelij ke financiële instrumenten, met

name het Regionaal Fonds. Misschien

is de tijd zelfs rijp om de twee fondsen

in een Europees Werkgelegenheidsfonds

te fuseren, zoals Michael Shanks, oud-

directeur-generaal Sociale Zaken van

de Commissie, heeft voorgesteld 16).

Wel zou een dergelijke stap een funda-

mentele verandering vragen in de struc-

tuur van het Regionaal Fonds, dat

immers een meer intergouvernementeel

karakter bezit dan het Sociaal Fonds

en dat voorts ook opereert op basis

van een quota-systeem.

De volgende herziening van het Fonds

moet voor eind 1981 plaatsvinden. Het

valt te hopen dat, met het oog op

de waarschijnlijk voortdurende slechte

arbeidsmarktsituatie (om niet te spreken

van de aanstaande toetreding van nieuwe

lidstaten) de lidstaten de gelegenheid

zullen benutten om tot een echte herzie-

ning over te gaan.

De kolen- en staalindustrie

Het EGKS-systeem van steunverle-

ning, dat in art. 56 van het EGKS-

verdrag wordt geregeld, gaat ook uit

van een principieel onderscheid tussen

twee werkterreinen. Op basis van art.

56 lid (1) is de Commissie (Hoge Autori-

teit)
verplicht
de financiering te ver-

gemakkelijken van programma’s voor

het scheppen van nieuwe, gezonde, eco-

nomische bedrijvigheid in de regio’s

die getroffen worden door inkrimping

in de kolen- of staalindustrie. Tot 1960

kon dit alleen geschieden, indien de

invoering van nieuwe technische werkwij-

zen of van nieuwe industriële uitrusting

er de oorzaak van waren dat de werk-

gelegenheid in de kolen- en staalsector
sterk terugliep. Een beperkte wijziging

van het EGKS-verdrag in 1960, die

art 56 lid 2 invoerde, maakte het moge-
lijk dat deze steunverlening ook kon
geschieden, indien door diepgaande wijzi-

gingen in de afzetvoorwaarden van de

kolen- en staalindustrie welke niet recht-
streeks verband houden met de instelling

van de gemeenschappelijke markt, be-
paalde ondernemingen worden genood-

zaakt hun bedrijvigheid definitief te

staken, te verminderen of te wijzigen.

Het zal duidelijk zijn dat vooral deze
laatste mogelijkheid bij de huidige moei-

lijkheden van de staalindustrie van be-

tekenis is en veelvuldig toepassing vindt.

In tegenstelling tot het Europees So-

ciaal Fonds kan de steunverlening van

de EGKS niet alleen de vorm aannemen

van niet terugvorderbare hulp, maar

ook van leningen. In beide gevallen

kan de steunverlening alleen geschieden

als de betrokken lidstaat daarom ver-

zoekt. Niet terugvorderbare hulp wordt

alleen dan toegekend als de lidstaat
een ten minste gelijkwaardige bijzondere

bijdrage voor het voorgestelde hulppro-

gramma beschikbaar stelt, tenzij de
Raad met een meerderheid van
2/
een

afwijking van deze regel toestaat.
Leningen en niet terugvorderbare hulp
kunnen worden verleend niet alleen

ten behoeve van herscholings- en ver

plaatsingsprogramma’s, maar ook kun-

nen deze gelden ten goede komen aan een

gedeeltelijke vergoeding gegeven aan

werknemers die op herplaatsing wachten.

In gevallen die onder art. 56 lid 2

vallen, kan de steunverlening zelfs ver-

leend worden om uitkeringen te doen

aan ondernemingen, om de betaling

van hun personeel te verzekeren voor

het geval een tijdelijk ontslag noodzake-

lijk is door de wijziging in de werkzaam-

heden van die ondernemingen.

C. A. Crisham
In 1973 bedroegen de begrotingsmid-
delen van het Fonds 235 mln. RE, in 1977
617 mln. RE (1 RE = f. 3,62). Voor het be-
grotingsjaar 1978 zijn 538,8 mln. ERE be-
schikbaar gesteld (1 ERE = ca f. 2,80) op
totale uitgaven van meer dan 12 mrd. ERE.
De steunverlening aan de wederaan-
passing van werknemers in de kolen- en
staalsector (zie slot) is al lang medegefinan-
cierd door middel van leningen die de Com-
missie op de kapitaalmarkt opneemt. Een
dergelijke mogelijkheid bestaat in EG-ver

band nog niet. In december 1977 heeft echter
de Europese Raad (de topconferentie van re-
geringsleiders) het groene licht gegeven
aan de invoering van een nieuw financieel
instrument om
industriële investeringen
in
de Gemeenschap te bevorderen. Zie
Pb,
1978,
C 37/7.
Michael Shanks,
European socialpo/icy,
todai’ and tomorrow,
Pergamon press, 1977,
blz.
28.

Boek

ieuws

Fiscaal Memo, januari
1978.
Kluwer,
Deventer, 1978, 71 blz., f. 14.

Deze geheugensteun in zakformaat

bevat in beknopte vorm de nieuwste

fiscale feiten en cijfers. Alle gegevens

zijn gegroepeerd naar de verschillende

belastingwetten. Tevens geeft dit memo
informatie over het wettelijk minimum-

loon, de minimumjeugdloonregeling, vakantietoeslag, de individuele huur-
subsidie, officiële disconto’s en prijs-

indexcijfers van gezinsconsumptie.

De Belasting-Almanak
1978.
Elseviers

Weekblad, Amsterdam, 1978, 272 +

XXIV blz., f. 13,90.

Kluwers Belastinggids
1978.
Kluwer,

Deventer, 1978, 227 blz., f. 11.

Twee jaarlijkse gidsen voor het invul-

len van de aangiftebiljetten voor: de
inkomstenbelasting 1977, de premie-

heffing volksverzekeringen (AOW enz.)

1977, de vermogensbelasting 1978, het
vragen van vermindering van loon-
belasting 1978.

226

Bedrijfseconomie

Methodologische aspecten van

de theorie van de

ondernem ingsfinanciering

DRS. H. J. J. BRONSEMA

DRS. F. M. TEMPELAAR

Dii is hei eerste artikel over de ondernemingsfinanuering na de inleiding

die door Bouma op dii probleemgebied is gegeven t). In dit artikel, en in hei

erop aansluitende, zal worden ingegaan op hei meihodologische karakter

van de theorieën en modellen inzake de financierings- en invesierings-

problematiek van ondernemingen. De bespreking start tamelijk algemeen,

d.w.z. niet specifiek over de financiering; niet om voorgaande algemene

besprekingen in deze rubriek nog eens over ie doen, maar omdat het van

belang is een aantal begrippen en voorstellingen, die een rol spelen in de

erop volgende specifieke verhandelingen, opnieuw voor ogen te krijgen.

Inleiding

In de literatuur inzake de financiering

van ondernemingen is het gebruikelijk

het probleemgebied op te delen in een

aantal deel-vraagstukken 2): het investe-
ringsvraagst uk, het fi na ncieringsvraag-

stuk (,,in enge zin”) en het vraagstuk

van de dividendpolitiek. Veelal wordt het

vraagstuk van het werkkapitaal nog

apart hiernaast gesteld.

Is aldus de probleemomschrijving

steeds ongeveer gelijkluidend, de wijze

waarop de vraagstukken, en hun onder-

linge samenhangen, theoretisch worden

benaderd is daarentegen niet steedsge-

lijk. Zoals in het vervolg zal worden toe-

gelicht is het naar onze mening dienstig

in dit verband twee benaderingen van

elkaar te onderscheiden: een (neo-klas-

sieke) micro-economische benadering

en een gedragstheoretische benadering.
In dit artikel, en in het erop aansluitende,

zal dit onderscheid, gericht op de finan-
cieringsproblematiek, worden uitge-

werkt en toegelicht. Er zij overigens nu
reeds opgemerkt, dat dit onderscheid

betrekking heeft op de bedrijfseconomie

in het algemeen 3). Een aantal jaren ge-
leden is hierover in dit tijdschrift een
discussie gevoerd 4), waaruit de con-

clusie kan worden getrokken dat het
verschil tussen de beide benaderingen

kan worden gereduceerd tot een ver-

schil in methodologie en een verschil

in .,optiek” (een verschillend doel van

de analyse). We kunnen dit laatste ver-

schilpunt als volgt weergeven: de micro-

economische benadering is vooral ge-richt op marktprocessen en de uitkom-
sten ervan in evenwichtssituaties; de

gedragstheoretische benadering richt

zich vooral op beslissingsprocessen

in organisaties (ondernemingen) 5).

Dit onderscheid tussen marktgerichte

en ondernemingsgerichte benadering

speelt een belangrijke rol in de finan-

cieringstheorie. Dit zal aan de orde ko-

men in het vervolg-artikel. In het onder-

havige artikel gaan we eerst in op enkele

met hodologische aspecten van ,,de” fi-

nancieringstheorie. Daartoe worden in

de volgende paragraaf allereerst enige

methodologische begrippen besproken.

Theorievorming, afbeelding en

abstractie

,,Een theorie is een logisch samen-

hangend geheel van begrippen, uitgangs-

punten en wetten, dat betrekking heeft
op een bepaald verschijnsel of op een be-
paald conglomeraat van verschijnse-

len” 6). In de empirische wetenschappen
stelt een theorie ons in staat iets te zeggen

over de werkelijkheid. Een theorie is in

essentie een verzameling beweringen over (een deel van) de werkelijkheid.
De relatie tussen theorie en werkelijkheid

kan schematisch en vereenvoudigd wor-

den weergegeven volgens figuur 1 7).

Figuur 1.

Probleemscelling

(\
aeli
Afbeelding

/

Waargenomen
rseorie Model

)

werkelijkheid
,a)
implicaties

Toersing
(Toepassing)

Een essentiële stap in het proces van
theorievorming is het
qfbeelden,
de
vorming van een beeld van de waar-

genomen werkelijkheid, dat dient als

grondslag voor de analyse van die wer-

Zie
ESB,
23 november 1977. Een hierna
verschenen artikel van Bosman (zie
ESB,
25 januari 1978) dient in het kader van de
volgorde van de artikelen in deze rubriek
védr het artikel van Bouma te worden ge-
plaatst.
Vgl. bijvoorbeeld enkele gangbare leer-
boeken zoals: J. C. van Home,
Financial
management and policy,
Englewood Cliffs,
1977; J. F. Weston en E. F. Brigham,
Manageria/Jlnance,
Hinsdale (III.), 1975; J. L.
Bouma,
Leerboek der bedrijfseconomie.
Deel II, Wassenaar, 1971.
Het kwam in deze rubriek bijvoorbeeld
ook aan de orde in het kader van de com-
merciële bedrijfseconomie. Vgl. het artikel van Van Helden,
ESB.
6 oktober 1976; hij
geeft daarin onder meer een bondige be-
spreking van de beide benaderingen, toe-
gespitst op de prijsbepaling door onder

nemingen.
Tussen de auteurs Hartog, Nentjes en Bos-
man! Van Helden! Reuijl. Zie
ESB,
22septem-
ber 1971,24 november 1971 en 10, 17,24 en
31 januari 1973.
In de voorgaande artikelen in deze ru-
briek is de term ,,onderneming” vrijwel
niet gebruikt; er wordt voornamelijk ge-
sproken over ,,de organisatie”. Organisatie
kan zijn bedoeld als ,,het resultaat van Orga-
niseren” en duidt dan vooral op de relaties
tussen elementen en personen. De term is
echter in voorgaande artikelen ook veelvuldig
gebruikt om het (georganiseerde) geheel met
,,het lichaam” aan te duiden. In deze laatste betekenis beperken wij ons vooral tot orga-
nisaties die de kenmerken hebben van een
onderneming (vgl. J. L. Bouma,
Leerhoek
der bec/rijfseconomie.
deel IA, Wassenaar,
1968, blz. 27). Deze beperking is verklaarbaar
tegen de achtergrond van het vraagstuk van
de financiering. In het navolgende gebruiken
we dan ook de term ,,onderneming” en zul-
len het begrip ,,organisatie” alleen in de eerst-genoemde zin bezigen.
J. L. Bouma, tap., deel LA, blz. 94.
De figuur geeft een sterk gereduceerde voorstelling van de empirische cyclus van
wetenschapsbeoefening (ook wel: model-
cyclus). Zie voor een uitgebreide bespreking
van deze cyclus en alle nuanceringen die in de
figuur zouden kunnen worden aangebracht,
b.v.: A. D. de Groot,
Mei’hodo/ogie,
Den
Haag, 1970,, hfst. 1; of : A. Bosman,
Een
meiatheoriêiover het gedrag van organisaties.
Leiden, 1977, hoofdstuk 3.

ESB 1-3-1978

227

kelijkheid 8). Een dergelijk beeld bevat

de ,,wezenskenmerken” van de afgebeel-

de werkelijkheid, zoals die wordt ge-

zien. En deze vastgelegde kenmerken

vormen de basis voor de te formuleren

theorie of het model.
In dit verband zijn twee opmerkingen

gewenst. Ten eerste inzake het gemaakte

onderscheid tussen beeld en theorie/mo-

del. Dit onderscheid is kunstmatig en in

feite willekeurig: een theorie/ model
vormt ook een afbeelding van een wer-

kelijkheid. Het kan evenwel o.i. toch zin-

vol zijn een onderscheid, hoe vaag ook,

te maken. Beeld of afbeelding is dan in

onze opvatting het algemene begrip, dat
ook, en vooral, gebruikt kan worden om

de sterk gegeneraliseerde, als het ware

,,primitieve”, karakteristiek aan te geven
van de beschouwde verschijnselen, zoals
die worden gezien 9). Een theorie/model

duidt dan op een systematische, nader

aangevulde en ingevulde uitwerking

van het beeld, een uitwerking die con-

clusies omtrent de afgebeelde ver-

schijnselen mogelijk moet maken. Zo

zou men bijvoorbeeld het z.g. keuze-

theoretische paradigma kunnen be-

schouwen als een afbeelding van het

menselijke keuzegedrag die ten grond-

slag ligt aan vele economische theo-

rieën.

De tweede opmerking betreft de be-

grippen theorie en model. Deze be-

grippen worden in de literatuur door-

gaans onderscheiden, hoewel omtrent
de afbakening van de begrippen verschil-

lende opvattingen bestaan 10). In het

kader van onze bespreking zullen we de

termen door elkaar gebruiken: beide

betreffen een systematisch geheel van

beweringen, c.q. relaties, als ,,uitge-

werkte” afbeelding van de werkelijkheid.

Het afbeelden van de werkelijkheid,

c.q. het aanvaarden van een reeds voor-
handen beeld van de werkelijkheid, ge-

schiedt doelgericht. Een theorie wordt
uiteindelijk opgesteld met het oog op een

bepaalde probleemstelling, die aangeeft
wat men ,,aan de weet wil komen” (en

eventueel waarom). Een wezenlijk ken-
merk van afbeelden is abstractie, waar-

mee wordt gedoeld op het afzien van

niet-relevante factoren (variabelen). An-
ders gezegd: er wordt een selectie toege-
past van relevante factoren, kenmerken

van de waargenomen werkelijkheid.
Deze selectie zal uiteraard onder invloed

staan van de probleemstelling, die een

eerste afbakening moet kunnen geven
van eventueel van belang zijnde factoren.

Er blijven echter binnen het kader van
een bepaalde probleemstelling in prin-

cipe zeer veel mogelijkheden voor

abstractie. Elke abstractie betekent een

bewuste vereenvoudiging van een com-

plexe werkelijkheid; een geabstraheerd
beeld vormt per definitie een zekere

idealisatie van het origineel (het be-

schouwde deel van de werkelijkheid).
En de idealisatie in de afbeelding kan

als het ware ook ,,actief” (in tegenstel-

ling tot ,,passief”: het louter weglaten

van waargenomen factoren) worden aan-

gebracht, door het beeld bepaalde ,,be-

dachte”, ideaaltypische karakteristieken

mee te geven, die de bruikbaarheid ervan

voor de opstelling van theorieën ver-

hogen. De vraag welke vorm en mate van

abstractie aanvaardbaar is en welke

niet, komt in principe neer op de vraag

naar de houdbaarheid van de theorie

die uit het geabstraheerde beeld kan

worden ontwikkeld. We gaan thans niet

in op de problematiek rond de toetsing

van theorieën en modellen. We merken

slechts op dat de aanvaard baarheid van

een theorie mede zal kunnen afhangen

van het doel waarvoor deze is opgesteld.

Deze paragraaf dient vooral om de

cruciale rol te benadrukken die abstrac-

tie speelt in het proces van theorie-

vorming. Analyse van theorieën inzake

de ondernemingsfinanciering, zoals dit

artikel beoogt, impliceert dan ook on-

der meer een nader onderzoek van de

achter deze theorieën schuile nde abstrac-

tie.

De micro-economische benadering

De theoretische analyse van de

ondernemingsfinanciering is sterk ge-
worteld in de micro-economische

Deze rubriek wordt verzorgd door
de afdeling Bedrijfseconomie van de

Rijksuniversiteit Groningen

theorie inzake vermogensallocatie. Deze

theorie vormt een directe toepassing

van het neo-klassieke prijstheoretische

instrumentarium op vraagstukken van
allocatie van consumptie en investerin-

gen in de tijd II). Het gaat hierbij om
een marktgerichte theorie: het doel is een

evenwichtsanalyse van hoeveelheid en

prijs op de vermogensniarkt 12).

Het methodologische kenmerk van

deze theorie is dat van de positivistische

economie 13). Volgens deze wetenschaps-

opvatting dient de houdbaarheid van
een opgestelde theorie te worden beoor-

deeld aan de hand van het
voorspellende

vermogen
van de implicaties betreffende

de werkelijkheid, die uit de theorie zijn

af te leiden en niet op grond van het

realiieiisgeha/te
van de uitgangs-

punten waarop de theorie berust. De

toetsing (terugkoppeling naar de em-

pirie) vindt dus in principe niet plaats in
de afbeeldingsfase (vgl. figuur 1), maar

pas ,,aan het einde” van het proces van

theorievorming. Het beeld (de uitgangs-

punten van de theorie) wordt slechts

indirect getoetst, namelijk door middel

van de uiteindelijk eruit af te leiden

implicaties.
Volgens deze opvatting is het gebruik

van een ideaaltypisch beeld als basis
voor een theorie dus in principe vol-

strekt aanvaardbaar (mits de uiteinde-

lijke implicaties ervan de toets aan de

empirie kunnen doorstaan). Zo is het

beeld van de besluitvorming, de basis

van de micro-economische benadering,

één van een onbegrensde rationaliteit:

het beslissingsmechanisme is gedefi-

nieerd in de vorm van een verzameling

axioma’s 14) en het economische sub-

ject wordt aldus geacht een vaststaande

prefere ntiefunctie te maximaliseren,

gebruik makend van ,,terstond” aan-

wezige informatie omtrent alle denk-

bare alternatieven, en niet gehinderd

door enige rekentechnische beperking.

Een dergelijk beeld pretendeert evenwel

geenszins te corresponderen met feite-

lijke besluitvormingsprocessen in de

werkelijkheid. Het is slechts bedoeld als

een kunstmatige ,,constructie” die het

mogelijk moet maken in de theorie im-

plicaties af te leiden, die op zich wél cor-

responderen met de waarneembare

werkelijkheid. Een duidelijke illustratie

hiervan geven Fama en Miller, als zij de

theoretische toepassing van nuts-

functies toelichten 15):

,,Note that in the statement of the propositlon
we say that de subject behaves
as
?f
he were
maximizing the value of a utility function.
The economic theory of choice does
not

Deze voorstelling van zaken is erg simplis-
tisch. Er zijn fijnzinnige opmerkingen te
maken over de vraag wat eigenlijk ,,de wer

kelijkheid” is en of een onderzoeker (vooral
in de geesteswetenschappen) Ooit Îii staat zou
zijn
de
werkelijkheid waar te nemen in
plaats van
een
werkelijkheid, die is vervat in
een (subjectief) beeld. We stappen evenwel
lichtvoetig over deze problemen heen en be-
perken ons tot een gestyleerde presentatie, die o.i. toereikend is als basis voor de erop volgende bespreking van de financierings-
theorie.
Wij achten deze begripsbepaling voor ons
doel afdoende. Er zij echter vermeld dat er op dit punt een veel verfijnder voorstelling
van zaken (en bijbehorende terminologie)
mogelijk is. Vgl. bijvoorbeeld: A. Bosman,
t.a.p. hfst.
3,
waar onder meer het begrip
metatheorie wordt gebruikt. ln dit verband
speelt ook het gestelde in voetnoot
7
een rol.
Ook
zou
bijvoorbeeld aandacht kunnen
worden besteed aan het onderscheid tussen
wetenschappelijke en vô6r-wetenschappe-
lijke afbeeldingen.
Een doelmatige definiëring
is o.i.
te vin-
den bij Bouma, t.a.p., deel
1
A, blz.
94.
II) Zie bijvoorbeeld J. Hirschleifer,
invesi-
ment, inleresi and capital,
Englewood Cliffs,
1970,
bla. V
……
capital theory represents
an extension of economie analysis into the
domain of time and consequently of uncer-
tainty
Naast het genoemde boek van Hirshlei-
fer kunnen als voorbeelden worden ge-
noemd: E. F. Fama en M. H. Miller,
The
theori’
of
Jînance,
New York,
1972; C. W.
Haley en L. D. Schall,
The theory offinancial
decisions,
New York,
1973;
J. Mossin,
Theory
of
financial markets.
Englewood
Cliffs,
1973.
Een klassieke weergave hiervan is te
vinden in: M. Friedman, The methodology
of positive economics, in:
Essays in positive
economies,
Chicago,
1959.
Vgl. b.v. Fama en Miller, tap., blz.
5-1 1
en bla. 192-194.
Fama en Mifler, t.a.p., blz. 6 (cursiverin-
gen toegevoegd).

228

assert that the subject performs these
calculations on his utility function in
making his choices or even that the subject
knows that he has a utility function”.

Toegepast op financiële allocatie-

vraagstukken heeft de micro-econo-

mische benadering geleid tot theorieën

inzake evenwicht op de vermogens-

markt, hoogte van interestvoeten,

rentabiliteiten van beleggingen, enz.,

gebaseerd op nutsmaximerend gedrag

van de consument-belegger en perfectie

van de markt. In dergelijke ,,as if”-

theorieën streven ondernemingen naar

inaximalisatie van de markt waarde

van het eigen vermogen;
als zodanig

dragen ze bij tot een Pareto-optimale

allocatie van middelen – en leveren

daarmee hun onontbeerlijke bijdrage

aan de nutsmaximalisatie van de con-

sument. Op grond hiervan is een

,,financial theory of the firm” ont-

wikkeld, die beslissingsmodellen ver-

schaft inzake de eerder genoemde deel-

vraagstukken van de ondernemings-
financiering, consistent met de markt-

waarde-maximalisatiedoelstelling en
perfectie op de vermogensmarkt 16).

De gedragstheoretische benadering

De boven beschreven micro-econo-
mische benadering wordt onder meer ge-

kenmerkt door het gebruik van ver-

onderstellingen inzake de besluit-

vorming en de ,,context” waarin deze

plaatsvindt, die slechts weinig overeen
lijken te komen met de waarneembare

werkelijkheid hieromtrent, vooral als

we ons richten op afzonderlijke, speci-

fieke beslissingen in een onderneming.

Toepassing van deze benadering is dan
niet zonder meer mogelijk, omdat het

beeld niet past op de concrete beslis-
singssituatie. Vooral de discrepantie

tussen de vereiste en de aanwezige of

verkrijgbare beslissingsinformatie valt

hierbij op.
Er zijn dan ook in de literatuur inzake

de ondernemingsfinanciering naast het

micro-economische apparaat technie-

ken en beschrijvingen opgenomen, die

pretenderen te zijn afgestemd op actuele

beslissingssituaties. Men denke bij-

voorbeeld aan de z.g.,, ratio analyse”. Een dergelijk instrumentarium draagt

evenwel een sterk ad hoc karakter, een

verbindend theoretisch kader ontbreekt

hierbij veelal 17).

Er is echter naast de micro-econo-

mische benadering in de ondernemings-

financiering wel een alternatieve, c.q.

aanvullende theoretische benadering

aanwijsbaar. Wij doelen op de zich ont-
wikkelende toepassingen van de intern-
gedragsbenadering op financierings-

vraagstukken. De intern-gedragstheorie van de onderneming, vooral bekend ge-

worden door het werk van Cyert en

March 18), hanteert een afbeelding van

besluitvormingsprocessen in onder-

nemingen, die nauwer lijkt aan te sluiten

bij de waarneembare realiteit dan het

geschetste beeld volgens de micro-

economie. De beslisser wordt afgebeeld

als een persoon met een begrensde ratio-

naliteit, en de onderneming wordt ge-

zien als een organisatorisch samenstel

van (groepen) participanten (in tegen-

stelling tot de holistische organisatie-

opvatting van de micro-economie). De

conceptie van de begrensd rationele be-

sluitvorming onderkent het bestaan

van beperkte en onvolledige informatie

omtrent beslissingsalternatieven. Het

subject wordt verondersteld bij beslissin-

gen te streven naar het bereiken van een

of meer aspiratieniveaus (minimaal, c.q.

maximaal aanvaardbare waarden van als

doelstellingen beschouwde grootheden),
die mede onder invloed staan van de be-

slissingssit uatie.
Een belangrijk methodologisch ken-

merk van deze gedragstheoretische be-

nadering is het streven naar
validatie

van het beeld. Reeds in een ,,vroeg” sta-

dium van de theorievorming (en niet pas

,,aan het einde”) wordt een terugkoppe-
ling naar de waargenomen werkelijkheid

aangebracht, ten einde te bereiken dat

de karakteristieken die bij de abstractie
worden opgenomen in het beeld ,,zo

goed mogelijk” corresponderen met de

relevante aspecten van de waargenomen
werkelijkheid. Nu is ,,zo goed mogelijk”

een vaag en rekbaar criterium; relevant is

in de regel juist het probleem waarom het

draait bij het verklaringsproces (om

nog maar te zwijgen van het gestelde in

voetnoot 7). Het staat dus geenszins

vast of en in hoeverre met de terugkoppe-

ling het beoogde doel kan worden be-

reikt. Waar het echter om gaat is, dat

bewust wordt getracht zoveel mogelijk
,,controle” in te bouwen in het abstractie-

proces, ten einde een zo valide moge-
lijke afbeelding te krijgen. Het gaat bij

deze theorievorming niet alleen om het

genereren van houdbare voorspellingen,

maar ook, en vooral, om een beschrijving

en verklaring op te stellen die het moge-

lijk moet maken b.v. in interactie te

treden met het feitelijke proces, in dit

geval het beslissingsproces in de onder-
neming. Daarentegen is volgens de eer-

der gesc hetste afbeeldi ngsprocedure, die

schuil gaat achter de micro-econo-

mische benadering, de validiteit van de

afbeelding van het proces in principe niet

relevant, mits het uiteindelijke resultaat

dat uit dit theoretisch gespepificeerde
proces volgt maar correspondeert met de
waargenomen werkelijkheid. Als een

kunstmatig, ideaaltypisch proces ,,juis-

te” implicaties kan genereren, is daarmee

in feite de kous af.

Het is hierbij wel van groot belang
het verschil in probleemstelling van de

beide benaderingen in te zien. De micro-
economische benadering is gericht op de

,,eindresultaten” van beslissingsproces-

sen: wat blijkt uiteindelijk in termen van

(geaggregeerde) marktgrootheden? De

gedragstheoretische benadering is daar-

entegen vooral geïnteresseerd in de om-
standigheden en grootheden die van be-

lang zijn bij het feitelijke proces van de

organisatorische besluitvorming, en legt

dientengevolge sterke nadruk op een va-

lide afbeelding ervan. Het gaat dus niet

aan, de micro-economie een verwijt te

maken aangaande de gehanteerde af-

beelding: deze is niet bedoeld om op

correspondentie met de waargenomen

werkelijkheid te worden beoordeeld.

Wat dan wèl kan worden gezegd over

de vraag wanneer welke benadering,
in het kader van de ondernemings-

financiering, het meest geëigend is, zal

in het vervolg-artikel aan de orde komen.

Slot

Tot slot zij erop gewezen, dat het ver-

schil tussen beide benaderingen in deze

presentatie ter wille van de duidelijk-

heid nogal is geaccentueerd. In feite lig-
gen de zaken niet zo scherp, hetgeen

ook al bleek bij de laatste bespreking
van de methodologische kenmerken.

Het zal bij menig model in feite gaan

om een mengvorm. Dit geldt in het bij-

zonder voor de genoemde toepassingen

van de intern-gedragstheorie, die wat

betreft de ondernemingsfinanciering nog
in een beginstadium verkeren. Derge-

lijke toepassingen 19) hebben tot dus-

verre onder meer geleid tot planning-

modellen inzake de investeringsomvang van een onderneming en de financiering

ervan, gegeven een beperkt aantal alter-
natieven en rekening houdend met ver-

schillende, veelal conflicterende doel-
stellingen, die mede zijn gebaseerd op

andere dan financiële overwegingen.

H. J. J. Bronsema

F. M. Tempelaar

Een klassiek werk in dit verband is b.v.:
M. J. Gordon,
The investment,financing and
va/uwion
of
the corporalion,
Homewood,
1962. Een recente, interessante publikatie is:
K. J. Boudreaux en H. W. Long,
The basic
theori’
of
corporale finance,
Englewood
Cliffs, 1977.
Er dient, met betrekking tot de ratio-
analyse, overigens wel te worden gewezen
op pogingen de selectie van financiële ratio’s
theoretisch te funderen. Zie b.v. B. Lev,
Financial slalenlent anali’sis: a neii’ approach,
Englewood Cliffs, 1974.
R. M. Cyert en J. G. March,
,4
behavioral
iheori’
of
the jlrm.
Englewood Cliffs, 1963.
In eerdere artikelen in deze rubriek is door
Bosman een aantal kenmerken van dc ge-
dragstheoretische benadering besproken; zie
b.v.
ESB, 21
februari 1973, 11juli1973 en
8 augustus 1973. In deze presentaties speelde
naast de intern-gedragstheorie de systeem-
benadering een belangrijke rol. De nadruk
lag vooral op de specificatie van beslissings-
procedures en de onderlinge relaties tussen
beslissingen.
Zie b.v.: H. Willems,
Definanciëlestruc-
1uur en de verrnogenskosten in de in veste-
ringsplanning en de kostprijsberekening,
Lei-
den, 1965, hfst. VI; H.J.J. BronsemaenF. M.
Tempelaar, Doel programmering en de finan-
ciële structuur van de onderneming,
Maand

blad voor Accounianc’ en Bedrijfshuishoud-
kunde, mei/juni 1973.

ESB 1-3-1978

229

Esb

Mededelingen

Seminar ,,De smalle marges van het

management”

Op 13 en 14 april a.s. organiseert de

Stichting Bedrjfskunde een seminar
getiteld: ,,De smalle marges van het

management”. Sprekers zijn: Prof. Dr.

C. A. van den Beld; K. Fibbe; Prof. Dr.

M. P. Gans; Dr. Ir. J. H. E. Hessels;
Ing. J. Klevering; Prof. Dr. P. Kuin;

J. Lanser; Prof. Dr. K. J. Mulder;

Prof. Dr. M. Mulder.

Plaats:

Stichting

Bedrijfskunde,

Poortweg 6-8, Delft. Kosten: f. 900.

Inlichtingen: Ir. T. J. W. van der

Meulen en Mej. M. Berkelaar, Stichting

Bedrijfskunde, Poortweg 6-8, Delft,

tel.: (015) 56 92 54.

SUERF Monetaire dag

Op donderdag 16 maart a.s. zal onder

auspiciën van de Société Universitaire

Euro péenne de Recherches Financières

(SUERF) bij gelegenheid van het vijftig-

jarig bestaan van de Katholieke Hoge-

school Tilburg een ,,Monetaire dag”

plaatsvinden. Op deze dag zal vanuit

diverse gezichtspunten op economisch

gebied de monetaire politiek in een open

economie worden besproken. Inleiders:

Prof. Dr. H. W. J. Bosman; Prof. G.

Maynard; Drs. A. Szsz en Prof. Dr.

P. de Grauwe.

Inlichtingen en aanmelding: Mr. J. M.

W. Rietrae, Katholieke Hogeschool

Tilburg, Postbus 90153, Tilburg, tel.:

(013) 66 21 40 (voor 5 maart).

Congres ,,Toekomstdenken in het

openbaar bestuur”

Op donderdag 20 en vrijdag 21 april

a.s. vindt het voorjaarscongres plaats

van de Vereniging voor Bestuurskunde

over Toekomstdenken in het openbaar

bestuur”. Het thema is gekozen onder

meer naar aanleiding van het recente

rapport van de WRR
De komende 25

jaar, een toekomsiverkenning voor

Nederland.
Sprekers zijn: Drs. F. van

Vught, Drs. B. van Steenbergen, Dr.

D. van Houten, Prof. Dr. J. S. Cramer,

Drs. K. Vijlbrief, Drs. R. Ruiter,

Drs. M. Ernsting, Drs. F. Renssen,

Drs. J. B. D. Simonis en Drs. P. Glas-

bergen.

Plaats: Evert Kupersoord, Stichtse

Rotonde II, Amersfoort. Kosten: f. 215

(geheel verzorgd en met inbegrip van
de congresbundel) voor niet-leden en

f. 175 voor leden. Inlichtingen en aan-

melding: Verenigingssecretaris G. M.

Kersten, Duisterendijk 1, Wijhe (0v.),

tel.: (05729)21 51.

Symposium Energiebeleid en economie

Op woensdag 22 maart as. organiseert

het Dispuut Energievoorziening Delft

een symposium met als titel: ,,Energie-

beleid en economie”. Dit symposium

heeft tot doel enig inzicht te verkrijgen

in de invloed van een energiebeleid op

onze nationale economie. Sprekers zijn:

• Prof. Ir. D. G. H. Latzko: De energie-

voorziening;

• Drs. W. A. J. Bogers: Invloed van

de energieprijs op de nationale eco-

nomie;

• Dr. Ir. A. P. Oele: De energiebesl uit-

vormingsstructuur;

• Dr. J. W. H. Geerlings: Rol van de

overheid in de besparingsstimulering.

Plaats: TH Delft, Aula, Mekelweg 2,

Delft. Aanvang: 14.00 uur. Kosten: f. 25,

over te maken op giro 2252425, t.n.v.

Dispuut Energievoorziening Delft; stu-

denten en TH-personeel gratis. Inlich-
tingen en aanmelding: Dispuut Ener-

gievoorziening Delft, Rotterdamseweg

139a, Delft, tel.: (015) 78 54 06.

Bij het INSTITUUT VOOR ONDERZOEK VAN OVERHEIDSUITGAVEN te ‘s-Graven-

hage is plaats voor een

medewerker (econoom) (m/v)

Het Instituut is een onafhankelijke particuliere instelling, opgericht om door

wetenschappelijk onderzoek (ook in opdracht van derden) en door publikatie

van de resultaten daarvan, het inzicht in de financiële aspecten van het over-

heidsbeleid te vergroten en de belangstelling daarvoor te activeren.

Wij zoeken iemand die dit jaar of enkele jaren geleden zijn/haar doctoraal

examen economie heeft gedaan, veel belangstelling heeft voor wat er in de

sfeer van de overheid gebeurt en zich in staat acht om, na een inwerkperiode,

zelfstandig te werken.

Redactionele vaardigheid en het kunnen leggen van goede persoonlijke con-

tacten zijn belangrijk.
De arbeidsvoorwaarden zijn zoveel mogelijk gelijk aan die van een wetenschap-

pelijk medewerker van een universiteit.

Bij de vaststelling van het salaris wordt rekening gehouden met elders doorge-

brachte diensttijd.

Indien U belangstelling heeft, kunt U zich schriftelijk of telefonisch (070-645873

en 608436) . wenden tot de (plv.) directeur van het Instituut, Anna
Paulowna-

straat 58B te ‘s-Gravenhage.

230

STICHTING HET NEDERLANDS ECONOMISCH INSTITUUT TE ROTTERDAM

Het Nederlands Economisch Instituut (NEI) stelt zich ten doel door sociaal-

economisch onderzoek verantwoorde en in de praktijk uitvoerbare oplossingen
te vinden voor vraagstukken waarmee bedrijfsleven en overheid, in binnen- en

buitenland, worden gedonfronteerd.

De onderzoekingen zijn veelal kwantitatief van aard.

De afdeling Vestigingspatronen van het NEJ is in het bijzonder belast met het

onderzoek naar factoren die de ruimtelijke spreiding van economische activi-

teiten en de keuze van vestigingsplaatsen door specifieke bedrijven en instel-

lingen beïnvloeden.
Binnen deze afdeling is op korte termijn plaats voor een afgestudeerde

ECONOMIST(E)

Van sollicitanten wordt kennis van wiskundige en statistische methoden verwacht;
praktische beheersing van één of meer moderne talen strekt tot aanbeveling.

Inlichtingen over deze functie kunnen worden ingewonnen bij het hoofd van de

afdeling, Drs. W. T. M. Molle, tel. 010-1455 11, toestel 3764.

Volledige sollicitaties aan de algemeen secretaris van het NEI, Drs. P. J. Montag-

ne, Burgemeester Oudiaan 50, Rotterdam-3016.

– de rijksuniversiteit groningen vraagt:

• gewoon lector in de algemene

economie, onderdeel geldtheorie
(Vac.nr. 78021 6/0936)

bij de faculteit der Economische Wetenschappen.

De faculteit zoekt voor de bezetting van deze vacature een economist(e), bij voorkeur gepromoveerd, die belangstelling heeft voor en
ervaring heeft met Onderwijs en Onderzoek op het
terrein van de algemene economie, in het bijzonder op dat van de geldtheorie en het
geldwezen. Tevens wordt van de functionaris een
grondige kennis van en een open instelling t.o.v.
de verschillende stromingen binnen de geldtheorie verwacht. Betrokkene zal zijn/haar
onderwijs en onderzoek in eerste aanleg in nauwe
samenwerking met de hoogleraar en de
medewerkers van de sectie macro-economie
verrichten, terwijl wat het onderzoek betreft
daarnaast ook aan samenwerking met andere
leden van de vakgroep algemene economie wordt gedacht.
Tot aanbeveling strekt buiten de universiteit
verworven ervaring op het betrokken terrein.
Belangstelling voor de ruimere maarschappelijke
context van de eigen studieonderwerpen wordt op prijs gesteld. Betrokkene dient bereid en in staat te zijn een bijdrage te leveren aan

bestuurlijke taken

De honorering zal geschieden op grond van de
ministeriële richtlijnen inzake salarisinpassing van gewone lectoren. Het bruto salaris bedraagt minimaal
f
5713,— â
maximaal / 8194,— per maand.
Nadere inlichtingen kunnen worden ingewonnen
bij prof. dr. S.K. Kuipers, Faculteit der
Economische Wetenschappen ,Postbus 800,
Groningen. (tel. 050-115635 instituut, of
050-771 027 thuis) of bij de secretaris van deze
commissie, drs. B.S. Wilpstra (tel. 050-117502
instituut of 050-259759 thuis). Degenen die de
aandacht willen vestigen op mogelijke kandidaten
kunnen zich eveneens, liefst met curriculumvitae en lijsten van publikaties, tot beide genoemde
personen wenden.


sollicitaties:

Sollicitatiebrieven met curriculum vitae,
volledige lijst van publikaties en referenties
(namen, adressen en telefoon) moeten binnen
14 dagen na plaatsing gericht worden aan de direkteur van de Dienst Personeelszaken van• de Rijksuniversiteit, Postbus 72, 9700 AB
Groningen.

231

0
de rijksoverheid vraagt

hoofd afdeling bedrijfsadministratie en comptabiliteit

(mnl.jvrl.)
voc. nr. 7-281710936

voor het Centraal Bureau voor de Statistiek

De Afdeling Bedrijfsadministratie en Comptabiliteit, bestaande uit 25 medewerkers, verdeeld over de vestigingen Voorburg en Heerlen, houdt zich bezig met: samenstellen en bewaken van de begrotingen
;
samenstellen van de kostprijs-administratie
;
voeren van
de diverse financiële administraties.

Taak: bijdragen aan ontwikkelingen van het financieel beheersysteem en het doen
functioneren daarvan
;
initiëren en begeleiden van automatisering van. de financiële
administratie
;
onderhouden van contacten met o.a. de Ministeries van Economische
Zaken en Financiën, de Algemene Rekenkamer en de Centrale Accountantsdienst.

Vereist: voltooide ‘universitaire opleiding, bedrijfseconomische richting, b.v.k. met
keuzevak administratieve Organisatie
;
ervaring met geautomatiseerde administratie
bij overheidsinstelling(en).

Standplaats: Voorburg.

Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f5713,- per maand.

chef onderafdeling lOonstructuur en loonkosten
(mnl./vri)
vac. nr
. 8-433110936

voor het Centraal Bureau voor de Statistiek
t.b.v. de Hoofdafdeling Statistieken van Arbeid, Inkomen en Consumptie, Afdeling
Loonstructuur en Loonkosten

Bovengenoemde afdeling houdt zich bezig met het opzetten en uih’oeren van statistieken betreffende verdiende lonen, loonkosten e.d. door middel van enquêtes,
alsmede met de analyse van het verkregen materiaal.

Taak: Ieidinggeven aan een onderafdeling bestaande uit twee bureaus met in totaal 20 medewerkers. Dit houdt om, in: supervisie bij het opzetten van de statistieken;
aangeven van hoofdlijnen bij de uitwerking daarvan.

Vereist: voltooide universitaire opleiding b.v.k. in de economische wetenschappen of een op basis van studie en ervaring vergelijkbaar niveau
;
kennis van loonadministratie
en geautomatiseerde dataverwerking alsmede enige onderzoeks- en redactionele
ervaring strekt tot aanbeveling.
Standplaats: Voorburg.

Salaris: afhankelijk van leeftijd en opleiding max. f4933,- per maand.

wétenschappelijk medewerker
(mnl./vrl.)
vac. nr, 8-432210936

voor het Ministerie van Landbouw en Visserij
t.b.v. het Landbouw-Economisch Instituut, Afdeling Tuinbouw

Taak: verrichten van bedrijfseconomisch onderzoek op het gebied van de sierteelt.
Dit onderzoek omvat het analyseren en evalueren van ontwikkelingen in de sierteelt vanuit de gezichtshoek van het tuinbouwbedrijf en het begroten van nieuwe
bed rijfssystemen.

Vereist: diploma landbouwkundig ingenieur met keuzevak economie of doctöraal
examen economie met kennis van de tuinbouw.

Standplaats: ‘s-Gravenhage.’

Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f4933,- per maand.

Tel. inlichtingen worden verstrekt door ir. D. Meijaard, onder nr. (070) -61 41 61,
tst. 254.

Sollicitaties inzenden v66r 24 maart 1978.

232

Auteur