ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
esb
UITGAVE VAN
DE 9 NOVEMBER
1977
STICHTING HET NEDERLANDS 62eJAARGANG
ECONOMISCH INSTITUUT No. 3129
Energiescenario’s
Gaat in 1985 het licht uit? Of wat moeten we doen om het
brandend te houden? Dit waren de vragen die – wat meer
sophisticated -. aan de orde werden gesteld op de con-
ferentie die het Energieonderzoek Centrum Nederland on-
langs in Utrecht organiseerde over ,,scenario’s voorde Neder
–
landse energievoorziening”. Er was uitdrukkelijk geen sprake van voorspellingen ten aanzien van de Nederlandse energie-
voorziening, maar van scenario’s. Niet ,,hoe zal het zijn”,
maar ,,hoe zou het kunnen worden onder bepaalde veronder-
stellingen”, was de vraag die de verschillende sprekers zich
stelden. Daarmee is al direct de vrijblijvendheid van de
,,scenario-approach” aangeduid. Men kan onder zeer uit-
eenlopende veronderstellingen allerlei mogelijke toekomsten
schetsen (en dat werd gedaan), maar scenario’s op zich zijn
zinloos als er geen beslissingen over te volgen strategieën op worden gebaseerd.
De problemen met betrekking tot de energievoorziening
zijn bekend. Verscheidene studies (WAES, OESO, CIA)
hebben aangetoond, dat zich na 1985 tekorten aan primaire energiedragers gaan voordoen. De vraag naar energie blijft
sterk stijgen, ook al wordt een actief besparingsbeleid ge-
voerd. Het aanbod gaat stagneren. De OPEC-landen zullen
vrijwel zeker beperkingen aan hun olie- en gasproduktie op-leggen. Kernenergie Stuit op bijna onoverkomelijke politieke
bezwaren. Van alternatieve energiebronnen (zonne-, wind-,
geothermische energie enz.) valt voor het jaar 2000 geen toe-
passing op grote schaal te verwachten. De enige fossiele
brandstof die in grote hoeveelheden beschikbaar is, is steen-
kool. Toepassing van steenkool op grote schaal zou echter
vereisen dat tientallen of zelfs honderden nieuwe mijnen wor-
den geopend, een gigantisch transportsysteem wordt opgezet
en bevredigende oplossingen worden gevonden voor de af-val-, luchtvervuilings- en zelfs klimatologische problemen.
Om rond 1985 op grote schaal op steenkool te kunnen over-
schakelen, zouden reeds nu beslissingen in die richting
moeten worden genomen. Men is overigens al wel begonnen
met de bouw van met kolen te stoken elektriciteitscentra-
les en grote oliemaatschappijen baseren hun beleid erop,
dat steenkool de nieuwe evenwicht brengende energiebron
wordt.
De scenario’s die in Utrecht op basis van deze uitgangs-
punten werden gepresenteerd, liepen zeer sterk uiteen.
De verschillen waren vooral afhankelijk van de veronder-
stellingen die werden gemaakt ten aanzien van de mate van
economische groei en de mogelijkheden tot energiebesparing.
Aan de ene kant was er het hoge scenario voor West-Europa
van WAES 1) met een gemiddelde economische groei tot
1985 van omstreeks 4% en met een terughoudend over-heidsbeleid ten aanzien van energiebesparingen. Aan de
andere kant was er het ,,vergeten scenario” van Ir. T.
Potma 2) dat uitgaat van een stilstand van de economische
groei binnen enkele jaren en van een zeer veelomvattend
besparingsprogramma waaraan absolute prioriteit wordt
gegeven:
Potma komt tot een totaal binnenlands verbruik van
energie dat in 2000 ruim 30% lager ligt dan het verbruik in
1975. Daarmee was Potma’s scenario ongetwijfeld het meest
heroïsche en het is niet verwonderlijk dat veel vraag-
tekens werden geplaatst bij zijn veronderstellingen en
de manier waarop deze economisch zijn onderbouwd. Nu
moet worden vooropgesteld dat geen van de overige
scenario’s economisch onderbouwd was; slechts Potma
heeft daartoe een eerste poging gedaan. Niettemin is zo’n
onderbouw onmisbaar, wil een energiescenario enige reële
betekenis krijgen als hulpmiddel voor het uitstippelen van
strategieën en het nemen van daarop gebaseerde beslissingen.
Ik zal proberen in kort bestek enige problemen aan te geven
waarop men stuit bij het economisch funderen van een
energiebeleid op lange termijn.
Allereerst is van belang de ontwikkeling van de econo-
mische groei. Alom heerst er bezorgdheid over de lage groei-
cijfers van de laatste jaren. Door de oplopende werkloosheid
en de spanningen die ontstaan door de geringe stijging van
de beschikbare inkomens zal de bereidheid om een nulgroei
ingang te doen vinden, minimaal zijn. Dit geldt in nog veel
sterkere mate voor ontwikkelingslanden dan voor ontwik-
kelde landen. Dat binnen enkele jaren op wereldniveau aan
de economische groei op vrijwillige wijze een einde zal worden
gemaakt, moet dan ook uitgesloten worden geacht.
Hoogstens kan in ontwikkelde landen als Nederland een
zekere verschuiving in de waardering worden bereikt van
materiële naar immateriële welvaart (beter milieu, meer vrije
tijd enz.) zoals Potma bepleit, al is nog lang niet zeker
of voor een beleid in die richting op korte termijn de be-
nodigde consensus kan worden gevonden. In elk geval lijkt
men zich nog onvoldoende te realiseren, welke maatschap-
pelijke spanningen een rigoureuze afremming van de econo-
mische groei kan oproepen.
Een tweede punt van belang is het verband tussen econo-
mische groei en groei van het energieverbruik. Alle scenario’s
gaan uit van een positief verband. Daarbij wordt een geringe
substitutiemogeljkheid tussen energie en andere produktie-
factoren verondersteld. Naar mijn mening worden wat dit be-
treft belangrijke mogelijkheden nog niet voldoende onder
–
kend. Het moet mogelijk zijn in belangrijke mate energie in
het produktieproces te vervangen door andere produktie-
factoren als arbeid (thans overvloedig aanwezig), kapitaal (in
de vorm van energiebesparende investeringen) en inventivi-
teit (m.n. Potma verwacht hiervan veel). Daarvoor zal wel
meer inzicht nodig zijn in de energie-inhoud van allerlei pro-
dukten en in het totale energieverbruik van allerlei produk-
tieprocessen. De mate waarin de genoemde substitutie zal op-
treden, zal uiteraard samenhangen met de relatieve prijzen
van de betreffende produktiefactoren. Naar deze substitutie-
mogelijkheden is nog weinig onderzoek gedaan.
Een derde punt betreft de mogelijkheid van energie-
besparing. Hierbij is niet alleen de politieke bereidheid tot
het nemen van besparingsmaatregelen van belang, maar
meer nog wellicht het economisch rendement van bespa-
ringsinvesteringen, dat uiteraard weer afhankelijk is van
de prijs van energie. De hamvraag hierbij is, zoals con-
gresvoorzitter Dr. Ir. Hoog opmerkte, die van de pene-
tratiesnelheid van besparingen: hoe lang duurt het, voor-
dat een omvangrijk besparingsbeleid van de grond kan
komen en effectief is?
Het is jammer dat men aan deze essentiële vragen in
Utrecht nauwelijks is toegekomen. Immers, zolang daarover
niet meer duidelijkheid bestaat, kunnen geen beslissingen
worden genomen en kan men niet meer doen dan alle energie-
opties open te houden. En dat kost nogal wat economische
en maatschappelijke inspanning.
L. van der Ceest
Energy, global prospecis 1985-2000.
Report of the Workshop
on Alternative Energy Strategies, 1977.
Theo Potma,
Energiebe/eid me: minder risiko.
Amsterdam,
1977.
1097
Inhoud
ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
ESb
Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut
Drs. L. van der Geest.
Energiescenario’s ……………………………………..1097
Column
Verantwoordelijke
ondernemer,
door
Prof:
Dr. N. H. Douhen ….
1099
Prof: Dr. P. J. L. M. Peters:
De kernvraag blijft: in welke mate neo-keynesiaans, in welke mate neo-
klassiek
9
……………………………………………1100
Vacatures
…………………………………………….1103
Mr. J. M.
A.
Berkvens:
Reële loonvoet, produktie en werkgelegenheid ……………….1104
Drs. H. van der Laan:
Over de sectorale differentiatie van de reële arbeidskostenontwikke-
ling………………………………………………..1105
Drs. L. J. M. van den Ende en Drs. H. G. van Ge,nert
Inkomensprijzen en inkomensverdeling …………………….1110
Geld- en kapitaalmarkt
De betalingsbalans: enkele ontwikkelingen,
door Drs. Z. J. Ho/lestelle
1117
Ingezonden
Duurdere energie niet compenseren?,
door Dr. K. Zijlstra,
met naschrift:
Isonutscurven en vishengels,
door Dr.
A. A.
(le Boer ………….
1119
Boekennieuws
Dr. W. J. de Ridder: Liquiditeitsanalyse en liquid iteitsbeleid in de onder
–
neming,
door Prof Dr. J. L. Bouma ………………………
1122
J. Freear: Financial decisions in business,
door Drs.,J. Dijksma . . .
1123
Mededeling
……………………………………………1124
Bij de redactie van
ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
is plaats voor een
ADJUNCT-REDACTEUR-SECRETARIS
Voor deze functie wordt een jonge economist(e) gezocht met een
brede belangstelling. Hij/zij moet tot kritisch oordelen in staat zijn en
over een goede stijl beschikken. Zij die op korte termijn afstuderen,
kunnen ook solliciteren.
Eventuele inlichtingen kunnen worden verkregen bij Drs. A. de Wit,
tèl. (010) -1455 11, toestel 3771.
Sollicitaties met uitvoerige gegevens te richten aan Drs. P. J.
Montagne, algemeen secretaris van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut, Burg. Oudlaan 50, Rotterdam-301 6.
Redactie
Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. hierna, L. H. Klaassen, H. W. Lam bers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. van der Geest.
Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rotterdarn-3016: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
–
Tel. (010) /455 II, toestel37ûl.
Bij adreni’ijziging s. v.p. steeds adresbandje
meesturen.
Kopij
voor de redactie:
in twee voud,
getypt, dubbe/e rege/afstand, brede marge.
•
Abonnementsprijs:f
130,— per kalenderjaar
(md.
4% BTW): studentenj 88,40
(mci.
4% BTW), franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.
Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van slortings/giro-
accepikaart) op girorekening no. 122945, of op bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93.
Rotterdam, t.n. v. Economisch Statistische
Berichten te Rotterdam.
Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3.-
(mcl.
l%
BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t.n. v. Economisch Statistische Berichten
te Rot terdan met vermelding
van datum en nummer van het gewenste
exemplaar.
Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101′
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de
Regelen voor het Advertentiewezen.
Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut
Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
Rotterdam-3016; tel. (010) 14 55 II.
Onderzoekafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedr:jfs-Econornisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projecistudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek
Statistisch-Mathematisch Onderzoek
Transport- Economisch Onderzoek
1098
Prof Douben
Verantwoor-
delijke
ondernemer
Wanneer vertrouwde zaken verande-
ren en ter discussie staan, wordt men
zich vaak in korte tijd bewust van de
beperktheid die aan begrippen en doel-
stellingen ten grondslag ligt. Vooral de
concrete inhoud van sociaal-econo-
mische variabelen wil nog wel eens door
allerlei (belangen)groeperingen worden
verdedigd met argumenten die uit een
voorbije periode stammen. Toepassing
van nieuwe opvattingen in het maat-
schappelijke vlak heeft meestal dan ook
pas plaats, wanneer de beperktheid van
de bestaande invulling door veel dis-
cussie duidelijk is gemaakt en voor-
stellen voor een andere opvatting ook
vanuit ,,de praktijk” met klem worden
verdedigd. Dit laatste betekent grofweg,
dat er zich in de werkelijkheid allerlei
omstandigheden voordoen op grond
waarvan op zijn minst aannemelijk
wordt, dat de realiteit tot een herbezin-
ning dwingt. Wordt dit in ruime kring
ervaren, dan wordt de vertrouwde op-
vatting soms snel aan het wankelen
gebracht. Een kwestie die de laatste jaren in ons
land veel aandacht heeft getrokken, is de
verantwoordelijkheid van de onderne-
mer. Juist nu allerlei verschijnselen in
de economie ter discussie staan, is ook de Organisatie van de ondernemingsgewijze
produktie en de (maatschappelijke)
functie van de ondernemer in het zoek-
licht van de kritiek terecht gekomen.
Soms is zelfs gesproken van de ,,be-
twiste” ondernemersfunctie.
In deze maalstroom van sociaal-eco-
nomische veranderingen in het denken
over de onderneming is de relatie onder-
neming-maatschappij centraal komen te staan. Met name dé (invloed) van maat-
schappelijke veranderingen op het ge-
beuren binnen de onderneming heeft
veel belangstelling gewekt. Zozeer is het
zoeklicht daarop in de afgelopen jaren
gericht geweest, dat pessimisten wel eens
gezegd hebben, dat het einde van de
onderneming in zicht zou zijn. Eén van
de werkgeversorganisaties heeft daar
echter anders tegenaan gekeken, want
ongeveer twee jaar geleden gaf het Neder
–
lands Christelijk Werkgeversverbond
voor zijn leden een discussienota uit die
Ondernemen in verantwoordelijkheid
tot onderwerp had. Binnen deze organi-
satie is intussen een discussie op gang
gekomen die heeft geleid tot een samen-
bundeling van de opvattingen van deze
werkgevers in een nieuwe brochure:
Verantwoordelijkheden voor onderne-
ming en ondernemer.
Aanvaard wordt een model van orga-
nisatie van het economisch leven waarin
zowel de ideologie van het communisme
als die van het laissez-faire kapitalisme
wordt verworpen. Volgens de christe-
lijke werkgevers kunnen vrijheid en
sociale gerechtigheid onder geen van
beide stelsels worden bereikt; vandaar hun afwijzing. Ook deze ondernemers
is duidelijk geworden, dat de ,,verant-
woordelijke maatschappij” waarnaar
ook zij op weg willen,
geen automatish
resultaat is van het huidige produktie-
proces. Om dit doel te bereiken wordt
veel meer van de ondernemer en de
onderneming vereist dan continuïteit en
het voorzien in goederen en diensten die
de afnemers vragen.
Binnen de muren
van de onderneming zal de wijze waarop
de mensen concreet hun streven naar
welvaart invullen, dus vorm en inhoud
geven, ook tot uitdrukking komen.
Vooral de kwalitatieve aspecten die met de produktiefactor arbeid samenhangen,
vragen van de ondernemer steeds meer
aandacht. Het is niet zo verwonderlijk
dat ondernemers nu tot de conclusie
komen, dat de tijd definitief voorbij is
dat ondernemingen door opvoering van
produktie en produktiviteit ,,vanzelf”
de sociaal-economische doelstellingen
van de samenleving dienen. Nu een rede-
lijk hoge
produktie
per hoofd bereikt is,
gaan andere elementen van het zich wel
bevinden van de werknemers een hogere
prioriteit krijgen. Vandaar dat de toe-
komstige ondernemer er niet mee klaar
is, als hij zijn zaak goed draaiende weet
te houden.
In hoeverre bij een zeer groot aantal
ondernemers de gevolgen van de op
papier gezette doelstellingen bewust wor-
den meegevoerd in hun dagelijkse beleid
in de komende jaren, is ook voor het
NCW nog een open vraag. Toèh moet
een discussie zoals die onder een aantal
ondernemers van deze organisatie is ge-
voerd, niet worden onderschat. Alleen
al het publiceren van de resultaten van
de discussienota brengt dit werkgevers-
verbond in een kwetsbaarder positie –
gezien vanuit de eigen opstelling – dan
wanneer het resultaat van de debatten
binnenskamers zou zijn gebleven. Nu
kunnen de overige sociale partners, en
met name de werknemersorganisaties,
zich immers terecht beroepen op be-
paalde passages uit de brochure, wan-
neer kwesties als effectieve zeggenschaps-
verhoudingen, kwaliteit van de arbeid,
aanvaardbare inkomensverschillen, ei-
sen ten aanzien van het milieu, schaarste
aan grondstoffen en energie, en inter-
nationale arbeids- en welvaartsverdeling
aan bod komen. Volgens de brochure
kan de ondernemer die verantwoord wil
ondernemen, deze zaken niet langer als
randvoorwaarden beschouwen. Reke-
ning houden met deze vraagstukken in zijn ondernem ingsbeleid wordt onvol-
doende geacht; de verantwoordelijke
ondernemer zal daadwerkelijk moeten
meewerken aan de
oplossing
van deze
problemen.
Als dit alles serieus bedoeld is – en
waarom zou daaraan getwijfeld moeten
worden? – dan heeft de ondernemings-
gewijze produktie in ons land toekomst.
De kloof tussen brochure en praktijk zal
dan echter veel nauwer moeten worden
dan zij nu is; ondernemers én werkne-
mers dienen die vernauwing waar te
maken.
ESB9-Il-1977
.
1099
De kernvraag blijft: in welke mate
neo-keynesiaans, in welke mate
neo-klassiek?
PROF. DR. P. J. L. M. PETERS
De collegae Driehuis en Van der Zwan hebben in de afleveringen van
ESB
van 31 augustus en 7 september ji. scherpe
kritiek uitgeoefend op de analytische achtergronden met name van de recente nota’s van de commissies CECen CED.
bi passant moest ook het CPB, althans het intussen roemruchte Vintaf-model, het ontgelden. Aangezien zowel de
CEC- en CED-rapporten als de analysemethoden van het CPB zeer wezenlijk zijn bij de oordeelsvorming over het te
voeren beleid voor de komende vier of vijf jaar, provo’eeri het in soms scherpe bewoordingen gestelde artikel van
Driehuis en Van der Zwan tot discussie. In die provocatie is de eigenlijke betekenis van het artikel gelegen. Vandaar
dat ik graag gevolg geef aan de uitnodiging van de ESB-redactie om erop le reageren.
Liever zou ik zijn ingegaan opeen positiefgerichte bijdrage
van de auteurs tot de analyse van de huidige economische
problemen. Een dergelijke bijdrage ontbreekt evenwel te
enen male. Toch zou een zo afwijzende opvatting als Driehuis
en Van der Zwan over de ,,officiële” economische analyses ten
toon spreiden, iets positiefs vergen. Hun artikel bevat echter
in hoofdzaak een negatieve kritiek op de analyses en metho-
den van de genoemde instanties. Dat is onvoldoende, omdat
iedereen wel weet dat er aan welke methode en aan welk
model dan ook, allerlei bezwaren kleven. Het beleid – ten
dienste waarvan CEC, CED en CPB staan – kan op het
verhelpen daarvan door de strenge wetenschap niet wachten.
Het is zeker dat in de huidige tijd van snelle veranderingen op
het gebied van de technologie, de arbeidsverhoudingen, de
schaarsteverhoudingen, de algemene materiële welvaart enz.,
dat wachten vergeefs zou zijn en in elk geval te lang zou duren.
Degenen die met het beleid en de voorbereiding daarvan zijn
belast, gaan terecht alvast verder. Daarbij hebben zij de
wijsheid niet in pacht, ook al beschikken zij over de deskun-
digheid en ervaring van het nog steeds onovertroffen CPB.
Wel staat voor mij vast dat de door Driehuis en Van der Zwan
bekritiseerde commissies naar beste weten op grond van de
inzichten van het moment hebben gehandeld. Daarom be-
treur ik het dat de beide auteurs door enkele uitlatingen de
wetenschappelijke integriteit, althans de competentie, van de
al enkele malen genoemde instanties in het geding hebben
gebracht. Dit zou het klimaat voor een zakelijke discussie
kunnen verslechteren. Om daaraan in geen geval mee te wer-ken zal ik niet in detail ingaan op alle opmerkingen die Drie-
huis en Van der Zwan aan het adres van CEC en CED maken.
Evenmin zal ik hun kritiek op het Vintaf-model punt voor
punt onderzoeken. Het gaat immers niet om het gelijk of ongelijk van deze of gene op onderdelen van de analyse.
Belangrijker lijkt het om nog eens na te gaan wat het kernpro-
bleem bij de analyse van de economische situatie van het
ogenblik en van de economischê ontwikkeling voor de korte
en middellange termijn is, om vervolgens te bezien in hoeverre
de kritiek van Driehuis en Van der Zwan het kernprobleem
raakt. Voor dat doel zal een globale benadering toereikend
blijken te zijn.
Het gaat om de vraag naar arbeid
Eerst zij gezegd dat Driehuis en Van der Zwan een aantal
behartenswaardige opmerkingen maken. Zo onderschrijf ik
bijv. hun stelling dat de hoogte van het maximaal toelaat-
bare financieringstekort van de overheid nooit goed is
gefundeerd. Daarvoor is inderdaad de monetaire sector in alle
CPB-modellen te summier. Dat geldt niet alleen voor Vin-
taf. Verder zal iedereen het wel eens zijn met hun stelling dat
een sectormodel op zichzelf beschouwd de voorkeur zou
verdienen boven een macro-analyse. Dat spreekt voor zich-
zelf. De moeilijkheid is dat de bouw van een dergelijk decisie-
model, dat voorzien is van de noodzakelijke instrument-
variabelen, thans in Nederland nog (?) op statistische
problemen stuit.
Tegenover deze en andere verstandige opmerkingen van
Driehuis en Van der Zwan hebben zij het naar mijn mening
belangrijkste punt, dat in een kritische beschouwing over de
beleidsvoorbereiding stellig niet had mogen ontbreken, ge-
mist. De genoemde auteurs suggereren namelijk dat er thans
een aantal alternatieve (elkaar uitsluitende?) theorieën be-
schikbaar is, waaruit niet op objectieve gronden een keuze
zou kunnen worden gedaan. Naar mijn mening komt evenwel de actualiteit van het neo-keynesiaanse – neo-klassieke model
uit de statistische gegevens duidelijk naar voren. Dat hoop ik
in het hiernavolgende te laten zien.
Het uitgangspunt van alle betrokken beleidsinstanties is dat het sociaal-economisch beleid voor de korte en middel-
lange termijn vooral gericht dient te zijn op de bestrijding van
de werkloosheid en wel door middel van een vergroting van
de
vraag
naar arbeid. Aan een eventuele regulering van het
arbeidsaanhoc/ ten dienste van een anti-werkloosheidsbeleid
kan vanwege de vele op te lossen problemen pas veel later
worden gedacht.
Anti-werkloosheidsbeleid
is vooralsnog
identiek met
t’erkge/egenheidspolitiek.
Noodgedwongen ove-
rigens, omdat de kennis over de factoren welke het arbeids-
aanbod
bepalen nog maar zeer summier is. Dat geldt niet
alleen voor 1977, maar nog veel sterker voor de latere jaren,
waar het beleid vooral op gericht zou moeten zijn.
Wie een werkgelegenheidspolitiek op middellange termijn
wil voeren, behoeft in de eerste plaats inzicht in de factoren
welke hoofdzakelijk de vraag naar arbeid determineren. Het
is jammer dat Driehuis en Van der Zwan dit niet met zoveel
woorden als de kernvraag van de actuele economische analyse
aanduiden. Wel beschouwen zij de verschuiving van de neo-
keynesiaanse naar een neo-k lassiek-neo-keynesiaanse bena-
dering in de CPB-modeflen toch ook als een opmerkelijke
gebeurtenis. Daaruit valt af te leiden dat ook voor hen de
1100
specificatie van de vraagfunctie naar arbeid een centraal
probleem is: Immers, de kern van die verschuiving in de CPB-
modellen is juist, dat de vraag naar arbeid niet meer uitslui-
tend of in hoofdzaak door de effectieve vraag en in het
verlengde daarvan door de omvang van de produktie wordt
bepaald, maar dat tevens de beschikbaarheid van arbeids-
plaatsen in de vorm van kapitaalgoederen een belangrijke rol
speelt.
Een eenvoudige en weinig originele formule – die ook
verderop in mijn artikel van pas komt – kan helpen om een
en ander te verduidelijken. De betekenis van de symbolen is
als volgt:
jaarlijkse groeivoet van de arbeidsvraag in bedrijven;
k : jaarlijkse groeivoet van de beschikbare kapitaalgoede-
renvoorraad (proxy van het aantal beschikbare ar-
beidsplaatsen) in bedrijven;
y : jaarlijkse groeivoet van het produktievolume in bedrij-
ven;
a
y
: elasticiteit van de arbeidsvraag t.o.v. de produktie van
bedrijven;
a k : elasticiteit van de arbeidsvraag t.o.v. de voorraad kapi-
taalgoederen;
1aut autonome component in de groeivoet van de arbeids-
vraag van bedrijven.
Tussen deze grootheden kan het volgende, vooralsnog
tautologische verband worden gepostuleerd:
1 =ay.y+ak.k+laut
(1)
De bepaling in concreto van de parameters a
y
,
ak
en 1aut’
een moeilijke en omstreden aangelegenheid. De problemen
worden met name veroorzaakt, doordat de meting van het
volume van de beschikbare kapitaalgoederen via directe
waarneming onuitvoerbaar is. Daarvoor gelden niet alleen
statistisch-organisatorische doch ook fundamenteel-theoreti-
sche gronden. Niettegenstaande alle statistische en theoreti-
sche bezwaren is ook in het Vintaf-model de beschikbare
kapitaalgoederenvoorraad als proxy voor het aantal beschik-
bare arbeidsplaatsen voor een reeks van jaren berekend.
Daarvoor waren een groot aantal veronderstellingen, deels
ook van micro-economische aard, nodig waarvan per stuk
bekeken het realiteitsgehalte niet zo groot lijkt. In elk geval
werden de bedoelde veronderstellingen niet of nauwelijks aan
de werkelijkheid getoetst. In dit verband denk ik bijvoorbeeld
aan de afstootconditie van onrendabel geworden kapitaalgoe-
deren, aan de veronderstelde aard van de technische vooruit-
gang, aan de aangenomen constantheid van de technische
vooruitgang over een lange reeks van jaren, aan de aanname
voorts van de constante kapitaaIcofficint en in het verleng-
de daarvan aan het abstraheren van technologische substitu-
tiemogelijkheden, het min of meer uit de lucht gegrepen
schema van de technische slijtage enz.
Driehuis en Van der Zwan hebben ongetwijfeld gelijk als zij
stellen dat de genoemde en eventueel ook nog andere veron-
derstelde mechanismen op micro-niveau niet, of op een
andere manier dan in Vintaf is aangenomen, functioneren.
Ook naar mijn mening is een al te vergaande micro-economi-
sche interpretatie van een globaal macro-economisch model
zoals Vmtaf is, misleidend en overbodig. Het Vintaf-
model is niet meer dan een
algoritme,
waarmee een hypotheti-
sche kapitaalgoederenvoorraad kan worden berekend, die,
ingezet bij de schatting van de coëfficiënten van een arbeids-
vraagfunctie, waarvan formule (1) een voorbeeld is, een
plausibele en significante verklaring in statistische zin van de
vraag naar arbeid oplevert.
Dit alles neemt niet weg, dat we om de belangrijkste
hypothese die in het Vintaf-model steun vindt, nI. dat er
gedurende de jaren tussen 1960 en 1975 een aanzienlijke
verkorting van de economische levensduur en bijgevolg een
versnelling van de afstoot van outillage zou zijn opgetreden,
moeilijk heen kunnen. Tot deze conclusie kom ik op grond
In
ESB
van 31 augustus en 7 september jI.
stond het artikel van de hoogleraren Driehuis
en Van der Zwan, ,,De voorbereiding van het
economisch beleid kritisch bezien”. De redactie
nodigde een aantal deskundigen uit op dit artikel
te reageren, waarna Dr. Driehuis en Dr. Van der
Zwan een naschrift zullen schrijven. In
ESB
van
19 oktober was de reactie van Prof. Dr. A. J.
Vermaat opgenomen, in
ESB
van 26 oktober
de reactie van Prof. Dr. T. Kloek. Deze week
wordt afgedrukt de bijdrage van Dr. P. J. L.
M. Peters, hoogleraar economie aan de Katho-
lieke Universiteit van Nijmegen.
van onderstaande analyse waarbij het aantal niet-getoetste
veronderstellingen van micro-economische aard aanzienlijk
kleiner is dan in Vintaf. De enige noodzakelijke veronder-
stelling is dat in de jaren tussen 1960 en 1975 de economische
levensduur gestaag – ik heb aangenomen volgens een lineaire
rij – is gedaald. Daarbij kan in
eerste instantie
de vraag open
blijven, in hoeverre de veronderstelde gestage daling van de
economische levensduur van de kapitaalgoederen, in causaal
verband kan worden gebracht met de eveneens gestage stij-
ging van de reele arbeidskosten, tot uitdrukking komend
bijvoorbeeld in de ontwikkeling van de AIQ in die jaren. Ik
kom daarop nog terug.
Schatting van de vraagfunctie naar arbeid
Door mij uitgevoerde berekeningen wezen Uit dat de beste
,,statistische aanpassingen” van de vraagfunctie naar arbeid
in bedrijven kan worden verkregen, indien men ervan uitgaat
dat in 1960 de berekende economische levensduur van
kapitaalgoederen gemiddeld 20 jaar bedroeg om in de loop
der jaren – geleidelijk dalend – in 1975 een waarde van
ca. 16 jaar te bereiken. Als ,,beste” veronderstelling ten aan-
zien van de technische levensduur van de kapitaalgoederen
gold een halveringstijd van 17 jaar. Dit betekent dat door
allerlei uitval om niet-economische redenen, van een jaar-laag van kapitaalgoederen, de helft na 17 jaar teloor is ge-
gaan 1).
Rekening houdend met dit technisch afschrjvingsschema
kan op ieder tijdstip worden berekend welk gedeelte van de
bruto-investeringen die véôr het bedoelde tijdstip werden
gedaan, nog over is. De kapitaalgoederenvoorraad in 1960
kan dan worden berekend door de twintigjarige voortschrij-
dende som te nemen van de in 1960 nog resterende investerin-
gen van vôôr dat jaar. Deze procedure is vervolgens herhaald
voor 1961, 1962 enz., zij het dan dat de periode waarover de
1) Op aanvraag kan in beperkte mate een researchmemorandum met
een precieze beschrijving van de aanpassing van de vraagfunctie naar
arbeid worden toegestuurd. De volgende reeksen werden bij de aan-
passingen gebruikt.
Jaar
1961
1962 1963
1964 1965
19&
y
………………………
3.4
0.3
4.3
0.0
4.0 8.9 9.9
8.2
5.8
7.0
2.8
6.
967
1968
1969
1970
1971
1972
1973
1974
197
5,8
5.5
6,9
6.5
6,8
5.9
7.1
7.9
4.0
5.7 3.6 3.2
6,1
4.4
2.1
4.8
—t.
3.
Bron: y: CPB. Occasional Papers. nr. 12.
k: eigen berekeningen.
ESB9-1l-1977
1101
voortschrijdende som van de bruto-investeringen moet wor-
den berekend, van jaar op jaar korter moet worden genomen.
In 1975 bedraagt deze periode, zoals gezegd, ca. 16 jaar. Al-
dus ontstaat een tijdreeks die het verloop van de berekende
kapitaalgoederenvoorraad tussen 1960 en 1975 beschrijft.
Deze tijdreeks kan vervolgens dienen voor de schatting van de
vraagfunctie van arbeid. Het resultaat was als volgt:
1=0,12
y
+O,139 k.-2,57
(2)
De correlatie-coëfficiënt R had de hoge waarde van 0,925,
terwijl de regressie-coëfficienten op het
5%-niveau
significant
waren. Ook overigens (multicollineariteit, autocorrelatie
e.d.) was de aanpassing naar gangbare econometrische maat-
staven in orde. Frappant was verder dat de statistische fit op
basis van mijn zeer eenvoudige schema bij de berekening van
de kapitaalgoederenvoorraad in statistisch opzicht beter was
dan op basis van de berekende kapitaalgoederenvoorraad in
Vintaf. Te vermelden valt verder dat het significantieniveau
van a.k (= 0,39) hoger was dan van a (= 0,12). Prettig
is ook dat alle geschatte coëfficiënten het theoretisch juiste
teken hebben: de arbeidsvraag neemt toe, indien produktie-
volume en kapitaalgoederenvoorraad stijgen. Vanwege de
voortdurende stijging in de arbeidsproduktiviteit dient de
autonome component in de arbeidsvraag inderdaad negatief
te zijn. Overigens blijken de verkregen resultaten weinig
gevoelig te zijn voor veranderingen in het technische en eco-
nomische levensduurverloop (zie ook Mr. Berkvens,blz. 1104
van dit nummer van
ESB).
Om niet in een eerder gewraakte fout van een al te vergaan-
de interpretatie (hinein) te vervallen, lijkt het beter het hier
maar bij te laten. Vastgesteld zij dat (2) een vraagfunctie naar
arbeid is die aan gangbare econometrische criteria voldoet,
die ook een goed theoretisch fundament heeft, terwijl voorts
de orde van grootte van de geschatte parameters in overeen-
stemming is met de schattingen van anderen, evenals met
globale directe waarnemingen.
Wie evenwel de bovenstaande relatie grosso modo accep-
teert, moet ook erkennen dat de groei van de beschikbare ka-
pitaalgoederenvoorraad weliswaar niet de enige, maar wel een
dominerende determinant voor de ontwikkeling van de ar-
beidsvr’aag is, ook in de jaren 1974 en 1975, niettegenstaande de al of niet vermeende onderbezetting van de outillage in die
jaren.
Interessant is de toepassing van de gevonden vraagfunctie
naar arbeid ten behoeve van de prognose van de arbeidsvraag voor 1977 en, 1978. Daarbij ben ik uitgegaan van de investe-
ringsvolumina voor die jaren alsmede van de groeicijfers van
de produktie van bedrijven, zoals die vermeld staan in de
MEV 1978.
Verder heb ik aangenomen, dat ten gevolge van de
matiging in de reële arbeidskosten, die na 1975 is geëffectu-
eerd, de economische levensduur van de kapitaalgoederen na
dat jaar constant is gebleven. Onder die omstandigheden kan
voor 1977 en 1978 een
daling
van de arbeidsvraag worden ver-
wacht van resp. -0,62 en -0,69%. Dat is aanzienlijk pessi-
mistischer dan de verwachtingen volgens
MEV 1978
voor die
jaren: resp. 0% en -0,5%.
Onderbezetting
Moet er bij dit alles dan geen rekening gehouden worden
met de onderbezetting van de outillage in 1976 en 1977? Moet
met name in perioden van onderbezetting het gewicht van de
effectieve-vraagcomponent in de werkgelegenheidsfunctie
niet groter zijn dan in tijden van een meer volledige bezetting
van de produktiecapaciteit? Het antwoord moet luiden dat
zulks uit de statistische analyse niet blijkt. De aanpassing van
de vraagfunctie van arbeid is in tijden van veronderstelde
overbezetting niet beter of slechter dan in tijden van onderbe-
zetting. Overigens moet in dit verband worden opgemerkt dat
een
algemene
onderbezetting van de outillage statistisch
moeilijk aantoonbaar is. Een enquête zoals bijv. de conjunc-
tuurtest, kan daarover geen uitsluitsel geven. Het gaat nI. niet
om de louter
technische
over- of ondercapaciteit, maar over
de
economische
over- of ondercapaciteit van de
renderende
kapitaalgoederen. Daarover bestaat in Nederland helaas geen statistische informatie.
Iets anders is natuurlijk dat bepaalde sectoren, zoals bijv.
de scheepsbouw en staal, duidelijk te kampen hebben met
overcapaciteit, ook in economische zin. Even duidelijk is het
dat in deze sectoren de werkgelegenheid niet zal toenemen als
de hoeveelheid renderende kapitaalgoederen aldaar, hetzij
door nieuwe investeringen, hetzij door een geringere uitstoot
van andere jaargangen, wordt vergroot. De duidelijk eigen
problematiek van de genoemde sectoren, vraagt om een geëi-
gend sectoraâl beleid. Dat betekent evenwel niet, dat voor het
grootste deel van het bedrijfsleven de gepostuleerde arbeids-
vraagfunctïe ook voor de komende jaren niet zou opgaan.
Nogmaals, uit de (statistische) ervaring in het recente ver
–
leden blijkt daarvan niets.
Het is niet mijn bedoeling om bij deze gelegenheid alle
aspecten van de arbeidsvraagfunctie te behandelen. Het ging
er mij vooral om Driehuis en Van der Zwan te laten zien, dat
ook nu nog, met medeneming van de nieuwste cijfers, een in
statistische zin bevredigende arbeidsvraagfunctie kan worden opgesteld, waarin al of niet bij onderbezetting van de outilla-
ge, de beschikbaarheid van de kapitaalgoederen, naast het
produktievolume, een significante verklarende variabele is.
Dit is in overeenstemming met de postulaten van de neo-
klassieke theorie. Veel van de micro-economische veronder-
stellingen van Vintaf kunnen daarbij worden gemist. Daar-
mee zijn een aantal van de bezwaren die Driehuis en Van der
Zwan tegen dat model hadden, in elk geval op de hierboven
besproken arbeidsvraagfunctie niet van toepassing. Een en
ander betekent naar mijn mening dat vooralsnog het neo-
keynesiaans-neo-klassieke model inderdaad actueel is. Het
1102
1′
inc tic
Bij.
W
cii’ ii
schil) pclii t
uinudu’riuckcr’» (iii
t FTcd rijf’»ccu unuuuriui’»c Ir
\i cleii».cti1[)ffl liji’.
(licuuuful liii dc ‘icrk(»,( (Ir
[cii hi-ilrijf-kni uh
c cru ci
hu’ ir ijs ccii fl1111 in
t i niiuunuisu’h t nt innif
‘»uur fier ‘slulil’ii-
cn Is. knitun’drijf
K.Itholieke II uugcscliuuuuh
1 ilhnirg
t
Vakgnnu ) linlc’i
(liii:: hi’drijfser urnurirni
‘
, kr uh-
prijs t-ru Lii.») 1_In iiifuunnnr:i lie
t’ & uiiurirri-,u’li In’»tituuri
1 our iii’ Buutinriuju crhu iii
“oci,-iih-((nifluiiiii’»u_li
l’ruus.irriialc
Pliriuilnigis.ihc
ruc
–
ilisserker (inrit.
sri
l)jn
rit
i 1uur
luid-holland
llcscnu Ii-nitdcuc-rkir,
( fl1
l)irectcnrr
1
ihiclit
ing
S
&iitrjlc
‘1%
runing/org
t
rncrst
‘
ouurt
1,
011’»
clic’f
‘»iii
ie
ifdcliiig
tgrarisclic
ttuici,ulc
unrg.unr’atnc
1
t nuiuilscn.
‘-Crascnlijgc
iiii’dcun rkir
Kinicr
liii
kiuunirh.innulu
–
1
iii
a lgi-nicnc’ dienst
\l,i,i’»tnic til
\cadciuicui’.
cc,itr.»
Di’
\&-ili rl,unu(t.»ilic Bafik
\
of
nir.
iii
(II
reclil& n(
afilclinrg
Ftuiieiilanud
1′
rianin
uurg.uiui-»alnc-
hiuriati
art
‘rpai’nulurirck,
id’»
‘»1
ur
1
ilhtirg
111011
imetrist
tH H:irik
liungi’ rcgistr’r_iu-u’iuuintant».
\lrnrct
en
1
irriicrg
S
hef flrijnciccl- Upcntiarc
\iil’»hcutrij’»i’n
c-conijrniusctiu’
ijken
(,cniiu’cflic
\ijmegcrr
II
II
1)114 t
1(1
,
)4
1)114-1
t lISt
11)9;
1096
1096
III
mag dan waar.zijn dat er thans een groot aantal alternatieve
theorieën, die onderling allemaal ‘Ôngeveer even goed zijn; be-.
schikbaar i, ,zoals. Driehuis en Van der Zwan stellen, doch
met name de neo-klassieke theorie lijkt toch niet gemist te
kunnen worden. Het zou interessânt’ zijn om te vernemen of
zij deze mening delen. Daarmee zou de discussie over hét te
voeren economische beleid aan duidelijkheid kunnen winnen.
ging van ue reete ar(Musosen op alzlenoare’LermlJn een
positieve invloed zal hebben op de kapitaalvorming en ver-
volgens op de vraag naar arbeid. Ikheb de relatie tussen ar-,
beidskosten en investeringen enerzijds alsmede die tussen ar-
beidskosten en feitelijke uitstoôt van bestaande
kapitaalgoederen anderzijds, . bewust buiten beschouwing
gelaten. Dat is gedaan omdat mei name het investèrings- en
desinvesteringsgedrag in
Nederland
thans hoogst onzeker is.
De eerder vermelde over- en onderbezetting speelt naar alle
waarschijnlijkheid
op
dit punt
wel degelijk een rol. Zolang we
echter niet nader over de mate van onder-, en overbezetting
geinformeerd zijn, weten we niet precies welke. We tasten ‘met
andere woorden erover in het duister of nu het winst- dan wel
het acceleratiemechanisme de overhand heeft in de investe-
ringsfunctie.
Wel ben ik van mening dat’dé hyiothese Van de structurele –
daling van de levensduur van kapitaal’goederen tussen 1960 en
1975 een’verdere ondersteuning onder’indt van destructurele
stijging van de r
ii eële arbeidskoste’edurende diezelfde jaren.
n .
Het is daarbij onodig om al te:verfij nde’afstootcondities in te
bouwen. Ook zonder al die verfijning ligt het voor de hand dat
niet alleen’ de investeringen, maar vooral ook de desinveste-
ringen ook in de toekomst van de arbeidskostenontwikkeling
afhankelijk zullenzijn. Het is inderdaaddenkbaar —eigen
voorlopige berekeningen wijzen’dat ook.wel uit—dat de ge-
voeligheid van de kaitaalvorming en de arbeidsvraag voor
veranderingen in de, reële arbeidskosten niet zo groot is als
éerder wel eens door het CPB is aangenomen 2).’ Dat neemt
niet weg dat een politiek van matiging van de reële loonkos-
ten voor de toekomst geen belangrijk
instilument
zou zijn: In-
tegendeel, naarmate de elasticiteit van de arbeidsvraag.t.o.v.
de reë!,è’loonkosten geringer is, zal de rnatigisg groter moeten
.iji om eenzelfde resultaat’ter zake van de werkgelegenhéid té
bereiken.
Conclusie-
Ter afsluiting: ik vind de bijdrage van Driehuis en Van der
Zwan nuttig in zoverre zij dediscussié ôverde kernvragen van
de economische politiek levendig houdt. ik vind hun bijdrage
–
in zovèrre teleurstellénd dat zij eigenlijk niet expliciet en dui-delijk de kernvragen t,an het beleid hebbeii geformuleerd, laat.
staan beantwoord. Voor mij; dat moge uit het voorgaande
zijn gebleken, zijn dat nog steeds: – –
1. wat is de relatieve betekenis van effectieve vraag en pro-
duktie enerzijds en van kapitaalgoederen enarbeidsplaat-
sen, anderzijds voor de vraag naar arbeid?;
2: wat is daarin de rol van de bezettingsgraad van de outilla-
•
ge?;-
– ‘3. wat is het relatieve gewiht vn’winstmarges, kosten en,
i
4
ende’mènten enerzijds en bezettingsgraad anderzijds in de investeringsfunctie?
Op deze vragen ‘môeten- we onze aandacht concentréren,
liéfst op sectoraal niveau, doch als dat vanwege het gebrek
‘aan statistischè gegevens niet kan, op het niveaü van de
macro-economie:
P.J.L.M. Peters
• ‘2)
Enkele’Çaren
geleden gold als elasticiteit van de werkgelegenheid
t.O.v. de reële arbeidskosten de (te) hoge waarde van, 1.
Vaëatures
Functie:
»
Bij:
BI,.
cvi
\liisicrie
idii
Buitiiiliiiikc
(mnl/lrl.)
/
ken (l)ir.
t’inaiii
iii
1
cirrir
i».clr
011Irkke-
Iiii1”_itrii
Fl11
i’rkiiri
II
1 cl c
i
c
r k
(‘,)c
r
(
ci
Ci
rit
l)1’Il_1115»j)l,iIiilri
,- lI1’rtlli/i uh,
‘»cli
II
1
ciroirn
ur
,
i’sc
liii c’»hi’rinit’»h_iiik
-t
iii
cl
icfl’»l
tuin
kninhurur
t
ri’»irnulunirit
III
/
/?
,’
‘»
Medeserker afduhiiig
\lrriistcriu’
iin
algeniene en pat tihi’nkcii
l
,inuiloiiiu
cru
(runt/vn.)
t iss,
rij
Itt-Itt
Tuec jonge afcstii-
Stichting
1uur
cu,uiiiurni’»i
Ii
deerde CCoiiriincri
rU
uuridc’r,uct»
t
r)i\i’r’»ihr,rt
liii
-cru ruunict ri’,b iii
t irist inn in
11)4,14
ctenschi1upchijk
t .nkgroep Lconomre rir
–
i di
iiiede%lcrkcr
Ondcrafcleling der,
VI
ij’»h –
iiiakro-u-cuuriuunric
geerte en
k1aatschappij-
octenschappen. TH DRIft
1006
llcd,ui t ctir
‘»ïmsom Ititgeve uj
T
Rculrijf’»Inuiiiunurri
iii
r
\u’idc’n’risch
7ichciihiurs
cii
\lcdi-,ctuc
1
nculleil
Leiden
1
tSr?
\u,idi’riiicu’
uc.ulr’»
ol’
liii
\inlcrl:rrid-
(
luni’»iu’lijk
jii r
1
‘»t
ir t gc
Ir,
ürbiind
1067
\djunet dii’&tlr’uur
I)itn,t
dcr
(.clntcrn(,
–
hedrijfsvoerini7
isu
rkr-n l)cn Haag
1115h)
ESB 9-11-1977
Reële loonvoet, produktie en werkgelegenheid
Hoeksteen van het middellange-termïjnmodel van
het Centraal Planbureau, Vintaf II, is de werkgelegen-
heidsvergelijking. Hierin bepaalt in hoge mate de
reële loonvoet de vraag naar arbeid. Kleine wijzigingen
in de veronderstellingen ten aanzien van het te ver-
wachten verloop van de reële loonvoet resulteren in
nogal uiteenlopende uitkomsten voor de werkgelegen-
heid in ons land. Terwijl investeringen en arbeids-
produktiviteitsstijging de creatie van arbeidsplaatsen
van jaar tot jaar vastleggen, determineert de reële
loonvoet het tijdstip, waarop deze arbeidsplaatsen
niet meer economisch rendabel zijn. Wanneer het aan-
bod van arbeidskrachten gering is in verhouding tot
het aantal rendabele arbeidsplaatsen, bepaalt het aan-
tal arbeidsplaatsen, en dus mede de reële loonvoet, de
vraag naar arbeid nagenoeg volledig. Een procent meer
arbeidsplaatsen impliceert een procent méér werk-
gelegenheid 2). Indien er een aanbodoverschot is,
wordt de arbeidsvraag mede gedetermineerd door de
afzet. Een procent méér afzet betekent een half procent
méér werkgelegenheid, bij ongewijzigde produktie-capaciteit. Een mutatie in het aantal arbeidsplaatsen
echter veroorzaakt een nagenoeg gelijke mutatie in de
werkgelegenheid. Al met al zien we dus een sterke
invloed van de reële loonvoet op de werkgelegenheid.
Minder sterk echter zijn de hiervoor aangevoerde
bewijzen. Zoals vermeld wordt de vraag naar arbeid
berekend met behulp van een tweetal vergelijkingen:
de eerste is van toepassing bij een aanbodtekort; de
tweede bij een ruim aanbod van arbeidskrachten in
verhouding tot het berekende aantal rendabele arbeids-
plaatsen.
De eerste vergelijking is geschat met behulp van 7
waarnemingen, terwijl het CPB de coëfficiënten van de
tweede vergelijking heeft gebaseerd op slechts 8 waar-
nemingen. Bovendien levert de schattingsprocedure
significant andere uitkomsten op wanneer het totaal
aantal gebruikte waarnemingen wordt uitgebreid met
twee 3). Afgezien van eventuele andere gebreken
is dit reeds voldoende reden om het gebruik van derge-
lijke vergeljkingen in een middellange-termijnmodel te
wantrouwen.
Een ander probleem betreft het feit, dat bij verge-
lijking over de periode 1959 t/m 1975 van de feitelijke
arbeidsvraag enerzijds met het produktievolume en
het aantal berekende arbeidsplaatsen anderzijds, de elasticiteiten tussen werkgelegenheid en produktie-
volume resp. arbeidsplaatsen, niet in de orde van
grootte 0,5 resp. 1 blijken te liggen zoals het CPB
berekent, doch in de orde van 0,15 resp. 0,45. Een hal-
vering dus van de invloed van het arbeidsplaatsen-
mechanisme op de werkgelegenheid
5)
en een voort-
durende, zij het geringe invloed van de afzet 6).
Deze uitkomsten zijn verkregen door een regressie
toe te passen in de vergelijking:
â = a
+ f3
9
+ constante 7)
(a,
a*
en y zijn resp. de vraag naar arbeid, het aantal
arbeidsplaatsen en het produktievolume).
De uitkomst is á = 0,46â* + 0,179 —0,36, R
2
=
0,66. Weliswaar is deze R
2
onvoldoende hoog om er
zware conclusies aan te verbinden, doch ze geeft vol-
doende aanleiding om twijfel te hebben oVer de wer-king van het arbeidsplaâtsenmechanisme.
Bovenstaande uitkomst is aanleiding geweest tot
enige berekeningen met het werkgelegenheidsmodel.
Herhaling van de CPB-rekenprocedures, met dien
verstande dat slechts van één arbeidsvraagspecificatie
is gebruik gémaakt, dat 17 observaties zijn benut en
dat slechts is gerekend met relatieve veranderingen,
resulteerde ten slotte in de volgende werkgelegenheids-
functie:
0,4
0,16
a/a_i= 1,007 (a*/a
i
)
X
q—
%
R
2
= 0,85
Herschatting van deze vergelijking in niveaus levert
op:
a = 0,58 a..i + 0,4
a*
+ 690
(q__l) +
65 8)
(0,14) (0,22) (0,42)
R
2
= 0,98
(q
is de bezettingsgraad van produktiecapaciteit).
Deze uitkomsten corresponderen met een percen-
tage arbeidsbesparende technische vooruitgang van
4,6% en een overhead-labour percentage van 1,6% 9).
Conclusie 10)
De vraag naar arbeid wordt mede bepaald door
het arbeidsplaatsenmechanisme, zij het slechts in
half zo sterke mate als het CPB aanneemt.
Het percentage arbeidsbesparende technische
vooruitgang per jaar ligt lager dan het CPB aanneemt,
evenals het overhead-labour-aandeel in de totale werk-
gelegenheid. Deze lagere cijfers zijn realistischer.
Wanneer men via loonbeheersing of effectieve
vraagstimulering de werkgelegenheid positief wil be-
invloeden, dan dienen deze maatregelen in verdub-
belde mate te worden toegepast; anders werken ze niet.
Dit geldt eveneens voor arbeidsplaatsencreatie d.m.v.
investeringsstimulansen!
Zowel bij de Vintaf-benadering als in boven-
staande berekeningen wordt geen rekening gehouden
met situaties, waarin gedurende lange tijd een betrek-
kelijk gröot verschil bestaat tussen werkgelegenheid
en het aantal
rendabele
arbeidsplaatsen. Wanneer dit
laatste aantal te klein wordt, moeten op zeker moment
wel fricties optreden van onvoorzienbare, doch in elk
geval nadelige afmetingen.
Experimenten met vervanging van de werk-
gelegenheidsspecificatie van Vintaf II waren tot nu toe
niet succesvol. De hierboven vermelde functie is te
dynamisch om haar in dit model te gebruiken. Totdat
een goede alternatieve specificatie gevonden is, lijkt
het raadzaam, om Vintaf 11 met grote voorzichtigheid
te gebruiken.
J. M. A. Berkvens
(De auteur is medewerker van de sectie economie
van het Juridisch Instituut van de Katholieke Univer-
siteit Nijmegen).
Centraal Planbureau. Occasional papers. no. 12.
Uiteraard voor zover het aanbod dit toelaat.
Voor soortgelijke bevindingen zie J. Muysken en
C.
H.
van Ardenne in
ESB
van 10 november 1976.
Zie o.a. W. Driehuis en A. van der Zwan,
ESB3
1 augustus
en 7 september jI.
Deze conclusie wordt ook getrokken door Prof. Dr. P. J..
L. M. Peters in
ESB
van deze week, zij het o.g.v. andere
berekeningen.
Deze elasticiteit bedraagt in het 69-C model 0,24.
Prof. Dr. P. J. L. M. Peters,
Maro-economische markt-
mechanisme,
blz. 54.
Getallen tussen haken zijn standaardfouten in procenten.
Daartegemaver de CPB-uitkomsten:
5,1
resp. 12%.
Dank aan Drs. K. de. Vries voor zijn nuttige kritiek.
1104
Over de sectorale differentiatie van de
reele arb eidsko stenontwikkeling
DRS. H. VAN DER LAAN*
De relatie tussen de hoogte van de lonen en het
werk gelegenheidsniveau wordt mede bepaald
door de structuur van de concurrentieverhoudin-
gen. In de quasi-gesloten sectoren van de econo-
mie geldt een positief verband In de open sector
geldt een negatief verband Dat hogere lonen tot
meer werkloosheid zouden leiden, is geen natuur
–
lijke wetmatigheid, maar een gevolg van de maat-
schappelijke Organisatie van het produktiepro-
ces. Het vermoeden is gerechtvaardigd dat er
door een algemeen beleid van loonmatiging
weliswaar minder snel arbeidsplaatsen in de
sector met internationale prijsconcurrentie ver-
dwijnen, maar ook minder snel arbeidsplaatsen
in de overige sectoren worden gecreëerd. Over de
relatieve grootte van deze tegengestelde effecten
kan moeilijk een exacte uitspraak worden ge-
daan.
Inleiding
Een belangrijk moment van het werkgelegenheidsbeleid
vormt het streven naar een matiging van de stijging van de
bruto loonkosten per werknemer voor bedrijven. Zoals be-
kend, steunt dit beleid op de analyses van het Centraal
Planbureau, waarin het niveau van de werkgelegenheid cau-
saai wordt gerelateerd aan de hoogte van de reële arbeidskos-
ten 1). De reële arbeidskosten worden gedefinieerd als het
quotiënt van de bruto loonsom en de opbrengstprijs van de
produktie. Het is een maat voor de winstgevendheid van de
produktie: als het quotiënt toeneemt verdwijnt de winst. Als
de opbrengst van de produktie niet meer toereikend is om de
loonkosten te dekken zal de produktie worden gestaakt,
resulterend in kapitaalvernietiging en vermindering van werk-
gelegenheid. De verlaging van de reële arbeidskosten wordt
niet zozeer nagestreefd door verhoging van de opbrengstprij-
zen als wel door matiging van de stijging van de bruto
loonsom per werknemer. Deze matiging betreft alle samen-
stellende bruto looncomponenten. Zo is – vooral in 1976-
de stijging van het netto besteedbaar inkomen beperkt door
loonmaatregelen, de prijscompensatie in 1977 ,,geschoond”
en – in het kader van de 1%-operatie – de stijging van
premie- en belastingpercentages beperkt, vooral door gebruik
te maken van de reserves van de sociale fondsen, overheidsfi-
nanciering van sociale premies en bezuinigingen op de stij-
gende trend van de overheidsuitgaven 2).
Theoretisch gesproken, kan een samenhang tussen de
hoogte van de lonen en de werkgelegenheid zowel in positieve
als in negatieve zin worden verwacht. Kalecki 3) beargumen-
teert dat er een positief verband bestaat tussen de hoogte van
de lonen en het werkgelegenheidsniveau, en wel omdat een
reële toename van de lonen leidt tot een toename van beste-
dingen en dientengevolge een toename van produktie en
werkgelegenheid. De ondernemers betalen meer loon uit,
maar verkrijgen een extra bedrag aan inkomsten door de toe-
genomen consumptie van de arbeiders. Als zij hun extra in-
komen volledig consumeren, zal de produktieopbrengst reëel
toenemen met het reële bedrag waarmee de lonen zijn ver-
hoogd. Dat betekent, dat de totale winstsom gelijk is gebleven
en de ondernemers geen reden hebben voor een vermindering
van de investeringen. Het netto resultaat van een reële stijging
van de lonen is dan een toename van de werkgelegenheid.
In deze redenering wordt uitsluitend gelet op het macro-
bestedingseffect van hogere lonen en voorbijgegaan aan het
kostenaspect van een loonstijging, voor zover dat kan leiden
tot een versterkte rationalisatie van het produktieproces en
-in een ,,open” economie—tot een minder sterke concurren-
tiepositie. Het CPB concludeert in zijn analyses dat in de
Nederlandse economie een negatief verband bestaat tussen de
mutatie van de bruto loonsom per werknemer voor bedrijven
voor zover die reëel de stijging van de arbeidsproduktiviteit
overtreft en het niveau van werkgelegenheid. Deze conclusie
is gebaseerd op berekeningen die zijn gemaakt met een aantal
modellen, waarin in mathematische vorm is verondersteld,
dat het effect van de genoemde negatieve gevolgen van een
loonstijging voor het niveau van werkgelegenheid groter is
dan het effect van het positieve bestedingsaspect.
In het eerste jaargangenmodel speelt het bestedingsaspect
overigens geen rol. In dit model wordt de kapitaalgoederen-
voorraad ingedeeld in jaargangen van installatie, die zich
kenmerken door een toenemende arbeidsproduktiviteit. Im-
pliciet wordt aangenomen, dat verschillende jaargangen outil-
lage dezelfde produkten voortbrengen, die eenzelfde prijs
*D
e
auteur is wetenschappelijk medewerker bij de sectie ,,sociaal-
economische ontwikkelingen en beleid” van de vakgroep macro-
sociologie van de Rijksuniversiteit te Leiden. Het empirische materi-
aal voor dit artikel werd mede verzameld door John Hagedoorn,
Peter van den Oever en Ewout Schuitemaker, student-assistenten van
de vakgroep macrosociologie. De auteur is hun daarnaast dankbaar voor hun positief-kritische bijdragen aan de ontwikkeling van de in
het artikel gepresenteerde gedachtengang.
Zie H. den Hartog en H.S. Tjan,
Investeringen, lonen, prijzen en
arbeidsplaatsen,
CPB, occasional paper no.
2f 1974;
H. den Hartog,
Th. van de Klundert en H.S. Tjan,
De structurele ontwikkeling van de
werkgelegenheid in macro-economisch perspectief
preadviezen voor
de Vereniging voor de Staathuishoudkunde, blz.
49-110,
‘s-Graven-
hage,
1975;
Central Planning Bureau,
Een macro-model voor de
Nederlandse economie op middellange termijn
(Vintaf II), occasional
paper
12,
The Hague,
1977;
voorts de CEP en MEV van dejaren
1974
en later, de rapportages in de Staatscourant, rapporten van de CEC
en CED, de bijlage van de
Nota inzake de werkgelegenheid
en de
publikatie:
De Nederlandse economie in 1980.
Voor een volledig overzicht: Hugo van der Laan, Het werkgelegen-heidsbeleid in de jaren
1972
t/ m
1976, Tijdschrift voor Politieke Eko-
nomie, 77f1,
Amsterdam,
1977.
Hier is kortheidshalve de weergave gevolgd van Th. van de
Klundert,
Lonen en werkgelegenheid,
Leiden,
1977, blz. 11-14.
ESB9-ll-l977
1105
doen. De centrale, expliciete veronderstelling van het model
is, dat als de bruto loonsom per werknemer stijgt, de winst het
eerst op de oudste, minst produktieve, jaargangen verdwijnt,
uiteraard onder ceteris paribus voorwaarden van—bijvoor-
beëld – conStante prijzen van grondstoffen en energie. Hoe
sneller de lonen stijgen, hoe sneller de oudere jaargangen
worden afgestoten. Daarmee verdwijnt relatief veel werkgele-
genheid, omdat de meest arbeidsintensieve kapitaalgoederen
worden afgestoten.
De beleidsconclusie luidde dan ook, dat de werkgelegen-
heid zeer gebaat zou zijn bij een matiging van de stijging van
de bruto loonsom per werknemer gedurende een aantaljaren,
ten einde het proces van afstoting van economisch veroude-
rende kapitaalgoederen te vertragen. Dit in augustus 1974
gepubliceerde model wordt, aangevuld met loon- en prijsvor
–
mings- en investeringsrelaties, gehanteerd in de berekeningen
die in de
Nota inzake de werkgelegenheid
van februari 1975
worden gepresenteerd. Dit tweede model is tot nu toe ongepu-
bliceerd gebleven. Een derde, verder uitgewerkte, versie van
het jaargangenmodel verschijnt in november 1975 en draagt
als naam Vintaf I. In dit model worden relaties toegevoegd
met betrekking tot de binnenlandse bestedingen en de uitvoer
en invoer. Een vierde, herziene en uitgebreide, versie ver-
schijnt in april 1977 onder de naam Vintaf II 4).
Vooral de betekenis van de internationale concurrentiever-
houding is groot. Van de Klundert 5) presenteert de gevolgen
van een loonimpuls van één procent zowel voor het geval
waarin deze uitsluitend binnen de open Nederlandse econo-
mie optreedt, als voor het geval waarin deze loonimpuls ook
in andere landen optreedt, en dus de concurrentieverhoudin-gen ongewijzigd blijven. In het geval van een quasi-gesloten
economie genereert het model Vintaf 1 een voorspelling van
een achtjaars cumulatief effect met betrekking tot de bruto
toegevoegde waarde van 3,3%, veroorzaakt door hogere
consumptieve bestedingen en investeringen, naast een hogere
arbeidsproduktiviteit. De werkgelegenheid in bedrijven
neemt evenwel af met 0,4% door de stijging van de reële
arbeidskosten. In het geval dat de loonimpuls alleen in
Nederland optreedt, bedraagt de afname van de werkgelegen-
heid
0,5%.
De bruto toegevoegde waarde daalt met
0,4%,
een
belangrijk verschil met het eerste geval. De daling ontstaat
omdat de invoer toeneemt en de uitvoer afneemt door de ver
–
schuivende prijsconcurrentieverhoudïngen. De investeringen
lopen terug door de verslechterende winstposities. De toena-
me van consumptieve bestedingen is niet voldoende om de
afname van de overige bestedi ngscategorieën te compenseren.
Nu zou uit de verschillende effecten van de twee varianten
van loonimpulsen geconcludeerd kunnen worden, dat het
extra effect van een verslechterende concurrentiepositie voor-
al groot is ten aanzien van de inkomensontwikkeling, en
relatief gering ten aanzien van de werkgelegenheidsontwikke-
ling. Een dergelijke conclusie zou evenwel onvolledig zijn,
vooral omdat daarmee voorbijgegaan wordt aan de funda-
mentele rol die de internationale prj sconcurrentieverhoudi n-
gen impliciet meespelen in het concept van de reële arbeids-
kosten. Een van de bepalende factoren daarin is immers het
niveau van de opbrengstprijs van de produktie. In het Vintaf-model worden het prijsniveau van de consumptieve bestedin-
gen, de investeringen en de uitvoer mede bepaald door het
exogene internationale prijsniveau. Van stijgende reële
arbeidskosten kan alleen zinvol worden gesproken voor zover
ondernemers niet in staat zijn volledig de stijgende loonkosten
in de prijzen door te berekenen, voor zover die de produktivi-
teitsstijging te boven gaan. Dat houdt in, dat een opvatting van het prijsniveau als relatief bepaald door internationale
concurrentieverhoudingen een essentieel onderdeel vormt
van het begrip reële arbeidskosten, als wel van de op dat
begrip gebaseerde analyse.
Sectorale differentiatie
De mogelijkheden voor doorberekening van loonkosten
worden in het Vintaf-model gedifferentieerd naar een vijftal bestedingscategorieën, te weten particuliere consumptie, uit-
voer, investeringen, gebouwen en overheidsbestedingen. Uit
de kostenfuncties en de prijsvergelijkingen blijkt, dat loon-
kostenstijgingen, gecorrigeerd voor de verschillen in arbeids-
produktiviteit per afzetcategorie, voor een flink deel niet
worden doorberekend in de opbrengstprijzen, door de in-
vloed van het exogene buitenlandse prijsniveau. Een uitzon-
dering vormt de sector gebouwen, waar het buitenlandse
prijsniveau geen rol speelt. De invloed van het buitenlandse
prijsniveau is het grootst bij de uitvoer. Daarmee correspon-
deert een hoge prjselasticiteit.
Nu is het de vraag, of een dergelijke differentiatie naar
afzetcategorieën wel de meest aangewezen weg was om het
oorspronkelijke jaargangenmodel verder te ontwikkelen,
vooral omdat het begrip afzet niet de centrale categorie in het
jaargangenmodel is. Uitgaande van het centrale begrip reële
arbeidskosten ligt een desaggregatie op het punt van ontwik-
kelingen van reële arbeidskosten als logische ontwikkelings-
lijn voor de hand. In een dergelijke desaggregatie zou reke-
ning moeten worden gehouden met verschillen in
loonontwikkelingen en verschillen in mogelijkheden om loon-
stijgingen in opbrengstprijzen door te berekenen.
Ten aanzien van de doorberekeningsmogelijkheden lijken
vooral twee dimensies van de concurrentieverhoudingen van
belang. In de eerste plaats het aantal concurrenten. Uit de
literatuur is bekend, dat bij afname van het aantal concurren-
ten op een markt de tendentie naar oligopoloide prijsvorming
sterker wordt, al of niet via formele kartelvorming. In de
tweede plaats lijkt van belang of de concurrentie internatio-
naal van aard is dan wel geografisch beperkt, bijvoorbeeld tot
de Nederlandse markt. Hiervoor wordt wel het concept
,,sheltered industries” gehanteerd 6).
Uitgaande van deze dimensies kunnen vier sectoren worden
geconstrueerd. In de eerste plaats een sector waarin de
marktconcentratie zo sterk is, dat oligopoloide prijsvorming
kan worden verwacht. Die marktconcentratie kan interna-
tionaal of nationaal van aard zijn. Deze twee deelsectoren zijn
door ons samengenomen in één oligopoloide sector 7). Veron-
dersteld kan worden, dat de winstgevendheid in deze sectoren
De herziening betreft de keuze van
1970
als basisjaar voor de
prijsindexcijfers en een wijziging van sommige specificaties van vergelijkingen. De uitbreiding Omvat de endogenisering van het
arbeidsaanbod en de volledige endogenisering van het afwentelings-
proces van de procentuele toename van de collectieve lasten. Afgezien
van de introductie van een zekere invloed van de bezettingsgraad op
de prijsvorming, komt het model Vintaf 1 overeen met het model
Vintaf II in de hier centraal staande loon- en prijsvergelijkingen,
alsmede de gehanteerde differentiatie in afzetcategorieen.
Th. van de Klundert,
Lonen en werkgelegenheid,
Leiden,
1977,
blz.46 en
51.
Dit begrip wordt wel gehanteerd in de literatuur over inflatie,
bijvoorbeeld W. Driehuis et. al., Price formation and the infiation-
ary process ina small open economy,
De Economisi, 123,
nr.4,
1975,
blz. 680 e.v. Merkwaardig in dit artikel is, dat uiteindelijk prijsvor-
mingsvergelijkingen worden gegenereerd voor sectoren die, zoals de auteurs zelf opmerken, gemengd ,,sheltered” en ,,exposed industries”
bevatten.
De reden daarvoor is van theoretische aard. Op basis van de
arbeidswaardetheorie kan worden verondersteld, dat de surpluswin-
sten van de oligopolOide sector worden gerealiseerd ten koste van de sector van internationale prijsconcurrentie, ofwel, dat er sprake is van
winsttransfer van de concurrentie- naar de oligopokiide sector. Een
belangrijk mechanisme van winsttransfer lijkt de automatische prijs-
compensatie te zijn. Immers, een prijsverhoging gegenereerd door de
oligopolode sector wordt via indexering, leidend tot hogere lonen,
gefinancierd uit de winst van de concurrentiesector, waar hogere
lonen niet (geheel) kunnen worden doorberekend en derhalve uit de
Winst moeten worden betaald. De theoretische en empirische aspec-
ten van de relaties tussen beide sectoren vormen onderwerp van onderzoek in vervolg op de hier gepresenteerde gedachtengang.
Beleidsmatig, bijvoorbeeld tav. het mededingingsbeleid, is het
natuurlijk wel van belang of oligopolide prijsvorming nationaal of
internationaal gestructureerd is. In het eerste geval zijnde beleidsmo-
gelijkheden groter.
1106
niet of in geringe mate gevoelig is voor loonkosten, wegens de
mogelijkheid de prijzen relatief los van de marktverhoudin-
gen vast te stellen. In de tweede plaats kan een typisch ,,natio-
nale” concurrentiesector worden onderscheiden. Deze sector
kenmerkt zich door een exportquote, die nihil of zeer klein is,
terwijl de markt niet of in zeer geringe mate door concurreren-
de import wordt voorzien. In deze sector speelt internatio-
nale prjsconcurrentie geen grote rol wegens de geografische
marktbescherming; nationale concurrentie speelt natuurlijk
wel een rol. In de derde plaats kan de overheidssector worden
onderscheiden als een specifieke variant van de nationale
sector en/ of de oligopoloïde sector, in die zin dat de overheid
relatief los van marktverhoudingen goederen en diensten
produceert. Ten slotte kan een sector worden onderscheiden
waarin in meer of mindere mate sprake kan zijn van interna-
tionale prijsconcurrentïe.
Hieronder presenteren wij in tabelvorm een indeling van de
bedrijfsklassen en -groepen volgens de standaard-bedrijfsin-
deling 1974 van het CBS naar de vier beschreven sectoren. Per
sector wordt de ontwikkeling van het arbeidsvolume werkza-
me personen over de periode 1970 tot en met 1976 afgezet.
In appendix 1 wordt de berekening gepresenteerd op basis
waarvan de nationale sectoren zijn onderscheiden. De ge-
bruikte indicator is de som van het binnenlandse marktaan-deel en het complement van de exportquote.
In appendix II wordt ingegaan op de empinsche en metho-
dische problemen die verbonden zijn aan de bepaling van de oligopoloide sector. Als indicator is de C
4
-concentratiegraad
gebruikt of het aantoonbaar aanwezig zijn van kartelmatige
prijsafspraken.
Tabel 1. Het werkgelegenheidsverloop in de oligopoloïde
sector van de Nederlandse economie
1970-1976
SBI
W
770
W
12.0
Aardolie- en gaswinning
………..
19
Overige delfstoffenwinning
………
f
1.0
(+)
7
14.3
(+)
20.2
Zuivel, melkprodukten
…………
4.8
(-)
32.8
14.6
(-1
20.4
Meel, rijst en gort
……………..
0.5
(+)
2.1
23.8
(+)
20.5
Suikerindustrie
……………….
0.7
1-)
4.6
15.2
1-)
20.6
Margarine. olieen vetten
………..
2.0
1+)
7.2
27.8
1+)
21.1
Zctmeelindustrie
………………
}4.9(
23,7 20.7
1-1
21.3
Overigevoedingsmiddelen
……….
21.2
Veevoederindustrie
…………….
0.5
(-)
13,6
3.6
1-)
21.4
Alcohol!destilleerderijen
………..
0.7
(-)
3.5
20.0
1-1
21.5
Bierbrouwerijen,mouterijen
……..
0.2
1-)
9.3
2.2
(-1
21.7
Tabakindustrie
……………….
3.7
1-1
16.3
22.7
1-)
28
Aardolie-industrie
…………….
1.0
1-1
II
9.0
1-)
29
Chemie. farmaceutische md
………
30
Kunstmatigelsynth. vezelind
……..
5,0
1-)
122
4,1
(-1
31
Rubber-en kunststofind
………..
33
Basismetaal
………………….
3.3
1+)
37.8 8,7
1+)
36
Elektrotechniek
………………
11.0
(_)
128,5
8.6
(-1
40
Openbare nutsbedrijven
…………
2.0
(+)
43
4.7
1+)
73.5
Zee-enluchtvaart
……………..
6.0
(_)
41
13,6
(-)
77
Communicatiebedrijven
………..
5.0
(+1
64 7.8
1+)
81
Bankwecen
………………….
\27,o
(+)
123
22.0
(+)
82
Verzekeringswezen
…………….
Totaal/gemiddeld
……………..
2.3
(+)
690.4
0.3
(+)
Tabel 2. Het werkgelegenheidsverloop in de nationale con-
currentieseclor van de Nederlandse economie
1970-1976
SBI
AW
7670
W
76-70
%W
70
27
Grafische industrie
…………….
5.0
(-1
83
6.0
(-1
51
Bouwnijverheid
………………..
8 0
1-)
505
13,5
1-
52
Bouwinstallatiebedrijven
………..
6I6
Groot-endetailhandel
…………..
0.0
1
–
)
732
1.4
1-)
67
Hotel.café. restaurant
………….
2.0
(
–
1
95
2.1
1
–
)
68
Reparatievungebruiksgoed
………
11,0
(-)
III
9.9
1-)
7116
Overigtransport en opslag
……….
6.0
1+)
200
3.0
(+1
83.5
Woningexploitatie.
7.akelljkedienstverlening
………..
19.0
1+)
135
14.1
1+)
93
Medische en veterinaire diensten
…..
63.0
(+)
185
34,1
1+)
96
Cultuurenrecreatie
……………
8.0
(+)
31
25,8
1+)
9019
Overigedienslverlening
…………
44.0
(+)
311
14,1
(+)
Totaal/gemiddeld ……………..
44,0
(+)
2.388
1,8
1+)
Interpretatie
De interpretatie van het gepresenteerde empirische materi-
aal heeft strikt genomen niet meer dan een hypothetische
status. In de eerste plaats kan erop worden gewezen, dat
weliswaar de ontwikkeling per geconstrueerde sector opval-
lende verschillen vertoont, maar dat binnen iedere sector de
ontwikkelingen van de samenstellende bedrijfsklassen en
-groepen onderling grote verschillen laten zien. Daaruit kan in
ieder geval worden geconcludeerd dat verschillende factoren
de ontwikkeling van de werkgelegenheid bepalen. Zo lijken
verschillen in arbeidsproduktiviteit en/of bijzondere markt-
ontwikkelingen een flinke rol te spelen.
In de tweede plaats is het goed erop te wijzen, dat een
sectorindeling volgens andere criteria mogelijkerwijs even-
eens significante verschillen in werkgelegenheidsontwikkeling
aan het licht brengt. Niettemin kan uit het materiaal worden
begrepen, dat in de bepalende factoren voor het werkgelegen-
heïdsverloop een belangrijke rol wordt gespeeld door de
structuur van de concurrentieverhoudingen.
De wijze van prijsvorming in de oligopoloide sector brengt
met zich, dat eigenlijk niet zinvol van sterk stijgende reële
arbeidskosten kan worden gesproken, wegens de mogelijk-
heid om loonstijgingen door te berekenen in de opbrengstp’rij-
zen. Een teruglopende werkgelegenheid in bedrijfsklassen en
-groepen binnen deze sector moet vermoedelijk worden
verklaard uit een negatief effect t.g.v. rationalisatie dat groter
is dan het positieve effect van marktuitbreiding.
Hierbij kunnen twee kanttekeningen worden gemaakt. Ten
eerste kan worden gewezen op de beperking van de marktuit-
Tabel 3. Hei werk gelegenheidsverloop in de internationale
concurrentiesector van de Nederlandse economie
1970-1976
SBI
W
7670
W
%W”
7°
01(3
Landbouwen visserij
…………..
34.0
(-1
329
10,3
1-)
II
Kolenmijnbouw
………………
14.0
(-)
14
100,0
(-)
20.1
Slachterijen/vleeswaren …………
0,4
1+)
28,4
1.4
1+1
20.3
Visbewerking
………………..
0.1
(+)
1.6
6,3
1+)
20.7
Groente-en fruitverwerking
……..
2.7
(-1
13,6
19,9
1-)
20.8
Brood,beschuit,koeke.d ………..
3.9
(-1
25.2
15.5
1-)
20.9
Cacao, chocolade en suikerw.
…….
3.8
1-1
15.3
24.8
1-
21.6
Frisdranken ………………….
1.1
1
–
)
4.8 22.9
1-)
22
Textielindustrie ……………….
31.0
1
–
)
80.0
38.8
1-)
23
Kledingindustrie
………………
35.0
(-1
67.0
49.3
1-)
24
Leer-, schoen- en leerw. ind ……….
6,0
1-)
15.0
40.0
1-)
25
Hout-en meubelindustrie
……….
10.0
(-1
65,0
15,4
1
–
)
26
Papier-enpapierwarenind ……….
4,0
(
–
1
34.0
11,8
1-1
32
Bouwmaterialen.aardew./glas
10.0
(-) 52.0
19,2
1-)
3415
Metaalprodukten.machine-ind ……
21.91
(-1
205.3
10.7
(-1
37
Transportmiddelenindustrie
……..
2.1
(-1
85,9
2.4
1-)
3819
Instrumenten/ optische/ overige
0.7
(+) 1
14,51
4,8
(+)
Totaal/gemiddeld ……………..
178.3
(-)
1.050,6
17,0
1-1
Tabel 4. Het werkgelegenheidsverloop in de periode
1970-1976,
bezien naar vier genoemde sectoren
W
7670
76-70
Oligopoldidesector ………………
2.3
(+)
690.4
0,3
1+)
Nationaleconcurrentiesector ……….
44,0
(+1
2.388
1.8
1+1
Overheid
……………………..
80.0
1+)
.
567
14,1
1+1
Internationale concurrentiesector
……
178.3
1-)
1.050.6
17.0
1-
Totaal ………………………..
68.0
(-)
4.696
1,4
1-1
W
76
_70
= verschil arbeidsvolume werkzame personen tussen dejaren 1976en
1970, in duizenden manjaren
W
70
= niveau arbeidsvolume werkzame personen in 1970 )X 1.000)
%W
767°
= procentuele mutatic arbeidsvolume werkzame personen san 1970 naar
70
1976
Verantwoording voor sectorindeling en overzicht s’an gebruikte bronnen in Appcndix
1 en II.
ESB9-ll-1977
1107
breiding die een gevolg is
van de
inherente ,,output”-restrictie.
Ten
tweede kan worden verondersteld dat in deze sector de
oudere jaargangen outillage niet verliesgevend
zijn,
alleen
maar minder winstgevend dan modernere outillage. Het
moment
van afstoting van outillage is dan niet
zo
objectief te
bepalen als in de jaargangenmodellen wordt verondersteld.
In
de nationale sector kan een uitbreiding van de werkgele-
genheid worden waargenomen, die nog
groter
zou zijn uitge-
vallen zonder de bijzondere marktontwikkeling in de bouw.
Kennelijk heeft de verhoging van het loonpeil in dezesector
een positieve invloed op het niveau van de werkgelegenheid
gehad.
Deze
waarneming wordt begrijpelijk als wordt aange-
nomen dat loonkosten in deze sector vrijwel geheel kunnen
worden doorberekend, terwijl tegelijkertijd hogere lonen
meer vraag naar de goederen en diensten van
deze
sector tot
gevolg hebben, kortom, dat het bestedingseffect van hogere
lonen groter is dan het kosteneffect.
De
werkgelegenheidsontwikkeling in de overheidssector
wordt langs politieke weg bepaald.
De
stijging van het
loonpeil lijkt daarbij direct niet van groot belang. Indirect
leidt een verhoging van de overheidsuitgaven natuurlijk wel,
via hogere belastingspercentages, tot een verhoging van het
bruto loonpeil.
In de sector waar internationale prijsconcurrentie en der-
halve gegeven opbrengstprjzen bestaan, kan worden gespro-
ken van stijging van reële arbeidskosten. Het empirische
werkgelegenheidsverloop wijst erop dat in deze sector het
kostenaspect van loonstijgingen het sterkst is. Vermoedelijk
komt de analyse volgens het jaargangenmodel met de realiteit
van dèze sector het meest overeen.
De
conclusie kan luiden, dat kennelijk de relatie tussen de
hoogte van de lonen en het niveau van werkgelegenheid mede
wordt bepaald
door
de structuur van de concurrentieverhou-
dingen.
In
de quasi-gesloten sectoren van de economie geldt,
volgens de theorie van Kalecki, een positief verband.
In
de
open sector geldt een negatief verband, bemiddeld door dein-
ternationale prijsconcurrentie. Dat hogere lonen tot meer
werkloosheid zouden leidçn is dus geen natuurlijke wetmatig-
heid, maar een gevolg van de maatschappelijke Organisatie
van het produktieproces Het principiële bezwaar dat tegen
een algemeen beleid van matigen van stijging van de bruto
loonsom per werknemer kan worden aangevoerd, is dat een
algemeen beleid met de sectorspecificiteit van de relatie tussen
lonen en werkgelegenheid geen rekening houdt, wat tot
verschillende, tegengestelde, resultaten in de vier onderschei-
den sectoren leidt.
Voor de bedrjfsgroepen in de sector waar internationale
prijsconcurrentie bestaat, kan worden verwacht dat door een matiging van de stijging van de lonen de concurrentiepositie
relatief verbetert. Het binnenlandse marktaandeel en de
exportquote kan dan minder sterk afnemen, respectievelijk
toenemen. De vraag is evenwel hoe sterk het effect op de
werkgelegenheid zal
zijn.
Enig idee daarover kan worden
verkregen door de cijfers »van tabel 3 na te lopen. Voor de
landbouw geldt, dat een matiging van de loonkosten niet sterk
van invloed zal
zijn
op de werkgelegenheid. Van het arbeids-
volume in deze sector bestaat 80% uit zelfstandigen en bij het
huidige landbouwbeleid zal de afname van het aantal zelfstan-
digen ongetwijfeld doorgaan.
De
werkgelegenheid in de sector kolenmijnbouw komt niet
terug, tenzij de overheid besluit de mijnen weer te gaan ex-
ploiteren.
Voor
de bedrijfsklassen textiel en kleding wordt
verwacht dat ondanks een matiging van de lonen het niveau
van werkgelegenheid zal dalen.
Ook
in de papier- en metaalin-
dustrie zal de werkgelegenheid o.a. door saneringen flink
dalen.
Al met al is het realistisch
om
te veronderstellen dat de
defensieve strategie van loonmatiging alléén een gunstig effect
zal hebben in een zekere vertraging van de snelheid waarmee
in de sector van internationale concurrentie het niveau van
werkgelegenheid vermindert. Zelfs dat is nog maar de vraag.
Het CPB
heeft nog niet uitgerekend, wat er gebeurt als in
Nederland loonmatiging
wordt
doorgevoerd, terwijl
de
wer-
king daarvan op de concurrentiepositie teniet wordt gedaan
doordat in alle belangrijke handelsianden ook een beleid van
loonmatiging en/of devaluatie wordt gevoerd. Ongetwijfeld
zou
een dergelijke ontwikkeling die in feite al voor een deel is
ingetreden, overeenkomen met een situatie van een gesloten
economie waarin loondalingen optreden: het gevolg is dan
een vermindering van zowel inkomen als werkgelegenheid.
Daarnaast kan worden beargumenteerd dat een matiging
van de stijging van de bruto lonen leidt tot een matiging of
stagnering van de groei van de binnenlandse vraag. Zoals
hierboven beschreven,
kan
de daaruit resulterende relatieve
afzetvermindering voor de in internationale concurrentiever-
houdingen opererende bcdrjfsgroepen worden gecompen-
seerd door een uit een verbetering van de concurrentiepositie
voortvloeiende toename van de export en het binnenlandse
marktaandeel. Voor de bedrjfsgroepen die voor hun afzet
volledig afhankelijk zijn van de Nederlandse markt, is een
dergelijke compensatie per definitie afwezig.
Deze
groepen
vinden we in de nationale sector en in de nationaal opererende oligopoloide sector.
Voor
deze sectoren geldt dat hun produk-tie- en dus werkgelegenheidsniveau direct afhankelijk
zijn
van
de effectieve vraag. In deze sectoren blijkt
ook
in de afgelopen
zes
jaar nog een flink aantal arbeidsplaatsen te
zijn
gecreëerd.
Een verdere groei van deze sectoren wordt geremd door een
relatief achterblijvende effectieve vraag.
In
het algemeen kan
worden gesteld, dat een offensieve strategie van creatie van
arbeidsplaatsen in de sectoren die een werkgelegenheidsgroei
laten zien, aanzienlijk wordt bemoeilijkt door een beleid dat
gericht is op matiging van de stijging van de bruto loonsom.
Deze stelling geldt nog sterker als de ‘loonmatiging wordt
nagestreefd via een bezuiniging op de uitgaven van de over-
heid. De overheid blijkt immers de absoluut grootste toename
van werkgelegenheid te vertonen in de laatste jaren.
Kortom, het vermoeden is gerechtvaardigd, dat door een
algemeen beleid van loonmatiging er weliswaar minder snel
arbeidsplaatsen in de sector met internationale prjsconcur-
rentie verdwijnen, maar
ook
minder snel arbeidsplaatsen in de
overige sectoren worden gecreëerd. Over de relatieve grootte
van deze tegengestelde effecten kan moeilijk een exacte
uitspraak worden gedaan. Indien de effecten van gelijke
grootte zijn, met tegengesteld teken, kan worden geconclu-
deerd dat matiging van bruto lonen geen werkgelegenheidsin-
strument is, maar veeleer een sectorstructurele uitwerking
heeft, in die zin dat de groei van de oligopoloide, nationale en
overheidssector wordt geremd ten gunste van de concurren-
tiesector. Een algemene verhoging van het niveau van werkge-
legenheid moet dan door andere maatregelen worden bewerk-
stelligd.
Hugo van der Laan
Appendix l. Bepaling van de nationale sector
Een nationale sector is door ons gedefinieerd als de verzameling
bedrijfsgroepen die zich kenmerken door a) een zeer lage exportquo-
te en b) een zeer lage concurrerende invoer, ofwel een hoog binnen-
lands marktaandeel. Deze – onafhankelijke —indicatoren geven de
ongevoeligheid voor internationale (prijs)concurrentie op resp. de
buitenlandse markten en de binnenlandse markt weer. Een nationale
bedrijfsklasse of-groep is bepaald door de som van het binnenlandse
marktaandeel en het complement van de exportquote. Daarbij is dus
—enigszins arbitrair—een gelijk gewicht aan beide indicatorentoege-
kend.
Voor de berekening is uitgegaan van de ,,input/output”-tabellen uit de Nationale Rekeningen 1975 (cijfers voor het jaar 1973). De
exportquote is berekend als het quotiënt van uitvoer en totale
produktiewaarde van Nederlandse bedrijven. Het binnenlandse
marktaandeel van een bedrijfsklasse is berekend door de totale
produktiewaarde minus de export te delen op de som van de totale produktiewaarde minus de export, plus de import minus de directe
doorvoer van de import. De noemer is dus de Nederlandse ,,markt”.
Grafisch uitgezet, vormt de bedrijfsklasse groot- en detailhandel
een ,,natuurlijke” grens in de verdeling van de bedrijfsklassen op
grond yan de samengestelde indicator. Alle bedrijfsklassen die hoger
1108
Totale produktie-
waarde
Uitvoer
Export- quote
Produktie
minus
export
Invoer
Directe
doorvoer
Neder-
landse
markt
Binnen-
lands
markt-
aandeel
t
–
export-
quole plus
b.m.a.
18.162
3.443
8,96
14.719
4.896
846
18.769
78,42 59,46
263
172
65,40
91
297
–
388
23,45
58,05
405
08
26,67
297
446
43
700
42,43
15,76
2.
Kolenmijnbouw
…………………..
3.
Overigedelfstoffen
…………………
4.
Voedingsmiddelen(veehondcrijprod.)..
13.197
6.135 46,49
7.062
1.798
144
8.716 81,02
34,53
5.
Voedingsmiddelen(niet-veeh. prod.)
17.938
4.378
24,41
3.560
3.483 46
16.897
80,25
155,84
4.504
790
7,54
3.714
762
37
4.439 83.67
166,13
5.105
2.724
53,36
2.381
4.128
78
6.431
37,02 83,66 2.349
930
39,59
1.419 1.638
–
3.057
46,42
106,83
6.
Dranlçcnentabak
………………….
9.
Leder-enschoenindustrie
……………
670
283
42,24
387
598
9
976 39.65
97,41
7.
Testiclindustrie
…………………..
3.465 477
13,77
2.988 2.392
3
5.377 55,57
141,80
3.018
1.075
35,62
1.943
1.702
1
3.644 53,32
117.70
5.773
456
7,90 5.317 320
–
5.637
94,32
186,42
Aardolicen -gasindustrie/winning
13.390
6.959
51,97
6.431
8.539
1.556 13.414
47,94
95,97
Chemische, kunststof-, rubberind
15.631
10.425
66,69 5.206
7.715
127
12.794
40,69
74,00
IS.
Bouwmaterialen, aardewerk, glas
3.446
561
16,28
2.885
1.231
–
4.116
70,09
153,81
6.
Basismetaal
………………………
9.372
3.318 35,40 6.054
4.606
288 10.372
58,37
122,97
13.581
4.957
36,50 8.624 7.842
601
15.865
54,36
117,86
9.924
6.461
65,10
3.463 5.739
II
9.191
37,68
72,58
7.292 4.786
65,63
2.506 5.986
235
8.257
30,35 64,72
1.324
649
49,02
675
1.426
16
2.085
32,37
83,35
7.285
31
0,43
7.254
2
–
7.256
99,97
99,54
t.
Landbouw,bosbouw,visserij
…………
22.
Bouwnijverheid/bouwinstallalie
25.300
535
2,11
24.765
3
–
24.768
99,99
197,88
30.076
6.160
20,48
23.916
715
20
24.611
97,18
176,70
2.930
–
0,00
2.930
–
–
2.930
00,00
200,00
8.
Kledingindustrie
…………………..
25.
Reparatie van gebruiksgoederen
3.050
–
0,00
3.050
–
–
3.050
00,00
200,00
10.
Hout-en meubelindustrie
……………
II.
Papierindustrie
……………………
4.661
4.116
88,31
545
– –
545
00,00
111,69
12.
Gralischeind.+uitgeverijen
………….
9.515 3.274
34,41
6.241
–
–
6.241
100,00
65,59
3.645
93
2,55
3.552
– –
3.552
00,00
197,45
Ii.
Metaalprod./machinebOuw
………….
5.444
427 7,84 5.017
– –
5.017
00,00
192,16
18.
Elektrotechnische industrie
…………..
7.097
–
0,00
7.097
–
-.
7.097
00,00
200,00
19.
Transportmiddelenindustrie
………….
20.
Optischeenoverigeindustrie
………….
4.697
133
2,83
4.564
–
–
4.564
100,00
197,17
21.
Openbarenutsbedrijven
……………..
32.
Medischeen veterinaire diensten
9.033
.-
0,00
9.033
–
–
9.033
00,00
200,00
Groot- endetailhandel
………………
Hotel,caft,restaurant
………………
33.
Cultuuren recreatie
………………..
1.439
3
0,21
1.436
– –
1.436
100,00 199,79
26.
Zee-en luchtvaart
………………….
5.752
319 5,55 5.433
– –
5.433
00,00
194,45
Overigtransportenopslag
……………
Communicatiebedrijven
…………….
35a
Goederenendienslen nietverdeeld
1.805
1.253
552
547
1.099
Bank-enverzekeringswezen
………….
Woningbezit
……………………..
34.
Overigedienslverlening
……………..
b
Verkopendooroverheid
–
296
–
296
–
296
31.
Zakelijkedienslverlening
…………….
2.990
–
2.990
–
2.990
270.538
78.717
29,10
191.821
66.811
4.161
254.471
75,38
46,28
Correclieposten
……………………
36b
Niet concurrerende invoer
10.949
198
10.751
Totalen/gemiddelden
………………
270.538
78.717
29,10
191.821
77.760
4.359
265.222
75,32
146,22
Bron:
CBS, Nationale Rekeningen 1975, Aanhangsels 1 en 2. Berekeningen voor het jaar 1973.
scoorden, zijn tot de nationale sector gerekend. Bedrijfsklassen, die
eveneens tot de oligopoloide sector kunnen worden gerekend, zijn tot
deze sector gerekend. De redenen daarvoor zijn van theoretische aard
en kunnen hier slechts zeer kort aan de orde worden gesteld. Vergelijk
voetnoot 7.
Appendix II. Bepaling van de oligopoloide sector
Een aparte oligopoloide sector is onderscheiden, omdat de prijs-
vorming hier naar verwacht kan worden op een eigensoortige wijze
tot stand komt. In het kader van dit artikel kon niet worden ingegaan
op de verschillende theoretische visies ten aanzien van deze wijze van
prijsvorming, noch kon aandacht worden besteed aan.de empirisch
waarneembare variaties in wijze van prijsvorming in deze sector.
Bij de bepaling en afgrenzing van de oligopolöide sector treden een
aantal ernstige problemen op. Deze zullen er ten dele de oorzaak van
zijn, dat systematisch onderzoek op dit terrein tot nu toe is uitgeble-
ven. In de eerste plaats moet theoretisch worden bepaald, wanneer
van oligopoloide prijsvorming sprake is. In het algemeen kan
daaromtrent worden gesteld, dat hiervan sprake is wanneer markt-
prijzen worden gerealiseerd die systematisch hoger liggen dan de
produktieprijzen, die onder ,,normale” concurrentievoorwaarden
worden gerealiseerd. Een directe empirische waarneming van een
dergelijke winstopslag is niet goed mogelijk. Gezocht moet worden
naar een of meer goede indicatoren.
Het ligt voor de hand om het gemiddelde winstniveau in een be-drijfsklasse of -groep als maatstaf te hanteren. De nadelen daarvan
zijn evenwel legio. Allereerst is betrouwbare empirische informatie
hierover niet voorhanden. Verder kan een surplus winst op verkochte
waren zijn gebruikt om bijvoorbeeld onderbezettingsverliezen te
compenseren of verlieslijdende bedrijven over te nemen. Bovendien
kan de waargenomen fiscale winst een vertekend beeld geven door de
mogelijkheden van winsttransfer, mutaties in reserves en voorraad-
vorming, niet realistische afschrijvingen ed.
Op grond van deze nadelen hebben wij voorlopig een indicator
gehanteerd die de marktbeheersing meet, ofwel preciezer: de concen-
tratie van de afzet. Op grond van de bestaande literatuur is de C
4
–
indicator gekozen, die het marktaandeel van de grootste vier produ-
centen of importeurs meet. Naar onze mening verdient deze
concentratie-indjcator de voorkeur boven de indicator (Theil-coëffi-
ciënt) die gehanteerd wordt in het CBS-onderzoek:
Concentratie en
deconcentratie in nijverheid en deifstoffenwinning,
omdat deze de
concentratie aan de produktiekant meet. In een open economie kan
dat flink verschillen met deconcentratie aan de afzetkant, terwijl deze
laatste indicatief moet worden geacht voor het voorkomen van
oligopoloide prijsvorming. De Theil-coëfficiënt is overigens wèl
superieur aan de C
4
-indicator, omdat het effect van het totale aantal
producenten en importeurs kan worden meegenomen. In één bedrijfs-
groep, 20.8, speelt dit een rol. Deze bedrjfsgroep is derhalve tot de
sector van internationale prijsconcurrentie gerekend.
De bestaande literatuur volgend is een bedrijfsklasse of-groep tot
de oligopoldide sector gerekend als het marktaandeel vande grootste
vier producenten meer dan 50% bedroeg. De cijfers zijn zoveel
mogelijk voor het jaar 1973 of 1974, het ,,midden” van de beschouw-
de periode, verzameld. Een systematische berekening is onmogelijk.
Vaak is de binnenlandse afzet van de grootste vier producenten niet te
bepalen wegens de geheimhouding van het exportpercentage van de
ondernemingen. Veel ondernemingen produceren bovendien voor
veel verschillende markten, zonder dat bekend is welk deel van de
omzet op welke markt wordt afgezet. Voor een aantal bedrijfsgroepen
kon, soms uit interne bedrijfsrapporten, het precieze marktaandeel
worden berekend, dan wel uit bestaande informatie worden overge-nomen. Bedrijfsklassen die evident sterk geconcentreerd zijn, maar
waarvan de precieze marktaandelen (nog) niet te achterhalen vielen, zijn zonder vermelding van marktaandelen opgenomen. Bedrjfsklas-
sen en -groepen, die mogelijk aan het C
4
-criterium voldoen, maar
waarvoor geen exacte marktaandelen konden worden verkregen, zijn
niet opgenomen. Verder onderzoek zal de thans gemaakte indeling
moeten aanvullen en verfijnen.
Een laatste probleem, dat wij hier kort aan de orde stellen, betreft
de bepaling van een markt. In het algemeen is het zo, dat de
marktconcentratie toeneemt naarmate de markt beperkter wordt
gedefinieerd, maar daar staat tegenover dat de substitutiemogelijkhe-
den dan toenemen.
De ideale analyse-eenheid is vermoedelijk de bedrijfssubgroep,
d.w.z. de vier-cijfercode van de CBS standaard-bedrijfsindeling. Het
nastreven van een dergelijke verfijnde indeling stuit echter op het
onoverkomelijke bezwaar, dat het CBS de intern voorhanden infor-
matie uttgesplitst volgens deze vier-cijferindeling niet wil vrijgeven.
De beschikbare informatie, voor zover die openbaar is, laat niet meer
toe dan een drie-cijferindeling en dan ook nog alleen maar voor
bepaalde bedrijfsklassen. Een fijnere indeling van de bedrijfsklassen
chemie en de metaalkiassen is niet mogelijk door de onvergelijkbaar-
heid van de SBI-1974-indeling en de voor 1970 gebruikte indeling.
De chemie is tot de oligopoloide sector gerekend, omdat deze be-
drijfsklasse overwegend (mogelijk met uitzondering van de bedrijfs-
groepen 29.3 en 29.5) sterk is geconcentreerd. De metaalsectoren zijn
tot de internationale concurrentiesectoren gerekend, omdat deze
overwegend (zeker met uitzondering van de bedrijfsgroepen 35.8,
ESB9-11-1977
1109
Inkomensprijzen en
in,komensverdeling
DRS. L.J.M. VAN DEN ENDE
DRS. H.G. VAN GEMERT*
Mede naar aanleiding van kamervragen is op
het Ministerie van Financiën een studie gaande
naar de werking en
effecten
van inkomens-
prijzen. Vooral het verschijnsel dat een toene-
ming van het bruto-inkomen door de werking
van
inkomensafhankelijke
subsidies in sommige
gevallen niet of nauwelijks gepaard gaat met een
toeneming van het besteedbaar inkomen, is regel-
matig aan de orde gesteld. De auteurs, mede-
werkers van het Ministerie van Financiën, pogen
te komen tot een genuanceerde benadering van
het verschijnsel inkomensprijzen. Naast de ge-
volgen voor de marginale druk bezien zij ook de
bestedingsverruimende en inkomensnivellerende
effe(
–
ten. Tevens wordt aandacht besteed aan de
omvang van de groepen waarvoor cumulatie
optreedt.
Het verschijnsel ,,inkomensprijzen” krijgt hoe langer hoe
meer aandacht in pers, vakbladen en parlement 1). Mede ook
naar aanleiding van vragen van Dr. W. Drees, tot voor kort
lid van de Tweede Kamer, is op het Ministerie van Financiën
een studie gaande naar dit verschijnsel. Hoewel deze studie
nog geenszins is afgerond, kunnen enkele partiële resulta-
ten reeds thans worden vermeld.
Bij ,,inkomensprjzen” wordt meestal in eerste instantie
gewezen op twee wettelijke regelingen: het stelsel van indivi-
duele huursubsidies en het systeem van rijksstudietoelagen.
De uitkeringen, die krachtens deze regelingen worden gege-
ven, zijn namelijk gerelateerd aan de inkomenspositie van de
betrokkene, zodat de prijs voor woon- en studiediensten
inkomensafhankeljk is.
Meer in het algemeen wordt het begrip inkomensprijs
gehanteerd, wanneer van goederen of diensten de prijs die per
standaardhoeveelheid in rekening wordt gebracht niet voor iedereen gelijk is, maar wordt uitgedrukt in een percentage
van het inkomen van de ontvanger 2). Door dit systeem, dat de
overheid toepast bij de prijsvorming van een aantal basisvoor-
zieningen, wordt bereikt dat voor lagere inkomensgroepen de
individuele prijs beneden de ,,marktprijs” komt te liggen.
Behalve de genoemde woon- en studiediensten worden ook
andere overheidsvoorzieningen tegen inkomensprijzen aan de
consumenten ter beschikking gesteld. Hierbij kan gedacht
worden aan de diensten van allerlei maatschappelijke en
culturele instellingen (kruisverenigingen, scholen). Het be-
treft hier door de overheid gesubsidieerde voorzieningen
* Beide auteurs, werkzaam bij het Ministerie van Financiën, zijn
betrokken bij een studie over werking en effecten van inkomensprij-
zen. Zij zijn dank verschuldigd aan hun collega Mej. Drs. J. Koenen,
die een deel van de berekeningen in dit artikel uitvoerde.
T) Zie het aan het slot van dit artikel opgenomen overzicht van
publikaties. In de tekst wordt daarnaar verwezen door de nummers van de publikaties in dit overzicht tussen haakjes te vermelden.
37.6 en 37.7) niet sterk zijn geconcentreerd qua relevante internatio-
nale markt, althans ons het tegendeel daarvan niet is gebleken.
De nu volgende lijst moet, gezien de aangestipte problemen, met
alle reserves worden beschouwd als een eerste, voorlopige bepaling
van de oligopoloide sector van de Nederlandse economie.
12.0
Aardolie en aardgaswinning (NAM)
19.2
Zoutwinning (AKZO)
19.9
Overige delfstoffenwinning (19.92 UCN)
20.2
Zuivelindustrie (o.a. Meldoc)
20.4
Meel, gort en rijst (Wessanen en Meneba ca. 80%)
20.5
Suikerindustrie (Suiker Unie en CSM 1009ó)
20.6
Margarine, oliën en vetten (Unilever 65 â 70%)
21.1
Zetmeel (Avebe en KSH – meer dan 50%)
21.2
Veevoeder (Cebeco, Cargill soja, Hendrix, Unilever ca.
80%)
21.3
Overige (o.m. 21.32 koffie/thee DE 51,5%165%)
21.4
Alcohol en destilleerderjen (ZNSF 65% alcoholproduktie,
Heineken 20% en Bols 30% van het gedestilleerd)
21.5
Bierbrouwerjen en -mouterijen (Heineken ca. 60%)
21.7
Tabak (Rothmans
35%,
Tabacofina 36%, British American
Tobacco Company
20%,
Philip Morris 59ó)
28
Aardolie-industrie
29
Chemische industrie(o.a. 29.1 Kunstmest(UKF5O%, NSM
21%, Esso Chemie
15%,
Windmill 5%en Zuid Chemie 1%),
vergelijkbare concentratiegraden in de overige bedrijfsgroe-
pen, behalve 29.3 en 29.5; 29.71 Zeep, was- en reinigings-middelen (Unilever ca.
60%),
sterke concentratie op deel-
markten, o.a. in 29.61 Geneesmiddelen en 29.72
Parfumerie en cosmetica)
30
Kunstmatige en synthetische garen- en vezelindustrie (we-
reldmarktaandeel exclusief Japan en Oostblokin 1974: Du Pont 27,1%, AKZO 19,2%, RhônePoulencl2,9%, Hoechst
9,6, lCl 9,2, Bayer 5,4%)
31
Rubber- en kunststofverwerkende industrie (o.a. 31.11
Rubberbanden (Michelin 25%, Goodyear 25%,
Vredestein/ Goodrich 25% en 25% voor Dunlop en Uniroy-
al))
33
Basismetaal (EG-aandelen British steel 16%, August Thys-
sen
8%,
Estel
7%, Wendel/Sidélor/Usinor 10%—Estel meer
dan 50% van de Nederlandse markt voor staalprodukten;
sterke concentraties in de non-ferrosectoren)
36
Elektrotechniek (36.1 draad en kabel (EG-aandeel van
Philips ca. 70%), 36.9 overige (Philipsaandeel in wereld
(excl. Japan, USA, China, Oostblok)markt voor gloeilam-
pen 33%, tI 39%, tv kleur 27,9%, beeld- en ontvangstbuizen
55%, dioden en transistors 60% enz.). In de professionele
Sector sterke concentraties, om. in elektromedische appara-
tuur, telecommunicatie, computers, en specialistische kapi-
taalgoederen)
40
Openbare nutsbedrijven
73/5
Zee- en luchtvaart. In de beschouwde periode Spelen tame-
lijk effectieve internationale, door overheden nageleefde,
kartelmatige prijsafspraken een belangrijke rol
77
Communicatiebedrijven (PTT)
81
Banken(o.a. ABN 279ó, Rabo
25%,
Amro 24%, NMB 10%)
82
Verzekeringen (Leven NN
26%,
Delta Lloyd 10%, Amev
13%, Ennia 12%, de schadesector is minder sterk geconcen-
treerd; kartelafspraken spelen een belangrijke rol)
1110
waarvan meestal een deel van de kosten door middel van een
retributiesysteem aan de gebruiker in rekening wordt ge-
bracht. In dit verband kan ook het recentelijk gerealiseerde
voorstel genoemd worden om de hoogte van de ouderbijdrage
voor kinderdagverblijven te koppelen aan het netto maandin-
komen. Overigens worden niet alleen door de overheid, maar
ook door de particuliere sector inkomensprijzen gehan-
teerd 2).
Effecten van inkomensprijzen
Reeds bij diverse gelegenheden 3) is het verschijnsel gesig-
naleerd dat een toeneming van het bruto-inkomen in sommige
gevallen mede door de werking van inkomensafhankeljke
subsidieregelingen niet of nauwelijks gepaard gaat met een
toeneming van het besteedbaar inkomen. Het is zelfs niet
uitgesloten dat de situatie zich voordoet dat het besteedbaar inkomen afneemt. Hoewel belasting- en premieheffing voor
een belangrijk gedeelte hiervoor verantwoordelijk zijn speelt
de werking van de inkomensprjzen een steeds grotere rol.
Degenen die de tegemoetkomingen ontvangen_en juist zij-
worden namelijk tevens met een verzwaring van de voor hun
inkomen relevante marginale druk geconfronteerd. Bij reële
individuele inkomensgroei zal de overheid immers meer en
meer afzien van de op grond van het herverdelingsmotief
verstrekte prijssubsidies.
Het hanteren van inkomensprijzen kan tot ongewenste
spanningsverschijnselen aanleiding geven 4). De verzwaring
zou kunnen leiden tot een verdergaande tendens tot afwente-
len. Ook is het mogelijk dat de financiële prikkel om meerte
presteren erdoor afneemt (5). De neiging tot zwarte bijver-
dienste kan worden versterkt (3). Omdat ten slotte de opge-
treden lastenverzwaring vaak pas achteraf wordt beseft, kan
de sociale ontevredenheid groeien (3). In zekere zin doet zich
hier een vergelijkbaar verschijnsel voor als bij de belastinghef-
fing, al is op zich zelf bezien bij de inkomensprjzen daar
minder aanleiding voor.
Een genuanceerde benadering van het verschijnsel in-
komensprjzen is een eerste vereiste voor een goede analyse,
m.n. omdat er in feite twee effecten tegelijkertijd optreden,
n.l.:
een
bestedingsverruimend
effect, dat optreedt doordat
tegemoetkomingen op het gebied van wonen, onderwijs,
gezondheidszorg en maatschappelijke hulp worden ver-
strekt, waardoor bestedingen in deze sfeer worden moge-
lijk gemaakt resp. andere bestedingen worden veilig ge-
steld;
een
nivellerend
effect, dat optreedt vanwege de inkomens-
afhankelijkheid van genoemde tegemoetkomingen,
waardoor deze vooral aan de laagstbetaalden ten goede
komen.
Dit artikel gaat vooral in op het nivellerend effect. Voor een
goed begrip is echter eveneens het bestedingsverruimend
effect van belang, omdat hierin de primaire doelstelling van de
besproken subsidies is gelegen.
Het afbouwelement in de regelingen, moet vanuit de invals-
hoek van de bestedingsverruiming meer gezien worden als een
neveneffect,
een constatering die overigens niets af doet aan
de problematiek als zodanig die erdoor wordt opgeroepen en
die voorts direct bepalend is voor de richting waarin naar
oplossingen of verlichting van deze problemen moet worden
gezocht.
Nivellering en marginale druk
Met betrekking tot het nivellerende effect zijn in recente
artikelen (3, 6, 9, II) berekeningen verschënen, waarbij de
cumulatieve druk op de inkomenstoeneming is berekend door
de marginale druk van de belastingen, premies en inkomens-
afhankelijke subsidies op te tellen
(de marginale benadering).
Voor de volledigheid van de analyse worden in dit artikel
dezelfde soort berekeningen gepresenteerd. Men dient echter
te beseffen dat bij deze methode enig voorbehoud op z’n
plaats is.
• Een eerste kanttekening bij de marginale benadering
betreft de vraag of publiekrechtelijke uitkeringen (zoals
huursubsidie en rij ksstudietoelage) naar hun aard zodanig
gelijk zijn te stellen aan publiekrechtelijke heffingen (be-
lastingen, premies), dat optelling van marginale percenta-
ges verantwoord is. Bij bedoelde subsidies gaat het om
inkomensverruimende tegemoetkomingen die tot doel
hebben bepaalde bestedingen van het gezin zelf
(wonen,
studeren) mogelijk te maken dan wel andere bestedingen
te handhaven, terwijl de heffingen daarentegen nodig zijn
voor de financiering van gemeenschapsvoorzieni n gen.
De
tegemoetkomingen zijn voorts aan een bepaalde besteding
gebonden en zijn bovendien evenals bijzondere belas-
ting-aftrekposten individueel bepaald.
• Daarnaast kan tegen optelling nog het volgende worden
aangevoerd. In de eerste plaats dragen inkomensprjzen
veelal een tijdelijk karakter. Bij de individuele huursubsi-
die bijvoorbeeld verdwijnt het probleem bij verhuizing
naar een eigen woning ofdure huurwoning. Bij de rijksstu-
dietoelage daalt de marginale druk met 43% (zie tabel 1) zo
gauw zoon of dochter afstudeert. Daarbij geldt verder dat de daling van een tegemoetkoming of reductie gemiddeld
genomen pas na 1 jaar wordt ervaren, terwijl een belasting-
verzwaring of toeneming van sociale premies onmiddellijk
ingaat. In de tweede plaats komen de subsidies voor een
groot deel terecht bij mensen met een inkomensontwikke-
ling die doorgaans niet leidt tot een vermindering van
subsidie, omdat de tabellen jaarlijks worden aangepast
(met name de niet-actieven).
Behalve door het sommeren van afzonderlijke marginale-
drukpercentages is de nivellerende werking der inkomensprij-
zen te analyseren door
verticale vergelijking
van netto inko-
mens mcl. subsidies binnen een bepaalde bevolkingsgroep.
Op die wijze lijkt een meer algemene en juiste analyse van het
nivellerend effect der prjssubsidies bereikbaar. Na te gaan is
dan immers in hoeverre en waar in de inkomensverhoudingen
het systeem van inkomensprjzen aanleiding geeft tot onbil-
ljkheden en knelpunten. Wanneer bijv. het éne gezin t.o.v.
een ander gezin een groter bruto-inkomen heeft, terwijl het
voor het overige in gelijke omstandigheden verkeert, zou het systeem der inkomensprijzen er niet toe mogen leiden, dat dit
laatste gezin netto minder te. besteden- zou hebben.. Als.
dergelijke vergelijkingen aktueel zijn, wordt het doel der
regelingen, spreiding van bestedingsmogelijkheden, voorbij
geschoten. Ook indien het netto-inkomensverschil slechts
gering is, kan afhankelijk van het criterium dat men met
Een aantal premies van sociale verzekeringen zou men eveneens inkomensprijzen kunnen noemen. Het verstrekkingenpakket van de Ziekenfondswet, de kinderbijsiaguitkeringen en het AOW-pensioen
zijn voor iedereen gelijk, terwijl de financiering naar rato van het
inkomen plaats vindt. Bij een dergelijke redenering legt men het
accent op het verzekeringskarakter van deze wetten. Wordt de sociale
zekerheid, mede op grond van het permanente en verplichte karakter van de premieheffing, meer benaderd als een collectieve voorziening – hetgeen zeker wat betreft de volksverzekeringen niet onredelijk is –
dan is het moeilijker om te spreken van inkomensprijzen, net zo min als dat gebeurt bij belastingheffing. In zekere zin zou men (alhoewel
dat in dit artikel niet gebeurt) ook de uitkeringen krachtens de
Algemene Bijstandswet bij een beschouwing over inkomensprijzen
kunnen betrekken, omdat eigen inkomsten in mindering worden
gebracht (means test). Hetzelfde geldt voor inkomensoverdrachten
Uit hoofde van enkele werknemersverzekeringen.
Als recent voorbeeld kan de vergadering van 29 april ji. van de
Nederlandse Vereniging voor Openbare Financiën worden genoemd
(12).
Praktisch alle in het publikatieoverzicht genoemde auteurs wijzen hierop.
ESB 9-11-1977
Tabel 1. Samenvattend overzicht van de belangrijkste pu-
bliekrechteljke regelingen met inkomensaJ7iankeljkheid
(1976)
lnkomcnsprijs
Maatstaf
Marginaledruk
op toeneming
maatstaf
Grenzen van de maatstal
waartussen inkomens-
afhankelijkheid bestaat
lndividaele
Belastbaarjaar-
Aflopend van ge-
f. 16.500
–
f. 33.000
huarsabsidiea)
inkomen 1975
middeld 36% tot
+
13%
gemiddeld 12%.
Rtjksstadieioelage b)
Belastbaarjaar-
continu
43%
(197611977)
inkomen 1975
uitwonend
f. 16.590
–
f. 35.900
thuiswonend
f. 16.590
–
f. 29.870
Tegemoetkoming
Belastbaarjaar-
stadiekosten inkomen 1975
(197611977)
uitwonend gemiddeld 242%
f. 16.590
–
f. 27.390
thniswonend
gemiddeld 15,3% f. 16.590
–
f. 18.750
reiskosten(max.)
gemiddeld 20,8%
f. 18.750
–
f. 23.070
Retributie gezins-
Netto maand-
gemiddeld 13%
f.
1.070
–
f.
1.500
verzorging c) d)
inkomen
gemiddeld 26%
f.
1.500
–
f.
3.200
Premie bejaarden-
Geschat bruto
gemiddeld 57,0% f. 13.844
–
f. 14.284 z,ekenfondsverze-
jaarinkomen
gemiddeld 56,3%
f. 14.284
–
t 14.726
kering/vrijwillige
1976e)
gemiddeld 13,5% f. 14.726
–
f. 16.584
ziekenfondsverzekering
gemiddeld 27,5% f. 16.584
–
f. 18.441
gemiddeld 18,4%
f. 18.441
–
t. 20.330
gemiddeld
15,9%
t. 20.330
–
t. 22.218
Geen huursubsidie wordt verstrekt, indien de jaarhuar lager is danf. 1.835 of hoger dan
f. 5.850.
Vermindering van de stadietoelage doet in het algemeen recht op kinderbijslag en
kinderaftrek ontstaan.
Gedarende een periode langer dan 8 weken. Voor kortstondige hulp luiden de cijfers
anders.
Indien minder dan 22 uren per week hulp wordt ontvangen, daalt de bovengrens van de
inkomensafliankelijkheid. Zo is de bovengrens f. 1.950bij8urengezinsverzorgingperweek.
Exclusief onder meer vakantiegeld.
betrekking tot de inkomensnivellering wenst te hanteren,
echter van een knelpunt gesproken worden.
Om dezelfde reden dient men te beseffen, dat knelpunten in
de inkomensverdeling niet slechts kunnen ontstaan, wanneer
de afbouw van twee of meer regelingen cumuleert, maar dat
ook regelingen afzonderlijk hiertoe aanleiding kunnen geven.
Bij de door ons voorgestane methode van verticale vergelij-
king van bruto en netto inkomens, waarbij rekening wordt
gehouden met de invloed van de inkomensafhankelijke subsi-
dies, wordt niet alleen de marginale drukverzwaring maar ook het totale effect op de personele inkomensverdeling zichtbaar.
Een groot verschil in bruto-inkomen met tegelijkertijd een
klein verschil in netto-inkomen kan aanleiding geven tot enig
,,jaloezie-effect” met dezelfde gevolgen als eerder werden
gesignaleerd. Door zich eenzijdig te richten op de effecten der
prijssubsidies, voor de marginale druk (een methode waar
kanttekeningen bij geplaatst zijn en die bovendien slechts
voor een kleine groep subsidie-ontvangers actueel zal blijken
te zijn) blijft de invloed op de interpersonele inkomens-
verhoudingen eigenlijk onduidelijk.
Kwantificering van effecten en aantallen
Overwegingen van praktische aard dwingen tot een beper-
king van het aantal inkomensprijzen, dat in deze paragraaf
nader wordt behandeld. Slechts de belangrijkste door de
centrale overheid vastgestelde inkoniensafhankelijke regelin-
gen zullen worden bezien. In concreto spitst de kwantificering
zich toe op:
• individuele huursubsidies (HS);
• rijksstudietoelagen (RST);
• tegemoetkomingen studiekosten (TSK);
• retributies gezinsverzorging (GV); • premies bejaardenziekenfondsverzekering (ZF).
Tabel 1 geeft een kort overzicht van deze regelingen, met
name van de wijze waarop de koppeling aan het inkomen van
de verschillende uitkeringen en betalingen wordt gerealiseerd.
In de volgende twee paragrafen wordende inkomensnivel-
lerende en bestedingsverruimende effecten, zowel per regeling
afzonderlijk als bij het samengaan van verschillende regelin-
gen, gekwantificeerd. Tevens is gepoogd op basis van de
deelname per regeling en gegevens over dè inkomensverdeling
tot een schatting te komen van het aantal gevallen waarin
cumulatie van regelingen kan optreden. Bij deze schatting,
evenals trouwens bij de kwantificering van de effecten, wor-
den de groep ,,gezinnen met kinderen” en de groep ,,bejaar-
den” afzonderlijk, bezien. Aangenomen is, dat in het eerste
geval de individuele huursubsidies, de rij ksstudietoelagen en
de tegemoetkomingen studiekosten een rol spelen en dat in
het laatste geval de huursubsidies, de bejaardenziekenfonds-
premie en de tarieven voor gezinsverzorging in aanmerking
moeten worden genomen.
De omstandigheid dat inkomensafhankelijke subsidies
geen algemeen karakter hebben— dit in tegenstelling tot de
heffing van belasting en de inning van sociale premies-
bemoeilijkt uiteraard het inzicht in de mate waarin meer dan
één regeling tegelijkertijd kan voorkomen. Het aantal men-
sen, dat van één van de regelingen gebruik maakt, beloopt
slechts een fractie van het totaal aantal inkomenstrekkers of
gezinnen in Nederland. A fortiori kan dit gezegd worden van
het aantal mensen, dat van meer dan één regeling gebruik
maakt.
Gezinnen met kinderen, inkomenseffecten
Bij de groep gezinnen met kinderen beperken we ons tot de
effecten van de individuele huursubsidie en de rijksstudietoe-
lage
5).
Tot welke marginale percentages de inkomensafhan-
kelijkheid van deze twee regelingen in samenhang met de
belasting- en premieheffingkan leiden is weergegeven in tabel
2. De tabel laat zien, dat voor de lagere inkomens vooral de
huursubsidieregeling tot hoge marginale drukpercentages
aanleiding geeft, terwijl de rijksstudietoelageregeling eerst bij de wat hogere inkomens een sterke afbouw gaat vertonen. Het
huidige studietoelagestelsel kent een afbouwpercentage van
43% wanneer het belastbaar inkomen van de ouders boven de
bijdragevrje voet ligt. Daar staat tegenover dat in het alge-
meen recht op 1, 2 of 3X kinderaftrek en kinderblijslag be-
staat, indien de ouderlijke bijdrage in de kosten van levens-
onderhoud respectievelijk de 10%,
50%
of 90% overschrijdt. Deze compensatie voor de afneming van de rijksstudietoelage
komt in tabel 2 op drie inkomensniveaus tot uitdrukking in
een onregelmatig verloop van de marginale druk bij een inko-
mensgroei van bruto f. 2.000. Door het schoksgewijs ont-
staan van het recht op kinderaftrek en kinderbijslag blijft
echter over betrekkelijk grote inkomensintervallen een margi-
nale druk van 43% op een toeneming van het belastbaar inkomen in stand 6). Een vierde onregelmatigheid in het
verloop van de marginale druk wordt veroorzaakt door het
wegvallen van de ziekenfondspremie boven de loongrens voor
de ziekenfondswet (f. 30.900).
De retributieregeling voor gezinsverzorging blijft buiten beschou-wing, omdat gezinshulp hier doorgaans incidenteel en van zeer korte duur zal zijn; de kwantitatieve invloed is dan gering. Ook de regeling
tegemoetkoming studiekosten, die wel bij de aantallenschatting zal
worden meegenomen, blijft op grond van de geringere bedragen die in
deze regeling omgaan, hier buiten beschouwing.
In dit verband is het van belang op te merken dat de door de
regering geplande invoering van een nieuw studiefinancieringsstelsel
volgens de huidige voorstellen zowel tot een matiging als tot een meer
regelmatig verloop van de marginale effecten zal leiden. Die voor-
stellen komen erop neer dat aan alle studerenden boven 18 jaar
aan het wetenschappelijk Onderwijs en het hoger beroepsonder-
wijs een basisbeurs zal worden toegekend, die ongeveer overeenkomt
met het gemiddelde provenue van 2X kinderaftrek en kinderbijslag voor een thuiswonende student en 3X kinderaftrek en kinderbijslag voor een uitwonende student. Indien het ouderlijk inkomen lager is
dan,
21/2X
het minimumloon wordt een aanvullende beurs verstrekt,
die beneden 1
/X
het minimumloon maximaal is en daarboven met een kortingspercentage van 16% wordt afgebouwd.
1112
Tabel 2. Marginale effecten van belasting, sociale premies,
huursubsidie en rjksstudietoelage
(mci.
evi. kinderbijslag) in
procenten van een bruto inkomensverschil vanf 2.000 voor
een werknemer die een huurhuis vanf 3.600 perjaar bewoont
en een uit wonend, bi] het wetenschappelijk onderwijs stude-
rend, kind heeft (1976)
Bruto- inkomen
Marginale percentages als gevolg van
Belasting a)
Sociale premies
HS
RST+ KB b)
Som van de mar-
ginale percentages
18.000
22,7 21,5
9 0
53,2
20.000
22,7
21,0
24
6,0
73,7
22.000
1,8
22,0
33
1,6
68,4
24.000
24.4
21,5
15
34,5 95,4
26.000
26.9
17,2
12
33,3
89.4
28.000
26,8
16,5
0
32.8
76,1
30.000
10.2
9,6
0
12,8
32,6
32.000
26,8
16,5
0
33,0
76,3
34.000
18.9 16.6
0
-25,6
9,9
36.000
27.4
16,5
0
33,0
76,9
38.000
36.6
8,5
0
36,0
81,1
40.000
37,9
5,3
0
37,5
80,8
42.000
37.9
5.3
0
37,3
80,5
44.000
28,1
5,3
0
-20,8
12,6
46.000
42.3
5,3
0
14,3
61,9
48.000
49.6
0,8
0
0
50,4
50.000
a) Bij de berekening van de marginale belastingdruk is rekening gehouden met de voor
iedereen geldende aftrekposten. Individueel bepaalde aftrekposten blijven buiten beschou-
wing.
bi Rechtop IX, 2Xof 3X KAB bestaat in het algemeen, indiende ouderlijke bijdrage resp.
10%. 50% of 90% van de onderhoudskosten overschrijdt. De onderhoudskosten zijn hier
gelijkgesteld aan de maximum studietoelage. Het effect van de kinderaftrek komt tot
uitdrukking in de kolom belasting.
Tabel 2 bevestigt de in het verleden door andere auteurs
gemaakte berekeningen die aantonen, dat vooral rond het
inkomen van de modale werknemer de marginale effecten bij
inkomensgroei tot grote hoogte kunnen oplopen. Zoals
uiteengezet in de vorige paragraaf moet, vooral met het oog
op het tijdselement in de vergelijking, enig voorbehoud
gemaakt worden, indien de percentages van de tabel zonder
meer worden opgeteld en toegepast op de reële bruto-
inkomenstoeneming van een individu.
Tabel 3 biedt in vergelijking met tabel 2 meer mogelijkhe-
den om de gevolgen voor de inkomensverdeling van de hier
beschouwde subsidies te bezien. Per regel komt in de laatste
twee kolommen allereerst de bestedingsverruimende werking
van de huursubsidie en de rijksstudietoelage tot uiting. Verti-
caal tonen de dalende percentages het nivellerend effect van
de regelingen. In hoeverre een afnemend percentage ook een afnemend subsidiebedrag impliceert laten de kolommen 3 en
4 zien. De nivellerende werking blijkt bovendien bij een
interpersonele vergelijking van netto-inkomens exclusief
subsidies met netto-inkomens inclusief subsidies. Zo daalt de
verhouding tussen de hoogste en de laagste in de tabel
vermelde inkomens van 2,8 naar 2,5 als gevolg van belasting-
en premieheffing en van 2,5 naar 1,5 als gevolg van de in
beschouwing genomen subsidies. Rondom het modale inko-
men kan een nog sterkere mate van nivellering worden
waargenomen. In het interval f20.000 tot f30.000 worden de
inkomensverschillen ten gevolge van belastingen en premies
tot 60% en vervolgens door de werking van subsidies tot 20%
gereduceerd.
Tabel 3. Bestedingsverruimend en inkomensnivellerend ef-
fect van individuele huursubsidie en rjkssiudietoelage a)
voor hei gezin uit tabel 2
Bruto- inkomen
Netto-inkomen
cxci. subsidiesb)
115
RST+KB
Netto-inkomen
mcl. subsidies cl
Bestedingsvcrruimcnd
effect dl van
EIS
RST+KB
8.000
12.886
1.860
8.300
23.046
14,4%
64.4%
20.000
14.002
1.680
8.300 23.982
12,0%
59.3%
22.000
15.27
1.200
8.180
24.507 7,9
54,1
24.000
16.451
540
8.148
25.139
3.3
49,6
26.000
17.534
240 7.458 25.232
1,4
42,5
28.000
18.654
–
6.793
25.447
–
36,4
30.000
19.789
–
6.138 25.927
–
31,0
32.000
21.393
5.883 27.276
–
27,5
34.000
22.528
–
5.223
27.751
–
23,2
36.000 23.819
–
5.734 29.553
–
24,1
38.000
24.941
–
5.074 30.015
–
20,3
40.000
26.039
–
4.354
30.393
–
16,7
42.000 27.176
3.604
30.780
–
13,3
44.000
28.313
–
2.859
31.172
.-
10,1
46.000
29.646
–
3.275
32.921
–
11.0
48.000
30.696
–
2.990 33.686
–
9.7
50.000
31.688
–
2.990 34.678
–
9,4
inclusief evt. kinderbijslag.
De premie particuliere ziektekostenvcrekering voor inkomens hoven de loongrens is
gesteld op de maximumpremie voor de verplichte ‘ickcnfondsserzckcring.
D.w.z. vdôr aftrek van de gesubsidieerde bestedingen.
in procenten van het netto-inkomen excl. subsidies.
Tabel 4. Aantal toekenningen van huursubsidie en ri]ksstu-
dietoelage per inkomensklasse aan gezinnen met kinderen in
1976
Klasse belastbaar
inkomen
Huursubsidie
Rijksstudietoelage
Beide
<
14.250
47.500
11.200
3.100
14.250- 17.100
12.500
7.600 650
17.100- 20.200
10.400
9.800
450
20.200- 23.000
5.100
12.400
200
23.000 -25.700
2.700
12.800
125
25.700 – 28.500
1.400
12.000
100
28.500- 31.300
250
9.600
15
31.300- 34.000
150
7.300
10
>
34.000
–
19.300
–
80.000
102.000
4.650
Gezinnen met kinderen, cumulatiekansen
In deze paragraaf zal worden nagegaan in hoeverre de
hiervoor gemaakte berekeningen algemene geldigheid bezit-
ten, m.a.w. hoe groot de groepen zijn waarvoor deze effecten
zich voordoen. Voor de HS en de RST staan voldoende
gegevens ter beschikking omtrent de verdeling van het aantal
toekenningen naar gezinssamenstelling en naar inkomen, om
tot een benadering te komen van de omvang van de groep, die
zowel HS als RST ontvangt.
De individuele huursubsidie had in de periode 1976/77
betrekking op circa 360.000 gezinnen en alleenstaanden. In
het subsidiejaar 1974/75 werd 22% van het aantal subsidies verstrekt aan gezinnenmet kinderen (8). Nemen we aan, dat
dit percentage ook voor 1976/77 geldt dan ontvingen in die
periode circa 80.000 gezinnen met kinderen huursubsidie.
Het aantal studenten in Nederland (WO + HBO) wordt
voor het studiejaar 1976177 geraamd op iets minder dan
250.000. Hiervan komen er ongeveer 102.000 in aanmerking
voor een gehele of gedeeltelijke rijksstudietoelage. In deze
102.000 studenten zijn begrepen studenten van 27 jaar en
ouder, voor wie het inkomen van de ouders voor de toeken-
ning van een toelage geen rol meer speelt. Dit geldt ook voor
studenten, van wie de ouders weigeren in de studiekosten bij te
dragen. Daarnaast omvat het genoemde aantal ook gevallen
van meer studenten uit één gezin. Niettemin is een cijfer van
102.000 aangehouden. Wanneer deze aantallen van resp.
80.000 en 102.000 in verband worden gebracht met het totaal
aantal gezinnen met kinderen in Nederland met een inkomen
beneden de bovengrens van de HS-regeling dan leidt een
eenvoudige kansberekening tot 5.200 cumulatiegevallen.
Daarbij is de veronderstelling gemaakt dat er geen positieve of
negatieve correlatie is tussen het ontvangen van HS en het
ontvangen van RST.
Wanneer ook de verdeling over de inkomensklassen van het
aantal toekenningen resp. het aantal gezinnen met kinderen in
de berekening wordt betrokken is een nadere specificatie van
de cumulatie per inkomensklasse mogelijk. Tevens komt
daardoor de totaaluitkomst wat lager te liggen nI. op 4.650.
Een en ander is weergegeven in tabel 4.
ESB 9-11-1977
1113
De tabel laat zien dat het bij bovengenoemde (cumulatie
van) regelingen veelal gaat om mensen met een inkomen
beneden de grens, waarde afbouw begint. Voor hen is daarom
de marginale benadering, d.w.z. de vermindering van HS of
RST bij een rede toeneming van het inkomen niet van
toepassing zodat deze benadering slechts op maximaal ca.
1.000 gezinnen van toepassing zal zijn 7).
Overigens betekent dit niet dat de groep die zich niet in het
afbouwinterval bevindt verder geheel buiten beschouwing
kan blijven en bij de interpersonele inkomensvergelijking
(tabel 3) gebeurt dit ook niet. Juist het feit, dat een extra reële
loonsverbetering geen gevolgen heeft voor de hoogte van de
uitkeringen kan leiden tot een min of meer onbilljke netto-
inkomenspositie gezien vanuit de situatie van diegenen voor
wie extra toeneming van inkomen wel vermindering van
subsidie tot gevolg heeft.
In het voorgaande is ervan afgezien om ook voor de TSK
de nivellerende en inkomensverruimende effecten in tabel-
vorm te presenteren. Hoewel een groot aantal gezinnen van
deze regeling gebruik maakt (ca. 237.000 in 1976/77) is het
geldelijk belang betrekkelijk gering 8). De maximale tege-
moetkoming bedraagt namelijk f. 330 per jaar (1976/ 1977)
plus eventueel een eveneens aan het inkomen gekoppelde
vergoeding voor reiskosten.
Een verdeling van de TSK naar het inkomen van de
ontvangers is niet beschikbaar. Een schatting van het aantal
gevallen waarin cumulatie optreedt met HS en/of RST is dus
slechts op zeer globale wijze via kansberekening mogelijk. Op
grond van een dergelijke berekening kan het aantal ontvan-
gers van zowel
TSK als HS
bij benadering worden gesteld op
10.000, terwijl voor het samengaan van
TSK en RST
een
aantal van rond 20.000 kan worden aangehouden. Het aantal
cumutatiegevallen waarbij tevens van inkomensafhankelj k-
heid sprake zal zijn (met name van belang voor de marginale
benadering) zal maximaal ca. 5.000 resp. 2.000 bedragen.
Het laatstgenoemde aantal is relatief klein, omdat de in-
komensafhankelijke trajecten van TSK en RST, gezien het feit dat de bijdragevrije voet in de RST-regeling voor ieder
ander fiscaal kind f. 2.300 hoger wordt, elkaar nauwelijks
overlappen.
De groep bejaarden, inkomenseffecten
Bij de groep bejaarden zijn de huursubsidie, de retributie
gezinsverzorging en de bejaardenziekenfondspremie in be-
schouwing genomen voor het beoordelen van de bestedings-
verruimende en inkomensnivellerende effecten van inkomens-
prijzen, alsmede voor. de schatting van de omvang van de
groepen waarvoor cumulatie van regelingen optreedt.
Tabel 5 toont aan, dat marginale effecten van grote omvang
zich met name kunnen voordoen bij inkomens tegen de
1F20.000. Echter, ook voor degenen die naast hun AOW-
uitkering weinig andere inkomsten hebben, kan de marginale
druk hoog oplopen, vooral als gevolg van de sterke inkomens-
afhankelijkheid van de bejaardenziekenfondspremie. Deze
premie is ook verantwoordelijk voor het grillige verloop van
de percentages in 4e laatste kolom 9).
Inzicht in zowel het bestedingsverruimende als het in-
komensnivellerende effect van de prijssubsidies geeft tabel 6. Uit deze tabel blijkt duidelijk dat als gevolg van de genoemde
regelingen het besteedbaar inkomen van bejaarden (véér
aftrek van de gesubsidieerde uitgaven) aanmerkelijk is ver-
groot.
Evenals in tabel 3 geeft het verloop van de bestedingsverrui-
mende percentages in de laatste kolom inzicht in het inko-
mensnivellerend effect van de .’prijssubsidies. Uitgedrukt in
een verhoudingscijfer neemt de verhouding tussen het hoogste
en het laagste in de tabel vermelde inkomen af van 1,9tot 1,7
als gevolg van belastingheffing en van 1,7 tot 1,2 uit hoofde
van subsidies.
Een notoir knelpunt in de netto-inkomensverhoudingen
komt in deze tabel duidelijk naar voren; Een bejaard echtpaar
in de omstandigheden zoals in de tabel beschreven met een
Tabel 5. Marginale effecten van belasting, hejaardenzieken-
,fondsverzekering, huursubsidie en retrihutie gezins verzor-
ging in procenten van een bruto-inkomensverschil vanf: lOCO voor een echtpaar van 65 jaar
of
ouder, dat een huurhuis van
f
3.600 per jaar bewoont en gedurende het gehele jaar 1 dag gezinsverzorging per week geniet (1976)
Marginalc percentages alsgevolgvan
Bejaarden-
Retributie
Som van de
Bruto-
Belastinga)
ziekenfonds
Huur-
gezins-
marginale
inkomen
subsidie
verzorging
percentages
3.400 (AOW)
4.400
20
0
0
13
33
1
5.400
20
25,1
0
0,4
55.5
6.400
20.2
49,1
0
10,4
79,7
7.400
26
0
30
15,6
71.6
18.400
26
51,2
36
11,7
124,9
19.400
26
0
30
13
69
400
26
34,7 36
16,9
113,6
20.400
21
.
26
0
24
13,0
63
22400
26 30
12
11,7
79,7
23..400
28.4
0
18
27,3
73,7
24.400
32
28,4
0
14,3
74,7
25.400
32
0
0
15,6
47,6
a) zie voetnoot a tabel 2
Tabel 6. Best edingsverruimend en inkomensnit’ellerencl
effe(t van de gereduceerde ziekenfbndspremie, de individuele
huursubsidie en de retrihutieregeling gezinsverzorging voor
het bejaarde echtpaar uit tabel 5
Bruto-
inkomen
Netto-
inkomen
excl.
subsidies
Reductie
zieken
fonds-
premie
Huur-
subsidie
Reductie
gezins-
verzorging
Netto-
inkomen
mcl.
subsidiesa)
Bestedingsverruimend
effect b) van
ZE
HS
13v
13.400(AOW)
12.908
2.193
1.860
2.288
19.249
17%
14,4%
17.7%
4.400
13.708
2.193
1.860
2.158
19.919
16
13,6
15,7
15.400
14.508
1.942 1.860
2.054
20.364
13,4 12.8
14.2
16.400 15.306
1,443 1.860
1.950
20.559
9,4
12,2
12.7
7.400
6.046
1.443
1.560 1.794
20.843
9
9,7
1.2
18.400
16.786
931
1.200
1.677
20.594
5,5
7,1
10,0
9.400
17.526
931
900
1.547
.
20.904
5,3
5,1
8.8
20.400
18.266
584 540
1.378
20.768
3.2
3
7.5
21.400
19.006
584 300
1.248
21.138
3,1 1.6
6.6
22.400
19.746
284
180
1.131
21.341
1,4
0,9
5.7
23.400
20.462 284
0
858
21.604
1,4
0
4.2
24.400
21.142
0 0
711
21.853
0 0
3.4
25.400 21.822
l
0
1
0
1
559 22.381
1
0
1
0
1
2,6
Bij de bejaardenziekcnfondsverzekering en de retributieregeling gezinsverzorging zijn de
reducties op het normale tarief als subsidie in aanmerking genomen. Uit dit inkomen moeten
dus nog de uitgaven voor ziekenfonds, huur en gezinsverzorging worden gefinancierd. In procenten van het netto-inkomen excl. subsidies.
inkomen van bruto f20.400 heeft, als gevolg van de extra
belasting, ziekenfondspremie en retributie gezinsverzorging
alsmede de kleinere huursubsidie, netto minder te besteden
dan een ander in precies dezelfde omstandigheden verkerend
echtpaar met een bruto-inkomen van f. 17.400. Een gedurende
een langjarigdienstverband opgebouwd pensioen, waarvoor
‘mogelijk grote offers zijn gebracht, kan blijken achteraf niet
nodig te zijn geweest wegens zeer substantiële subsidies voor
degenen die een zodanig pensioen niet hebben willen of
kunnen opbouwen.
De kans dat door cumulatie van marginale effecten afwen-telingsreacties worden opgeroepen is voor de groep bejaarden
waarschijnlijk minder groot. Het ,,jaloezie”-effect kan moge-
lijk wel een rol spelen. Daarnaast kunnen de geringe verschil-
len in de netto-sfeer op termijn leiden tot verminderde pen-
sioeninspanningen van nog-actieven.
Bij de berekeningen is ervan uitgegaan dat het deelnemingspercen-
tage van gezinnen met kinderen in de HS-regeling voor alle in-
komensklassen 22% bedraagt. Over de invloed op de deelnemingsper-
centages van de uitbreiding van het HS-stelsel in 1975 zijn nog geen
gegevens beschikbaar.
Behalve wellicht voor de.ca
. 3.000 uitwonende leerlingen, waar-
voor een maximale tegemoetkoming van f. 2.610 geldt.
Een regelmatiger verloop van het marginale percentage zou op
budgettair neutrale wijze kunnen worden bereikt door de premie vast
te stellen aan de hand van een tabel met kleinere inkomensintervallen.
Deze meer verfijnde methodiek wordt eveneens gehanteerd voor de bepaling van de retributie gezinsverzorging.
1114
Bejaarden, cumulatiekansen
Omtrent de aantallen bejaarden, die van de verschillende
regelingen gebruikmaken zijn in betrouwbaarheid sterk uit-
eenlopende gegevens beschikbaar. Aan de hand daarvan en
op grond van een analyse van de inkomenstrajecten waarbin-
nen toekenning respectievelijk afbouw van subsidie plaats-
vindt, was het mogelijk om tot de volgende globale kwantifi-
cering van het cumulatieverschijnsel te komen.
• Per 1januari1977 vielen 770.000 echtparen en alleen-
staanden onder de bejaardenziekenfondsverzekering en
27.000 bejaarde echtparen kwamen in aanmerking voor een
reductie op de vrijwillige ziekenfondsverzekering. Aangeno-
men mag worden dat vrijwel alle bejaarden met een inkomen
beneden f. 23.500) daarboven betaalt men de volledige vrijwil-
lige premie) van deze reductieregelingen gebruik maken.
• In het subsidietijdvak juli 1974 —juni 1975 was 47% van
de ontvangers van huursubsidie 65 jaar of ouder. Houden we
dit percentage ook voor 1976/77 aan dan kan het aantal
bejaarden dat huursubsidie ontving, worden geraamd op ca.
170.000. Op grond van hetfeit dat deconcentratie van het
totaal aantal toekenningen in de laagste inkomensgroepen
zeer groot is, kan worden geconcludeerd dat vrijwel alle
bejaarden, die huursubsidie ontvangen ook in aanmerking
komen voor de reductie op de ziekenfondspremie. Diegenen,
waarvoor zowel de ziekenfondspremie als de huursubsidie
inkomensafhankelijk zijn en waarvoor dus het probleem van
de cumulatie van marginale druk een knelpunt kan vormen,
bevinden zich met hun inkomen in het interval f. 16.500 –
f. 23.000. Het gaat hier om maximaal 10 â 20.000 gevallen.
• Cijfers over gezinshulp aan bejaarden dateren van voor
de invoering van het aan het inkomen gekoppelde retributie-
systeem in 1976. In 1973 ontvingen 88.000 bejaarden gezins-verzorging. Uit een onderzoek in 1972 is bekend dat geduren-
de een bepaalde week in datjaar het bestand 53.000 bejaarden
bevatte, waarvan 80% reeds langer dan 6 maanden hulp
ontving in verband met bejaard zijn of langdurige ziekte (14).
Bij een toeneming van 5% per jaar kan het aantal bejaarden
dat in 1976 langdurig hulp ontving worden gesteld op ca.
60.000. Daar staat tegenover, dat het aantal uren hulp per week laag is, gemiddeld 7 uur. Inkomensafhankelijkheid
van de retributie bij hogere inkomens zal daarom niet
vaak voorkomen (zie voetnoot bij tabel 1). Voor de
categorie bejaarde ontvangers van gezinshulp geldt, al-
thans indien langdurig en meer dan enkele uren per week
gezinshulp wordt genoten, dat de marginale effecten van de
retributie gezinsverzorging en de premie ziekenfondsverzeke-
ring zullen samengaan beneden een inkomen van ca. f. 23.500.
Om hoeveel gevallen het hier gaat is niet exact aân te geven,
omdat een verdeling van de hulpverlening over de inkomens-
klassen ontbreekt. Omdat de meerderheid der bejaarden een
jaarinkomen heeft beneden f. 23.500 kan toch globaal worden
gesteld dat het samengaan van beide regelingen op ca. 50.000
gevallen betrekking zal hebben en altijd zal plaatsvinden in
het inkomensafhankeljke traject. Er zij overigens op gewezen,
dat het cumulatievraagstuk minder dringend is, naarmate de
hulpverlening van kortere duur is.
• Drievoudige cumulatie van huursubsidie, retributie ge-
zinsverzorging en reductie op de premie ziekenfondsverzeke-
ring zal betrekking hebben op globaal 15.000 bejaarden.
Inkomensafhankelijkheid van deze drie regelingen tegelijker-
tijd kan optreden in interval f. 16.500 – f. 23.500. Gezien dè
concentratie van de ontvangers van huursubsidie in de lagere
inkomensklassen mag worden aangenomen, dat het hier een
gering aantal betreft.
Samenvatting aantallenanalyse
In onderstaande tabellen 7 en 8 wordt voor gezinnen met
kinderen resp. voor bejaarden een samenvatting gegeven van
het aantal toekenningen per regeling (op de hoofddiagonaal)
en een benadering van het aantal gevallen waarin cumulatie
van regelingen bij één huishouden kan optreden (links en
rechts van de hoofddiagonaal). Hierbij is onderscheid ge-
maakt tussen het totaal aantal cumulatiegevallen (links van de
diagonaal), resp. dat gedeelte van het totaal waarbij tevens
van inkomensafhankelijkheid sprake is (rechts van de diago-
naal). Het verschil tussen beide wordt gevormd door de groep
van ontvangers met een inkomen, dat lager is dan het inko-
men waar de afbouw in de regelingen begint.
Tabel 7. Aantallen subsidie-ontvanger.s (X 1.000). Gezinnen
met kinderen
RST
TSK
H5
RST
102
2
TSK
20
237
5
HS
5
10
80
Tabel 8. Aantallen subsidie-ontvangers (X 1.000). Bejaarden
Fl5
ZF
cv
HS
170
15
5
ZE
160
800
50
cv
20
50
60
Er zij op gewezen dat enkele van de in de tabel vermelde aantallen op een globale manier moesten worden berekend.
Dit geldt het sterkst voor de groep van bejaarden. De
cijfers geven wel de orde van grootte aan.
Evaluatie
Door het verstrekken van tegemoetkomingen (zoals indivi-
duele huursubsidies en rijksstudietoelagen) worden de beste-
dingsmogeljkheden voor de lage en middeninkomens ver-
ruimd. Omdat deze tegemoetkomingen inkomensafhankelij k
zijn, leiden zij ertoe dat de inkomensverschillen voor de
betrokkenen belangrijk worden verkleind. Dit kan aanleiding
geven tot spanningsverschijnselen.
Een ander (uiteraard wel hiermee samenhangend) effect is
dat voor individuele inkomenstrekkers die een subsidie ont-
vangen de marginale druk toeneemt. Om een aantal redenen is
hier het nodige voorbehoud op zijn plaats (aard van de
subsidie, vertraging in en wijze van inkomensafhankeljkheid,
tijdelijkheid).
Het nivellerend effect van de subsidies moet o.i. niet alleen
geanalyseerd worden door optelling van marginale effecten,
maar ook interpersoneel door na te gaan in welke mate de
verticale inkomensverdeling door de subsidieregelingen is
gewijzigd.
In dit artikel is veel aandacht geschonken aan de omvang
van de bevolkingsgroep, die zich met de gevolgen van de
inkomensafhankelijke tegemoetkomingen voor de marginale
druk en de verticale inkomensverdeling ziet geconfronteerd. M.b.v. het beschikbare cijfermateriaal over de verdeling van
de bedragen, die via dit subsidiestelsel worden overgedragen,
en door een vergelijking van de.- per regeling afwijkende-
voorwaarden waaronder dit gebeurt, was het mogelijk tot een
globale kwantificering te komen. Voor een goede analyse
dienen hier twee mogelijkheden te worden onderscheiden: de mogelijkheid dat subsidies uit hoofde van een of meer
regelingen bij één inkomenstrekker of gezin cumuleren
met belasting- en premiedruk (van belang voor de inter-
personele benadering);
de mogelijkheid dat deze cumulatie tevens plaatsvindt in
dat inkomensinterval waar afbouw van de verstrekte
subsidies actueel is (van belang voor de marginale benade-
ring).
Blijkens onze berekeningen is in ieder geval voor de gezin-
nen met kinderen de kans dat deze mogelijkheden zich
voordoen gering te noemen. Dit geldt uiteraard het sterkst
ESB9-ll-1977
1115
voor de tweede mogelijkheid. Niettemin brengt analyse van de
inkomenseffecten aan het licht dat voor degenen die van een
of meer regelingen gebruik maken, knelpunten – zo men wil
onbillijkheden – kunnen ontstaan. De oorzaak van het op-
treden van deze knelpunten is voor een belangrijk deel gelegen
in de korte inkomenstrajecten, waarover inkomensprijzen in
het algemeen van toepassing zijn.
In verband daarmee is het zoeken naar algemene oplossin-
gen voor de problemen die de bestedingsverruimende en
inkomensafhankelijke subsidies teweeg brengen in de sfeer
van de marginale druk en de interpersonele verdeling van
netto-inkomens, weinig zinvol (zie figuur 1). Zo is bijv. het
verlengen van de inkomenstrajecten waarover inkomensprij-
zen in het algemeen van toepassing zijn, met als gevolg dat de
afbouwpercentages kunnen dalen, praktisch onhaalbaar. De
financiële consequenties daarvan zouden, wanneer tevens de
bestedingsmogelijkheden voor de subsidiënten uit de laagste
inkomensgroepen in stand moeten worden gehouden, aan-
zienlijk zijn.
Verlaging van de dalingspercentages zou eveneens tot stand
kunnen worden gebracht door de maximale subsidies op een
lager niveau vast te stellen. Hiertegen bestaan echter evéneens
bezwaren, omdat daardoor het doel van de regelingen, een
zodanige en gerichte bestedingsverruiming dat gewenste
bestedingscategorieën binnen bereik van de lagere inkomens-groepen worden gebracht of binnen bereik blijven dan wel dat
andere bestedingen worden veilig gesteld, voorbij wordt ge-
schoten.
Figuur 1
subsidie
inkomen
huidige situatie;
verlaging van het afbouwpercentage d.m.v. verlenging
inkomensafhankelijke traject;
idem d,m,v. verlaging maximale subsidie.
In de grafiek wordende twee geschetste theoretische opties
voor een algemene oplossing gestyleerd in beeld gebracht. Wil
men via methode b of c een substantiële verlaging van het
kortingspercentage realiseren, dan zal men al snel stuiten op
budgettaire resp. inkomenspolitieke randvoorwaarden. Het
zoeken naar een algemene oplossing wordt bovendien be-
moeilijkt door het feit dat de groep waar zich specifieke
problemen voordoen, zo gering is. Wellicht is meer soelaas te
verwachten van enige aanpassingen in de regelingen afzonder-
lijk. De door de regering voorgenomen wijzigingen in het
studiefinancieringssysteem (zie voetnoot 6) is hiervan een
voorbeeld. Voor de groep van bejaarden waar m.n. door het
grillige verloop in de ziekenfondspremie evidente onbillijkhe-
den in de verticale inkomensverdeling bestaan, zou een
herstructurering van het bejaardenziekenfonds al veel verlich-
ting kunnen brengen (zie voetnoot 9).
Een ander aangrijpingspunt bestaat in de wijze waarop thans aan de inkomensafhankelijkheid in de beschouwde
regelingen is vorm gegeven. Omdat deze regelingen toch min
of meer los van elkaar tot stand zijn gekomen, bestaat er in dit
opzicht weinig eenvormigheid. Zo wordt ter vaststelling van
de draagkracht een grote verscheidenheid aan inkomens-
maatstaven gehanteerd. Het onderlinge verband tussen die
maatstaven is gecompliceerd, vooral als gevolg van de pro-
gressieve belastingheffing, de p.remiegrenzen in de- sociale
verzekeringen en de individueel bepaalde factoren, die het
belastbaar inkomen bëinvloeden. Het gezamenlijk effect op
de hoogte van de subsidies van een verschil in dan wel
toeneming van ongeacht welke van de maatstaven wordt
hierdoor ondoorzichtig en min of meer onvoorspelbaar.
Ook de wijze waarop het subsidie-element in de prijs van de
gesubsidieerde goederen en diensten wordt verminderd wan-
neer het inkomen toeneemt, loopt per regeling sterk uiteen.
Procentuele en trapsgewijze verminderingen komen voor. Bij
de trapsgewijze methode bestaat het gevaar, dat het marginale
percentage in bepaalde gevallen hoger uitvalt dan in eerste
instantie gemiddeld zou mogen worden verwacht op basis van
de lengte van de inkomenstrapjes en de subsidievermindering
per trapje. Vooral bij het samengaan van ZF en HS voor
bejaarden, of TS Ken HS voor gezinnen met kinderen kunnen
betrekkelijk kleine inkomensverschillen relatief grote gevol-
gen voor de hoogte van de subsidies teweegbrengen.
Door een betere coördinatie tussen de regelingen lijkt het
mogelijk om onbillijkheden van het systeem van bestedings-
verruimende tegemoetkomingen te verminderen en de door-
zichtigheid van de regelingen en van hun (cumulatieve)
werking te vergroten 10). In dit verband zou kunnen worden
gedacht aan het inschakelen van een centrale instantie, die
elke wijziging in de bestaande regelingen toetst op mogelijke
ongewenste samenloop van marginale effecten met andere
inkomensgebonden subsidies. Ook voorstellen voor nieuwe
inkomensafhankelij ke regelingen zouden aan die instantie
dienen te worden voorgelegd. Een meer principiële keuze
t.a.v. de maatstaf, waarop de toekenning berust, zou ertoe
kunnen bijdragen dat aan die coördinatie op bevredigende
wijze concreet vorm kan worden gegeven.
Ervan uitgaande, dat het teweegbrengen van grote ver-
schuivingen in individuele inkomensposities onhaalbaar en
ongewenst is, moet wel worden beseft, dat de overgang op een
uniforme draagkrachtnorm geen problemen oplost, maar ze
alleen duidelijker zichtbaar maakt. Uit een oogpunt van betere
coördinatie en onderlinge afstemming evenwel moet het
hanteren van één uniforme maatstaf beschouwd worden als
een voorwaarde.
Wel zij er nogmaals op gewezen dat eventuele oplossingen
die via een betere afstemming te bereiken zijn, evenals de
beoordeling van de knelpunten, zal moeten plaatsvinden tegen de achtergrond van de centrale doelstelling van de
regelingen: het verstrekken van inkomensverruimende tege-
moetkomingen aan de lager betaalden.
E.
J. M. van den Ende
H.
G.
van C,emert
CeraadpIeegde publikaties.
Drs. E. N. Kerzman, Inkomenshuren en marginale tarieven,
ESB.
23 oktober 1974.
Drs. G. Nooteboom, Inkomensprijzen,
ESB,
28 april 1976.
A. J. Pol, Het reële promotievoordeel van werknemers (1 + II),
ESB,
16 en 23 juni 1976.
Tax and poverty,
The economist,
24juli1976.
Prof. Dr. Th. Stevers, Daling werkloosheid vrome wens,
De
Volkskrant,
22 september 1976.
Raad van Overleg Middelbaar en Hoger Personeel,
Balans van
een inkomensbeleid,
1976.
Dr. W. Drees, De rijksuitgaven andere dan die voor sociale
voorzieningen,
ESB,
27 oktober 1976. Dr. Ir. H. Prremus en C. T. J. Lucassen,
Individuele huursubsidie,
Evaluatie van een instrument van volkshuisvesiing.s-he/eid,
Staats-
uitgeverij, ‘s-Gravenhage, 1977.
Drs. C. H. 1. M. Walenkamp, Geïntegreerde marginale tarieven,
ESB,
12januari 1977.
Prof. Dr. C. Goed hart, Hoe collectief is- de collectieve sector?,
Openbare Uitgaven,
februari 1977.
II) CNV-rapport inkomensverdeling, april 1977.
Geïntegreerde marginale tarieven,
Openbare Uitgaven,
augustus
1977.
Diverse kamerstukkers (Handelingen, nota’s, brieven). CBS,
Statistiek van de gezinsverzorging en gezinshulp, 1973.
10) Zie ook de rede van minister Boersma bij de opening van dein-ternationale conferentie over de inkomensverdeling van de Interna-
tional Economy Association op 18 aprilj.I. in Noordwijk.
II
Geld- en kapitaalmarkt
De betalingsbalans:
enkele ontwikkelingen
DRS. Z. J. HOLLESTELLE*
De forse vermindering van het overschot op de lopende rekening op
transactiebasis in de eerste helft van dit jaar ten opzichte van zowel de eerste
als tweede helft van vorig jaar, was één van de meest opmerkelijke
–ontwikkelingen die zich de laatste tijd hebben voorgedaan.
–
Het overschot
dat in de eerste en tweede
helft
van 1976 nog bi/naf 3 mrd. respectievelijk
f. 3,7 mrd. bedroeg, viel terug tot ca. f 350 mln. Het verloop van het
kapitaalverkeer met het buitenland was niet minder opmerkelijk. De aan-
zienlijke afvloeiing van middelen naar het buitenland, via de kapitaal-
rekening (excl. het banken verkeer) verminderde immers van ca. f 3,4 mrd.
– zowel in de eerste als tweede helft van vorigjaar – tot ca.f. 1 mrd. dit jaar.
Hieronder zal op de oorzaken daarvan worden ingegaan.
Tabel 1. Betalingsbalans op transactiebasis (X
f.
mln.)
1976 1 a) 1977 1 a)
mutatil
2.956
343
—2.61:
1.775
—495
—2.271
–
diensten- en inkomensbalans
2.414 2.127
—28
-118
—93
2
-844
—1.292
—441
-650
208
851
lopende rekening
………………………………..
.
–
1
5
7
—64 9.
–
handelsbalans
………………………………..
.
vervoer
…………………………………….
.
overige diensten en inkomens
…………..
536
—48
—58e
schadeverzekering
…………………………….
.
reisverkeer
…………………………………..
.
kapitaalopbrengsten
———————————
-3.431
—1.054
2.38(
overheid
……………………………………
.
waarvan O.a.
kapilaalrekening (exclusief bankenverkeer)
…………….
.
-235
—1.756
—1.52
–
directe investeringen b)
…………………………
.
-935
2.820
3.75
–
effectenlransactiès
…………………………….
.
–
overige korte en lange kredietverlening private sector
– . .
—1.816 —1.720
91
Ie halfjaar.
mcl. kredietverlening binnen concernverband.
Bron:
CBS.
Tabel 2. Export en wereidhandel (%,
volume)
1967 Ifm 1973
1974
1975
1976
1977
Wereldhandel
………………….
Export
……………………….
10 13
4
2
—2
—4.5
13
12.5
4
Bron:
CPB.
Tabel 3. Export naar de EG (volume. %)
1976
januari t, m mei (1). juni (2): juli (3). augustus (4) 1977 al
West-Duitsland
……………….
20.3
3,2 (4)
7.8 (31
Frankrijk
……………………..
.
5.2
9.5 (2)
Engeland
……………………..
8.2
19
5.6 (t)
Italië
………………………..
19
..
5.4
(1)
België
………………………..
Nederland
…………………….
12.5
—1.5 (3)
a) Procentuele mutatie t.o.v. de overeenkomslige periode van 1976.
Bron:
CBS, officiële statistieken per land:
Alvorens over te gaan tot een nadexe
beschouwing van de oorzaken die aan
deze ontwikkelingen ten grondslag
lagen, wordt in tabel 1 aangegeven,
waar zich de belangrijkste mutaties heb-
ben voorgedaan.
De lopende rekening
Handelsbalans
De teruggang (tabel 1) van het over-
schot op de lopende rekening wordt in
belangrijke mate bepaald door de ver-
slechtering van de handelsbalans. Vooral
de sterke daling van het groeitempo
van de export in de eerste helft van dit
jaar was hier debet aan. Het ziet er naar
uit dat het exportvolume voor het vierde
achtereenvolgende jaar langzamer zal
groeien dan het volume van de voor
ons land relevante wereldhandel.
De Macro Economische Verkenning
1978
1) voert hiervoor een aantal argu-
menten aan. Naast specifieke factoren
als de slechte gang van zaken in de
scheepsbouw en de niet meer toenemen-
de export van aardgas zijn dat vooral het
trage conju nctuurherstel in West-Euro-
pa en de appreciatie van de gulden. Een vergelijking met de overige EG-
landen (voor zover dat mogelijk is)
-toont aan dat de vertraging in het export-
volume hier sterker is geweest dan elders,
terwijl bijvoorbeeld de appreciatie van
de D-mark toch in dezelfde orde van
grootte heeft gelegen als van de gulden.
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft
in de huidige situatie van onderbezet-
ting en lage rentabiliteit blijkbaar geen
effectieve pGlaiek kunnen voeren, ge-
richt op handhaving van marktaandelen
door middel van prijsconcessies, niet-tegenstaande het feit, dat verloren ge-
gane marktaandelen in het algemeen
slechts met grote financiële offers kun-
nen worden heroverd.
Indien het niet lukt de concurrentie-
* De auteur is medewerker van het Econo-
misch Bureau van de Amro bank.
1.) MEV/978
ESB9-ll-1977
1117
Tabel 4. Directe investeringen en investel’ingsquote van bedrijven
1965 t m 1969
1970 t, m 1974
1975
1
1976
1977 al
Nederlandse
directe
investeringen
in
het
buiten-
land
b)
………………………………
1.4
1,6 1.6
1
1.3
Buitenlandse directe investeringen in Nederland b)
1
1.5 1.2
0.3
0.1
lnvestenngsquote
van
bedrijven
e) (vaste octiva,
exet. woningen)
………………………..
15.3 13.8
11.8
10.8
11.1
positie te verbeteren, zal de structu-
rele 2) verbetering van de handelsbalans,
zoals die zich sinds het begin van de
jaren zeventig heeft voorgedaan, om-
slaan in een verslechtering. Voor 1977
en 1978 behoeft nog geen verbetering te
worden verwacht, ook al zou er in de
sfeer van de lonen worden gematigd;
daarvoor is meer tijd nodig. Bovendien
is het maar de vraag of de continue ap-
preciatie van de gulden t.o.v. de con-
currenten gedurende de laatste jaren al
volledig in onze concurrentiepositie is
uitgekristalliseerd.
Diensten- en inkomensbalans
Aanzienlijke mutaties (tabel 1) deden
zich ook voor op de diensten- en in-
komensbalans. De verslechtering van de
post vervoer met per saldo f. 300 mln.
valt waarschijnlijkoeteschrijvenaande
vertraging in de internationale conjunc-
tuur en draagt als zodanig een tijdelijk
karakter. Het toenemende tekort op de
toeristenbalans is in ieder geval struc-
tureel van aard. Bedroeg het tekort in
1973 nog ca. f. 600 mln., in 1976 was
dat al opgelopen tot bijna f. 2,2 mrd.
De verslechtering van per saldo f. 450
mln, in de eerste helft van dit jaar t.o.v.
dezelfde periode van 1976 wijst erop dat
deze ontwikkeling doorzet. De omslag
in de sector overige diensten en inko-
mens van ruim een half miljard gulden
positief naar enkele tientallen miljoenen
negatief is voornamelijk toe te schrijven
aan de zogenaamde overige particuliere
diensten waaronder transito- en drie-
hoekszaken vallen. Deze teruggang zal
derhalve in belangrijke mate een con-
junctureel karakter dragen. Uitvoering
van werken en technische dienstverle-
ning leverden daarentegen (per saldo
f. 200 mln.) meer op.
Een opmerkelijke metamorfose onder-
ging de kapitaalopbrengstenbalans. De
toestroming bedroeg uit dien hoofde
f. 208 mln., hetgeen t.o.v. de eerste helft
van vorig jaar een verbetering inhield
van per saldo ca. f. 850 mln. Een en
ander houdt onder meer verband met de
stijgende opbrengst uit deelnemingen
die na het grote tekort in 1975 een ge-
leidelijk herstel overeenkomstig de con-
juncturele ontwikkeling te zien heeft
gegeven. In welke mate het overschot
zal worden beïnvloed door de lang-
zamerhand op gang komende coupon-
betalingen aan het buitenland als uit-
vloeisel van de omvangrijke kapitaal-
import in de sfeer van de obligaties
met name in het tweede kwartaal van
dit jaar, moet nog worden afgewacht.
Het overschot op de dienstenbalans,
dat in de periode 1961 t/m 1965 nog
ca. 6,6% van het netto nationaal in-
komen bedroeg, neemt voortdurend af.
De laatste jaren ligt het op ongeveer
de helft van voornoemd percentage.
Een verdere daling is de komende jaren
niet uitgesloten. Naast conjuncturele ver
–
beteringen waardoor posten als vervoer,
transitohandel enz. per saldo kunnen
verbeteren, neemt het tekort op de toe-
risten balans voortdurend toe. Dit laatste
geldt tevens voor de secundaire inko-
mens, hetgeen onder meer wordt ver-
oorzaakt door de toenemende kapitaal-
export in het kader van de ontwikke-
lingssamenwerking. Per saldo zal het
overschot m.b.t. de technische dienst-
verlening en uitvoering van werken ge-
leidelijk toenemen. De opnamecapaciteit
van landen in het Midden-Oosten
is echter beperkt en de concurrentie
is hevig. Grote onzekerheid bestaat er
tav. de kapitaalopbrengstenbalans.
Houdt het buitenland de Nederlandse
obligaties in zijn bezit, dan is een struc-
turele vermindering van het saldo op
deze rekening niet uitgesloten. Worden
al deze factoren in de beschouwing
betrokken dan zal in het gunstigste geval
het overschot op de dienstenbalans in
1978 gehandhaafd blijven.
De kapitaalrekening (excl. banken-
verkeer)
Het ef7ec’tenverkeer
De kapitaalimport uit hoofde van het
effectenverkeer met het buitenland nam
in de eerste helft van dit jaar per saldo
toe met f. 3,75 mrd. t.o.v. de overeen-
komstige periode van vorig jaar. De
grootste omslag trad op in het obligatie-
verkeer, waar tegenover een netto uit-
stroming van f. 649 mln, in de eerste helft
van 1976 een netto instroming van
f. 1,94 mrd. in de eerste helft van dit
jaar stond. De omslag in het aandelen-
verkeer met het buitenland was welis-
waar geringer, maar met f. 1,17 mrd.
toch aan de forse kant. De animo van
buitenlanders met name Duitsers en
Zwitsers voor Nederlandse obligaties
kan in belangrijke mate worden ver
–
klaard uit het toenemende rente-écart
tussen de kapitaalmarkten van Neder-
land en West-Duitsland in de loop van
het jaar. Begin dit jaar bedroeg dat voor
overheidsobligaties nog ca. 1%, aan het
einde van het tweede kwartaal was dat
opgelopen tot ca. 1
3
/
4
%.
Bij de publikatie van het teleurstellen-
de saldo op de lopende rekening in de
eerste helft van dit jaar vreesde men
voor een afstoting van guldensbeleg-
gingen. De keuzemogelijkheden van
buitenlandse beleggers om hun liquidi-
teiten in relatief harde valuta te beleggen
zijn echter beperkt, terwijl ook de relatief
hoge rente in Nederland een belangrijke
positieve factor was. De belangstelling
voor guldensbeleggingen is weliswaar
afgenomen, maar van afstoting van
Nederlands papier is geen sprake. Het
ziet er echter niet naar uit, dat uit
hoofde van het effectenverkeer middelen
blijven toestromen in het tempo, waarin
dat in het eerste halfjaar is gebeurd.
De directe investeringen
(mcl.
krediet-
verlening binnen concernverband)
In de eerste helft van vorig jaar vloei-
de uit hoofde van de directe investe-ringen per saldo f. 235 mln, naar het
buitenland, terwijl dat in dezelfde perio-
de van dit jaar opliep tot f. 1,75 mrd,,
na in de tweede helft van 1976 ca. f. 1,5
mrd. te hebben bedragen. De oorzaak
van deze zeer omvangrijke kapitaal-
export — die de laatste jaren eerder
toe- dan afneemt – hangt waarschijn-
lijk samen met de afnemende investe-
ringsgeneigdheid in ons land.
Tabel 4 toont aan dat de directe in-
vesteringen van Nederlande bedrijven
in het buitenland op een relatief hoog
niveau blijven. Enerzijds speelt hier de
toenemende internationalisatie van het
bedrijfsleven een rol, anderzijds de ge-
ringe winstmogelijkheden in ons land.
De belangstelling voor de EG-landen is
zeer groot. In 1976 vloeide ruim t. 1 mrd.
naar deze groep landen. In de eerste
helft van dit jaar was dat f. 820 mln.
De belangstelling voor de VS blijkt uit
het feit dat sinds 1974 meer dan f. 2,1
mrd. in dat land werd geïnvesteerd.
De belangstelling van Amerikaanse be-
drijven voor ons land is overigens nog
groter, zodat in 1975 en 1976 te zamen
per saldo ruim f. 400 mln. ons land in-
stroomde. In de eerste helft van 1977
vloeide echter per saldo f. 236 mln, naar
dit land terug.
Raming Amro bank op basis van gegevens over het Ie halfjaar.
mcl.
kredielverleningen hinnen eoncernverband; als percentage van hel BNP. Investeringen van bedrijven in vaste aetiva (excl. woningen); als percentage van het BNP.
Bro,t; CBS, CPB.
2) Op de flattering ten gevolge van het op gang komen van de export van aardgas en
het terugvallen van de investeringen in vaste
activa zal hier niet worden ingegaan.
1118
ESb
In gezonden
Duurdere energie niet
compenseren?
DR. K. ZIJLSTRA
Al enige tijd wordt in kranten en
period ieken een twistgesprek gevoerd
over de vraag of een prijsstijging van
energie door een navenante loonsverho-
ging gecompenseerd moet worden of
niet. In
ESB
van 21 septemberjl. heeft
Dr. A. A. de Boer nogmaals gepoogd
aannemelijk te maken, dat de tegen-
standers van zo’n compensatie, zoals de
hoogleraren Klaassen en Paelinck en
Drs. Uitermark, een denkfout begaan.
Ogenschijnlijk is met het voorstel om
de BTW op aardgas te verhogen een
mondsnoerend argument in de schaal
gelegd. Men heeft immers al eerder af-
gesproken, dat prijsstijgingen door
BTW-verhoging buiten de compensatie
behoren te blijven. Wordt het voorstel
zonder meer aanvaard, dan is meteen
ook de compensatie van de baan. Maar
de dubbele bodem van die afspraak
wordt zichtbaar wanneer men zich
realiseert, dat ook bij een ,,gewone”
prijsstijging de extra baten voor verre-
weg het grootste deel bij de overheid
terechtkomen. Als het zin heeft om in
dat geval over wel of niet compenseren
te praten, heeft het dat ook wanneer
het om een prijsverhoging via de BTW
gaat.
De voorstanders van het niet-com-
penseren wijzen erop, dat duurder
wordende energie een normaal bege-
leidingsverschijnsel is van toenemende
schaarste. Het zou dan ook onjuist zijn
de vraagverminderende werking van
het prjsmechanisme door volledige com-
pensatie teniet te doen. In deze redene-
ring past ook, dat men de werkgevers in
gemoede niet zou kunnen belasten met
iets, waar ze part noch deel aan hebben.
Doet men dit toch, dan vraagt men
erom, dat het wordt doorgeschoven, met
een extra prijsverhoging als resultaat.
De tegenstanders betogen, dat de
koopkrachtvermindering, die uit onvol-
ledige looncompensatie resulteert, zich
niet noodzakelijkerwijs op energie
hoeft te richten. Het kan best zijn, dat
op andere bestedingen wordt bezuinigd.
Bovendien mag, volgens die opvatting,
schaarste niet als voorwendsel worden
gebruikt om de trekkers van de laagste
inkomens met een vermindering van het
reële inkomen op te schepen.
De prijstheorie kan ons helpen de
discussie wat te stroomlijnen. Elke
prijsverhoging heeft een substitutie-
effect en een inkomenseffect. Bij een
hogere prijs raakt de nieuwe iso-uitga-
venlijn een lagere isonutscurve. Het
inkomenseffect is dan het ,,oversteken”
naar die lagere isonutscurve, bij een in
gedachten gelijk blijvende prijsverhou-
ding 1). Het substitutie-effect is wat er
aan verschuiving in de samenstelling
van de vraag overblijft.
Op energie toegepast vertoont het
substitutie-effect bijzondere trekken.
Weliswaar kan ook energie in beperkte
mate door andere goederen worden ver-
vangen zonder dat het welbehagen er-
onder lijdt, maar die vervanging is prak-
tisch altijd indirect. Strikt genomen kan
1) Terminologie ontleend aan Prof. – F.
Hartog,
Hoofdlijnen van de pri/siheorie.
1976, blz. 25 e.v.
De aanzienlijke daling van de buiten-
landse directe investeringen in Neder-
land gaat gepaard met een voortdurende
daling van de nationale investerings-
quote. Hoewel de investeringen van be-
drijven zich in de eerste helft van dit
jaar krachtig herstelden, geven de con-
juncturele vooruitzichten, de concurren-
tiepositie en het gevaarlijk lage renta-
biliteitsniveau weinig hoop. De prognose
van het CPB m.b.t. de investeringen
van bedrijven in 1978 lijkt tegen deze
achtergrond te optimistisch. Dit geldt te
meer daar vooral de invoering van de
Wet op de investeringsrekening op 1
januari a.s. als verklarende grootheid is
genomen, terwijl van deze vorm van
stimulering op korte termijn slechts een
marginale invloed mag worden verwacht.
Zolang de relatieve concurrentie-
positie van het bedrijfsleven niet aan-
zienlijk verbetert, hetgeen voorlopig niet
aannemelijk lijkt, zal de kapitaalexport
uit hoofde van directe investeringen in
en van het buitenland per saldo eerder
toe- dan afnemen.
Samenvatting en conclusie
Sinds 1972 is de handelsbalans aan-
vankelijk sterk verbeterd. Daar de dien-
sten- en inkomensbalans structureel in
een overschotpositie verkeert, ontston-
den aanzienlijke overschotten op de
lopende rekening van de betalingsbalans.
Hoewel de netto toestroming van liqui-
diteiten t.g.v. deze overschotten voor
een deel werd gecompenseerd door een
netto uitstroming in het kapitaalverkeer,
was de liquiditeitscreatie uit hoofde van
het verkeer der niet-monetaire sectoren
in de jaren zeventig zeer aanzienlijk.
Daarin is vorig jaar enige verandering
gekomen. Het forse overschot op de
lopende rekening werd praktisch gecom-
penseerd door een afvloeiing via het
kapitaalverkeer (excl. bankenverkeer).
Door de teleurstellende ontwikkeling
van de export, de aanzienlijk toene-
mende tekorten op de toeristenbalans
en de op gang komende couponbetalin-
gen aan het buitenland zal het over-
schot op de lopende rekening dit jaar
gering zijn. De kapitaalexport via de
directe investeringen zal per saldo eerder
toe- dan afnemen. Het effectenverkeer
zal per saldo voor een aanmerkelijk ge-
ringere kapitaalimport zorg dragen.
Behoudens omvangrijke op ons land ge-
richte ,,leads and lags” zal de liquidi-
teitscreatie uit hoofde van het verkeer
der niet-monetaire sectoren met het
buitenland dit jaar beperkt blijven.
Ook voor het komende jaar is een min-
der omvangrijke liquiditeitscreatie via
het buitenland te verwachten dan in de
jaren 1970-1975, hetgeen op zich zelf
een positieve bijdrage kan zijn tot het
door de centrale bank nagestreefde
terugd ringen van de liquiditeitsquote.
Z. J. Hollestelle
ESB9-l1-1977
1119
immers bijna geen enkel ander goed de
rol van energie rechtstreeks over
–
nemen 2). Alleen wanneer men de
complementaire energie-omzettende of
energieverbruikende duurzame goede-
ren vervangt door goederen met een
hoger rendement of door goederen,
die de binnenkomende energie doel-
matiger ,,doorgeven”, is een soort sub-
stitutie mogelijk.
Welnu, of men compenseert of niet,dit
indirecte substitutie-effect blijft het-
zelfde. Het enige verschil, dat tussen
compenseren en niet-compenseren blijft
bestaan, vloeit voort uit het inkomens-
effect. Wanneer men de prijsstijgingen
van energie uit de index haalt of de
BTW verhoogt, daalt het reële inkomen
en dat kân neerslaan in een lager energie-
verbruik. Maar of dat inderdaad ook
gebeurt en voor hoeveel, hangt af van
de vorm van de onderliggende iso-
nutscurven. Naarmate energie in het
relevante gedeelte van de indifterentie-
kaart gemakkelijker kan worden ge-
substitueerd, heeft men er meer kans op,
dat bij een vermindering van het reële in-
komen het energieverbruik zal dalen.
Iets dergelijks geldt ook voor het sub-
stitutie-effect. Met name een vlakkere
isonutscurve zal de indirecte vervanging
van energie door duurzame kapitaal- of
verbruiksgoederen bevorderen.
Wat de prjstheorie betreft pleit dus
alleen een stuk inkomenseffect – name-
lijk voor zover het zich richt op energie
– voor niet-compenseren van duurder
wordende energie. Maar daar moeten we
wel aan toevoegen, dat het zeer wel
mogelijk lijkt door doelgerichte publieke
marketing die isonutscurven van vorm te
laten veranderen en zo het effect te ver-
groten.
Samen met de omstandigheid, dat de
macro-economische ruimte te klein
lijkt voor compensatie van prijsver-
hogingen, die van ,,buiten” komen, zou
dat voldoende grond kunnen zijn om een
schone BTW-verhoging toe te passen
c.q. energie uit de index te halen. Dat be-
tekent niet, dat het niet-compenseren
rigoureus tot op de laagste inkomens-
niveaus moet worden doorgevoerd. Er
is zelfs een voor de hand liggende moge-
lijkheid om die inkomens geheel of gro-
tendeels voor koopkrachtverminderin-
gen te vrijwaren en dat is een verschui-
ving binnen de gas- en elektriciteits-
tarieven. Door het vastrecht af te schaf
–
fen en de prijzen per m
3
of per kWh op te
trekken tot rond het peil van de klein-
ste afname kan men flinke verhogingen
van de gemiddelde energieprijzen voor
huishoudelijk verbruik verwezenlijken
zonder dat de kleine afnemers meer
höeven te betalen. Wanneer later de
rek eruit is kan men aan progressieve
tarieven denken, zoals ze trouwens voor
gas in sommige Italiaanse steden al be-
staan.
Bij ons wijzen ook nu al enkele tekenen
in die richting. Sedert een paar jaar
stijgen ook in Nederland de aardgas-
prijzen sterker naarmate de jaarlijkse
afname hoger is. Bij de-laatste tarief-
wijziging steeg bijvoorbeeld in Rotter-
dam de aardgasprijs rond 6% voor af-
nemers met één of twee gaskachels, maar
met 11% of meer voor verbruikers met
centrale verwarming 3).
Mits gepaard gaand met nivellering
van de tarieven is er dus wel wat voor
te zeggen verhogingen van energie-
prijzen niet te compenseren. Een onge-
schoonde verhoging van de BTW lijkt zo
gek nog niet, maar dan behoort de extra
opbrengst wel aan energiepolitiek te wor
–
den besteed.
K.
Zijlstra
Daarom heeft energie in directe zin een
substitutie-elasticiteit van nagenoeg 0 ten
opzichte van alle andere goederen. Een opmerkelijke bijzonderheid is, dat de
eerstgenoemde afnemer, met een jaarverbruik
van ongeveer
1.200
m
3
, sinds
1969
maat-
gevend is in het pakket voor de gezins-
consumptie, hoewel de tweede, met een ver-
bruik van meer dan het dubbele, nu veel
representatiever is. Dat gaat waarschijnlijk
volgend jaar veranderen.
Naschrift
–
Isonutscurven en
vishengels
In de kritische kanttekeningen van
Dr. Zijlstra lopen twee problemen
door elkaar, die verwant zijn, maar die
ik voor de duidelijkheid wil scheiden.
In de eerste plaats is er het algemene
probleem of men
gegeven een prijs-
sli/ging voor energie,
al dan niet moet
compenseren. Daarbij komt de vraag
aan de orde, of compensatie het vraag-
verminderend effect teniet doet. Deze
problemen kwamen aan de orde in een
artikel in
NRC Handelsblad,
gevolgd
door een discussie met Drs. P. J. Uiter-
mark 1).
In de tweede plaats is er de vraag, of
men een niet-compenseerbare prijs-
verhoging mag
veroorzaken
op grond
van energiepolitieke overwegingen. Dit
probleem vormde de kern van de Ener-
giekroniek in
ESB
van 21 september
1977.
Om te beginnen enige theoretische op-
merkingen. Bij het eerste probleem
is het de vraag wat er gebeurt, als men
bij prijsverhoging compenseert. Er is
dan volgens Zijlstra een substitutie-
effect; het verschil tussen compenseren en
niet-compenseren ligt in het inkomensef-
fect. Het substitutie-effect zou gering
zijn, het inkomenseffect zoals dat door-
werkt in de vraag naar energie, is het
eigenlijke vraagverminderende effect
als gevolg van niet-compenseren.
Eerst een detail voor de duidelijkheid.
In de methode van Hicks, waarnaar Zijl
–
stra, als ik het goed zie, verwijst, is het
substitutie-effect een verschuiving van de
isokostenlijn langs de oorspronkelijke
isonutscurve. Daarop volgt dan het
inkomenseffect als een horizontale ver-
schuiving naar het raakpunt aan de
nieuwe, lager liggende isonutscurve.
Bij de methode van Slutsky 2) betaat
het substitutie-effect in het kantelen
van de isokostenlijn met het oude raak-
punt als draaipunt, gevolgd door de
parallelle verplaatsing die het inko-
menseffect vertegenwoordigt.
De duidelijkheid is ermee gediend
dat wij uitgaan van de methode van
Slutsky. Het substitutie-effect, de kan-
teling van de isokostenlijn dus, is dan
identiek met gecompenseerde prijsver-
hoging 3). Het inkomenseffect ver-
tegenwoordigt het niet-compenseren 4).
In de figuur is P
1
het oorspronkelijke
raakpunt, P
2
het punt waar men be-
landt bij gecompenseerde prijsverhoging.
P
2
geeft ook het substitutie-effect bij niet-
gecompenseerde prijsverhoging. In dat
geval is de weg P
2
naar P
3
het inko-
menseffect.
andere goederen
Als de prijscompensatie het vraag-
verminderend effect van een prijsver-
hoging teniet zou doen, zouden
P
1
en
P
2
op dezelfde hoogte liggen, terwijl
P
3
een merkbaar lagere positie zou in-
nemen. Dit lijkt mij ook aan de hand
van dit figuurtje moeilijk waar te maken.
Men kan echter in de praktijk nauwe-
A. A. de Boer, Energiebeleid: niet staren
op gasfornuizen,
NRC Handelsblad. 14
juli
1977,
gevolgd door een ingezonden brief van
Drs. P. J. Iiitermark,
29
juli
1977
met een
weerwoord mijnerzijds in genoemd blad van
l augustus
1977.
Hartog, loc. cit., blz.
30
e.v.
Het aardige hierbij is, dat men bij deze
kanteling (gecompenseerde prijsverhoging)
op een
hogere
isonutscurve uitkomt. Dat is
overigens niets anders dan het bekende effect,
dat een index bij (ingrijpende) prijsverande-
ringen moet worden gecorrigeerd door aan-
passing van het consumptiepakket aan de
nieuwe omstandigheden. Die correctie werkt
indexverlagend.
Zie bijvoorbeeld Lipsey en Steiner,
Economics,
New York,
1972,
blz.
143.
1120
lijks zinvol kwantitatieve conclusies
trekken uit het isoljnenspel. Het con-
sumentengedrag wordt erg gebrekkig
door isonutscurven weerspiegeld; het
wordt bepaald door prjsverhoudingen,
maar ook door milieu en gewoonte en in
zekere mate door inkomensschomme-
lingen. In geringe mate, meent Van
Meerhaeghe 5), die in dit verband met
instemming Mishan citeert die de
theorie van de isonutscurven een over-
bodige franje aan het middel van de
economische analyse noemt. Hoe het
zij, het beeld van isokostenlijnen die zich
bewegen tussen starre isonutscurven is
weinig realistisch.
Met enige voorzichtigheid gehanteerd
is echter de benadering van Zijlstra wel verhelderend. Wat deze theorie betreft –
ik amendeer nu een stelling van Zijlstra
– is alleen een stuk inkomenseffect, voor
zover zich dat richt op energie, relevant
voor de vraag naar de invloed van niet-
compenseren. Dit geldt per definitie.
Over de vraag of dit effect groot is wordt
geen uitsluitsel gegeven en zelfs dan
blijft de vraag, of het voor niet-compen-
seren
pleit,
nog geheel open.
Wel is duidelijk, dat het effect van
niet-compenseren altijd gaat via een
inkomenseffect. Als meer goederen
in het geding zijn kan het niet-compen-
seren van één van die goederen nooit ge-
richt zijn op het beïnvloeden van de
vraag naar juist dat goed. Dit eist een
nadere toelichting.
Het twtedimensionale beeld sugge-
reert ten onrechte ééndimensionale eau-
saliteiten. Als energie niet en andere
goederen wel gecompenseerd worden,
veranderen ook de kosten van de groep
,,andere goederen”. Het resultaat ligt
dan tussen P
2
en P
3
in. Met andere
woorden: als de prijs van een groot aan-
tal artikelen in het geding is, betekent
het buiten de compensatie houden van
een deel van die goederen
altijd
een in-
komenseffect, dus een vermindering van
het reële loon, of energie nu wel of niet
tot de groep gecompenseerde goederen
behoort. De consument bespaart nu
niet
selectief volgens het patroon van de
berekening die voor de gedeeltelijke compensatie is gebruikt. Met andere
woorden: men kan geen verbindingslijn
leggen tussen het al dan niet compen-
seren van de prijsverhoging
voor
een
bepaald goed
en de invloed, die de uit-
eindelijke mate van uitholling van het
reële loon heeft op het verbruik van juist
dat goed. Noch de stelling, dat een
vraagverminderend effect teniet wordt
gedaan door compensatie, noch de
mening dat alleen het inkomenseffect
een vraagverminderende werking heeft,
kan aan de hand van een elementaire
theoretische beschouwing met behulp
van isonutscurven worden waargemaakt.
Hoe groot het effect van een prijsver-
hoging is op de vraag en in hoeverre dat
effect wordt gecompenseerd bij volledige
compensatie kan men alleen peilen als
men erin slaagt het marktgedrag van
de consument te beschrijven in de
situatie, zoals die zich in de praktijk
voordoet.
Mijn postbode heeft hierover zo zijn
eigen mening. Hij is net aan een nieuwe
vishengel toe, maar daar zal wel niet
veel van komen met die nieuwe gas-
prijzen. Misschien zal hij de thermo-
staat wat lager draaien, dat weet ik niet.
Maar betekent dat nu, dat hij de ther-
mostaat weer in de oorspronkelijke stand
terug zal draaien als de volgende loon-
ronde meevalt? Welnee, hij kooptdie vis-
hengel. Of die meevaller nu voortvloeit
uit het feit, dat de prijsverhoging van
energie toch gecompenseerd is, dan wel
een gevolg is van het besluit om toch
maar de koffieprijs te compenseren, zal
hem een zorg zijn. Dit laatste geldt,
mutatis mutandis, ook als hij reageert
op een tegenvallende loonronde. Ten aanzien van de eerste vraag blijft
voor mij het argument tegen compen-
satie dat deze de werking van de prijs
teniet zou
doen dan ook een onbewezen
volkssprookje. Een gecompenseerde
prijsverhoging zal
wel
effect hebben op
lange termijn, voor zover de prijsverhou-
dingen de toekomstige keuze met betrek-
king tot energiebezuinigende installaties,
isolatie en dergelijke beïnvloeden. Ten
slotte: de gecompenseerde prijsverho-
ging treft de verspiller harder dan de ge-
middelde verbruiker die model stond
voor de berekening. Was dat niet wat we wilden? Misschien is een gecompenseer-
de prijsverhoging van energie al met al
zo gek nog niet!
Maar zelfs als het substitutie-effect
klein en het effect van inkomensverla-
ging groot zou zijn, wordt daarmee uit-
eindelijk mijn argumentatie tegen de
BTW-verhoging niet aangetast. De twee-
de vraag was immers, of men een niet
gecompenseerde prijsverhoging mag
hanteren met het argument dat men zo
energiebesparingen kan afdwingen. Zelfs
als dit als gevolg van het uithollen van
het reële loon zou kunnen, zou het in
het licht van de argumenten die ik in mijn
artikel aanvoerde, niet mogen. Ik meen
overigens dat een aantal opmerkingen
van mijn opponent mijn kritiek eerder
ondersteunen dan aantasten. Beiden
menen wij, dat de postbode buiten schot
moet blijven. Verder zijn wij het erover
eens, dat een uitholling van het reële
inkomen plaatsvindt. Deze slaat
ten dele
terug op energie, bevestigt Zijlstra. Dit
deel van het effect als argument ge-
bruiken, omdat het andere effect, de
terugsiag op andere bestedingen, zo
mooi is meegenomen in verband met het
standpunt dergenen die de macro-econo-
mische ruimte te klein achten voor vol-
ledige compensatie, blijft voor mij een
onaanvaardbare vorm van politiek be
drijven. De werknemers moeten hun
strijd om hun reëel inkomen te verdedi-
gen nu voeren op twee fronten: aan de
ene kant de loononderhandelingen, aan
de andere kant de verkapte loonmaat-
regelen die worden verpakt in energie-
papier.
In feite is mijn kritiek uiteraard ge-
inspireerd door onbehagen met de hele
methode en ik dacht dat ik daarin niet
alleen stond. Drs. L. van der Geest heeft
in
ESB
betoogd, dat het hele systeem
van compensatie eigenlijk op de helling
moet 6). Ook Drs. Uitermark heeft, als
ik het goed zie, nogal wat bezwaren 1).
Van der Geest pleit voor degressieve
compensatie waarbij de kleine man niet
meer de klappen opvangt en Zijlstra
prefereert in de energiesector progres-
sieve tarieven om diezelfde kleine man
buiten schot te houden. Als we het daar-
over eens zijn, wat zullen we dan nog
van achter onze schrijfbureaus twisten
over een BTW-verhoging die energie-
politiek gesproken niets om het lijf heeft?
Laten we die postbode toch zijn vis-
hengel gunnen!
A. A.
de Boer
M. A. G. van Meerhaeghe,
Economie, een
kritisch handboek,
Leiden,
1970, blz. 102.
L. van der Geest, Automatische over-
compensatie,
ESB, 27juli1977, blz. 701.
Indien u niet âlles op economisch gebied kunt lezen,
dan kunt u ESB onmogelijk missen.
ESB9-ll-1977
1121
Deze dissertatie is – globaal geschetst
– opgebouwd uit een voornamelijk
hypothetische, normatieve verhandeling
over het liquiditeitsprobleem van de
onderneming (waarvan achtereenvol-
gens de korte-termijn- en middellange-
termijnaspecten worden besproken) en
een wat. impressionistisch-empirisch ge-
tinte beschouwing van de mogelijkheden
om op basis van gepubliceerde jaarstuk-
ken de conclusies uit het eerste gedeelte
na te lopen.
Ik zal in deze recensie de hoofdstuk-
ken na elkaar de revue laten passeren.
In het eerste hoofdstuk tracht de auteur
aan te tonen dat zijn studie hoog nodig
was, omdat de Nederlandse bedrijfseco-
nomen die tot nu toe zich met het
onderwerp hebben beziggehouden, er
weinig van begrepen, althans weinig
van gemaakt hebben. Ter ondersteuning van zijn betoog geeft De Ridder diverse
citaten van de gewraakte auteurs, waar-
bij ik me niet aan de indruk kan
onttrekken dat deze citaten vaak wat
al te onaffiankelijk van hun oorspron-
kelijke context worden geparafraseerd.
Daardoor komen sommige auteurs een
beetje te naïef uit de verf. Een duide-
lijke omissie in zijn schets acht ik
het volstrekt buiten beschouwing laten
van de opvattingen en denkbeelden van
originele schrijvers als N. J. Polak en
J. L. Meij. Met name de beschouwingen
van Meij ter zake van het begrip dyna-
mische liquiditeit boden reeds drie decen-
nia geleden inzichten die De Ridder
meent op eigen kracht te hebben opge-
diept. De verschillende dimensies van het liquiditeitsbegrip zoals: tijdsduur/
het tijdsverloop, waarschijnlijkheid / on-
zekerheid, en kosten/ rentabiliteit zijn
en waren ook zonder werk van De
Ridder reeds algemeen bekend. Wel
kan men de auteur toegeven dat deze
kennis nog niet op symbolische en for-
mele wijze in modellen was geordend.
In zijn eigen woorden samengevat
houdt De Ridders studie zich bezig
met a. de uitwerking van de doelstellin-
gen van de onderneming die gelden
met betrekking tot de liquiditeit en
solvabiliteit in een geïntegreerd finan-cieel beleid en met b. de mogelijkheid
deze financiele begrippen te beoordelen
aan de hand van het jaarverslag van
de onderneming (blz. 7).
De studie komt in hoofdstuk2 moei-
zaam op gang. Er worden diverse begrips-
indelingen en -onderscheidingen ge-
schetst, terwijl scherpe definities niet
of nauwelijks worden geformuleerd. Bij voortgezette bestudering wordt in latere
hoofdstukken geleidelijk aan duidelijk
wat de auteur in zijn tweede hoofdstuk
heeft willen zeggen. Dit geldt zowel
voor de begrippen: operationele finan-
ciële activiteiten (blz.l0), als ook voor
de onderscheiding tactiek versus strate-
gie, welke laatste – bij nader inzien
– meer te maken heeft met een indeling
in korte termijn en middellange termijn
dan met de krjgskundige originelen
(vgl. blz. 19). Ook de definities van
het begrip project, en het wel zeer
cruciale begrip liquiditeitsstroom, doen
een groter beroep op de welwillendheid
van de interpreterende lezer dan in
een wetenschappelijk werk gewenst is.
Het derde hoofdstuk biedt een parafra-
serende weergave van ideeën van Bera-
nek inzake theoretisch mogelijke samen-
hangen tussen vermogenskosten en opti-
male voorraadgrootte, respectievelijk
tussen crediteurenpolitiek en vermo-
genskosten. Mijns inziens had met een
simpele verwijzing naar het werk van
Beranek kunnen worden volstaan.
In hoofdstuk 4 wordt een model
van de z.g. tactische operationele en
financiële beslissingen ontwikkeld. De
auteur schuwt daarbij de abstractie niet.
Verbanden tussen voorraad kosten en
omzet, waarvan in het vorige hoofdstuk
omstandig kromlijnigheid was bewezen,
worden op blz. 45 met een klap weer
gelinealiseerd, omdat zulks het inzicht
zou bevorderen in de liquiditeitsproble-
matiek en voorts de oplossing van het
model vergemakkelijkt. Niet alleen de
doelstellingsfunctie, doch ook de pro-
duktierelaties worden tot een opmer-
kelijke eenvoud gereduceerd. Het beta-
lingsgedrag van afnemers/debiteuren is
een datum in het model, enzovoort.
(Op blz. 51 is een storende fout geslopen
in de definitie van het symbool h.
Bedoeld zal zijn de reciproke van wat
er staat. De fout werkt door in het
getallenvoorbeeld op blz. 102 en vol-
gende, waarin niet geldt h = 0,25 doch
h = 4). Het model beoogt een situatie
te beschrijven, waarin – in het kader
van een gegeven ,,strategisch beleid”,
met behulp van de LP-techniek –
een simultane afstemming plaatsvindt
van ontvangsten en uitgaven uit hoofde
van z.g. operationele activiteiten en korte-
termijnfinancieringsactiviteiten, alsme-
de aan te tonen dat in dit geheel
van beslissingen een marginale vermo-
genskostenvoet op impliciete wijze wordt
gedetermineerd.
In het vijfde hoofdstuk worden strate-
gische beslissingen in een in grote trek-
ken aan Weingartner ontleend model
afgebeeld en in hoofdstuk 6 vindt vervol-
gens een integratie van tactische en
strategische beslissingen plaats. Bij de
oplossing wordt gebruik gemaakt van
het z.g. decompositie-principe van Dant-
zig en Wolfe. Lichtelijk verwarrend is,
dat de globale beschrijving van de wer-
king van deze oplossingstechniek (als
element van de beslissingsvoorbereiding)
op blz. 61 en 62 wordt voorgesteld
als een iteratie in het feitelijke beslissings-
proces, waardoor ten onrechte de in-
druk wordt gewekt dat de simultane
bepaling der endogene variabelen van
het statische model plaats heeft gemaakt
voor een reeks successieve adapties in
een dynamische realiteit.
Als vrucht van de analyse van de
korte-termijnmodellen resulteert een af-
beelding van de relatie tussen de margi-
nale vermogenskostenvoet en de (stra-
tegische) liquiditeitsstroom (zijnde de
som van netto-ontvangsten wegens ope-
rationele activiteiten en korte-termijn
financiële transacties, die als verbinden-
de schakel tussen enerzijds de tactische
en anderzijds de strategische activiteiten
wordt opgevat (blz. 20; blz. 94 e.v.)).
,,De tot dusver gegeven analyse stelt
ons in de gelegenheid”, aldus de auteur,
,,het begrip elasticiteit van de liquiditeits-
stroom te definiëren en wel als een
toename van de liquiditeitsstroom, die
het gevolg is van een toename van
de marginale vermogenskostenvoet”.
,,Een grote elasticiteit duidt er op, dat
relatief veel investeringsmogelijkhe-
den in de korte-termijnsfeer aanwezig
zijn en dat ook middelen kunnen wor-
den onttrokken bij een geringe mutatie
in de vermogenskostenvoet”.
Ten einde korte- en middellange ter-
mijnproblematiek te integreren, worden
nog enkele aanvullende ,,moedige” veron-
derstellingen ingevoerd (blz. 97). De ope-
rationele kasstromen uit bestaande pro-
jecten worden geacht op zodanige wijze
te zijn vastgesteld, dat de marginale
vermogenskostenvoet in de tactische
sfeer gedurende de verschillende perio-
den, die in het strategische model worden
onderkend, constant zijn. Bovendien
wordt verondersteld dat de elasticiteit
van de liquiditeitsstroom in de loop
van de tijd tot de planhorizon van
het strategisch model, dezelfde hoedanig-
heid blijft behouden, d.w.z. constant
blijft. De elasticiteit van de operationele
kasstroom van nieuw te entameren pro-
jecten blijft buiten beschouwing. Ik be-twijfel of-de auteur zich 4e. conclusies
ter zake van de modellen van Beranek
Boekc
ieuws
Dr. W. J. de Ridder: Liquiditeitsananlyse en liquiditeitsbeleid in de onderneming.
H. E. Stenfert Kroese BV, Leiden, 1977, 190 blz., f. 42,50.
1122
(blz. 31) (eenmalige versus blijvende
wijzigingen in de operationele kas-
stroom) wel voldoende heeft gereali-
seerd.
Oplossing van het aldus geconstrueer-
de model leidt tot de bepaling van
een z.g. optimale strategie (een samen-
hangende reeks beslissingen in de loop
van de tijd) en een optimale ontwikkeling
van de strategische liquiditeitsstroom.
Vervolgens wordt in het kader van
het strategische model het begrip liquidi-
teitsreserve gedefinieerd als het bedrag
aan liquide middelen, dat opeen bepaald
moment in de planperiode beschikbaar
kan komen en waarbij de marginale
vermogenskostenvoet een nog juist ac-ceptabele waarde aanneemt. De liquidi-
teitsreserve wordt opgebouwd geacht
uit een drietal componenten (blz. 100):
de (positieve) additionele liquiditeits-
stroom;
vermindering van de vermogensbe-
hoefte ten gevolge van het afwijzen
van ,,nieuwe” investeringsprojecten;
aantrekken van additioneel lange-
termijn- en permanent vermogen.
De auteur concludeert: ,,Traditioneel
staat bij de bestudering van de liquiditeit
het op tijd voldoen aan betalingsver
–
plichtingen centraal. In de door ons
voorgestane begripsbepaling komt ook
het kostenelement naar voren”. Mijn
advies aan De Ridder moge zijn de
,,traditionele” auteurs nog eens gôed
na te lezen.
Tot zover is slechts sprake geweest
van een z.g. deterministisch model, waar
–
in onzekerheid is uitgebannen. Het zeven-
de en achtste hoofdstuk gaan over de
ondernemingsliquiditeit onder onzeker-
heid.
Hoofdstuk 7 behandelt een zeer een-
voudig ,,gambler’s ruin”-model voor één
periode, waarin onder uitermate gesti-
leerde voorwaarden de optimale omvang
van de liquiditeitsreserve wordt ver-
bonden met een optimale omvang van
de schulden van een onderneming; opti-
maal in de zin van: gepaard gaande
met de laagste kosten van de liquiditeits-
reserve, gegeven (als autonome varia-
bele) de kans op een kastekort, die
de ondernemingsleiding bij haar besluit-
vorming nog juist acceptabel acht.
Hoofdstuk 8 tracht de behoefte aan
liquiditeitreserves te vangen in termen
van een regeltechnisch model (zoals
dat is ontwikkeld door o.a. Miller en
Orr). Wat in dit hoofdstuk opvalt,
is het overmatig en ongenuanceerde
gebruik van de term ,,beleid”. Zodra
er bijvoorbeeld een kasoverschot is dat
een bepaalde drempelwaarde over-
schrijdt, dan moet er een beleidsbeslis-
sing worden genomen over de aanwen-
ding van het overschot. Het aantal
te nemen beleidsbeslissingen is volgens
De Ridder aan een maximum gebonden;
dit maximum is dan (zie blz. 122)
gedefinieerd als het aantal malen dat
er gemiddeld per periode beslissingen
mogen worden genomen. (Deze defini-
tie is niet geheel consistent, tenzij het
aantal malen constant is op het maxi-
mum). Het maximum wordt overigens
niet nader verklaard. De kastekorten
en kasoverschotten worden vereffend
in de sfeer van de liquiditeitsreserve.
Doch ook deze liquiditeitsreserve is
niet onuitputtelijk. Mocht de bodem
van deze reserve in zicht raken, dan
dienen er strategische beslissingen te
worden genomen, waarvan ook het mo-
gelijke aantal aan een autonome boven-
grens is gebonden. In dit kader wordt,
gegeven een doelstellingsfunctie, relevan-
te waarschijnlijkheden en kostenfunc-
ties, een optimale liquiditeitspolitiek
en -strategie gedefinieerd.
In hoofdstuk 9 wordt de liquiditeit
in verband gebracht met z.g. imper-
fecties van de vermogensmarkt, zij het
slechts bij wijze van hypothese.
In de laatste hoofdstukken wordt
geconcludeerd dat de jaarrekeningen
van ondernemingen aan de externe ana-
list in het algemeen geen uitsluitsel
kunnen geven over de omvang en kwali-
teit van de liquiditeitsstromen en -reser
–
ve, laat staan over de elasticiteiten van
deze grootheden. Nog minder is een
buitenstaander in staat aan te geven
in welke mate de onderneming een
optimaal liquiditeitsbeleid heeft gevoerd
(blz. 168). Immers, voor dit laatste is
kennis van ,,alle” beschikbare alterna-
tieven noodzakelijk. De studie wordt
afgesloten met enkele beschouwingen
over de z.g. ratio-analyse en een korte
weergave van ,,in eigen beheer” uitge-
voerd onderzoek inzake indirecte liquidi-
teitsmeting. De Ridder heeft op basis van
De boeken die in deze Engelse (d.w.z. in eerste instantie bedoeld voor doelein-
den in Engeland) serie verschij nen, zijn in
hoofdzaak geschreven om te ontkomen
aan de ontoereikendheid van de Ameri-
kaanse literatuur, zoals die, bij gebrek
aan andere literatuur, gebruikt wordt in
,,advanced courses in accounting”. Deze
literatuur is niet toereikend, omdat zij
geplaatst is tegen een wettelijke en insti-
tutionele achtergrond welke geheel ver-
schillend is van die van Engeland. Aldus
het voorwoord.
Het eerste hoofdstuk (,,Models and
objectives”) schetst het kader tegen de
achtergrond waarvan het boek dient te
worden gelezen. Zo moeten alle beslissin-
gen op financieel gebied die in een onder-
neming worden genomen, hetzij direct,
hetzij indirect, gericht zijn op het berei-
ken van het gestelde doel, nI. ,,the maxi-
misation of the long run market price of
the company’s shares”. Tot een dergelij-
een niet representatieve steekproef van
bedrijfsgegevens (inzake werkkapitaal-
behoefte, omvang van de operationele
kasstroom, omvang van ondernemend
en niet-ondernemend vermogen, winst
+ afschrjving en totaal vermogen), uit
een drietal bedrijftakken enkele exerci-
ties in de correlatierekening uitgevoerd.
Nog afgezien van de teleurstellende resul-
taten, die men de auteur uiteraard niet
mag verwijten, lijkt mij nogal slordig
omgesprongen met causaliteits- en iden-
tificatieproblemen. In de weergave van
de onderzoekresultaten is evenmin ge-
rept van de belangrijke relatie tussen
liquiditeit en vermogenskosten, die in
het voorgaande met zoveel ijver was
geconstrueerd.
Ik heb in dezé recensie het boek
op de voet gevolgd. Uiteraard ligt in
een kritische beschouwing wat overdre-
ven de nadruk op de elementen die
voor verbetering vatbaar zijn, waardoor
de vele positief te waarderen elementen
niet geheel evenwichtig zijn uitgemeten.
De indruk die ik aan de bestudering
van deze dissertatie heb overgehouden,
is evenwel deze: het moge dan al waar
zijn dat de theorievorming in Nederland
ter zake van de ondernemingsliquiditeit
weinig operationeel hanteerbare resul-
taten voor de praktijk heeft opgeleverd,
de studie van De Ridder heeft in deze
situatie nog geen significante verande-
ring kunnen brengen. Wel heeft hij,
zoals reeds opgemerkt, een aantal begrip-
pen en relaties formeel en theoretisch
in het gelid gezet. Daarvoor mogen
wij hem tenminste dankbaar zijn.
J. L. Bouma
ke doelstelling wordt besloten, nadat
afweging heeft plaatsgevonden met en
een uiteenzetting is gegeven (op wel zeer
simpele wijze) over de theorieën van
Marx en Cyert/March m.b.t. hun re-
spectieve kijk op de onderneming als
instituut in de samenleving.
De aard van de te behandelen proble-
men is overwegend ,,deterministisch”,
d.w.z. er wordt afgezien van het bestaan van onzekerheid (m.u.v. hfst. 7). Tevens
wordt het begrip ,,model” (,,a represen-
tation of a real-world-object or situa-tion”) op summiere wijze besproken.
Freear gaat uit van een ,,model building
approach”, omdat zo’n model een gesim-
plificeerd beeld van de werkelijkheid
geeft, van alle niet (of niet erg) relevante
factoren wordt geabstraheerd en het
zodoende eenvoudiger is de te nemen
beslissingen op hun (mogelijke) gevolgen
te beoordelen.
De begrippen ,,time value of money”,
J. Freear: Financial decisions in business.
Accountancy Age Books, Prentice Hall,
Londen, 1973, 211 blz., £2.
ESB9-l1-1977
1123
„opportunity costs” en ,,cash flow” wor
–
den in hoofdstuk 2 (,,The investment
decision”) besproken. Wat betreft het
begrip ,,cash flow”, dit wordt gedefi-
nieerd als het verschil tussen toekomstige
additionele ontvangsten en uitgaven wel-
ke kunnen worden toegewezen aan het in
beschouwing genomen investeringsalter-
natief. Additioneel wil in dit verband
zeggen toegevoegd aan de netto-ont-
vangsten van de onderneming als geheel.
De vraag of al dan niet tot investeren kan
worden besloten, wordt beantwoord met
behulp van slechts twee criteria uit de
hele range van beoordelingsmethoden,
ni. de netto-contante-waarde-methode
en de interne rentevoet.
Deze behandeling van de investerings-
selectie met een ,,cash flow”-begrip dat
rust op de gedachte van de differentiële
ontvangsten en uitgaven, sluit een didac-
tische opzet uit, die gebaseefd is op ,,net-
to-ontvangsten” die alleen worden gege-
nereerd door het investeringsalternatief
zelf, gevolgd door een behandeling van
complementaire of concurrerende inves-
teringsprojecten (zie bijv. J.L. Bouma,
Leerboek der bedrijfseconomie,
deel II,
De theorie van de financiering van on-
dernemingen, blz. 181 e.v.).
,,The stock market” beschrijft de wer-
king van de beurs te Londen als een
perfecte markt waarde prijs van effecten
tot stand komt. Tevens komen aan de
orde bronnen van financiele informatie
(Financial Times, Guardian
enz.), ratio-analyse en een drietal theorieen over het
verloop van prijzen van aandelen, nI. de
,,fundamental, chartist and random-
walk theory”.
Hoofdstukken 4 en 5 behandelen de
bronnen waaruit vermogen kan worden
geput, zoals handels- en bankkrediet,
factoring, leasing (korte en middellange
termijn) en obligaties, aandelen en inge-houden winst (lange termijn).
Hoofdstuk 6 (,,The new issue market”)
beschrijft op grond van welke overwegin-
gen een keuze kan worden gemaakt uit de
verschillende manieren waarop (addi-
tioneel) vermogen kan worden aange-
trokken, het tijdstip waarop en de prijs
waartegen.
In ,,Portfolio decisions” (hoofdstuk 7)
wordt als veronderstelling aangenomen
dat de belegger zodanig wil investeren
dat, uitgaande van risico-afkeer, de ver-
wachte opbrengst zo hoog mogelijk is.
Omdat niet alle voor het beslissingspro-
ces relevant geachte data op zekerheid be-
rusten, wordt aandacht besteed aan het
begrip ,,waarschijnlij kheid” (s-verdeling
of kansverdeling). Met behulp van deze
verdeling kan de verwachte waarde van
elk investeringsalternatief worden bere-
kend. De risico-afkeer van de belegger
vindt zijn uitdrukking in de waarde van
de standaarddeviatie van de netto-ont-
vangsten van elk alternatief. Daar op
deze manier moet worden geselecteerd
op basis van twee (mogelijke) strijdige
doeleinden (,,to minimise risk” en ,,to
maximise return”) wordt het begrip ,,in-
differentiecurve” ingevoerd, op grond
waarvan tot een eenduidige beslissing
kan worden gekomen. Het bovenstaande
wordt nu toegepast op één speciaal inves-
teringsalternatief, nI. de portfolio: één
pakket samengesteld uit diverse effecten.
De vraag luidt dan: in welk pakket effec-
ten ga ik beleggen? De verwachte waarde
van de portfolio wordt gedefinieerd als
het gewogen gemiddelde van de op-
brengst van alle in het pakket opgeno-
men effecten, met de ginvesteerde be-
dragen (op basis van aanschafprjs of op
basis van beurskoers? – JD) per
,,soort-effect” als gewicht. ,,The risk of
the portfolio” wordt gebaseerd op de
uitkomst van een formule waarin naast
de gewogen standaarddeviaties ook de
correlatiecoefficient van de opbrengsten
van de ,,soorten effect” A en Bis opgeno-
men. Met behulp van het bovenstaande,
waarvan de nadelen door Freear ook
worden besproken, kan voor elke moge-
lijk in aanmerking komende portfolio de
opbrengst en het risico worden bepaald.
Deze waarden worden in een assenstelsel
opgenomen, waarin indïfferentiecurven
van de belegger zijn getekend: een een-duidige oplossing is dan mogelijk.
Hoofdstuk 8 is vnl. gewijd aan de theo-
rie van Modigliani en Miller. In ,,Merger
decisions” (hoofdstuk 9) worden motie-
ven besproken op grond waarvan het
samengaan van ondernemingen kan zijn
gebaseerd, zoals defensieve overwegin-
gen omdat men ,,bang” is voor overname
door derden, marktoverwegingen, werk-
gelegenheid, groei door overnemingen.
Tevens wordt aandacht besteed aan wet-
telijke bepalingen (te vergelijken met
onze SER-fusiegedragscode) die in acht moeten worden genomen bij het samen-
gaan van ondernemingen.
Na deze opsomming in kort bestek van
de inhoud van het boek nog enige aan-
vullende opmerkingen. Het Engelse ca-
chet dat aan dit boek zou zijn meegege-
ven is van beperkte omvang, omdat de
behandelde onderwerpen niet specifiek
zijn voor de Engelse situatie. Ernstiger is
echter het ontbreken van een rode draad
door dit boek; het is een aaneenschake-
ling van willekeurige onderwerpen. Deze
omissie doet zich des te meer gevoelen bij
de mate van diepgang in de behandeling.
Zo komt het ons niet evenwichtig voorin
één boek van beperkte omvang ,,contant
maken” en ,,portfolio analyse”, onder
–
werpen met verschillende moeilj kheids-
graad, te behandelen. De zwakte van dit
boek zit dan ook meer in datgene wat
ontbreekt.
Besluiten wij met een positieve opmer-
king dan constateren wij dat datgene wat
in het boek geboden wordt, zonder uit-
zondering helder en duidelijk is uiteenge-
zet, mede doordat gebruik wordt ge-
maakt van uitgekiende en van alle
opsmuk ontdane voorbeelden.
J. Dijksma
Dr. J. E. Andriessen: Economie in
theorie en
praktijk. Elsevier, Amster-
dam! Brussel, 1976, vijfde herziene druk,
bewerkt door Dr. R. Schöndorff en
Drs. N. Cohen, deel 1, 261 blz.,
f.
22,50,
deel 2, 397 blz., f. 29,50.
De vorige druk van dit bekende leer-
boek werd uitvoerig besproken in
ESB
van 21 februari 1973 door Drs. L.
Hoffman. Het boek is thans in twee
delen gesplitst. Deel l bevat behalve
de inleiding en een korte historische
terugblik, de macro-economie, de proble-
men van groei en ontwikkeling en het
geld. Deel 2 behandelt de micro-
economie, de economische politiek en
de internationale economische betrek-
kingen. Het boek is met een aantal
onderwerpen uitgebreid en is waar nodig
geactualiseerd. Achter op de flap staat
een citaat uit de recensie in
ESB:
,,goed
verzorgd: gemakkelijk leesbaar, duide-
lijke grafieken, veel actuele statistieken,
uitvoerige literatuurlijst en zakenregis-ter”. De recensent voegde daaraan nog
toe: ,,Ondanks de korte paragrafen is
het boek door de verhalende vorm
weinig systematisch. Dit bevordert de
leesbaarheid, maar komt de didactiek
niet steeds ten goede”.
J. M. W. Binneveld en H. H. Vleesen-beek: Medische Faculteit Rotterdam.
Analyse van een
experiment. Stenfert
Kroese BV, Leiden, 1976, 290 blz.
Studie over de eerste 10 jaren van
de Medische Faculteit Rotterdam.
CBS:
Gieterijen 1974. Produktiestatistie-
ken. Staatsuitgeverj, Den Haag, 1977,
22 blz., f. 6,75.
CBS:
Rijwiel- en motorrijwielindustrie
1975. Produktiestatistieken, Staatsuitge-
verij, Den Haag, 1977, 24 blz., f. 6,75.
ESb
Mededeling
Studiebeurs Albert Heijn
Ook dit jaar stelt Albert Heijn weer
een studiebeurs ter beschikking, groot
f. 15.000, met het doel de ontvanger
daarvan in staat te stellen een studie te
maken van de vraagstukken waarvoor
goederen en/of diensten distribuerende bedrijven worden gesteld. Gegadigden
dienen zelf het onderwerp van studie te
bepalen. Het Comité van Keuze dat aan
de Raad van Bestuur van Ahold NV een
voordracht voor toekenning van de
studiebeurs doet, is als volgt samenge-
steld: Prof. Dr. A. 1. Diepenhorst te
Rotterdam, A. Heijn te Vogelenzang,
Prof. Dr. F. de Roos te Amstelveen,
Prof. Dr. G. M. van Veldhoven te Uden-
hout.
Inlichtingen en aanmelding: Secre-
tariaat van de Raad van Bestuur van
Ahold NV, Ankersmidplein 2, Zaandam.
1124