Ga direct naar de content

Jrg. 48, editie 2406

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 18 1963

t,

‘S

nromiiiT
D

JcaPcw

48e JAARGANG

18 SEPTEMBER 1963

No. 2406

5
4′
0

0

BA

19
m
l<

HORLOGES
SIERADEN
TAFELZILV

8nds 1837 £n
het hart van Rotterdam

WESTEWAGENSTRAAT 70

TELEFOON ll(*j

H. BRONS Jr

MAKELAAR IN ASSURANTIËN

TELEFOON (010) 11.19.80

MAURJTSWEG 23

ROUERDAM-2

Het Ministerie van Economische Zaken biedt jonge

DOCTORANDI IN DE ECONOMIE

en

MEESTERS IN DE RECHTEN

een interessante werkkring.

De werkzaamheden liggen o.m. op het gebied van:

• conjunctuurpolitiek en economische groei

• prijs- en kartelbeleid (nationaal en internationaal)

• internationale handel en economische integratie

• industriële vraagstukken

• specifiek juridische zaken.
Naast de voorziening in bestaande vacatures, is voor daartoe

geschikte krachten gelegenheid een stage te lopen op ve

schullende van deze gebieden

Salariëring: volgens de begin-rangen voor academici:

f. 815,— tot
f.
1.381,— per maand exclusief

vakantie-uitkering, tegemoetkoming ziektekosten

en de verhogingen per 1 januari 1964 en 1

januari 1965.

Solliciteren kunnen ook degenen die binnenkort afstuderen
of uit militaire dienst komen.

Brieven te richten aan het Hoofd van de Centrale Personeels-
afdeling, le v. d. Boschstraat 15, ‘s-Gravenhage. Telefonisch
(070-81 40 11, toestel 2724) kan een afspraak worden ge-
maakt voor een oriënterend gesprek).

Adviezen

1 en bemiddeling

inzake

levensverzekeringen

en pensioencontracten

F

hhu1h1,

IDEE

IllIII

R. MEES & ZOONEN

BANKIERS EN ASSURANTIEMAKELAARS

ROTFERDAM

AMSTERDAM / ‘s-GRAVENHAGE / DELFT

SCHIEDAM / VLAARDINGEN/ALBLASSERDAM

1720

..,
..

E C 0 N 0 MI S CH-
STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van de Stichting Het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor
Nederland: Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-6.
Telefoon redactie: (010) 5 29 39. Administratie: (010)
3 80 40. Giro 8408.

Privé-adres redacteur-secretaris:
Drs. A. de Wit, Sleedoorn-
laan 17, Rotterdam-12, tel. (010) 18 36 32.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam, Banque de Corn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brussel, postcheque-rekening
260.34.

Redactie-adres voor
België:
Dr. J. Geluck, Zwijnaardse Steen-weg 347, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam-6.

Abonnementsprijs:
franco per Post, voor Nederland en de
Overzeese Rjjksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen –

f
31— per jaar (België en Luxemburg B.fr. 400). Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts
worden beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Losse exemplaren van
dit nummer 75 ct.

Advertenties: Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de N. V. Koninklijke Nederi. Boekdrukkerj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam, tel. (010)
693 00, toestel 1
of
3.

Advertentie-tarief:
f.
0,36 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

f.
0,72 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

r
COMMISSIE VAN REDACTIE:
H.
W. Lambers; J. Tinbergen.
Redacteur-Secretaris: A. de Wit.
Adjunct Redacteur-Secretaris: M. Hart.
COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Mertens
de Wilmars; J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. J. Vlerick.

862

E.-S.B. 18-9-1963

Hulp door de V.S. aan ,,Foreign Assistance Act Countries”

1962 (fiscaal jaar;
$
mln.)
(fiscale
6$
2
mln.)

Tot.

Econ.
Milit. a)
Tot.
Econ. Milit.

Europa
.
699 273
426
44.706
28.866
15.840

pCt.
II
5,5
27 46
43
52
Nabije Oosten
en Z.-Azië
..
$
2.293 2.028
265
17.847 12.703
5.144

pCt.
34,5 40
17 18
19
16

vcrreoosten.
.
$
1.324
726
598
,21.837
13.729
8.108

pCi.
20

.
14
40
23
21
27

Lat..Amerika
.
$
1.366
1.234
132
6.824 6.184
641

pCI.
20,6
24
.
9
7
9 2

Afrika
$
524
500
24
1.845
1.730
116

pCi.
7,9
10
2 2 3
0

Niet-regionaal.
$
405
324
81
4.073 3.244
829

pCi.
6 6,5 5
4
S
3

Totaal
$
6.611
5.085
1.526
97.133 66.455
30.678
pCi.
100
100
100 100 100
100

De buitenlandse hulp door de Verenigde Staten

De drastische verlaging door het ,,T-Jouse of Represen-

tatives” van het door President Kennedy gevraagde bedrag

van $ 4,5 mrd. voor hulp aan het buitenland in het fiscale

jaar 1964 tot $ 3,5 mrd. heeft de continuïteit van het Ame-

rikaanse beleid ter zake onzeker gemaakt. Het wachten is

nu op de houding van de senaat. Een vroeger symptoom

van Amerikaans onbehagen was de instelling en het kritisch

rapport van een bijzondere commissie onder generaal Clay,

hetgeen leidde tot een verkleining van het initieel gevraagde

bedrag van $ 4,9 mrd.

De importantie rechtvaar

digt enige opmerkingen waar-

bij geput wordt uit de, voor

het Congres bestemde, ,,sum-

mary” van de Amerikaanse

regering
1).
Uit de tabel blijkt

dat in de periode 1945-1962

bijna $ 100 mrd. werd ver-

strekt. Een vergelijking met

1962 toont de veranderde do-

sering van afnemers. Europa’s

aandeel in pCt. beliep in de

twee perioden resp. 46 en 11;

dat van het
nabije
Oosten

en Z.-Azië 18 en 40; het verre

Oosten 23 en 20; Latijns

Amerika 7 en 20 en van Afrika

2 en 7.

In deze tijd van Gaullistisch

streven lijkt het nuttig om

Europa’s afname gedurende

1945-1962 te specificeren.

Frankrijk ontving (in $ mrd.):

9,4; Engeland 8,7; Italië 5,7;

West-Duitsland
5,0
en Neder-

land 2,4 (waarvan voor ca.

50 pCt. militaire hulp). In 1962′ waren grote Europese

afnemers ($ mln.): Zuidslavië: 116; Portugal: 78 en Spanje:

67. Nederland ontving $ 14,7 mln, aan militaire en $ 0,1

mln. aan economische hulp. Vele Europese landen fun-

geren nu met de V.S. als donor
2).

In 1962 ging het grootste deel van de economische hulp,

nI. ca. 40pCt., naar het nabije Oosten en Z.-Azië. Hiervan

ontving India ca. 40 pCt.; Pakistan ca. 20 pCt.; Egypte

11 pCt. en’ Turkije ruim 9 pCt. De militaire steun concen-

treerde zich in 1962 met 40 pCt. in het verre Oosten.

Hiervan kregen Vietnam en Korea elk ca. een vierde.

Indonesië ontving in de periode 1945-1962 $ 681 mln. aan

economische hulp; in 1962 $ 82 mln. De getallen voor

1962 tonen een’ duidelijke accentverschuiving ten gunste

van Latijns Amerika en Afrika. De Amerikaanse hulp

aan Afrika heeft echter bewust een aanvullend karakter

Blz.

De buitenlandse hulp door de Verenigde Staten 863

Wat weten wij van de woningbehoefte?,
door Prof.

Dr. Ir. H. G. van Beusekom ………………..
864

Prof. Mr. Dr. G. M. Verrijn Stuart 70 jaar …..865

De wereldscheepsbouw: prognoses en realiteiten

(1), door Drs. J. H. Scholte ……………..
866

p de Europese hulp, die ruim twee maal zo groot ‘is.

Ook
bij
andere aspecten van de hulp zijn veranderingen

te constateren. t-let aandeel van de militaire uitgaven ver

minderde: 1945/1962:30 pCt.; 1962: 22 pCt. Er was voorts

een concentratietendens zowel van de militaire (langs de

Sino-Sowjet-grens) als van de economische uitgaven
(4/5

van deze hulp gaat naar 20 van de betrokken 80 landen).

Het aandeel van de totale hulp in het Amerikaanse bruto-

nationaal produkt daalde van 2 pCt.
bij
de start van het

Marshallplan tot ca. 0,7 pCt. in 1963.

De Amerikaanse regering

constateert met genoegen,

doch niet voldaan, het

groeiende aandeel van andere

,,westelijke” D.A.C.-landen

bij de hulp aan arme landen.

Aan overheidskapitaal (netto)

besteedden deze landen en

de V.S. hiertoe in 1956 resp.

$ 1,2 en 2,0 mrd.; in 1961

$ 2,5 en 3,4 mrd. Aan parti-
culier kapitaal in 1961 resp.

$ 1,5 en 1,2 mrd. Met ver-

ontrusting wordt door de V.S.

gewezen op de aanzienlijke

hulp door het Sino-Sowjet

bloc: voor $7,1 mrd.
3
)
tijdens

1955/1962 (w.v. $2,5 mrd.

aan militaire hulp. In deze

periode verleenden de ,,wes-

telijke” landen (excl. de V.S.)

$ 9,3 mrd. In 1962 beliep de

,,00stelijke”economische hulp

echter slechts ca. $ 0,4 mrd.

Na de atoombom v/rmen
de arme landen de grootste

mondiale,,challenge”. Nodig is een mondiale solidariteit:

,,thespirit of the Marshall plan iswhat is néeded; and other

countries along with the United States should display this

spirit
4).
Er is evenwel nog een andere uitspraak van Prof.

Tinbergen: ,,We must fear that the queer disproportion-
ality goes on between the utmost refintment in elegance

and taste for p2rsonal satisfaction and glory and an ab-

sence of the simplest felings of human solidarity”
5).

M. H.

1)
,,Proposed Mutual Defense and Assistance Programs FY
1964″, Washington, april 1963.
2)
Zie Drs. F. Kupers’ artikel
in ,,E.-S.B.” van 28 augustus jI.
3)
Hiervan ontvingen (naar
raming) India voor $ 982 mln.; Egypte: $ 716 mln., Indonesië
voor $ 638 mln.
4)
Prof. Dr. J. Tinbergen e.a.: ,,Shaping the
world economy”, blz. 182., The Twentieth Century Fund, New
York 1962.
5)
,,Lessons from the past”, blz. 96., Elsevier Pu-
blishing Company, Amsterdam 1963. –

Blz.

Maatstaven voor personeelsbeloningen,
door Dr.

C. A. Buningh …………………………. .
870

A a n te k e n in ge n:

Macro-economische ramingen voor 1963 en 1964 871

De Miljoenennota 1964 ………………..874

Geld- en kapitaalmarkt,
door Dr. C. D. Jong,nan..
879


BIJLA€E

De eerste internationale industrie en de problematiek der ontwikkelingslanden,
door Dr. W. T. Kroese

E.-S.B. 18-9-1963

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

863

‘f

Wat weten wij van de woningbehoefte?

Het nieuwe kabinet heeft een onderzoek aangekondigd

naar de woningbehoeften der onderscheiden bevolkings-

groepen. Over deze behoeften ontbreekt ieder feitelijk ge-

geven. De tegenwoordige planning voltrekt zich in de politieke

sfeer. Zou uit het onderzoek blijken, dat zij onjuist is, dan

zou een produktie kunnen worden verkregen,’
die meer past

bij de vraag.

Het klinkt wellicht ietwat vreemd, dat in deze tijd, waar-

ifi het woningtekort al bijna twintig jaar doorlopend in de

belangstelling staat, nog de vraag moet worden gesteld,

wat
wij
eigenlijk weten van de werkelijke woningbehoefte.

• Wij hebben in 1956 een speciale woning- en gezins-

telling gehouden en wij hebben in 1960 bij de Volkstelling

opnieuw gegevens over woningbehoefte en woningvoorraad

bijeengebracht. En toch moet vandaag de vraag worden

• gesteld, of onze kennis over de werkelijke woningbehoefte

– niet
volstrekt ontoereikend is.

Zeker, wij weten wel een en ander over aantallen wo-

1
ningen en aantallen huishoudingen.
Wij
weten, dat de

woningbehoefte ten gevolge van demografische factoren –

huwelijken, sterfte en migratie – de laatste jaren met een

goede 52.000 per jaar is toegenomen en dat per jaar ten

minste 12.000 woningen door afbraak en andere oorzaken

uit de voorraad verdwijnen. Totaal rond 65.000 woningen.

Wanneer wij dan ‘weten, dat in 1961 rond 82.500 nieuwe

woningen zijn gereedgekomen en in 1962 ruim 78.000, ter-

wijl het aantal in 1963 zonder twijfel aanzienlijk lager zal

zijn, dan is het een eenvoudige rekensom om te bepalen

hoeveel wij ieder jaar op het tekort inlopen.
Dit wil dan echter nog niet zeggen, dat het,,,statistisch

tekort”, dat is het aantal ontoelaatbare samenwoningen,

met hetzelfde aantal afneemt. Een deel van de winst komt

ten goede aan huishoudingen, die niet als statistisch tekort

te boek staan, bijv. uitgestelde huwelijken e.d. Wij schieten

dus maar uiterst slecht op.

Delaatste tijd begint zich intussen naast dit kwantitatieve

tekort een ander aspect op te dringen. Het gaat dan om de

vraag,
hoe
de woningbehoefte eigenlijk is samengesteld.

Immers, het is niet alleen van belang te weten,
hoeveel

woningen wij nodig hebben, maar ook
welke soort wo-

ningen.
Met andere woorden:
hoe is de woningvraag samen-

gesteld
naar woninggrootte, huur, outillage enz.?

Dit punt heeft thans ook de aandacht van de regering

gekregen.
Wij
lezen immers in de regeringsverklaring van

‘.4
het nieuwe kabinet, dat een onderzoek zal worden ingesteld

naar de _woningbehoeften der onderscheiden bevolkings-
groepen met een verdeling der woningzoekenden naar het

inkomen als ook naar de aard der behoeften.

Het is een wonderlijk geval, dat wij hiervan feitelijk niets

weten. Immers, hoe kunnen
wij
met verstand woningen

produceren, die voldoen aan de behoeften van een rijk

geschakeerde bevolking, terwijl wij over die behoeften niets

anders weten dan een’og niet eens helemaal betrouwbare
schatting van het blote aantal?

Betekent dit nu, dat de woningbouw in ons land wordt
vrijgelaten endat er niets gedaat wordt in het belang van

een zo juist mogelijke aanpassing van de aanbous aan de

vraag? Jn’genendele; van vrijheid voor de woningbouw is

in ons land geen sprake.

De onderscheiden produktiewijzen zijn gebonden aan

jaarlijkse contingenten, die rigoureus worden gehandhaafd,

ook al gaat dit, zoals meer en meer duidelijk wordt, ten

koste van de omvng van de produktie..

Deze contingenten worden echter bepaald, niet ‘door

deskundigen op grond van een marktanalytisch onderzoek,

maar door overleg tussen niet-deskundige politieke fracties.

Wanneer de fractie, die zich het meest vooruitstrevend

noemt, 50.000 woningwetwoningen vraagt en een andere

meent met 40.000 te kunnen volstaan, dan vindt men elkaar

op 45.000, zonder dat iemand de vraag stelt, of op grond

van een geconstateerde behoefte en de aanwezige woning-

voorraad deze 40.000 of 50.000 woningwetwoningen inder-

daad’ nodig zijn.

Bij een vorige gelegenheid heb ik reeds
twijfel
geopperd

aan de noodzaak en zelfs de wenselijkheid van een zo groot

contingent woningwetwoningen. Immers, woningwet-

woningen zijn woningen, die goedkoop worden gehouden

om de huren binnen zekere genzen te kunnen houden.

Het zijns redelijke woningen met een aanvaardbaar mini-

mum woonpeil en een aanvaardbaar ‘minimum comfort.

Iedere marge ontbreekt echter en in tal van opzichten –

wij noemen alleen maar de geluidsisolatie in de etage-

woningen – schieten zij tekort. Het zou dus uitermate

bedenkelijk zijn, wanneer zou blijken dat
wij
te veel
van
4

deze woningen bouwen, omdat dit een verlaging van het

woonpeil zou betekenen.

Buwen
wij
nu te veel van ‘deze woningen? Neen, zegt

de meest vooruitstrevende groep, want de grootste behoefte

bestaat op het ogenblik aan woningen met beperkte huur.

Naarmate het aantal woningzoekenden daalt, wordt hun

gemiddelde draagkracht kleiner. Ergo,
wij
hebben op het

ogenblik voornamelijk te zorgen voor de woningzoekenden

met geringe draagkracht en daarvoor hebben
wij
woning-

wetwoningen nodig.

Tegenover deze opvatting hebben wij
bij
een,vorige ge-

legenheid aangevoerd, dat de gemiddelde draagkracht van

de woiiingzoekenden inderdaad steeds kleiner wordt, maar
dat zij thans reeds zover is gedaald, dat
een nieuwe woning-

wetwoning.voor
velen van deze mensen
te duur is.

Blijkens een resolutie van de Nationale Woningraad van

2 juli 1963 waren de gemiddelde huren van de

nieuwe

woningwetwoningen in de laatste 4 maanden van 1962 in

de grote steden f. 23,65 per week, in’de overige le klas

gemeenten f. 20,65 en in de 2e klas f. 20. Om dergelijke

huren te kunnen betalen, zal men toch meer dan f. 100 per

week schoon moeten hebben. De grote meerderheïd van

de woningzoekenden, die zichzelf tot nu toe niet hebben

kunnen, helpen, komt aan een dergelijk loon bepaald niet

toe

Naar ons gevoel is het aantal gegadigden, dat de huur
van een nieue woningwetwoning kan betalen,
maar ook

niet meer,
betrekkelijk klein. Veel groter is de groep, die

deze huur
niet kan betalen.
Deze mensen behoren in aan-

merking te komen voor een woningwetwoning van tien of

meer jaren oud, die op een aanmerkelijk lager kosténpeil

864′

.

E.-S.B. 18-9-1963

1_

is gebouwd dande tegenwoordige en dus tegen een lagere

huur kan worden verhuurd. –

Dergelijkê woningen zijn er meer dan voldoende, doch
zij worden bezet gehouden door gezinnen, die er vroeger

in thuis hoorden, doch nu gemakkelijk een woning op de

vrije markt zouden kunnen betalen. Zou men deze gézinnen

door een aanzienlijke verruiming van de vrije sector een

aantrekkelijke woning kunnen bieden, dan zouden tien-

duizenden gezinnen van beperkte draagkracht een goed-

kope woning kunnen verkrijgen en zou de tegenwoordige

geforceerde aanbouw van woningwetwoningen niet nodig

zijn. De schatkist, de woningproduktie en het woonpeil

zouden hier wel
bij
varen.

Nu moeten wij dadelijk toegeven, dat het voorafgaande

evenzeer op een hypothese berust als de overeenkomst

tussen de Kamerfracties over de verdeling van het woning-
programma. Noch over de draagkracht van de nog woning-

zoekende gezinnen, noch over die van de gezinnen, die in

een te goedkope woningwetwoning wonen, beschikken wij

ook maar over enig feit eljjk gegeven.

Mr. Andriessen heeft in zijn referaat voor de Week van

de Volkshuisvesting twee dingen geconstateerd:

de ingeschreven woningzoekenden behoren veelal tot

de laagste inkomensgroepen, waarvôor de nieuwbouw
geen
oplossing
biedt;

tot 1957 zijn 325.000 woningwetwoningen gebouwd,

die goedkoop en kwalitatief goed zijn, doch veelal
onjuist

bezet.

Twee uitspraken van een deskundige uit de praktijk,

die geheel overeenstemmen met de boven ontwikkelde ge-

dachten. Cijfers om deze uitspraken te staven ontbreken

echter.

Onlangs heeft Ir. M. Elion in het weekblad ,,Bouw”

een poging gedaan om de onvoldoende aanpassing van het
woningaanbod aan de vraag met cijfers te staven. Hij heeft

daartoe naast elkaar gezet de woningvoorraad op .31

december 1961, verdeeld naar de huurklassen, en de wo-

ningbehoevende bevolking, verdeeld naar de inkomens-

klassen
1).

Zelf heb ik deze methode eens toegepast op de vdér-

oorlogse situatie in de gemeente Eindhoven ten einde een

inzicht te krijgen in het percentage, dat in de verschillende

inkomensgroepen aan huur wordt betaald
2).
Ik vond toen,

dat door de lagere inkomensgroepen het hoogste percentage

moet worden betaald, hetgeen in overeenstemming is met

de wetten van Engel, maar ook met de ervaring van de

volkshuisvestingsdeskundigen. Dit punt is hier echter nu
niet ter zake.

Een overeenkomstige methode heeft Ir. Elion nu toe-

gepast om de aanpassing van het aanbod aan de vraag te

bepalen. Daarbij komt hij tot uiterst merkwaardige resul-

taten. In de huurgroepen van f. 12 tôt f. 14 en van f. 14

tot f. 16 bestaat een ernstig tekort. Voor deze prijs kunnen

echter geen nieuwe woningen worden gebouwd. In de
huurgropen van f. 16 tot f. 20, dus de nieuwe woning-

wetwoningen, bestaat een niet
onbelangrijk overschot.
Voor-

al in de groep rond f. 150 per maand is er weer
een tekort:

,,Bouw” van
13
april
1963,blz. 454
ev.

,,Woningvoorziening in een nieuwe tijd”,
1946, blz. 89
e.v

E.-S.B. 18-9-1963

Prof. Mr. Dr. G. M. VERRIJN STUAR'[

70 JAAR

,,Kracht en beheersching waren de kenmerken van

Professor G.M.!”. Aldus Mr. G. Vissering, toen

voorzitter van het curatorium, op het moment dat

Prof. Venijn Stuart het Nederlandsch Economisch

Instituut in 1934 verliet om het hoogleraarschap

te Utrecht te aanvaarden. Prof. Verrjn Stuart

heeft sindsdien nationaal en internationaal aan

Nederland in vele functies zijn kracht
en bheersing

ter beschikking gesteld. Het N.E.I. en E.-S.B.

hebben nu nog de
herinnering aan de uiterst be-

kwame en energieke wijze waarop hij nieuwe

levensmogelijkheden schiep in het begin der jaren

dertig. Hij is op deze wijze doorgegaan, op vele

plaatsen werkend en tot stand brengend. De huidige

redactie biedt een groot voorganger haar
zespect-
volle
gelukwensen aan
bij
zijn 70ste verjaardag.

Deze cijfers zijn niet gebaseerd op wat de betrokkenen

willen betalen, maar op wat zij geacht moeten worden te

kunnen
betalen.
,,

Nu kan men natuurlijk bezwaar maken, dat de twee

tabellen zo maar naast elkaar worden gezet. Er is trouwens

ook geen algemeen aanvaarde norm voor het percentage,

dat men aan huur behoort te betalen, zodat ook daarover

meningsverschil mogelijk is. Men moet de resultaten van

deze vergelijking dus zeker met een grote reserve be-

schouwen. Zeer globaal bevestigen zij echter wel de boven

gebezigde hypothese, dat de behoefte aan woningen in de
huurgroep waarin de woningwetbouw bouwt,
betrekkelijk.

klein
en in de groepen daar
beneden
en daar
boven groot is.

Wanneer dit inderdaad waar zou zijn, dan zou dit be-

tekenen, dat onze hele woningbouwplanning fout is. Van

een bewuste planning van overheidswege b]ijkt niets terecht

te komen. Het is ook geen wonder, dat er niets van terecht

komt, omdat de overheid ter zake van de samenstelling

van de huidige woningbehoefte, d.w.z. de verdeling naar

soort, grootte, huurklasse enz. over
geen enkel feitelijk

gegeven
beschikt.

Het is daarom een feit van betekenis, dat de nieuwe

minister het initiatief heeft genomen tot het instellen van

een onderzoek naar de woningbehoefte der verschillende
bevolkingsgroepen, waarbij ook rekening zal worden ge-

Fibuden met de inkomens en de aard der behoeften.

Het is uitermate belangrijk, dat wij hierover eindelijk

eens iets te weten zullen komen, want de tegenwoordige

ongefundeerde contingentering in de politieke sfeer heeft

niet alleen tot gevolg, dat het woningaanbod niet past op

de vraag, maar heeft ook een funeste invloed op de totale
woningproduktie. Hierover echter in een volgend artikel.

‘s-Gravenhage.

Prof. Dr. Ir. H. G. VAN BEUSEKOM.

865

Mede naar aanleiding van het artikel van
Ir.
E. A.
Plate in ,,E:-S.B.” van 3 juli ji. ontwikkelt schrijver
zijn persoonlijke visie op de toekomst van de wereld-
scheepsbouw. In dit artikel komt aan de orde schrijvers
prognose in ,,E.-S.B.” van 3 juli 1957. Voorts worden
o.m. behandeld de aard van de factoren, die de vraag
naar nieuwe tonnage in de komende jaren mogelijk
zullen beheersen. Hierbij worden achtereenvolgens de
vervanging en de uitbreiding van de wereldkoop-
vaardijvloot in beschouwing genomen. Bij de ver-vangingsvraag spelen o.m. de technische evolutie,
de hiermede samenhangende kostprijsdaling en snelle
economische veroudering een rol. De expansie van de
tankvloot kan worden bevorderd – er zijn echter ook
vertragende factoren – door een snelle expansie in
bijv. de Zuidamerikaanse gebieden. Voor de droge
ladingvloot zijn niet direct spectaculaire ontwikkelingen
te verwachten. Zonder zelf hiertoe over te gaan acht
schrijver een kwantitatieve benadering van de -pro-
blemen – i.h.b. door de O.E.S.O.-werkgroep scheeps-
bouw – wenselijk en mogelijk. Hierbij wordt verwezen
naar studies van Prof. Tinbergen en van Prof. Tj. Koop-
mans. De berekeningen van Ir. Plate zouden te veel een
extrapolatie vormen van de trend van de jaren vijftig.

im

wereldscheepsbouiw:

prognoses

en realiteiten

(1)

Voorspelling, planning en prognose.

De directeur van de economische researchafdeling van

de Noorse Redersvereniging, Johan Seland, pleegt zijn

medewerkershet advies te geven
……
„that if they are

to make forecasts they should be for situations at least ten

years ahead. Thcn they would be forgotten by all except

the makers, who would be in the pleasant position of

having the choie saying ,,As T wote ten years ago
……
or keeping mum!”
1).

Wanneer ik in 1957 bij het openen van enige ,,Perspec-

tieven voor de wereldscheepsbouw”
2)
deze raad ter harte

had kunnen nemen, zou de heer Ir. E. A. Plate een andere
aanloop hebben moeten nemen voor zijn ,,Vooruitzichten

voor de scheepsbouw”, die juist zes jaar later in dit blâd

verschenen
3).
Of misschien had ik dit artikel toen t5ch

gepubliceerd. Overigens niet met de bedoeling sommige

werfdirecteuren de wenkbrauwen te doen fronsen: in 1957

van verbazing over zoveel pessimisme, in 1963 in afkeer

van een zo onrealistisch gebleken visie. Gelukkig werd het

mimisch effect in beide gevallen verzacht door de gedachte,

dat het hier slechts de ideeën betrof van een econoom,

een new-comer in het ecuwenoude bedrijf der scheepsbouw-

kunst en kennelijk nog niet bekend niet de ongewisheid

van de gunst der tijden
……

De belangrijkste beweegreden tot mijn publikatie van

1957 was de omstandighid, dat in de wereld van scheep-

vaart en scheepsbouw een uitvoerige statistische documen-
tatie

aanwezig is, die zich m,i., behalve voor vrij steriele

retrospectieve beschouwingen, ook uitstekend kan lenen

voor het maken van enkele prognoses. –

In dit verband is het we!licht nuttig even stil te staan

bij de begrippen: voorspelling – prognose – planning.

Een voorspelling moet beschouwd worden als een vooraf

aangekondigde situatie in een meer of minder ver ver-

Johan Seland: ,,On Forecasts and Forecasters – Pitfails of
predicting Tonnage Demand” in ;,The Shipping World” van
13 januari 1960.

In ,,E.-S.B.” van 3juli1957.

3
)-in ,,E.-S.B.” van 3juli1963.

wijderde toekomst, waarbij essentieel is, dat deze visie niet

is gebaseerd op rationele argumenten, doch op intuïtieve

gevoelens. Het is merendeels het produkt ‘van occulte

specialisten. De econoom voelt zich hier niet thuis, al-

hoewel velen hem, wellicht door ondoorzichtig – tal-

gebruik, met deze groep identificeren. Misschien bestaat

er wel verwantschap met de ,,klassieke” ondernemer, maar

dan blijkt het ,,Fingerspitzengefühl” meestal minder uit

woorden dan
uit
daden.

De prognose moet worden gezien als een aanwijzing

van de vermoedelijke gang van zaken, gebaseerd op een

(kwantitatieve) analyse van bepaalde vershijnse1en. Zoals

op de Najaarsefficiencydagen’ 1961 duidelijk is gesteld
4),

draagt de prognose een passief karakter. Het zijn schat-

tingen die een steun (kunnen) betekenen voor het beleid,

zij zijn er echter geen uitvloeisel van.

De planning daarentegen vormt een onderdeel van een

beleid ): het is het formuleren van doelstellingen, welke

men in de toekomst wil verwezenlijken of, zoals Prof. Van

Emden het op de N.I.V.E.-dag kernachtig uitdrukte:

planning is de synthese van wat men wil, wat mn kan en

wat men er mee doet!
4).
Het begrip’planning reikt dus

veel verder, de prognose is niet meer dan één van de

instrumenten.

De divergentie bij de prognose van 1957.

Het artikel ,,Perspectieven voor de wereldscheepsbouw”

was bedoeld als een prognose, alhoewel gaarne zij toe-

gegeven, dat de formulering van de slotconclusies wellicht

zodanig was, dat hierin, los van de voorafgaande analyse,

een voorspelling gelezen kon worden. Daar deze conclusies

evenwel systematisch uit het toen beschikbare cijfer

materiaal waren opgebouwd, kost het niet bijzonder veel

moeite de oorzaak van de afwijkende ontwikkeling te loka-
liseren.

,,Tijdschrïft voor Efficientie en Documentatie”, jaargang
31, no. 14 (december 1961), blz. 758 en 759. –

,,Planning op-langere termijn bij overheid en bedrijfs-
leven” in ,,Praeadviezen voor de Najaars-Efficiencydagen”,
1961. Uitgave van het N.1.V.E.

866

– E–S.B- 18-9-1963

De prognose van. 1957 was onder meer gebaseerd op de

veronderstelling, dat de produktie van scheepsruimte zich
op ca.
6,5
mln. BRT per jaar zou stabiliseren, zodat in de

periode 1957 t/m 1962 ca. 39 mln. BRT afgeleverd had

moeten worden. In feite heeft de in
1955
begonnen ex-
pansie van de wereldscheepsbouwcapaciteit zich veel ver-

der voortgezet dan ik had voorzien. Zo werd in 1958 9

mln. BRT tewatergelaten, waarna de produktie per jaar

rond 8 mln. BRT bleef schommelen.

Zoals men ook in het artikel van de heer Plate kan lezen

(zie tabel 2) werd in de laatste zes jaar ongeveer 51 mln.

BRT opgeleverd, hetgeen 12 mln. meer is dan geraamd.

Hierdoor is de wereldscheepsbouw aan het einde van 1962
ongeveer twee jaar voor op de destijds gemaakte.prognose

en zou dus nu langzamerhand in de situatie moeten ver-

keren als door mij voor
1964/65
voorien: nl. een sterk

terugvallen van de vraag naar nieuwe tonnage. In hoeverre

ook dit gedeelte van de prognose herziening behoeft, zullen

wij zo dadelijk nog nagaan.

De rentabiliteit der werven in de eerstkomende jaren.

Sedert 1958 klagen de scheepsbouwers – niet ten on-

rechte
6)
– over de slechte prijzen voor nieuw te bouwen

tonnage. Dat vele werven tot dusverre hun boeken nog

niet in het rood behoefden af te sluiten, is mede een gevolg

van het feit, dat zij beschikten over een ruim aantal bouw-
contracten, afgesloten tegen alleszins redelijke
prijzen;
in

enkele gevallen nog met clausules die verrekèning van de

stijging van lonen en rondstofprjzen mogelijk maakten.

Deze orderportefeuilles hebben het mogelijk gemaakt, dat

een aantal scheepsbouwmaatschappijen ook in 1962 hun

nieuwbouwafdelingen nog lonend hebben kunnen bezetten.

Natuurlijk is de situatie niet overal dezelfde.

In Groot-Brittannië waren een aantal werven reeds ge-

noodzaakt de poorten te sluiten, in Zweden wisten de

,,big three” (Eriksberg, Götaverken en Kockums) over

1962 een zeer bevredigend resultaat te boeken. In andere

landen is de situatie vrij ondoorzichtig, zowel door over-

heidssubsidies (Frankrijk, Italië) als door het feit dat in

Japan en N.-Duitsland de werven vaak een onderdeel

vormen van de grote concerns in de zware industrie.

In Nedei1and is het beeld minder duidelijk, doordat vele

werven het reparatiebedrijf uitoefenen,
terwijl
zij zich in

toenemende mate met activiteiten buiten de scheepsbouw

(gaan) bezighouden. Daarenboven hebben de Nederlandse

werven te kampen met een aanzienlijk teruglopende per-

soneelssterkte, hetgeen vaak onderbezetting van de werf-

uitrusting veroorzaakt. Het ligt echter voor de hand, dat

de financiële resultaten van werven, die een belangrijk

gedeelte van hun produktiecapaciteit gebruiken voor de

bouw van nieuwe schepen, een sterke teruggang zullen

gaan vertonen.

De vooruitzichten op een wat langere termijn.

De heer Plate geeft aan het einde van zijn artikel een

aantal rekenvoorbeelden, waarbij het tempo van vervanging

6)
Zo vermeldt ,,Fairplay Shipping Journal” (4-7-63, blz. 82)
de navolgende gegevens voor de
prijzen
en bouwkosten (in
Groot-Brittannië) van een modern motorvrachtschip (x £ 1.000):

datum
contract-
..
1
bouw-
11
datum

1
contract-
..
1 bouw-
prijs
kosten
prijs
kosten

31-12-1956

.
1.300
1

1.045
31-12-1960.
.1
900
1

1.015
31-12-1957

. .
.1
1.055
1

1.105

II
31-12-1961.
.1
900
1

1.015
31-12-1958

. .
.1
900
1

1.110

ii
31-12-1962.
.1
825
1.025
31-12-1959

. .
.1
850
1

1.030

II
30-
6-1963.
.1
850
1

1.025

en uitbreiding van de wereldkoopvaardijvloot als varia-
elen zijn gebruikt. Bij iedere combinatie van varianten

-i dan aangegeven welke hoeveelheid tonnage door de

werven in de eerstkomende tien jaar moet worden afge-

leverd om aan de vraa naar scheepsruimte te voldoen.

Hoewel de heer Plate de keus van de varianten wijselijk

aan de lezer overlaat, kreeg ik de indruk ‘dat hij een ge-

middelde jaarlijkse produktie van 8 â 10 mln. BRT voor

de’ periode 1963-1972 geenszins uitgesloten acht. Een der-
gelijke produktie zou de wereldscheepsbouw dan een alles-

zins redelijke bezetting van de thans beschikbare capa-

citeit waarborgen. De uitkomst van deze prognose ligt

nogal wat hoger, dan hetgeen in mijn artikel van 1957

werd geraamd. Dit geldt met name voor de jarenl964/67

waarin tot een sterke terugval van de vervangingsvraag

was gecncludeerd.

Het heeft m.i. echter, na de nieuwe kwantitatieve be-

nadering van de heer Plate, weinig zin nogmaals de aan-

dacht van de lezer te vragen voor een overwegend cijfer-
matig betoog. Veeleer is het naar mijn mening nuttig een

indruk te geven over de
aard
van een aantal factoren, die

de vraag naar nieuwe tonnage in de komende jaren mo-

gelijk zullen beheersen. Hierbij beschouwen
wij
eerst een

aantal facetten van de vraag naar scheepsruimte, die voort-

vloeien uit de vervanging.

De vervanging van de wereldkoopvaardijvloot.

Hewel een zeer uitvoerige statistische documentatie be-

schikbaar is, zijn
bij
mijn weten nog nooit de resultaten

gepubliceerd van een onderzoek naar de economische/

technische levensduur van (verschillende typen) schepen en

de zich
hierbij,
onder invloed van conjuncturele en struc-

turele factoren, voordoende fiuctuaties. In vakkringen kan

men weliswaar veelvuldig de mening horen, dat de tech-

nische levensduur van een vrachtschip op ca. 25 jaar en

die van een tanker op 20 jaar kan worden gesteld. De ge-

durende de tweede wereldoorlog gebouwde standaard-

schepen zouden ca. 5 jaar korter meegaan.

Deze opvatting, die ook een der uitgangspunten van

mijn prognose in 1957 was, wordt waarschijnlijk niet geheel

door de feiten bevestigd. Een recente, niet gepubliceerde

studie van de Centrale Bond van Scheepsbouwmeesters in

Nederland (Cebosine) gaf aan, dat schepen die ten gevolge

van rampen of sloop uit de registers worden afgevoerd

gemiddeld meer dan dertig jaar oud zijn. Dit klinkt zee’r

aannemelijk, zeker wanneer men weet dat door Neder-

landse rederijen in 1958/9 vele schepen uit de vaart zijn

genomen en voor slo6p verkocht, die vôâr of in het begin

van de crisis van 1930 waren afgeleverd.

Bij de gunstige vrachtenmarkt waren tot 1958 de eco-

nomische en technische levensduur vrijwel gelijk. Zelfs zijn

mij gevallen bekend, dat de economische levensduur de

technische overschreed en alleen door zeer omvangrijke

vernieuwingen aan het casco of in de machinekamer de

survey gepasseerd kon worden.

Toen echter in 1958 de vrachten onder invloed van een

sterk toenemend aanbod van scheepsruimte en een hierbij

– ten gevolge van de recessie in de wereldhandel – achter-

blijvende vraag een scherpe daling vertoonden, bleken vele

schepen niet alleen technisch maar ook economisch ver

ouderd en moesten worden opgelegd. De meeste van deze

schepen verdwenen in de daarop volgende jaren naar de

sloper.

De stroom van afgeleverde moderne tonnage ging even-

wel door, waardoor een niet onbelangrijk gedeelte van .de

E.-S.B. 18-9-1963

867

deskundig

samengestelde

aandel en1.

portefeuille

Dit is mogelijk, omdat ‘Ver

eenigd Bezit’ een beleggingsmaat-
schappij is, die de gezamenlijke
inbreng van haar aandeelhouders

belegt in’ ca. 200 zorgvuldig ge-
selecteerde fondsen. Zodoende’
wordt een belang verkregen bij
tal van bedrijfstakken in bin-
nen- en buitenland. Elk aandeel
‘Vereenigd Bezit van 1894’

verschaft U’ een aantrekkelijk rendement niet beperking van
risico. –

Alle banken en commissionairs kunnen ‘U inlichten.

N.V. VEREENIGD

BEZIT VAN
1894

De voordelen van aandelenbezit met
beperking van risico.

WE5TERSINGEL
84,
ROTTERDAM

LE

al

wereldkoop’aardijvlo6t ‘aan &en versneld broces vah eco-

– nomische vcröuderirig ten prooi valt. Hèt is het verschijnsel,

dat zich in de luchtvaart zoveel meer spectaculair heeft

voorgedaan. Daar werden toestellen met zuigermotoren –

vaak slechts enkele jaren oud – in zeer korte tijd ver-

drongen door straalvliegtuigen met aanzienlijk lagere kosten

per tonkilometer: Voor vele luchtvaartmaatschappijen

leidde dit tot financieel desastreuze gevolgen; de vliegtuig-

fabrieken slaagden er echter in hun produktie-apparaat –

na de terugval in orders voor straalbommenwerpers en

dank zij de voor de civiele produktie omgebogen research

– behoorlijk bezet te houden.

In scheepvaart en scheepsbouw heeft zich, zij het in veel

geleidelijker vorm, iets dergelijks voorgedaan. Ook hier

was men door (gezamenlijke) research op velerlei terrein

(scheepsvorm, voortstuwing, metallurgie enz.) er technisch

in geslaagd schepen te’ bouwen met aanzienlijk hogere

technische èn economische prestaties, waardoor de kost-

prijs van een tonmiji (althans in constante prijzen gemeten)

snel daalde.
1

Zo kan men uit Buninghs dissertatie
7)
berekenen, dat

de kosten van een (thans zeer courante) 65.000 DWT tanker

zeker 40 pCt. lager liggen dan die van een in de oorlogs-
jaren gebouwde 16.500 DWT T2-tanker. Het gevaar van

snelle economische

veroudering bedreigt met name de

tankers van 15.000-20.000 DWT, die in de periode
1950-57

in grote getale als zgn. general purpose tankers van stapel

liepen. Een beperkt aantal van deze schepen zal wel

– emplooi blijven vinden in de distributie van olieprodukten,

terwijl andere mogelijk als graantanker in de droge lading-

sector penetreren. Voor een relatief groot aantal van dit

type schepen moet echter gevreesd worden, dat het tegen-

woordige vrachtenpeil de variabele kosten van deze schepen

niet dekt, waardoor zij gedoemd zijn voortijdig naar de

sloper te verdwijnen. Daarentegen dekken grote moderne

tankers zelfs
bij
zeer lage vrachten vaak nog de volledige

kosten van rente en afschrj ving, zeker wniieer het bouw-

contract van dit schip tegen het na 1958 sterk gedaalde_

• prijspeil werd afgesloten.

Een zelfde verschijnsel als hierboven voor tankers be-

schreven doet zich voor bij droge lading schepen.. Hier
wordt de roestig-romantisch& tramp vervangn door de

zgn. bulkcarrier, het moderne schip voor gestorte massa-

lading. Het ziet ernaar uit dat de trampvloot, die enkele

jaren geleden nog 15 mln. BRT mat, binnenkort voor een
groot deel door deze bulkcarriers zal zijn vervangen.

Ook hier is de kostprijs per tonmijl weer de sleutel die

deze ontwikkeling kan verklaren. Zo meldt een interessant

artikel in ,,The Economist”
8)
dat bij het tegenwoordige

vrachtenpeil – hetwelk ca.
2/3
bedraagt van dat in 1952

en ongeveer
1/3
van de in 1957 bereikte top – de conven-

tionele tramp van 9.000 tot 12.000 DWT alleen ten koste

van een aanzienlijk verlies geëxploiteerd kan worden, de

break – even waarschijnlijk bij een schip van ca. 17.500

DWT ligt, terwijl een bulkcarrier van 22.000 DWT bij

dit vrachtenpeil nog een winst maakt van £ 400 per dag!

Voor de reders met verouderde tonnage betekent dit

een pijnlijk aanpassingsproces, voor de werven evenwel

extra werk. Mogelijk zal hierdoor de door mij verwachte

lacune in de vervangingsvraag voor de periode 1964/67

(1. M.)

868

C. A. Buningh: ,,Enige bedrijfseconomische aspecten van
de tankvaart”, de tabel op blz.
73174.

,,The Economist” van
23
maart
1963
(blz.
1135): ,,No
Panaceas for Shipping”.

E.-S.B. 18-9-1963


1

voor een min of meer belangrijk gedeelte kunnen worden

opgevuld.

.

Beschouwen wij nu de factoren, die van invloed zijn

– op de expansie.
De uitbreiding van de wereldkoopvaardjjvloot.

Hierbij dienen wij onze aandacht allereerst te geven aan

de tankers. Reeds uit tabel 1 in het artikel van de heer

Plate blijkt dat het olievervoer over zee in de afgelopen

tien jaar de snelle uitbreiding van de wereldvloot heeft

bewerkstelligd en de grote stimulans voor de scheepsbouw

heeft gevormd. Men kent de reeks van oorzaken: het

energietekort in het zich snel herstellende en ontwikkelende

na-oorlogse Europa, dat evenwel leed aan een volkomen

verstoorde energiebalans. Deze kon dank zij de immense

olievoorraden in het Midden-Oosten weer in evenwicht

worden gebracht. In
1959
was naar schatting 20 mln. DWT

of 40 pCt. van de gehele tankervloot
bij
dit vervoer inge-

schakeld. De opbouw van deze vloot alleen al betekende

in de jaren vijftig een produktie van 2 mln. BRT per

jaar. Na de recessie van 1958 zwol de oliestroom naar

West-Europa in een wat minder snel tempo. Toen nam

echter de ènergiebehoefte in het industrieel snel groeiende

Japan sterk toe.

Wat zijn nu de belangrijkste factoren, die de ontwikke-

ling van het olievervoer ter zee en de hieruit voortvloeiende

initiële vraag naar tankertonnage zullen beïnvloeden?

Het groeitempo van het olievervoer per tanker zal

verder afnemen onder invloed van de toenemende voor-

ziening van de Westeuropese energiemarkt met Noord-

afrikaanse olie en aardgas. Zodra de produktie tot een 50

â 60min. ton per jaar gestegen is – hetgeen in 1965 ver-

wacht wordt— zal de behoefte aan tankschepen uit dezen

hoofde ten opzichte van 1959 met 2,5 â 3 mln. DWT zijn

gedaald
9).
In dit verband denken wij nu nog maar niet

aan de consequenties voor het tankertrarisport, indien de
koortsachtige exploratie van het Westeuropëse continen-

tale plateau tot het vinden van aanzienlijke hoeveelheden

aardolie en -gas zou leiden.

Door de installatie van raffinaderijen in Midden-

Duitsland worden nieuwe markten ontsloten en zal het

olieverbruik in Europa een nieuwe impuls ontvangen. De

desbetreffende raffinaderijen zullen de ruwe olie echter

voornamelijk via pijpleidingen van Genua en Marseille uit

ontvangen. De aanvoerroute. over zee (die anders via de

Lage Landen zou lopen) wordt hiermede met bijna 2.000

zeemijlen bekort
10).

De laatste jaren poogt de Sowjet-Unie zich met wisse-

lend succes een plaats te veroveren op de Westeuropese

energiemarkt. Zelfs indien deze olie niet wordt aangevoerd

via thans in de U.S.S.R. in aanleg zijnde pijpleidingen
11)

en de groeiende rode tankvloot, maar via de Zwarte Zee-

havens met van Westerse reders gecharterde tonnage, be-

tekent dit wederom een verkorting van de aanvoerroutes

en een relatief geringere behoefte aan tonnage.

De tendens bij de oliemaatschappijen de raffinage-

capaciteit zoveel mogelijk op enkele plaatsen te concen-

9)
Zie ook ,,Westinform Shipping Report”, no. 144 (oktober
1959):
,,The possible Impact of Saharan Oil on Tanker Demand”.
10)
Over het effect van het gebruik van pijpleidingen op het
transport van olie door tankers werd een interessant rapport
uitgebracht door de O.E.S.O. ,,Pipelirtes and Tankers”.
11)
In het pas verschenen bôek van Joesten ,,Ölrniichte im
Wettstreit” betiteld als: Das ölgespenst von Morgen: Russiands
Riesen-Pipeline.

freren (Pe’tnis, Isle of Gram, Fawley, Milford Haven, . –

.Staniow) en vandaar de produkted per general purpose

ttnker te distribueren, schijnt onder invloed van uiteen-,

lopende factoren te verzwakken. Een goed voorbeeld hier-

van vormen enkele in Scandinavië (dat tot dusverre in

belangrijkè mate vanuit Engeland en Nederland met pro-

dukten bevoorraad werd) te vestigen raffinaderijen. Dit zal

leiden tot een geringere behoefte aan scheepsruimte, die

zich vooral kenbaar zal maken in de toch al economisch

zwakkere groep van de general purpose tankers.
Tegenover deze factoren, die alle een vertraging van

het groeitempo van het olievervoer implicéren staat het

feit, dat de wereldbehoefte aan aardolieprodukten tot dus-.
verre steeds sneller gestegen is dan welke serieuze raming

ook heeft voorzien. Wanneer bepaalde (bijv. Zuidameri-

kaanse) ‘gebieden – als Japan in het begin van de jaren

zestig – een stormachtige economische ontwikkeling zou-
den gaan doormaken, kan een sterke
stijging
van het o
1
ie-

verbruik verwacht worden. Wanneer deze gebieden op aan-‘

zienlijke afstand van de grote oliecentra liggen, zal dit een

belangrijke uitbreiding van het tankertransport ten gevolge

hebben. De keerzijde van deze medaille is, dat de bestaande

scheepswerven de hiervoor nodige tonnage wel niet zullen

bouwen. Deze tak van nijverheid geniet immers nog steeds

de faam de economische opbouw van een land te be-

vorderen Deze tak zal dus vaak reeds aanwezig zijn, voor-.

dat de industrialisatie van dat gebied zich versnelt.

Op aanzienlijk langere termijn moet nog de invloed

van de toepassing van kernenergie in aanmerking worden
genomen. Hierbij denken
wij
niet in de eerste plaats aan

het gebruik van deze energie voor de scheepsvoortsti.ving,

doch aan de installatie van atoomreactors in elektriciteits-

centrales. Tijdens en na de Suez-crisis werden vele ambi-

tieuze plannen geopperd om dit gedeelte van de West-

europese energievoorziening onafhankelijk te maken van

de zo kwetsbaar gebleken olie-aanvoer over zeé. Vele

plannen zijn – mede door het kostenaspect – op de

achtergrond geraakt. Over het tijdstip waarop« de toe-

passing van kernenergie concurrerend zal worden met die
van de fossiele energiebronnen, lopen de meningen nogal

uiteen. Zodra dit echter het geval wordt, dient met een.

geleidelijke vertraging in de vraag naar en het transport

van brandstof-olie te worden gerekend.

Na deze uitvoerige behandeling van de aspecten die

de mate van uitbreiding van de tankvloot beheersen, kunnen

we ten aanzien van de droge lading vloot kort zijn. Het

groeitempo ligt hier veel lager dan
bij
de tankvloot
12)

Spectaculaire ontwikkelingen behoeven hier niet direct ver-

wacht te worden. Naast stimulansen als een betere distri-

butie van de voedselvoorraden over de wereld zijn er.

mogelijk negatieve tendensen te constateren in eed autar-

kisch streven bij grote, economisch krachtige blokken.

Kwantitatieve benadering toch ewenst?

Zoals gezegd zal ik hier geen poging doen de hierboven

vermelde factoren, die van invloed zijn op de initiële en

remplace-vraag naar scheepsru imte te kwantificeren. Toch

zal dit onderzoek grondig moeten worden aangevat. Zo

zal mijns inziens bijv. dë ,,O.E.S.O.-werkgroep scheeps-

bouw”, die thans in Parijs vergadert – en waarin 90 pCt.

12)
Dé hoge percentages in tabel T van het artikel van de heer
Plate in de periode
1956-1957
zijn kennelijk een gevolg van de
omvangrijke steenkolentransporten van de Verenigde Staten naar
West-Europa, hetgeen een incidenteel verschijnsel was.

E.-S.B. 18-9-1963

869

van de wereldscheepsbouwcapaciteit
(mci.
Jaan) is ver-

tegenwoordigd – alleen dan tot aanbevelingen kunnen

komen, die tot verlichting van de tegenwoordige moeilijk-

heden van de werven bijdragen, indien de problematiek

ook in cijfers benaderd wordt. De heer Plate heeft hiertoe

weer een nieuwe stoot gegeven. Maar met alle waardering

voor zijn berekeningen neig ik tot het oordeel dat de uit-

komsten toch te veel de extrapolatie vormen van de trend

van de jaren vijftig.

Is evenwel een subtieler benadering mogelijk, waarin

aan redelijkerwijze te ramen toekomstige ontwikkelingen

een plats wordt ingeruimd? Naar mijn mening is dit het

geval. Zoals reeds werd opgemerkt, is op het gebied van

scheepsbouw en scheepvaart een schat van statistisch

materiaal aanwezig
13).
Maar daarnaast zijn sedert jaren

economisten van naam geboeid door de cyclische be-

wegingen in de activiteiten in de scheepsbouw
14).
Hierbij

noem ik met name Prof. Tinbergen – wiens artikel ,,Een

scheepsbouwcyclus?”
15)
bijna even oud is als zijn onder

economische studenten zo befaamde varkenscyclus –

en de a.s. Rotterdamse eredoctor Prof. Tj. Koopmans.

De mogelijkheden voor een kwantitatieve benadering

van de problemen, die thans zovelen in de scheepsbouw-

wereld bezig houden, lijken dus alleszins gunstig.

In een volgend artikel wordt, door o.m. een analyse van

de aanbodfactoren en de kostprjsniveaus, de toekomst

van de Nederlandse scheepsbouw nader onderzocht.

Amsterdam.

J.
H. SCHOLTE.

Hierbij dient in de eerste plaats te worden gedacht aan de
statistische publikaties en registerboeken van de classificatie-bureaus als ,,Lloyd’s”, ,,American Bureau of Shipping”; maar ook aan het werk van speciale instituten als ,,The Westinform
Service of Shipping Information”, ,,das Bremer Institut für
Schiffahrtsforschung”; aan periodieke overzichten van scheeps-
makelaars, waarvan slechts genoemd worden Harley, Mullion
& Co., John 1. Jacobs (voor tankers) en Fearnley & Eger (voor
bulkcarriers), terwijl ook oliemaatschappijen als Sun Oil en
B.P: vele gegevens over de tankvaart publiceren.
Zie J. R. Parkinson: ,,The Economics of Shipbuilding in
the U.K.”, chapter 6: ,,Fluctuations in demand and their
consequences”.
Zie: ,,Weltwirtschaftliches Archiv”, 1931.

Maatstaven voor personeelsbeloningen

Onder de titel: ,,Verantwoordelijkheid als meetbare

maatstaf voor beloningen” bespreekt Drs. R. Nieuwenhuis
in ,,E.-S.B.” (no. 2395, dd. 3 juli 1963) enige aspecten van

de publikaties en het werk van Dr. Elliott Jacques. Drs.

R. Nieuwenhuis gaat hierbij ook in op mijn artikelen in

van 9 en 16 augustus 1961 en voert hierbij aan,
dat het door mij in bovengenoemde artikelen ontwikkelde

systeem, zoals alle werkclassfficatiesysiemen, onvoldoende

objectiviteit waarborgt. Tevens merkt
hij
op, dat werk-

classiffcatiesystemen in het algemeen de tendens hebben te

vaak gewijzigd te moeten worden.
Bij
beoordeling van de

vraag, of deze, overigens zeer milde en opbouwende, kritiek

juist is dienen
wij
ons af te vragen of:

– het door mij ontwikkelde systeem inderdaad de ge-

signaleerde gebreken vertoont;

– een beter systeem te vinden is.

Bij de beoordeling van de vraag, of het systeem voldoende

objectiviteit waarborgt, komt de vraag naar voren, wat

onder objectiviteit wordt verstaan. Definiëren wij objec-

tiviteit in de absolute zin, dat wil zeggen als geheel los-

staand van subjectieve beoordeling en gebaseerd op objec-

tief waarneembare en meetbare verschijnselen met on-

beperkte geldigheid (ongeacht plaats, tijd en omstandig-

heden), dan is de bovengenoemde kritiek zonder enig voor-

behoud juist. Een open vraag blijft dan echter of het door

Di. Elliot Jacques gehanteerde systeem wel of in meerdere

mate aan deze objectiviteitsnorm voldoet. Persoonlijk meen

ik, dat de door mij gehanteerde criteria voor een belangrijk

deel gemakkelijker en met een grotere mate van objec-

tiviteit zijn te meten dan de ,,time span”, terwijl ik tevens

betwijfel of de ,,timespan” als
enig
metingscriterium vol-

doende recht doet wedervaren aan de zeer gevarieerde

problematiek, die de inkomensvorming in onze samen-

leving beheerst. Te denken valt hier aan verschijnselen als:

– het handhaven van een zich steeds wijzigend sociaal

aanvaardbaar minimum;

– de sociale en institutionele aanvaardbaarheid van

premies voor ,,extra” prestaties en/of extra intelligentie en

kennis;

– de per streek, per gezin en naar leeftijd en geaardheid

wisselende behoeften;

– de economische aanvaardbaarheid van inkomens-

verschillen ter regulering van vraag en aanbod naar en van

bepaalde specialismen;

– de economische gevolgen van discrepanties tussen

vraag naar en aanbod van bepaalde specialismen;

– en vele andere factoren.

Onmiddellijk dient te worden toegegeven, dat ten minste

een deel van de hier gesignaleerde problemen niet op micro-

doch op macro-economisch niveau dient te worden ge-

regeld. Dit neemt echter niet weg, dat een systeem, dat ge-

heel en al gebaseerd is ôp één enkel criterium mij minder

geschikt voorkomt om het micro-economisch deel van

deze problematiek af te dekken. Met name komt het mij

voor, dat het door Elliot Jacques gehanteerde criterium

onvoldoende recht doet wedervaren aan:

– de wet van vraag en aanbod (toch
altijd
nog één der

basiscriteria in onze samenleving);

– de verschillende aard en gericlitheid van lijn- en staf-

functies en hun vele mengvormen binnen de onderneming.

Een en ander doet niets af aan het feit, dat de door

Elliot Jacques ontwikkelde aanpak zeker de volle aandacht

verdient. In het door mij in mijn artikelen van 9 en 16

augustus 1961 ontwikkelde systeem bestond ter zake van

het door Elliot Jacques gehanteerde criterium waarschijnlijk

zelfs een lacune. Aanvulling van het systeem met dit crite-

rium heeft inmiddels plaatsgevonden en blijkt in de praktijk

zeker tot moedgevende resultaten te leiden.

Definiëren wij daarentegen objectiviteit in meer relatieve

zin, dan is een meer genuanceerd en mijns inziens meer

realistisch oordeel over de verschillende in gebruik zijnde

systemen mogelijk. Objectief in de hier genoemde zin is

datgene wat
algemeen
(binnen de relevante groep) als ,,waar”

wordt ervaren. Het hier gehanteerde objectiviteitsbegrip is

dus wel afhankelijk van plaats, tijd en omstandigheden;

het is naar zijn aard dynamisch en relatief. Het sluit nauw

aan
bij
de in de samenleving geldende normen en dient te

worden gewijzigd, zodia deze normen veranderen. Het

870

1

E.-S.B. 18-9-1963

door Drs. R. Nieuwenhuis gesignaleerde ver-

schijnsel van het wijzigen der ,,rating” wordt

door mij dan ook niet altijd als een bezwaar

gezien, doch soms als een logisch uitvloeisel
van de zich wijzigende maatschappijvormen.

en ôpvattingen. Wel juist is zijn kritiek, indien

de veranderingen stoelen op andere motieven
dan de hier genoemde. Veelvuldige wijziging

van de ,,rating” is dan ook ten zeerste te

ontraden en als regel een bewijs van onvol-

doende zorg bij het samenstellen en/of

hanteren der maatstaven. Veelvuldige ver-

andering ondermijnt het vertrouwen in de

norm en tast daarmede de objectiviteit in de boven tom-

schreven zin aan. Dit neemt niet weg, dat de mens per

definitie fouten maakt en de moed moet hebben om

gemaakte fouten te erkennen en te herstellen.

Lezing en herlezing van de publikaties van Elliott Jacques

brachten mij overigens tot de overtuiging, dat ook deze het
begrip objectiviteit in meer relatieve zin aanvaardt. Objec- –

tiviteit in deze zin komen wij overigens in het bedrijfsleven

op vele plaatsen tegen. Een voorbeeld vormen de budget-

normen. Ook hier is objectieve ,,waarheid” in absolute,

meetbare zin, niet haalbaar. Algemene aanvaarding is

echter alleszins voldoende om goede resultaten te waar-

borgen.

Indien wij nu de ,,relatieve objectiviteit” zoals boven

omschreven aanvaarden, volgt hieruit dan, dat wij hier in

wezen niet verder kunnen komen dan ,,consequente sub

jectiviteit”, zoals Drs. R. Nieuwenhuis stelt? Uit mijn aan-

beveling in ,,E.-S.B.” van 9 en 16 augustus 1961 om bij

alle functie-analyses eenzelfde beoordelaar (ter bewaking

van het beoordelingsniveau) aanwezig te doen zijn, mag

deze conclusie mijns inziens niet getrokken worden. Deze

aanbeveling is slechts één van de vele middelen, die ons ten

dienste staan om de ,,relatieve objectiviteit” te bereiken.

Andere middelen hiertoe zijn bnder meer:

– het gekozeh classificatiesysteem zelf;

– de introductie van het systeem;

– de overtuigingskracht van de met de invoering en

uitvoering belaste personen;

– de openheid ten aanzien van de doelstellingen en de

hantering van het systeem;

– de participatie van de leiding op verschillende niveaus

van de onderneming in de uitvoering.

Vooral de laatstgenoemde vier punten sj,elen hierbij een

belangrijke rol, zoals in de praktijk in verschillende grote

(1. M.)

concerns en vele kleinere ondernemingen is ervaren. Hier

nu heeft, naar het mij voorkomt, een systeem zoals het

door mij ontwikkelde, toch enige voordelen boven het

systeem van Elliott Jacques. De meest relevante hiervan

zijn:

– de gekozen criteria zijn, ook voor niet-psychologisch

geschoolden, gemakkelijker hanteerbaar;

– door de veelheid van functie-beoordelingscriteria is

de invloed van een incidentele fout op de eindbeoordeling

geringer;

‘- het benaderen van de functie vanuit verschillende

gezichtspunten beperkt het gevaar van overbeklemtonen

van bepaalde subjectief als zeer belangrijk ervaren deel-

taken en/of gebeurtenissen.

Conclusies.

Als voorlopige en uiteraard subjectieve conclusie van de

uitermate nuttige gedachtenwisseling over deze materie,

resulteert voor mij de overtuiging, dat geen enkel systeem

op dit gebied waterdicht te noemen is. Zelfs de boven ont-

wikkelde objectiviteit, die
algemene
overtuiging eist, zal

zelden of nooit te bereiken zijn. Elk systeem, hoe gebrekkig

ook, is echter.beter dan geen systeem, en wel om de reeds

in mijn artikelen van 9 en 16 augustus 1961 genoemde

redenen. Bovendien meen ik (en die mening wordt door de,

praktijk geschraagd) dat het gestelde ideaal bij gezonde

menselijke verhoudingen en een eerlijk streven naar een

zo groot mogelijke objectiviteit, zeer dicht te benaderen is.
In de praktijk bestaat helaas tussen de werkelijkheid en het

bereikbare nog en aanzienlijke afstand. Objectiviteit in

absolute zin beschouw ik op het zo rijk geschakeerde

gebied van de personeelsbeloningen persoonlijk als een

fata morgana.

Utrecht.

Dr. C. A. BUNTNGH.

Macro-ecoliomische ramingen voor 1963 en 1964

De directeur van het Centraal Planbureau heeft aan de

Staten-Generaal een aantal macro-economische ramingen

gezonden voor 1963 en 1964. Hieraan is het volgende

ontleend:

De economische ontwikkeling in
1963.

Inkomens- en prijsontwikkeling.

In de loop van 1963 zullen
1,5
mln. werknemers in de

bedrijvènsector in het kader van de nieuwe loonpolitiek

loonsverhogingen ontvangen. Aangenomen is dat deze

loonsverhogingen ruim 3 pCt. zullen bedragen. Omdat dé

loonsvèrhogingen gemiddeld niet voor het gehele jaar gelden

en bovendien niet alle contracten worden gewijzigd, resul-

teert voor het jaar 1963 als geheel uit dezen hoofde een

loonstijging van gemiddeld 1,7 pCt. per werknemer.

De totale
stijging
in 1963 van de lonen en sociale lasten

per werknemer kan worden geschat op 7 pCt. Omdat de

produktie per werkende in de bedrjvensector slechts met

E.-S.B. 18-9-1963

871

1,5 â 2 pCt. stijgt nemen
bij
een loonstijging van 7 pCt. de

arbeidskosten ber eenheid produkt met ruim
5
pCt. toe.

Mede op grond van de doorwerking van de arbeidskosten-

stijging in vroegere jaren zal het consumptieprijspeil ge-

middeld ca. 3 pCt. boven het peil van het voorafgaand

jaar liggen. Ongeveer 1 pCt. hiervan wordt veroorzaakt

door autonome factoren (huurverhoging 1962, E,E.G.-

maatregelen en weersomstandigheden).

Bij de investeringsgoederen is de
prijsstijging
nog iets

sterker dan bij de consumptiegoederen. Vooral in de bouw-
nijverheid zijn de prijzen fors gestegen. Ook de ingevoerde

outillage werd duurder.

Het werknemersaandeel evolueert van 67 pCt. in 1960

naar 71,5 pCt. in 1962 en 72 pCt. in 1963.

Binnenlandse bestedingen.

De inkomensontwikkeling in 1962 en 1963 doet ver-

wachten, dat de particuliere consumptie in 1963 in waarde

met ca. 8 pCt. zal toenemen. Gegeven de verwachte prijs-

stijging van 3 pCt. houdt dit een volumetoeneming met

5
pCt. in.

De investeringsactiviteit wordt in sterke mate bepaald

door de capaciteit van de bouwnijverheid. De investeringen
van bedrijven in outillage zijn gedurende 1962 en het begin
van 1963 ongeveer stabiel gebleven, maar stijgen de laatste

tijd weer enigszin. De investeringen in transportmiddelen

verlopen licht dalend. In totaal vertoont het volume van

de. investeringen van
bedrijven
in vaste activa nog een

stijging var ca. 2 pCt. De voorraadvorming vertoont enige

stijging t,o,v. 1962.

Aangenomen is, dat de toeneming van de overheids-

investeringen in 1963 geringer zal zijn dan in de laatste

jaren het geval was, zulks als gevolg van het ongunstige

weer, dat ook de produktie in de weg- en waterbouw na-
delig heeft beïnvloed. De materiële overheidsconsurnptie

neemt in 1963, mede op grond van verhoogde militaire

leveranties, met ca. 6 pCt. toe.

In totaal stijgen de binnenlandse bestedingen in volume

met 4 á 4,5 pCt., dat is ongeveer 14 maal zo snel als in

1962. Toen echter daalde de voorraadvorming sterk. Wordt

deze post geëlimineerd, dan is de toeneming in beide jaren

ongeveer even groot.

Arbeidsmarkt, werkgelegenheid en produktie.

De lichte ontspanning op de arbeidsmarkt, die zich

tegen het einde van 1962 aftekende, heeft zich niet door

gezet. De werkloosheid is medio 1963 even laag als een

jaar tevoren, terwijl de licht dalende tendentie in de aan-

vragen van werkgevers, die zich in de loop van 1962 voor-

deed, thans weer door een stijgende trend is vervangen.

De wèrkgelegenheid zal in de bedrijvensector in 1963

met ten minste 70.000 manjaren stijgen. In de industrie is

de toeneming van de werkgelegenheid sedert ongeveer een

jaar nog slechts relatief gering. Het aantal arbeidsplaatsen

in de industrie zal in 1963 met ongeveer 20.000 personen

stijgen. De werkgelegenheid in de nieuwbouwsector van

de bouwnijverheid neemt sterk toe, naar schatting met

z
t
elfs meer dan 10 pCt. De totale bouwnijverheid zal onge-

veer 20.000 man opnemen. De landbouw stoot per jaar

5
â 10.000 arbeidskrachten af, zodat voor de diensten-

sector een aantal van minimaal 40.000 resteert, hetgeèn

neerkomt op een stijging van minstens
2,5
pCt.

Het feit, dat de werkgelegenheid in de industrie nog

slechts langzaam toeneemt, suggereert, dat het thans in

meerdere mate vraag- dan aanbodfactoren zijn die de ont-

wikkeling van de industriële produktie bepalen. Van de

binnenlandse bestedingen gingen in de eerste helft van het

jaar geen belangrijke impulsen uit. Mede door hêt feit,
dat de export door..het ongunstige winterweer nadelig

werd beïnvloed, was de stijging van de industriële produktie

in deze periode teleurstellend. Voor het jaar als geheel zal

de toeneming maximaal 4 pCt. bedragen.

Een zelfde toeneming wordt verwacht voor de diensten-

sector. De landbouwproduktie neemt onder invloed van

het ongunstige weer in het geheel niet toe. Ook de pro-

duktie in de
bouwnijverheid
is sterk aangetast door de

strenge winter. Een relatief grote stijging van de werk-

gelegenheid vormt hier echter een compenserende factor,

zodat nog een produktietoeneming van enige procenten

mag worden verwacht. In totaal kan het produkt van be-

drijven dan met ruim
3,5
pCt. toenemen, hetgeen een bijna

even grote
stijging
van het bruto ‘nationaal produkt met

zich brengt. De arbeidsproduktiviteit zal met 1,5 â 2 pCt.

stijgen. Dit cijfer is beïnvloed door de incidentele produktie-

verliezen, die hierboven zijn genoemd. Wordt hiervoor

globaal gecorrigeerd, dan is de macro-economische pro-

duktiviteitsstijging te stellen op ca. 3 pCt.

Buitenlandse handel, betalingsbalans en monetaire ontwik-

keling.

Het uitvoervolume zal met 7,5 pCt. kunnen stijgen bij

een
prijsstijging
van 1 pCt. De invoer zal 8 á 9 pCt. hoger

liggen dan vorig jaar, bij een licht stijgend prijspeil. Het

saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans komt

uit op f. 600 mln., evenals in 1962.

De totale liquiditeitscreatie zal vrijwel gelijke tred houden

met de groei van het nationaal inkomen. De liquiditeits-

positie verandert dan niet, zodat het investeringsniveau

uit dien hoofde nauwelijks beïnvloed wordt. De goud- en

deviezenvoorraad handhaaft zich vrijwel op het peil van

eind 1962.

Ramingen voor 1964.
Uitgangspunten.

In zijn beoordeling van de buitenlandse conjunctuur

gaat het Centraal Planbureau ervan uit dat de wereldhandel

in 1964 met ca. 6 pCt. zal toenemen.

Een ander belangrijk uitgangspunt betreft de loon-

ontwikkeling. Op dit punt za
1
de S.-E.R. in het najaar

een advies uitbrengen, aan de hand waarvan overleg zal

plaatsvinden tussen de Stichting van de Arbeid en de

regering. De werkhypothese t.a:v. de loonontwikkeling, die

het Centraal Planbureau maakt, bedoelt geenszins vooruit

te lopen op de in dit opzicht te nemen beslissingen.

Zou in eerste instantie worden uitgegaan van de trend-

matige toeneming van de macro-economische produktivi-

teit, dan zou de totale loonkostenstijging op ca. 3 pCt.

dienen te worden gesteld. Een hogere raming lijkt echter,

gezien de uitkomsten die dan voor de investeringen, de

betalingsbalans en de concurrentiepdsitie worden ver-

kregen, niet onrealistisch. Er is derhalve voor de totale

loonstij ging van een hoger percentage, ni. 6 pCt. uitgegaan.

Hierin is een eventuele compensatie voor wijzigingen in de

sociale verzekeringspremies – stellenderwijs op
4
pCt. te

ramen – begrepen. De ,,overloop” uit 1963 is op 0,7 pCt.

geraamd, de incidentele loonsverhogingen op 2,5 pCt.

Voor loonstijging bij contractherziening zou dan 2,8 pCt.

beschikbaar zijn. –

Gedurende 1964 zullen naar verwachting de collectieve

872

.

E.-S.B. 18-9-1963

.

.

.

1k.’
– contracten van vrijwel alle verkemers ‘ôrden vernieuwd.

De gemiddelde ingangsdatum valt medio april, zodat elk

procent (gemiddelde) loonstijging bij de contractherziening

een toeneming van de loonsom per werknemer met ca.

0,7 pCt. ten gevolge heeft. Zou dus het percentage van 2,8

geheel voor deze looncomponent beschikbaar zijn, dan

zou de gemiddelde loonsverhoging
bij
de vernieuwing van

de contracten 4 pCt. kunnen bedragen. Dit geldt met in-

begrip van een eventuele compensatie van 0,5 pCt. voor

klein& wijzigingen in de sociale verzekeringen.
Veranderingen in de loonsom per werknenier t.o.v. vooraf-

gaand jaar in pCt.

(mci.
Sociale lasten)

1963

1

1964

Overloop

………………….
…………
2,0

0,7
Contractuele loonsverhogingen in het lopende

jaar
………………………………

..4,0

.
2,8

Incidentele loonsverhogingen
…………….

..1,0

2,5

Totaal
………………..
7,0

6,0

De natuurlijke groei van de beroepsbevolking zal in

verband met de na-oorlogse geboortegolf zeer groot blijven,

zodat wederom ten minste 70.000 personen voor het be-

drijfsleven beschikbaar zullen komen.

De produktiecapaciteit en de arbeidsproduktiviteit zullen

voorts in 1964 – bij normale weersomstandigheden

na het ongunstig jaar 1963 een herstel vertonen. In de land-

bouw bedraagt de extra produktiestijging uit dezen hoofde

naar schatting 2 pCt., bij de nieuwbouwsector van de bouw-

nijverheid zelfs 7 pCt.

Uitkomsten voor 1964

In 1964 lijkt een belangrijke toeneming van de produktie
1

waarschijnlijk. De expansie zal het grootst kunnen zijn in

de bouwnijverheid. Bij enige
stijging
van de arbeids-

produktiviteit en een belangrijk groter aantal werkbare

uren zal de produktie in de nieuwbouw met 10 â 15 pCt.

kunnen stijgen.

Deze ontwikkeling heeft belangrijke consequenties voor

de investeringen van bedrijven in vaste activa. De sterke

groei van de bouwproduktie alleen al doet de totale in-

vesteringen met ca.
5
pCt. stijgen. De investeringen in

outillage worden beïnvloed door vele factoren. In ‘de

arbeidsmarkt- en liquiditeitssituatie komt niet veel ver-

andering. De reële winsten zijn in 1963 fractioneel gestegen,

na een daling in de daaraan voorafgaande jaren. Op grond

van deze overwegingen zal derhalve een stabiel niveau van

investeringen in outillage mogen worden verwacht.

Toch is een toeneming van,de investeringen in bedrijfs-
outillage van
5
â 10 pCt. verondersteld, omdat de inves-

teringen van de openbare nutsbedrijven aanzienlijk zullen

stijgen en omdat het grote tekort aan bedrijfsgebouwen

van de laatste jaren een negatieve invloed op de inves-

teringen in outillage heeft gehad.

De totale investeringen van bedrijven in vaste activa

zullen op grond van de bovenstaande deelramingen in

volume met ca. 7 pCt. toenemen. Aangezien de binnen-

landse vraag naar consumptiegoederen ook een toeneming

blijft vertonen en de buitenlandse vraag sneller stijgt dan

in 1963, kan op eeri”aanzienlijke toeneming van de totale

vraag worden gerekend.

Voor de bedrjvensector als geheel bedraagt de produktie-

E-S.B. 18-9-1963

toeneming naar schatting 6 pCt. De ‘arbeidsproduktivi-‘

teitsstijging, die in 1963 incidenteel laag lag, vertoont een’

herstel in 1964( voor de gehele bedrjvensector zal de

‘tijging 4 â
4,5
pCt. bedragen. Bij een stijging van de

loonsom per werknemer met 6 pCt. zal er een.loonko
»
sten-

stijging per, eenheid produkt van 1,5 â 2 pCt. optreden.

De totale werkgelegenheid neemt met 1,5 â 2 pCt. toe. Dit
al

houdt in dat de spanning op de arbeidsmarkt zich niet

verder verscherpt, maar dat er anderzijds ook nauwélijks

sprake zal zijn van e’en.ontspanning.

In de investeringsgoederensector zal de toeneming van

het prijspeil naar verwachting 3 pCt. bedragen. De parti-

culiere consumptie zal met ca.
6,5
pCt. in waarde toenemen.

De verhoging van het consumptieprijspeil wordt op ca.

2 pCt. geschat. Dit betekent een volumestijging van 4,5

pCt.

De stijging van het uitvoervolume wordt op 9 pCt. ge-

raamd. De stijging van de invoer (+ 8 pCt.) zal vermoedelijk

enigszins achter blijven
bij
die van de uitvoer. Hiertegen-

over staat een lichte achteruitgang van de ruilvoet als

reactie op de gunstige ruilvoet van 1963, die .samenhin

met het incidenteel hoge uitvoerprijspeil van een aantal
agrarische produkten. Het saldo op de lopende rekeiing
van de betalingsbalans zal, evenals in 1963, f. 600 mln.

kunnen bedragen.

Het Centraal Planbureau verwacht een verkrapping van.

de liquiditeitspositie. Van deze omstandigheid kan een na-

delige invloed uitgaan op de investeringen in
1965.

Van de ontwikkeling in 1964, zoals deze is geschetst,
zal echter ook een positieve invloed op de investeringen

.uitgaan. De ramingen implic&ren namelijk enige toeneming

van de winst per eenheid produkt, hetgeen
bij
de ver-

ondersteldevrij sterke expansie van de produktie, tot een

nominale
stijging
van het overig inkomen met ca. 8 pCt.

leidt. Dit betekent een terugkeer van het werknemers-

aandeel naar het niveau van 1962
(71,5
pCt.).

Kerngegevens

1962

1
1963
1

1964

Mutatie
t.o.v.
vooraf-
gaand
jaar

in
pCI.
Veronderstellingen (1963, 1964)
Loonsom per werknemer bedrijven
7 7 6
Loonsom per werknemer overheid
10,6
9,5
9,5
7 5
6
Materiële overheidsconsumptie (nominaal)
14,9
8
4
Bruto investeringen overheid (nominaal)
16,4
II
17,5
lnvoerprijspeil

,……………….,…,

0,5 0,5
0

Resultaten (1963, 1964)
Volume particuliere consumptie…………..
4,2
5
4,5
Volume bruto

investeringen

bedrijven

(vaste activa)

……………………….
2,6
2 7
Volume goederenuitvoer
………………..
6,9 7,5
9
Volume goedereninvoer

………………..
4,9
8,5
8
Volume bruto nationaal produkt

………….
2,9 3,5 5,5
Produktievolume in bedrijven

…………..
3,5 3,5
6

wereldinvoer a)

……………………….

Prijspeil particuliere consumptie

…………
2,7
3
2
Prijspeil investeringsgoederen (bedrijven)

..,.,
2,2
3,5
3
Prijspeil goederenuitvoer

……………….
0,6
1

0,5
Arbeidsproduktiviteit in bedrijven b)
………
1,5

..

1,5
4,5


Surplus lopende rekening betalingsbalans (mrd.

..

niveaus

gid.)
0,65 0,60 0,60
Voorraadvorming (mrd. gld.)
0,60 0,70
1,00
33
35
40
7
1,
5
Werknemersaandeel (pCt.)
71,5
72
werkloosheid (1.000 personen)

…………..

Nationale liquiditeitsquote (pCt.) c)
46,3
46,2
45
Besparingen in pCt. van het nationaal inkomen
19,4
19
20

Gewogen naar afzetlanden.
Produktie per werkende (dus
mcl.
zelfstandigen).

Primaire plus secundaire liquiditeiten in pCt. van het nationaal inkomen.

873

1

Verdere vooruitzichten en conclusie.

Het Centraal Planbureau wijst ten slotte op enige ge-

volgen, die de gegeven prognoses voor 1964 voor de ver-

dere toekomst hebben.

De winstontwikkeling in 1964 stimuleert de investerings-

activiteit in het daaropvolgende jaar, als het monetaire

beleid deze invloed niet geheel compenseert. Het is te ver

wachten, dat het bouwbeleid een verdere toeneming van’

de investeringen (met name in woningen) met zich

brengt.

Een tweede punt van belang is dat de reserves, gemeten

zowel aan de produktiecapaciteit als aan het overschot op

de lopende rekening van de betalingsbalans, gering blijven.

Dit betekent dat een overbesteding slechts zal kunnen

worden voorkomen, indien de toekomstige expansie van

de binnenlandse bestedingen die van de produktiecapaciteit

niet belangrijk overtreft.

Het blijkt uit het voorgaande dat, anders dan bijv. in

de jaren 1953 en 1959, een hernieuwde expansie van de

investeringen niet of slechts in geringe mate uit bestaande

produktie- en betalingsbalansreserves kan worden be-

kostigd. De voor 1964 veronderstelde loonsverhoging van

6 pCt. impliceert dat op iets langere termijn een prijs-

stijging van ten minste 2 pCt. wordt geaccepteerd.

Op korte termijn echter blijkt dat de aanpassing niet

alleen via het prijspeil, maar ook via het investeringsvolume

plaatsvindt. Illustratief zijn in dit opzicht de verschillen

die voor 1965 resulteren, indien de loonsverhoging 1964

1 pCt. afwijkt van de eerder veronderstelde. Komt zulk

een verschil alleen voort uit een andere gemiddelde loon-

stijging bij contractherziening en blijft het overheidsbeleid

verder ongewijzigd, dan is in 1965 het investeringsvolume

van bedrijven in vaste activa ca. 1 pCt. lager. Voorts ligt

dan het consumptieprijspeil 0,6 pCt. en het consumptie-
volume 0,3 pCt. hoger en komt het betalingsbalanssaldo

ca. f. 60 mln, lager uit.

Heeft dus enerzijds de loonkostenstijging in 1964 invloed

op de verhouding tussen consumptie en investeringen en

daarmede op de economische groei, anderzijds dient het

kostenaspect niet uit het oog te worden verloren. De loon-

kosten per eenheid produkt zijn in Nederland de laatste

drie jaren sneller toegenomen dan in de concurrerende

landen. In 1964 zal de loonkostenstijging per eenheid pro-

dukt in de E.E.G.-partnerlanden vermoedelijk geringer

worden. Ook met deze ontwikkeling ware
bij
de bepaling
van het loonbeleid voor 1964 rekening te houden.

De Miljoenennota 1964

Inleiding.

In de ontwerp-begroting 1964 worden de totale rijks-

uitgaven geraamd op f. 12.856 mln, en de middelen op

f. 11.476 mln., zodat het tekort wordt geschat op f. 1.380

mln. Met inbegrip van enkele additionele posten, groten-

deels leidende tot hogere uitgaven, ontstaat een tekort van

f. 1.628 mln. In de Miljoenennota vestigt de Minister er de

aandacht op dat de ontwerp-begroting 1964 voor wat het

overgrote deel van de posten betreft opgesteld is door het

vorige Kabinet.

De financieringsbehoefte yan het Rijk in 1964, waarbij
mede rekening is gehouden met een bedrag van ca. f. 125

mln. ter dekking van het tekort van het Gemeentefonds,

wordt berekend op f. 1,7 mrd. Hierin zal tot een bedrag

van f.
750
mln. kunnen worden voorzien met middelen van

de voorinschrijfrekeningen; voor het overige deel zal een

beroep nodig zijn op de kapitaalmarkt. Aangezien in het

budgettaire kastekort bijna f. 500 mln, is begrepen wegens

aflossing van de binnenlandse staatsschuld, zal het Rijk

voor eveneens bijna f. 500 mln, een beroep moeten doen

op netto besparingen van andere sectoren. De verhoudingen
tussen totale besparingen en investeringen geeft de Minister

van Financiën het vertrouwen dat het mogelijk zal zijn

het tekort geheel op de kapitaalmarkt te financieren.

Realisering van de vele wensen met betrekldng tot over-

heidsvoorzieningen is slechts mogelijk binnen de grenzen

die door het reëel nationaal inkomen worden gesteld. Tegen

deze açhtergrond is’ de regering voornemens voort te

bouwen op de door het vorige Kabinet gelegde grondslag

voor een structureel begrotingsbeleid.

Bij de verdeling van de beschikbare ruimte geeft het

Kabinet zoals in de regeringsverklaring van 31juli 1963 is

vermeld, de hoogste prioriteit aan de oplossing van de

woningnood. In een nota die op korte termijn aan de

Staten-Generaal zal worden overgelegd, zullen uitgebreide
beschouwingen worden gewijd aan een groot aantal onder-

werpen die het woningbouwbeleid betreffen. Het geven van

de hoogste prioriteit aan de bevordering van de woning-

bouw heeft, voor zover het de realisatie van het woning-

bouwprogramma betreft, vrijwel geen invloed op de ra-

mingen voor de uitgaven in de ontwerp-begroting 1964,

daar deze betrekking hebben op de reeds véér 1964 in

uitvoering zijnde woningen. Naar de regering verwacht

zal een geleidelijke verwerkelijking van de gedachten, neer-

gelegd in de hiervoor bedoelde nota, leiden tot hogere uit-

gaven dan in de ontwerp-begroting zijn geraamd. Voor

1964 zullen zij echter van beperkte betekenis zijn.

Het Kabinet is voorts van oordeel dat eliminering van

de invloed der progressie op de opbrengst van de belasting

dringend geboden is, voor zover dit althans in overeen-

stemming is te brengen met het toekennen van voorrang

aan de bevordering van de woningbouw. Ook aan de uit-

voering van het landbouwbeleid, zoals dit in de regerings-

verklaring á uiteengezet, dient een hoge prioriteit te worden

toegekend. Voorts is van grote betekenis dat voldoende

middelen ter beschikking worden gesteld voor de uit-

voering van een doeltreffend beleid ten aanzien van de
ontwikkelingslanden, sociale zorg en andere bestaande

staatstaken, waaronder onderwijs en waterstaat een kwan-

titatief belangrijke plaats innemen.

Uitgaande van een structurele groei van het nationaal

inkomen met 4 pCt. kan de toelaatbare stijging van de

rijksuitgaven voor de jaren 1964 tot en met 1967 gesteld

worden op ongeveer f. 425 mln. De Minister van Financiën

betreurt dat deze
stijgingsnorm
in de ontwerp-begroting

1964 wordt overschreden. De oorzaak hiervan is gelegen

in het treffen van voorzieningen ten behoeve van de land-

bouw, die, zoals reeds is opgemerkt, een hoge prioriteit

hebben. Het is niet mogelijk gebleken voor het grote hier-

mede gemoeide bedrag volledig compensatie te vinden

binnen de begroting 1964 die bij het optreden van het

Kabinet reeds grotendeels was voorbereid. De over-

874

E.-S.B. 18-9-1963

schrijding zal in de komende jaren moeten worden inge-

haald.

Naar het oordeel van de regering maakt de voor 1964

verwachte expansie een voorzichtig beleid ten aanzien van

de bestedingen gewenst. Met het oog op de gespannen
arbeidsmarkt zal van de overheidsfinanciën eerder een

remmende dan een stimulerende invloed op de economie

moeten uitgaan. De regering is voornemens de extra stij-

ging van de belastingopbrengst ten gevolge van het pro-

gressie-effect in 1964 nog te laten doorwerken, waardoor

de ontwerp-begroting 1964 aan de hiervoor geformuleerde
eis zal voldoen. Deze globale conjunctuurpolitiek kan wor-

den versterkt door maatregelen, die erop gericht zijn parti-

ele onevenwichtigheden in de economische situatie – met

name in de bouwsector – op te heffen.

TABEL 1.

Samenvattend begrotingsbeeld

vermoede-
Ontwerp- Omschrijving
ljke uitkom-
begroting
Sten 1963
1964

Gewone Dienst
(in f. mln.)

10.413
Middelen

………………………….
.
0.217
11.097
Saldo

……………………………
+

365
+

684

Buitengewone Dienst 2.399
2.443
486
379

Uitgaven

………………………….9.852

Uitgaven

…………………………..
Middelen
……………………………
Saldo

……………………………

1.913

..
..


2.064

Gehele Dienst
12.251
12.856
Middelen

……………………………
10.703

..

11.476
Uitgaven

…………………………..

Saldo

……………………………
1.548

1.380

Begrotingstekort 1964, rekening houdende met
de additionele posten (f. 248 mln.)
……..
1.548

1.628

Bij het opstellen van de begroting is uitgegaan van de

volgende punten:

\’oor 1964 zal het woningbouwprogramma een mini-

mum van 90.000 woningen omvatten, te weten 45.000

woningen op grond van de. Woningwet, 25.000 premie-

woningen en 20.000 ongesubsidieerde woningen. Voor de

financiering van de woningwetbouw is voor 1964 een be-

drag van f.
925
mln, in de begroting opgenomen.

De uitgaven ten behoeve van het melkprijsbeleid en die

voor cultuurtechnische werken worden voor 1964 verhoogd
met een bedrag van ongeveer f. 100 mln. Deze verhogingen

leiden niet tot een afrenming van activiteiten op andere

gebieden van het ten behoeve van de agrarische sector te

voeren beleid.

De uitgaven voor de ontwikkelingslanden binnen het

Koninkrijk zijn voor 1964 begroot op.f. 56,3 mln, en die

voor de ontwikkelingslanden buiten het Koninkrijk op

f. 164,7 mln. De garanties voor leningen van de Nationale

Investeringsbank (Herstelbank) aan landen voor welke de

Wereidbank consortia vormt en waarin Nederland partici-

peert, zijn verhoogd van f. 50 mln, voor 1963 tot
f.
75 mln.

voor 1964.

Het bedrag van de defensiebegroting is voorlopig

vastgesteld op f. 2.340 mln, inclusief de kosten voor de

civiele verdediging en de kosten uit hoofde van maat-

regelen inzake salarissen en pensioenen e.d. nâ 31 december

1959.
Bij de vaststelling van dit bedrag is rekening gehouden

zowel met het wegvallen van de defensie in Nieuw-Guinea

als met het wegvallen van de Amerikaanse hulpverlening.

In vergelijking met de defensiebegroting voor 1963 be-

tekent een en ander een
stijging
van de militaire uitgaven

met f. 126,4 mln., waarbij in aanmerking moet worden ge-

nomen dat de begroting 1963 nog met f. 82,6 mln, voor

kosten verbonden aan algemene salarismaatregelen dient

te worden verhoogd.

Algemene beleidslijnen.

Hiervoor zijn de beleidslijnen die de regering in het

algemeen wenst te volgen uiteengezet. Met betrekking tot

deze beleidslijnen wordt nog het volgende opgemerkt. Het

in rangorde brengen van de wensen met betrekking tot de

overheidsvoorzieningen en de aanpassing daarvan aan de

ruimte, die door de
stijging
van het nationaal inkomen

wordt geboden, vinden voor een belangrijk deel hun weer-

slag in de begroting. De begrotingen voor 1964 en volgende

jaren behoren naar het oordeel van de regering te worden

ingepast in een op de trendmatige ontwikkeling van het

nationaal inkomen gebaseerd kader.

Uitgaande van het huidige prijspeil zal bij een geraamde

trendmatige toeneming van de middelen van het Rijk met

51/3 pCt. per jaar in de periode 1964-1967 per jaar gemiddeld

f. 600 mln, beschikbaar komen voor verhoging van de

uitgaven en/of verlaging van de belastingtarieven. Bij de

verdeling van deze ruimte dient een aantal voor de be-

1

TABEL 2.

Overzicht van de uitgaven voor de verschillende onderwerpen van staatszorg
(f.
mln.)

Gewone Dienst Buitengewone Dienst

Oorspronkelijk vermoedelijke
Ontwerp-
Oorspronkelijk
vermoedelijke
Ontwerp-
vastgesteld
uitkomsten
begroting
vastgesteld
uitkomsten
begroting
1963
1963
1964
1963

.
1963
1964

487,8
431,6
422,5
82,1
77,5
95,6
2.172,4
2.250,0
2.330.3



180,3
165,0
247,4
32,2
34,2
40,5
5.

Suriname en Nederlandse Antillen
24,1
56,3
34,9
13,7
45,8

25,5

Algemeen

bestuur

………………………
Militaire

uitgaven

……………………..

6.

Justitie en politie
(mcl.
civiele verdediging)
585,0
643,0
653,7


4.

Buitenlandse betrekkingen

…………………

455,7
472,0
520,6
607,8
625,4
658,6
132,1
141,9
137,0
140,2
108,9
63,7
472,1
578,9
628,4
47,8 48,5
62,2
II.

Onderwijs en Cultuur

………………….
2.591,7 2.734,8 2.920,5
109,9
107,9 143,6

7.

verkeer en Waterstaat

……………………

12.

Sociale voorzieningen

………………….
1.128,1
1.111,0
1.1672
4,1
4,1
6,6
11

Volksgezondheid

…………………….
105,1
117,0
120,9
2,1 2,1
2,2

8.

Handel en nijverheid

………………………

14.

volkshuisvesting:

9.

Landbouw en Visserij

……………………..

huursubsidies

……………………..
226,5

..

221,6
219,5
– –

..
..

– –
750,0
650,0 925,0
overige uitgaven volkshuisvesting
29,6

6

.

58,2

27,2 40,4
0,4

0,2
85,1

..

144,0
175,0.

– –

woningwetvoorschotten
………………
.

17.

Nationale schuld (verminderd met afschr.) ..
655,2 700,4
445,4
694, 0
443,1
82,0 82,0
95,0
– –

16.

Oorlogs- en rampschade
…………………

Afschrijvingen
…………
…………….
..
Diversen

……………. ……………..
72,0
20,8
196,6
– –

9.487,8

.

..

9.852,3
10.610,3
2.235,7
2.398,4
2.466,8

E.-S.B. 18-9-1963

.

875

_

S

steding niet relevante posten, zo’als woningwetvoors’chot-

ten.
1),
de aflossing van binnenlandse staatsschuld en de

stijging van de uitgaven van het Rijk, die voortvloeit’uit

de algemene salarisverhogingen,’ buiten beschouwing te

• .blijven.

.’

.

Gaat men uit van een structurele groei van het nationaal

F–
inkomen met 4 pCt., dan kan het toelaatbare accres van

de rijksüitgaven voor de jaren 1964 tot en met 1967 worden

gesteld op ongeveer f. 425 mln. Van het jaarlijkse struc-

‘turele accres van de middelen ad f. 600 mln, blijft dan na

aftrek van een bedrag van f. 150 mln., hetwelk nodig is

voor de neutralisering van de progressiefactor, in de pen-

ode 1964-1967 ruimte beschikbaar voor de realisatie van

de reeds hij de Staten-Generaal aanhangige algemene be-

lastingherziening, waaruit per saldo een middelenderving
van ruim f. 100 mln. zal voortvloeien
.2)

Beoordelig van de stijging van de uitgaven.

In de Miljoenennota wordt nagegaan in hoeverre de

ontwerp-begroting 1964 voldoet aan de norm dat de rijks-
h

uitgaven over de komende periode van vier jaar per jaar

met f. 425 mln, mogen stijgen.

Het totaal van de uitgaven van de ontwerp-begroting

1964 blijkt dan ten opzichte van dat van de oorspronkelijk
vastgestelde begroting 1963 ad f. 11.672 mln, een stijging

te vertonen van f. 1.405 mln.
Bij
de beoordeling van deze

stijging dienen enkele posten, waarvan de uitwerking op

onze economie van weinig of geen betekenis is en de ge-

volgen van de algemene salaris- en pensioenmaatregelen,

buiten beschouwing te blijven. Indien verder nog een voor

een juiste vergelijking noodzakelijke correctie op de uit-

gaven voor 1963 is aangebracht, kan de volgende ver-

gelijking worden opgesteld.

,
TABEL
3.

Vergelijking begroti,gsuitgaven 1963 en 1964, ter toetsing

van het aceres aan de structurele norm

Oorspronkelijk

Ontwerp-
ingediende

begroting

Omschrijving

begroting 1963 a)

1964 b)

(in f. mln.)

Totale uitgaven
………………….
11.672

13.077
w.v. niet relevante uitgaven

– 1.408

1

– 1.707

10.264

11.370

Voor de vergelijking aan le brengen
Correcties
Gevolgen van de algemene salaris.
en pensioenmaatregelen

– c)

– 521
Gevolgen van de overdracht beheer
N.-O.-polder aan Dienst der
domijnen
…………………

..+

26

10.290

10.849

.—.–3

10.290

Toeneming

559

Inclusief.
f. 45 mln, wegens hogere kasuitgaven voor defensie dan in de
begroting waren begrepen.
Inclusief de additionele uitgavenposten vermeld in tabel 1.
De begroting 1963 zal voor de bedoelde maatregelen suppletoir worden
verhoogd met f. 218 mln.

In 1958 is het Rijk wederom aan gemeenten woningwet-voorschotten gaan verstrekken. De gemeenten behoeven hier-
voor dus niet meer zelf op de kapitaalmarkt te lenen. Deze
rijksuitgaven waren geen vergroting van de overheidsuitgaven
maar’ alleen een verandering van financieringstechniek.
Audei
5
s gesteld: in 1967 is vergeleken met 1963 een bedrag
van f. 2.400 mln. meer beschikbaar, waarvan f. 1.700 mln.
bestemd voor uitgaven, f. 600 mln, voor neutralisering van de
progressiefactor en f. 100

mln, voor de algemene belasting-
herziening.

1
876

S

.

.
s_•

.

ï.Jit de vergelijking blijkt dat de’stijging’van de uitgaven

met f. 134 mln. boven de gestelde stijgingsnörm van f. 425

mln, uitgaat. Hierbij wordt opgemekt dat in de begrotings-

cijfers voor 1964 nog geen rekening is gehouden met de

inwerkingtreding van de E.E.G.-Zuivelverordening. De

realisatie hiervan zal een voordeel betekenen, dat het na-

delig saldo van het Landbouw-Egalisatiefonds met een

overeenkomstig bedrag gunstig zal kunnen beïnvloeden.

Het ligt in het .voornemen de resterende overschrijding

van de norm in de jaren 1965 tot en met 1967 in .te

halen.

De invloed van de
begroting op de conjunctuur.
In zijn beschouwing over de invloed die de begroting 1964
uitoefent op de nationale economie neemt de Minister van Financiën de vermoedelijke uitkomsten voor 1963 als ver-
gelijkingsbasis. Hierbij
zijn
uit de vermoedelijke uitkomsten
1963 resp. de begroting 1964 enkele posten geëlimineerd waar-
van de uitwerking op onze economie van weinig of geen betekenis
is en is verder nog een noodzakelijke correctie aangebracht.
Na het aanbrengen van deze correcties blijkt een stijging van.-
de begrotingsuitgaven van 1963 op 1964 met f. 822 mln., dit is
7,8 pCt. In deze uitgavenstijging is een prijsstijgingselement begrepen. Met name geldt dit voor de personeelskosten. Van
het accres heeft nI. ongeveer f. 300 mln, of 2,8 pCt. betrekking
op algemene salaris- en pensioenmaatregelen voor het overheids-
personeel. Exclusief deze salanisverhogingen beloopt het uit-
gavenaccres
5
pCt. van het gecorrigeerde uitgaventotaal van
1963.
Naast de ontwikkeling aan de uitgavenzijde moeten ook de
wijzigingen in het belastingregime in de beoordeling worden
betrokken. Een tegenkracht tegen de impulswerking van de
uitgavenstijging gaat in 1964 uit van de onlangs afgekondigde
opschorting van de vervroegde afschrijving voor bedrijfs-
gebouwen. Het lijkt verantwoord de invloed hiervan te stellen
op globaal
4
pCt. van het uitgaventotaal. Hierbij komt nog het vervallen van de vrijstelling van de omzetbelasting op sigaren,
waarmede voor 1964 f. 12 mln, is gemoeid. De nominale stijging
van de uitgaven (7,8 pCt.) en de belastingmaatregelen (- 0,6
pCt.) geven tezamen een impuls van 7,2 pCt., die dus achter-
blijft
bij
de verwachte stijging .van het nationaal inkomen ad
84 pCt. Reëel gemeten is hetzelfde het geval; de op deze basis
berekende bruto-impuls van 4,4 pCt. blijft dan beneden de
toeneming van het reële nationaal inkomen ad
54
pCt.; bij beide
vergelijkingen moet in aanmerking worden genomen da,t de
toeneming van het nationaal inkomen is geflatteerd door de
ongunstige weersomstandigheden in 1963. Bij de beoordeling
van de invloed van de rijksfinanciën op de economische ont-
wikkeling moet ook rekening worden gehouden met de remmen-
de werking van de in de belastingstructuur ingebouwde progres-
sie. Deze doet haar werking gelden in de mate waarin de procen-
tuele stijging van de belastingopbrengst groter is dan die van
het nationaal inkomen. ‘Het lijkt verantwoord
bij
de impuls-
werking op reële basis voor deze belastingfactor een aftrek toe
te passen van 14 pCt De netto impuls kan daarmede worden
gesteld op ongeveer 3 pCt. Door de progressiewerking behoudt
de begroting aldus een remmende werking op de andere in 1964
werkzame impulsen. Zij voldoet dus naar het oordeel van de
Minister aan hetgeen hij reeds elders in de Miljoenennota heeft
geconstateerd en wel dat de overheidsfinanciën eerder remmend
dan stimulerend op de conjunctuur zullen moeten inwerken.

Directe bestedingen en overdr’achtsuitgaven.

[‘abel 4 geeft een beeld van het beloop van directe be-
stedingen en overdrachtsuitgaven, zowel nominaal als in

procenten van het nationaal inkomen. De omvang van de

totale netto uitgaven zal in 1964 met 21,8 pCt. van het

nationaal inkomen vrijwel gelijkblijven aan het niveau in

1963 (22,0 pCt.). Het nominale uitgaventotaal van f. 13.077

mln. (zie’ tabel 3) beloopt 26 pCt. van het nationaal in-

komen (vermoedelijke uitkomst 1963: 26,4 pCt.).

E.-S.B. 18-9-1963

T..

TABEL 4.

Directe bestedingen en overdrachtsuitdven
(f.
mln.)

Jaar

inkomen (netto;

Directe bestedingen

hoeve van het onderwijs

drachtsuitgaven

Nationaal

Overdrachten ten be-

Overige over-

Totale netto uitgaen

marktprijzen)

nominaal

in pct.

nominaal

.

in pCt.

in pCt.

in pCt.’
Nl.

nominaal

Nl.

nominaal

NL

1959

34.740

2.809

8,1

1.055

3,0

3.218

9,3

7.082

20,4
1960

38.820

3.140

8,1

1.521

3,9

3.314

8,5

7.975

20,5 ,
1961
40.610

3.551

8,7

1.895

4,7

3.453

8,5

8.899

21,9
1962

43.040

3.934

.

9,1

2.174

5,1

3.576

8,3

9.684

22,5
1963

46.320

4.202

9,1

2.412

5,2

3.559

7,7

10.173

22,0
1/
1964

50.290

4.551

9,0

2.644

5,3

3.763

7,5

10.958

21,8

De invloed van de structurele
ontwikkeling op de rijks-

uitgaven.

Belangrijke uitgavencategorieën an het Rijk nemen

aanzienlijk toe (d.i. het zgn. ,,accres voor bestaande acti-

viteiten”) zonder dat één wens voor nieuwe taken wordt

vervuld. Dit accres zal – zonder ombuiging van het be-

leid – beslag leggen op het overgrote deel van het budget-

taire beleid, zoals dit uit de structurele groei van het

nationaa’. inkomen wordt afgeleid. Dit kan worden ge-

illustreerd aan de ontwikkeling 1962-1963. Naar het zich

laat aanzien kan voor nieuwe taken alleen voldoende ruimte

worden geschapen door bewuste inperking van bestaande

taken.

Ten aanzien van voorzieningen in de collectieve sfeer

worden door sommige groepen tékorten geconstateerd.

Deze doen zich evenwel eveneens voor in de particuliere

sector (kleren, huisraad, transportmiddelen, ontspanning

e.d.). Naar het oordeel van de Minister behoort de toe-

name van het nationaal inkomen evenzeer te strekken tot
inhaal van deze tekorten als tot die in de overheidssfeer.

De middelen van het
Rijk.

De middelen yan het Rijk worden voor 1964 geraamd

op f. 11.476 mln. (voör 1963 belopen de oorspronkelijke

raming en de vermoedelijke uitkomsten resp. f. 10.733 en

f. 10.703 mln.).

De raming van belastingmiddelen beloopt in totaal

f.
11.963 mln. (voor 1963 belopen de oorspronkelijke ra-

ming en vermoedelijke uitkomsten resp. f. 11.252 en

f. 10.954 mln.). Na het aandeel van het Gemeentefonds

(f. 1.495 mln:) en het Provinciefonds (f. 92 mln.) resteert

voor 1964 f. 10.376 mln. ten bate van de rijksbegroting.

De andere middelen van het Rijk worden voor 1964

geraamd op f. 1.100,7 mln., w.v. f. 86,9 mln. door winsten

en andere baten van bedrijven (o.m. door de aandelen van

het Rijk in de Nationale Investeringsbank (Herstelbank)

N.V.: f. 3 mln.; de Kon. Nederlandse Hoogovens en Staal-

fabriekenN.V.: f.7 mln.; de Breedband N.V.: f.45,1 mln.;

de N.V. Ned. Aardoliemaatschappij: f. 3,3 mln.).

Nationale schuld.

In de periode 30 juni 1962 – 30 juni 1963 is de staats-

schuld gestegen met f. 808 mln. Deze stijging is ontstaan

door een toeneming van de binnenlandse schuld met f: 978

min, en een afneming van de buitenlandse schuld met f. 170

mln. De totale staatsschuld bedroeg per ultimo juni 1963

f. 19.774 mln. (f. 18.966 mln, per ultimo juni 1962).

In de voomnoemde periode zijn drie binnenlandse leningen

geplaatst tot een gezamenlijk bedrag van f. 900 mln. Hier-

tegenover staat een verplichte schulddelging tot een bedrag

van f. 462 mln., zodat de gevestigde binnenlandse schuld

met een bedrag van f. 438 mln, toenam.

E.-S.B. 18-9-1963

Slotbeschouwing.

In zijn slotbeschouwing wijst de Minister van Firtnciën

erop dat een belangrijk gedeelte van het voorbereidende

werk voor. de ontwerp-begroting 1964 door zijn ambts

voorganger is verricht. Intussen hebben beslissingen vafi

het nieuwe Kabinet, gebaseerd op zijn regeringsprogranma,

aan de begroting haar huidige gestalte gegeven.

Bij de uitvoerige publiekediscussie, die aan de vorming

van de nieuwe regering voorafging, is scherp in het licht -.

gesteld, dat er een grote kloof gaapt tussen de veelheid

van veelsoortige wensen en hetgeen voor vervulling binnen

redelijke tijd in aanmerking kan komen. Aan het doen

van een keuze kan niet worden ontkomen. Dit geldt ook.

voor hetgeen binnen de rijksbegroting mogelijk is. De

keuzenoodzaak komt zeer duidelijk naar voren ‘door’ de

grondgedachte van het de laatste jaren gevoerde structurele

begrotingsbeleid, dat de Minister van Financiën als juist

erkent en wenst voort te zetten. Het is om die keuze-

noodzaak scherp te belichten uitermate nuttig bij voorbaat

voor enkele jalen het bedrag vast te stellen dat uitgaven-

verhogingen en belastingverlagingen in die, periode niet

mogen overschrijden. Voor de eerstkomende vier jaren is
gemiddeld f. 600 mln, per jaar beschikbaar, dat is bij ver-

gelijking van 1967 met 1963 ca. f. ‘2,4 mrd. Het Kabinet

heeft als programmapunt aanvaard het beleid ten aanzien

van de belastingdruk ten minste te richtën op het weg- .

nemen van de werking van de progressiefactor op de totale

belastingopbrengst. Eveneens wenst het Kabinet de rele-

vante uitgaven zo mogelijk te doen achterblijven bij, doch

in elk ‘geval niet sneller te doen stijgen dan de structurele,

groei van het nationaal inkomen.

De Minister van Financiën betreurt dat in de ontwerp-

begroting 1964 een overschrijding van het jaargemiddelde

van dein totaal toelaatbare uitgavenstijging niet kon worden

voorkomen. De oorzaak hiervan is gelegen in de hoge –

prioriteit van het treffen van voorzieningen ten behoeve

van de landbouw. Het is niet mogèlijk gebleken voor het

grote hiermede gemoeide bedrag volledige compensatie te

vinden binnei de begroting 1964, die bij het optreden van

het Kabinet reeds grotendeels was voorbereid. De res-

terende overschrijding zal in’de komende jaren moeten

worden ingehaald.

De overschrijding in 1964 van de structurele grenzen

voor de uitgavenstijging heeft ook invloed op het coijunc-

turele aspect van de begroting. Ook al zal de externe positie

van ons land voor zover deze zich weerspiegelt in het

,

saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans

waarschijnlijk gezond blijven, het zal niettemin noodzakelijk

zijn, dat de impuls, die in 1964 van de rijksfinanciën zal

uitgaan, binnen enge grenzen blijft. Het in 1964doen ingaan

van een belastingverlaging is daarom

conjunctureel ongé-
wenst. Het is integendeel uitermate nuttig dat de progressie-

877

t.

werking haar remmende invloed ten volle uitoefent. De

opschorting van de vervroegde afschrijving voor de bouw

biedt eveneens een tegenwicht tegen de impuiswerking van

de uitgavenstijging. Deze factoren mede in aanmerking

nemende is de Minister van Financiën van oordeel, dat de

begroting past in de conjuncturele situatie, zoals deze

voor 1964 wordt voorzien.

In de slotbeschouwing besteedt de Minister vervolgens

aandacht aan de gevolgen voor onze economie en voor de

rijksfinanciën van het streven om krachtige’ voortgang te

bereiken bij het opheffen van de woningnood. De woning-

bouw doet zijn invloed op de begroting enerzijds gelden

via de exploitatiebijdragen van gereedgekomen woning-

wetwoningen en via, subsidies voor de particuliere bouw,
anderzijds via de zogenaamde woningwetvoorschotten ter

financiering door de gemeenten van de woningwetbouw.

De eerste categorieën behoren tot de zowel uit structureel

als uit conjunctureel oogpunt van belang zijnde uitgaven,

doch voor zover zich wijzigingen in de aantallen te bouwen

gesubsidieerde woningen voordoen, werken zij vertraagd

door. Hierbij moet wel in het oog worden gehouden dat de

exploitatiebijdragen elk jaar terugkomen, zodat een ver-

hoging van het aantal jaarlijks op deze wijze gesubsidieerde

woningen een cumulerende last betekent.

De woningwetvoorschotten zijn
bij
de bepaling en be-

oordeling van de structurele en conjuncturele begrotings-

ontwikkeling steeds buiten beschouwing gelaten. Dit is in

het bijzonder dan verantwoord, wanneer veranderingen

daarin niet met overeenkomstige
wijzigingen
in het totale

woningbouwprogramma gepaard gaan en slechts de finan-

cieringsstroom langs andere banen wordt geleid. Anders

wordt dit, indien het woningbouwprogramma in zijn geheel

wordt verhoogd. Hiervoor moeten ôok meer besparingen

beschikbaar komen. Het streven is gericht op vergroting

van de bouwcapaciteit, waardoor uitbreiding van de wo-

ningbouw dus niet ten koste van de bouw in andere sec-

toren zal gaan. De bouw van meer woningen betekent dan

een behoefte aan meer besparingen, voor zover althans

niet de meerdere bouw wordt verkregen door hogere pro-

duktiviteit, die prijsverlaging mogelijk maakt.

Het
is vooral tegen deze achtergrond dat het verband

tussen bouwbeleid en begroting moet worden gezien. Af-

gezien van de directe subsidielast gaat het er namelijk om,

welke overheidsinvesteringen en -besparingen kunnen

worden ingepast in de vraag- en aanbodverhoudingen op

de kapitaalmarkt, zoals deze door de verhoogde woning-
bouw worden gewijzigd. De vraag, welk deel van de wo-

ningen rechtstreeks via de begroting wordt gefinancierd,

is bij
dit laatste van secundaire betekenis. Hiermede wordt

geraakt aan het vraagstuk van het structureel wenselijke

begrotingstekort. Dit vraagstuk is in de vorige Miljoenen-

nota, mede naar aanleiding van gedachtenwisselingen in

het parlement, door de ambtsvoorganger van de Minister

van Financiën ter sprake gebracht.

De Minister van Financiën stemt volledig in met de op-

vatting van zijn ambtsvoorgaiger, dat hçt saldo van de

Buitengewone Dienst van de begroting geen uitsluitsel geeft

omtrent de mate waarin leningfinanciering aanvaardbaar

is. Het thans bestaande criterium voor verdeling van uit-

gaven en middelen over de Gewone en de Buitengewone

Dienst – de invloed die zij al dan niet hebben op de grootte

van het staatsvermogen – is daarvoor geheel irrelevant.

De omvang van het wenseljke begrotingstekort moet

worden getoetst aan de verhouding tussen totale be-

sparingen en investeringen in onze economie. Kernpunt is

daarbij de vraag, welke omvang de overheidsbesparingen

dienen te hebben opdat het meest wenselijke evenwicht

tussen beide zoveel mogelijk wordt benaderd.

In tabel
5
is een aantal gegevens over besparingen en

investeringen weergegeven, zowel gemiddelden over telkens

zes jaren als, over de laatste periode, per jaar afzonderlijk.

Het behoeft nauwelijks te worden herhaald, dat ons land

een hoog peil van bedrijfsinvesteringen nodig heeft. Dit is

onmisbaar voor de economische groei. Daarbij komt de

woningbouw, die in de tabel onder de investeringen in

bedrijven is begrepen. Verwezenlijking van de primaire

doelstelling van de regering, de woningnood wezenlijk

dichter bij een oplossing te brengen, zal zich in het inves-

teringstotaal moeten weerspiegelen. De overheidsinveste-

ringen, zoals die in voorzieningen voor verkeer, onderwijs

e.d., vertonen zowel op langere termijn als ook in de recente

jaren een voortdurend relatief accres. Of dit in dit tempo

door zal moeten gaan, is de vraag. Een ombuigen tot een
dalend percentage zal voorlopig echter zeker niet bereid-

baar zijn.

Behalve de investeringen moeten de besparingen ook de

gewenste netto kapitaalexport en de eventuele deviezen-

aanwas financieren. In de tabel is daarom ook de ontwik-

keling van het saldo op de lopende rekening van de be-

talingsbalans weergegeven. Het trendgetal van dit saldo

over de periode
1959
tot en met 1964 – 2,3 pCt. van het

netto nationaal inkomen, d.i. naar het inkomen van 1964

gemeten bijna f. 1,1 mrd. – is hoog. Uit de afzonderlijke

jaarcijfers blijkt echter, dat dit alleen aan de jaren 1959

en 1960 moet worden toegeschreven; nadien lag het peil

aanmerkelijk lager met een dalende tendentie van 1,6 pCt.

naar 1,2 pCt. Dit is stellig niet te veel in het licht van de

noodzakelijke structurele kapitaalexport, hulp aan ont-

wikkelingslanden in de kapitaalssfeer daaronder begrepen.

De overheid levert blijkens de tabel een belangrijk en

onmisbaar aandeel in het totaal der besparingen. Deze

bijdrage overtrof lange tijd de overheidsinvesteringen, waar-

bij moet worden bedacht, dat deze laatste niet de woning-

wetbouw en de investeringen van overheidsbedrjven om-

vatten. Na 1961 heeft zich echter een markante verschuiving

voorgedaan. Tegenover een geleidelijke stijging van de

overheidsinvesteringen zijn de overheidsbesparingen sterk

afgenomen, nl. van 6,2 pCt. van het nationaal inkomen in

1961 tot 4,2 pCt. in 1963. Het saldo van overheidsinveste-

ringen en -besparingen ging daardoor in deze twee jaar
met 2,6 pCt. achteruit, of met een bedrag van ca. f. 1,2

mrd.

Een belangrijke oorzaak daarvan is gelegen in het feit

dat de ontwikkeling van de belastingmiddelen geruime tijd

ten achter is gebleven
bij
de stijging van — reëel – 5
1
/
3

pCt. die aan de vaststelling van het structureel toelaatbare

totaal van uitgavenaccres en belastingverlaging tçn grond-

slag ligt. De progressiefactor van 1/
3
is de laatste jaren

niet gerealiseerd, en wel als gevolg van de opgetreden ver-

schuiving in de inkomensverdeling. Een progressiefactor

van deze grootte geldt namelijk bij een gelijkmatige groei

van de verschillende inkomensbestanddelen. Wanneer ech-

ter, zoals het geval is geweest, de niet-looninkomens niet

of nauwelijks delen in de groei van het nationaal inkomen,

leidt dit tot een achterblijven van de belastingontvangsten
en tot grotere tekorten. Dit achterblijven van de belasting-

ontvangsten bij het verwachte accres kan voor de jaren

1962 en 1963 samen op ca. f. 500 mln. â f. 600 mln, worden

gesteld. De sterke loonstijging, die met de toeneming van

het werknemersaandeel samenging heeft anderzijds een

878

E.-S.B. 18-9-1963

TABEL 5.

Besparingen en netto investeringen in procenten van het nettonationaal inkomen a)

Particuliere

Investeringen
1

Overheids.

1
Investeringen

Totaal van de
1
Totaal van de

Saldo lopende
1

vande
1

van
besparingen b)

bedrijven c)

besparingen d)

overheid e)

besparingen

investeringen rekening van de
betalingsbalans

Voortschrijdende zesjaars gemiddelden

11,5
11,3
5,7
3,5
17,2
14,8
2,4
13,3
12,0
4,7
3,6
18,0
15,6
2,4
195111956

…………………

195311958

………
…………
14,5 13,0
3,9 3,7
18,4
16,7
1,7
15,2
13,8
3,8 3,7
19,0
17,5
1,5
15,9
14,2
3,9
3,7 19,8 17,9
1,9

195211957

…………………

15,7
14,5
4,3
3,8
20,0
18,3
1,7

195411959

…………….. …
.

15,6

.

,

13,9
4,7
4,0
20,3
17,9
2,4

195511960

………………….
195611961

…………………

15,4 13,4
5,0
4,1
20,4
17,5
2,9
195711962

…………………
195811963

…………………
195911964

…………………
15,4
13,9
5,2
4,4 20,6
18,3
2,3

14,8 13,0
4,2
4,7
19,0
17,7
1,3
1963

…………………….
1964

…………………….
15,8
13,7
4,4
5,3
20,2
19,0 1,2

Berekend aan de hand van gegevens en ramingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek c.q. van het Centraal Planbureau. Het saldo van de uit het buiten-
land ontvangen inkomensoverdrachten om niet is toegevoegd aan de besparingen van de desbetreffende sectoren.
Inclusief besparingen van de sociale verzekering en van overheidsbedrijven.


Inclusief investeringen van overheidsbedrjven, de gehele woningbouw en voorraadvorming.
Besparingen van het Rijk en de overige publiekrechtelijke lichamen.
Investeringen van het Rijk en de overige publiekrechtelijke lichamen.

zware last op de overheid gelegd door de noodzaak van een
sterke stijging van de salarissen. In dezelfde twee jaren was
daarmede een bedrag van enkele honderden miljoenen ge-
moeid. Zou zich nu in de toekomst de inkomensverhouding

op het nieuwe peil handhaven, dan zou zich een blijvende

achteruitgang van de begrotingspositie hebben voltrokken.

Deze ontwikkeling manifesteert zich in de lagere overheids-

besparingen, die in tabel
5
voor de jaren na 1961 duidelijk

zijn waar te nemen. Het jaar 1964 geeft weliswaar enig her-

stel in dé overheidsbesparingen te zien, doch dit is vooral
toe te schrijven aan het weer optreden van de progressie-

factor, die. niet ‘door een belastingverlaging wordt ge-

compenseerd.

Het beeld van enige jaren geleden leek dé mogelijkheid

van een structurele bijstelling van het begrotingstekort

door specifieke maatregelen als een belastingverlaging open

te laten. Thans lijkt die bijstelling inderdaad te hebben

plaatsgevonden, echter voor een groot deel door ontwikke-

lingen waarvan de oorsprong buiten de begroting was ge-

legen. Een definitieve conclusie is moeilijk. Het is mogelijk,
dat de gesignaleerde verschuivingen, zowel in de inkomens-

verdeling als in het externe
saldo,
naast structurele ook
conjuncturele elementen bevatten. Anderzijds zal uit-

breiding van de’ woningbouw beslâg leggen op meer be-

sparingen. Wat daarvan ook
zij,
in de rijksbegroting is thans

geen speelruimte meer aanwezig. Dit komt ook hierin tot

uiting, dat het beroep, dat voor financiering van het tekort

op de kapitaalmarkt moet worden gedaan, aanzienlijk

groter is geworden. Dat een zo omvangrijke financiering

langs deze weg mogelijk moet worden geacht is niet in de

laatste plaats toe te schrijven aan de opmerkelijke om-

standigheid, dat de inkomensverschuiving der laatste jaren

de ontwikkeling van de particuliere besparingen nauwelijks

nadelig heeft beïnvloed. In het bijzonder de besparingen
via spaarinstellingen tonen
bij
voortduring een gunstig

beeld. De Minister besluit zijn beschouwing met de op-

merking dat afwezigheid van speelruimte betekent, dat

strikt de hand zal moeten worden jehouden aan de grens

die voor de komende kabinetsperiode aan uitgavenaccres

en belastingverlaging tezamen is gesteld.

Blijf bij -. Lees ,,E.-S.B.”!

Geldniarkt.

De weekstaat van De Nederlandsche Bank van 9 sep-

tember bevatte reeds een aanduiding, dat er op de

geidmarkt wat aan het veranderen was. De algemene ver-

wachting op dit ogenblik was nog, dat de ruimte, die de

markt de afgelopen weken gekenmerkt had, tot het begin

van de september/oktober kasreserveperiode zou voort-

duren. Nu bleek uit de genoemde weekstaat, dat een geld-

stroom naar het Rijk begonnen was te vloeien, die weliswaar

gedeeltelijk werd gecompenseerd door het teruglopen van

VROOM & DREESMANN

NEDERLAND

Coöperatieve Handelsonderneming

G.A. te Amsterdam

roept sollicitanten op voor de functie

van

ALGEMEEN SECRETARIS

Tot zijn taken zullen tevens behoren

het leiden van het
secretariaat
als-

mede
de verteg’énwoordiging van

het concern van Vroom & Dreesmann

in organisaties en organen.

Voor het
vervullen
van deze functie

is een dynamische geest en tact
ver-

eist. Academische vorming is een

voorwaarde, ervaring
in
secretari-

aatswerk een aanbeveling.

Sollicitanten gelieven zich

ij

per brief, onder bijvoeging

van een recente fotö, te

wenden tot de heer M. J.

J. M. Kavelaars, Wilhel-

‘minapark 11 te Haarlem.

E.-S.B. 184-1963

879

‘de baikpapiercirculatie,
maal
:

toch reeds een aantasting

betekende van de bankkasscn.

1n de.afgelopen week is deze

ontwikkeling verder voort-

S
geschreden; waarbij de corn-

penserende invloed van de in-

krimpende bankbiljetten-

omloop echter waarschijnlijk

is vèrzwakt. In het midden

van de week werd een ver-

krapping merkbaar, die het

tarief voor daggeld prompt

deed reageren met een ver-

hoging van 1 pCt. tot 14 pCt.

Aan de snelle wisseling in

marktomstandigheden ligt

mede het lage kasresere-

percentage ten grondslag.

‘t
Toen dit zich op hoger niveau

bev6nd, vonden de baiiken,

‘ omdat het systeen van het

erniddelde wordt toegepast,

vaak in haar verplichte te-

goeden bij De Nederlandsche

Bank een mogelijkheid tot

het opvangen van mutaties in

• de kas1i4uiditeit. Men heeft

• weleens gezegd, dat de ban-

‘: ken zichzelf een caligeld-

lening konden geven. Die

mogelijkheid is sterk beperkt.

Kapitaalmarkt.

In het eerste halfjaar van

>.. 1962 leverde het buitenlandse

kapitaalverkeer een positief

saldo van f. 65 mln. Heel

andeis lag het in dezelfde

– periode van het lopende jaar;
er ontstoid een negatief saldo

van f. 269 mln. Dit verschil

wordt grotendeels verklaard

uit het door de banken ge-,
. voerde uitzettingsbeleid op

buitenlandse geldrnarkten.

Wat het zgn. kapitaalverkeer

van banken betreft – voor

een belangrijk deel uitzet-

tingen op de besloten buiten-

landse markten – steeg de

uitvoer hiervan van f. 76 mln.

tot f. 435 mln. Ja 1963 was

dit voor een groot deel een

omzetting van uitzettingen op

de
oiien
geidmarkten, vnl.

terrnijndeposito’s, in kre-

dieten, zodat de totale positie

der banken ten opzichte van

het buitenland aanmerkelijk

minder gewijzigd werd dan

de genoemde
cijfers
zouden

kunnen doen vermoeden. Wat

het particuliere kapitaalver-

keer
,
betreft, het exportsaldo

daalde slechts beperkt, nl.

880

Amsterdamsche Bank vraagt

/

jonge econômen

leeftijd tot ca. 3 jaar. Ter opleiding voor

een functie op de hoofdbank in een der
volgende richtingen:
effectenresearch

en beleggingsvoorlichting.
Bij gebleken

geschiktheid goede carrière – mogelijk

heden. Nadere inlichtingen worden na

schriftelijk contact gaarne verstrekt. Sol-

licitaties aan AmsterdarnscFe

Bank, afdeling Personeelzaken,

Herengracht 595, Amsterdam.

JjjJ

AMSTERDAMSCHE BANK

9
am

U reageert op annonces


in ,,E.-S.B.”?

Wilt U dit dan steeds duidelijk

tot uitdrukking brengen?

BUREAU VAN MAANEN
M
Reclame- en Marketing-adviseurs N.V.

zoekt voor haar afdeling Marktonderzoek een

projectleider

Voor deze
funktie is vereist:

Wij bieden aan:

• Economische of sociologische voor-

• Een interessante en afwisselende
opleiding op academisch niveau.

werkkring op een afdeling welke in

• Knnis von technieken van onderzoek

opdracht van zowel het bureau zelf

• Grondige kennis von steekproef-

zowel desk research als enquêtes.

theorie en statistiek.

op markten von consumptiegoederen;

• Een verantwoordelijke funktie als
– enquêtes uitvoert.

afdeling Marktonderzoek.

als van cliënten desk research en

rechterhand van het hoofd van de

• Ervaring, liefst opgedaan als project.

• Een aantrekkelijk salaris.
leider.

• Interessante vooruitzichten.

Gegadigden worden verzocht schriftelijk te solliciteren bij de afdeling Markt-
onderzoek van Bureau van Maanen, Postbus 1396, Amsterdam.

1

E.-S.B. 18-9-1963

S’

Pl
I’%AIL
IN

DIT BLAD

ADVERTEERT

u

MET SUCCESU

van f. 253 mln, tot f. 244 mln.
Zowel de mutaties in de trans-

acties in buitenlandse, als die

in binnenlandse effecten ble-

ven beperkt. De belang-

stelling van Nederlandse be-

leggers in buitenlandse fond-

sen liep terug evenals de inte-

resse van buitenlandèrs voor

de Nederlandse stukken.

Van tien ter beurze ge-

noteerde beleggingsfondsen

heeft het C.B.S.. een aantal

cijfers gepubliceerd. De be-

leggingen dezer maatschap-

pijen – voornamelijk effecten

– nam volgens balans-

waarde, d.i. voor het grootste

deel de aanschafwaarde, in

1962 met f.
285
mln, toe. Ten

opzichte van 1961 betekent

dit een afzwakking van het

groeitempo, want in dat jaar

steeg de effectenportefeuille

met f. 360 mln. Het C.B.S.

heeft ook de beurswaarde be-

rekend en deze berekening

toont veel grotere verschillen,
nl. 1962 f. 27 mln. tôeneming,

1961 f.
455
mln. stijging. De

koersdaling, die in het vorige
jaar plaatsvond, geeft de ver-

klaring voor deze ontwikke-

ling.

DIENST VAN STADSONTWIKKELING EN WEDEROPBOUW

Bij de afdeling
Structuuronderzoek en Programstudie
kunnen

enige

.

43

medewerkers
op academisch niveau

worden geplaatst.

Taak:

Bestudering van stedebouwkundige vraagstukken van
verschillende aard, zoals:

programstudies, betreffende de ontwikkeling van het –

Nieuwe Waterweggebied, op basis van de volkstelling
1960; de functie van het Waterweggebied in
landelijk
en
West-Europees verband; studies met betrekking tot de reconstructie van de bestaande stadsgedeelten;

plannen van economische voorzieningen, in het bij-
zonder de winkelplanning, city-onderzoek en voorts de
industriële werkgelegenheid in de zuid-westelijke ,
– werkgebieden;

onderzoekingswerk op sociologisch terrein (sanering,
recreatie, wonen, e.d.).

Rang, salaris enz.:
Benoeming geschiedt in de rang van:
adjr..nct-planoloog, salarisgrenzen f612,– f764,- per maand.
Aanstelling boven het minimum is afhankelijk van er-
varing.

Bij gebleken geschiktheid is snelle bevordering tot de
rang van planoloog (sal. gr
. f842,- – f1248,-) mogelijk.
Genoemde bedragen zijn exclusief de huurcompensatie en
de vakantietoeslag.

Gunstige pensioenregeling. Salarisverhoging per 1 januari
1964 in voorbereiding.


De Verordening inzake vergoeding van ieis- of pension-
kosten en verhuiskosten is van toepassing.

Sollicitaties: binnen 14 dagen te zenden aan de chef van het bureau
Personeelvoorziening, kamer 331, stadhuis, Rotterdam,
onder nr.
539.

-.
S.

Indexcijfers aandelen
28 dec.
H.
&
L.
6 sept. 13 sept.
(1953
=
100)
1962 1963
1963
1963
Algemeen

………………
345
399

346
398
401
Intern, concerns
.
………….
464
555 – 463
553
560
Industrie

………………..
319
359-321
357. 356
Scheepvaart

…………….
134
153— 135
150
149
Banken

………………..
257
261-232
248
251
Handel ene.

…………….
150
161-150
157 159

Bron:
A.N.P..C.B.S., Prijscourant.

Aandelenkoersen.

Kon. Petroleum

………….
f. 157
f. 171,30 f. 172,20
Philips G.B
………………
f. 139
f. 159,60 f. 156,70
Unilever

…… ………….
f. 138.40
f. 184,60 f. 145,30
A.K.0.

………………..
4014
4975
5004
Hoogovens, n.r.c.

………..
558
618
613
Kon. Zout-Ketjen, n.r.c .

…..
723
798
8005
Zwanenberg-Organon

……..
909’/
928
960
Van

Gelder Zn
…………..
244
2525
2544
Amsterdamsche Bank

……..
390
3835
390
Robeco

…………………
f. 208
f. 233
f. 233

28 dec.
6 Sept.

13 selit.
New York
1962
1963

1963
Dow Jones Industrials
652
735

740

Rentestand.
Lang!. staatsobi. a)
………..
4,24 4,20

4,21
Aand.: internationalen a)
3,20
3,11
lokalen a)
…………
3,86 3,54
Disconto driemaands schatkist-
papier

……………….
2
l’/,

1

a)
Bron:
Veertiendaags Beursoverzicht
Amsterdamsche Bank.
C. D. JONGMAN.

kostbaarste
dat

een tijdschrift

bezit,
is

de
onafhankelijkheid

van de
redactionele inhoud.

E.-S.B. 18-9-1963

881

0

Abonneerf U op

ZWANENRERG’

DE ECONOMIST

zoekt contact met gegadigden voor de positie van

HOOFD AFDELING
Maandblad onder redactie

MARKTONDERZOEK
1
van

Prof.
P.
Hennipman,

Prof. A. M. de Jong,

Prof.
F.
J. de Jong,

Prof.
P. B.
Kreukniet,

Prof. H. W. Lambers,

Prof. J. Tinbergen,
Prof. G. M. Verrijn Stuart,

Prof. J. Zijlstra.

*

Abonnementsprijs f. 30; voor

studenten
f. 15.

*

Abonnementen worden aan-

genomen door de boekhandel

en door uitgevers

DE ERVEN F. BOHN

TE HAARLEM

IIIIIIIIDIDIDDIlII

1

lID II II Dliii VI1IIIDDIIIII

882

Deze functiônaris zal binnen het marketing-team in

staat moeten’zijn zelfstandig zijn taken uit te bouwen.
Voor deze belangrijke post vragen wij kandidaten van

ca. 35 jaar, met een ontwikkeling op academisch

niveau en ervaring in soortgelijke functie, bij voor-

keur in de levensmiddelen sector. –

Brieven of verzoeken om een oriënterend onderhoud

te richten aan het Hoofd Personeelszaken van Zwa-

nenberg’s Fabrieken .N,V., Gasstraat 5, Oss.

De Amsterdamsche bank vraagt een

accountant

(Niva of Vaga)

met meerjarige praktijkervaring in het belastingrecht.

Deze functionaris, die zal worden toegevoegd aan de

Interne Accountant, zal tot taak krijgen

• het behandelen van de fiscale aangelegenheden van

de bank en haar dochterondernemingen, alsmede het

geven van voorlichting omtrent problemen van fiscale

aard

o
de beoordeling van de credietportefeuille in het kader
der werkzaamheden van de Interne Accountantsdienst. –

Salariëring in overeenstemming met het niveau van dezè

belangrijke functie. Goede premievrje pensioenregeling.

Sollicitaties te richten aan de Directie van de Amster.

damsche Bank N.V., Herengracht 595, Amsterdam.

ASTERDAMSOHE BANK

15

E.-S.B. 18-9-1963

1
01

DE TWENTSCHE, BANK
N.v
.

en geaflulieerde binnenlandse financiële instellingen

Gecombineerde maandstaat op 31 augustus

1963

1962
1963 1962

Kas, kassiers en daggeldieningen

. .

t

85.066.000
/

103.769.000
Kapitaal…………….

t
60.500.000
f
60.500.000

Nederlands schatkistpapier
…….,

376.300.000

414.700.000
Reserve

……………….
50.000.000
46.500.000

Ander overheidspapier

………

181.939.000
.

136.128.000
Leningen
……………..,
41.542.000

45.925.000

Wissels .

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

32.263.000

20.575.000
Deposito’s op termijn
……..
.

,
458.953.000
465.877.000

Bankiers in binnen- en buitenland.
.

307.795.000

233.706.000
Spaargelden

……………
356.367.000
302.272.000

Effecten, syndicaten en waarden

. . .

71.045.000
,

71.601.000
Crediteuren .

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.
972.169.000
848.289.000

Prolongaties en voorschotten
Geaccepteerde wissels………..

1.405.000
.
390.000
tegen effecten

60.854.000

62.436.000
Overlopende saldi en andere rekeningen
66.486.000

53.641.000
Debiteuren ……………..
883.035.000,,

765.419.000

Deelnemingen
(mcl.
voorschotten)

.

,

4.125.000

4.060.000

Gebouwen
…………….,

5.000.000

5.000.000

f2.007.422.000
/1.823.394.000
f2.007.422.000
/1.823.394.000

Gerenommeerd Uitgevers- en drukkerijbedrij ‘ in het

Efficiency

bespoedigt

Uw contacten

met gegadigden

* –

Westen van het land

. –

zoekt

DIRECTIE – ASSISTENT

voor deze interessante functie met perspectieven wordt gedacht aan een

medewerker van de directie, die zelfstandig besproken projecten kan uitwerken

resp. afmaken. Leeftijd ca. 27 jaar, bij voorkeur academisch gevormd.

Factoren, die
bij
aanstelling een rol kunnen spelen:

. ervaring op publiciteitsgebied (marketing, mediakennis, uitgeverij)
. organisatievermogen, goede stijl, representativiteit.

Brieven met volledige gegevens o.m. telefoonnummer te richten onder V.W.

4379, Adv.
Bur. Dela Mar, Arnsterdam-C.

.

Indien

Uw telefoonnummer

in Uw annonce

moet worden

opgenomen,

vermed dan

tevens het

NETNUMMER

E,-SB. 18-9-1963

883

GECONSOLIDEERDE MAANDSTAAT (IN GULDENS) PER 31 AUGUSTUS 1963

31.8.63

vorig jaar ‘)
31.8.63
vorig jaar ‘)

DEBET
CREDIT

Kas, kassiers en daggeldieningen
f

90.756.000

f

293.896.391
Kapitaal
f

90.010.000
f

90.010.000

Nedert. schatkistpapier
f

580.822.262

f

570.114.90
Reservefonds
f

80.000.000
f

75.000.000

Ander overheidspapier
f

102.965.796

f

94.855.201
Consolidatiereserve deelnemingen
f

16.725.000
f

15.254.000

Wissels
f

51.928.225

f

47.059.889
Leningen opgenomen door
f

151.655.000
f

158.235.000
dochterondernemingen (en 3%
Bankiers in binnen- en buitenland
T

352.116.306

f

271.685.845
Deposito-obl. per
1962
‘)

Effecten en syndicaten

.
T

142.621.913

T

117,844.158
A.B.-renteboekjes
f

353.509.345
f

280.761.941

Prol. en vorsch. t/effecten
f

128.093.080

T

124.392.481
Deposito’s op termijn
t

598.182.419
f

592.435.150

Debiteuren
(1.556.049.443

(1.334.141.335
Crediteuren
f1.642.045.778
‘(1.554.238.174

Deelnemingen (mcl. voorsch.)
T

52.181.056

f

47.613.639
Geaccepteerde wissels
f

35.372.245
f

29.975.560

Ge’bouwen
T

1

T

1
Door derden geaccepteerd
f

1.865.761
T

651.880

Overlopende saldi en andere
rekeningen
f

88.168.534
f

105.042.182

[3.057.534.082

f2.901.603.887
,
[3.057.534.082
f2.901.603.887

)
Voor de cijfers
1962
heeft een aanpassing plaatsgevônden aan de wijze
“) afgelost per
15
november
1962
van opstelling van de cijfers
1963.


AMSTERDAMSCHE’BANK

‘lII

‘I

De Stichting Federatie Metaal- en Electrotechnische’ Industrie

gevestigd te Den Haag, vraagt een

JONG ECONOOM,

voor de sectie integratie en bandelspolitiek

Deze sectie van de afdeling Economische Za)en geeft voorlichting aan leden en groepen van

ondernemingen en bereidt beleidsbeslissingen van de hestuurscolleges der FME voor op
het gebied van de ontwikkeling van de Europese integratie, handelspolitiek en exportbe-
vordering.

Het zal de taak van deze functionaris zijn het hoofd van deze sectie in de ruimste zin assi-

stentie te verlenen bij zijn werkzâamheden en de uitbouw daarvan.

Leeftijd 25 – 30 jaar. Salaris op iiidustricefnivcau. Bedrijfservaring strekt tot aanbeve

ling.

Een redelijke beheersing van’ de moderne talen is wenselijk, maar zal zonodig worden ge-
stimuleerd.
Brieven te richten aan Adviesbureau voor Bedrijfsorganisatie Dr D., Horringa N.V., Frederik

Hendriklaan 42, ‘s-Graw’nhage.

.

Dr, Horringa is gemachtigd met geïneresseerden, die daartoe de wens te kennen geven, een

onderhoud te hebben alvorens hun brief wordt doorgegeven aan de FME. Refercnties zullen

niet worden ingewonnen dan, ta’ overleg met de betrokkene. Telefonische inlichtingen

kunnen niet worden vezstrekt.

0

•…

‘S

.
.

884

E.-S.B. 18-9-1963

-1•
‘.
i

II

Belangrijk 1gb-nieuws!

Totaal nieuw

maaltijden-

systeem voor

bed rijfs-

cantines met

ongekende:

voordelen.

voor U!

PROEVEN BEWEZEN HET!
Het begon in de U.S.A. en in Zweden.
Experimenten met diepvries.maaltijden
voor bedrijfscantines bj.ken een —
schitterend succes! Stoimenderhand
ging men over tot dit moderne, dôôr en dâôr doelmatige systeem.
lgio nam proeven in Nederland.
Resultaat? Verrassend!

EVEN VERNUFTIG ALS EENVOUDIG!
Een warme maaltijd voor uw
personeel met een minimum aan
materiaal! Nu kan uw bedrijf
volstaan met enkele grote
diepvrieskasten – die de maaltijden
bewaren en één of meer
verwarmingsovens. Daarin zijn per
half uur (!) 36 of 72 maaltijden
gebruiks.klaarl

ONGEKENDE VOORDELEN
Het nieuwe lglosysteem-stelt u nu
in staat om warme maaltijden te
serveren in uw bedrijf op zeer
voordelige wijze!
• geen dure, onrendabele investeringen
• uiterst korte bereidingstijd • geen
tijdverlies, geen afwas van borden,
schalen (lglo.maaltijden in aluminium
plateaus, die na het gebruik worden
weggeworpen) • geen verloren
ruimte • standaardprijzen • dank•
zij het diepvriesprocédé zeer hoge
standaardkwaliteit • onbeperkt aantal
maaltijden vers voorradig op elk
tijdstip
S
en… keuze uit ± 25
verschillende maaltijden.
Een zeer ruim assortiment. Voor
iedereen zijn eigen lievelingsgerecht.
Een uitkomst bij overwerk.

ONGEDACHTE MOGELIJKHEDEN
Het nieuwe lglo.systeem heeft méér
unieke kanten! Voor middelgrote
bedrijven zonder maaltijdenregeling
is nu inogelijk, wat tot voor kort
onmogelijk was! Ja, zij kunnen nu
ook profiteren van deze belangrijke
voordelen:
• warme maaltijden, afgestemd op
iedere persoonlijke voorkeur, bevorderen ‘t werkplezier (produktie-factor van belang!)
S
warme
maaltijden houden, ook bij
overwerkers het plezier erin • warme
maaltijden zijn een wervings-
argument van grote aarde!
• warme maaltijden trekken ook
vèr-wonende krachten aan!
Richt uw verzoek om inlichtingen
(kosten, prijzen per maaltijd,
assortiment etc.) aan: lglo N.V.
Nijenoord 1A, Utrecht, tel. 030-35641;
onze catering.manager de heer
S

van der Zeijden zal u gaarne
bezoeken.

I’Ç
LO
[l-1

Iglo-maaltijden voor de
bedrijfscantjne van vandaag

De Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging vraagt voor

haar WETENSCHAPPELIJK ADVIESBUREAU een

ADJUNCT-DIRECTEUR

Van deze functionaris wordt verwacht, dat hij, na een

inwerktijd, mede de leiding van het Wetenschappelijk Advies-

bureau op zich kan nemen.

Tot zijn taak zal mede behoren het bestuderen van de alge-

meen-economische vraagstukken, het geven van beleids-

adviezen en het adviserend vertegenwoordigen van de

beweging
itt
commissies van overleg.

Verlangd wordt:

• belangstelling voor en kennis van macro-economische
en sociale vraagstukken in het algemeen;

• zin voor creatieve arbeid in een breed vlak;
• grote mate van zelfstandigheid;

. praktische ervaring in macro-economisch research- en
advieswerk.

Geboden wordt:

• een interessante werkkring met ruim perspectief;

. beloning in overeenstemming met de aard en het
belang van de functie;

• goede sociale voorzieningen.
Brieven met uitvoerige inlichtingen, die zeer vertrouwelijk
zullen worden behandeld, worden gaarne ingewacht véér
1 oktober as.
bij
het Verbondsbestuur van de K.A.B.,
Oudenoord 12, Utrecht.

Burgemeester en Wethouders van Amsterdam brengen ter

kennis, dat bij de Gemeentelijke Woningdienst de betrekking

vaceert van

DIRECTEUR

Deze functionaris zal belast worden met de leiding van de
Gemeentelijke Woningdienst en de uitvoering van de aan

deze dienst opged’ragen werkzaamheden; aan de huidige

directeur is het wetenschappelijke oiiderzoekings- en ont-

wikkelingswerk op het gebied der volkshuisvesting op-

gedragen.

Vereisten: econoom, ingenieur, jurist, socioloog of gelijk-
waardige opleiding, bekwaamheid. om
leiding te geven,

grondige kennis en ervaring op het gebied der volkshuis- –

vesting.

Salarisgrenzen van f. 24.012,— tot f. 33.540,—, exclusief

4% vakantietoelage en 4% huurcompensatie.

Sollicitaties in Ie dienen vôcir 7 oktober 1963, onder no.

F 18214
bij
de Directeur der Gern. Personeelsvoorziening,

Sarphatislraol 92, Amsterdain-C. –

E.-S.B. 18-9-1963

885

Grote industri1e onderneming in het Westen des lands vraagt een

marktonderzoeker

Tot zijn taak behoort o.a. analy-
seren en interpreteren van diverse
statistische gegevens ter bepaling
van de marktpositie. Na inwer-
king volgt deelname aan ,,desk- en
fieldresearch” ten behoeve van
industriële onderzoeken.

Hiervoor wordt van hem verlangd
een opleiding op middélbaar niveau
en zo mogelijk enige praktijk-
ervaring in het marktonderzoek.
Tevens wordt verwacht, dat hij
de gevonden resultaten in over-
zichtelijke en heldere vorm in
rapporten kan verwe.ken.

Er wordt hem een reële kans ge-
boden op de in opbouw zijnde
afdeling Marktonderz3ek zich ver-
der te ontplooien e i te ontwikkelen.

BeFangstellenden tussen 25 en 35 jaar kunnen hun schriftelijke sollicitaties, onder bijvoeging van

recënte pasfoto, inzenden onder nummer ESB 38-1, Postbus 42, Schiedam

Maak gebruik van de rubriek
,,VACATURES”

voor het oproepen
van sollicitanten
voor
leidende

functies. Het aantal
reacties,
dat deze annonces

ten gevolge hebben,
is doorgaans uitermate

bevredigend.
Begrijpelijk: omdat er bijna geen

groteJnstelling is, die dit blad niet regelmatig

ontvangt en waar
het
niet circuleert!

MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Bij de Afdeling Projekten van het Bureau Internationale
Technische Hulp
kunnen

ENIGE FUNCTIONARISSEN

worden geplaatst, die belast zullen worden met het mede-
werken aan het voorbereiden en tot uitvoering brengen van
een aantal projekten betreffende bilaterale hulp aan daar-
voor in aanmerking komende ontwikkelingslanden.

Voor deze functie komen in aanmerking kandidaten van
30-40 jaar met een academische of daarmeë gelijkstaande
opleiding.


Goede kennis van de moderne -talen is vereist.

Zij, die praktische ervaring hebben opgedaan ten aanzien
van de hulpverlening aan ontwikkelingslanden genieten
de voorkeur.

Salaris f.
745,—
– f. 1.328,— per maand, afhankelijk van opleiding, leeftijd en ervaring, excl. 4% huurcompensatie
en 4% vakantiegratificatie. –

Eigenhandig geschreven sollicitaties onder no. 3-460517188
(in linkerbovenhoek brief en env.) aan het Bureau Personeels-
voorziening van de Rijksoverheid, Prins Mauritslaan 1,
‘s-Gravenhage.

U reageert op annonces in ,,E.S.B.”?

Wilt U dat dan steeds kenbaar maken!

Bij de
Directie voor de Arbeidsvoorziening van het Miisterie

van Sociale Zaken en Volksgezondheid bestaat voor

enige jonge dcodemici

leeftijd tot omstreeks 30 jaar (bij voorkeur juristen, econo-
men, sociologen en landbouwkundig ingenieurs) de moge-

lijkheid om te worden opgeleid voor een

leidende functie

bij deze directie.

Na een stage van ± 1 jaar in de rang van adjunct-referendaris
(salarisgrenzen f. 593,— – f. 764,—) volgt
bij
gebleken ge-
schiktheid aanstelling in vaste dienst in de rang van referen-
dans 2e klasse (f. 745,— – fl.128,—). Door roulering gedu-rende een jaar of
5
over de verschillende onderdelen van de
directie wordt de opleiding voltooid, waarna benoeming in
een der leidende functies, waaraan tenminste de rang van refe-
rendaris (f. 1.013,— – f. 1.328,—) is verbonden, zal volgen.

De gelegenheid tot solliciteren bestaat ook voor hen, die binnenkort afstuderen of uit militaire dienst komen, dan
wel reeds enige jaren werkzaam zijn.

Brieven met vermelding van volledige personalia en genoten
vooropleiding, kunnen worden gericht tot de Directeur-
Generaal voor de Arbeidsvoorziening, Zeestraat 73,
‘s-Gravenhage.

Voor een oriënterend gesprek kan desgewenst telefonisch
(070-18 3220, toestel 312/311) een afspraak worden gemaakt.

886

E.-S.B. 18-9-1963

DE TWENTSCHE BANK

DUDGET KREDIET.

voor particulieren

ENKELE BIJZONDERHEDEN:

• Budget Kredieten worden verstrekt in vaste be-
dragen van
f
8.000,
f
9.000,
f
10.000,
f 11.000
of
f 12.000,
afhankelijk van het inkomen.

• Niet opzegbaar van de zijde van de bank.

• Geen onderpand of andere zekerheid vereist.

• Kwijtschelding bij overlijden.

• Schriftelijke, desgewenst mondelinge, behandeling
van de aanvraag, naar keuze bij kantoor in of nabij
woonplaats, of bij hoofdkantoor te Amsterdam.

• Jaarinkomen van de leningnemer, na aftrek van
inkomstenbelasting tenminste
f16.000.

O
Mximum leeftijd 55 jaar.

• Looptijd 4 jaar.

• Aflossing in
16
gelijke 3-maandelijkse termijnen.

• Rente
6%
per jaar.

• Eenmalige afsluitprovisie van 1% over het ge.
hele bedrag; behandelingsprovisie van
¼ %
over
het nog verschuldigde bedrag bij de aanvang van
iedere volgende 3-maandelijkse termijn.

De brochure ,,Bndget Krediet voor particulieren” is bij alle kantoren van

DE TWENTSÇHE BANK en VAN MIERLO EN ZOON verkrijgbaar of wordt U

op
verzoek gaarne toegezonden door De Twentsche Bank, Postbus 407 te Amsterdam.
0

3

E’71777i.77
«interDiastic»

Günther Wagner Hannover Pelikan-Werke

Alleenvertegenwoordigers voor Nederland

H. van Gemert & Co. N.V Amsterdam

E.-S.B.
18-9-1963.

887

WT

BEH:

VERZEKERING EN

DIENSTVERLENING

ten behoeve van het bedrijfsleven

WET-RISICO

bedrijfs-w.a..verzèkering, motorrijtuigverzeke.
ring, ongevallenverzékering voor inzittenden
van automobielen. –

BRAND-RISICO

brand-
oh
bedrjfsschadeverzêkering van in
dustriële en andere objekten.

MOLEST-RISICO

verzékering tegen oorlogsschade, stormschade
en andere risico’s.

VERVOER-RISICO

transportverzekering van goederenzendingen
n binnen- en buitenland.

PENSIOEN-RISICO

collectieve ouderdoms-, weduwen-, wezen- en
invaliditeitsverzekering.

VERENIGING
VOOR
CENTRALE

ELEKTRONISCHE ADMINISTRATIE

C.E.A.

loon-, voorraad-, debiteuren-administratie, fac-
turering enz. met behulp. van elektronische
apparatuur,

De bij Centraal Beheer aangesloten vereni-
gingen werken op zuiver onderlinge grondslag.

1
1
Het lidmaatscha kan u een -belangrijke be-
sparing op dekosten opleveren.
CENTRAAL BEHEER BELAST ZICH
OOK MET DE–ADMINISTRATIE-VAN

ONDERNEMINGSPENSIOENFONDSEN

STELT- U
vooR.

HET VERKRIJGEN

VAN INLICHTINGEN

IN VERBINDING MET:

E

:: :
Z,

BOS EN LOMMER-

PLANTSOEN
1,

AMSTERQAM-W.

TEL. 134971

POSTBUS 8400

888

E-S.B. 18-9-1963

/

De

eerste internationale industrie

en de problematiek der

ontwikkelingslanden

door

Dr. W. T. Kroese

Deze publikatie is mede mogelijk ge-”

maakt door het Economisch Instituut

voor de Textiel-Industrie te Rotterdam

en de Vereniging Nederlandse Katoen-,

Rayon- en Linnenindustrie te Arnhem

=
==
• =

Bijlage bij ,,Econo,nisch-Statistische Berichten” van 18 september 1963

•0

T
.

De eerste internationale industrie

en de problematiek dër ontwikkelingslanden

L INLEIDING

Het is een goede traditie van de Jnternatiohal Federation

of Cotton and Allied Textile Industries
1)
op gezette tijden

overzichten te doen samenstellen vân de verhoudingen op

de internationale markten voor weefsels uit katoen en

man-made fibres.

Tijdens de herdenking van haar 50-jarig bestaan (Buxton

1954) werd hiermee een begin gemaakt. Met grote regel-

maat werden vervolgens deze beschouwingen aan de hand

van nieuw statistisch materiaal steeds weer kritisch herzien

en wel in Venetië (1957), Amsterdam (1960) en thans in

Athene (1963).

Met dit opmaken van het internationaal bestek heeft

J.F.C.A.T.I. het initiatief o’ergenomen, dat direct na de

tweede wereldoorlog van de Cotton Board te Manchester

is uitgegaan. Na enkele inleidende conferenties te Londen
(1948) en Osaka (1950) vond in 1952 te Buxton de eerste

van de reeks grote internationale besprekingen van de
katoenindustriëlen uit India, Japan, Engeland, de Ver-

enigde Staten en Continentaal West-Europa plaats.

Ruim tien jaar geleden werd door het bedrijfsleven het
complex van vraagstukken aan de orde gesteld, welke in

1961/62 tot de door 22 landen geratificeerde akkoorden
van Genève hebben geleid. In feite was het dus reeds in

1952, dat in Engeland de confrontatie plaats vond van de

uit de decennia der industriële revolutie als eerste tak van

nijverheid van internationale allure naar voren gekomen

katoenindustrie met de moderne problematiek der ont-

wikkelingslanden.

Aan een vertegenwoordiger van de Nederlandse dele-

gatie vöor de vergadering in Athene is de eervolle taak

toegewezen de huidige situatie van de katoenindustrie in

Continentaal West-Europa te schetsen. Daarnaast zullen

inleidingen wordeti gehouden over de stand van zaken in

India, Japan, Engeland en de Verenigde Staten.

Het analyseren van de verhoudingen op de internationale

weefselmarkten heeft ditmaal meer dan gewone betekenis,

daar het eerste jaar van het ,,long term arrangement

regarding international trade in cotton textiles” juist ten

einde loopt. Het zal interessant zijn hierover de mening der

belanghebbenden te peilen. Dit te meer,waar het akkoord

van Genève in wezen van veel groter betekenis is dan een

tijdelijke oplossing voor eën afzetprobleem van een be-

paalde internationale tak van nijverheid.

Bij deze studie zal uit de aard der zaak voortgebouwd

worden op het cijfermateriaal, dat ook
bij
vorige be-

schouwingen als basis diende
2).
Tijdens de presentatie te

Athene zal ter verlevendiging van het betoog een ruim

gebruik worden gemaakt van beeldgrafieken. Slechts de

meest karakteristieke zullen in de Nederlandse tekst worden

gereproduceerd. In de nummering ontstaan daardoor enkele

hiaten.

Ten einde het degenen, die moeilijk
tijd
kunnen vinden

de thans volgende grote hoeveelheden cijfermateriaal door

te werken, gemakkelijker te maken, zullen wij deze studie

met een samenvatting van het gehele betoog beginnen. In

de daarop volgende paragrafen vindt de in details ge-

interesseerde lezer desgewenst een nadere verklaring.

II.
SAMENVATTING

Bij liet samenstellen van het overzicht van de inter-

nationale katoen en manmade fibres verwerkende indus-

trieën werd vastgeknoopt aan reeds eerder geconstateerde

ontwikkelingen. Getracht werd na te gaan of deze trends

de laatste jaren verder doorgetrokken konden worden, als-

mede welke consequenties dit dan zou hebben voor de

gang van zaken in de komende decennia.

1.
Grondstoffen.

Op het gebied van de katoenpolitiek bleven de Ver-

enigde Staten een leidende rol spelen. In de zeer gekunstelde

verhoudingen, die het gevolg zijn van het overheidsingrijpen,

i) Deze eerste grote internationale industriële groepering
wijzigde tijdens haar jubileumcongres in Buxton (1954) haar
oorspronkelijke naam: International Federation of Master
Cotton Spinners and Manufacturers Association in die van
J.F.C.A.T.I.

zijn in wezen geen wijzigingen.van betekenis gekomen’ Het

systeem van ,,dual-pricing” bleet’ gehandhaafd.

Hoewel de wereldvoorraden nog niet buitensporig ge-

noemd kunnen worden, zijn deze wel voor een belangrijk

deel geconcentreerd in de Verenigde Staten, welk land

daarmee de houder van ‘s werelds buffervoorraad is ge-
worden. Van groot belang voor de ontwikkeling van het

prijsniveau is het nu te zien of de Amerikaanse wens tot

het behoud van een ,,fair share” in de internationale

katoenmarkt ook tijdens het lopende katoenjaar in ver-

vulling zal gaan.

De man-made fibres, w.o. vooral dc synthetische vezels,

hebben de laatste jaren hun snelle opmars voortgezet. Op

het ogenblik is de produktie van katoen uitgedrukt in
2)
In
bijlage
1 vermelden wij gemakshalve de publikaties uit
voorgaande jaren.

gewichtseenheden èchter nog tweemaal zo groot als die

5
van wol en man-made fibres tezamen.

Het zijn niet alleen de bijzondere vezeleigenschappen,

die zowel de cellulose als de non-cellulose vezels naar voren

doen komen. De manmade fibres worden tevens krachtig

gesteund door groots opgezette propaganda-acties. Op dit

terrein wint de chemische industrie het verre van de land-

bouw.

De vezelverwerkende industrieën zullen beide grond-

stoffen steeds meer naast elkaar en ook in mengvorm aan-

wenden. De omschakeling van natuurvezels op rayon en

synthetische vezels brengt echter problemen mee, die men

niet mag onderschatten.

2.
Verhoudingen in de internationale katoen en man-made’

fibres verwerkende industrie.

Uit de capaciteitsvergeljkingen blijkt hoe de industrie

in West-Europa is ingekrompen. In de laatste halve eeuw
heeft de Europese grondstofveredelende industrie de taak

dekleermaker te zijn van Azië praktisch geheel en van

Afrika gedeeltelijk neergelegd.

Was het vooral Japan, dat na de eerste wereldoorlog

sterk kwam opzetten, na
1945
zijn het meer de capaciteits-
cijfers der ontwikkelingslanden die stijgen.

Uit de produktiegegevens is af te lezen, dat de situatie

in de Westerse wereld en in
»
Japan de laatste jaren qua

fabricage redelijk stabiel bleef. Wel wordt hierbij een lichte

daling van de produktie van katoenen weefsels gecompen-

seerd door een
stijging
van de fabricage van weefsels uit

»han-made fibers. De produktie in de nieuwe export-

centra houdt gelijke tred met de uitbreiding van de capa-

citeit.

Dd import van West-Europa neemt toe. Voor een deel

betreft het hier de aanvoer van ruwdoek voor de finishing-

industrie.

India is van netto importeur tot netto exporteur ge-

worden. De uitvoer van de nieuwe industrielanden bedraagt

thans 10 pCt., die van de
gordijnlanden
131 pCt. van de

intrnationale weefselexport.
Van een inkrimpen van de internationale weefselmarkt

kan de laatste tijd niet meer worden gesproken. Hoe moei-

lijk het is voorspellingen te doen omtrent het toekomstige
verloop van de im- en exporten, is duidelijk af te lezen uit

een vergelijking van de zorgvuldige ramingen, die tijdens de

Buxton-conferentie in
1952
werden opgesteld en de stand

»
van zaken nu, tien jaar later.

– 3.
De situatie in West-Europa.

En nadere analyse van de
capaciteitscijfers
van West-

Europa toont dat de teruggang hier sterk beïnvloed werd

door de reorganisatie van de katoenindustrie in Lancashire.

Op het Continent steken de cijfers van Zuid-Europa gunstig

af tegen die van de overige landen.
Met uitzondering van Engeland produceert West-Europa

thans met een in omvang kleinere doch sterk gemodër-

niseerde apparatuur meer garens en weefsels.

De uitvoer van weefsels bleef de laatste tijd relatief ge-

lijk. Het exportsaldo daalde door de
stijgende
invoer van

1.250 mln. yds. in
1955
tot nog geen 300 mln. yds. in 1962.

Ook hier is de invloed van. Engeland met zijn sterk ge-

stegen importen uit de Comrnonwealth-landen duidelijk

merkbaar. –

In een tweetal stroomdiagrammen worden de katoen en

man-made fibre huishoudingen van West-Europa samen-

gevat. Uit de katoenbalans blijft het karakter van de ver-

edelingsindustrie spreken,
zij
het dat de behoeftenvoorzie-

ning meer op de Europese markt is afgestemd. –

De balans van rayon en synthetica is van bredere allure

dan vijf jaar geleden. De exporten van halffabrikaten en

de stromen van garens en vezels naar andere bedrijfs-

takken dan de katoenindustrie zijn groter, breder, dan in

het verleden.

Ontwikkeling van
nieuwe marktvormen in
West-Europa.

De eerste stap om tot grotere economische eenheden te

komen werd 19 jaar geleden genomen door de Benelux.

De ontwikkeling van het handeisverkeer in de textielsector

van deze markt toont wederom een grote vooruitgang.

De vergelijking tussen de ruilverhoudingen van de E.E.G.

en de E.V.A. – zowel intern als met de buitenwereld –

laatzien, dat de exporten van de Zes sterk toenamen. Bij

de Zeveii namen de importen van landen buiten de E.V.A.

toe, de exporten daarheen echter af.

Een onderzoek» naar de behoeftevoorziening van de

binnenlandse markten der E.E.G. door de nationale katoen-

industrieën bewijst, dat het kleinste afzetgebied – dat van

de Benelux – in sterkere mate aan de invloed van importen

onderhevig is dan de drie grote markten: Frankrijk, Italië

en West-Duitsland.

Hierbij dient te worden opgemerkt, dat de stijgende

aanvoer van geconfectioneerde goederen, met name die

uit Hongkong naar West-Duitsland, in cijfers onvoldoende

tot uiting komt.

• Bovendien dient niet vergeten te worden, dat het volume,

dat door de landen van Continentaal West-Europa naar

overzeese markten» werd gezonden, de laatste decennia

sterk is teruggelopen.

Het uiteenvallen van West-Europa in twee grote markt-

eenheden wordt door de vezelverwerkende industrie be-

treurd. De E.E.G. zou een toetreding van Engeland hebben

toegejuicht, mits dit dan gold voor Engeland alleen. Tegen

de» penetratie van textielen uit India, Pakistan en Hongkong

zal de E.E.G.-katoenindustrie zich blijven verzetten, tenzij

deze invoeren plaatsvinden binnen redelijke grenzen en

met inachtneming van de regels van het textielakkoord

van Genève.

Het long term arrangement betreffende katoenen textielen

van Genève.

Aan het tot stand komen van de akkoorden van Genève

is een lange periode van ontwikkeling voorafgegaan. Aan-

vankelijk was het probleem van de coëxistentie van de

industrie- en ontwikkelingslanden in het begin der jaren

vijftig duidelijk door de katoenindustrie gesteld. Eerst door

het optréden van de• regering Kennedy in de Verenigde

Staten werd de oplossing van het vraagstuk door de over-

heid overgenomen. Medio 1961 bereikte men een voor-

lopig akkoord, dat door de van 1 oktober 1962 af lopende

vijfjaars-overeenkomst is gevolgd.

Het streven is een harmonieus afwegen van de belangen

der zich ontwikkelende landen – aan wie een verruiming

van de afzet in uitzicht is gesteld – en die der industrie-

landen, die op hun beurt»voor al te grote marktverstoringen

gevrijwaard blijven.

Ten onrechte werd bij de uitwerking van de basis-

principes het zoeklicht van de belangstelling
eenzijdig
op

de E.E.G.-landen gericht. Men verzuimde in aanmerking
te nemen, dat de industrieën van de Gemeenschappelijke

Markt buiten Europa reeds grote afzetgebieden hadden

prijsgegeven. –

In het eerste jaar van liet long term arrangement is

begrijpelijkerwijs het accent gelegd op de restrictieve maat-

regelen. Het is echter vangroot belang, dat in de komende
periode dok aandacht wordt besteed aan de positieve kant

van het akkoord, aan de geprojecteerde marktverruiming

dus.

De textielovereenkomst van Genève is meer dan een

tijdelijke maatregel. Het is een eerste poging om binnen

het kader van het G.A.T.T. richting te geven aan de indus-

trialisatie der ontwikketingsianden.

In dit verband rijst thans reeds de vraag, of de periode

van
vijf
jaar niet te kort is om ,,zindelijk” investeren zowel

in de ontwikkelings- als in de industrielanden mogelijk

te maken.
Verder moet eerst met tal van op onjuiste gegevens be-

rustende legenden worden afgerekend, wil men orde op

zaken kunnen stellen. Het is ten slotte niet uitgesloten, dat

het long term arrangement t.z.t. zal leiden tot een geheel

nieuwe aanpak van de financiering der ontwikkelings-

projecten.

Het gaat hier dus niet om het oQlossen van één, relatief

klein, textielprobleem. Het akkoord reikt veel verder en

duidt op de noodzaak van een logisch groeiende cliver-

sificatie in de industriële ontwikkeling der jonge landen.

Dit o’nderstreept de belangrijkheid van ,,Genève”.

6.
Problemen waarvoor de katoenindustrie op het Continent

zich heden ten dage gesteld ziet.

Uit de gegevens betreffende de garenproduktie valt af

te leiden, dat in de tweede helft van 1963 een gunstige

wending in de katoenconjunctuur kan worden verwacht.
Een période van betere produktie- en afzetverhoudingen

zou daarmee worden ingeluid. Een welkome adempauze

voor len, die de belangen van de individuele onderneming
en van de bedrijfstak in zijn geheel moeten behartigen.

De hang naar een oversimplificeren van de problemen

van elke dag is tegenwoordig groot. Uit de tot dusver ge-

produceerde
cijfers
zou de conclusie getrokken kunnen

worden, dat er in de Continentaal Westeuropese katoen-

industrie een teveel aan produktiecapaciteit bestaat. Aan-

passing door vermindering zou daar geboden zijn.
Een nadere analyse van de wijze waarop de produktie-

capaciteit kan worden gebruikt, toont aan hoe complex

dit vraagstuk is. Een vergelijking van machine-uren, theo-

retische en praktische werktijden, het werken in ploegen,

lonen en toeslagen voor overwerk enz., zowel in West-

Europa als in Japan en Amerika bewijst hoe groot de

noodzaak is de aanwezige produktiecapaciteit optimaal te
benutten. Alleen dun zal de industrie in West-Europa zich

met de collega’s/concurrenten overzee kunnen mdien.

De huidige situatie wijst erop, dat de thans aanwezige

capaciteit in Europa vermoedelijk geen spectaculaire uit-

breiding meer zal krijgen. In het proces van-aanpassing-

aan de nieuwe afzetmogelijkheden zal het accent op het

streven naar een hoog produktierendement komen te liggen.

7.
Perspectief
op lang zicht.

Een grove vergelijking van het vezelverbruik per capita
in verschillende delen van de wereld wijst reeds op groei-

mogelijkheden van de afzet. In vorige publikaties voor-

spelden
wij
dan ook grotere afzetkansen voor textiel in

West-Europa. Een nader onderzoek naar de basisgegevens,

waarop deze schattingen berusten, bewijst, dat deze met
de werkelijkheid der eerste
5
tot
7
jaar overeenkomen.

Een toename van de afzetmogelijkheden van de Europese

textielindustrie in de orde van grootte van 25 tot 35 pCt.
gedurende de komende twee decennia lijkt aannemelijk.

Het i een perspectief op lang zicht, dat vele moge’ijkheden

inhoudt.

Op deze ontwikkeling zullen echter naast kwalitatieve

ook politieke factoren van invloed zijn. De textielindustrie

hoede zich daarom voor een te groot optimisme.

Nu is deze textielindustrie gewend steeds weer met nieuwe

moeilijkheden te worden geconfronteerd. In het commer-

ciële vlak woedt
bijv.
moipenteel een ware distributionele

revolutie. Bij het pogen een zo groot mogelijk deel van de

grotere afzetmogelijkheden voor zich, te verwerven zullen

de textielondernemingen een juiste doch moeilijke keuze

uit de vervormde en ook ten dele nieuwe afzetkanalen

moeten maken.

Het aantal problemen, waarmee de Westeuropese katoen

en man-made fibres verwerkende industrie wordt geco1i-

fronteerd, is – zoals wij poogden te beschrijven – zeer

groot. Het ligt in de rede, dat aan de oplossing hiervan

niet altijd uitsluitend individueef gewerkt zal worden. In

welke mate en hoe in den vervolge collectief moet worden

opgetreden, is zonder diepgaande studie nu nog moeilijk
vast te stellen.

Het concentratie- én integratieverschijnsel wordt van

land tot land verschillend benaderd. Het lijkt waarschijnlijk,

dat aan deze problematiek in de volgende jaarlijkse bij-

eenkomst van I.F.C.A.T.I. veel aandacht zal worden be-

steed. Het bestaan van dit internationale ,,clearinghouse

for information” vergemakkelijkt een dergelijke uitwisseling

van gedachten in hoge mate. Een unieke figuur in de inter-
nationale industriële wereld.
Met deze Inleiding voor Athene is gepoogd een bijdrage

te leveren tot de verlevendiging van de discussies.

ifi.
ONTWIKKELINGEN OP GRONDSTOFMARKTEN

In 1954
heeft de international Fedèration door haar

naamsverandering de man-made fibres
3)
als het ware naast

de katoen als belangrijke• grondstoffen geadopteerd. Een

erkenning overigens van een in een reeks van jaren ge-
groeide toestand. Katoen is echter nog steeds als veruit

3)
Met de vermelding van Allied Textile Industries wordt
gedoeld op de verwerking van discontinue rayon- en andere
synthetische vezels; in het internationale spraakgebruik tegen-
woordig gemakshalve samengevat onder de benaming man-
made fibres.

de belangrijkste grondstof voor deze vezelverwerkende ii-

dustrie te beschouwen. Vandaar dat hieraan de eerste beL

schouwingen zijn gewijd.

Sedert ons vorige overzicht ) is er in de structurele

positie van de katoenverbouw en de internationale katoen-

handel weinig veranderd. Vooral de cijfers van de toe-

nemende produktie – ten dele ook van de consumptie –

buiten de Verenigde Staten en van de golf beweging in de

4)
I.F.C.A.T.I., Amsterdam 1960.

-5

voorraden van de Verenigde Staten duiden op de moeilijk-

heid om. een fundamentele wijziging te brengen in een

door nationale politiek verstard systeem.

In tabel 1 verwerkten wij de cijfers van voorziening en

distributie gedurende de laatste negen oogstjaren.

De Verenigde Staten houden deels uit nationale deels

uit internationale politieke overwegingen via een kunst-

matige katoensteunprjs van ca. 324 $cts per lb.
7
) de katoen-

prijsparaplu boven de gehele wereld.
De overige katoen producerende landen maken hier een

TABEL 1

Wereidvoorziening en distributie van katoen
5)

(mln, balen van 478 lbs.)

1
1954155 1955156 1956157 1957158
1958159
1959160
1960161
1961162
1962163

Voorraden (1 aug.)
Verenigde Staten

………………………….
9,7

.
11,2 14,5
11,4
8,7.
8,9
7,6 7,2
7.8
Overige netto exporteurs
…………………….
3,6
3,7
2,7 3,2
4,1
3,6
3,2
3,5
3,8
Netto importeurs
…………………………..
5,8
5,9 5,2
6,2
6,1
5,3
6,0
6,6
5,5
19,1

.. ..

20,8 22,4
20,8
18,9
17,8
16,8 17,3
17,1

Sowjet-Unie, Oost-Europa en China
2,1

..

1,5
2,2
2,7
3,2 3,2 3,4
2,7 2,2
………………………………..
Wereld

.’
21,2

22,3
24,6 23,5
22,1
21,0
20,2
20,0
19,3

Produktie

Verenigde Staten

………………………….
13,6

..

14,7
13,0
.

11,0
11,5 14,5
14,4
14,4 14,9

Totaal

…………………
………………
..

Elders

…………………………………..
16,0
16,4
16,1
17,0
17,6 16,7
19,0
19,5
21,6.
Totaal

…………………………………..
29,6


31,1 29,1
28,0
29,1
31,2
33,4

.
33,9 36,5

Sowjet-Unie, Oost-Europa en China
……………
11,4

..
..

12,6

.
13,0 13,6 15,7
16,0
13,5
12,1
12,0
41,0
43,7
42,1
41,6
44,8 47,2 46,9
46,0 48,5
Wereld

…………… ……………….. … .
..

Voorraden met produktie

…………………….’.
62,2

..

..

66,0 66,7
65,1
66,9 68,2
67,1
66,0
67,8

Verbruik
Verenigde Staten

…………………………..
,

8,8
9,2
8,6
.

8,0
8,7
9,0
8,3
9,0
8,3
Elders

…………………………………..
18,8 19,3
21,0
20,5
20,4 22,2
23,3
23,6
23,0
Totaal

…………………………………..
27,6
28,5
29,6
28,5
29,1
31,2 31,6 32,6 31,3

Sowjet-Unie, Oost-Europa en China
……………
..
12,3

..

12,7 13,4
14,5 16,5 ‘

17,1
15,7
14,1
14,2
39,6

..

..

41,2
43,0 43,0
45,6
48,3 47,3
46,7 45,5

Voorraadafname

u

Wereld

…………………………………
.

40,1
.

41,5 43,3 43,2 45,8
48,4
47,4
46,8
45,6
(mcl.
oogstvernietigingen)

……………………
.

Handel met de Sowjet-Unie, Oost-Europa en China
Netto exporten naar

……………………….
.
0,2
0,7
0,7
1,3
1,2
1,3
1,6
1,4 1,5

Nôg steeds zijn het de Verenigde Staten, die als belang-

rijkste producent, consument en exporteur de wereld-

katoenpolitiek bepalen. En nog immer is daar te lande de

landbouw-steunpolitiek deT overheersende.

Vergissen
wij
ons niet, dan zal het komende katoenjaar

(1963/64) weer eens van grote invloed kunnen zijn op de

vooruitzichten van de komende periode. Ook in dé wereld

van de ruwe katoen kennen wij een korte golf beweging.

In tegenstelling tot de tegenwoordig veel besproken en

tevens veel omstreden korte textielconjunctuurcycli zijn

deze ups en downs echter kunstmatig en worden zij slechts

af en toe door de natuur beïnvloed.

In tabel 1 lezen wij, dat de ,,carry-oVer” in de Verenigde

Staten
bij
het begin van het katoenjaar
1956157
144 mln.

balen bedroeg. Dank zij een zeer voorzichtig manoeuvreren

werd deze recordvoorraad door de Amerikanen in 1961

tot 7,2 mln, balen terüggebracht. Aan het begin van het

vorige seizoen (1 augustus 1962) liep de voorraad op tot

7,8 mln, balen. Ware het niet dat tegenvallende oogsten in

India en de V.A.R: remmend hebben gewerkt, dan zou

deze toename in de periode 1961/62 reeds meer’tekenend

zijn geweest.

Verwacht wordt, dat de voorraad op 1 augustus 1963

ruim 11 mln, balen zal bedragen. Terecht heeft men zich

tijdens de 22ste plenaire vergadering van de International

Cotton Advisory Committee
6)
te Bangalore (april/mei

1963) afgevraagd of wij hier weer een herhaling te zien

krijgen van de ons thans zo bekend geworden opeenvolging
van feiten.

Bron:
International Cotton Advisory Committee.
Het ,,reizende katoenparlement”, waarbij thans
40
katoen-
producerende en -consumerende landen zijn aangesloten.

gretig gebruik van door een vergroting van de produktie
te bewerkstelligen en wel hetzij door uitbreiding van het

areaal hetzij door opvoering van de opbrengst per acre.
Door de consequent dobrgevoerde prijspolitiek van het

Amerikaanse Ministerie van Landbouw, welke een con-

stant houden van de jaarlijks vastgestelde steunprijs en

exportsubsidie (van 84 $cts per lb.) inhoudt, zijn outsider-

landen steeds in staat hun oogsteiï tijdig, even onder het’

door de Verenigde Staten gedicteerde prijspeil af te stoten.

De Verenigde Staten zien zich dus in de weinig benijdens-

waafdige positie geplaatst vrijwillig houdster te zijn van

‘s werelds buffervoorraad. Een taak, die jaarlijks vele

honderden miljoenen dollars kost.

Wij zagen hoe de laatste jaren de katoenvoorraden in

de Verenigde Staten oplopen. In contrast daarmee daalden

de katoenexporten van de Verenigde Staten van 7,2 mln.

balen (1959-1960) via. 6,6 mln, balen (1960/61) tot 4,9 mln.

balen (1961/62). Het afgelopen jaar zal het uitvoercijfer

nit meer dan 3,5 mln, balen bedragen.

Nog steeds pretenderen de Verenigde Staten, niet gehesl

ten onrechte, aanspraak te mogen maken op het behoud
van haar ,,fair share” in de internationale katoenhandel.

Hoewel dit morele recht nooit precies gekwantificeerd is,
schat men het in de praktijk op
5
mln. balen per jaar.

Het is begrijpelijk, dat op de huidige stijgende Ameri-

kaanse voorraden en de dalende uitvoercijfers even zovele
côrrecties zullen volgen
8
). De verkopen van de C.C.C.-

) Om precies te zijn:
32,47
$cts voor Middling 1″, gross
weight, aveage location. 8)
Een gelukkige bijkomstigheid lijkt thans te liggen in het
feitdat de eerste Amerikaanse oogstramingen voor
1963164
onder de
14
mln, balen liggen.

6

stocks, die de laatste maanden geëntameerd zijn, hebben

een cijfer van ca. 2 mln, balen •bereikt. Voorlopig zijn

hier slechts interne verschuivingen binnen de grenzen van
de Verenigde Staten uit voortgevloeid.

Het verleden heeft ons geleerd, dat de Amerikaanse

autoriteiten in dergelijke situaties met grote voorzichtigheid

te werk gaan. Op lange termijn bezien geven ook de met

grote geleideljkheid uitgevoerde correcties echter geen op-

lossing voor het kernprobleem. Behalve dat de agrarische

subsidiepolitiek, doorgevoerd onder het motto der jaren
dertig: ,,equality for agriculture”, zeer kostbaar is, heeft

deze tal van verschuivingen teweeg gebracht.

Een vergelijking van de katoenproduktie in de Vrije

wereld, zoals deze is uitgewerkt in krafiek
1
°), toont hoe-

zeer nieuwe producenten in Afrika en in de Amerika’s

naar voren zijn gekomen.. Ook de produktie in de Sowjet-

Unie en op het vasteland van China is sterk gestegen.

Tabel 1 toont echter, dat het aandeel van de communistische

wereld in de internationale. katoenhandel dank zij de

parallel gestegen consumptie nog van weinig betekenis is.
Een tweede consequentie van het kunstmatig hoog hou-

den van het katoenprjspeil, speciaal in de Verenigde Staten,

is de voordelige positie waarin de producenten van con-

currerend vezelmateriaal zich geplaatst zien. Nu is het altijd

bijzonder moeilijk om op het gebied van de prijzen nauw-

keurige vergelijkingen te trekken. Elke vezel heeft haar

specifieke voor- en nadelen. De prijs is zeker niet de enige

bepalende maatstaf. Indien katoen echter. hoog in prijs

9)
Cijfers, ook die welke betrekking hebben op de katoen-
produktie van de Sowjet-Unie en van ,,Mainland China”, zijn
vermeld
in
bijlage 2.

blijft is het zonder meer duidelijk, dat hij de mededinging

te duchten heeft van lager genoteerd concurrentiemateriaal

als bijv. de rayonvezel, die bovendien voortreffelijk ver-

pakt, volmaakt zonder vuil of vreemde bestanddelen en

sTteeds g’eljk van lengte is. In grafiek II
10)
wordt het prijs-

verloop van katoen en rayonvezel in, de Amerikaanse en

Engelse sfeer weergegeven. Steeds blijkt hoe de rayon-

vezel de noteringen van de katoen op een veilige afstand

volgt. Een feit dat ook in Continentaal West-Europa gecon-

stateerd kan worden
11)

Van grote invloed is de katoensteunpolitiek, uitmondend

in een systeem va.n
,,4ual pricing”, verder op verschillènde

andere terreinen. Wij noemen hier de onmogelijkheid van
het functioneren van de termijnmarkt en de nadelige con-
currentiepositie van de Amerikaanse industrie.

In het kader van al dit onnatuurlijke, gekunstelde, streeft

men steeds weer naar nieuwe, deels kostbare, kunstmatige

ingrepen, waarmee men de gesignaleerde maatregelen poogt

te neutraliseren. Sonmige van deze ingrepen blijken in de

praktijk doeltreffend te zijn. Zo heeft het behoedzaam

manipuleren
bij
het fixeren der prijzen de verbruikers be-

paalde voordelen opgeleverd, die de risicospreidende functie

van een termijnmarkt tijdelijk hebben opgevangen.

De steun, die men aan de Amerikaanse textielindustrie

heeft willen verlenen, is minder doeltreffend geweest. Zeker,

bij. de export van weefsels hebben onze Amerikaanse col-
lega’s weinig of geen nadelen ondervonden, daar zij in een

uitvoersubsidie gebaseerd op het percentage verwerkte

Voor de juiste noteringen wordt verwezen naar bijlage 3.
,,Competition between Cotton and Man-Made Fibres in
Western Europe”, B. M. Hornbeck, Washington, June 1961.

f,hart
L

iiir

:

1 .

1IIIlIII

I

J
$
I

‘…..u.I….t

•.UU……..i

L7L!I11s1

aus.

.
V
______
dIUUl••UUWU….l
..
a..
_

V
..’
.a••••
_
_u•
WEREEMME
nam
MMEEREER

IIIIHII
*


‘•USU•UUU1..

•5u U•••
-S—-.

100

90

80

70

60

50

40

F30

20

10

0

Chart j

Prices of cotton, rayon-yar and rayon—fibre in U.S.A. and United Kingdon.

in
S
cents per ib.

Cotton.

11111111111111
Rayon-flbre.

Rayon-yarn.

U.S.A.

United Kingdorn.

0
p
om~”n 0

1f) c=
r— w cl)

t—

(‘.4

1f)

r- m
Q)

.

CIJ
1f)
It)

1f)
1f)

1f)

1f)
1f)
1f

1f) (CD

(

()

1f) 1f)

Ir)

(t)

Ir) 1f)
(t)

(t)
Ir)

(CD

(CD co
CD)

CD)

0)

0)
t

grondstof een compensatie vonden voor de te dure in-

heemse katoen. Minder aanvaardbaar werd de positie toen

de importen op de Amerikaanse markt, vooral in de jaren

1959 en 1960, sterk begonnen toe te nemen.

Reeds in 1957 was de regering aan het verzoek van de

Amerikaanse textielindustrie om haar te vrjwaren voor de

gevolgen van de agrarische steunpolitiek tegemoet gekomen

door langs indirecte weg een ,,auto-limitation” van weefsel-

importen door Japan te bewerkstelligen. Toen ook invoeren

van andere landen de Amerikaanse textielindustrie be-

dreigden, werden in 1961 door President Kennedy verschil-

lende programmapunten, welke betrekking hadden op de

textielindustrie, ontwikkeld.
Als
een van de allerbelang-

rijkste uitvloeisels hiervan moeten
,
wij h’et met succes be-
kroonde initiatief van Genève noemen.

Al met al is voor de bron van veel kwaad, het ,,dual

ricing”-systeem van de ruwe katoen, nog geen definitieve

oplossing gevondej’i. Momenteel is men wederom hard

bezig de nadelige gevolgen, die deze methode voor de in-
heemse industrie heeft, af te zwakken en een volgend jaar

wellicht geheel te neutraliseren. Het blijft echter bij het

geven van weer nieuwe contrasubsidies, waarmee men van

de ene kunstmatigheid in de andere blijft vervallen.

Zolang men in de Verenigde Staten onder invloed van

tal van politieke verwikkelingen niet een eenvoudige, lo-

gische, dirécte steun kan verschaffen aan hen, die deze

werkelijk behoeven, zal men het kostbare agrarische steun-

mechanisme in stand moeten houden. Tegelijkertijd laat

men dan de voordelen van de grote verbeteringen in de

agrarische technologie ongebruikt. Bovenal zijn de Ver-

enigde Staten gedwongen de last -van de internationale

bufferstock ‘te torsen. Dit ten voordele van de overige

katoenproducenten
12)
en tot op zekere hoogte mede ten

faveure van de fabrikanten van man-made fibres.

De Amerikaanse katoenpolitiek is natuurlijk wel an

enige invloed geweest op de gang van zaken in de sector

van

de rayon- en de overige synthetische vezels
13).
De

snelle opkomst van de man-made fibres is echter in wezen

aan tal van andere stimulansen te danken.

In grafiek III
14)
hebben wij de wereldproduktie van

katoen, wol en man-made fibres weergegeven. Nog is de

produktie van katoen uitgedrukt in gewichtseenheden twee

maal zo groot als die van wol en man-made fibres tezamen.

Zou men zich echter op waardecijfers baseren of de zgn.
,,poundage utility”
15)
in aanmerking nemen, dan is dit

overwicht bepaald minder groot.

Belangrijk is het verder de felheid waarin de verschui-

vingen zich de laatste jaren voltrokken mede in beschouwing

te nemen.

Die wij

men begrijpe ons goed

de hogere opbrengsten’
van harte gunnen, mits deze uit een oogpunt van agrarische
efficiency ook als verantwoord kunnen worden béschouwd.
Nog steeds bestaat er internationaal geen eenstemmig-
heid over de benaming van de in contrast tot de natuurlijke
vezels onder het begrip man-made fibres verzamelde vezel-
soorten. In dit artikel zuilen wij de volgende aanduidingen
bezigen:

cellulosics
rayon en acetaat

( (soms samengevat als

garens (continu) en vezels (discontinu) rayon)

polyamide, polyester, polyacryl en

1
ion

celluIosics

als
overige garens en vezels

S
syrithetica)
Daarnaast komen bij de eindprodukten nog de gemengde
weefsels voor.
Zie ook bijlage 4.

1


1

.-

Chart,

Ylor1dproducfjonofcerain texffle fibers.

in 1.000 gin. lbs.

6

ih
1

5
2h
2

3h

5 40

__________
100

0.2%

rayon and

‘1
50′

wool

cot ton

!
1

0-

100

11.3%

3.0%

(
1
50

5.7%

o
.

c.)
1•

100

23.6%

c.’Ji

1
9.4%

50

i

1


1
(0

‘1
0

0

5 10 15

20 25 30 35

40
1

1

1

1

1

4

1

1

• –

In grafiek IV
16)
hebben wij de produktie der vezelsoorten

gedurende de laatste 30 jaar logaritmisch weergegeven.

Zeer tekénend is de snelle opmars van de non-cellu’ose

vezels. Daarnaast blijft niet alleen de rayon maar vooral
de discontinue rayonvezel –
de
grote rivaal van de katoen

– sterk toenemen.

in theorie zou een verschuiving in’het vezelassortiment
de vezelverwerkende industrieën, met name die in West-

Europa, weinig behoeven te alarmeren. Of men nu deze

of gene vezelsoort, al dan niet met elkaar gemèngd, ver-

werkt, in principe is dit hetzelfde.

in de praktijk gaat deze stelling echter slechts bij hoge

uitzondering op. Elke insider, die met de problemen van
een dergelijke omschakeling van de ene grondstof op de

andere vezelsoort vertrouwd is, weet maar al te goed welk
en veelheid van vraagstukken hieraan vastzitten; moeilijk-

hedett die bovendien in veel gevallen nog om afdoende

praktische oplossingen vragen.

Een extra complicatie doet zich nog voor als het gaat

) Met dit begrip wordt tot uiting gebracht hoe een bepaalde
gewichtseenheid van een vezel een zekere behoefte bevredigt. Met katoen als index 100 verhouden zich de man-made fibres
op dit terrein alsvolgt:

cellulose vezels

non-cellulose vezels

gesneden
1,10

1,37
continu

1,51

1,74
high tenacity . . .

1,80

2,73

16)
Voor de specifictie der cellulose en non-cellulose vezels
zie ook bijlage
4.
De splitsing van de wereldproduktie van
non-cellulose vezels in 1962 luidt: polyamide
54
pCt., polyester
19 pCt., polyacryl
17
pCt., overige 10 pCt.

_4

Charf

$

30

1

,
ø*1
$
i1Ir


10

Jr1i
v
a _

i :

IW!4

004

If3I

r*F-
II

1945

om de verwerking van continu-garens. Zolang deze nog

verweven worden, blijven van de drie hoofdfasen van de

katoenindustrie – spinnerij, weverij en finishing – er ten-

minste nog twee ingeschakeld. Nu de synthetica een’per-

fectie bereikt hebben, die het mogelijk maakt bij de ver-

‘werking snel lopende tricotmachines in te schakelen, blijft

ook de weverij van werk gespeend. De grote invloed van

de tricot-nylon op de poplin-weverijen is hiervoor een -.

sprekend voorbeeld.

Welke mogelijkheden zijn er nu voor de natuurlijke

vezel, de katoen, zich tegen deze dreigende concurrentie

teweer te stellen? In de eerste plaats dient erkend te worden,

dat nog zeer veel toekomst schuilt in de creatie van meng-.

weefsels. Het ware te wensen, dat de producenten van,

beide – natuurlijke en synthetisôhe – ve±els op dit terrein

tot groter samenwerking konden komen. Alleen door een

consequente research naar ,de juiste combinatie van de

beste vezeleigenschappen om tot één verantwoord en uit-

gebalanceerd geheel te komen kan op dit gebied het opti-
male nuttige effect bereikt worden.

Ook op het gebied van weefsels uitsluitend vervaardigd

van katoen zijn de ontwikkelin’gsmogelijkheden echter ng

lang niet uitgeput. Een typisch voorbeeld is te vinden in de

sector der overhemden: eerst kwamen op de marktnon-

iron finishes van katoenen shirt-poplins; hierop kwam de

fabricage van tricot-nylon stoffen als antwoord, hetwelk

bij de fabrikânten van katoenen weefsels weer de ontwikke

ling der self-ironing katoenen weefsels uitlokte.

Het tijdperk van de chemische modificaties van de katoen,

is met de’ze laatste vondst eetst goed ingeluid. Biêdt de

blijvende kreukherstellendheid nieuwe mogelijkheden, het-

zelfde kan gezegd worden van de elastische katoenen weef-

1

j
.
1

9

sels en wat er nog meer moge komen. Met recht kan men

nog altijd zeggen: ,,In cotton always the unexpected

happens”.

Natuurlijk zullen de producenten van man-made fibre

niet stil blijven zitten. Flet ziet er niet naar uit, dat zich

binnenkort nieuwe spectaculaire ontwikkelingen – zoals

enkele decennia terug die der volsynthetica – voor zullen

doen; aan de verfijning en vervolmaking der bestaande

processen is men echter voortdurend bezig.

Bovendien hanteert men in deze sector met kracht het
geduchte wapen van de propaganda. Op dit terrein slaat
de chemische industrie de agrarische voortbrenging met

stukken.

Reeds meer dan zes jaar worden door de katoenverwer-

kende industrieën uit de Westerse wereld krachtige po-

gingen aangewend de katoenproducerende landen wakker

te schudden ten einde hen op de enorme achterstand te

wijzen, die zij op het terrein van de propaganda voor

katoenverbruik opliepen.
Met uitzondering van de zeer actief opererende katöen-

belangen in de Verenigde Staten – de National Cotton

Council – alsmede enkele producenten van langstapelige

katoensoorten (de V.A.R. en de Soedan) laten de katoen-

producenten zich aan het stimuleren van het verbruik van

hun produkt weinig gelegen liggen. Een volkomen onjuist

principe!

Noodgedwongen zijn het nu de katoenconsumenten, die

in samenwerking met de Cotton Council International te

Washington op dit terrein de kastanjes uit het vuur moeten

halen. Gezien de grote kosten, die hiermee gepaard gaan,

laat het zich echter aanzien, dat dit niet’ lang meer zal

duren. Het behoort immers ook niet tot hun taak. Daaren-
boven iullen de textielfabrikanten, die propaganda maken

voor de afzet van hun eindprodukt, de al of niet geconfec-

tioneerde weefsels, maar al te gemakkelijk de steun aan-

vaarden van die vezelproducenten die hen – door zelf

reclame te maken voor de deugdelijkheid van hun produkt

– krachtig ter zijde staan.

Hoe gevaarlijk deze situatie is, leren de volgende cijfers.

Van de door de vrije wereld geïmporteerde katoen komt

ruim 50 pCt. West-Europa binnen. Juist in dit gebied wordt

echter ook
45
pCt. van de totale produktie van de vrije

wereld aan man-made fibres vervaardigd
17
). Dit zou voor de

katoenexporteurs dus een
aanwijzing
moeten zijn zich met

verdubbelde kracht op de ,,cotton promotion” te werpen.

Mogelijk komt er in dit katoenjaar een ommekeer in

hun tot dusverre merkwaardig aandoende, apatische hou-

ding? De gelukkige omstandigheid doet zich namelijk voor,

dat de eerstvolgende plenaire vergadering van de I.C.A.C.

in het voorjaar van 1964 in West-Duitsland zal worden

gehouden. De katoenverbouwers verzamélen zich dan in

het land, waar de grootste produktie van man-madeflbres

op het Continent plaatsvindt. Wellicht komt de agrarische

wereld – voor een belangrijk deel bestaande uit ontwikke-

lingslanden – dan goed onder de indruk van de gevaren,

die hen in de katoenafzet bedreigen!
Een geluk schuilt Voor hen in het feit, dat de promotion

van de producenten van man-made fibre bepaald geen toon-

beeld van éfflciency is. Gevangen in de sfeer van hun

individualistische merkenpolitiek hebben de spinners van
rayon en andere synthetische vezels namelijk kans gezien

een zich verenigend West-Europa in nauwkeurig afge-

grendelde deelmarkten te sp
1
itsen.

Dit neemt echter niet weg, dat ondanks de grote ver-

spihing, die daarvan een gevolg is, de propaganda van de

man-made fibres een tienvoud en meer bedraagt van de

uiterst summiere bevordering van het katoenverbruik. Het

is goed, dat de katoenproducenten dit tot zich laten door-

dringen. Het is een situatie reeds lang King Cotton on-

waardig.

IV. CAPACITEITEN, PRODUKTIES, IMPORTEN EN

EXPORTEN VAN DE INTERNATIONALE KATOEN

EN MAN-MADE FIBRES VERWERKENDE

INDUSTRIEËN

Een bespreking van de katoen en man-made fibres ver-

werkende industrieën in Continentaal West-Europa kan
alleen met vrucht geschiedenindien dit gebeurt tegen de

achtergrond van een ruwe schets van het verloop der inter-

nationale verhoudingen in deze bedrijfstak gedurende de

20ste eeuw. Het ontstaan van de katoennijverheid is terug

te voeren tot lang vervlogen tijden; tot de industriële

revolutie, welke vooral de Engelse textielnijverheid in het

eind van ‘de 18de en het begin van de 19de eeuw als eerste

grote industrie tot ontwikkeling bracht.

Nadien is de Westerse veredelingsindustrie een eeuw

lang de kleermaker van de wereld geweest. Weliswaar

datert de opkomst van de textielindustrie in overzeese

gewesten eveneens uit het midden van de vorige eeuw
18),

doch de grote wijzigingen in het historische patroon vonden

eerst plaats na de eerste wereldoorlog – de opkomst, van

Japan – en na de oorlog van 1940-1945 toen India als

netto-exporteur van textiel naar voren trad..

Indien men niet de moeite
1
neemt de ontwikkeling van

de capaciteiten, produkties, importen ‘en exporten in de

laatste 50 jaar in ogenschouw te nemen, loopt men de kans

bij een beoordeling van de huidige situatie fouten te maken.

Tijdens de besprekingen in Genève, welke uiteindelijk tot

het’ reeds vermelde long-term agreement hebben geleid,

viel dit zelfs meermalen te constateren.

Capaciteiten van de internatiornile katoenindustrie.

In grafiek V
19)
is de ontwikkeling van de spincapaciteiten

van de verschillende landen sedert de eerste wereldoorlog

weergegeven. Het uit voorgaande publikaties ‘bekende

beeld van de inkrimping der produktiecapaciteit in de

Westerse wereld – zoals wij in een volgende paragraaf

In de Amerika’s produceert men
5
pCt.; 21 pCt. wordt
vervaardigd
in
de rest van de
vrije
wereld.
De eerste textielfabriek in India werd reeds in 1854 gesticht.
Zie bijlage
5.

10

Chark
T

111111!

11111111

1

II
I/AI/AI

MIEM

hill
1111111

I

l
nlimini
o”
ó

IFh”h’

ITAI

•iiiiiIIi•

“•”

,

$
H
R
,
&
,

III
h
huuI
liii

H
111
ó
1
Bleu

mi.

PiL
1929
I!I!

zullen zien speciaal in Engeland – komthierin wederom

tot uiting. De wijzigingen van de capaciteit in de Verenigde

Staten zijn de laatste drie jaren niet ingrijpend geweest.

Ook Japan is, althans sedert ons vorige overzicht in 1960,

betrekkelijk stabiel gebleven. Van de katoenspillen in dit
land is momenteel zelfs ruim
1
13 deel zgn. gemothballed.

Het aantal spillen, dat rayonvezel en synthetica verwerkt,
steeg daarentegen van 3,4 mln, in
1958
tot ruim 4 mln, in

1963. De capaciteit van de katoenindustrie in India stijgt

nog voortdurend.

Het meest opvallende accres heeft echter plaats gevonden

in de nieuwe produktiecentra, tezamen gevoegd in de groep

,,Overige landen”. In het laatste decennium is de capa-

citeit aldaar meer dan verdubbeld, zoals uit de bij de g’rafiek

behorende tabel – opgenomen in bijlage
5
– blijkt.

In grafiek VI wordt de ontwikkeling van de spincapaciteit

gedurende de laatste 50 jaar meer vloeiend weergegeven.

De om het indexjaar 1939 scharnierende stijgings- en

dalingslijnen geven vrijwel eenzelfde beeld als door grafiek

V wordt gedemonstreerd. Alleen is in de spinfiguur het

na-oorlogse herstel van de in 1945 gedecimeerde Japanse
industrie beter te volgen. Het staafdiagram van grafiek V
is op dit speciale punt iets minder duidelijk.

Produktie van
weefsels uit katoen en man-made fibres
in de
vrije wereld.

Uit de vorige analyses
20)
is reeds gebleken, dat een

teruggang in capaciteit niet parallel behoeft te lopen met

20)
LF.C.A.T.I., Buxton
(1954),
Venetië
(1957),
Amsterdam
(1960).

een vermindering van de produktie. Door de moderni-

seringen, de automatiseringen en het opvoeren van het

werken in ploegen is dikwijls eerder het tegendeel het geval.

In bijlage 6
21)
blijkt allereerst hoe de produktie van

weefsels uit man-made fibres in haar totaliteit voortdurend ‘

stijgt. Vooral Japan produceert veel man-made fibre weef-

sels. Gedurende de laatste drie jaar bedroeg deze produktie .’

ruim 70 pCt. van het kwantum katoenen weefsels, waar-

voor het steeds de grondstoffen moet invoeren.

In West-Europa en Japan zijn de gevolgen van de korte

textielconjunctuurcycli de laatste jaren het duidelijkst te

herkennen. Toch is het totale produktievolume van de –

Westeuropese textielindustrie ondanks de drastische af-

bouw van de capaciteit gelijk of hoger in vergelijking met
de periode vôér de tweede wereldoorlog. In de Verenigde

Staten en India blijft de produktie – zeker die van katoen en

weefsels – de laatste tijd redelijk constant.

De produktie in de nieuwe exportcentra – Pakistan en

Hongkong – en vooral die in de overige produktielanden

neemt voortdurend toe.
Hoewel dus ook uit de produktie-overzichten blijkt hoe

de nieuw opgekomen producenten het grootste deel van

het accres aan vezelverwerking tot zich trekken, overheerst

bij de historische Westerse producenten veeleer het beeld

van de stabiliteit dan dat van de teruggang in de voort-
H

brenging.

Importen en exporten.

Vastknopende aan de inleidende opmerkingen van deze

patagraaf is het van groot belang na te gaan hoe de ex-

porten en importen zich de laatste halve eeuw hebben ont-

wikkeld. In grafiek VIII
22)
zijn dezè beide verenigd.

Als belangrijke feiten vallen hier direct verschillende

markante wijzigingen op: De uitvoer van West-Europa is

sedert de eerste wereldoorlog weliswaar sterk afgenomen,

doch de laatste jaren is ook hier een zekere stabilisatie,
bij tijd en wijle gestoord door de reeds genoemde korte

goifbeweging, waar te némen. In de sector der man-made

fibre weefsels is zelfs een kleine vooruitgang te bespeuren.

t
De importen van West-Europa nemen relatief sterkér

toe, waardoor het exportsaldo van
1.250
niln yds. in
1955

tot nog geen 300 mIn. yds? in 1962 inkromp. De grote

invoeren van Commonwealth-téxtiel in Engeland alsmede

de aankopen van ruwdoek door de Westeuropese ver-

edelmgsindustrieën zijn hierop ongetwijfeld van invloed.

Nemen wij de imposante produktiecijfers van de Ver-

enigde Staten in aanmerking, dan valt het geringe volume

van de buitenlandse handel in weefsels op. Wel dient te

worden toegegeven, dat de importcijfers wellicht een andere

trend te zien zouden hebben gegeven indien de regering

op dit terrein wat minder tijdig zou hebben ingegrepen.

India levert het klassieke beeld van de structurele ver-

anderingen in de internationale katoenindustrie. Sterk im-

porterend 50 jaar geleden (3,2 mrd. yds. per jaar) groeide

India na 1945 uit tot de tweede exporteur van katoenen

weefsels.

In de laatste vier jaar nemen de exporten geleidelijk aan

wat af. De invloeden, die zich ook in andere ontwikkelings-

gebieden doen gelden – de bevolkingsexplosies, de con-

centratie op de verbetering van de infrastructurele opbouw

e.d. – zullen aan dit verschijnsel niet vreemd zijn. Boven-

‘) Het hierbij horende staafdiagram – grafiek VII – wordt
in de Nederlandse tekst niet gereproduceerd.
22)
Zie
bijlage
7.

-.

11

-:

12

S.-

4

yL

IllIOhI’-

IMMM

lJdL.
_

–.

:
_
II

ö

-.

80

S,

40

d
it

~W
‘”_

InhIIII
l
_

rir+
vrrr

t

Exports and Imports of cotton and man—made fibre piece goods In the free world.

In 1.000 mln. sq. yards)

lu

Man,made.

Exports.

-_Cotton

6

E

—Cotkon
1

in p o rt S.


an-made.

(S54

0)

r-

U)

C.I

(4

0)

1-

In

CS.J

C’.J

C)

r-

g’

(‘4

(‘4

0)

(‘-

(‘4

(54

0)

S -.

U)

(‘4
(‘4

(5)

Lfl

co

.

(54

(5)

(0

(‘4

(5)

(0

(0

.

(54

(5)

(0

(0

.

(54

(5)

(0

(0
0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0)

0

0)

0)

0)

0

0)

0)

0)
T-

Western Europe.

U.S.A.

India.

Japan.

Other countrIes.

S

Chart
ir

dien viel de inheemse katoenoogst in India de laatste jaren

tegen.

De cijfers
.
van Japan hebben alleen betrekking op de
export. Importen zijn ondanks de recent afgekondigde

liberalisatie nog vrijwel te verwaarlozen. Ook in de uitvoer

legt Japan steeds meer het accent op de weefsels van man-
made fibres. Bedroegen deze véér de tweede wereldoorlog

ongeveer een zesde deel van de totale weefseluitvoer, tegen-

woordig exporteért Japan ca. 1 mrd. yds. aan weefsels uit
rayon en synthetica tegen 1f mrd. yds. katoenen weefsels.

De exporten van de overige landen van de vrije wereld
bedragen weliswaar niet meer dan 10 pCt. van het totaal,
maar de opgaande lijn waarlangs deze zich de laatste tijd

bewegen is steil.

Afrika en Azië blijven de grote importeurs. Het autar-

kisch beeld van de Amerika’s

vooral dat van Zuid-

Amerika

valt ten slotte nog op.

Over het algemeen blijven de schommelingen van het

im- en exportbeeld de laatste

jaren binnen redelijke grenzen.

Chart

Een toename hier, wordt vrijwel

gelijktijdig opgevangen door een

afname .elders. Alleen de gelei-
delijke daling van de totale ex-

porten van katoenen weefsels

sedert 1960 is kenmerkend.

Het wereldbeeld zou echter

niet coxpleet zijn, indien wij

aan de reeds besproken grafi-

sche voorstellingen en tabellen

niet een laatste. zouden toevoe-

gen met de specificatie van de

geraamde exporten komende

van achter de ijzeren en bamboe

gordijnen. In grafiek
1)(23)
zijn

deze weergegeven.

Hoewel het hier niet om exacte

cijfers kan gaan, is de ontwik-
keling toch wel in grote lijnen

23)
Zie bijlage 8.

uit te beelden. Zeer duidelijk is

de opkomst van de Chinese

volksrepubliek. In kwantiteiten

bedraagt de totale export van

de communistische wereld reeds

13f pCt. van de totale weefs’el-

export. Veel ingrjpender is de

uitwerking van deze uitvoeren

als men het dikwijls extreem

lage ,,politieke” prjsniveau

waarvoor de Sowjet-Unie, Oost-

Europa en China hun textiel-

produkten aanbieden in aan-
______
merking neemt. Bijna zonder

uitzondering kan hier van markt-
verstoring worden gesproken.

Een van de meest kenrner-

kende verschuivingen in het in

ternationale textielpatroon van

deze eeuw was de inkrimping
van de wereldmarkt voor ka-

toenen en man-made fibre weef-


sels. Was in de zojuist geprodu-
ceerde capaciteits- en produktiecijfers hiervoor reeds

een
aanwijzing te vinden, in de exportgegevens kwam dit

verschijnsel toch nog veel duidelijker tot uiting.

In grafiek X
24)
worden de produktie- en exportcijfers

tezamen gebracht. Gaan wij ver erug en wel tot het record-

jaar van de Engelse export

toen in 1913 nog 7 mrd. yds.

door Lancashire alleen over de gehele wereld verspreid

werd

dan is de inkrimping zowel in hoeveelheid als

relatief t.o.v. de produktie zeer duidelijk zichtbaar.

Beschouwen wij echter uitsluitend de laatste jaren, dan

ziet men hoe de inkrimping zich niet verder heeft Voort-

gezet.

Of hiermee nu de na-oorlogse aanpassingen in de inter-

nationale weefselhandel voorlopig tot rust zijn gekomen,’

valt natuurlijk niet met zekerheid te zeggen. Aan voor-

spellingen op dit terrein zullen trouwens weinig insiders

24)
Zie bijlage 9.

‘1

Lw!wtJi.

Euro
pe
.

III”
=


IT!

IUIIIIII1lUuIuI•IIIIIIIIIIII

lb W
` k
5 1
1
N
S
S0 0
§EN
1

__IIIOhIiII

.J

JI

1
95
2

I$t’

1956

195
8
ILI

1
962
1

Estima’ted production, and international

trade of

cotton and man-made fibre piece goods in the free world.

1.00
1

50

ln.sq.yards.

Pro-
.duction.1C
o
fton

Man-niade
Trade

ff
~tton
n_made fibre.
.

World trade In

of
roduction

20

10

-.

-.—_

Srm
S

1912/13

1929

1936/38
1957

1962

13

S

zich wagen. Daarvoor is deze materie te moeilijk, zoals

het volgende voorbeeld ons leert.

Bijna elf jaar geleden hebben de experts van de vijf be-

langrijkste exportgebieden in Buxton een zeer voorzichtige

raming gemaakt van de voor hen te reserveren ,,fair share”

van de weefselmarkt. Een vergelijking van deze wens-

dromen met de huidige werkelijkheid laten
wij
hier volgen.

TABEL 2.

Vergelijking tussen in Buxton – 1952 – geschatte en

werkelijke export van katoenen
weefsels
(1962)

Schatting in
1
Exporten in(Exporten van
Buxton – 1952
1

1962

man-made mln. sq. yds.

katoenen

j
fibre weefsels)
i

weefsels

(1954) (1962)

1.000
540
(


80)
1.100 1.450
(

640 1.040)
India

…………….

Ver. Koninkrijk
1.350
300
(

250
80)
Japan

…………..

Ver. Staten
725
410
(

220
140)
Cont. West-Europa

1.700
1.750
(

710

1.020)

1

5.875

1

4.450

1
(1.820 2.260

Zij die zich de debatten tijdens de Cotton Board Con-

ference nog goed herinneren, zullen Weten, dat de Engelse

rarning toentertijd onder politieke druk doelbewust ge-

flatteerd was. In feite schommelde de Britse export van

katoenen weefsels toentertijd tussen 800 en 900 mln. yds.

per jaar. –

Ook de Amerikaanse schatting was aan de optimistische

kant, gewend als men was aan de na-oorlogse export-

boom
25)

– *

Zoals tabel 2 aantoont, maakt de geleidelijke verschuiving

in het verbruik van katoen naar man-made fibres het on-

doenlijk deze vergelijking scherp kritisch te vervolgen.

Ondanks het zojuist gegeven commentaar betreffende de

ramingen van Engeland en de Verenigde Staten mag echter

wel gezegd worden, dat Japan het verste de in 1952 voor

realiseerbaar gehouden perspectieven heeft overschreden.

De cijfers van Continentaal West-Europa
zijn
het dichtst

bij de werkelijkheid gebleven. De overige drie partners

hebben allen de schattingen niet gerealiseerd.
Zij, die zich in de naaste toekomst met het opstellen van
dergelijke prognoses moeten bezig houden, zullen uit deze

vergelijking lering kunnen trekken. De praktijk heeft aan-

getoond, dat wij op dit punt steeds zeer voorzichtig moeten

zijn. –

V. DE SITUATIE IN DE VEZELVERWERKENDE

INDUSTRIEËN
VAN WEST-EUROPA

In het opstellen van globale overzichten, zoals dit in de

voorgaande paragraaf geschiedde, schuilt ongetwijfeld het

gevaar van de generalisatie. Zelfs indien gegevens be-

treffende produktiecapaciteiten, feitelijk bereikte produk-

ties, importen en exporten per land en per bedrijfstak zo

nauwkeurig mogelijk gerangschikt worden, ontkomt men

niet aan het euvel dat maar al te gemakkelijk geoordeeld

wordt over ,,de” textielindustrie in een bepaald land. Hoe

verschillend kunnen immers ,de verhoudingen dan nog

liggen van produktiecentrum tot produktiecentrum, van

onderneming tot onderneming, ja zelfs vad bedrijfsafdeling

tot bedrijfsafdeling.

Geldt dit bezwaar dus al op nationaal niveau, hoeveel

te meer maant dit tot voorzichtigheid wanneer wij de

situatie internationaal, soms ook intercontinentaal, trachten

te benaderen.

Bij de zojuist gemaakte vergelijkingei van de grote

producerende landen en landengroepen spraken wij o.m.

voortdurend over Engeland en Continéntaal West-Europa;

dit in contrast met India, Japan en de Verenigde Staten.

Waar het echter onze taak is in het bijzonder de ver-

houdingen op het Continent te belichten, zullen wij thans

dezeifde gegevens die ons in het wereldoverzicht voor ge-

heel West-Europa ten dienste stonden, nader moeten speci-

ficeren. Dikwijls zal daarbij blijken, dat ook’ in Europa

lang niet altijd ov ,,de” textielindustrieën als een eenheid

kan worden gesproken. In ons wereiddeel is het beeld in

wezen eigenlijk nog veel meer kaleidoscopisch dan in India,

Japan of de Verehigde Staten.

Produktiecapaciteiten.

Evenals wij dit in vorige overzichten deden, trekken wij

bij de beoordeling der spinnerijcapaciteiten steeds de ver-

gelijking tussen de periode vôér de eerste wereldoorlog

(1914), de jaren welke vooraf gingen aan de crisisperiode

(1929), de situatie vlak voor (1939) en even na (1950) de

tweede wereldoorlog, om ten slotte met het heden te

eindigen (1963).

Uit bijlage 10
26)
blijkt duidelijk, dat het totale beeld

van de teruggang in West-Europa sterk onder inyloed

staat van de contractie van de spincapaciteit in Engeland.

Hoewel ook elders, speciaal in de Noord- en Midden-

europese landen, van een capaciteitsinkrimping sprake is,

is deze slechts gering in vergelijking tot datgene wat zich

op dit gebied in Lancashire heeft afgespeeld. In Zuid-

Europa, met name in Griekenland, Italië, Spanje en Portu-

gal, wordt overigens een kleine teruggang in het ene land

dikwijls opgevangen door een bescheiden vodruitgang

elders. Het contrast met Lancashire is hier wel het grootst.

De internationale statistiek van de weverijcapaciteiten

biedt minder aanknopingspunten dan het oyerzicht van het

aantal spilien. Wij vergelijken daarom in grafiek XII
27),

waarbij het symbool van één weefspoel 20.000 getouwen

weergeeft, alleen de jaren 1930 en 1963. .

Ook hier zien wij hoe sterk het Westeuropese beeld ge-

kleurd wordt door de reductie van de weefcapaciteit in

Lancashire.

Bij Duits
1
and dient de kanttekening t’e worden gemaakt,

dat in het cijfer voor 1930 nog de belangrijke textielindustrie

van Oost-Duitsland begrepen is.

In 1948 exporteerden de Verenigde Staten nog
950
mln. sq.yds.
De hierbij behorende grafiek komt in de Nederlandse
tekst te vervallen.
Zie bijlage 11.

14

chart
itE
vrijwel alle Westeuropese landen

met de vooral in de laatste

capacity of the cotton

industry in Western
Europe.

0
0


20.000 looms.
1.
Automaten.

11111111111
Niet automaten.

gdoin.
r
n!

rmany.
l
1930

tot

France.

IIlil#

cn

Italy.

Cn

Benelux.

cn

CD


Other countries of E,F,T,A.

cm

Other countries
of W..EuroDe.

Wat de vier overige produktiecentra van de E.E.G.-

landen aangaat zien wij in de laatste dertig jaar overal een

kleinere zij het aanmerkelijk sterker geautomatiseerde weef

apparatuur in actie.

Tekenend is het, daarbij te constateren hoe weinig in

verhouding de capaciteiten van de overige Europese landen

afnamen. Ook hier zou een verdere detaillering.tonen, dat

de situatie in Zuid.-Europa momenteel relatief gunstiger

/ ligt
28).

29)
Zie bijlage 12a. Hei staafdiagram waarin zowel de produk-ties als de exporten verwerkt werden, is
in
de Nederlandse tekst
niet gereproduceerd.’
.30)
Zie bijlage 12b.


Zie bijlage 13.
I.F.C.A.T.I. 1957,
grafiek en bijlage
16.

Produkties en exporten.

In tegenstçlling tot deze zelfs voor een insider veel-

zeggende vermindering van produktiecapaciteit staat de

voortbrenging. Met uitzondering van Engeland produceren

28)
Zie ook ,,European Cotton Industry Statistics”, Volume
5,
no. 2, 1962 (I.F.C.A.T.I.,
Zürich).

jaren sterk gemoderniseerde

apparatuur meer garens en

weefsels
29).
Ook hierbij valt

weer de accentverschuiving van

de verwerking van katoen naar

rayon en• synthetica op.

Ten einde nu reeds een misvat-

ting recht te zetten als zou Con-

tinentaal West-Europa in feite

sterker zijn, dus meer weerstand

hebben kunnen bieden dan Lan-

cashire, zij hier opgemerkt, dat

in het verleden nergens zo’n ge-

weldig produktie-apparaat was

gegroeid als juist in Engeland.

Hoewel wij niet blindmogen

zijn voor een bepaalde o.i.

minde gelukkige structurele

opbouw van de Engelse katoen-

industrie, dient in alle eerlijkheid

erkend te worden, dat geen en-

kele concurrerende nationale

industrie op het continent van

West-Europa door de omvang
alleen al zé kwetsbaar was als
die, welke in de bakermat van

de industriele ontwikkeling –

Lancashire – was ontstaan. Bo-

vendien zullen wij zo dadelijk

nog aantonen hoe deze moeilijke

‘positie door bepaalde politieke

ontwikkelingen nog extra onder-

mijnd werd. –

Ten slotte staan wij nog stil bij

de Westeuropese exporten van

weefsels uit katoen en man-

made fibres. Met uitzondering

weer van Engeland geven deze

activiteiten °) over het algemeen

geen al te somber beeld. Het

boom-jaar 1960 – en tot op

zekere hoogte 1961 – buiten

beschouwing gelaten, zien wij,

dat de laatste 8 jaar geen al te

grote variaties in de weefseluit-

voeren voorkomen. Ook in de

exporten spelen man-made fibres echter een steeds groter

wordende rol.. Italië is hiervoor een goed voorbeeld.

Ten einde een totaal overzicht te geven van alle katoen-

en man-made fibre huishoudingen in West-Europa publi-

ceren wij ten slotte een tweetal stroomdiagrammen.

Een vergelijking van grafiek XIV ‘) met de katoen-

balans van 1955
32)
levert eigenlijk weinig sprekende ver-

schillen. Het meest opvallend zijn de gestegen cijfers voor

de katoenproduktie. In het totale beeld spelen deze echter

altijd nog een ondergeschikte rol. Het is een typische balans

van een veredelingsindustrie.

15

S
,’
.

S’

har±
1IÏ.

Cotton balance of Yestern Europe.

i 9 6 2.

(1.000 metric fons

Irn-

raw cotton

cotton yarn.

cotton cloth.

ports.-1.473

79

196

cotton
d

“cotton

oth

cotton

cloth

available
yarn
Mn— for home
product ion

1.188

tio.

consump-
‘1.605

1.476
1.105

tion.1.096

We

\

ton
w

muis.

yarn
productn
0fl.

was
4
e
Spinn Ing

mills.
_

83
411

– \\

L
couon

raw co

cnttonat

COOfl y
çjares nn

‘L

aod ‘
sump non o er nd.

\changes sto

Exports.

9
205
raw cotton

cotton yarn.

cotton clofh.

_QartXï’

Man-made fibre balance of Vestern Europe.

1
96 2.

(1.000 metric fons

rayon fibre
and yarn.

rayon ciofh.

228

.

86

rayonyarn

S

production

S

1.412

Spinni
muis

– Exports,

rayon fibre
and yarn

‘\\1

!L

available
71

for home

S

S

11

7

rayon cloth

consuaption

rayon yarn changes
in stocks and consuaptio
by other indus±ries

.

rayon cloth.

16


S

S

.5

-v

•-
/

In de sector der man-made fibres, zoals deze in de balans

voor 1962 (zie grafiek XV)
33)
is weergegeven, treedt een
geheel ander volume naar voren. Bij de.opstelling van het

vorige stroomdiagram
34)
werd alleen rekening gehouden

met cellulose-grondstoffen. Het tota’e aspect nu is van

bredere, we zouden willen zeggen van meer internationale,

allure. Alleen voor de juistheid van de ruwe schattingen

me betrekking tot het verbruik in de weverijen en in de
andere takken van bedrijf dient wel enig voorbehoud te

worden gemaakt.
1

In tegenstelling tot de katoenbalans toont deze grafiek

hoe de vezels en
garens
hoofdzakelijk binnen de Europese

grenzen geproduceerd worden. De aanvoer van daarvoor

benodigde grondstoffen buiten beschouwing gelaten, is het

veredelings-karakter van de man-made fibre balans dus

veel minder uitgesproken. Evenals in 1955 komt daar-

naast de relatief grote export van halifabrikaten naar voren.
Ten slotte blijkt de stroom van garens en vezels, die naar de
weverijen leidt, eerder smaller
,
dan breder te worden. De

toepassingsmogelijkheden in de wolnijverheid,

de tricôt-

en kousenindustrieën en de autobandenfabricage bieden

een steeds ruimer perspectief.

In dit overzicht van capaciteiten, produkties en weefsel-

handel hebben
wij
ons aangesloten
bij
de publikaties uit
4
de laatste tien jaar. Wij zijn er ons van bewust, dat ziêh
inmiddels grote wijzigingen in het afzetpatroon hebben

voorgedaan, in het bijzonder waar het de creatie der grotere

markteenheden betreft.
Alleen door de continuïteit in de verwerking van dé vele

statistische gegevens is het mogelijk de trend der ontwik’

keing te volgen. De wijzigingen, die zich vooral’de 1tatstè

jaren in de Westeuropese markten hebben voltrokken,

moeten wij dus in een afzonderlijke paragraaf bestuderen.

2

1

VI. VOORUITGANG EN STAGNATIE BIJ DE

ONTWIKKELING DER NIEUWE MARKT-

VORMEN IN WEST-EUROPA
3-,

produkten in deBenelux bijgewerkt. Gemiddeld is het

handelsvolume in dertien jaar verdrievoudigd. Ongetwijfeld
.

zou er ook een groei zijn geweest zonder dit slechtenvan
T

de tolmuren tussen België, Nederland en Luxemburg. Toch

zou deze toename minder spectaculair zijn geweest. De

Char

Textile frade between Belgum and the Wetherlands

1

1949100)

Total

average
600
,iiu,ii

Rpw materipis

Yarns

– –
i
End products

500

/

400
300
200

100

0

1~1

T

T

T

T

T
C3

Lt)
.

03

t7 U)

1f)

Lfl

U)

Lt

Lfl

1f)

(0

CO

co
0)

0)
1

Het was eigenlijk voor het eerst tijdens de Buxton textiel-

conferentie van 1952, dat de katoenindustrie van Con-

tinentaal West-Europa een begrip werd. Uit de aan deze

bijeenkomst voorafgaande internationale textielvergade-
ringen was het aantal belanghebbenden logisch gegroeid
tot vier, nl. de katoenindustrieën van India, Japan, Enge-

land en de Verenigde Staten.

Met de heterogene samenstelling op het continent van

‘West-Europa wist men aanvankelijk geen raad. Toen echter

deze
groep
werd uitgenodigd als vijfde partner aan de con-
ferentietafel plaats te nemen, bleek dat deze samenvoeging

van nationale industrieën meteen de creatie van de grotste

exportgroep met zich bracht.
Sedertdien heeft men ook in de kringen van I.F.C.A.T.I.

aan de indeling in vijf exportgroeperingen vastgehouden.
Tijdens de laatste vergadering in Amsterdam

1960

werd de verwachting uitgesproken, dat de als tijdelijk

beschouwde kunstmatige verdeling van West-Europa in

twee blokken, met enige daaromheen gegroepeerde rand-

staten, zeer binnenkort wél zou worden opgeheven. Na de

gebeurtenissen, die zich begin januari 1963 afspeelden, lijkt

het echter alsof het samengaan van de E.E.G. en de E.V.A.

in een verder verschiet ligt dan ooit tevoren. Noodge-

dwongen mdeten wij ons dus bij een verdere detaillering

van de verhoudingen in West-Europa houden aan de feiten

van vandaag.

Het eerste voorbeeld van datgene wat door een samen-

voegen van nationale markten verkregen kan worden,

werd gegeven door de Benelux. Sedert het ontstaan van

dit tot een economische unie uitgegroeide afzetgebied

hebben wij het handelsverkeer in de textielsector nauw-

keurig gevolgd
35).
In grafiek. XVI
36)
is het verloop van

de im- en exporten van grondstoffen, garens en eind-

Zie bijlage
14. I.F;C.A.T.I. 1957,
grafiek en bijlage
17.
p35)
I.F.C.A.T.l.:
Buxton
(1954),
Venetië
(1957),
Wenen
(1959) en Amsterdam (1960).
36)
Zie bijlage
15.

17

.
S
.- •,.

•.

..

.

3.

.

tragere gang van zaken in andere conglomeraties bewijst

dit.

Wij kunnen immers nu een parallel trekken met de

nieuwste marktvormen, die zich sedert 1958 ontwikkelden.

Hoeel nôch de E.E.G. n?ch de E.V.A. het tempo en de

directe doeleinden van de Benelux nastreefden, geeft een

vergelijking tussen deze beide groepen over een j,eriode

van vier jaar ons toch wel enig inzicht in de grootte der

veranderingen van het handelsverkeer, ditmaal beperkt tot
katoenen manufacturen.

In grafiek XVII
37)
is daarom een poging gedaan het

overzicht van de verhoudingen tussen de Zes en. de Zeven,

zoals dit reeds voor 1958 geconstrueerd werd
38),
bij te

werken.

Nog sterker dan
tijdens
het hasisjaar voor de vorming
der grote markteenheden, spieekt het contrast tussen de

interne ruilverhoudingen. In de E.E.G. namen im- en

exporten tussen de deelnemende landen met bijna 29.000

ton – of wel 60 pCt. – toe. Ook de uitvoer naar de

E.V.A.-groep en naar de overige afzetgebieden steeg, en

wel met resp. 6.900 ton en 7.300 ton.

De in- en uitvoer van de Zeven ging eveneens vooruit.

Toch is dit verkeer met zijn 22.400 ton in totaal nog gering.

Bij de E.F.T.A.-groep zijn het juist de sterk opgelopen im-

porten van landen buiten de E.E.G. (23.700 ton) en de
af-

genomen exporten (12.500 ton), die in het oog vallen. De

wijzigingen, die zich in het belangrijkste textielcentrum

van deze groep – Lancashire — voordeden, spelen hierbij

een overheersende rol.

Zie bijlage 16.
I.F.C.A.T.I., Amsterdam 1960.

thart..LïLL

TABEL 3.

De
behoeftevoorziening
van de binnenlandse markten in het

E.E.G.-gebied door de nationale katbenindustrieën 39)

(1962)

ton
pCt.

België:
Afleveringen industrie aan het binnenland
34.930
77
10.477
23
45.407
100
Import

………………………………..
Totaal

…………………………………
Export

……………………………….50.374

Frankrijk:
Afleveringen industrie aan het binnenland
189.040
97
6.000
3
195.040
100
51.748
Totaal

…………………………………

Italië:

Import

………………………………..

Export

………………………………..

Afleveringen industrie aan het binnenland
Import

…………………………………
186.200
8.728
96
4
194.928
100
26.513
Export

………………………………..

Nederland:
Afleveringen industrie aan het binnenland
Import

………………………………..
44.881
20.904
68 32
65.785
100

Totaal

…………………………………

Totaal a)

……………………………..
37.497

West-Duitsland:

Export b)

……………………………..

Afleveringen industrie aan het binnenland
265.000
21.351
93
7
286.351
100
Import

………………………………….
Totaal

………………………………
Export
……………………………….
22.219

Alle getallen
zijn
mcl.
ruwdoek.

Excl. ruwdoek.
mcl.
ruwdoek.
Bron:
Inlichtingen verstrekt door cle verschillende nationale verenigingen.

35
)Voor details zie bijlage 17.

Exports and hnporfs of cotton piece goods

Each

is

in Wesfern Europe.

5.000 metric fons.

E.E.C. coun±res.
1958.

E.F.T.Â. countries.

lluIU1UhI
.

:

UhI$I1II1U
Rest of world.
Rest o

world.

E.E.C. counfries.
1962.

E.F.T.A. countries.

co
CD

Lu
Li

R!st of world.

gest
of wor’d.

18

S

13

-5

Om het beeld speciaal van de E.E.G. nog iets meer te

vervolniaken, analyseerden wij ten slotte de mate, waarin

de verschillende nationale industrieën ingeschakeld zijn bij

de bevrediging van de binnenlandse behoeften (tabel 3).

Duidelijk blijkt, dat men in de grootste drie markten,

Frankrijk, Italië en West-Duitsland, de afzetverhoudingen

in het binnenland nog het stevigst in handen heeft. Sedert

1958
40)
is echter het importvolume in alle landen van de

E.E.G.
stijgende.
De sterkste toename valt in Nederland

te constateren. Hier moet de industrie meer en meer terrein

in het binnenland aan anderen afstaan. Op exportgebied

komen België en Italië de laatste
tijd
naar voren. De Franse

gegevens doen hetzelfde vermoeden; een juiste vergelijkings-

basis is in deze periode van dekolonisatie echter moeilijk te
construeren.

Het is hier misschien goed om eens nader in te gaan
op een leemte in de internationale statistieken. Als het

om im- en exportcijfers gaat, beperkt men zich vrijwel

uitsluitend tot stukgoederen. In het verleden kwam dit

trouwens ook met de werkelijke situatie overeen. De laatste

tijd neemt daarnaast ook het handelsverkeer van ge-

confectioneerde artikelén toe. Ter illustratie van de om-

vang.waarin deze complementaire concurrentie nadr voren

komt, laten wij een overzicht van de belangrijkste exporten

van de in deze uitvoerhandel gespecialiseerde confectie-

industrie van Hongkong volgen
41).

TABEL 4.

Uitvoer van de
confectie-industrie
van Hongkong

in 1962

(mln. USA-S)

Verenigde Staten

…………………………
61,0 49,3 20,9
10,6

..

7,3

Verenigd Koninkrijk

………………………
West-Duitsland

………………………….

7,1

Malaya

…………………………………
Zweden
…………………………………

2,8
Canada
…………………………………
Nederland

………………………………
2,8
Noorwegen

……………………………..
Nigeria
………………………….

.
…..
2,5
.2,5
Denemarken

…………………………..
Totaal van de belangrijkste 10 markten

166,8

Overige exporten

……………………….

..
34,0

Totaal ………………………………….

..200,8

Een benaderende kwantificering van deze waarden in

yardages zal moeilijk te ramen zijn. Houden wij echter

rekening met mededelingen, dat de invoer van geconfec-

tioneerde goederen in Engeland gedurende 1962 in lengte-

eenheden vertaald op ca. 90 m1n. yds. wordt geraamd,

dan zou het zojuist genoemde totale exportcijfer met ca.

350 mln. yds. corresponderen. De invoer in Duitsland alleen

zou dan ca. 36 mln. yds. aan geconfectioneerde goederen

hebben bedragen, hetgeen dus het zojuist genoemde im-

portcijfer van katoenen stukgoederen met rond 20 pCt.

zou verhogen.

Er zitten natuurlijk ook andere kanten aan de in tabel 3

weergegeven percentages van de binnenlandse behoefte-

voorziening. Met opzet hebben wij in die tabel bijv. steeds

de uitvoeren opgenomen. Hieruit blijkt, dat de verschil-

lende nationale industrieën mede een groot belang bij de

export hebben. In het merendeel der gevallen is deze interesse

historisch gegroeid. Een sterke oriëntering op de uitvoer is

vrijwel altijd terug te voeren op het vooroorlogse verkeer

met overzeese gebiedsdelen.

I.F.C.A.T.I., Wenen
(1959).’
Bronnen:
Cotton Board; Dept. of Commerce ard Industry,
Hongkong; Far East Economic Review, 25 april 1963.

Voor een belatigrjk deel zijn deze markten in de perioden

van dekolonisatie voor Continentaal West-Europa ver-

loren gegaan. Het is daarom des te meer zaak, dat de indus-
trieën van de Zes in ieder geval in de hen nog overgebleven

binnenlandse markten orde op zaken kunnen stellen. Bij

de bespreking van het akkoord van Genève komen we

nog nader op deze materie terug.

Als Europeanen betreuren wij uit den aard der zaak de

economische verdeeldheid, waarin West-Europa thans ver-

keert. Niets ware logischer dan de creatie van één markt
“-

van eerst dertien landen, waarop dan een geleidelijke corn-

pletering met Griekenland (dat thans reeds geassocieerd

is), Finland en Spanje zou kunnen volgen.
Een belangrijke toenadering tussen de thans bestaande

blokken zou natuurlijk verkregen worden, indien Engeland

alsnog tot de E.E.G. zou toetreden. Maar dan Engeland

alleen als moederland en geen Engeland als onderdeel

van de Commonwealth! Tijdens de onderhandelingen tus-

sen

Engeland

en

de

E.E.G. medio 1962 zijn allerlei

regelingen ontworpen, die enérzijds beoogden Engelands

toetreding tot de E.E.G. met het oog op
zijn
Common-

wealth-verplichtingen mogelijk te maken; anderzijds werd
ernaar gestreefd door de Continentale Westeuropese rege-

ringen de belangen van de nationale katoenindustrieën

veilig te stellen. Met het oog op het doorstromingsgevaar

van goedkoop Aziatisch doek via Engeland naar het Con-
tinent zijn deze onderhandelingen door de E.E.G.-katoen-

industrie met bezorgdheid gadegeslagen. Het valt te be-

treuren, dat er omtrent de totaliteit van de integratie-

vraagstukken uiteindelijk geen overeenstemming kon wor-

den verkregen. Er wordt prijs op gesteld hier nog eens

categorisch te verklaren, dat de textieindustrieën van de

Zes bepaald positief stonden t.o.v. de toetreding van

Engeland tot de E.E.G. Zij zullen er echter blijvend be-

zwaar tegen maken, dat zij om dit eventuele toetreden te

vergemakkelijken mede de hypotheek zullen moeten aan-

vaarden van’de meer dan 30 jaar oude Commonwealth-

politiek van Ottawa 1932.
Daar het bepaald niet ondenkbaar is, dat deze moeilijke

materie binnen enkele jaren toch weer in het geding komt,

is het nodig hier nog even dieper op in te gaan. Uit de

uiteenzettingen van onze Engelse collega’s leerden
wij
hoe
sterk de druk van de textielimporten uit India, Pakistan
en Hongkong de laatste jaren in Lancashire is gevoeld.

Mede dank zij het bestaan van vrijdom van invoerrechten

bedroegen de impbrten uit die landen in 1962 in totaal

404 mln. yds. of ca. 40 pCt. van de Engelse produktie

aan katoenen manufacturen!

TABEL 5.

Invoeren van katoenen manufacturen in Engeland vanuit

India, Pakistan en Hongkong in 1962
42)

(mln. sq. yds.)

Geconfectioneerde
Doek
(gjaamd doek-
Totaal Quota
equivalent)

India
152
6
158 195
Pakistan….
38

38
42,4
Hongkong
.
117
91
200
185,0 (20)
307
97
404
422.4 (20)

42)
Bron:
,,The British Spinners’ 21nd Doublers’ Ass.”,
Manchester. Hongkong had in 1962 recht op een additioneel quotum van 20 ton, stammende uit een vorige periode. Voor
1963 zijn de doekquota aangevuld met 18,36 mln. lbs. aan
garenquota.

19

IndienEngeland de verplichting op zich zou nemen ge-

leidelijk aan de invoerrechten op te trekken tot het niveau

van het buitentarief van de E.E.G., zouden de quQta van

Jndia, Pakistan en Hongkong, welke in de laatste vier jaar

uit moeizaam verkregen zelfrestrictie-overeenkomsten

waren voortgevloeid, weleens onvoldoende uitgeput kunnen

worden. In die gevallen zou dan de E.E.G.-markt extra

kansen aan de drie exportianden moeten bieden. Weliswaar

werd dit alles in het voorlopig akkoord van 3 augustus

1962 niet met zoveel woorden vastgesteld; maar toch
meeiden de industrieën van de Zes, dat de overgangs-

regeling van maximaal vier jaar en de in die periode te

sluiten handelsakkoorden met de drie genoemde landen

wel degelijk tot deze concessies, zouden leiden.

Indien nu de exphrten uit India, Pakistan en Hongkong

in normale concurrentie-verhoudingen tot de Westeuropese

produktie zouden staan en indien verder niet van een vol-

ledig eenrichtingsverkeer, sprake was
43),
dan zou er altijd

over een compromis te praten zijn. De E.E.G.-industrie

lJad echter,gegronde redenen om aan te nemen dat de

mededinging op een andere dan een zuiver commerciele

basis rustte.

In Deauvil!e hebben de leden van I.F.C.A.T.I: uit een

knap geredigeerde ,,appraisal”, getiteld: ,,India Cotton

Textiles and Europe”
44),
bijv. kunnen lezen, dat de ge-

yaien, die het Westen zag, niet reëel’waren; dat de goed-

koopte van de textielen uit India een mythe zou zijn; dat

India de overzeese markten niet zou overstromen; dat dus

ân marktverstoring in Europa geen sprake kon zijn. Dit

alles wordt echter in Lancashire te zeer door de praktijk

gelogenstraft, dan dat deze geruststellingen zonder het

nodige voorbehoud kunnen worden aanvaard.

De katenindustrie in de E.E.G. ‘zal voortdurend op

haar hoede moeten zijn wil zij haar positie in de zich steeds

meer integrerende wereld handhaven.

Voorlopig zal West-Europa dus het voortbestaan van

twee grote markteenheden als een vaststaand feit moeten

aanvaarden. Wederom een blijk hoe de industrie zich onder

druk van politieke beslissingen moet aanpassen.

Als men weet hoe zeer de Scandinavische afzetgebieden

historisch als netto-importeurs optraden, is het duidelijk,

dat tegenover het voordeel van het keren van de stortvioed

van Aziatische textiel het nadeel van afzetmoeilijkheden in

het hoge Noorden staat.

En zo heeft het conflict tussen E.E.G. en E.V.A. vele

facetten. Ongetwijfeld zullen deze tijdens de I.F.C.A.T.I.-

vergadering te Athene uitvoerig ter sprake komen. Het is

het voordeel van deze.bijeenkomst, waar naast de grote-

overzeese exporteurs India, Japan, de Verenigde Staten en

de V.A.R., alle Westeuropese producenten verschijnen,

dat dezè gehele problematiek in open discussies de revue

kan passeren. Ook al kunnen in dit milieu geen principiële

oplossingen worden verkregen, er.is al veel gewonnen in-

dien collega’s van elkaars moeilijkheden kennis nemen.

Alleen dân zullen zij begrip kunnen opbrengen voor de

dikwijls met die van henzelf divergerende zienswijzen van

anderen.

VII. DE TEXTIELAKKOORDEN VAN GENÈVE

• Sedert ons laatste overzicht betreffende de internationale

verhoudingen in de textielindustrie
45)
zijn de textiel-

akkoorden van Genève veruit de belangrijkste maatregelen

gewëest, die op internationaal gebied zijn genomen. Zij

hebben tot doel geleidelijk aan orde te scheppen in de wel-

haâst onontwarbare problematiek van de internationale

katoenindustrie.

Bij deze pogingen stelde men zich tot doel een meer

evenichtig verloop van de industrialisatie der ontwikke-

lingslanden te verkrijgen, zonder dat dit gepaard zou gaan

niet een desorganisatie van de eerste industrie uit de Wes-
terse wereld, de katoenindustrie.

Het feit, dat deze maatregelen ontworpen werden onder
auspiciën van het G.A.T.T., terwijl hierbij tevens voor het

internationale verkeer nieuwe begrippen gehanteerd werden,

maakt dat de akkoorden van Genève in belangrijkheid

uitgaan boven die van een beperkte textielregeling.

Aan het totstandkomen van de ,,short- en long-term”-

regelingen
46)
is een lange periode van voorbereiding voor-

afgegaan.

Uit de historische overzichten, welke wij aan deze vraag-

stkken hebben gewijd, zijn de etappes te onderkennen,

3)
‘Exporten van West-Europa naar India en Pakistan zijn
praktisch onmogelijk gemaakt.
) ,,The Indian Cotton. Mills Federation”, Bombay.
I.F.C.A.T.I., Amsterdam 1960.
Met looptijden van resp. 1 jaar (oktober 1960/oktober
1961) en daarop aansluitend
5
jaar.

:
20

die deze ontwikkeling kefimerkten
47).
Tot de eerste wereld-

oorlog was het de veredelingsindustrie van West-Europa

die – althans wat katoenen manufacturen betreft – in de

wereldbehoefte voorzag.

De eerste fase van verandering werd ingeluid door de

opkomst van de katoennijverheid in de aanvankelijk irn-
porterende landen. De daarop volgende etappe waren de

toenemende exporten van de nieuwe concurrenten naar

andere, nog grotendeels agrarisch gebleven, afzetgebieden.

Werden in beide’ fasen de uitvoermogelijkheden van het
Westen beknot, nog groter werd de dreiging toen vooral

na de tweede wereldoorlog de mededinging van de nieuwe

industrielanden op de binnenlandse markten van landen

als Engeland, ‘de Verenigde Staten en Canada merkbaar

werd.

Het uit de -l9de eeuw bekende patroon van de wereld-

handel, waarbij de industrielanden hun eindprodukten

ruilden teger grondstoffen en voedingsmiddelen der agra-

rische partners, vervaagde meer en meer. Eigenlijk was het

op het gebied van de textielindustrie, dat voor het eerst

de confrontatie van twee industriële werelden plaatsvond.

Dit nieuwe gebeuren gaf tot vele misverstanden aanleiding.

Eenvoudige kostprijsvergelijkingeii pasten niet, toen het

ging om een krachtmeting tussen vroege en late mede-

Zie ook het artikel van D. C. Shaw (Cotton Board) g-
titeld: ,,International Trade
in
Textiles”, hetwelk ter gelegen-
heid van de I.C.A.C.-vergadering in Bangalore (mei 1963) in
,,Foreign Trade of India” werd gepubliceerd.

dingers. De begrippen van lage-loon-landen werden, on-

voldoende gedefinieerd en dikwijls foüt gehanteerd. Zelfs

nu, na de stormachtige-technische ontwikkeling’ der laatste

jaren, komt het nog voor, dat de katoenindustrie ten tonele

wordt gevoerd als een uitsluitend arbeidsintensieve in-

dustrie
48)!

Het was begrijpelijk, dat men bij dit eerste treffen tussen

de industrieën van het Oosten en het Westen niet stil kon

blijven zitten. Het werd ook voor de officiële instanties

duidelijk, dat hier vraagstukken aan de orde kwamen, die

om regeling vroegen. Lang voordat de akkoorden van

Genève tot stand kwamen, werd daarom, in het kader van

het G.A.T.T. een studie ondernomen om het begrip van

de zgn. marktverstoringen, welke een gevolg waren van

de ,,ontmoetingen” van de indus’trielanden met de ont-

wikkélingsgebieden, nader te definiëren
49).

De industrie zelf – vertrouwd als zij is met de dagelijkse

gang van zaken – was zich reeds lang bewust van deze

ontwikkelingstrend. De grote internationale bijeenkomst

in Buxton, 1952, hield zich in het bijzonder bezig met het

probleem van de belangentegenstellingën tussen industrie-

en ontwikkelingslanden. Het moest bijna 10 jaar duren

voor dit vraagstuk op regeringsniveau zou worden aan-

gepakt. Het was ook in Buxton, dat de gedachte ‘van een

international Cotton Board werd gelanceerd, die eerst in

1961 in de vorm van het CottonTexfiles Committee te

Genève werd uitgewerkt.

Tijdens het decennium volgende op de Buxton-confe-

rentie werd aanvankelijk zowel door de overheid als door

het bedrijfsleven gepoogd orde op zaken te stellen door de

uitwerking van zgn. zeifbeperkingsregelingen. Voorbeelden

hiervan zijn de bekende overeenkomsten van Engeland met

,Jndia, Pakistan en Hongkong en van de Verenigd Staten

met Japan. Hoewel hieraan indirect door de regeringen

werd medegewerkt, droegen deze overeenkomsten toch een

intra-industrieel stempel.
t

Een fundamentele wijziging kwam in deze situatie eerst

door het optreden van de Regering Kennedy in de Ver-

enigde Staten. Toen namelijk in de praktijk bleek, dat men

met de -zelfbeperkingsovereenkomsten de situatie niet

meester bleef
50),
trok President John F. Kennedy daaruit

de consequenties. Op 2 mei ‘1 961 vaardigde hij een ,,Program

of Assistance to the U.S.A. Textile Industry” af. Het voor-
laatste van ‘dit zeven punten tellende programma van actie

doelde op een internationale conferentie, welke op 17 juli

1961 onder auspiciën van het G.A.T.T. te Genève werd

geh6uden
51)

Op de jaarvergadering van I.F.C.A.T.I., welke juist een

week na de Kennedy-verklaring in Osaka werd gehouden,

betuigde twee-derde van de wereldproduktiecapaciteit in de

katoenindustrie adhesie aan deze ôpzet. Slechts twijfelde

men aan de mogelijkheid snel tot een oplossing te komen

,,Trade, Wages and Employment in Textiles” in ,,lnter-
natronal Labour Review” van januari
1963.
Working Party on Avoidance of Market Disruption,
3
juni
1960.
Voor derdere details en de achtergronden van
,,Genève” zie ook: ,,Der Vorschiag einer internationalen
Marktordnung für Baumwolltextiljen” door M. Ludwig in
,,Aussenwirtschaft”,
1962.
Ook de landbouwsubsidiepolitiek speelde hierbij een rol;
de Amerikaanse katoenindustrie kwam hierdoor in een on-
gunstige positie.
,,I have directed the Department of State to arrange for
calling an early conference of the principal textile exporting and
importing countries. This conference will seek an international
understanding which will provide a basis for trade that will
avoid undue disruption of established industries”.

‘Inderdaad bleek het in de praktijk geen eenvoudige ‘zaak

te zijn een zo ingewikkelde materie zonder al te veèl voor.

bereiding te behandelen. Daar men toch op korte terinijn

tot een resultaat wildè komen, koos men de weg vai eenx-

bevriezingsperiode van
,
de bestaande situatie gedurende

-‘

een jâar. Het eigenlijke langlopende akkoord van Genève,
.

hetwelk de
5
jaar tûssen 1 oktober 1962 en 1 oktober 1967

omvatte, sloot hierop aan
52)•

Alvorens enkele kanttekeningen bij dit akkoord te maken,

reproduceren wij

allereerst enkele basisgegevens welke

degenen, die verantwoordelijk- waren voor het redigeren

van de’ overeenkomst, in juli 1961 ter beschikking hadden
:

In bijlage 18
53)
verzamelden wij de tienjarige trends

va
4
n de produktie en de consumptie van katoenen inanu-

facturen in de zes belangrijkste import- en exportgebiederie

die ter conferentie verenigd waren.

In het E.E.G..gebied bleken zowel de produktie als de,
consumptie in 1960 ten opzichte van het indexjaar 1950

met ca. 25 pCt. te zijn’ gestegen. In de Verenigde Staten

bleven deze niveaus een 10 pCt. onder het basisjaar. In

Engeland daalde vooral de produktie, terwijl de consumptië

in 1960 10 pCt. onder het niveau van 1950 bleef.
,

De cijfers van India, Japan en Pakistan bewegen zich

zonder uitzondering in stijgende lijn. Opvallend is daarbij

de toeneming in consumptie in Japan en de vervijfvoudiging

van de produktie in Pakistan.

Bijlage 19
54)
toont ons de invoeren en het geraamde

verbruik van katoenen garens, weefsels en. geconfectio-

neerde goederen. Duidelijk blijkt de uitzonderingspositie,

van Engeland, waar de invoer van weefsels en confectie..’

meer dan 40 pCt. van de consumptie bedroeg. In de Ver-

enigde Staten, het land dat het initiatief tot de bijeenkomst

had genomen, kwam de invoer op
4+
pCt. van het ver-

-.

bruik; minder dus dan in de E.E.G.
(5+
pCt.).j Het ver–

bruik per hoofd van de bevolking ligt in de Verenigde

Staten echter nog steeds ver boven dat van de Gemeen-

schappelijke Markt. Kwantitatief waren de importen in de

Verenigde Staten dan ook aanzienlijk.

.

.

Ten slottè zien wij hoe in de drie exportlanden nauwelijks

,

enige invoer geregistreerd wordt. Het peil van het verbruik

per capita is verder vooral in India en Pakistaii nog ‘aan-

merkelijk op te voeren.

In vorige publikaties en ook in deze publikatie hebben

wij meermalen geweien op de noodzaak zich een volledig

overzicht van de ontwikkelingen in de katoenindustrie te

verwerven, wil men tenminste een enigszins betrouwbare

basis hebben om ergens in te grijpen. De cijfers, die in de

officiële stukken van Genève als materiaal werden gebruikt,

beslaan o.i. een te kort tijdsverloop.

In grafiek X-X
55)
yergeleken wij de exporten en importen

van katoenen weefsels opnieuw
ç
waarbij wij echter terug-

gingen tot 1913 en 1936/38. De bijzonder grote wijzigingen

in de exportsector trekken hier sterk de aandacht. Niet

alleen Engeland doch ook de E.E.G. heeft dus reeds een

offer gebracht door het zich, al dan niet vrijwillig, terug-
trekken uit overzeese afzetgebieden. Japan had in, 1959,

zoals de grafiek duidelijk toont, het vooroorlogse peil niet

weer bereikt. Hierbij zij echter ‘vermeld, dat de Japanse

Voor de complete tekst zie: ,,Long-term arrangement,
regarding international trade in cotton textiles”, G.A.T.T.,
Genève
1963.

Grafiek XVIII wordt in de Nederlandse tekst niet gerepro-


duceerd.

)
Grafiek XIX wordt evenmin gereproduceerd.

56)
Zie bijlage 20.

21

Qart

IIIIII.rT

•1
:::
fl1

.

INN

_______

It1Ud
W
ipiat.

]iLlIt

M
i1
m
l

.1
!a e

1

Zolume

export van weefsels uit man-made fibres in 159 ruim 1

mrd. yds; bedroeg!

Terugkomende op het vijfjaars akkoord blijkt uit de

tekst hoe gezocht werd naar een harmonieus afwegen van

de tegengestelde belangen. Enerzijds wordt aan de zich

ontwikkelende landen een verruiming van de afzet door

het geleidelijk aan uitbreiden en slechten van quota’s in

het vooruitzicht- gesteld. De industrielanden weten zich

daarbij echter gevrijwaard voor’ al te grote marktver-

storingen, die van deze afzetvergroting het gevolg zouden

kunnen zijn. Het is op dit punt, dat voor het eerst het be-

grip marktverstoring, zoals dit door de G.A.T.T.-commissie

gedefinieerd was, werd gehanteerd. Ook de wijze waarop

– soms door eenzijdig ingrijpen – tegen deze dreiging

kan worden opgetreden, is een novum.

In praktische bewoordingen kwam dit alles op het vol-

gende neer. Engeland en Canada gaven – o.i. terecht –

te kennen, dat zij ruim voldoende aan. marktvergroting

hadden gedaan. Hun markten stonden reeds lang wijd

open voor de produkten der ontwikkelingslanden.

Ook de Verenigde Staten meenden vooral de laatste

jaren een grote plaats aan de jonge exportianden te hebben

ingeruimd. Op de E.E.G.-1anden werd daarom sterke

druk uitgeoefend een gebaar te maken en de nieuwe ex-

porteurs meer afzetmogelijkheden te verlenen.

Toegegeven zij, dat hier nog wel iets kon gebeuren. De

exportmogelijkheden zouden daarom in de periode van

het long-term agreement op de Gemeenschappelijke Markt

verdubbeld worden. De E.E.G., die ditmaal voor het eerst

als één geheel optrad, zou onderling voor een verdeling

van de lasten zorgen.

Wij zagen’ zojuist, dat het tekort aan historische visie

sommige deelnemers aan de besprekingen parten speelde.

Had men ingezien, dat de veredelingsindustrieën van

Continentaal West-Europa door het terugtreden uit over-

zeese afzetgebieden reeds zeer veel voor de verruiming der

exportmogelijkheden van de nieuwe landen hadden gé-

daan, dan zou het zoeklicht niet z6 sterk op de E.E.G.

gericht zijn.

Een ander punt van kritiek was de te kleine import-

basis waarvan de E.E.G. uitging
56).
Ook hier blijkt, dat

zij die deze kritiek uitten over het hoofd zagen hoe –

naast de directe consumptie-invoer – in het intercontinen-

taal veredelingsverkeer regelmatig grote metrages door

Japan naar West-Europa worden geleverd; In 1961 be-

droegen deze leveringen voor katoenen manufacturen al-

leen reeds 158k mln. m
2
Hoewel dit de export naar ge-

heel West-Europa geldt, kwam toch een belangrijk deel

hiervan in de E.E.G. terecht.

Bij het maken van vergelijkingen met betrekking torhet

niveau van gewenste invoermogelijkheden moet men grote

voorzichtigheid in acht nemen. Al te gemakkelijk zou men

er anders – indien steeds met abnormale Engelse percen-

tages
58)
wordt gerekend – toe kunnen komen een invoer

die tussen de 10 en 20 pCt. van de nationale produktie ligt

De afzetverruiming van
1962/1967 zou 6.000
ton in totaal
bedragen;
bij
een gemiddeld doekgewicht van
120
gr/m
2
dus
ca. 50 mln, meter.
,,Japan Cotton Statistics and Related data”; Osaka
1962.
De praktijk heeft wel uitgewezen, dat het voor een natio-
nale industrie vrijwel ondoenlijk is zich staande te houden naast
een invoer van ca. 40 pCt. van de nationale produktie.

22

als acceptabel te beschouwen. Het komt ons voor, dat men

dieper moet graven en zich aan het gevar van over-

simplificatie moet onttrekken alvorens dergelijke legenden

voor waar te aanvaarden.

Sedert het van kracht worden van ‘het long-term

agreement is thans bijna een jaar verlopen. Het is echter

nog te vroeg om nu reeds een uitspraak te doen over de

verdiensten van dit akkoord. Allereerst moet het contact

tussen de regeringen van de deelnemende landen en het

permanente bureau, het Cotton Textiles Committee te

Genève, verbeterd worden. Aan de in de artikelen 2 en 3

van het akkoord voorziene rapportering is tot dusverre

blijkbaar nog te weinig uitvoering gegeven.

Het lijkt ons van groot belang, dat het Cotton Textiles

Committee zich in het komende contractjaar een vaste

plaats verwerft in de wereld, die zich bezig hudt met het
regelen van de internationale handel in katoenen manu-

facturen. Het zou tevens bijzonder nuttig zijn, indien de

industrie zich bereid verklaarde waar gewenst medewerking

te verlenen, opdat het Cotton Textiles Committee zijn

nieuwe taak zö doelmatig mogelijk kan verrichten. Op

het gebied van de produktie, handel en consumptie van

grondstoffen heeft de katoenindustrie reeds een nauw con-

tact met het secretariaat van de I.C.A.C. te Washington.

In analogie hiermee achten wij een goede verbinditij tussen

Genève en Zürich, het nieuwe hodfdkwartier van

I.F.C.A.T.I.,
bijzonder gewenst.

In de haast waarmee tegenwoordig bver de werking van

internationale overeenkomsten wordt geoordeeld, bestaat

het gevaar dat nu reeds een denigrerende uitspraak over

Genève wordt gedaan. Zo’n mening zou namelijk beïnvloed

kunnen zijn door de eerste serie, voornamelijk repressieve,

maatregelen die in het afgelopen jaar door Washington

op grond van het akkoord zijn genomen.

Op zichzelf is dit wel begrijpelijk., De Verenigde Staten

waren immers de initiatiefnemer tot de conferentie van

juli 1961. Washington reageerde daarom ook prompt.

Het is echter onjuist alleen aan restrictieve maatregelen te

denken. Het akkoord kenmerkt zich immers door een

serieus pogen een evenwicht te bereiken tussen de grotere

kansen, die aan de ontwikkelingslanden worden gegeven

en de voorzichtigheid, die hierbij t.o.v. de industrielanden

moet worden betracht. In de komende tijd dient dus ook

de positieve zijde van de overeenkomst – de markt-

verruiming – meer uit de verf te komen.

Nu is het wel begrijpelijk, dat het aanloopjaar moeilijk

is. Bij die landen, die minder dan de Verenigde Staten

van de noodzakelijkheid van deze regeling doordrongen

waren, moet het gehele akkoord eerst tot de denkwereld

der nationale functionarissen doordringen. Daarom moet

zowel aan de verbetering van de communicatie als aan

het algemeen accepteren van de principes van het akkoord

veel meer aandacht besteed worden dan tot nu toe het geval
was. Ontsporingen zoals medio 1962 bijna plaatsvonden
59),

zouden dan in ieder geval voorkomen kunnen worden.

Daar het Cotton Textiles Committee nog een sluimerend

bestaan leidt, zou men ook kunnen redeneren: ,,Waartoe

de noodzaak van een integratie van het bureau in het

handelspolitieke streven van de aangesloten landen? Het

is immers toch maar een tijdelijke aangelegenheid?”.

Wie zo denkt, onderschat de belangrijkheid van het

59)
Wij doelen hier op de in wezen gedane concessies aan
India, Pakistan en Hongkong, ten ‘einde de aansluiting van
Engeland bij de E.E.G. te vergemakkelijken.

long-term arrangement. Het gaat hier niet om een tijdelijke

maatregel; om een politieke beslissing waarbij een geven

‘aan ontwikkelingslanden afgewogen wordt tegen een nemen

– – of beter een behouden – van de industrielanden. Het

betreft hier veeleer een eerste poging om richting te geven

aan de wijze, waarop de industrialisatie der ontwikkelings-

landen het beste zou kunnen verlopen.

Indien de jonge landen hun industrieel apparaat willen

opbouen, dienen zij gegidst te worden. Foutieve, te een-

zijdig gerichte investeringen leiden tot onverantwoorde

kapitaalverliezen. Dit geldt vooral omdat reeds in een

aantal ontwikkelingslanden vele decennia lang aan de p-
bouw van een nationale katoenindustrie is gewerkt. Ook

in de industrialisatie van de eertijds grondstof producerende

landen bestaat onderling al een groot tempoverschil.

Het hele akkoord van Genève staat in het teken van

de harmonisatie der belangen. Niet alleen de ontwikkelings-

landen, ook de industrielanden moeten zich aan de nieuwe
situatie kunnen aanpassen. Ook dit vereist een juiste keuze

van werken en van investeren. Nu reeds menen wij daarom

te mogen opmerken, dat de periode yan vijf jaar, die men

voor het long-term arrangement heeft uitgetrokken, veel

te kort zal blijken te zijn. Wie het over aanpassen, over

,,zindelijk” investeren heeft, weet, dat men daarbij in veel-

vouden van de zôjuist genoemde contracttermijn moet

denken. –

Wij willen met deze constatering niet aansturen op een

verlenging zonder meer van het nog nauwelijks in werking

zijnde akkoord. Wel willen wij erop wijzen, dat men geen

orde in een bedrijfstak kan brengen als men de chaos,

die direct daarna te verwachten is, niet bij voorbaat weert.
Een verantwoorde opbouw van een industrie in een ont-

wikkelingsland vraagt buy, om een goede kadervorming.

Nieuwe, kostbare installaties zullen door de machine- –
fabrieken van het Westen volgaarne wôrden geleverd.

Vooral als daarop een continue stroom van dure onder-

delen volgt. Maar wie v orkomt de ontijdige slijtage? Wie

zorgt voor het in stand houden van de nieuw geïnstalleerde

fabrieken? Daarvoor geschoolde krachten uit eigen land

te kunnen aantrekken eist een dejelijke basisopleiding; –

dit vergt het tijdsbestek van een generatie.

Zoals wij in de inleiding tot deze paragraaf schreven,

achten wij de maatregelen, die in het kâder van de over-
eenkomst van Genève genomen kunnen worden, van het

allergrootste belang. In de eerste plaats geldt dit natuurlijk

vôor de katoenindustrie. Wil men hierbij echter verant-

woord te werk gaan, dan dienen eerst tal van misvattingen

te worden weggenomen, die een verder -hanteren van het
akkoord bemoeilijken. Wij noemen het hardnekkig voort-

bestaan van de legende als zou een – wel te verstaan:

moderne textielindustrie arbeidsintensief zijn. Wij wezen

ook al op de gevaren, die een lichtzinnige investering in

een ontwikkelingsland bedreigen indien er geen nationaal

technisch kader aanwezig is. –

Bekend is verder de sage, dat de ontwikkelingslanden

zich het beste kunnen toeleggen op de fabricage van garéns

en grove, althans ongefinishte, weefsels. Het Westen zou

zich dan kunnen beperken’ tot de fabricage van specia-

liteiten. Het is een stelling, die geen rekening houdt met

de economische strategie; het is een miskenning tevens

van de grote voordelen der verticale integratie in de gehele

bedrijfskolom.

Meermalen wordt de oplossing van de taakverdeling

tussen het Oosten als de leverancier van ruwdoek en het

Westen als de veredelaar
bij
uitstek, opgebouwd op grond

23

van de theorie van de internationale arbeidsverdeling. Wij
willen zeker de mogelijkheden van een modernisering van

doüde theorie van J. B. Say niet onderschatten. Het komt

ons echter voor, dat het daartoe op te stellen betoog niet

• al te,simplistisch mag zijn.
Wij
wijzen in dit verband op de

ontwikkeling van de vereldpolitiek sedert de eerste wereld-

-, oorlog en vel in het bijzonder op het ontstaan van de

politiek denkende èn handelende blokken. Wij denken

• verder aan het toenemen van de kapitaalintensiviteit van

de katoenindustrie; aan de landbouwsteunpolitiek in de

grotendeels grondstof producerende ontwikkelingslanden;

en aan ioveel andere feiten waarmee vroeger niet doch thans

• wel rekening moet worden gehouden.

Dit alles op de juiste wijze te rangschikken – wij her-

halen het – kost tijd. Nu deze gehele probleemstelling,

de bijdrage tot een goed functioneren van de industrialisatie

. der ontwikkelingslanden, mede aan de katoenindustrie

werd toegespeeld, kan deze zich niet van een dergelijke

taak distanciëren.

Het zou ons niet verwonderen indien een nadere be-

zinning op de gehele problematiek zelfs tot een fundamen-

teel andere aanpak, met name van de financiering der ont-

wikkelingsprojecten, zou leiden. Hiervoor kan wederom
de katoenindustrie als voorbeeld gelden. Niet voor niets

wordt zij de vroegste industrie genoemd.

Het mag als bekend veiondersteld worden, dat de

• katoenindustrie, ook al is deze in een ontwikkelingsland
tot een zekere wasdom gekomen, zich nog altijd in een

– – ‘sfeer vân prille ,,take-off” bevindt
60).
In het koortsachtige

tempo, waarin de nieuwe landen naar een verdergaande

industrialisatie streven, gunt men zich niet ‘de tijd alle

• stadia van de economische ontwikkeling te doorlopen om
als’ gelijkwaardige partners met de indutrielanden in het

concurrentiestrtjdperk te treden. De nieuwe landen dingen
op de wereldtextielmarkt reeds mede, zonder dat de natio-

iiâle loonontwikkeling een peil heeft bereikt waarop van

• éen redelijke nationale behoeftenbevrediging kan worden

gesproken.

mde industrialiâtiewedloop heeft men voortdurend ge-,

brek aan buitenlandse betaalmiddelen. De produkten die

men voortbrengt, oôk textielen, worden daarbij als waarde-
vol ruilmiddel ingezet.

Waar de behoeften aan kleding in het eigen land –

zelfs al is er voldoende koopkracht om deze aan te schaffen

– dikwijls nog niet
bij
benadering worden gedekt, vraagt

men toch om meer exportkansen. Zülks heeft weer tot

gevolg, dat verwarring wordt gesticht in de toch al reeds in
capaciteit teruggetreden industrie van de Westerse landen.

Zou het daarom niet veel verstandiger zijn voor de her-

groepering van het industriële apparaat in de reeds ge-

industrialiseerde landen wat meer tijd in te ruimen. En

zou liet bovendien niet voordeliger zijn, indien men de

industrieën in de ontwikkelingslanden in de eerste plaats

dienstbaar maakte aan de bevrediging van eigen, nationale

behoeften. ‘Het
verkrijgen
van de gewenste buitenlandse

deviezen zou dan via een meer directe, additionele steun-

verlening
mogelijk
worden gemâakt.

Wij hebben gepoogd enkele facetten van het gecompli-
ceerde vraagstuk van de hergroepering van de internatio-

nale katoenindustrie ie schetsen. De Westeuropese katoen-

industrie is verheugd mede te lunnen werken aan de op-

lossing van het probleem hoe te komen tot een naast

elkaar voortbestaan van een industrieel Westen en een

zich nog industrialiserend Oosten. Daar zij meer dan andere

bedrijfstakken geconfronteerd wordt met deze moeilijke

materie, ziet zij de vraagstukken wellicht duidelijker.

Het gaat hier niet om één bepaalde industrie. Het betreft

een ontwikkeling, die het gehele bedrijfsleven in al zijn

vormen zal beroeren. Het is de gedachte aan een logisch

groeiende diversificatie in de industriële groei, die de

katoenindustrie om tijd van bezinning, van aanpassing

doet vragën.

Hoe de vezelverwerker\de industrie van Continentaal

West-Europa hier zowel op kort als op lang zicht over

denkt, zullen wij in twee slotparagrafen nader uiteen-

,zten.

..

Vifi. PROBLEMEN VAN ELKE DAG

11
Wij keren nu terug van de beschouwingen over de grotere

markteenheden en ‘de internationale overeenkomsten van

Genève om ons – dichter bij huis – tot de problemen

van elke dag te wenden. Deze zijn vele voor een katoen-

– industrieel in West-Europa.

Soms lijkt het wel eens of zijn zeifwerkzaarriheid door
t”..
alle externe bemoeiingen sterk wordt-beknot. De grond-
stoffenprijzenworden bijv. beïnvloed door de regerings-

politiek der verbouwlanden en door de prijsafspraken

tussen de grootmachten in de chemische industrie.

Het loonbeleid ziet de ondernemer in grote lijnen uit-

gestippeld in het samenspel met de’ arbeidersorganisaties

.en de overheid. De regering heft belastingen en• stelt de

richtlijnen op voor het internationale handelsverkeer. Bij

– wijlen bewaakt zij ook nog het binnenlandse prijsniveau.

‘ Voor het bouwen en inrichten van fabrieken ‘ alsmede

60)
W. W. Rostow: ,,The stages of economic growth”,
Cambr idge 1962.

24

voor het verrichten van arbeidswerkzaamheden bestaan

talloze voorschriften en regelingen. Neen, vrij mag de

ondernemer zich bepaald niet meer noemen!

En toch hangt het voortbestaan van de onderneming

waarvoor hij de verantwoordelijkheid draagt, nog altijd
in hoge mate van zijn beslissingen af. Het is immers de

fabrikant, die het besluit moet nemen de juiste grond-

stoffen te kopen, het personeel aan testellen en op te

leiden, het kapitaal te investeren ten einde de apparatuur’

te moderniseren en daartoe de nodige research te ver-

richten, de verkopen te stimuleren en waar noaig hiervoor

nieuwe afzetkanalen te vinden.

Door de veelheid van vragen, waarmede hij door zijn

naaste medewerkers wordt bestookt, ontbreekt het de

ondernemer meermalen aan tijd de nodige afstand t.o.v. de

problemen van elke dag te nemen. Heft gevaar bestaat dan,

dat hij de grote lijnen uit het oog verliest.

Wij zullen daarom pogen het klimaat, waarin de katoen-

industriëlen momenteel werken, te schilderen en vervolgens

1.

Oufpuf of cotton yarn.

(1951
.
100)

140 140

40
40.

Nflwr1prjds.

20

‘–

Beiglum.

Italy.

U.S.A.

France.

— —

Japan.

W.Germany.
_-_

U.K.

00

cn

*

•1

.

l’iarf

XX[

op een van de belangrijkste vraagstukken, dat van het ge-

-bruik van de produktiecapaciteit, wat dieper in te gaan.

Dit raakt immers de kern van de aanpassing, die de katoen-

industrie in praktijk moet brengen; de periode die door

Genève voorlopig op vijf jaren, door ons echte op enige –

dedennia wordt geraamd.

Uit de inleidende paragrafen van dit artikel is het wel

duidelijk geworden, dat de huidige situatie van de katoen-

industrie in Continentaal West-Europa niet al te roos-

kleurig is. Recente publikaties van de Cotton Board en

I.F.C.A.T.I.
61)
bevestigen deze conclusie.

Het is altijd moeilijk om voor een zo sterk gevarieerde

bedrijfstak als de vezelverwerkende industrie een bruik

bare graadmeter voor het peilen der bedrijvigheid te vinden.

Eeti van de indices, die men daarvoor hanteert, is die van

de produktie der spinnerijen. Wij gebruikten deze maat-
staf in een vorige publikatie, zulks in aansluiting op een

recente beschrijving van de textielconjunctuur
62).

In grafiek XXI verwerkten wij het verloop van de garen-

produkties gedurende de laatste jaren
63)
.
Duidelijk blijkt
hieruit hoe, na het vorige overzicht, gedeeltelijk in 1961

doch vooral in 1962 een daling over vrijwel de gehele linie

is ingetreden. In de Verenigde Staten was de inzinking

niet spectaculair; bovendien is in het herstel een duidelijk
faseverschil met West-Europa kenbaar. In Engeland bleef

Quarte’rly Statistical Review, 69, Summer 1963, Manchester.
European Cotton Industry Statistics, Vol.
5,
ur. 2, Zürich.
I.F.C.A.T.I., Amsterdam (1960), waarin om. verwezen
werd naar: ,,Fluctuations in Textile Activity”, D. M. Swan,
Manchester
1959.
Zie ook bijlage 21.

de lijn zich in neergaande richting bewegeii Italië daaren-
tegen maakte op de algèmene depressie een uitzondering.

Nu vraagt een dergelijk globaal, overzicht direct om
commentaar. Allereerst is het niet de weverij-industrie

alleen, die als afnemer van garens optreedt. Zodrâ dus in

de overige afzetgebiëden, bijv. in de tricotage-industrie,;

bepaalde verschuivingen voorkomen, doorkruisen deze .het

algemene beeld.

Daarnaast zal ook het stijgen en dalen in de sector van• –

de discontinue man-made fibres de”situatie kunnen be-

invloeden. Wij moeten dit feit o.a. in aanmerking nemen
wanneer wij de Japanse cijfers bestuderen. Deze hebben

namelijk uitsluitend betrekking op de produktie vân,

katoenen garens.

In grote trekken blijkt uit dit overzicht echter wel, dat

er een bepaalde korte golf beweging in de katoenconjunctuur –

bestaat. Aan dit verschijnsel is de laatste ‘jaren een groot

aantal publikaties gewijd
64).

Het is hier niet de plaats, om op de studies over deze

conjunctuurgolven in de Verenigde Staten, Japan en Wést-

Europa in te gaan. Wij kunnen volstaan met het weer-
,

geven van de algemene gedachte, dat een restocking en

destocking aan het stijgen en dalen der lijnen ten grondslag

ligt.

Het zal natuurlijk interessant zijn het verdere verloop

van deze conjunctuurbeweging nauwkeurig te volgen. Zal

deze trend sterk genoeg blijken te zijn om weerstand te

bieden aan externe impulsen (Korea, Suez)? Moet er verder

6′!)
Voor een overzicht van dé belangrijkste geschriften zie
bijlage 22.

.

25

niet meer eenheid komen in de verklaring van de werkelijke

oorzaken der voorraadmutaties, voordat men het bestaan

van een specifieke textielconjunctuurcyclus als een vast-

staand gegeven aanvaardt?

Het is daarom op het ogenblik niet
mogelijk
met zeker-

heid een ombuigen van de textielconjunctuur in opgaande

richting te vorspellen. Wij zijn al verheugd gedurende het

voorjaar en de zomer van 1963 ‘de eerste verschijnselen te

mogen signaleren, die op een verlichting van de situatie

duiden.

Het intreden van een minder zorgvolle periode zou de

ondernemers en degenen wier taak het is de belangen van

de bedrijfstak in zijn geheel te behartigen bijzonder welkom

zijn. Immers, op de na-oorlogse periode van’ rehabilitatie
volgt thans een
tijdperk
van adaptatie, dat aller aandacht

verdient.

Het is een groot bezwaar van deze tijd, dat men door de
veelheid van alle feiten, die dagelijks moeten worden ver-

werkt, gauw de neiging heeft problemen te eenvoüdig te

stellen en te beoordelen. Uit de grafieken en de statistische

overzichten, die wij tot dusverre produceerden, zou zo’n

gvaarlijk en al te vluchtig -oordeel kunnen worden ge-

vormd.

Een geleidelijk inkrimpen van het produktie-apparaat

geeft immers de indruk van een terugtocht. Indien tijdens

dit proces ook nog afzetstagnaties’
bij
de zich reorgani-

serende industrie worden geconstateerd, is het begrijpelijk,
dat men hieruit concludeert, dat het tempo van afbouw niet

snel genoeg is. Dat dus van het bestaan van een over-

capaciteit sprake is. Zo eenvoudig ligt dit vraagstuk echter

geenszins.

De wijze waarop de bestaande produktiecapaciteit wordt
gebruikt, staat ook uit andere overwegingen in het middel-

punt van de belangstelling.

De voortdurend stijgende arbeidskosten leiden tot inves-

teringen in arbeidbesparende machines. Ook aan het toe-

nemen van de kapitaalintensiviteit van de katoenindustrie

is het probleem van het optimale gebruik van de capaciteit
nauw verbonden.

Natuurlijk zijn er daarnaast nog tal van andere vraag-

stukken, verband houdende met de financiering van de

apparatuur, de technische uitvoering érvan, de organisatie

van de research en teIl slotte de wijze van afzet der pro-

duktie.

In tegenstelling tot het complete overzicht van deze

prôblematiek der Westeuropese katoenindustrie zoals dit

enige jaren geleden werd opgesteld
65),
zullen wij ons thans

uitsluitend met het zojuist genoemde onderwerp van het

capaciteitsgebruik bezig houden. Alleen als overeen-

stemming is bereikt over de wijze waarop dit gecompli-

ceerde vraagstuk tot oplossing kan worden gebracht, kan

men aan de depressieve sfeer van de dagelijks voorkomende

piijsonderbiedingen ontvluchten.

Het aanpassen van het weinig elastische aanbod aan de
steeds wisselende vraag vergt tijd, tact en economisch in-

zicht. Het hanteren van de slopershamer is in dit geval
een te, gemakkelijke en daardoor foutiève methode. In

welke richting een oplossing kan worden gezocht, wordt

ons duidelijk gemaakt wanneer wij vergelijkingen treffen

tussen de wijze waarop in Japan, in de Verenigde Staten

en in West-Europa wordt gewerkt. Wij zullen dan zien,

dat men geen oppervlakkig oordeel kan vellen over het

al of niet aanwezig zijn van een overcapaciteit, zonder een

65)
I’.F.C.A.T.I.,
Venetië (1957).

nauwkeurige analyse te maken van de machine-uren, werk-

tijden, de extra beloningen voor ploegenwerk, de samen-

stelling van het personeel, financieringsmethoden en af-

schrijvingssystemen alsmede van de arbeidskosten.

Bovendien bepaalt de mate waarin
wij
de produktie-

capaciteit benutten het concurrentievermogen van de West-

europese katoenindustrie
66)

‘Allereerst dienen wij ons er echter van bewust te zijn

waarover
wij
praten; wat
wij
eigenlijk met elkaar gaan

vergelijken. Helaas bestaat er geen andere praktische een-

heid, waarin de spin- en weefcapaci’teit kan worden uit-

gedrukt, dan die van de spullen en weefgetouwen. Spillen

van de meest uiteenlopende fabrikaten; weefgetouwen in
vrijwel alle stadia van automatisering. Het is een zeer ge-

brekkige basis, die wij alleen terwille van de continuïteit

in de statistische ‘verwerking hanteren.

Zoals reeds werd opgemerkt, spelen
bij
het vergelijken

van het capaciteitsgebruik machine-uren een grote rol.

Een vergelijking van spil- en getouw-uren geeft hierover

een goed inzicht
67).

TABEL 6.
Spil- en
weefge
touw-uren in 1962

(weekcijfers per werkende spitten en getouwen)

n

:

1
t
;
,Z
1
u
>

Spuien:
1957

……….
74,5 89,9
73,6
75,3
78,1
38,7
93,7
114,4
67,2
67,9 69,9 67,2
79,1
32,0
91,6
112,3
63,7
82,1
67,5 73,5 81,2 39,2 91,1
122,0
1960

……..:
72,7 96,2
79,3
84,0 89,4
43,1
92,8
119,6
1961

……….
70,9 94,3 82,4 84,0
91,4 45,4 90,9
118,0

1958

……….
1959

……….

66,1
93,8 79,5 84,0
84,1
42,8
92,2
116,9

Weefgetouwen:
62,0
na.
65,8 61,3
64,7
43,7
92,1
na.

1962

……….
na.
60,2
58,2′
63,0 39,9
90,4
114,4
73,8
na.
61,1
63,5
66,2 46,9 89,5
120,8

1957

……….
1958

……….58,8

76,3
na.
67,6
65,9
72,6
50,7
92,1
123,6
1959

……….
1960

……….
70,8
77,8 60,8 64,3 72,3
53,5
90,2
119,3
1961

……….
‘1962

……….
65,1
73,7.
61,6
66,9 66,7 47,5
91,4
123,4

Uit dit overzicht blijkt reeds dadeljk hoe sterk de ‘spil-

en getouw-uren onderling uiteen lopen. De cijfers van

Continentaal West-Europa ‘liggen tussen de lage Engelse

en de hoge Japanse en Amerikaanse in. Op het Continent

wordt de spincapaciteit relatief beter benut dan de daarop

aansluitende produktifase, de weverij.

Nog beter spreken deze cijfers indien
wij
de Amerikaanse

gegevens als basisgegevens (= 100) gebruiken.

TABEL 7.

Spil- en weefgetouw-uren per week uitgedrukt in percentages

van de Amerikaanse cijfers 1962

Spuien
Weefgetouwen

100
100
Japan

……………………….
79,0
74,0
België
……………….
………..
80,3 59,7
72,0
54,0

Verenigde Staten

……………….

71,9

..

54,2
Nederland

…………………….
.

68,0
49,8
Italië

………………………..
Frankrijk

…………………….
west-Duitsland
………………..
56,6
52,8
Engeland

……………………..
..36,7
38,4

Een analoog betoog werd het vorige jaar gepubliceerd in
de ,,Textil Wirtschaft”
(15
maart 1962). Met medewerking van
I.F.C.A.T.I.
en de nationale organisaties van katoenindustriëlen
hebben wij de cijfers uit ‘het artikel van Dr. H. D. Grosser:
,,Kapazitâtsausnützung und internationaler Wettbewerb”, ge-
corrigeerd en aangevuld.
Bron:
I.F.C.A.T.I.

‘1

26

Overigens wordt in de verschillende landen het gebruik
van de capaciteit in andere, geheel van elkaar afwijkende,

indexcijfers uitgedrukt. In de Verenigde Staten stelt men

theoretisch het in 3 ploegen optimaal bereikbare aantal

uren op 144 per week.

Indien men echter de zojuist gevonden machine-uren in

deze theoretische standaard uitdrukt, zou men de wettelijke

arbeidstijdvoorschriften in diverse landen geweld aandoen.

Het aantal maximaal bereikbare uren per week loopt

namelijk niet onbelangrijk uiteen.

TABEL 8.

Maximaal bereikbaar aantal werkuren per week volgens de

geldende arbeidsvoorschriften
68)

0

u
j
.

.

44

s,

!
‘5
.

Z
bo
lat
v

132
1244
120 135 128 122
93
120
132
1244
120
135
128
1184
93
120
1960

…………
1961

…………
129
1244 120
129 128
1124
93
120
1962

…………
1963

…………
126
1244
120
129 128
1124
93
120

Bij de beschouwing van dergelijke wettelijk vastgestelde

werktijden moet men in overweging nemen, dat er grote

verschifien bestaan in de souplesse, waarmee men het

werken in overuren toestaat.

Ondanks deze reserve ronden wij het rekenspel van het

capaciteitsgebruik af door de weergave van de spil- en

getouw-uren per week uitgedrukt zowel in de theoretisch

optimale Amerikaanse als in de zonder overuren prak-

tisch bereikbare nationale index.

TABEL 9.

Spil- en
weefgetouw-uren
per week
69)
1962

Spil-uren
Getouw-uren

Theoretisch
Praktisch
Theoretisch

Praktisch

West-Duitsland
46,0
52,5
45,2
51,7
65,1
75,3 51,2 59,2
Frankrijk
55,2
66,2 42,8 51,4
58,3
65,1
46,5
51,7
Belgie

……. ……

Nederland
……….
58,4
65,8
46,4
52.1
italië

……………

Engeland
………..
33,6
38,3
33,0
42,1
64,1 . .

99,1
63,5
98,2
Japan

…………..
Verenigde Staten
81,2
97,2
85,7
102,9

Uit bovenstaande vergelijkende
cijfers
blijkt duidelijker

welk een groot contrast er bestaat tussen de wijze waarop

met de aanwezige nationale produktiecapaciteiten wordt

gewoekerd. Amerika en Japan staan daarbij ver aan de
top. De groep der E.E.G. is betrekkelijk homogeen, zij

het dat van de spinnerijen een aanmerkelijk intensiever

gebruik wordt gemaakt. In Engeland zou men, zoals ons
ook meermalen door onze collega’s is medegedeeld, on-

danks het bijna halveren van het machinepark nog met een

overcapaciteit zitteii.

Uit het feit, dat de Verenigde Staten in de wevenijen

zelfs de magische grens van 100 getouw-uren per week

hebben overschreden, blijkt wel, dat er momenten zijn

waarop het lonend is door het betalen van extra toeslagen

op het loon het optimum te overschrijden.

Het werken in ploegen wordt natuurlijk eveneens met

toeslagen beloond. In de hoogte van deze beloningen zijn
weer tal van variaties merkbaar.

Bron:
Nationale organisaties van de katoenindustrie.
Bron:
LFC.A.T.I.
en de nationale organisaties.

TABEL 10.

Extra toeslagen voor het werken in ploegen
70)
1962

Twee ploegen
Gedurende de 3dc
(nacht) ploeg
(pCt.)

Wett-Duitsland

15

35
30
Frankrijk

……………..
10
,
10

30
33

België

…………………
8

Nederland

…………….
18
31
Italië

………………….
8

20

38
Engeland

………………
13,3
25-35
Japan

…………………
4
Verenigde Staten

5

Het besluit tot het werken in meer ploegen wordt zowel

door de kapitaalintensiviteit als door de van land tot land
wisselende loonniveaus, afschrijvingssystemen en finan-

cieringsmethoden beïnvloed. Het is duidelijk, dat een zo

optimaal mogelijk gèbruik van de kostbare machines vrij-

wel de enige mogelijkheid biedt om tot een kostenverlaging

te komen.

De introductie van het ploegenwerk is uit de aard der

zaak niet het enige middel om tot een grotere produktiviteit

te komen. Naast de grote investeringen in machines per

arbeider speelt een betere rationalisatie van de produktie

eveneens een grote rol.

Als wij nu tot de Slotsom komen, dat het opvoeren

van de machine-uren een probaat middel is in de strijd

om het bestaan, waarom vindt het ploegenwerk dan niet

meer toepassing? Nu is men niet geheel vrij om deze werk-

regeling overal in te voeren. De gamenstelling van het

personeel van een onderneming is namelijk mede bepalen1

voor de mogelijkheid in twee of in drie ploegen te werken.

Internationaal is vrouwenarbeid in de nachtploeg niet toe-

gestaan. In het
bijzonder
speelt dit gegeven een rol in

Japan, -waar de vrouwenarbeid overweegt. In Jtalië is het

percentage vrouwelijke arbeidskrachten eveneens zeer hoog,

zoals het volgende overzicht aantoont.

TABEL II.

Percentage vrouweljjk personeel in de katoenindustrie
71)

1962

Spinnerijen
Weverijen

Totaal

West-Duitsland
54,0
46,7
49,1
België
44,5 31,6
39,1
Frankrijk
61,0
53,7
156,9
71,9 73,3 72,7
Nederland
17,1
23,9 22,5
Italië

……………

Engeland
63,8
79,6
59,4
85,2
83,3
84,7
Japan

…………..
Verenigde Staten


38,0

Het ploegenwerk is dus van tal van factoren afhankelijk.
De grote verscheidenheid in de katoen en man-made fibres

verwerkende industrie maakt het moeilijk dit arbeids-

systeem in enkele cijfers uit te drukken. Als wij hieronder

tèch een overzicht geven van dit ploegenwerk in de 8,

landen heeft deze tabel dus bepaald niet de pretentie com-

pleet te willen zijn.

Veel van datgene wat reeds uit de vorige cijfertabellen

over het gebruik van de capaciteit kon worden opgemaakt,
spreekt ook uit tabel 12, nl. de twee uiterstèn de Verenigde

Bron:
Nationale organisaties.
Bron:
I.F.C.A.T.I.
Het cijfer van de Belgische weverijen heeft alleen betrekking
op de handarbeid. De Nederlandse
cijfers
gelden uitsluitend
voor niet geïntegreerde bedrijven. Ook bij de spinwevers is het
aantal vrouwen echter relatief zeer gering.

1
27

t

TABEL 12.

,

Het werken in ploegen in enkele belangrijke centra van de

katoenindustrie
72)
1962

(gemiddeld aantal ploegen)

’72
.a
°
2
1
9,
7
t
2

z e
ii
a
v,
>

Spinnerijen:
1957

…. ……
1,8
2,2
1,7
1,7
1,7 1,0
2,0
3,0
1958

……….
1,7
1,8 1,8 1,6 1,7
1,0
2,0 2,9
.1959

……….
1,6
2,2
1,6
1,7
1,8
1,0.
2,0
2,9
1960

……….
1,8
2,4
1,9 1,9 1,9
1,1
2,0
3,1
196
1

……….
1,7
2,2
na.
1,9
2,0
1,1
2,0
na.
1,7
2,2
2,2
1,9
2,0
1,1
2,0
na.

Weverijen:
1,6
na.
1,4
1,4 1,4
1,1
2,0
3,0

1962

………..

1,6
n.a.
1,6
1,4
1,4
1,2
2,0 3,0
1,6
na.
1,5
1,4 1,4
1,2
2,0
3,0

1957

……….
1958

……….

1960
1,7
na.
1,6 1,5 1,5
1,3
2,0
3,0
1959

………. ……….
1,6
1,9
1

n.a.
1,5 1,8
1,3
2,0
3,0
1961

……….
1962

……….
1,6
1,7
1,8
1,5
1,8 1,3
2,0
3,0

Staten en Engeland, het benaderen van het onder om-

standigheden (vrouwenarbeid) mogelijk optimum in Japan

en Italie en het veelvuldiger werken in ploegen in de kapitaal-

intensievere spinnerijsector.
Als sluitstuk op deze becijferingen betreffende het ratio-

neel gebruik van het machinepark past een overzicht van

het loonpeil. Aan een vergelijkende opgave van alle arbeids-

kosen in Japan, West-Europa en de Verenigde Staten

wagen
wij
ons echter niet. Daarvoor ontbreekt ons in dit

– summiere overzicht de gelegenheid.

Wij noemen alleen enkele gegevens, die maar al te vaak

vergeten worden en daardoor juist die voortdurend terug-
komende discussies over de loonvergelijkingen doen ont-

r
staarL Het zijn namelijk niet alleen de gemiddelde bruto

uurverdiensten, die naast elkaar moeten worden gezet.

In iedei geval dient men ook rekening te houden met

-factoren als de splitsing in mannen- en vrouwenarbeid,

.de arbeidstijden pr week, de toeslagen voor ploegen- en

: overwerk, de verplichte en vrijwillige sociale lasten’ (w.o.

de gezinstoeslagen) en de koopkrachtpariteiten in de ver-

‘-

schillende landen. Om toch enig inzicht te geven in deze moeilijke materie,

geven wij in de laatste tabel van deze paragraaf een over-

zicht van de lonen in de textielindustrie van de E.E.G.

Dus wederom een kaleidoscopisch beeld met grote onder-

linge verschillen zowel wat de loonhoogte als ook wat de

stijgingslijnen betreft.
‘Het’ is door dit complex van ingewikkelde gegevens,
dat men moeizaam zoekend zich een weg moet zien te

banen om een helder beeld te krijgen over de capaciteits-

– benutting als sleutel voor het bereiken van een optimaal

resultaat.
In de reeds aangehaalde studie over dit vraagstuk zijft,

– enkele berekeningen gemaakt, waarbij modelbedrijven ui-

:–.

tDuitsland, Japan en de Verenigde Staten met elkaar vert

geleken zijn. Daar men hier niet altijd van een normaal

machinejark is uitgegaan, lijkt het ons niet nodig deze

becijferingen tot in details aan te halen
74).

Wel onderschrijven wij in grote trekken ,de conclusies,

dat de industrie van Continentaal West-Europa dient te

streven naar een maximaal gebruik van de bestaande

capaciteit. Door in meer ploegen te werken kan men het

aanwezige machinepark met een grote mate van flexibiliteit

bespelen.

Indien de arbeidsmarkt liet toelaat, is het mogelijk een

evenwicht te bereiken tussen alle factoren, die van invloed

zijn op het verkrijgen van de laagste kostprijs. Dit zoeken
naar het juiste evenwicht behoort tot de problematiek van

elke dag voor de textielfabrikant. Ook indien de overige

vraagstukken in theorie geen problemen zouden opleveren,

is het streven naar een optimaal geb’ruik van de apparatuur

nog uiterst moeilijk te verwezenlijken.

Bron: 1957
t/m
1960:
Dr. H. D. Grosser.
1961, 1962:

nationale organisaties.
Cijfers ontleend aan: ,,Die Arbeitsbedingungen in der
Textilindustrie der E.W.G.”, bijgewerkt tot
1963.
De lonen zijn
alle omgerekend in Belgische franks tegen de thans geldende
koers.
De laatste enquête naar de arbeidskosten in de katoenspinne-
rijen van de E.E.G. (begin
1962;
waar mogelijk bijgewerkt tot

begin
1963)
geeft het volgende resultaat:

West-Duitslaid
………..
B.fr. 50,48
België
………………….
37,62
Frankrijk

… …………

..
38,68
Italië

………………….
40,46
Nederland
………………
46,54

Uit deze en vorige onderzoekingen kan het volgende verloop
van de verhoudingscijfers der arbeidskosten per uur in de katoen-
spinnerijen worden vastgesteld (Nederland 100):

1955
1957
1

1959
1962

94
98
103


106
10
III
100
82
west-Duitsland
…………..

125
101
97
89
België

…………………
Frankrijk

……………..
82
78
72
Italië

………………….92
Nederland

……………..
. 00 100 100
100

• 74)
Globale berekeningen over de invloed van de capaciteits-
aanwending op de kostprijs, resulteren voor enige theoretisch
ontworpen Japanse, Amerikaanse en Duitse modelweverijen
in de volgende vergelijking:

1
Verenigde
1
West-
Japan

Staten
1
Duitsland

2
3
2
464 40 44
60
40
60
Afschrijving
p.
mach.uur (D.M.)
0,72
0,56
0,76
Loonkosten
(mcl. 50e.
lasten)
p.
arb. uur

Aantal ploegen

…………………….

7,16
3,23

werkuren per week

……………….
Machines

………………………

Uitgedrukt in de Japanse cijfers
als index
100:

(D.M.)

………………………..1,45

100
78
106
100
494 224
Afschrijvingen

……………………..
Loonkosten
……………………..
Totaal gem. kosten van de betr. model-
weverij

……………………….
100
157 128

De noodzaak
om
in dit D,uitse voorbeeld van twee naar
drie

ploegen over te gaan komt hieruit
duidelijk
naar voren.

TABEL 13.

Ontwikkeling in de bruto verdiensten per uur van de textielarbeiders in de E.E.G.
73)

‘West-Duitsland
België
.
Frankrijk Italië
Nederland

Jaar

M
V
M
+ V
Index
‘-‘
M
v
M + V
index
M ± V
j

tndex
M + v
Index
M
V
1
M + V
Index

1958

27,31
20,97
23,66
100,0
26,82
19,14
23,09
100,0

19,09

100,0
13,90
100,0
25,48
15,24
20,76
100,0
1959
….
30,10
23,58
26,43
111,3
27,82
19,76
23,96
103,8
20,67

108,3 14,18
102,0
25,90
15,93
21,19 102,0
1960

33,52
26,61
29,58
125,0
28,94
20,65
25,04
108,4
22,40

117,3
15,40 110,8
29,09
17,73
23,68
114,0
1961

36,92
29,54
32,75
138,4
30,84
22,20 26,94
116,7
23,62

123,7
16,39
118,2
31,72
19,81
26,04
125,3

1962

.

.

.
38,11
30,50
33,83 143,0
‘31,19
22,94 27,45
118,9
25,76

134,9
21,19
152,6
33,80
21,47 27,70
133,3
1963


41,29
33,30
36,82
155,7
34,33
25,15 30,04
130,2
27,29

142,9
22,58
162,0
36,15
23,55 30,06
144,7

28′

t,.

t-

Behalve dat deze problematiek dus de individuele tabri-

kanten ernstig bezig houdt, heeft zij tevens betrekking op

het vraagstuk van de juiste omvang van de Westeuropese

produktiecapaciteit in groter verbând. Ook hier geldt de

waarschuwing, dat men niet ongestraft een op enkele grove
capaciteitscijfers gebaseerd oordeel kan vellen. Wil men de

stelling verkondigen, dat er in het algemeen van een over-

capaciteit in Continentaal West-Europa kan worden ge-

sproken, dan zal hier eerst een diepgaand onderzoek aan
vooraf moeten gaan.

– Bij het prepareren van de inleidingen voor de

I.F.C.A.T.I.-vergadering in Athene wordt het gebruik in

ere gehouden dat de sprekers geen bepaald welomschreven

mandaat krijgen van de groepen, die zij vertegenwoordigen.

Daarom is ook de visie op de huidige gang van zaken in de

katoenindustrie van Continentaal West-Europa van zuiver

persoonlijke aard. Wel zijn de contacten tussen de Europese

katoenindustriëlen zo hecht, dat het oordeel van het over-

grote deel dJ betrokkenen als volgt kan worden samen-

gevat.

De conjuncturele gegevens duiden op een mogelijke in-

trede van een periode van rust in het bedrijfsleven.’ Door

de akkoorden van Genève hoopt de industrie voor een

reeks van jaren gevrijwaard te worden voor al te heftige

storingen. Zij kan zich dan in het bijzonder toeleggen op

de aanpassing van de bestaande capaciteit aan de op korte
termijn steeds wisselende vraag.

Er zijn geen
aanwijzingen,
dat men in Continentaal

West-Europa tot een verdere uitbreiding van de capaciteit

zal overgaan. Men is er zich van bewust, dat hier en daar

verouderde fabrieken zullen moeten verdwijnen. Gedeeltelijk

– zullen deze door nieuwe, meer moderne apparatuur worden

vervangen. Waar dit geschiedt zal er voor moeten worden
gewaakt, dat hier toch weer geen grote uitbreiding van de
produktie uit voortkomt.

In de periode van krappe arbeidsmarkten zal het streven

naar een zo volledig mogelijke automatisering van de

machines veld winnen; het uitvoeren van investeringen
hiertoe kost tijd. Bovendien zal dan nog meer aandacth

t

moeten worden besteed aan het opvoeren van het aa”ntal

machine-uren. Een probleem, waaraan ook veel sociale
kanten (ploegenwerk, vrouwenarbeid, loonniveau) ver-

bonden zijn. Indien na een periode van aanpasing niet

van een blijvende overcapaciteit kan worden gesroken,

blijft West-Europa naast de Verenigde Staten in staat met

een hoog opgevoerd gebruik van de bestaande, moderne

capaciteit op de wereldmarkten te concurreren!

Met deze weergave van de algemene gedachtengang

hebben wij vermoedelijk hier en daar enigszins gegenera-

liseerd. Het is immers uit de
cijfers
gebleken, dat de in-
dustrie in sommige Zuideuropese landen zelfs heden ten

dage nog expandeert.

Of deze uitbreidingen op rationele gronden verdedigd
kunnen worden, trekken wij in twijfel. Vooral in de ge-

vallen, waarin de concurrentiebasis dôor de aanwezigheid

van in prijs gesteunde nationale of koloniale grondstoffen

vertroebeld wordt.

Maar ook in de landen waar extreem hoge invoerrechten

en andere beschermingsmaatregelen worden- gehand-

haafd
75)
moet grotere voorzichtigheid worden betracht bij.’
elke spectaculaire vergroting van het produktie-apparaat.

Op dit punt spiegele men zich aan Italië, waar de pro-

blematiek van de Westeuropese produktïecapatiteit terdege
de aandacht heeft. Het is logisch, dat men bij de ontwikke-

ling van de Zuiditaliaanse probleemgebieden ook aan-de

katoenindustrie denkt. Hierbij vraagt men zich echter af –

in hoeverre niet eerder aan verschuivingen van de çapa-

citeit hetzij vanuit Noord-Italië hetzij vanuit anderè delen

van West-Europa moet worden gedacht dan aan hét

stichten van nieuwe fabrieken
p76)

De aandacht, die wij aan de problemen op kort zich’t

schonken, heeft een sterk statische inslag. Hierbij werd

uitgegaan van de bestaande capaciteit.Hetljkt ons echter

ondenkbaar, dat men tot een logisch doordachte aan-

passing komt als men -tegelijkertijd heen perspectief op

lang zicht voor zich ziet. Daarom hierover tot slot nog, –

enkele opmerkingen.

IX. HET PERSPECTIEF OP LANG ZICHT

Wat brengt “nu de katoenindustrie tot het stugge vol-

houden in de slijtageslag van iedere dag? Wat geeft de

fabrikanten en hun
6
medewerkers het geloof in de toekomst?

Ten einde te ontkomen aan het’ gevaar van de over-

simplificatie hebben wij ons uitvoerig bezig gehouden met

vele details van het probleem van de capaciteitsbezetting.

Indien reeds op dit speciale technisch-economische vlak
de vraagstukken zo ingewikkeld lijken, kan men zich af

vragen hoe een industrie eigenlijk nog optimistisch kan

zijn.

Uit voorgaande beschouwingen zagen wij, dat het werk-

terrein van de textielindustrie in Continentaal West-Europa

geleidelijk aan kleiner is geworden. De wereldniarkt moge

momenteel geen tekenen van verdere inkrimping vertonen,

overzee wordt het afzetgebied, met uitzondering van enkele

belangrijke markten in Azië en Afrika, toch meer en meer

aan de ontwikkelingslanden overgelateii.

Het afzetgebied in West-Europa poogt men nu zeer be-

wust ruimer te maken door de creatie van grotere markt-

eenheden. Maar ook hier penetreren derden, zij het dat

deze ontwikkeling de eèrstkomende tijd onder invloed
vaii’ –

Genève onder controle zal worden gehouden. ‘

Bij een stijging van de produktiekosten- grijpt elke in- –

dustrie naar het verweer van het vergroten van de onizet.

Hoe dient nu echter de textielindustrie te handelen als zij — –

juist gedwongen wordt zich geleidelijk aan binnen een –

geografisch beperkter afzetgebied terug te trekken?

Statistisch gezien is dit beeld niet erg aantrekkelijk. Ware

het niet, dat het perspeçtief van een afzetvergroting binnen

In Griekenland zijn de invoerrechten op katoenen suk- .
goederen ca. 60 pCt.; op die van produkten vervaardigd uit
man-made fibres ca. 120 pCt. Bovendien moet bij import van –
textiel een waarborgsom worden gestort, die enige tijd geleden
280 pCt., thans nog 126 pCt. van de importwaarde bedraagt! –
Het ware te wensen, dat men een dergelijk voorzichtig
beleid ook elders, bi, in de associatiegebiedën, toepaste.

29

1′
-4,
– —

.’

de thans bestaande markten een kans op uitkomst biedt,

dan zouden inderdaad degenen, die ‘s werelds economie

theoretisch plegen op te bouwen, het beeld van de textiel-

industrie in West-Europa in sombere kleuren mogen

schilderen.

Reeds meermalen hebben wij ons tegen een derelijke

pessimistische zienswijze verzet
77).
In de ledenkring van

I.F.C.A.T.I. verwezen wij daarbij naar
becijferingen
over

de grotere afzetmogelijkheden op lang zicht. Ditmaal zijn
wij zo bevoorrecht de basis van deze berekeningen aan de

hand van de realisatie van enkele jaren te kunnen testen.

Een ptognose wint immers aanmerkelijk aan belangrijkheid

indien blijkt, dat de becijferingen, waarop zij is opgebouwd,

gedurende de startperiode ook in feite gerealiseerd zijn.

Voordat wij deze voorspellingen nader toetsen, wijzen

wij eerst nog eens op de grovere benadering van dit pro-

bleem: de toename van het vezelverbruik per hoofd van

de bevolking. Zij die met zo’n oppervlakkig overzicht ge-.

noegen nemen, kunnen uit een vergelijking van het katoen-
verbruik per capita in West-Europa en de Verenigde Staten

de conclusie trekken, dat er voor de afzet in de E.E.G. en

de E.V.A. nog grote mogelijkheden open liggen.

Indien men ervan uitgaat, dat de produktiecapaciteit

in beide werelddelen voldoende groot is, zou een simpel

volgen van het Amerikaanse voorbeeld voor West-Europa
ruime perspectieven op lang zicht bieden.

TABEL 14.

Het katoenverbruik per
hoofd
van de bevolking in de
Verenigde Staten en West-Europa
78)

(vergeleken met de daar aanwezige produktiecapaciteit)

Katoenverbruik
(kg per capita)

Capaciteit per

1.000 inwoners

Spinnerij
Weverij
(1.000 sp.) (1 getouw)

België
5,1
155
3,1
Frankrijk
5,2
120
2,3 3,4
90
1,9
Nederland
6,4
88
2,8
Italië

…………..

..
.

West-Duitsland
5,7
105


1,9
Engeland
5,7
179
3,1
Verenigde Staten


10,2
108
1,7

De merkwaardige verschillen in het verbruik van katoen

in Europa en Amerika zijn reeds eerder gesignaleerd. Zij

zijn diep in de verbruiksstructuur geworteld en gebaseerd

op moeilijk te wijzigen klimaatcontrasten, kwaliteits-

verschillen en koopgewoonten.
Ook de samenstelling van het consumptiepakket, waarin

zowel het industrieel als het particulier verbruik is samen-

gevoegd, wijkt in de Verenigde Staten sterk af van West-

Europa.

Het is dus niet erg aanlokkelijk als uitgangspunt van

ons economisch denken – een mogelijk groter vezel-

verbruik in de verre toekomst – een veronderstelling te

nemen, die met zulke grove contouren geschetst is.

En toch behoort een flinke
stijging
in het vezelverbruik
in het algemeen bepaald niet tot de onmogelijkheden. Als

wij iets verder terug gaan en bovendien de man-made

fibres in de vergelijking betrekken, zien wij hoe het vezel-

verbruik per capita in West-Europa sedert 1938 met ruim

37 pCt. toenam.

Niet alleen in West-Europa doch vooral in grote. poten-

tiële afzetgebieden als bijv. India zit nog veel perspectief.

I.F.C.A.T.I., Wenen
(1959)
en Amsterdam (1960).
Bron:
Capaciteit, I.F.C.A.T.I., eind 1961. Bevolking,
U.N., medio 1961. Verbruik, F.A.O., 1959. Zie ook I.F.C.A.T.I.,
Amsterdam (1960).

TABEL
15.
Het verbruik van katoen en man-made fibres per
hoofd
van

de bevolking in enkele belangrijke consumptiecéntra
79)

(kg per capita per jaar)

1938
1959

België

………………..
……..
5,5
7,39
Frankrijk

…………….. …….
5,2
7,68 3,5
5,59
6,2
8,84

6,5
9,55

8,7

.
9,44

Italië

………………………..
..
Nederland

…………………….
.

west-Europa

… . ………………
5,3
7,28

West-Duitsland

…………………
.
Engeland

……………………..
..

1,8
2,1
India

…………………………
..
9,0

7,4
Japan

………………………..
.
Verenigde Staten

………………
10,8
14,38

Om een zuiver kompas voor de toekomst te hebben, zoeken

wij echter liever aansluiting
bij
de meer geçletailleerde ver-

bruiksberekeningen van de laatste jaren.
In 1960 raamden experts van de I.C.A.Ç., dat het vezel-

verbruik in de periode 1957 tot 1965 toe zou nemen met

percentages, die van
25
tot 30 varieerden
80).
Op grond

van soortgelijke calculaties over het verbruik van kleding

in West-Europa meenden wij zelf een toename van de

afzetmogelijkheden van 34 pCt. gedurende de jaren 1955

tot 1970 te mogen schatten
81).

Indien wij de basisgegeyens van deze laatste prognose
82)

analyseren, blijkt dat de
stijging
van het inkomen per

hoofd van de bevolking in West-Europa, op grond van

een jaarlijks groeipercentage van 2,4 pCt. â 2,5 pCt., in

1970
45
pCt. hoger geraamd werd t.o.v. 1955.

Het reële inkomen per hoofd is in de eerste zes jaar

van deze periode echter met 23,6 pCt. vermeerderd; een

groeipercentage dus van 3,6. Ook al zou de toename in de

komende jaren terugvallen op de aanvankelijk geraamde

groei van
2,5
pCt., dan zal hët inkomen per hoofd in 1970
toch nog 54 pCt. hoger liggen dan in
1955.

Als tweede basisgegeven werd in de aangehaalde publi-

katie gebruik gemaakt van de ontwikkeling in het kleding-

verbruik per hoofd van de bevolldng in West-Europa. Dit

werd in 1970 41 pCt. hoger geraamd dan in 1955.

Volgens ,,General Statistics”
83)
nam het kledingverbruik

van 1955 tot 1961 in feite toe met 29,7 pCt. in totaal of

met 24 pCt. per hoofd van de bevolking. Het jaarlijks

groeipercentage per capita is dus gelijk aan dat van het

reële inkomen, nl. 3,6 pCt. Rekening houdende met het

gecorrigeerde cijfer van de stijging van het inkomen komt

de prognose van het .kledingverbruik in 1970 nu op een

cijfer, dat 50 pCt. hoger ligt dan in
1955.

Ten slotte het vezëlverbruik per hoofd van de bevolking;

het meest grijpbare kompas voor de textielindustrie. In de

studie van 1960 wordt de toename hiervan -in -1970 op 26

â 27 pCt. t.o.v.
1955
geraamd. Uit de laatst beschikbare
F.A.O.-gegevens blijkt het groeipercentage van 1955 tot

1960 op 1,6 pCt. per jaar te liggen. Indien deze groei zich

zo voort zou zetten, zou de aanvankelijk gemaakte voor-
spelling juist blijken te zijn. Gerekend .over geheel West-

70)
Bron:
,,Per Capita Fibre Consumption Levels”, F.A.O.
In Japan raamde men het verbruik van katoen in 1938 merk-
waardigerwijs op 6,6 kg tegen 4,4 kg in
1959.
,,Report of the European Group for the study of textile
fibre consumption”, I.C.A.C., Washington, 1960. Deze publi-
katie werd in 1961
(Tökyo)
en 1962 (Washington) aangevuld.
I.F.C.A.T.I., Wenen
(1959)
en Amsterdam (j960).
,,An investigation into the future consumption of textile
fibres and clothing in Western Europe”, M. Fraenkel, Inter-
national Review, I.F.C.A.T.I., June 1960.
81)
O.E.C.D.

30

Europa verwachten
wij,
dat het vezelverbruik in 1970 op

een peil zal komen dat 34 pCt. hoger ligt dan in
1955.

Het is zaak het verdere verloop van de textielconsumptie

in de grote internationale verbruikscentra nauwkeurig te

volgen. De ramingen welke hiervoor gemaakt zijn, dienen

op gezette tijden te worden herzien.

Op het ogenblik is er echter geen enkele reden om aan

te nemen, dat het perspectief op lang zicht te optimistisch

zou zijn. In West-Europa kan men zich in de toekomst dus

baseren op afzetmogelijkheden, die aanzienlijk groter zijn

dan die van het ogenblik
84).

Op onze beurt willen wij pogen aan het absolutisme van

het theoretische model te ontkomen door hier direct enkele

relativiteiten op te sommen:
De berekeningen over de toename van het verbruik be-

rusten grotendeels op kwantitatieve factoren als bevolkings-

aanwas, stijging van het inkomen en elasticiteit van de

vraag. Talloze kwalitatieve factoren, die juist
bij
een raming

van het toekomstig textielverbruik een grote rol kunnen

spelen, hebben
wij
hier niet in aanmerking genomen
85).

Het cijfer van 34 pCt. moet dus enigszins sceptisch worden

geciteerd.

Het steeds groter wordende ,afzetvolume behoeft verder
niet volledig ter beschikking van een nationale industrie te

komen. Dat onder politieke druk ook anderen hun aandeel

in de markt kunnen verkrijgen is ons uit de voorgaande

beschouwingen wel duidelijk geworden. Toch is het goed,

dat wij hier nog even op een van deze storende invloeden

terugkomen.

Grote delen van het txtielpakket, dat internationaal

verhandeld wordt, kunnen als betaalmiddel worden• be-

schouwd. Textiel is immers licht van- gewicht, niet aan

bederf onderhevig en in bepaalde gewichtsklassen en con-.

structies bovendien gestandaardiseerd.
Bij ongefinishte doeksoorten speelt het moderisico geen

rol. Bij afgewerkte weefsels is dit laatste door het berekenen

van extreem lage, zgn. politieke,
prijzen
desnoods bij voor-

baat te ontgaan.

Ten slotte moeten wij niet vergeten, dat een transactie

in textiel commercieel bezien doorgaans finaal is. Met een

nasleep van garanties en het verlenen van technische ser-

vice behoeft vrijwel nooit gerekend te worden.

Het is deze gemakkelijke verhandelbaarheid van textiel,

die de industrie zo dikwijls parten speelt. Hoe dikwijls

komt het niet voor, dat bepaalde sectoren uit de zware

industrie, dringend om orders verlegen, afzet zoeken achter

het ijzeren gordijn. En hoe vaak is daarvan een ruil-

transactie met de landen van de staatshtndel het resultaat.

De werkgelegenheid in bepaalde afdelingen van de West-

europese metaalindustrie wordt daarom meermalen ver-

kregen door importen van consumptiegoederen uit Oost-

Europa toe te laten. Dat hierbij het internationale betaal-

middel, textiel, een belangrijke, plaats kan innemen is

logisch.

Met opzet schrijven wij hier niet, dat dit altijd g’ebeurt.

De regeringen van de E.E.G.-landen hebben tot dusverre

zeer veel begrip getoond voor de schade, die dergelijke

barter-transacties kunnen toebrengen. Het aantal van deze

) Volgens de meeste prognoses liggen de groeipercentaes in de orde van grootte van 25 á 35 pCt. voor perioden van 15
tot 20 jaar.
) Dr. M. K. Home wijst in de I.C.A.C.-publikatie:,,Quali-
tative factors and trends of world fibre consumptiön”
(1960)
op de invloed der kwalitatieve factoren.

altijd laaggeprijsde en stootsgewijs optredende importen is

dan ook gelukkig binnen de perken gebleven.

Indien deze politiek gecontinueerd wordt en indien hierbij

ook in de komende jaren dezelfde voorzichtigheid wordt

betracht als tijdens het totstandkomen van de akkoorden

van Genève het geval was, behoudt de textielindustrie de

kansen, die ‘zij op lang zicht voor zich ziet.

Met nadruk
wijzen
wij erop, dat het hier geen extra

gunst betreft. Het is een volkomen logisch gevolg van een

gezonde politiek van verdeling der lasten. Indien het een

land op een bepaald moment slecht gaat, indien ter in-

standhouding van de bijna heilige fuil-employment be-

paalde basisindustrieën van orders moeten worden voor-

zien, zullen daar wel eens offers voor moeten worden ge-

bracht. Akkoord, mits deze lasten dan ook zoveel mogelijk

over het gehele
bedrijfsleven
worden verdeeld.

Het is eigenlijk dezelfde gedachte die ten grondslag ligt

aan het streven dm de stormachtige industrialisatie der

.ontwikkelingsgebieden wat ordeljker te doen verlopen.

Wij hebben volledig begrip voor de noodzaak de explosieve

bevolkingsaanwas in overwegend agrarische gebieden door

een snelle industrialisatie op te vangen. Mits daarbij niet

al te eenzijdig wordt gehandeld; mits in de aanvang het

accent niet uitsluitend op de textielindustrie komt te

rusten; zoals wij reeds schreven dient juist in de ontwikke-

lingslanden veeleer onmiddellijk naar een diversificatie van

het economisch leven op een zo breed mogelijk vlak te

worden gestreefd
88).

Een van de karakteristieken van ‘Genève was het samen

optrekken van de E.E.G.-landen op handelspolitiek terrein.

Het ware te wensen, dat het niet
bij
dit alleszins geslaagde
experiment blijft. Het moet ons, levende binnen het regime

van de Gemeenschappelijke Markt, namelijk van het hart,
dat het contrast tussen het streven naar eenheid op 1 janu-

ari 1967 en het nog steeds halsstarrig volhouden van het
voeren van een ,,eigen” nationale handelspolitiek weinig

reëel aandoet.

Wij geloven dan ook, dat het verstandiger zou zijn, in-
dien men deze politiek liet varen. Het komt ons voor, dat
het verantwoord is indien men ook op dit punt de textiel-

industrie uitkiest om pionierswerk te verrichten.

Zoals de E.E.G. in 1961 als een eenheid optrad in Genève,

zo kan in de komende drie jaren naar eenzelfde gemeen-

schappelijke handelspolitiek op het gebied van de inter-

nationale textielhandel worden gestreefd.

86)
Als illustratie van het gevaar van een te eenzijdige oriëntatie
halen wij hier een passage aan uit een recente I.F.C.A.T.I.-
publikatie: ,,Africa as producer and consumer of cotton tex-tiles”, Cheriff Hassan (U.A.R.), Osaka
1961.
,,In
1961
constateerde het Zwitserse Ingenieursbureau
Gherzi
in Egypte het volgende:
Het aantal werklieden, nodig om 1.000 spuien te doen
functioneren, bedroeg in Europa 3, in Egypte met zijn reeds
jaren gevestigde industrie
9.
De produktie van een arbeider in Egypte was in
1961
ca.
24 pCt. minder dan in Europa, aangenomen dat de ver-gelijking betrekking had op hetzelfde garennummer en
dezelfde arbeidsuurproduktie.
Met 1.000 spuien produceerde Egypte gem. 2 kg 20er garen
(Eng. nr.) tegen Europa
64 & 74
kg per gelijke tijdseenheid”.
Aan deze situatie werd de rechtvaardiging van een steun aan
de industrie in Egypte ontleend. Dit aan de praktijk ontieende
beeld zegt o.i. meer dan theoretische beschouwingen voort-‘komende uit de leer van de internationale arbeidsverdeling.
Alleen door directe spreiding van de industrialisatie der ont-
wikkelingslanden zijn foutieve, eenzijdig gerichte investeringen,
in een bepaalde nog niet tot economische wasdom gekomen
bedrijfstak te voorkomen.

31

De zojuist jeschetste houdint.o.v. de handel met Oost-

Europa zou al dadelijk gezamenlijk verder uitgewerkt
-:

kunnen worden. In het volgend jaar zijn er, trouwens

momenten genoeg, waarop de E.E.G.-landen tot het in-

nemen van een gemeenschappelijk standpunt moeten

kmen. Wij noemen de zgn. Kennedy-ronde.

Het is niet aan ons om, aan het eind van deze uitvoerige

Inleiding, de pro’s en contra’s van dit Amerikaanse
mi-

E.
tiatief tegen elkaar af te wegen. De motieven der Verenigde

Staten om tot een wederzijde verlaging van invoerrechten

uit hoofde van de Trade Expansion Act te komen zijn in

hét algemeen interessant. Voor de textielsector dient echter

met een groot aantal bijzondere factoren rekening te worden

gehouden. Wij noemen bijv. het feit, dat het 7-punten

programma van President Kennedy (voorjaar 1961), waar-
uit de overeenkomsten van Genève zijn ontstaan,
bij
lange

na nog niet is afgewerkt.

Voordat de toepassing, van de Trade Expansion Act op

de internationale textielhandel overwogen wordt, zal een.

kritische studienoodzakeljk zijn. Mocht men echter voor
een keus komen te staan tussen toepassing van deze wet

en een goede uitvoering en uitbouw van het akkoord van

Genève, dan dient zonder twijfel aan dit laatste de voor-

t’.-

keur te worden gegeven.

-De markt, waarop de textielindustrie van Continentaal

• West-Europa in de jaren zestig en zeventig zal moeten
M.
opéreren, is bepaald geen eenvoudige. Afgezien van de

bijzondere storingsmogelijkheden van politieke aard, die
wij zojuist noemden, stelt de verdeling van West-Europa

in twee grote economische blokken de fabrikanten, die

:2

hun produkten in beide marktgemeenschappen plachten

af te zetten, voor problemen.

,.’ Wordt dit dan niet gecompenseerd door de grote voor-

delen, die ‘ verbonden zijn aan het handelen in een grote

– markt als die van de E.E.G. met zijn 164 mln, inwoners?

Weliswaar zijn• de uiteindelijke voordelen – ‘een sterke
• specialisatie gecombineerd met een relatief massale pro-

duktie die weer tal ‘van rationalisatievoordelen met zich

brengt – in den brede uitgemeten; voorlopig heeft de’ in-

terne af b/aak van de invoerrechten echter een verscherping

van de cncurrentie en een verlaging van de prijzen tot

gevolg. De benaming ,,Euromarkt-effect”, die daarvoor

gekozen is, heeft voor de fabrikanten geen erg opwekkende

klank.
Los van deze politieke invloeden is de textielmarkt toch

al hevig in beroering. Tijdens het laatste congres van

I.F.C.A.T.I. zijn aan dit verschijnsel vele besprekingen ge-

“,’

wijd
87).
Terwijl de afzetmogelijkheden van de textiel-
industrie in de komende decennia enkele tientallen pro-

• centen stijgen, behoort’het tot de plicht van iedere onder-

nemer daarvan een zo groot mogelijk aandëel te ver-
werven.

In navolging van de industriële revolutie, waaruit de

katoenindustrie is ontstaan, pleegt men de omwenteling,

die thans op commercieel gebied plaatsvindt, aan te duiden

– als-de distributionele revolutie
88).
De wijzigingen, die zich

voordoen in de status van distributiemedia, als grossiers

en confectioneurs, grootwinkelbedrijven en warenhuizen,

de coöperatief samenwerkende detaillisten en postorder-

,,Textile marketing in a changing world” door Dr. H. J.
Kuhimeijer (Textile Progress and Textile Marketing),
I.F.C.A.T.I., Zürich 1963.
De veranderingen in het distributiepatroon in West-
Europa,worden èveneens door Dr. H. J. Kuhlmeijer behandeld
in: ,,Textile Distribution in Western Europe”, Rotterdam 1963.

bedrijven, vragen om

een soepele aanpassing van de in-

dustrie.

Naast de toch al moeilijke opgaven, aan de kosten-

inflatie het hoofd te bieden, de kwaliteitsproduktie op te

voeren en de research te stimuleren, moeten de textiel-

fabrikanten meer dan ooit tevoren de juiste methode van

marketing van hun produkten zien uit te vinden.

Direct rijst hierbij

de vraag of de benadering van al deze

vraagstukken op de voor de textielindustrie klassieke,

individualistische wijze dient te geschieden. Historisch ge-

groeid in de Manchester-sfeer biedt vooral de katoen-

industrie nog altijd een, beeld van grote versnippering.

Talloos veel zijn – althans in West-Europa – de zelf-

standige produktie-eenheden, ‘ieder voor zich weer ge-

projecteerd tegen een achtergrond van horizontale of ver-

ticale fasegroeperingen: single spinners, single wevers en

_zelfstandige finishbedrijven naast geheel of gedeeltelijk ge-

integreerde bedrijven. Wanneer men dit grote terrein van

werkzaamheden overziet,
,
lijkt het verstandig, dat men
nieuwe wegen zoekt om zich sterk te maken voor de

komende strijd.

Om een enkel voorbeeld te noemen. Door de massificatie

van de consumptie in de grote markten van West-Europa

divergeren de belangen van de industrie en de handel. In

de distributie streeft men door assortimentsuitbreiding naar

grotere omzetten per vestigingsplaats; hieraan worden

weer nieuwe verkoopmethoden als de zelf bediening gekop-

peld. In de industrie zal men daarentegen uit zijn op een

inkrimpen
fr
van het artikelpakket, ten einde daardoor

rationeler te kunnen produceren.

Het is begrijpelijk, dat deze tegengestelde tendenties om

een andere aanpak zowel in de handel als in de industrie

vragen. In de sector van de voortbrenging zou men of de

technische eenheid van te kleine variabele bedrijven kunnen

vergroten of door een samenwerken van bestaande onder-

nemingen het gespecialiseerde aanbod op de gedifferen-

tieerde distributie kunnen afstemmen.

De laatste jaren hebben aangetoond, dat er vele mogelijk-

heden zijn om deze Tnieuwe vraagstukken gezamenlijk aan

te pakken. Het zich aaneensluiten van zelfstandige onder-

nemingen tot grotere produktie- en distributie-eenheden is

in de textielindustrie een bekend verschijnsel. Dat men

zich daarbij bepaald niet behoeft te beperken tot bedrijven,

die zich toeleggen op de verwerking van katoen en man-

made fibres, leren ons de collega’s in de Verenigde Staten.

Niet ten onrechte wijzigden zij onlangs de naam van hun

vereniging – de Arnerican Cotton Manufacturers Institute

– in: ‘American Textile Manufacturers Institute.

Hoewel de fusies binnen het kader van de textielindustrie

om zich heen grijpen, betekent het samengaan van zelf-

standige produktie-eenheden lang niet altijd de oplossing

voor alle problemen. Er vallen op dit gebied zowel’ ge-

slaagde als mislukte experimenten te registreren. Daarnaast

levert het financieel succes, dat sommige kleinere, tech-

nisch sterk gespecialiseerde eenheden behalen, het bewijs

van hun goed reéht op een zelfstandig voortbestaan.

Naast het concentratieverschijnsel in de eigenlijke textiel-

industrie zijn er nog tal van andere mogelijkheden van

samengaan in de totale bedrijfskolom. In Italië, Frankrijk

en Engeland hebben zich de laatste tijd vormen van samen-

werking voorgedaan, waarbij de grondstofproducenten’
verder verwerkende eenheden tot zich trokken. Verder

noemen wij het aantrekken van confectiebedrjven door

de textielindustrié en het voorkomen van een achterwaartse

32

integratie v’anuit de distributie naar de indus’trie. ,,Textiel”

in de ruimste zin des woords biedt dus een staalkaart van

mogelijkheden.

Er is een periode in het toentertijd rustige bestaan van

de International Federation geweest, dat naast één eeuwig
terugkerend agendapunt
89)
als belangrijk onderwerp van

discussie op de jaarvergadering ,,date and place of next

meeting” steeds weer naar voren kwam. Wel een contrast,

deze voor onze begrippen aan vraagstukken ,,arme” wereld

met de huidige tijd vol dynamiek op vrijwel elk gebied.

In Athene zullen voor het eerst na de tweede wereld-

oorlog de representanten van India naast de belangrijkste

weefselexporteurs uit Japan, West-Europa, de V.A.R. en

de Verenigde Staten aanwezig zijn. Tijdens enkele bijeen-

komsten zullen de inleidingen over de situatie in de textiel-

centra van Japan, Engeland, de Verenigde Staten en Con-

tinentaal West-Europa besproken worden. De collega’s
uit India zullen ongetwijfeld ook hun visie op de inter-

nationale ontwikkeling geven.

Het is een vrijwel uniek gebeuren, dat praktisch de ge-

hele industrie die zich met de internationale export van

weefsels uit katoen en man-made fibres bezig houdt, voor

het bespreken van alle daarmee samenhangende vraag-

stukken ieder jaar opnieuw bijeenkomt.

Natuurlijk worden tijdens deze vergaderingen onderlinge
meningsverschillen niet spoorslags uit de weg geruimd. Het

is echter al belangrijk, dat men een inzicht krijgt in de ver-

schillende standpunten, hoe subjectief of objectief deze ook

naar voren worden gebracht.

Niemand zal ontkennen, dat er in deze kring veel tegen-

stellingen bestaan. Tussen de deelnemers aan nieuw te

vormen markteenheden; tussen vertegenwoordigers van

89)
De noodzaak tot verbetering van het slechtst verpakte
artikel ter wereld: katoen.

industrie- en

ntwikkelings1andei; tussen grondstof-

producenten en -consumenten.

Ondanks deze c’bntroversen pleegt men echter toch in

grote harmonie tezamen te komen. In wezen is er trouwens

veel meer wat allen samen bindt. Het is immers mede irf

het belang van de Westerse wereld, dat de dynamiek van,.

Genève in de discussies over de werking van het Long –

Term Agreement on Cotton Textiles niet vergeten wordt.

Evenzo zullen de katoenproducenten begrijpen, dat de

afzef van ‘s werelds belangrijkste natuurvezel alleen gebaat –

kan zijn met het voortbestaan van een bloeiende katoen-

industrie in West-Europa.

Ook de spinners van de man-made fibres zullen als ge-

woonlijk de resultaten der discussies met belangstelling
t

bestuderen. Wat voor de katoenproducerende wereld geldt,

is ook op hen van toepassing. Het zou met de afzet van

rayon en synthetica wonderlijk gesteld zijn, als de volgende

produktiefase niet in goede welstand verkeerde.

Het doel van het bijwerken van dit welhaast traditioneel

geworden overzicht betreffende de katoenindustrie van

Continentaal West-Europa, is een bijdrage te leveren tot

de verlevendiging van de discussies, welke van 16 tot 19

september in Athene plaatsvinden. Wij verwachten, dat

deze gedachtenwisseling in de traditioneel prettige sfeer,

die de vergaderingen vân I.F.C.A.T.I. kenmerkt, zal worden

gehouden. De spirit, die wij het beste onder woorden kunnen

brengen door het Franse gezegde aan te halen waarmee

de geschiedschrijving van de eerste
55
jaren van het bestaan’

van I.F.C.A.T.i. besloten werd: ,,Je ne cherche pas â

convaincre d’erreur mon adversaire, mais â m’unir â lui

dans une vérité plus haute”
90)
.

Almelo, 1 september 1963.

W. T. KROESE.

90)
Lacordaire. Zie ook: ,,Historic Sketch (1904-1960)”,
I.F.C.A.T.I., 1960.

/

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.

Publikaties uit voorgaande jaren, waarin de grondslagen

voor de thans bijgewerkte tabellen en grafieken voorkomen:

1952 (Buxton): ,,De katoenindustrie van continentaal

West-Europa en de toekomst van de wereldmarkt voor –
katoenen manufacturen”, ,,E.-S.B.” van 10 september

1952.

1954 Buxton): ,,Verleden, heden en toekomst van de -‘

kalcerindustrie (1904-1954)”, ,,E.-S.B.” van 26mei1954.

1957 (Venetië): ,,De Westeuropese katoenindustrie in de

kentering dertijdén”, ,,E.-S.B.” van 25 september 1957.

1959 (Wenen): ,,De Westeuropese katoenindustrie en de

nieuwe marktvormen”, ,,E.-S.B.” van 17juni 1959.

1960 (Amsterdam): ,,De Westeuropese katoenindustrie in,

een nieuwe periode van ontwikkeling”, ,,E.-S.B.” van

28 september 1960.

• Bij een verwijzing naar deze publikaties zal gemakshalve

met de aanduiding van I.F.C.A.T.I., plaats en jaar van de

conferentie worden volstaan. :

In de bijlagen 2 t/m 16 en 18 t/m 21 zijn de cijfers

verwerkt, welke als basis dienden voor de verschillende

tussen de tekst afgedrukte irafieken. Daar het in enkele

gevallen gaat om de weergave van bepaaldetrends in de

ontwikkeling, en dergelijke tabellen ook in voorgaande

publikaties (1954 en 1957; zie bijlage 1) zijn afgedrukt,
worden in de bijlagen 2a, 2ben 4 slechts de bijgewerkte

cijfers van de laatste 10 jaar vermeld. Desgewenst zijn

aanvullende gegevens ter inzage bij het Economisch

Instituut voor de Textielindustrie te Rotterdam en het

Centraal Bureau van de Nederlandse Katoen-, Rayon-

en Linnenindustri& te Arnhem.

33

r
BIJLAGE 2a.

Production of cotton in the
‘free
world

(1.000 bales of 478 lbs.)

North America
Middie and South
Asia
Africa
America
Western
Total

Year
Others
.
.
Europe
wor id
U.S.A.
(mcl.
Brazil
Others
India
Pakistan
Others Egypt Others
Mexico)

bales

0/,
bales
%
bales
%
bales
%
bales
%
bales bales

0/
bales
%
bales
%
bales
‘/
bales
%

1953154 ….
16.402
54
1.422
5
1.450
5
1.380
5
3.770
12
1.184
4
1.377
4
1.467
5
1.573
5
260
1
30.285
100
1954155….
13.630
46 2.167
8
1.650
6
1.180
4
4.425
15
1.309
4
1.659
6
1.605
5
1.607
5
342
1
29.574
lOO
1955156 ….
14.680
47
2.606
8
1.700
5
1.229
4
3.880
12
1.450
5
1.748
6
1.541
5
1.728
6
520
2
31.082
100
1956157 ….
13.027
45
2.284
8
1.300
4
1.218
4
4.180
14
1.415
5
1.820
6
1.498
5
1880
7
514
2
29.136
100
1957158 ….
10.960
39
2.587
9
1.350
5
1.436
5
4.430
16
1.412
5
1.772
6
1.870
7
1.638
6
509
2
27.964
100

1958159 ….
11.504
40
2.863
10
1.400
5
1.268
4
4.220
14
1.270
4
1.919
7
2.057
7
2.103
7
524
2
29.128
lOO
1959160 ….
14.555
47
2.020
6
1.700
5
1.455
5
3.350
II
1.360
4
2.099
7
2.109
7
1.967
6
619
2
31.234
100 1960161

….
14.453
43
2.554
8
1.950
6
1.499
4,
4.650
14
1.405
4
2.112
6
2.205
7
1.968
6
657
2
33.453
100
1961162 ….
14.448
43
2.679
8
2.500
7
1.604
5
4.075
12
1.510
4
2.550
7
1.548
5
2.019
6
973
3
33.906
100
1962/63 ….
14.900
41
3.252
9
2.200
6
1.677
5
4.830
13
1.635
4 2.712
7
2.109
6
.2.221
6
943
3
36.479
100

Source:
Base-book 1963, I.C.A.C.

BIJLAGE 2b.

Production of cotton in the communist world

(1.000 bales of 478 lbs.)

Eastern
Total
U.S.S.R.
(M

isd)
Europe and
ether
cornnist
Y
ear


countries
world
BIJLAGE 3.

bales

1
%
bales

%
bales_j
Y.
bales
1
7.
Prices of cotton, ryon-yarn and rayon-fibre in
U.S.A. and

United Kingdoin
6.100
54
5.000
44 264
2
11.364
100
6.700
59
4.500
39
242
2
11.442
100
(in
$
cents per Ib.)

6.150
49
6.300
50
140
1
12.590
100
6.900
53
6.000
46
123
1
13.023
100 U.S.A.
6.700
49
6.800
50
118
1
13.618
100

1953154

………
1954155

………
1955156

………

6.900
44
8.700
55
102
1
15.702
100
Year
Cotton a)
Rayon-yarn
b)
Rayon-fibre c)

1956157

………
1957158

………

7.400
46
8.500.
53
115
1
16.015
100
1958159

………
1959160

………
6.850
51
6.515
48 126
1
13.491
100
1951
414
78


400
1960161

………
1961162 ……..
7.050
58
5.018
41
70
1
12.138
100
1952

……….

*
388
78
397
1962163
6700
56
5200
43 85
1
11985
100
1953
338
78
350
Source:
Base.book
1963, I.C.A.C.
1954

…………..
35,0
78
34,0
1955

.

…………
34,9
82
33,7
1956

…………..
34,8
86
32,0
BIJLAGE 16.
.
1958

:::::::::::.::

….

Imports and exports of cotton piece go’ods in Western Europe
{60

:
:::
: : :
:::::::

…. ….

(in 1.000 tons)
.
32,3
82
27,2
E.E.C. countries
1961

. ……
……..
1962

…………..
.
33,5
82
27,0

1
.
al Averaac snotnrice St the 14 desienated sootmarkets.
basis 1

inch

Imports:

22.7
37.7
6.4
5.9
14.5
15.9
E.F.T.A……………………….

Total
43.6
J

59.5

Other countries …………………

Exports:

Internal trade

………………….

25.1
39.0
24.2

.
31.1
60.2

.
67.5

Internal trade

………………….
E.F.T.A………………………..
Other countries …………………

Total
109.5 137.6

E.F.T.A. countries

0
,


1958
1962

Jmports:
8.4


11.1
E.E.0 ………………………..
22.!
35.0 60.2 83.9

Total
90.7
130.0
k
Exports:

Onternal trade

…………………..

Other countries ………………….
..

9.7
11.3
E.E.0 ………………………..
5.2
5.0
Internal trade

…………………..

58.1
45.6
Other countries
.
…………………

Total

..

73.0 61.9

Source:
O.E.E.C.

,.

34

middling.
b) 150 denier viscose.
c). 11 denier.
Source:
Texeile Organon.
Base-book.

United Kingdom –

Year
Cotton a)
Rayon-yarn b)
Rayon-fibre c)

46,2
68
30
41,1


68
31
1951

…………….

39,6
68
28
1952

……………
1953

…………….
40,7
68 28
39,8
68 28
33.4
72
28
1957

…………..

35,8
75
28

1954

…………….

32,7
75

.
28

1955

……………..
1956

…………….

29,8
75
27
1958

……………

3!,!
76
.

27
1959

……………
1960

……………
31,2
78
27
1961……………
1962

……………
30,3
78
27

a)C.i.f. quotations at Liverpool.
Memphis Territory SM li/, inch.
150 denier viscose.
1. denier.
Source:
Textile Organon.
Base-book.

/



.
-z•

World production of cerlain textile fibres
0
BIJLAGE
4

(in mln.
lbs.)

Man-made
fibres
Raw Cotton
Raw
wool
Raw silk
Total Rayon + Acetate
Non
Total
Year cellu-
yarn
staple
total
lbs.
.
%
lbs.
1

%
lbs.
%
lbs.
%
losic
lbs.
%

1951
2.l22
1.888
4.010
228
4.238

17
18.497
74
2.340
9
47
25.122
100
1952
1.831
1.703
3.534
285
3.819

15
19.165
75
2.551
10
59
25.594
100
1953
2.088
2.066 4.154
350
4.504

17
19.976
74
2.568
9 59

.
27.107
100
1954
2.042

2.427
4.469
429
4.898

18
19.656
72
2.624
lO
58
27.236
100
1955
2.311
2.721
5.032
580
5.612

19
20.924
71
2.789
10
64 29.389
100

1956
2.262 2.997
5.259
675
5.934

20
20.315
70
2.950
10
69
29.268
100
1957
2.332
3.125
5.457
895
6.352

22
19.908
68
2.889
10
69
29.218
100
1958
2.113
2.914
5.027
921
5.948

20
21.464
70
3.051
10
75
30.538
lOO
1959
2.397 3.160
5.557
1.272
6.829

21
22.617
69
3.222

10
72
32.740
100
1960
2.482 3.256
5.738
1.565
7.303

22
22.617
68
3.224
10
69
33.213
lOO

1961
2.513
3.418
5.931
1.847
7.778

23
22.774
67
3.277.
10
70
33.899
100
1962 2.651
3.663
6.314 2.380 8.694

24
23.863
67
3.237
9 73
35.867
100
Source: Textile
Organon.

Spinning capacity of the cotton
industry in
the
free

world
.
BIJLAGE
5.
(x 1.000 spinning
spindles)

Western Europe
U.S.A.
India
Japan a)
Other countries b)
Total

spindles
/
spindles
/
spindles
Year

/0
spindles,
,
spindles
%
spindlea
/

1914

……………..
87.938
67
31.520
24
6.397
5
3.388
.
3
2.200
1
131.443
100 1929

……………..
91.457
62
34.829
24
8.704
6
6.530
4
6.241
4
147.761
100
68.573
55
25.378
21
10.054
8
11.389
9
9.310
7
124.704
lOO
55
23.007
22
10.534
10
4.377
4 8.706
9
103.914
100 50
22.247
21
11.888
11
9.929
9
9.990
9
107.869
100
49.121
45
20.878
19
12.907
12
12.455
II
14.777
13
110.138
100

1939

…………….
1950

……………..57.290

46.937
43
20.681
19
13.272
12
12.896
12
14.918
14

.
108.704
100
1955

……………..53.815
1958

……………..

40.400
39
20.111
20
13.535
13
13.012
13
15.515
15
102.573
lOO
1959

……………..
1960

……………..
35.298
36
19.916
20
13.864
14
13.218
14
15.849
16
98.145
lOO
1961

……………..
1962

……………..
34.328
35
19.561
20
13.985

14
13.319
13
17.532

18
98.725
lOO
1963

……………..
32.310
33
19.518
20
14.138
14
13.332
14
19.000
19
98.298
100

a) mcl. spindles spinning rayon and synthetic libres.

1958 – 3.438.000

1961 – 4.197.000

1959 – 3.875.000

1962 – 4.299.000

1960 – 4.110.000

1963 – 4.090.000

b) Although new estimates would bring the number of
spindles to 45.000, we have not gone further than
a provisional extension of the trend of the last
5
years.

Number
of
spindles in %

(1939 = 100)

Year
Westerri Europe
U.S.A.
India
Japan
Other Countries

1914
128
124
64
30
24
1929
133
137
87
57
67 1939 100 100
100
100 100
1950
84
91
105
38
94
1955 78 88
118
87
107
1958
72
82
128 109 159
1959 68


81
132
113
.

160
1960
59 79
135
114 167
1961
51
78

138 116
170 1962
50

77
139 117
188
1963

– . .
47
77
141

117
204
Source: 1.F.C.A.T.I.

BIJLAGE 6.

Production
of
cotton and man-,nade fibre piece goods in the free world

(in mln. yards; mln. sq.yards; 1.000 quintals)

Year
Western Europe
U.S.A.
India
Japan
Pakistan
Hongkong
Other countries
Total

man-
man- man- man-
man-
man-
man-
man-
Cotton
made
Cotton
made
cotton
made
Cotton
made
cotton
made
cotton
made
cotton
made
cotton
made
libre
libre
libre libre libre libre

libre
libre

1912113
14.530
6.800
1.214
1.050

1.200
24.800
1929
12.367
8.056
2.419 2.648
1.500
27.000
1936138
.
10.205
1.835
8.530
1.002
3.975
50
3.873
1.297
30

2.500
190
29.100
4.400
1955
9.188
3.064
11.300
2.977
5.094
237
3.012
1.725
453
12
140
4.400 950 33.600
9.000
1956
9.410
3.236
11.300
2.538 5.307
259
3.476
2.141
500
15
210
4.700
980 34.900
9.200
1957


10.190
3.340
11.100
2.654
5.317
284
3.838
2.426
527

14
220
4.700
.

1.030
35.900
9.700
1958
9.750
3.105
10.500
2.705
4.927
333
3.165
2.089
576
9
270
4.800
1.020
34.000
9.300
1959
9.720
3.117
11.300
2.885
4.925
404
3.294 2.288
600
19
350
5.100
1.060
35.300
9.800
1960
10.470
3.321
10.900
2.754
5.048 417

3.853
2.695
641
26
430 5.400
1.110
36.700
10.300
1961
10.180
3.280
10.700
2.738 5.144
464
4.047
2.860
699 22
560
5.500
1.150
36.800
10.500
1962
9.820
3.500
10.800 3.056
4.988 440
3.687
2.742
725
25
510
5.900
1.210
36.400
11.000

Source:
Cotton Board..

35

Source:
Cotton Board.

36

1
World trade in
V.

1912113

1929

1936138

1957

1958

1959

1960

1961

P1962

.4nnualproduclion in the free world:


Cotton texti!es

……………….
..
24.800

27.000

29.100

35.900

34.000

35.200

36.700

36.900

36.400
Man-made fibre textiles

50

700

4.400 .

9.700

9.300

9.800

10.300

10.500

11.000
.4 nn’ual world Irade:

Total

…………
..
24.850

27.700

33.500

45.600

,

43.300

45.000

47.000

47.400

47.400

Cotton textilea

………………
..
9.850

7.700

6.000

5.150

4.550

5.050

5.750

5.500

5.200
Man-made fibre textilea

800

2.550

2.350

2.200

2.200

2.250

2:400

Total

9.850

7.700

6.800

7.700

6.900

1

7.250

7.950

7.750

7.600

40
28
20
17
16 16
17 16 16
of
woldproduclion:

BIJLAGE 7


Éxports and imports of cotton and man-made fibre piece goods in the
free’
world

– –

-.xports:

(in mln. yards; mln. sq. yards; 1.000 quintals)
E.

Western Europe
U.S.A.
India Japan
Other countries
Total

Year
man-made

man-m ade
man-made man-made
1
man-made man-made

cotton
libre
cotton

libre
co tton fibre
co
tton
fibre
cotton
libre
cotton
fibre

1912113
8.999
445
89
280
30
9.850
5.174
564
146 1.791
25
7.700
3.016
298
252
19
203 2.511
502
30
5
6.000
800
1937

…………..
..
2.072
.

826 552
220
749
1
1.139
911
238
10
4.750 2.000
846
519
220 744
‘ 3
1.262
1.142′
246
15
4.700
2.250 950
559 208
880
3
1.468 1.370 300
25
5.150
2.550

1929

…………..
..

857
506
158
622
26
1.245 1.279
350
20
4.550
2.350

1955

……………
.

1959

……………
932 473
167
850
20
1.263
1.051
480 20 5.050 2.200

1956

……………1.909
1957

……………1.948

2.452
918
439
157
724
39
1.425 1.067
720 20 5.750 2.200

1958

……………1.814
2
..008

2.241
930
472
142
582
79
1.411
1.064
780
20
5.500
2.250
1960

…………..
.
1961

…………..
..
1962

…………..
.
2.054
1.100 415
143
538 85
1.448
1.036
740
20 5.200 2.400

– Imports:

1913
1929
1936-38 a)
1955
1956
1957
1958

1959
1960
1961
1962


cotton cotton
cotton
man-
made
cotton
man-
made
cotton
man- made
cotton
man
;

made
cotton
man-
made
cotton
man-
made
cotton
man-
made
cotton
man-
made
cotton
man-
made
libre
fibre
libre
fibre
fibre fibre fibre
libre
libre

3.197 1.910 667
114
7
9
12
8
12
4
5
5
5
9
4 2
2
1
1
– –
tapan

…………
60
14
1



2
1
1
1
2

1 1




47
61
107
5
141
7
197
13
127
15
146
22
250
50
464
47
266

35
478
52
Western Europe
1.242
991
651
124
1.194
445
1.149
523
1.453
622
1.443
555
1.781
531
2.292
638
2.239
771
1.995 877

4.546 2.976
1.426
243 1.342
461
1.358
546
1.593
642
1.595
584
2.036
590
2.761
688
2.507
807
2.474
929
Olhercountriesin:
1.170
1.410
1.605
137
1.555
663
1.490 740
1.575
830
1.430
710
1.405
565
1.570
595
1.560
550
1.460 510

India

……………

America:



U.S.A.


………….

Centra!
310 310
273
30
240
108
240
80
270
100
260
100
240
95
240
90 230
85
230
90
111
95
8
197
39
225
41
244
48 256
54
270
62
282
59
291
59
282
65

Africa

………….

South
790
.
740
578 34
100
39
100
40
125
40
110
35
90
60 80
60
70
50
70
50
Asia

……
..
……
1.590
1.975
1.930
296
1.710 713
1.980
840
2.040
670
1.620
710
1.540
620 1.670
520
1.670
610
1.420 570

North ……….135

Australia
240
..
235
225
87
321
72
277
53
333
46
363
48 362
43
427
48 337
42
362
45

Total

.
……..-
8,860
7.750
6.150
850
5.450
2.100
5.650 2.350
6.200 2.400 5.650 2.250
5.950
2.050 7.050
2.050
6.650 2.200 6.300 2.250

a) Year 1937.
Source:
Cotton Board.

BJLAGE 8.

Estimated export from communist countries

(mln. square yards)

Cotton piece goods’
1950
1951
1952
1953
1954

1955
1956 1957
1958
1959

1
160
1961
1962

USSR
Eastern Europe China

Total

126
460
290

194
420
350

185
320 350

184
410
550
213
540
560

219
510
440

211


520
460

340
300 330 540 640

720 880
960 860
1.140 1.310
1.170
1.190

Source:
Cotton Board.

BIJLAGE 9.

– –

Estimatedproduction and international (rade of cotton man-made fibre piece goods in the
free
world

(in mln. yarda; mln. sq. yards; 1.000 quintals)

t
,

1

t

1

BIJLAGE 10.

Spinning capacity of the cotton industry in Western Europe

Country
1914 1929 1939 1950
1958
1959 1960
1961
1962 1963

European Economie
Communily

Belgiun,

.
.
…………………………………..

M
S-
510
451
259
110

R
1.008
1.705
1.725
1.733
1.590
1.581 1.521
.,
1.493
1.470
1.463

France

………………………………………

M
4.014
3.441
2.265
1.358
242
207
108
104
49

R
3.386 6.439
7.256
6.755
6.072
6.073
5.963
5.697 5.418
5.021

Western Germany a)

…………………………..

M
5.450 4.630
2.790
223

R
5.955
6.620
7.500
5.717
6.028
6.120
5.948
5.909
5.817 5.605

Italy

………………………………………

M
1.205
678 550
89

7
7
4
4 4

R

..

3.395
4.532
4.782
5.497
5.434 5.205
4.850
4.607 4.517 4.453


M
R

..

194
305
25
1

909
248
993
158
1.012
II
1.036
4
1.037
4
1.027
2
1.018
2
1.011
2
983
Netherlands

…………………………………..

M
R

..

11.373
14.049
9.451
20.205
6.112
22.256
1.938
20.714
260
20.160

218
20.016
116
19.309
110
18.724
.
18.233
2
17.525

25.422 29.656
28.368
22.652
20.420
20.234
19.425
18.834 18.288
J

17.527

European Free Trade .4ssocialion

United Kingdom ………………………………

M
R
45.149
10.822
42.776
13.141
24.100
10.300
18.415
10.210
11.723
10.281
9.882
10.007
6.150 7.954
2.824 6.886 2.724
6.741
2.069
5.984

Othercountries

………………………………

M
R

..

2.139
1.926
1.314
2.433
581
2.583
104
3.112
24
3.503
20
3.441
17
3.437
18
3.436
7
3.433
7′
3.353

E.E.C.-total

……………………………

E.F.T.A.-total

…………………………..
M
R
47.288
12.748
44.090
15.574
24.681 12.883
18.519
13.322
11.747
13.784
9.902
13.448
6.167
11.391
2.842
10.322
2.731
10.174
2.076
9.337

Total

………………………….

..

60.036 59.664 37.564
31.841 25.531
23.350
17.558
13.164 12.905
11.413

..


01/ier countries

(Finland, Greece, Tristi-republic, Spain) …………….
..M
R
1.130
1.350
56
2.081 509
2.132
440
2.357
127
3.043

(1.000 spindles)

9.7541

141
3.212
128
3.289
129
3.171
,l20
3.014
34
3.336

Total

………………………….

2.480
2.137
2.641
2.797 3.170
3.353
3.417
3.300
3.134
3.370

R
..
M
59.791
28.147
53.597 37.860
31.302
37.271
20.897
36.393
12.134
36.987
10.261
36.676
6.411
33.989
3.081
32.217
2.906
31.421
2:112
30.198

Total

……………………………

Total Weslern Europe


.
……………………….

Total

……………………………
.
87.938
91.457
68.573
57.290
49.121
46.937
40.400
35.298
34.327
32.310

M

Mule
spindles.
R
=
Ring spindtes.

a) 1914-1929-1939 are for the whole of Germany.
Source:
!.F.C.A.T.1.

Tabel 11 staat op blz. 38
J

BIJLAGE 12a.

Production and exports of cotton and man-made fibre piece goods in Western Europe
Production:

.

(in
mln. yards; mln. sq. yards; 1.000 quintals)

19121
1937
1955
1956
1957 1958 1959 1960
1961

1962
13

otton
cotton
man-
made
cotton
man-
made
cotton
man-
made
cotton
man-
made
cotton
man-
made
Ctton
man-
made
~eo
tton
man-
made
Cotton
man-
made
Cotton
man-
made
fibre
libre libre libre
libre
libre libre libre
libre

Belgium and Luxembourg
350
515
40
741
70
796
82
846,
94
672
84
747
90
844
104
816
118
793
152
1.510
1.635
250
1.638
515
1.657
556
1.908
614
1.967
617
1.904 561
2.113
651
1.989
556
1.983
620
Western Germany
2.130 2.030
480
1.419
673 1.530
730
1.632
681
1.570
630
1.577
661
1.674
713
1.574
728
1.400
770

France

………………


Italy

………………
1.020
894
450
1.011
444
1.064
462
l.t66
523
1.144
526
1.204
574
1.336
620
1.312
640
1.368
686
415 570
40
629
80
648
78
660
73
606
79
633
86
712
90
704
94 657
120
Netherlands

………….

Total E.E.0 ……

5.425
!
5
.
644
1
1.2601
5.4381
1
.
782
1
5
.
695
1
1
.
908
1
6
.
212
1
1.9851
1.9361
6
.
065
1
1.9721
6.6791 2.1781
6
.
395
1
2
.
136
1
6.2011
2.348

United Kingdon
8.000

..

3.320
482
1.781
698
1.612
702
1.628
660
1.429
601
1.337
590
1.294
617
1.235
607
1.
565

TotalE.F.T.A.
.
8
.
315
1
3.981!
5341
2
.
710
1
1.0
9
2
!
2.533!
1.037j

2.681
!
1.058
1
2.475
!
962
1
2
.
315
1
962
1
2.375
1
2.340
1
9901
2.1401
970

fotal other countries
790 580
41
1.040
280
1.182
291
1.297
297
1.320
207
1.340
183
1.420
150
1.440
160
1.480
180

Total

………….
14.530
!
l0
.
205
!
1
.
835
1
9.l88
!
3
.
064
!
9.410
!
3.236!l0.190
3.340j
3.105!
9.720j
3.117
!
l0.474
!
3.321
!
l0
.
175
!
3.286
!
9.821!
3.49

• Source:
Cotton Board.

37

BIJLAGE II.

Weaving capacity of the cotton industry in Western Europe

(1.000 looms)

Country
1930
1952
1958
1959
1960
1961
1962
1963

European
Economic Community

Belgium…….

. ………………………………

0
54,4
25,7
23,3
21,2
20,4
19,7

.
17,4 16,8
A

10,9
10,3
11,3
11,0
11,0
12,1 12,1

0
182,6
92,7 60,4
575
53,9
49,9
44.3

38,7
A
17,5
64,2
67,5
67,0
66,3

1

66,3
62;1
63,6

0
.
199,4
98,0
67,8
61,3

53,4
47,4
39,2
30,0
A
24,6
42,5
59,7
64,5
66,9 69,0
68,7
66,7

0

..

119,7
51,2
35,5
29,4
25,!
20,8
16,7
15,0

France

……………………………………….

A
26,8 50,0 79,6
79,9
78,1
77,2
77,1
76,1

0
52,3
32,4
22,6
20,5
19,2
s16,4
14,5
12.’

Italy

…………………………………………

A
2,5 7,7
14,9 15,2
15,5
16,5 17,4
18,2

0
608,4
300,0
2096
,
189,9
172,0
154,2
132,1
112,6
A
71,4
175,3
232,0
237,9 237,8
240,0 237,4
236,7

Western Germany a)

……………………………


679,8
1

475,3
441,6
1

427,8
1

409,8
1

394,2
1

369,5
1

349,3

European Free Trade ..4ssociation

Nietherlands

……………………………………

Total

…………………………..

0
A
678,8
14,1
315,4
34,3
244,0
49,0
209,0 48,0
175,0
48,0
119,0
49,0
117,0
47,0
100,0
48,0

0
65,1
46,5 41,9 39,4
37,3
35,7
34,1
32,7

United Kingdorn b)

…………………………….

*
A
15,5
28,5
34,7
32,4 34,4
35,8
.
36,8
37,0

E.E.C.:total

…………………………….

E.F.T.A.-total

……………
…………….

..
0
A
743,9
29,6
361,9
62,8
285,9
.83,7
248,4
.

80,4
212,3
82,4
154,7
84,8
.
151,1
83,8
132,7
85,0

Total

………

…………..
.
……..
773,5
424,7
369,6
328,8
294,7
239,5
234,9 217,7

91/,er couniries

Dther countries ………………………………….

Finland, Greece, Irish-republic, Spain)

……………..
0
A
90,9
0,8
68,4
13,8
68,2 20,2
67,3
19,0
67,5
19,3
66,6
18,7
58,3
16,0
46,9
27,6

..

91,7 82,2
88,4
86,3
86,8 85,3
74,3
74,5

0
A
1.443,2
IOt,8
730,3
251,9
563,7 335,9
505,6
337,3
451,8
339,5
375,5 343,5 341,5 337,2
292,2
349,3

Total
.-

.
..

Total Western Europe …………………….

Total

…………………………
..
l.545,0
982,2
899,6
842,9 791,3
719,0
j

678,7
641.5

o

Ordinary looms.
A
=
Automatic looms
(mcl.
looms with automatic attachments).
Source:
I.F.C.A.T.I.

BIJLAGE 12b.
Exports:

1930 the whole of Germany.
1930 United Kingdom and Spain: tooms
with automatic attachments are
classified as ordinary
looma.

19121
1937
1955
1956
1957

.
1958
1959 1960
1961
1962
13

man-
man-
man-
man-
man-
man-
man-
man-
man.
cotton
cotton
made
cotton
made
cotton
made
cotton
made
cotton
made
Cotton made
c
made
~
cotton
made
cotton
made
fibre
fibre
libre
libre
libre
fibre
libre
libre libre

IelgiumandLuxembourg
160
142
10
211
47
222
63
224
8!
192
78
216
99
274
93
266
97
277
123
443
374
40
389
134
315
128
318
141
309
153
406
149
524
140
484
133
455
164
Western Germany
390
193
50
248
231
207
217 218 225
202
206
243 218
285 214
279
208
249
231
490
365
96
101
109
96
113
106
120 110
83
91
152
117
192
113
227
92
244
340
186
5
238
42 256 46
250
86 267
90
303
86
340
80
307
81
296
104

France ………………

Total E.E.0
1
.
823
1
1
.
260
1
201
1
1.1871
5631

1
.
096
1
5671
1.1161

653
1
1
.
080
1
610
1
1
.
259
1
704
1
1
.
540
1
819
1
1.4491
7461

1.3691

866

taly
.
………………….

Jnited Kingdom
7.075
1.648
77
652
187
570
173
570
160
483
118
44
91
407
77
365
61
2991
80

“l etherlands

………….

Total E.F.T.A.
. .
7.1201
1.7561
971
840
1
259
1
77
9
1
262
1
796
1
271
1
709
1
234
1
670
1
198
1
7151
177
1
635
1
1651

6011
218

Cotal other countries

. . .
56

45,
4
’34
17
36 26 25
13
79
30
197
22
157
l5
84
18

Total

………….
8.999
1
3
.
016
1
298
1
2
.
072
1
826
1
1
.
909
1
846
1
1.9481
01
1.8141
857
1
2.008
1
932
1

1452
1
9181
2.241
926
1
2.0541
1.102

Source:
Cotton Board.

38

/

oource;
n..otson Doaru.

39

1

BIJLAGE 13.
Cotton balance of Western Europe

1962
(1.000 metric tons)

Other
E.E.C.

E.F.T.A. countries

Total
d)

Raw Cotton:
.

412 417
Imports

…………….
920
467
86
1.473

925 467
498

1.890
Exports

Re-exports
. . . .
16
6
173

195

Production

……………S

909

461

325

..

1.695
Raw Cotton changes in stock
+

52


74


68

90

Consumption of raw Cotton by
96
1

387

257

.

1.605

Cotton waste imports, ex-
ports

and

changes

in
89

12
28
129

spinning muts a)
……….

Cotton yarn b)
872

375
229
1.476
43

32
4
79

StOCkt
……………..

Produetion
…………….
Imports
………………

915

407

233

1.555

Exports
………………..
63

25

4

92

852

382

1

229.

1.463
Changes in stocs and yarn
consumption outside cotton
weaving and in waste, and
xChlal4Chcops industry
….
– 106 109 60 – 275

Yarn consumption by Cot-
ton weaving muIs c)

746

273

169

1.188

Cotton yarn waste

54

9

20

83

Cotton cloth:

Production
…………….
692

264

149

1.105

Tmports
………………
58

132

6

196

750

396

155

1.301

Exports
.
……………..137

60

8

205

Cotton cloth available for
home consumption

613

336

147

1.096

1961 figure for Cotton Consumption used for Turkey.
For Cotton Yarn and Cotton Cloth, figures for produCtion and con-
sumption are for Cotton yarns and waste yarns, i.e. the schtauChCops industry
is negleCted with respeCt to its contribution towards the total production
figures for Cotton cloth. Figures for Cotton yarns and waste yarns are also
more Consistent.
C)
Yarn consumption for Turkey estimated to be 70 (000 metriC tons).
d) ,,Other countries” includes Finland, Greece, Spain and Turkey.
Source:
Cotton Board etc. Other sourCes: ProduCtion and Consumption figures for yarns and ClOthS – I.F.CA.T.I.; Raw cotton figuren – J.C.A.C.;

BIJLAGE 14.

Man-made fibre balance of Western Europe

1962

(1.000 metric tons)
E.E.C.
E.F.T.A.
CoUntrieS
Total
Grand totals
899
427
86
1.412
36
15
106
Exportsfibres

………….
.
79
109
22
310
tmports filament yarn
47
31
13
91
Exports filament yarn
125
47
0
172
tmports stapte yarn
17
10
4
31
Exports stapte yarn
19
16
2
,
37

ProduCtion
………………
tmports fibres
…………..

..55

Imports filament yarn fabriCs
22
It
,

4
37
Exports fitament yarn fabrics
37

..

12
1
50
Imports stapte yarn fabrics
.
28
17
4
49
Exports stapte yarn fabriCs
.
52
12
t
65

Balance
…………..
656
336

1

100
1.092

Remarks:
Al
SinCe trade StatistiCs Covering 1962 were not yet available in some Western
European Countries, we have estimated the relevant import and export
figures. For the more we draw your attention to the faCt that in some
Countries separate details concerning rayon/synthetic yarns


fibres
and

fabriCs are not available, which made It neCessary to give rough
estimates.
All import/export figures cover the internal trade between the relevant
.
Country-btocs.


Rayon

=
visCose, acetate and Cupro (mCI. tyre yarns and tyrecord
fabrics).

Synthetics
=
mCI. tyre yarns and tyrecord fabrics.
0
= <
500 tons.
1
,0ther Countries” includes: Finland, Greece, Ireland, Spain and Turkey.
Imports

and exports figures concerning blended

fibre-yarns -and

fabrics are classified in

accordance with the

Brussels nomenclature
(heavier in weight principle).
Western European consumption of yarnn, spun from man-made fibres,
in cotton, and silk weaving mills abt. 350 tons.
Source:
A.K.U. statistics.

BIJLAGE IS..

Textile trade between Belgium and the Netherlands

(1949
=
100)

Year

t

me
a
rais

Yarns
prccts
a
>
re

100 100 100 100
126 159
311
156
119 147
228
138
172
131
209
170
188 182
277
198

1950

……………….
1951

………………

189
196
326
208

1952

………………
1953

……………….

215

*
159
322
220

1949

………………

217
168
364
228 275
169
389
251

1954

……………..

237
154
373 229

1955

…………….
1956

…………….

1959

…………..
256′
183
266

1957

…………….
1958

……………

177
208 507
271
1960

……………..
175

..

188
582 279


1961

……………
1962

……………
164
212
615
296

11

onsurnp.on ngures lor raw cotton – 5.t.L.A. 1.1.

Source:
Dutch statistics.

BIJLAGE 21.

Ourput of cotton yarn
(1951 = 100)

U.S.A.
Japan
UK.
W.
Germany
France
ttaly
Belgiuns
Netherlands

Vear
mln. lbs.
%
mln. lbs.
%
mln. lbs:
%
mln. lbs.
%
mln. lbs.
%
mln. lbs.
%
mln. lbs.
%
mln. lbs.
%

1951
4.792
100
.

743
100
865
100
512
100
508
100
422
100
231
100
123
100
1952
4.388


92
779
105
591
68
458
89
479
94
382
91
179
77
109
89 1953
4.447
93
914
123
693
80
533
104
490
96
361
86
196 85
122
99
1954
4.059
85
1.024
138
740
86
580
113
549
108
368
.
87
218
94
131
107
1955
4.319
90
923
124
647
75
588
115
490
96
320
76
209
90
137
III
1956
4.301
90
1.087
146
597
69′
639
125
522
103
333
79
214
93
137
III
1957
4.014
84
1.140
153
622
72
690
135
584
115
377 89
221
96
143
116
1958
3.889
81
968
130

527
61
648
126
574
113
353 84
174
75
.

139 113
959
4.282
89
1.048
141
508
59
647
126
522
103
383
91
199
86
144 117
1960
4.162
87
1.216
164
495
57
694
136
620
122
426
101
212
92
159 129
1961

…….
4.074
85
1.231
1
166
455
53
.

672
131
617
121
425
101
212
92
159 129
1962
4.187
87
1.083
146
393 45
625
122
574
113
429
102
194
84 150
122

1.1

Tabel 16 staat op blz. 34

BIJLAGE 17.

‘Supply of the needs on the home-,narket of the E.E.C.

countries through the national cotton industries

1962.
Total
Cotton

Other piece
goods

tons
%
tons

%
tons

S

Belgium:
Delivery home industry
34.930
77
31.760
79
3.170
61
10.477
23
8.481
21
1.996
39
Imports

…………..

45.407
lOO
40.241
lOO
5.166
lOO

50.374
43.793
6.581

Total

………..

Exports

…………..

France (Metropole):
1
Delivery home industry
189.040
97
181.300
L
97
7.737
100
6.000
3
6.000
3


Imports

…………..

195.040
1

100
187.300
lOO
7.737
lOO

51.748 51.748

Total

………..

Eports

…………..

Italy: Oelivery home iduttry
186.200
96
151.400
96
34.800
95
8.728
4
6.927
4
1.801
5
Imports

…………..

194.928
100

158.327
1

100′
36.601
1

100

26.513
9.248
17.265

Total

………..

Exports

…………..

Netherlands:
Delivery home industry
44.881
68
37.711
74
7.170
48
20.904
32
13.156

26
7.748
52
Imports

…………..

Totala)
65.785
1

1001.50.867
100
14.918
100
37.497
31.857
5.640
Exports b) …………

Western Germany:
Delivery home industry
265.000
93
209.400
94
55.600
88
21.351
7
13.743
6
7.608
12
Imports

…………..

286.351
lOO
2’23.143
1100
1
63.208
1

lOO

22.219
16.243
5.976

Total

………..

Exports

…………..
(

1952
1954
1956 1958 1960

E.E.0.

……….
A
99
113
112 114 124
B
85
107 112
117

,
127

U.S.A.

……….
A
95 88 93 83 89
B
94
88
94
84 93

U.K ………….
A
68 88 73 62 59
B
66
94
85
79
90

A

148
182
218
192

258

..

B


243
276
359
297
398
iapan

…………..

India

………….
A
128 142
154
153 157
B
152
163
182
-.

185
189

Pakista

………
A

..

191
556
841
944
1.067
..B
106 124
158
182 162
A = production (miii consumption of raw cotton)

B

consumption (miii consumption of raw cotton piufs net-trade in
cotton manufacturers, both in terms of raw cotton)
Source: Geneva documentation.

40

Remark: alt figures are mci. grey cioth.
Exci. grey cioth.
mci.
grey cloth.
Source: Information given by the various national associations.

BIJLAGE 18.

.

Trends in production and comsu1nption of cotton

manufactures between 1950 and 1960

(1950 = 100)

S

BIJLAGE 19.

Imports and âpparent consumption of cotton yarns, fabrics

and made-up articles

(mci.
imports for re-export)

.

1960

apparent consurnption
imporis
(= production
+
imports
(metric tons)

exports)

t

a
per caput
‘-

from 6

tmetrlc tons,
(kilo’
total

,,exparting”
gramms)
countries a)

E.E.0…….A

1.009.789

5.89

12.834

1.007
cxci. intra-

B

22.882

8.734
trade)

C

595.219

3.47
D

9.316

2.283

U.S.A ……

A

1.644.890

9.11

6.943

4.589
B

.

40.696

26.814
C

1.333.162

7.38

13.517

8.846
D

5.902

4.454

U.K.

……

A

274.419

5.16

17.509

11.812
B

78.967

65.275
C

238.249

3.43

4.734
D

24.048

..

4.452

Japan

A

504.853

5.40

16


/

B

.

51
4
C

270.795

2.90

95

9

D

64

,

B

2


C

744.711

1.72

489

198

India ……..

…A

780.926

,

1.81

386

2

D

na.

Pakistan

A

145.715

1.57

_329

289
B


C

63.009

0.68

187

177
D


A
=
cotton yarns.

a) Hongkong, India, Japan, Pakis-
B

=
cotton fabrics, grey.

tan, Spain, Portugal.

C

= cotton fabrics, other than grey.
D
=
cotton made-up articles
(confection simpie).
Source: Geneva documentation.

BIJLAGE 20.

Exports and imports of cotton pice
goods
(min. yards) Exports:

1913 1936138
1953 1959

United Kingdom

7.075

1.648

575

433
E.E.0…………….1.823

1.260

1.289

1.259

U.S.A.

…… ……

445

252

628

473
..
Japan

……………280

2.511′

914

1.263
India ……………..89

203

655

850
Imports:

1913
1936138
1953

1959

E.E.0… ……….

95

223

57
.285
United Kingdom

126 •

81

147

740
U.S.A.

…………

..47

107

65

247
Sourc,: Cotton Boara.

Tabel
21
staat op blz. 39

BIJLAGE 22.

Publications about the textile cycles

Stoék changes as a factor in demand: A. M. Aifred and R. E. Utiger, Juiy 1954.
Cycies and trends in textiies: Th. J. Davis, 1958.
Fluctuations in textiie activity: D. M. Swan, Dec. 1959.
Changes in textiie cycles: F. Lowenstein, March 1960.
The stock cycie in textiies: A. C. Wild, Oct. 1960.
Cotton textile cycies: M. Sakaguchi, March 1962.
The stock cycie mis textiles: A. M. Aifred,’June 1962.
Der Lagerzyclus, cme ökonomische Notwendigkeit in der Textilwirtschaft?:
Dr. K. Hoffarth, Juiy 1962.
De textieicycius: Drs. F. W. Meyer, Nov. 1962.

Auteur