Ga direct naar de content

Jrg. 43, editie 2155

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 22 1958

Eeonomt`schmStatt*S

Bert*chten


S

t to
.
$ c he

Auto’s en automerken..
0
0
*

t

Drs. A. W. Hermse

Het vraagstuk van de huren

Drs. Th. J. A. Smulders

De Miljoenennota 1959

*

Drs. P. H. M. Cremers

Veiligheidsaspecten van atoomenergie

(II»

*

A. Rodrigues Brent

Verschil tussen afbetaling en personal ban

*

J. Nikerk

Het negende congres van de A.I.E.S.T.

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

43e JAÂRGANG

No. 2155

.

0

WOENSDAG 22 OKTOBER 1958

1
Pensioen-

voorzieningen

Adviezen
op
het gebied van:

statuten en reglementen

belegging
in

vaste-rentedragende waarden

zelfstandige aandelenbelegging

rendemëntsverbetering

risicodekking

Het Bureau voor

Pensioenfondsen van

DE TWENTSCHE BANK

ADVERTEREN IS VERKOPEN

beschikbare krachten

.

JtJRIST

met lO-jarige ervaring op financieel-economisch terrein

zag zich gaarne geplaatst in
functie
bij
het bedrijfsleven.

Br. rio. E.-S.B. 37-1, postbus 42, Schiedam.

ALLROUND ECONOMIST

acad. gevormd, uitgebr. grondige talenkennis, vele re-

laties, b.z.a. voor overzichten, analyses, enquêtes inzake

conjunctuur, goederen, valuta, handel, industrie, etc.,

voor vakbladen, tijdschriften, instellingen, ondernemin-

gen. Br. onder G.S.
5045,
Adv.-Bur. De la Mar, Am-

sterdam

ECONOMISCH-
STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch
Economisch
Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hooch weg 118, Rot.terdam 6.
Telefoon redactie: 0 1800-52939. Administratie: 0 1800-
38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Banque de Corn-
merce, Koninklijk Plein 6, Brussel, postcheque-rekening
260.34.

Redactie-adres voor België:
Dr. J. Geluck, Zwijnaardse Steen-
weg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 118, Rotterdam 6.

Abonnementsprijs:
franco per post, voor Nederland en de
Overz’eese Rijksdelen (per zeepost)
f.
29,—, overige landen

f.
31,_ per jaar. (België en Luxemburg B.fr. 400).
Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts
worden beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Losse nuiimers 75 ci.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor
Westzeedijk, Rotterdam 6.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de N. V. Koninklijke Nederl. Boekdrukkerjj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f.
0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,, Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

f.
0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder• opgaaf van
redenen te weigeren.

806

-.

/

t

Auto’s en autornerken

Blijkens de – dit jâar in afleveringen verschijnende –

,,Statistiek der-Motorrijtuigen”
1)
van het Centraal Bureau
voor de Statistiek, waarin tal van gegevens betreffende de

grootte en de samenstelling van het Nederlandse motor-

rjtuigenpark worden’gepubliceerd, waren er op 1 augustus

– 1957 in ons land 375.676 personenauto’s. De gemiddelde

autodichtheid – het aantal personenauto’s per 1.000

inwoners – bedroeg op die datum 34. Hoe sterk ons

personenautopark zich de laatste tijd heeft uitgebreid moge

blijken uit het feit, dat het edert
1953
is verdubbeld en

dat er in 1957 in de provin-

cie Zuid-Holland alleen on-

geveer evenveel auto’s waren

als in geheel Nederland in

1939. In 1957 is de toeneming

overigens minder groot ge-

weest dan in de beide vooraf-

gaande jaren: het aantal per-

sonenauto’s steeg nl. met

48.210 stuks of 14,7 pCt.,

tegen resp. 59.598 of 22,2 pCt.

en 48.477 of 22,1 pCt. in 1956

en 1955.

Van de 375.676 auto’s was

10,7 pCt. gefabriceerd in 1957

en was dus op 1 augustus

van dat jaar •hooguit zeven

maanden oud; 62,8 pCt.

dateerde van 1953 of later en

5,1
pCt. van 1947 of eerder. Onder deze laatste categorie

bevinden zich 403 auto’s, die in of v66r 1934 voor het eerst

op de weg verschenen. De gemiddelde leeftijd van ons

personenautopark wordt door het C.B.S. voor 1957 bere-

kend op 4,1 jaar; die voor 1956,
1955
en 1954 op resp.

4,0, 4,2 en 4,6 jaar. Uit deze cijfers blijkt derhalve, dat

aan de in de laatste jaren aan de dag tredende verjonging

van het autopark in 1957 eeneind is gekomen. Een andere

tendentie, ni. die in de richting van het lichtere autotype,

zette zich voort. Het aandeel van .wagens met een gewicht

van 1.000 kgof minder steeg van 21 pCt. in 1939 tot 58

pCt. ‘in 1956 en 59 pCt. in 1957. Deze ontwikkeling vol-

‘) ,,Statistiek der motorrijtuigen, 1 augustus 1957″. Deel 1
Personenauto’s. Verkrijgbaar bij Uitgeversmaatschappij W.
de Haan N.V., Zinzendorflaan 3, Zeist en bij de boekhandel.
24 blz., prijs voor alle delen tezamen f.
9,75.

Blz.

Auto’s en automerken …………………..807

Het vraagstuk var de huren,
door Drs. A. W.

Hermse

……………………………
808

De Miljoenennota 1959, door Drs. Th.
Y.
A.

Smulders ……………………………
812

Veiligheidsaspecten van atoômenergie (III),
door

Drs. P. H. M. Cremers ………………..
816

Verschil tussen a
f
betaling en personal ban,
door

A. Rodrigues Brent ……………………
818

trok zich grotendeels ten koste van de ,,middengewichten”

– 1.001 tot 1.500 kg -, wier aandeel in genoemde jaren

resp. 62, 32 en, 31 pCt. bedroeg..

Uit de in b
°
ovengenoemde statistiek en enkele harer

voorgansters vermelde gegevens laat zich nevenstaande

tabel samenstellen. Hierin zijn die merken opgenomen,

waarvan op 1 augustus 1957 minstens 5.000 auto’s in

gebruik waren. Berekend is vervolgens welk marktaandeel

deze merken tezamen en elk afzonderlijk voor hun reke-

ning namen, *elke veranderingen in de rangorde zich

sedert 1954 hebben voor-

gedaan en in , welke mate

het aantal auto’s is toege-

_____ namen. Van de 81 door het

C.B.S. met name genoemde

merken vielen er 20 onder

het zojuist gestelde criterium.

Deze 20 merken namen ver-

reweg het grootste en

bovendien toenemend – deel

van het personenautopark

hier te lande •voor hun

rekening.

Duidelijk blijkt, dat ons,

personenautopark – en van

automobielen kan men eigen.
lijk moedijk anders verwach-

ten – sterk in beweging is: in

een betrekkelijk korte periode

hebben zich vrij aanzienlijke verschuivingen in de rang-

orde voorgedaan. Zo heeft de Volkswagen, die in 1954 en

1955
de in ons land meest’voorkomende auto was, zijn

plaats moeten afstaan aan de Opel. Vergeleken met deze

beide merken nemen de overige-slechts een bescheiden

positie in. Opmerkelijk is voorts de aanzienlijke stijging op

de ranglijst van de Renault, de Taunus, de Mercedes en de

Zephyr, alsmede ‘het terugvallen van de Citroën van de

vijfde naar de elfde plaats. Helaas zal het niet mogelijk zijn

aan de hand van de ,,Statistiek der Motorrjtuigen” na te

gaan hoe de positie dezer merken in 1958 zal zijn geworden

in het voorbericht van deze publikatie wordt er nl. op

gewézen, dat de statistiek in verband’ met aan het C.B.S.

opgelegde bezuinigingen per! augustus 1958 niet zal worden

samengesteld:

Blz.

Het negende congres van de A.I.E.S.T.,
doôr

J. Nikerk ……………………………
819

Ingezonden stuk:

Prijsstabilisatie, infiatoire druk en overbeste-
ding, door Mr. W. J. Wijnberg met een

schrift van Drs. M. van Anleisvoort ………
820

Geld- en kapitaalmarkt,
door Dr. M. P. Gans ….
822

Notities:

De handel in agrarische produkten tussen

Amerika en Nederland .

……………….810

Aantal
In pCt. van’het totaal
Rangorde
1957
Merken
auto’s

in pCt.
van 1954
in 1957
1957
1

1956f
1955
1954
19571

1954

59.962
16,0
14,8
13,2 11,4
1
2
240
volkswagen
56.768
15,1
14,4
13,5
12,1
2
1
214
Chevrolet
19.341
5,1
5,5 5,8
6,3
3 3
141
17.486
4,7
4,2
3,7 3,3
,4
10
.

244
17.292
4,6
4,5
4,0
3,2
5
12
247
16.701
4,4
4,1
3,6 3,5
6
9
219
16.121
4,3 4,9
5,4
6,2
7
4
lig
15.390
4,1
4,4
4,9
5,3
8
6
133
15.239
4,1
4,0
4,1
4,4
9
8
156
13.495
3,6
4,0
4,5 4,9
10
7 126
Citroën
13.467
3,6
4,0
4,6
5,3
II
5
116

Opel

…………

Renault
………

Consul (Ford)
.
10.486
2,8 2,6
2,4
2,1
12
15
229
8.304 2,2
2,2
2,3

2,4
13
14
160

Taunus

………
Fiat

………..

Anglia(Ford)

.
7.946
2,1
2,2
1,9 1,5
14
19
237

Ford

………..
Morria

………

Austin
……….

Mercedes
7.737
2,1
1,7
1,4 1,4
15
20
258

Vauxhall
……..

7.006
1,9
2,2
2,6
3,2
16
.11
100

Peugeot
………

6.941
1;9
2,0 2,0
2,1
17
16
154
Prefect(Ford)

.
6.367
1,7 1,8
2,1
2,4
18
13
120

Skoda
………..

Zephyr (Ford)
.
5.493
1,5 1,2
1,2
0,9
19
25
266

D.K.W
……….

5.267
1,4
1,5 1,5 1,5
20
18
156
Simca

……….
Sub-totaal

.. . .
326.809
87,0 85,9 84,7 83,3
– –
179
Totaal

………
375.676
100,0 100,0 100,0 100,0
– –
171

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch. Glasz;
L.
M. Koyck;
H. W.
Lambers J. Tinbergen; J. R. Zuidema.
Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris:
J. H.
Zoon.
COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin;
J.
E. Mertens de Wilmars;
J. van Tichelen R. Vandeputte; A.
J.
Vlerick.

AuTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

807

Het geven van een antwoord op de vragen hoe
het evenwicht tussen diverse huurnîveaus is te
bereiken en of dit zou moeten plaatsvinden door
verlaging der bouwkosten en/of verlaging van de
huren voor nieuwbouw heeft alleen dan zin in-
dien het huurvraagstuk als economisch vraagstuk
wordt beschouwd. Dit houdt in, dat de woon-
dienst onder normale omstandigheden ten minste
de bedrijfseconomische
kostprijs moet opbrengen. De na-oorlogse Regeringen hebben nagelaten doel-
bewust te streven naar een woningvoorziening op bedrijfseconomisch verantwoorde basis. Wil men
trachten te komen tot herstel van het evenwicht
tussen de diverse huurniveaus
dan zal de sluit-
postenpraktijk moeten worden opgeheven. ‘Eén der voorwaarden daartoe is, dat de Overheid er-
naar moet streven tot vermindering der subsidies
te komen in plaats van voort te gaan op de weg
van verhoging. Aan de hand van gegevens omtrent
de bouwkosten en de kosten van levensonderhoud
berekent schrijver de bedrijfseconomische kostprijs.
Voorts zet hij uiteen waarom de premieregeling
de particuliere bouw voor de
markt niet op gang
heeft kunnen brengen.

Het vraagstuk

van de

huren
Het pogen tot het geven van een antwoord op de vragen

op welke wijze herstel van het evenwicht tussen de diverse

huurniveaus is te bereiken en of dit zou moeten plaats-

vinden door verlaging van de bouwkosten en/of verlaging
van de huren voor nieuwbouw, heeft o.i. slechts dân enige

zin, indien het onderwerp van bespreking principieel en

primair wordt beschouwd als zijnde een economisch vraag-

stuk. Dit houdt dus in, dat de woondienst, evenals alle

andere dienstverleningen – ook in de zgn. utiliteitsbedrij-

ven – onder normale omstandigheden ten minste de be-

drijfseconomische kostprijs moet opbrengen.

De huidige toestand, welke zeer weinig normaal moet

worden genoemd, is het gevolg van een na-oorlogs huur-

en woningbeleid, dat met het vorengenoemde uitgangspunt

op zeer onvoldcende wijze rekening heeft gehouden, maar

– integendeel – de huur bij voortduring tot sluitpost heeft

gemaakt van de loon- en prjspolitiek en de welvaartsver-

deling.

Het ook absoluut te lage huurpeil, geheel onvoldoende

aangepast aan de sterk verminderde koopkracht van het

geld en staande in een schromelijke wanverhouding tot de

– over het geheel – wèl aangepaste prijzen van goederen

en diensten, heeft enerzijds de subsidielast voor de Overheid

voortdurend doen stijgen en anderzijds de historische ver-

houdingn in de inkomstenbesteding tussen dat gedeelte

dat voor huishuur placht te worden bestemd en de overige

inkomstenbestedingen – wat de grote meerderheid van

de bevolking betreft – ontwricht.

In het verleden is op laatstgenoemd verschijnsel bij her

haling – zij het tevergeefs – gewezen, als ook op de ge-

varen welke voor de volkshuisvesting schuilden in deze,
van overheidswege bevorderde, onderwaardering van de

woondienst in het scala van noodzakelijke en primaire

behoeftevodr
zieningen.

Het karakter der normale woningmarkt.

In verband met de eerste vraag moge gepoogd worden

zeer in het kort samen te vatten wat onder normale om-

standigheden ook terzake van de woningmarkt in econo-
mische zin dient te worden verstaan. Deze worden geka-
rakteriseerd door:
een huurprjsbepaling naar prijs en kwaliteit als resul-

tante van de -verhouding tussen aanbod en vraag

(markthuurprijs);

bedoelde markthuurprjs ligt op het laagst denkbare

niveau, omdat de onderlinge concurrentie de aanbod-

zijde daartoe noopt;

zij oefent een nederwaartse druk ôp de bouwkosten uit,

omdat produktie slechts mogelijk is, indien lagere aan-

biedingsprijzen mogelijk zijn dan die, welke voor de

‘voltooide bouw gelden, resp. voor dezelfde prijzen een

beter gehalte woondienst kan worden aangeboden.

Hieruit valt tweeërlei te concluderen:

1. De hoogte van de huur is dus de belangrijkste factor

voor omvang en kwaliteit van de woningproduktie, doordat:
bij een te groot woningoverschot en dienovereenkom-

stige huurdaling de produktie stagneert wanneer de huur-

prijzen dalen beneden de reproduktiekosten;

bij stijging van de huurprijzen boven die, welke de

reproduktiekosten veroorloven,. het bouwbedrijf op ver-

hoogde toeren komt.

Vandaar, dat de woningwetbouw, welke door bepaalde

faciliteiten in staat is de woondiensten ter beschikking te

stellen tegen, lagere huurprijzen dan de bedrijfseconomisch

noodzakelijke, automatisch de particuliere woningbouw, die

op ondernemersbasis plaatsvindt, afremt.

2. Bij huurprijsvorming op de vrije markt ontstaat een

min of meer evenwichtige woningproduktie; mm of meer,

omdat traagheidsfactoren bij het zoeken naar een aan-

passing op veranderd niveau uiteraard hun invloed doen

gelden.

Als een wel zéér belangrijke factor bij vrije huurprijs-

vorming moet gerekend worden, dat daardoor inzicht wordt

verkregen omtrent de omvang van het financiële offer, dat
de woningzoekende in staat of bereid is voor de door hem

verlangde woondienst te brengen. Hierdoor immers worden

de voorwaarden geschapen voor de totstandkoming van
een evenwicht tussen huurpeil en welvaartspeil, zomede

enig inzicht omtrent de mate van noodzaak voor de

Overheid, om via hulp harerzijds, dit evenwicht ook sociaal

verantwoord te doen zijn. Het is ook de vrije huurprijs-

808

vorming welke de doorstroming in de bestaande woning-

voorraad – het betrekken van een passende woning in de

gewenste wijk of stad – geruisloos doet verlopen.

Opgemerkt worde voorts nog, dat de vrije prijsvorming

op de woningmarkt mede tot gevolg heeft dat, eveneens

geruisloos, honderden miljoenen aan beleggingzoekende

kapitalen tegen concurrerende rentevergoeding op basis
van de geldende rentevoet via particulieren, hypotheek-
banken ën institutionele beleggers naar de sector van de

volkshuisvesting vloeien, omdat en voor zolang de exploi-

tatie op bedrijfseconomisch verantwoorde grondslagen

wordt gevoerd.

Uit het bovenstaande volgt, welk
s
een belangrijke be-

tekenis de markthuurprjs heeft voor een continue – en

met individuele waarde-oordelen der woningzoekenden

rekening houdende – evenwichtige woningvoorziening.

Voorwaarden tot
evenwichtsherstel.

Gelijk reeds gesteld, tast men omtrent deze invididuele

waarde-oordelen thans eigenlijk volkomen in het duister

omdat, ten gevolge van de huurprijsbevriezing op het peil

van mei 1940, dat lager lag dan door het peil van de toen
bestaande produktiekosten verantwoord was, de bedrijfs-

economische basis aan de woningvoorziening ontviel.

De verantwoordelijkheid voor de bestaande algemene

scheeftrekking en de welhaast onmogelijk schijnende terug-

keer naar normale verhouding op dit terrein, berust’ ten

voile op de na-oorlogse Regeringen en de huidige toestand

kan slechts verklaard worden uit een, om welke redenen

dan ook, te lang vasthouden aan een huurbeleid dat huur-

prijsbevriezing – gerechtvaardigd als tijdelijke maatregel

gedurende een onoverzichtelijke overgangsperiode – als
maatregel van min of meer permanente aard, meende te

kunnen blijven handhaven. –

Anders gezegd, de ernstige fout welke in het beleid der

na-oorlogse Regeringen werd gemaakt, is dat zij, door het

noodzakelijk betreden van het subsidiepad in de periode

waarin anders in het geheel geen nieuwe bouw zou zijn tot

stand gekomen, meende daarmede ook ongestraft bij totaal

veranderde omstandigheden te kunnen voortgaan. Nage-

laten werd om, binnen de grenzen van het telkens mogelijke,

doelbewust te streven naar een woningvoorziening op be-
drjfseconomisch verantwoorde basis en op zo kort moge-

lijke termijn (de praktijk van de huurprijzen als sluitstuk

op de loon-, prijs- en welvaartspolitiek).

Wil men in ernst trachten te komen tot herstel van het

evenwicht tussen de diverse huurniveaus, dan zal deze

sluitpostpraktijk moeten worden prijsgegeven, waarbij’ wij

dan geconfronteerd worden met de volgende feiten en

voorwaarden:

een bestaand loonpeil dat zodanig is, dat een zeer

groot aantal loontrekkenden op grond van hun persoonlijk

inkomen, niet in staat is, dan wel slechts door een naar

vooroorlogse begrippen onevenredig groot deel van hun

inkomen aan huur te betalen, een nieuw gebouwde, zwaar

gesubsidieerde, woning te betrekken;

algemene loonstijgingen van enige omvang onge-

wenst zijn;

op zijn minst in dit verband stabiliteit van de koop-

kracht van het geld noodzakelijk is;

een daling van de algemene rentestand tot 4 pCt.

of liever nog lager, voor de nabije toekomst weinig waar-
schijnlijk lijkt;

verlaging van de bouwkosten, thans als excessief

hoog gedoodverfd, eveneens ten minste stabiele geidwaarde

als voorwaarde stëlt, waarbij tevens dient te worden op-
gemerkt, dat een’ dergelijke gewenste’ daling ook proble-

matisch moet worden geacht zolang de bouwmarkt een

zekere overspanning te zien blijft geven;

het streven van de Overheid om, gegeven de hiervoor

genoemde
5
punten, tot vermindering van de subsidies te
komen, instede van het voortgaan op de weg naar verho-

ging.
Bouwkosten en geldontwaarding.

Ter verkrijging van een nader inzicht in de problematiek

rondom een mogelijke verlaging van de huidige bouwkosten

kan onderstaand staatje dienstig zijn. Naast elkaar zijn

afgedrukt de indexcijfers van de bouwkosten en die van de

kosten voor het levensonderhoud. Laatstbedoelde cijfers

werden welwillend verstrekt door het C.B.S.; eerstbedoelde

cijfers tot en met 1940 zijn ontleend aan het eindverslag

van de Commissie vanrapporteurs, stuk no. 66a, zitting

1952-1953
van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, ter-

wijl de cijfers van 1948 en 1957 werden gevonden resp.

door terugherlëiding index bouwkosten 1948 (413 basis.

1938/39 = 100) en 1957, met inachtneming van de sinds

1948 (2e halfjaar) ingetreden
stijging
van rond 99-129.

Jaar

Index bouwkosten
Index koster, levensonder.
houd

Wijziging in
wijziging in
pCt. van elk
pCt. van elk
nte
PU

fl
voorafgaand
PU
nten
voorafgaand
jaar
jaar


77

265
+212
149
+ 93,5
235

11,3
129

13.4
175

25,5
115

10,85

1914…………….85


20
110

4,35

1920
…………….


lii
+

0,9
1930
……………

14,3
102

8,1

1921
……………..
.1922
…………….
.


29,1
83

18,6

1923…………….140 1924…………….140

1939:
…………..
. OO ,
+ 17,6
88
+ 6
1936…………….85
.120

+ 25
lol
+ IS
1940…………….125
351

..

+181
178
+ 76,2
1948″
……………
.
1957
…………….
456
+
30
269a)
+
51

a) waarin verwerkt de nog bestaande subsidies waardoor vergelijking
zonder correctie met het cijfer van 1914 een Onjuist beeld geeft.

I.
Het lïjt voor de hand om, gegeven de ervaringen uit de

jaren ,,twintig”, toen Nederland eveneens worstelde met

‘het vraagstuk van woningbouw en huren, de oplossing van

‘de huidige moeilijkheden allereerst te zoeken in de richting,

waarin destijds dit probleem werd opgelost. De huidige

toestand is echter aanzienlijk meet verward, niet alleen

ten gevolge van het gewijzigde bestedingspatroon van de

Nederlandse gezinshuïshoudingen, waardoor grotere weer-

standen in het psychologische vlak moeten worden ver-

wacht bij het streven naar herstel in de richting van het

historische bestedingspatroon, maar ook omdat de koop-

kracht van de gulden na 1939 een tegengestelde richting,

nl. een benedenwaartse, is ingeslagen. Behoudens een onbe-

tékenende onderbreking in 1924 vertoonde het indexcijfer

van het levensonderhoud een gestadige – zij het grillig

verlopende – daling tot 1936. Met ingang van laatstge-

noemd jaar trad – als gevolg van de devaluatie van de

gulden in september 1936 een matige stijging van dit index-

cijfer op, deels als gevolg van de, ten gevolge van het toen
bestaande woningoverschot, ook na 1936 nog voortgezette

daling van de huren.

Vanaf 1940 zette deze stijging zich in sterke mate en

ononderbroken voort en heeft het huidige niveau zijn hoog-

tepunt nog niet bereikt, aangezien de thans nog verleende

subsidies van verschillende aard bij verlaging, resp. intrek-

king, hun invloed in opwaartse richting dan ongetwijfeld

809

(

zullen doen gelden. Het lijkt nl. niet erg waarschijnlijk, dat

een prijsdaling zich op korte termijn voor de consumenten

dusdanig zal ontwikkelen, dat daarin volledige compen-

satie zal worden gevonden voor de uit de afbouw der sub-
sidies voortvloeiende prijsstijging.

Het lijkt nuttig en verantwoord op deze averechtse ont-

wikkeling nader in te gaan, in het bijzonder met het oog

op de vraag, welke gevolgen deze gang van zaken moest

hebben op de omvang van de particuliere bedrijvigheid

in de woningbouwsector.

De handel in agrarische produkten tussen

Amerika en Nederland

In het tijdschrift ,,Foreign Agriculture”, uit-

gave van het Amerikaanse Departement van

Landbouw, van juni
1958
geeft Gwynn Garnett

m een artikel onder de titel ,,Dollar markets

abroad – The Netherlands” een overzicht van de

betekenis van het wederzijdse handelsverkeer in

agrarische produkten tussen de Verenigde Staten –

en Nederland. Hieruit blijkt – men zie onder-

staande cijfers -, dat de uitvoer naar Nederland

van Amerikaanse landbouwprodukten jaarlijks /

een veelvoud is van de invoer door Amerika van

Nederlandse produkten van agrarische origine.

Uitvoer van Amerika ‘naar Nederland
(in mln, dollars)

1955

1
1956

1956-57

Granen en graanprodukten
….

102,7

110,5

84,8
Katoen en linters
……………

..10,2

20,1

40,0
Vetten, oliën, oliezaden
………
..74,5

72,6

71,6
Tabak

………………….
‘.

13,4

15,1

14,1
Vruchten, noten, groenten

12,3

26,0

20,6
Overige

………………….

..29,6

28,4

28,1

Totaal landbouwprodukten

242,7

272,7

259,2

Overige

…………………..
229,4

287,1

338,4

Totaal generaal
……………..
472,1

559,8

597,6

Invoer van Amerika uit Nederland
(in mln, dollars)

1955

1
1956

1956-57

Vleesprodukten
……………


25,2

25,2

25,8
Kweekmateriaal
……………


10,8

11,3

10,8
Cacao en chocolade
…………


10,1

8,4

7,3
Bier, wijn, thee

…………….3,9

2,4

2,5
lië
Vetten, on, oliezaden ……….3,6

1,4

1,8
Zuivelprodukten
…………….

.1,9

,

1,8

1,8

Overige

………………….

11,6

11,6

11,9

Totaal landbouwprodukten

67
1
1

62
1
1

61,9

Overige

…………………..

..80,9

102,3

92,0

Totaal gen&raal
……………..
148,0

164,4

153,9

Dat men in Amerikaanse kringen deze feiten

nog eens onder ogen heeft gekregen – het be-

treffende artikel werd in Amerika onder de aan-

dacht gebracht van o.a. ,de Congresleden, het

Committee for a National Trade Policy, leden der

National Press Club, het consulair apparaat,

handelscommissarissen, Kamers van Koophandel

en functionarissen van het Departement van

Landbouw te Washington – kan, te meer daar

de invoer van bepaalde produkten – men denke

bijv. aan onze kaas – in Amerika niet orÇbelem-

merd plaatsvindt, zeker geen kwaad.

J

810

De voortgezette geldontwaarding heeft ni. tot gevolg,

dat bij beëindiging van een aangevangen bouwproject het

entameren van een nieuw object van dezelfde omvang een

grotere geidhoeveelheid vereist welke, nog afgezien van de

belasting op de ,,schijnwinst”, een hogere verkoopprijs

noodzakelijk maakt dan de kostprijs – in vÔÔrjarige’

guldens uitgedrukt – zou rechtvaardigen. Zou de particu-

liere bouwondernemer zulks nalaten, dan moest daarvan

intering van bedrijfskapitaal en inperking van bedrijfs-

omvang het noodzakelijk gevolg zijn.

Onmacht van
het premiebeleid.

Waarom en in welke mate het na 1945 gevoerde premie-

beleid onmachtig was en moest zijn om de particuliere

bouw van woningen voor de verhuur te prikkelen en de

gehoopte onderlinge concurrentie, waarvafi het prijsdalende

effect terecht wordt verwacht, achterwege moest blijven,
moge door het onderstaande worden aangetoond.

Bezien worde daartoe eerst de ontwikkelingslijn vanaf

1920 tot 1936.
Blijkens
de afgedrukte tabel was het index-

cijfer van de bouwkosten in 1920 265 en had het daarmede

tevens de top beklomhien.

Vanaf 1920 trad een daling van de bouwkosten in waar’op

een daarmede synchroniserende premieregeling in werking

trad met een aflopend karakter. Afgezien van bijzonder-

heden kwam deze hierop neer, dat in november 1920 per

nieuw gebouwde woning een premie werd toegekend van

ten hoogste f. 2.000. Deze,premie werd in december 1921

verlaagdtot f.,1.200, in november 1922 teruggebracht tot
f. 300, om vervolgens geheel te verdwijnen. Het doel der

premieregeling, het bewerkstelligen van de particuliere

bouw voor de markt, was bereikt als gevolg van de ont-

wikkeling in benedenwaartse richting van beide indexcijfers.

De daling van de bouwkosten voltrok zich uiteraard ge-

durende de periode van de bouw en vandaar dat we de

invloed daarvan cijfermatig eerst doen uitkomen gedurende

het jaar onmiddellijk volgend op dat, waarin de premie

werd t9egekend en de’daling van de bouwkosten geacht
kon worden zich te hebben voltrokken. Voorts gaan wij

uit van een woning waarvan de bouwkosten in 1914f. 3.000

zouden hebben bedragen.

Cijfermatig vertoont de procedure het navolgende beeld:

1920: bouwkostenindex 265.

In 1920 ,zouden de bouwkosten van een soortgelijke

woning dus hebben bedragen:

x f. 3.000 =f. 9.350.

In 1921 daalden de bouwkostefi met 11,3 pCt. (zie tabel).

De bruto bouwkosten, waaronder in dit verband verstaan

worden de werkelijke kosten exclusief de premie, worden

als volgt berekend:

bruto bouwkosten 1920
……………………………….
f,

9.350
af: dalingindex 11,3 pCt. vanf. 9.350
………………………
1.057

netto bouwprijs
……………………………..
…….
.f.

8.293
af: premie

………………………………………….
2.000

Verkoopprija op rendabele exploitatiebaais
……………….
f. 6.293

Op analoge wijze berekend en rekening houdend met de

daling van de bouwkosten van 254pCt.,voortsrekeninghou-

dend met dé tot f. 1.200 verminderde premie, bedroeg de

verkoopprijs per woning op rendabele basis:

in 1922 f. 4.978


in 1923 f. 4.642

(premie verminderd tot f. 300)
in 1924 f. 4.942

(door wegvallen van premie en geen daling van bouwkos-
ten)
in 1930 f. 4.235


in 1936 f. 3.003

(het verschil tussen de prijs van 1914 en 1936 zal te wijten

in 1939 f. 3.532

zijn aan afronding van decimalen)

in 1940 f. 4.415

/

Bij deze prjsvergelijking mag voorts niet uit het oog

worden verloren, dat hierbij tevens sprake was van een
aanzienlijke opvoering van het woningpeil en rekening

moest worden gehouden met verhoogde bouweisen.

Naar analogie en zonder rekening te houden met de

premie bedroeg de kostprijs van dezelfde woning:

in 1948 (stijging sedert 1940 181 pCt.)
………………….
f.
.12.406
in 1957 (stijging sedert 1948

30 pCt.)
……………….


f.
16.128

Voor het berekenen van de bedrijfseconomische kostprijs

bij een evenwichtstoestand en uitgaande van de pariteits-

verhouding tussen bouwkosten en kosten van levensonder-

houd kan deze, intuïtief en vrijblijvend, rekening houdend

met de reeds genoemde maatregelen riet verhogend effect,

op ca. 300 worden gesteld; wordt de marge van 10,4 pCt.

van 1914 in acht genomen, dan wordt de vermenigvuldi-

gingsfactor naar de prijzen van 1914 niet 3 maar 3,31. De

opstelling wordt dan:
factor 3

factor 3,31
huidige kostprijs

……………………….
f.
16.128

f.
16.128
kostprijs op evenwichtsniveau
………………
9.000

,, 9.930

Verschil
……………………………….
f

7.128

f.

6.198
Maximale premie thans
…………………..

..4.500

,,

4.500

Tekort
……………………………….
f

2.628

f.

1.698a)

a) Bij niettemin veronderstelde gelijkblijvende bouwkosten.

Deze tekorten, samen met de onzekerheid over de stabi-

liteit van de waarde van de munt, vormen de verklaring

waarom de premieregeling m gebreke moest blijven de

particuliere bouw voor de markt en inzonderheid voor de

particuliere belegger op gang te brengen.

De door de Minister van Volkshuisvesting en Bouw-

nijverheid meermalen genoemde reden voor de ongeneigd-

heid om de premie dusdanig te stellen, dat rendabele ex-

ploitatie aanstonds mogelijk is, nI.. dat rekening moet

‘worden gehouden met toekomstige huurstijgingen, verliest

hierdoor de grondslag. De voortgezette inflatie stempelt

elke investering, waarvan het monetaire risico niet op der-
den kan worden afgewenteld, tot een experiment waarvan

de nadelen bij voorbaat vaststaan. Het beleggingzoekend

particuliere kapitaal wendt zichvan deze sector af en zoekt

compensatie voor het monetaire risico in hoger rentedra-

gende beleggingen dan
S
die het gebouwd onroerend goed

vermag op te leveren.

De conclusie, welke hieruit dezerzijds moet worden ge-

trokken is dan ook, dat het feit, dat de na-oorlogse premies

èn aanstonds een rendabele exploitatie onmogelijk maakten

èn de bedrijfseconomische kostprijs ten gevMge van de

vodrtgaande inflatie bij beëindiging van de bouw dienover-

komstig werd verhoogd – van loonaanpassing tijdens de

bouwduur nog geabstrâheerd – de specifiek particuliere

bouw en exploitatie van verhuurwoningen praktiich moest
uitsluiten. Eerst bij een consequent doorgevoerd loonstabi-

liteitsbeleid is het, samen met aanpassing van de premie –

dus ingrijpende verhoging van de premie – mogelijk het

particuliere initiatief in te schakelen, waaruit een eventuele

daling van het bouwkostenniveau kan resulteren. –

Aan deze consequentie van de stelselmatige waardever-

mindering van het geld kan evenmin worden ontkomen
door, hetgeen bijv. door Mevr. ‘t Hooft-Welvaars is be-

pleit in ,,Bouw” van 8 en 15 februari en 8 maart 1958. Deze

schrijfster constateert terecht, dat de particuliere bouw en

exploitatie onder de gegeven omstandighèden niet mee

kan. Zij acht anderzijds een steunverlening, welke dit mo-

gelijk zou moeten maken, onverantwoord en bepleit des-

wege uitbreiding van de woningwetbouw.

De zgn. gunstiger mogelijkheden
bij de huurprijsbepaling

dezer woningen berust echter op kunstmatige financiële

manipulaties, welke de consequenties daarvan voor het

heden deels afwentelen via de institutionele beleggers op al

diegenen, die ten gevolge van de niet overeenkomstig de

verhoogde rentestand te hoge premies moeten
blijven
be-

talen, terwijl de coiisequenties voor de toekomst ten laste

van de algemene middelen komen. Een proces dat, ten ge-

volge van de toepassing van de financiële paragrafen van
de Woningwet voor steeds grotere groepen van de bevol-

king, waarvoor deze niet bedoeld waren, tot meetkundig

toenemende verzwaring van overheidslasten moet leiden
en tegengesteld is aan het streven naar vermindering van

subsidies, hetzij rechtstreeks3 of gecamoufleerd.

De fatale invloed van de infiatoire krachten op

de woningvoorzieningl wordt daardoor niet tegen-

gegaan, maar geaccentueerd, zij het in gecamoufleerde

vorm. De huurprijs wordt daarmede een zaak welke zich

buiten het kader van de individuele waarde-oordelen

der ,,vragers naar woondiensten” afspeelt en meer

en meer staatstaak. In feite wordt de geleidelijke

inflatie, bedoeld dan wel onbedoeld, een uiterst doel-

treffend middel tot socialisatie van de woningbouw en

-exploitatie, zij het, dat juist de gezinnen met de kleine

beurzen met steeds geringere kwaliteit van woondiensten
genoegen zullen moeten nemen. De woondienst is dan te-

vens teruggebracht tot çen ,,public utility” waarvan de

hoogte van de te betalen retributie zal worden bepaald door

de stand van de overheidsmiddelen. Met de persoonlijke

wensen van de woningzoekenden zal dan slechts in zeer
beperkte mate rekening kunnen worden gehouden en de

bemoeiingen van de Overheid met de volkshuisvesting zal

een permanent karakter verkrijgen. Gezien het geheel

andere karakter van de woondiensten als de dienstver-

leningen van post-, telegraaf-, telefoon- en energiebedrijven

biedt zulks voor de afnemers een weinig ‘aantrekkelijk

perspectief.

In een volgend artikel komen wij terug op de vraag op

welke wijze het evenwicht tussen de diverse huurniveaus

is te bereiken.

Rotterdam.

HERMSE.

(ALvcrtentie)

Met papier en met plastic geïsoleerde kabels voor hoogspanning,

Iaagspanning en telecommunicatie Kabelgarnituren,

koperdraad en koperdraadkabel. Staaidraad en staalband.

NÉDERLANDSCH-E KABELFABRIEKDE

811

In deze kritische beschouwing over de Miljoe-

nennota 1959 geeft schrijver achtereenvolgens een

overzicht van de lopende inkomsten en uitgaven

van het Rijk, de kapitaalinkomsten en -uitgaven
van het Rijk, de besparingen en investeringen, de
financiering van het Rijk, de financiering van ge-
meenten en provincies en van de kapitaalmarkt

in 1958 en 1959. Zijn kritiek betreft de volgen-

de punten: 1. De financiering van het kastekort in

1958 geschiedt infiatoir. Dit vergroot het gevaar
voor een inflatoire ontwikkeling als de internatio-

nale conjunctuur zich herstelt; 2. Deze infiatoire

financiering is een symptoom van de afwezigheid

van een krachtig anti-infiatoir beleid, dat nodig

is om het probleem van de steeds stijgende huur-

en landbouwsubsidies op te lossen en voor het be-
houd en de versterking van onze concurrentie-

positie op de internationale markt; 3. De volle-

dige dekking van het kastekort in 1959 op de ka-

pitaalmarkt geeft geen garantie, dat het monetair
evenwicht in 1959 zal worden gehandhaafd.

Inleiding.

De begroting 1959 geeft een kastekort aan van f. 1.422

mln., d.i. ca. f. 800 mln. méér dan in 1958, in welk jaar

het kastekort vermoedelijk f. 624 mln, zal bedragen. Dit

betekent echter niet, dat 1959 zoveel ongunstiger is dan

1958. Er moet ni. rekening worden gehouden met een

tweetal posten, die het beeld vertroebelen en wel, de

financiering van de woningbouw en de sanering van het

Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (A.B.P.).

Wat de gemeentelijke woningbouw betreft, hierin zal

het Rijk in
1959
voor f.
655
mln, bijdragen; daarentegen

heeft in 1958 de terugbetaling door gemeenten van de in

1957 door het Rijk verstrekte liquiditeitsgarantie ad f. 533

mln. de van van het Rijk ontvangen woningbouwvoor-

schotten
(f.
237 mln.) met bijna f. 300 mln, overtroffen.
,Verder is een in 158 door het Rijk te verrichten storting

in het A.B.P. ad
f.
123 mln, verschoven naar 1959.

De situatie wordt dus als volgt:

TABEL 1.

Kasiekorten Rijk

1

1957

1

1958

1

1959

(in mln.gld.)
Kasekort volgens begroting

835

624

1.422
af: woningbouwvoorschotten .

– 18

237

655
af: liquiditeitsgarantie

533

– 533


af: storting A.B.P
…………..
..-

123
Kastekort excl. genoemde posten

320

920

644

Uit deze opstelling
blijkt,
dat de ,,overige posten” voor

1958 een tekort opleveren, dat f. 600 mln, groter is dan

dat voor 1957 en
bijna
f. 280 mln, groter dan dat voor

1959.
Houdt men bovendien rekening met het feit, dat de

belastingen en overige inkomsten voor
1959
ca. f. 240 mln.

1
-1
0

Miljoenennota 1959
hoger geraamd worden dan in 1958, dan is er ook in 1959,

althans wat d&uitgaven betreft, praktisch geen verbetering.

De begroting 1959 is, behoudens de genoemde posten,

vrijwel een duplicaat van de begroting 1958.

De lopende inkomsten en, uitgaven.
De vermoedelijke uitkomsten van 1958 zijn veel ongun-

stiger dan die van 1957 (en dan de oorspronkelijke begro-

ting 1958), zoals blijkt uit tabel 2.

De consumptieve 6itgaven voor defensie zijn in 1958

iets teruggelopen, echter niet..voldoende om de stijging

van de kosten van het burgerlijk apparaat (f. 210 mln.) te

compenseren. Deze stijging bedraagt ruim 10 pCt; debet
hieraan zijn o.a. de salarisverhogingen voor het burgrljk

rjkspersoneel
(mci.
onderwijs).

Een ‘nog sterkere
stijging
vinden wij bij de inkomens-

overdrachten (20 pCt.), waarvan wij een specificatie geven

in tabel 3.

TABEL 3.

Inkomensoverdra’chten

1957

1

1958

1

1959
(in mnl. gld.)
438
460
504
vo
Berdering werkgelegenheid
….
58
138
121
Interest

……………………

Landbouwegalisatiefonds
471 589 567
Lagere publiekr. lichamen
151
185
219
288
427
371
Overige bijdragen
…………….
1,406
123,
151

1.799
127 127

1.782
145
124
Huursubsidies

……………….
Sociale fondsen
………………
179
187
184
Pensioenbijdragen
…………….
2.240
1.859
2.235

De post ,,Interest” weerspiegelt de hogere rentestand op

de geld- en kapitaalmarkt; ,,Bevordering werkgelegenheid”

TABEL 2.

Kasontvangsten en uitgaven Rijk

1957

1

1958

1

1959 1957

1

1958

1

1959

(in, mln. gld.)
ConsLimptie
(in mln. gld.)’

Overige

bp.

ink.

……………..
6.710
114
6.673
79

6.944
95
Burg.

app
…………………..
1.662 1.942 1.597
2.145
1.500
2.272 3.604
3.742
3.772

Belastingen Rijk
…………………
MII,

spp.

……………….. ….

Inkomensoverdr
………………
1.859
2.240
2.235

..

5.463
1.361

..

..

5.982
770 6.007

1.032
Saldo

……………………….
6.824
6.752
7.039
6.824 6.752
7.039

812

omvat de gelden, uitgetrokken voor aanvullende werken.

De stijging van het L.E.F. is terug te voeren op de hogere

garantieprjzen (stijging van de produktiekosten in de

landbouw) en op de geringere opbrengstprjzen van bottr

en kaas. De bijdragen aan de lagere publiekrechtelijke

lichamen omvatten o.a. de uitgaven voor politie. De

,,overige bijdragen” hebben o.a. betrekking op de steun

aan gèrepatrieerden uit Indonesië.

Het saldô van de lopende rekening is in
1958
met bijna

f.600 mln, teruggelopen. Dit vindt zijn oorzaak in een

daling van de inkomsten met f. 70 mln, en een stijging van
de uitgaven met f. 520 mln.. Het is interessant, het verloop

van de aldi der lopende rekening na te gaar’1 over een reeks

van jaren. Als uitgangspunt nemen wij
1953.
Om de posten

vergelijkbaar te maken, hebben wij de ereveningsheffing

(die in 1957 is vervallen) en de uitkeringen ingevolge de

Noodwet Drees geëlimineerd.

TABEL 4.

Lopende inkomst en en uitgaven van het Rijk

1953
1

1954
1

1955
1

1956
1

1957
1

1958

Belastingen Rijk (cxci. verevenings-
(in mln.
gld.)

4.931
4.958 5.104
6.022
6.635
6.673
54
126
91
94
114
79
Totale ontvangsten

…………
4.985
5.084
5.195
6.116
6.749 6.752

1.865 2.191
2.520
3.405
3.604
3.742

heffing)

…………………..
Overige inkomsten
……………

Inkomensoverdrachten,
1.107
1.220
1.321
1.540 1.784
2.240

Consumptieve uitgaven

………

excl. Noodwet Drees

……….
2.972
3.411 3.841
4.945
5.388
5.982

2.013
1.673
1.354
1.171 1.361
770

Totale uitgaven

……………..

Saldo lopende rekening
………

De uitgaven zijn in deze periode ruim verdubbeld, terwijl

de inkomsten slechts met 35 pCt. zijn toegenomen; het saldo

der lopende rekening Is dan ook elk jaar kleiner geworden
met uitzonde’ring van het jaar 1957 (het jaar van de beste-

dingsbeperking), toen de inkomsten méér zijn gestegen

dan de uitgaven. Dit resultaat voorspelt niet veel goeds

voor het begrotingsjaar 1959, waarvan de Minister ver-
wacht, dat het.saldo op lopende rekening zal toenemen.

De
stijging
van de consumptieve uitgaven is in 1956

bijzonder groot geweest. Oorzaak hiervan waren de mili-

taire uitgaven, die in dat jaar hun top hebben bereikt.

Gemiddeld zijn de uitgaven met f. 600 mln, per jaar toe-

genomen, de ontvangsten met f. 360 mlii. Van een anti-

cyclische conjunctuurpolitiek gedurende deze periode, die

gekenmerkt wordt door een voortdurende hausse, is dus

geen sprake geweest (behalve in 1957).

In tabel
5
geven wij de jaarlijkse stijging in procenten

t.o.v. het voorafgaande jaar. Ter
vergelijking
is ook de

overeenkomstige
stijging
van het nationaal inkomen tegen

factorkosten vermeld.

TABEL 5.

Stijging inkomsten en uitgaven Rijk; idem nationaal inkomen

(factorko sten)
(in pCt. voorafgaande jaar)

1954
1
1955

11956
1
1957
1
1958
gemiddelde

Belastingen

…………..
0,5
2,9
18
10
1
3

6,3
Uitgaven

…………….
14,8
12,6
28,8
8,8
11
15
Nationaal inkomen (factor-

kosten)

…………….
14,1
12
7,8
10,3
2,5
9,3

De procentuele stijging van de uitgaven heeft in 1954 en

1955 vrijwel gelijke tred gehouden met die van het nationaal

inkomen; in 1956 maken de uitgaven een sprong. In 1957

is het evenwicht hersteld, terwijl in 1958 de uitgaven weer
sterker toenemen. Gemiddeld zijn de uitgaven met 15 pCt.

gestegen, doch is het nationaal inlcomen slechts met 9,3

pCt. per jaar toegenomen. Daarentegeii zijn de belastingen

gemiddeld minder gestegen dan het nationaal inkomen;

een uitzondering vormen de jaren 1956 en 1957.

De conclusie, die uit het bovenstaande kan worden

getrokken, is deze, dat het Rijk in de afgelopen jaren een.

steeds groter deel van het nationaal inkomen direct of

indirect consumptief heeft besteed, terwijl de belastingen

niet naar evenredigheid zijn verhoögd. De nationale bespa-

ringen zijn door deze tweevoudige oorzaak kleiner gewor-

den.
De kapitaalinkomsten en uitgavn van het Rijk.

Deze blijken uit tabel 6.

Als men de woningbouwvoorschotten en de storting

in het A.B.P. buiten beschouwing laat, vertonen de totale

uitgaven van jaar tot jaar eeii geleidelijke daling.

Besparingen en investeringen.

• De Miljoenennota geeft ook enige cijfers over de spaar-

saldi en de investeringen in 1957 en 1958. Deze gegevens
zijn samengevat in tabel 7;

De besparingen van het Rijk zullen vermoedelijk in 1958

aanzienlijk teruglopen; deze daling wordt echter gedeeltelijk

gecompenseerd door een stijging in de overige sectoren.

De investeringen van gemeenten en provincies (excl.

woningbouw) lopen terug van ca. f. 1,4 mrd. in 1957 tot
ca. f. 1,2 mrd. in 1958, di. een daling van ca. 15 pCt. De

investeringen in vaste activa van de particuliere sector

lopen terug van bijna f. 5 mrd. tot f. 4,4 mrd. di. 12 pCt.

Ook de particuliere woningbouw daalt met 10 pCt. De

voornaamste oorzaak van de verbetering van de betalings-

balans is evenwel de Post voorraden, waarvan het C.P.B.
verwacht, dat deze in 195′ niet zal toenemen.

Hoe de situatie zich in 1959 zal ontwikkelen, is nog niet

TABEL 6.

Kapitaalinkomsten en uitgaven van het Rijk

1957

1

1958

1

1959

1957

j

1958

1

1959

Kasontvangsten
(in mln. gld.)
J{asuitgaven

.
(in mln. gld.)
1.361
t

770
1.032
421

1
470

1
475
152 9

,

37 146
201
236
rn
352

1
324
290
1.513
779

Saldo lopende rekening
…………

835
1

624

1
1.422

Investeringen
………………….

Afi.

buitenl.

schuld

………….
253

1
Iii

1
224
114

1
279
84
2.348
1.403
2.417

Kapitaalwinsten

……………….
woningbouwpremiën

……………
0v. verogensoverdracht
………..

Oorlogs. en rampschade
212
146

1
98
98

Kaatekort begroting

……………
Afi. binneni. schuld
…………….

Kapitaalsverstr. staatsbedrijven
. . .
108

..

1

105
Kapitaalsverstr. overige
50
127
96
Vordering Argentinië

…………..
68

12
1


17

A.B.P
……………………….

123
woningbouwvoorschriften……..
.
18
533

.-
237


533

655


Liquiditeilsgar.

………………

2.236

..

1.403
2.417
O
verloop

…………………….
112


2.348
1.403
2.417

813

TAiiEL 7

Besparingen en bruto-investeringen

1957

1

1958a)

Besparingen

(in mln. gld.)

Gemeenten en provincies
……………….. .
1.46

0.81

t Investeringen
(in mln.
gld.)
Rijk

………. . ………………………..
..
0,42
0,47
Gemeenten en provincies
Openbare Werken en scholenbouw
…………

Overigebedrijvèn

……………………..

0,71
0,92 0,68

0,63
0,90
0,56

Particulieren
2,31
2,09
0,98
4,97

..

0,88
4,40

Woningbouw

…………………………..

Woningbouw

b)

……………………….
Overige

vaste

activa

……………………
Voorraden

……………………………..
1,-

..


6,95

..

5,28
Totaal

……………………………….
Saldo

betalingsbalans

………………….
9,68
-0,48
7,84
.

1,34
..
9,20
9,18

Rijk

..
………………………………

.1,47

0,74

Instit.

beleggers

………………………..-
1
:62
Spaarbanken

…………………………

..0,01

0,07

0
,25
)
5,12
Particulieren

…………………………..
2,77

6,10
5,93
Afschrijvingen Rijk
+
gemeenten en provincies

..

0,50 0,52
Afschrijvingen particulieren’
.
……………….
2,60
.
2,73
9,20
9,18

De deelcijfers berusten gedeeltelijk
op
eigen ramingen.
Inclusief onderhanden werk.

tê zeggen. De Mmister van Financiën verwacht in

dat jaar

een gematigde expansie, met gelijkblijvende prijzen en

lonen. Het is de vraag, of aan deze voorwaarden zal zijn
voldaan. Indien de subsidies op de melk zouden worden

afgewenteld op de consument en tot huurverhoging wordt

overgegaan, zullen de arbeiders zeker looneisen stellen.
Veel zal afhangen van de ontwikkeling van de internatio-

nale conjunctuur. De jongste recessie in de Verenigde Staten

heeft mèt de bested in gsbeperking een gunstige invloed

gehad op onze handelsbalans. De daling van de grond-
stoffenprijzen, de liquidatiè der voorraden en de daling

der overige investeringen, die daarmede gepaard gingen,

hebben onze invoer verminderd en de export gestimuleerd.

Op den duur zal echter – indien de depressie aanhoudt –

onze export de invloed ondervinden van’de inkrimping

van de wercidhandel. Daarentegen zal een herstel van de

internationale conjunctuur voor onze handelsbalans tegen-

gestelde effecten hebben. De investeringen en ook de invoer

zullen geleidelijk toenemen. Echter zal ook onze export

een nieuwe stimulans krijgen door de herleving van de

bedrijvigheid in het buitenland. In dat geval zal onze

handelsbalans gunstig kunnen blijven, mits de binnenlandse

consumptie niet snel toeneemt. Voorwaarde is, dat wij iets

sterker defleren – resp. iets minder infieren – dan het

buitenland. Het Rijk kan – en behoort – door zijn,

budgettaire en financiële politiek hiertoe ‘een positieve

bijdrage te leveren.

De financiering van het Rijk.

Inzake het begrotingstekort voor
1959
wordt medege-

deeld, dat het grotendeels zal worden gedekt met middelen,

die aan de kapitaalmarkt zftllen worden onttrokken.

Daarnaast komt nog f.
50
mln, beschikbaar van het

Grootboek Woningverbetering, terwijl de Minister ver-

wacht, dat dekking zal worden gevonden voor de consu-

mentensubsidie op melk ten bedrage van f. 110 mln.

Merkwaardigerwijze wordt niets gezegd .over de dekking

van het tekort ovér
1958: Wij
vermoeden, dat dit zal geschie-

den door het plaatsen van schatkistpapier.
1

In tabel
8
geven wij de financieringsrekeningen van het

Rijk over
1957, 1958
en
1959.
De beide laatste berusten

gedeeltelijk op eigen ramingen.

Uit deze tabel
blijkt,
dat de infiatoire financiering in

1958
vermoedelijk
bijna
f. 300 mln, zal bedragen tegen

ruim f.
450
mln, in
1957.
In
1957
werd f.
515
mln, aan

Woningbouwvoorschotten verstrekt; terwijl in
1958
per

saldo ca.’ f. 300 mlii. werd terug ontvangen. Elimineert

men deze posten, dan bedraagt de infiatoire financiering van

het Rijk in
1958
bijna f. 600 mln., terwijl het deflatoire

effect van de Rijksfinanciering in
1957
ca.
f.
60 mln. be-

droeg. –

De financiering van gemeenten en provincies.

Voor een goed inzicht in de rijksfinanciering is een over-

zicht van de kapitaalmutaties van gemeenten en provincies

noodzakelijk. In tabel
9
zijn de voornaamste posten

samengevat. De
cijfers
voor
1958
berusten gedeeltelijk op

eigen ramingen.

Uit dit staatje blijkt, dat de gemeenten in
1958
in totaal

ca. f. 1,6 mrd, op de kapitaalmarkt moeten opnemen. Deze

leningen lopen over 4e bank voor Nederlandsche Gemeen-

ten. Medegedeeld wordt, dat deze Bank in het eerste half-

jaar f.
285
mln. méér aan gemeenten heeft doorgegeven

(f.
1.204
mln.) dan zij op de kapitaalmarkt heeft opgenomen.

De dispositieruimte per 1 juli
1958
wordt echter niet ver-

meld. Wij ramen dit bedrag op ca. f.
200
mln. Indien deze

raming juist is, zou in
1958
nog ca. f.
200
mln. bij institu-

tionele beleggers resp. op de publieke kapitaalmarkt moeten

worden opgenomen.

TABEL 8.

Financiering kastekorten Rijk


1957

1958a)

I

1959a)
1957

1958a)

1

1959a)

89
17

(ir

mln. gld.)
100
100
835
(in mln. gld.)
.624
1.422

50
50

3emeenten en provincies
………….

.fsch. nelksubsidie
.
110

Diverse vord. en schulden
…………

106
150
260
Voorinschrijfrek
………………..
274
185
425

3rootb. Woningverb
……………..

PubI.

kap.

markt

………………
-.

800

Kastekort
………………………

380
335
1.485 364

..

17

68

..

100

regenwaarderek
………………….
chatkistpapier Ned. Bank
………..
binnenl.

………..
buitenl.

…………
.iquide middelen ………………

..-302
..461
..-
36

616

37

Boekvord. Ned. Bank …….

…….
Schatkistpapier buitenl……………
Int. Monetair Fonds …………….

100 ‘

100 100
244


‘100


935 1.068 1.522
..935
1.068
1.522

a) Gedeeltelijk eigen ramingen

814

TABEL 9.

Kap itaalmut aties van gemeenten en provincies

1957

1

1958

in mln.
gb.)

Saldo lopende rekening
……………………
..45!

550

,

Bruto investeringen

Rijksbijdrage enz
……………….. ……….
..279

250

Gem.fonds en belastingen
………………….
.- 89

– 100

Aflossing vaste geldleningen
…………………
43

50

Woningbouwvoorsehotten
……………………
517

– 296

1.201

454
Kapitaalmarkt

…………………………..
609

1.636

Geldmarkt
………………………………
506

a) Gedeeltelijk eigen ramingen.

De kapitaalmarkt in 1958 en 1959.

De Minister van Financiën stelt zich voor in 1959 een

bedrag van f. 800 mln. op te nemen op de publieke kapi-

taalmarkt. Hij verwacht, dat het Rijk genoemd bedrag zal

kunnen lenen zonder de kapitaalvoorzienihg van de overige

sectoren in gevaar te brengen. ,,Aldus zal”, zegt de Mil-
joenennota letterlijk (blz. 7), ,,de voorgestelde begroting

er toe bijdragen, dat zowel infiatoire als deflatoire

impulsen worden tegengegaan, hetgeen past bij de huidige

conjuncturele situatie”.

Drie vragen kunnen worden gesteld:

Zal de ruimte op de kapitaalmarkt in 1959 groot ge-

noeg zijn om genoemd bedrag te lenen?

Is deze procedure voldoende om te zorgen, dat een

infiatoire ontwikkeling wordt vermeden?

Is. deze financiering aangepast aan de huidige conjunc-
turele situatie?

Ad a.

Voor 1958 mag worden gerekend op een aanzienulijk
overschot van besparingen boven investeringen. Dit zal

leiden tot een overschot op de lopende rekening van de

betalingsbalans, dat in de Mi1jenennota wordt gëraamd

op f. 1,34 mrd. Daar komt bij, dat het Rijk, door thans geen

beroep op de kapitaalmarkt te doen, doch het begrotings-

tekort gedeeltelijk met schatkistpapier te financieren, de

geldhoeveelheid nog doet toenemen. De liquiditeit van het

bedrijfsleven neemt dus sterk toe, zodat men mag aannemen,

dat de ujtbreiding van de particuliere investeringen, die

ongetwijfeld het gevolg zal zijn van de gematigdeexpansie,

welke de Minister in 1959 verwacht, gemakkelijk uit eigen

middelen kan worden gefinancierd.

,Ten slotte komt ieder jaar een vrij aanzienlijk bedrag

beschikbaar uit effectenverkoop naar het buitenland, waar-

bij evenwel rekening moet worden gehouden met de moge-

lijkheid van een tegengestelde beweging van de kapitaal-

stroom als gevolg van een ongunstige ontwikkeling van de

binnenlandse rentestand in verhouding tot die in het buiten-

land. Wij mogen echter wel aannemen, dat in 1959 vol-

doende kapitalen beschikbaas zullen komen voor de finan-

ciering van de kapitaalbehoefte der Overheid.

Ad b.

Zo al moet worden toegegeven, dat de ,,ruimte” op de

kapitaalmarkt in
1959
voldoende zal zijn om de kapitaal-

behoften van het Rijk, naast die der overige kredietvragers,

te bevredigen, dan betekent dit nog niet, dat door het

aantrekken van deze gelden op de kapitaalmarkt een vol-
doende bijdrage wordt geleverd tot het tegengaan van in-

flatoire impulsen. Het is immers niet zo, dat op de kapitaal-

markt alleen lopende besparingen worden aangeboden.

Besparingen uit een vroegere periode, die, in afwachting

van de ontwikkeling van de rentevoet, of om andere rede-

nen, tijdelijk in liquide vorm zijn aangehouden, of op

korte termijn zijn uitgezet, kunnen eveneens voor een meer

definitieve belegging worden aangewend. De liquiditeits-

saldi van ondernemingen kunnen eveneens tijdelijk worden

belegd in obligaties en aandelen. Verder worden de uit

effectenverkoop naar het buitenland vrijkomende middelen

op de kapitaalmarkt aangeboden.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid, dat financiering

via de kapitaalmarkt geen garantie geeft, dat een in-

flatoire ontwikkeling daardoor wordt voorkomen. De kans

hierop zou inderdaad kunnen worden vergroot, indien de

beschikbaar komende middelen zoveel mogelijk worden

afgeroomd. Hierdoor wordt de ,,ruimte” op de kapitaal-

markt beperkt en wordt bevorderd, dat deze alleen wordt

gevoed door lopende besparingen. De kwestie, waar het

dus om gaat, is deze, of de besparingen in 1959 de inves-

teringen uiteindelijk zullen overtreffen. De budgettaire en

financiële politiek van het Rijk vormi in deze een doorslag-

gevende factor.

Ad c.

Wij hebben reeds betoogd, dat voor Nederland met zijn

sterke afhankelijkheid van het buitenland, een financiële
politiek aangewezen is, die sterker deflatoir resp. minder

infiatoir is gericht dan die in het buitenland. De onzekere

situatie t.a.v. de ontwikkeling van de wereldconjunctuur,

waarin wij thans verkeren, maakt het meer dan ooit nood-

zakelijk, dat infiatoire impulsen worden tegengegaan. Door

de gedeeltelijke financiering van het begrotingstekort in

1958 met schatkistpapier wordt evenwel de basis gelegd

voor een infiatoire ontwikkeling in de toekomst. De be-

doeling van deze politiek is waarschijnlijk het aanbod op de

kapitaalmarkt te vergroten om aldus de rentestand te ver

lagen. Als deze veronderstelling juist is, dan hebben wij hier

te maken met een herleving van de goedkoop-geldpolitiek,

waarmede wij in het verleden slechte ervaringen hebben

opgedaan.

• De afwezigheid van een krachtig financieel beleid maakt

de oplossing van een ander probleem onmogelijk – een

probleem, dat niettemin dringend om een oplossing vraagt.

Ik bedoel het vraagstuk van de landbouw- en huursubsidies.

Deze stijgen in 1959 tot het zeer hoge bedrag van f. 948 mln.

De Regering heeft hierover het advies gevraagd van de

S.-E.R. Deze heeft echter terecht gesteld, dat het hier een

deelvraagstuk betreft, dat moet worden ingepast in het

kader van het totale overheidsbeleid. In dit opzicht lijkt
mij de kritiek van de ,,Volkskrant” van 17 september ji.
juist. De oplossing van het huur- en landbouwprobleem,

zegt dit blad, ligt niet in de voortdurende afwenteling van

de gestegen lasten op de consument. Het vraagstuk moet

van de andere zijde worden aangevat. De b6uwkosten

moeten omlaag en de landbouwsubsidies eveneens. M.a.w.

door een krachtige anti-infiatiepolitiek van de Regering

815

In aansluiting op het eind van zijn vorig artikel – ge-

publiceerd in ,,F- S.B.” van 15 oktober ji. – wijst

schrijver op enkele voorschriften in het Euratom-

verdrag met betrekking tot de beveiliging tegen atoom-

gevaren. Vervolgens staat schrijver stil bij de activiteiten

inzake het veiligheidsprobleem van het Europese

Bureau voor Kernenergie (The O.E.E.C. European

Nuclear Energy Agency) en’ van de wereldorganisatie

voor atoomenergie (de International Atomic Energy

Agency). Daarna vat schrijver enkele punten samen

uit een rapport van een door de Wereldgezondheids-

organisatie (W.H.O.) ingestelde studiegroep. Ten

slotte wordt in dit artikel aandacht geschonken aan het

onlangs verschenen rapport van de eind 1957 door de

Verenigde Naties samengestelde commissie voor radio-

actieve straling. In een slotartikel hoopt schrijver

verder in te gaan op het radio-activiteitsprobleem en de

veiligheidsmaatregelen die hiertegen door verschillende

deskundigen worden aanbevolen.

Veiligheidsaspecten

van

atoornenergie

(ifi)

In aansluiting op het einde van ons vorige artikel
1)
kan

er op worden gewezen dat in de overige door ons genoemde

artikelen van het Euratom-verdrag o.a. wordt voorge-

schreven, dat:

– elke lidstaat
9P
wiens grondgebied bijzonder gevaar-

lijke proefnemingen moeten plaatsvinden, verplicht is

aanvullende maatregelen te treffen voor de bescherming

van de gezondheid;

– elke lidstaat de nodige installaties opricht om een

voortdurende controle uit te oefenen op de radio-activiteit

van de lucht, het water en de bodem en om controle uit te
oefenen op de inachtneming van de basisnormen;
– inlichtingen in verband met het voorafgaande door de

bevoegde autoriteiten regelmatig aan de Commissie moeten

worden medegedeeld;

1)
Zie ,,E.S.B.” ian 15 oktober 1958.

(vervolg van blz. 815)

moet aan de
stijging
van lonen en prijzen een eind worden

gemaakt, terwijl door de wederinvoering van het markt-

en prijsmechanisme in de landbouw het aanbod met de

vraag in overeenstemming moet worden gebracht. Op deze

wijze zal ook del concu rrentieposi tie van onze bedrijven

t.o.v. het buitenland worden versterkt.

Conclusies.

Onze kritiek op de Miljoenennota betreft de volgende

punten:

De financiering van het kastekort in 1958 geschiedt

infiatoir. Dit vergroot het gevaar voor een infiatoire ont-

wikkeling als de internationale conjunctuur zich herstelt.

Deze infiatoire financiering is een symptoom van de

afwezigheid van een krachtig anti-infiatoir beleid, dat nodig

is, om het probleem van de steeds stijgende huur- en land-

bouwsubsidies op te lossen en voor het behoud en de ver

sterking van onze concurrentiepositie op de internationale

markt.

De volledige dekking van het kastekort in 1959 op

de kapitaalmarkt geeft geen garantie, dat het monetair

evenwicht in
1959
zal worden gehandhaafd.

‘s-Gravenhae.

Drs. Th. J. A. SMULDERS.

– elke lidstaat gehouden is, aan de Commissie de alge-

mene gegevens te verstrekken van elk plan voor de lozing

van radio-actieve afvalstoffen, in welke vorm ook, om vast

te kunnen stellen of de uitvoering.van dat plan een radio-

actieve besmetting van het water, de bodem of het lucht-

ruim van een andere lidstaat ten gevolge zou kunnen heb-

ben.

Naast deze voorschriften wordt in het verdrag (art. 39)

gesteld, dat in het kader van het Gemeenschappelijk Cen-

trum voor Onderzoek op het gebied van de kernenergie –

zodra dit Centrum is gesticht – een afdeling zal worden

opgericht voor documentatie en studie van vraagstukken

die de bescherming van de volksgezondheid betreffen. Tôt

zover de opmerkingen die wij bij het Eurtom-‘erdrag ten

aanzien van de veiligheid hebben gemeend te moeten

maken.

Een andere Europese Organisatie op het gebied van

atoomenergie, nI. het Europese Bureau voor Kernenergie

– op 17 december 1957 door de zeventien O.E.E.S.-

landen in het leven geroepen -, schenkt eveneens veel

aandacht aan het veiligheidsprobleem. In een overzicht

van het doel, de middelen en de taken van genoemd

Bureau (,,The O.E.E.C. European Nuclear Energy

Agency”) kan men o.a. lezen:

,,With regard to the protection of the health of workers and
of the public, work has begun in E.N.E.A. on a general agree-
ment among the countries of Europe on basic health standards,
the pooling of administrafive and technical information concer-
ning the control carried out in those countries, and, lastly, on
the establishment of supervisôry bodies, which it would be
è’asier to set up on a European rather than on an individual
country basis”;

Hetgeen de E.N.E.A. zich hier in Europees verband als
taak heeft gesteld maakt ook deel üit van de taken van de

wereldorganisatie voor atoomenergie, de International

Atomic Energy Agency (I.A.E.A.). Deze organisatie, die
op 25 oktober 1956 in het leven werd geroepen door een

unanieme aanvaarding van 81 landen van het door de

Verenigde Naties ontworpen statuut, hecht eveneens veel

waarde aan het veiligheidsprobleem, want onder het hoofd

,,Sâfeguards, health and safety” staat o.a. vermeld:

,,The Agency is obliged to establish and administer safeguards
designed to ensure that special fissionable and other materials,

816

services, equipment, facilities and information made available
by the Agency or at its request or under its supervision or control
are not used in such a way as to further any military purpose.
Such safeguards shali also be applied at the request of a Member
State or of the partjes to an agreement. This safeguard provision
demands the careful development of methods; in the initial
stage work will be concentrated on problems relating to transport
and storage. Work already carried Out in this field in Member
States will be studied and correlated. In the field of health and safety the Agency shail establish or adopt standards for opera-
tions under its auspices, and coordinate work of organizations
concerned with health and safety hazards in connection with
peaceful uses of atomic energy. .

Hierbij kan nog worden opgemerkt, dat in de zomer

van 1958 een groep experts in Wenen is bijeengekomen om

een aantal bepalingen en regels betreffende gezondheid en

veiligheid uit te werken. Deze hadden ten doel de activi-

teiten van de Agency te regulereq öp het terrein van de

radio-actieve isotopen. De bepalingen hebben o.a. betrek-.

king op het internationale transport van radio-actief

materiaal. De Agency bezit ook bevoegdheid op het ter-

rein van de verwijdering van het radio-actieve afval in zee,

in rivieren, onder de grond enz. Ook de atmosferische

en juridische aspçcten van het afvalprobleem worden door

de Agency bestudeerd. In het kader van haar verplich-
tingen heeft de Agency een contract afgesloten met de

Universiteit van Wenen om een rapport samen te stellen

inzake de radio-activiteit in de biosfeer. Dit rapport is een

noodzakelijke schakel bij het onderzoek tot het formuleren

van gezondheids- en veiligheidsstandaards.

Wij hebben nu een aantal internationale (Europese)

lichamen opgesomd die, op het terrein van de atoom-

energie werkzaam, zich noodzakelijkerwijs met het veilig-
heids- en gezondheidsaspect moeten bezig houden. Er zijn

echter ook internationale organisaties – niet specifiek op

het gebied van de atoomenergie werkzaam – die zich

met de veiligheid en/of gezondheid van de mens bezig-

houden. De voornaamste onder deze is wel de Wereld-

gezondheidsorganisatie (W.H.O.). Door deze organisatie
is niet zo lang geleden een studiegroep ingesteld om een
onderzoek in,te stellen naar de invloed, die de ontwikke-

ling van de atoomenergie heeft op de volksgezondheid.

Uit raadpleging en bestudering van allerlei rapporten,
publieke verklaringen, persartikelen, brieven van autori-

teiten op het gebie’d van de gezondheid en van de religie,

alsook van klinische onderzoekingen komt deze studie-

groep o.a. tot de conclusie dat de wereldbevolking in het

algemeen angst koestert voor de atoomenergie. Men

beschouwt deze energie veelal als een dreigende maêht,

een geheimzinnige macht. Toch, zo zegt deze studiegroep,

is er geen reden voor een alarmstemming. Wel dienen de

autoriteiten in alle landen van deze angst kennis te nemen,

opdat zij er met hun beleid rekening mee kunnen houden.

De angst voor de atoomenergie komt, zo zegt de genoemde

studiegroep, voort uit de geheimzinrngheid van de radio-

actieve straling, die men niet kan zien, horen, proeven of

ruiken. Voorts spruit de angst voort uit de overweging

dat de geweldige macht, die de mens heeft opgeroepen,

niet in de hand kan worden gehouden en dat de atoom-

energie, wanneer zij niet de hele wereld zal doen ontploffen,

een biologische kettingreactie zal veroorzal.en; radio-

actieve stoffen zullen water, land, dieren, vissen, planten

en mensen kunnen vergiftigen.

Daar het hier niet doenlijk is de inhoud van het gehele

rapport – dat het overigens wel waard is – weer te geven,

volstaan wij met nog enkele punten te vermelden. Als

antwoord op de vraag, wie dè schuld draagt voor al deze

angsten, zegt het rapport dat ,,de geleerde” zijn gezag

heeft verloren. Het publiek, dat in het algemeen niet in

staat is de verschillende takken van wetenschap van

elkaar te scheiden en ook niet in staat is het verschil te

zien tussen een wetenschappelijk feit en de mening van de

wetenschapsmens, wordt voor een groot aantal tegen-

strijdigheden gesteld. Het rapport wijst ook op het wan-

trouwen en het gebrek aan overeenstemming tussen ge-

leerden niet alleen op het gebied• van de atoomenergie

maar ook op andere terreinen (roken). Nog een, ander

punt dat dit rapport naar voren brengt is de verwachting

die sommige groepen stellen in de kernenergie, bijv. ver-

hoging van hun levensstandaard. Het rapport zegt hier-

van dat de gevolgen van een eventuele teleurstelling ernstig

kunnen zijn (en de geestelijke volksgezondheid dus kunnen

benadelen) en vijandigheid zouden kunnen veroorzaken

jegens de volkeren die wèl voordeel putten uit de atoom-

energie. Als een van de remedies om bij het volk de angst

weg te nemen en om het tot een betere waardering te

brengen geeft het rapport aan dat men de opgroeiende
generatie meer vertrouwd moet maken met al datgene

dat op de atoomenergie betrekking heeft. Wanneer men

dit doet dan neemt men de angst voor een nadelige be-
invloeding van de lichamelijke gezondheid weg en be-

vordert men de geestelijke gezondheid.

Een andere instantie, die zich bezig houdt met het

gezondheids- en veiligheidsprobleem, is de eind 1957

door de Verenigde Naties samengestelde Commissié voor

radio-actieve straling. Andermaal een bewijs dat het onder-

havige probleem mondiaal wordt aangepakt. Ruim zeven

maanden heeft deze commissie gewerkt alvorens zij, op

10 augustus ji., haar rapport te New York publiceerde.

In dit rapport wordt naar voren gebracht dat de inensheid
of het ogenblik voorzichtig moet zijn met het beoordelen

van de schadelijke uitwerking van radio-actieve straling,

aangezien de mogelijkheid aanwezig is dat men dit ge-

vaar onderschat. Men moet echter ook niet de mogelijk-

heid uitsluiten dat het gevaar op dit terrein overdreven

wordt. Een andere algemene conclusie van de commissie

is dat elke poging die in het huidige stadium wordt gedaan

de uitwerking van de stralïngsbronnen, waaraan de

wereldbevolking is blootgesteld, te berekenen slechts

voorlopige schattingen kan opleveren met een grote mate

van onzekerheid.

Het rapport geeft aan dat de straling, waaraan de mens-

heid op dit moment bloot staat, in hoofdzaak afkomstig

is van: a. natuurlijke bronnen; b. medische en industriële

toepassingen; c. besmetting der omgeving door kern-

– explosies. Wat het sub c. vermelde betreft wordt in het

rapport gezegd dat radio-actieve besmetting ten gevolge

van de op verschillende delen van de wereld plaatsvindende

kernexplosies het wereldstralingspeil steeds hoger doet

worden. De commissie is daarom véér het staken van

kernproeven en stelt bovendien dat onnodige blootstelling

aan bestraling voor industriële, geneeskundige en andere
vreedzame doeleinden moet worden vermeden. Vele ge-

volgen – zo zegt de commissie – van straling komen

pas later aan het licht; vaak kunnen zij niet worden onder-

scheidn yan de gevolgen van andere oorzaken. Vele ge-

volgen ook treden pas op nadat een grenswaarde is over-

• schreden. Ook wordt gesteld dat niet alle mensen even

gevoelig zullen zijn voor stralingen; kinderen en nog

ongeboren kinderen kunnen een bijzondere gevoeligheid

hebben.

817

Verschi

0.

l tussen afbetaling en pérsônal ban

De gelegenheid om kleine, ongedekte, particuliere

kredieten op te nemen – door de Midiand Bank, Barclays’

Bank en de Westminster Bank aangekondigd als ,,personal

loans” – schijnt op het eerste gezicht niet zo heel veel te

verschillen van afbetaling, via een firiancieringsinstelling.

Tussen beide systemen bestaat e’chter een overwegend

verschil in de invloed, die de leverancier uitoefent op het

economisch handelen van zijn afnemer.

Zo lang de verkoop op afbetaling slechts een klein deel
van de totale goederenomzet omvat blijkt van die invlbed
niet veel. Voorts bestaat zulk een invloed niet bij leveran-

ciers die gespecialiseerd zijn in een kleine verscheidenheid

van artikelen, bijv. een handelaar in muziekinstrumenten.

Maar het is van ouds bekend dat afbetalingsmagazijnen,

die meubelen, huisraad en nog veel meer ‘leveren, vrijwel

een hypotheek verkrijgen op het inkomen van hun afnemers.

Dat is hun voornaamste kenmerk. Men ziet dan ook heel

veel, heel grote afbetalingsondernemingej verrijzen, waar

veel en gemakkelijk gelegenheid bestaat om toekomstig

inkomen te verpanden – anders gezegd: waar ruime

werkgelegenheid tegen goede lonen voor lange tijd verzekerd

schijnt. Vandaar dat het systeem in Amerika zulk een

belangrijke plaats heeft ingenomen. Men kon er meestal op

rekenén dat inzinldngen in looninkomsten maar van korte

duur zouden zijn. In Europese landen met een voortdurend

overschot aan arbeidskrachten en ongewisse looninkomsten

op een lager peil dan ginds, bleef de verkoop op afbetaling

meest binnen sociale of familiekringen van leveranciers

die zich op dat systeem gespecialiseerd hadden. Anderen

waagden zich er liever niet aan. Tegelijk met de toenemende

zekerheid van het ,,pand” het toekomstig looninkomen

– in Europese landen ziet men daar ook een uitbreiding
van ,,hypotheeknemers”, leveranciers die op afbetaling

verk6pen.

(vervolg van blz. 817)

Al deze factoren en nog andere, die wij niet niet genoemd

hebben, maken het voor de deskundigen zeer moeilijk

betrouwbaar materiaal te verzamelen over de samenhang

tussen kleine bestralingsdoses en hun uitwerking hetzij

op bevolkingsgroepen hetzij op individuen. Het rapport
geeft verder een vrij gedetailleerd overzicht van de ver-

schillende gevaren en ziekten die hier het gevolg van

kunnen zijn; daarnaast bevat het verschillende aanbevelin-

gen om de mensheid tegen deze gevaren te behoeden.

De commissie, die met het door haar geëntameerde onder-

zoek verder zal gaan, zegt op hpt eiiide van haar rapport:

,,Verwacht mag worden dat onderzoekingswerk op al deze /
gebieden de mensheid tot zegen zal strekken. Niet alleen doordat
men een beter begrip zal krijgen van de uitwerking van ioniseren-
de straling, maar ook doordat de kennis omtrent kwaadaardige
nieuwvormingen en het verouderingsproces zal worden uit-
gebreid. Gezien het feit dat de drempelwaarden voor het optreden
van lichamelijke beschadigingen als gevolg van straling thans
niet met juistheid bekend
zijn,
moet er op dit ogenblik rekening
mee worden gehouden dat de blootstelling van bevolkingsgroepen
aan hoger wordende hoeveelheden ioniserende straling aanzien-
lijke en wijd verspreide lichamelijke schade kan veroorzaken”.

In een slotartikel zullen wij nog iets verder ingaan op

het radio-activiteitsprobleem en de veiligheidsmaatregelen

die hiertegen door verschillende deskundigen van ver-

schillendë zijden worden aanbevolen.
Breuketen.

Drs. P. H. M. CREMERS.

Het is ook geen toeval dat zulk een groot deel van de

nieuwe leveranciers op afbetaling daar de vorm van verkoop

per post voor koos. Dit curieuze verschijnsel wordt ge-

woonlijk als van psychologische aard aangemerkt. Maar

dat is een povere verklaring. Ten slotte zijn er geen andere’

dan psychologische motieven, die handel en wandel van

de mensen bepalen. Maar de psychologische motieven

voor economisch handelen zijn van geheel aiidere aard

dan, bijv. voor verliefd worden.

Er wordt verondersteld dat vele mensen liever per post

aanspraak maken op afbetalingscondities dan van aan-

gezicht tot aangezicht met een leverancidr en diens personeel.

Wat daarvan waar is en hoe men de verhouding van

degenen die beslist niet, tot degenen die toch ook wel van

aangezicht tot aangezicht willen kopen, procentsgewijze

zou moeten’ uitdrukken kan met veronderstellingen niet

serieus bepaald worden. Er zou een uitgebreid en tamelijk

diepgaand onderzoek door bevoegde sociaal-psychologen

voor nodig zijn.

De verkoop op afbetaling per post heeft ongetwijfeld ook

nog een heel ander motief voor de leveranciers. Dat motief

is gemakkelijk te vinden in hun advertenties. Het zijn meest

handelaren in kleine plaatsen, die in het postverkoop-

systeem de kans zien om hun lokaal verkoopterrein uit te
breiden tot het gehele land. Dat is trouwens al langer dan

een halve eeuw het overwegende motief voor het oprichten

van postorderzaken geweest. En dan zowel van de

kleine

plaats uit, als naar vele geïsoleerde kleine plaatsen toe.

De leverancier kiest de verkoop op afbetaling – hetzij

per post, hetzij van aangezicht tot aangezicht – ‘natuurlijk

in de eerste plaats omdat afnemers daar geakkeljker toe

kunnen komen dan tot contante betaling. In de praktijk ziet
men dat dit voor duurzame verbruiksgoederen niet belang-

rijk minder geldt dan voor kapitaalgoederen. Voor de

particulier, die geen ondernemer is, krijgen duurzame

verbruiksgoederen min of meer het karakter,,,van kapitaal-
goederen in zijn waardebeoordeling.

Het tweede motief bij de leverancier is de’binding met

zijn. afbetalingskiant. – Bij uitbreiding van zaken wordt dit

tweede motief al spoedig het voornaamste. De leverancier

wil zijn klanten niet éénmaal iets verkopen doch vele

malen.. Bij contante betaling ontstaat geen andere binding

dan door goodwill. Behoudens deze gezindheid blijft de

levérancier, voor elke volgende verkoop, op gelijke voet

in concurrentie met andere leveranciërs. Maar heeft de

afnemer enig duurzaam gebruiksartikel op afbetaling

gekocht dan weet de leverancier, tegen ‘welke tijd het

budget van zijn klant deze tot een volgende aankoop in

staat zal stellen – en dat weet de concurrentie niet. Dat is

de voornaamste pijler van het afbetalingssysteem zodra

dat Amerikaanse vormen gaat aannemen. De leverancier

veet steeds de juiste tijd om met een nieuwe aanbieding de

afnemer te bewegen een nieuwe’ afbetalingsperiode in te

gaan— nog vôér de voorgaande geheel verlopen is. Contact

houden, per post, is hiervoor altijd van belang.
Dit aank’iopen van een nieuwe afbetalingsperiode door
die als een verlenging van de vorige voor te, stellen, gaat

soms vrij ver. Dan begint de leverancier met een bod om

zijn vorige levering
van
zijn klant, tweede-hands, terug te

kopen. Niet alleen automobielen’maar vrijwel alle duur-

zame verbruiksartikelen vallen daar dan onder. En die

‘818

weder-inkoop beïnvloedt de prijsvorming voor de nieuie

verkopen.

Ook de duur van duurzame verbruiksgoederen wordt

er door beïnvloed. De leverancier tracht de verbruilcs-

periode van het geleverde artikel te beperken’tot de duur

van de afbetalingsperiode, of van enige periodes. Hierdoor
worden de verkoopkosten per leverantie verdeeld over een

kortere periode van . bëhoeftevoorziening dan zonder

bezwaren mogelijk had kunnen zijn.

Het afbetalingssysteem bindt afnemers aan een leveran-

cier en slüit die klanten bijgevoig van andere leveranciers

die eveneens op afbetaling leveren, af. Vandaar dat bij

een sterk ontwikkeld af betalingsstelsel elke leverancier ge-
neigd is, terwille van zijn totale omzet, zijn nauw b’ewaakte

klantenkring te voorzie,n van alle gemakkelijk gangbare

artikelen, tot het maximum van hun bestedingscapaciteit.

Voor de producenten van nieuwe of vernieuwde artikelen –

die de verscheidenheid uitbreiden – wordt daardobr een

potentiële markt moeilijker bereikbaar. Er ka n

concurrentie op gelijke voet plaats vinden.
Aan dit alles wordt niets veranderd door de bemiddeling

van financieringsinstellingen; want de verbruiker wendt

zich het eerst tot de leverancier, daarna wendt de leverancier

zich tot de financieringsinstelling.

Niets van dit alles vindt plaats bij het particuliere bank-

krediet, de ,,personal ban”. De bank bemiddelt niet ten

behoeve van een tussen partijen reeds vastgestelde transac-

tie maar verschaft de verbruiker een krediet, waarmee hij

ter markt een vrije keus kan doen uit de gehele verschei-

denheid van artikelen en diensten. Leveranciers moeten

daarvoor op gelijke voet met elkander concurreren.

De ,,personal ban” zal de verbruiker waarschijnlijk

evnveel kosten als het afbetalingskrediet maar verschaft

hem aanzienlijk ruimer armslag voor zijn economisch
handelen.

Bergen NH.

A. RODRIGuES BRENT.

Het negende congres van de A.I.E.S.T.

De ,,Association Internationale des Experts Scientifiques

du”Tourisme” werd in april 1949 te Lugano opgericht en

staat onder de bekwame leiding van Prof. Dr. W. Hunziker

(voorzitter) en Prof. Dr. K. Krapf (secretaris-generaal)..

Na d;oprichting vonden de volgende congressen plaats:

Rome (1951), Madrid (1952), Wenen (1953), Palermo

(1954),
München (1955), eiland Wight (1956), Lissabon

(1957) en in 1958, van 14-19 september ji., langs het meer

van Konstanz, in St. Gallen, Bregenz, Lindau en Kon-

stanz. Het onlangs gehouden congres was dus in dubbele

zin een toeristisch congres.

Voor dit negende congres, waaraan wij hier enige aan-

dacht willen schenken, stond als onderwerp op het pro-

gramma: ,,Les nouvelles tendances de la politique du

tourisme”. Dit onderwerp werd zowel bezien vanuit een
Europees als vanuit het gezichtspunt der op het congres

vertegenwoordigde landen. Daarnaast werden de volgen-

de deelonderwerpen behandeld: a. de conjunctuur als

basis voor vreemdelingenverkeerspolitiek; b. de invloed

der Europese integratie; c. vakantieregelingen; d. het ver-

keerswezen; e. het logiesvraagstuk; f. de propaganda en

g. de verhouding van de Staat tot de bedrijfsgroepen.
Na de officiële woorden van welkom hield Dr. P. Ber-

necker (Wenen) een belangwekkende voordracht over de

algemene aspecten der Europese vreemdelingenverkeers-

politiek. Wij laten hier enkele punten uit deze rede volgen.

In juni 1948 ontwikkelde zich een internationale samen-

werking tussen de volgende landen: België, Denemarken,

Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië, Ierland, Italië,

Luxemburg, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk,

Portugal, Zweden, ,Zwitserland en Turkije,. waarmede een
Europese vieemdelingenverkeerspolitiek werd ingeluid op

grond van het ,,Rapport préliminaire sur le tourisme

considéré dans le cadre du programme long terme”.

De A.I.E.S.T. heeft op haar congressen de nodige aandacht
aan dit rapport besteed. Op 25 maart 1957 kwamen België,

Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland te

Rome bijeen ter ondertekening van een verdrag tot vorming

van een Europese Economische Gemeenschap. Hierdoor

werd een gebied ontsloten met een oppervlakte van

1.165.000 km
2
en een bevolking van 164,5 mln, zielen.

Ook voor het vreemdelingenverkeer zal dit gebied een

economisch geheel vormen, waarbij het vreemdelingen-

verkeer als binnenlands kan worden beschouwd, hetgeen

tot ‘een belangrijk intensiever verkeer zal leiden. Men zal

in bovengenoemde ruimte zonder pas en douaneformali-

teiten alsmede zonder deviezenbeperkingen kunnen reizen.

Voorts is verhoging van de levensstandaard in dit gebied

te verwachten, welke tot een uitbreiding van het vreemde-
lingenverkeer zal leiden. De ontwikkeling van de’techniek

van het vérkeerswezen zal uiteraard een uitbreiding van

de logiesgelegenheden meebrengen.

In verband hiermede ging spreker dieper in op het door

de ,,European Travel Commission” in 1956 gepubliceerde

witboek over een Europese vreemdelingenverkeerspolitiek,

dat tot een te gunstige prognose aanleiding had gegeven

en daarom sterk door de ,,International Hotel Commission”

was aangevallen. Als deskundige op dit gebied bracht

Dr. Bernecker de financiering van de hotels ter sprake,

waarbij spreker betoogde dat de rentabiliteit van de

investeringen in hotels in het algemeen onbevredigend is,

zelfs in tijden van hoogconjunctuur.

In vele landen is men aangewezen op een kredietpolitiek

van de overheid, alsmede een rationaliseringspolitiek der
hotelbedrijven. Deze laatste raakt direct de vraagstukken

van personeel, lonen en prijspolitiek. Het culturele en

sociale karakter dezer bedrijvén zal daardoor een belangrij-

ke wijziging ondergaan. Door deze structuurveranderingen’

zullen aanvragen voor luxe en eerste klasse hotels op de

achtergrond geraken en een grotere belangstelling voor

goedkopere logiesgelegenheden aan den dag treden. Dit
neemt niet weg, dat in de grote steden de zakenreizigers

en deelnemers aan congressen een belangrijke clientèle voor

de duurdere bedrijven zullen blijven vormen.

Vervolgens vestigde spreker de aandacht op de wenselijk-

heid van meer uniformiteit in de vreemdelingenverkeers-

statistieken der verschillende landen, teneinde deze verge-

lijkbaar te maken, alsmede op de wenselijkheid van een

uniforme classificering van de hotellerie.

Op de volgende zitting kwam Prof. Dr. K. Krapf Bern)

aan het woord. Prof. Krapf sprak over de invloed van de

Europese integratie op ‘het vreemdelingenverkeer. Spreker

schetste eerst de internationale samenwerking op toeris-

tisch gebied in het verleden. Deze samenwerking demon-

819

streerde zich in vele gevallen door een reeks van feestelijke

bijeenkomsten, recepties en maaltijden, waarbij de werk-
zaamheden in het gedrang kwamen en zich bepaalden tot

technische kwesties welke aanleiding waren tot eindeloze

discussies. Zolang de gouden standaard gehandhaafd,

bleef, deden zich geen
bijzondere
problemen voor. In de

intenationale economische politiek speelde het toerisme

immers een ondergeschikte rol. De concurrentie tussen de

verschillende landen werd door een hard en agressief

karakter gekenmerkt.

Na de tweede wereldoorlog ontstond in Europa een

geest van internationale verdraagzaamheid op toeristisch

gebied en zelfs van samenwerking, die o.a. werd gekenmerkt

door gemeenschappelijke propaganda in de Verenigde

Staten. Tevens krijgt deze samenwerking een steeds nieer

economisch karakter, hetgeen zal bijdragen tot een toe-

nemend internationaal vrij personenverkeer. In dit verband

wees Dr. Krapf op de Europese Economische Gemeen-

schap. Het gaat hierbij om een supernationale economische

binding. Hiertegenover staat, dat een discriminatie te

vrezen is van de overige elf Europese tot de O.E.E.S.

behorende landen. Als wapen daartegen poogt men een

vrjhandelszone- te projecteren.

Vervolgens ging spreker in op de omvang en de structuur
van het Europese toerisme. Zijn referaat bevat een omvang-

rijke tabel, waarin voor 17 Europese landen alsmede voor

de Verenigde Staten en Canada de uitgaven en ontvangsten

uit hoofde van het vreemdelingenverkeer zijn neergelegd.

Blijkens deze tabel hadden de volgende landen in
1957
een.

positief saldo (in mln, dollars): Duitsland (26), Oostenrijk

(116), Denemarken (12), Ierland (57), Italië (323), Portugal

(14) en Zwitserland (148). De overige landen hadden in

1957 een negatief saldo, waaronder Frankrijk (90), het Ver-

enigd Koninkrijk (31), Nederland (14), de Verenigde

Staten
(569)
en Canada (162). De laatstgenoemde drie

cijfers hebben betrekking op 1956. De Verenigde Staten

en Canada zijn de grootste bankiers van het Europese

toerisme. In het algemeen hebben sterk geïndustrialiseerde

landen een passieve toeristische betalingsbalans, agra-

rische landen daarentegen een actieve. Naarmate de

Europese integratie voortschrijdt zal het vreemdelingen-

verkeer- een steeds meer compenserende factor in het –

economisch leven van ons werelddeel vormen.

Na de inleiding van Prof. Krapf werden de volgende

deelonderwerpen behandeld: Prof. Dr. W. Funziker

(St. Gallen) : De vakantieregeling als toeristisch probleem;

Dr. G. Walterspiel (München): De conjunctuur als Leit-

rnotiv van de toeristische politiek; Prof. Dr, A. Mariotti

(Rome): De verhouding van de Staat tot de bedrjfsgroepen;

V. Planque (Parijs): Het logiesvraagstuk; Dr. K. Morgen-

roth- (München): De rol van de propaganda in de vreem-

delingenverkeerspolitiek. In het kader der algemene

Europese toeristische politiek werd het ,,Rapport van

Clarence B. Randail gericht tot President Eisenhower”

door J. Nikerk besproken, waarbij in het bijzonder de

aandacht op het hoofdstuk ,,Hotel facilities” en op het

belang van het toerisme voor de wereldvrede werd geves-

tigd. ,

Op de daarop v&genIe zitting kwamen de rapporten van
de verschillende landen, t.w. van België, Duitsland, Frank-

rijk, Groot-Brittannië, Italië, Joegoslavië, Nederland,

Oostenrijk, Polen, Portugal, Zweden en Zwitserland aan

de orde. Wat ons land betreft hield schrijver dezes twee
referaten, ni. een over ,,Vreemdelingenverkeerspolitiek

in Nederland” en eenover,, Het logiesvraagstuk in Neder-

land.”

In de eindvergadering, gehouden in ‘het stadhuis van

Konstanz, werd ten slotte de vcilgende resolutie aange-

nomen:

De politiek van het vreemdelingenverkeer verdient

voortdurend de aandacht van de betreffende autoriteiten,

gezien de veranderingen die nog steeds plaatsvinden in de

economische, ‘technische’ en sociale structuur.

Marktonderzoek neemt hierbij een belangrijke plaats

in. Een uniforme vreemdelingenverkeersstatistiek in alle

landen is daartoe noodzakelijk.

Het is gewenst in overeenkomsten inzake de vrijhan-

delszone de vrijheid van het toerisme te veriekeren.

Het congres beveelt doelm’atige vakantieregelingen

aan met het oog op een rationale ontwikkeling van het

vreemdelingenverkeer, vooral in het belang van vakantie-

gangers die slechts over bescheidén middelen beschikken.

Vakantiespreiding wordt onontbeerlijk geacht. Buiten het

hopgseizoen worden belangrijke reducties voor logies,

transport en manifestaties aanbevolen.

/
5.
Alhoewel ‘rekening houdende met een algemene

verkeersontwikkeling zal men deze tdch niet mogen over-

schatten.
Teneinde aan de toenemende eisen tegemoet te komen,

zullen de bestaande hotellerie en de nieuwe logiesvormen

voor het beschikbaar stellen van kredieten tegen lage

rente tot uitbreiding in staat dieneri te worden gesteld.

De propaganda zal over grotere toeristische gebieden

moeten worden uitgebreid. Een voorbeeld hiervan is de

gemeenschappelijke Europese propaganda in de Verenigde
Staten. De meest moderne reclamemethoden zullen dienen

te worden toegepast.

Een doelbewuste vreemdelingenverkeerspolitiek ver-

eist medewerking van daarvoor geschoolde krachten en

toepassing van wetenschappelijke methoden. Voorts dient

de deelneming van de overheid op samenwerking met de

geïnteresseerde bedrijven te berusten.

voorburg.

I

Ing. 1. NIKERK.

INGEZONDEN STUK

Prjjsstabilisatie, inflatoire druk en overbesteding

Mr. W. J. Wjjnberg te Haarlem schrijft ons:

Naar aanleiding van de
bijdrage,
getiteld ,,Prijsstabili-

satie, infiatoire druk en overbesteding”, van Drs. M. van

Amelsvoort’in ,,E.-S.B.” van 17 september 1958 veroorloof’
ik mij de volgende opmerkingen.

Schrijver concludeert, Iat in 1957 de kosten van levens-

onderhoud- aanmerkelijk meer zijn toegenomen dan de

lonen, hetgeen een reële loondaling van 4 pCt. ten gevolge

had. Hij baseert deze conclusie op de stelling, dat volgens

het Centraal Economisch Plan 1958 de loonsverhoging, met

inbegrip van 4,5 pCt. compensatie voor de A.O.W.-premie,

6,5
pCt. zou hebben bedragen. Zonder de A.O.W.-compen-

satie zou de loonsverhoging derhalve op 2 pCt. kunnen

worden gesteld, waartegenover een stijging van de prijs-

index van conumptiemiddelen met ongeveer
6,5
pCt. stond.

Het in het C.E.P. genoemde stijgingspercentage van 6,5

heeft echter niet betrekking op de lonen, doch op de loon-

som per werknemer, dus op de loonkostèn inclusief sôciale
lasten. Bij de berekening van dit percentage is dan ook met

een vermindering van de loonsom met 0,6 pCt. als gevolg

van een daling van de werkgeversbijdrage in de sociale

820

verzek’eringen rekening gehouden. Dit gldt uiteraard niet

voor de loônsverhoging. Voorts is rekening gehouden met

een vermindering van de loonsom met 2,5 pCt. als gevolg

van het feit, dat de 3 pCt. uitkering ineens 1956 (over 1955)

in 1957 achterwege bleéf. Deze ,,welvaartsuitkering” werd

in 1956 toegestaan op grond van een over 1955 geconsta-

teerde achterstand in de ontwikkeling van ht looninkomen
ten opzichte van het nationaal inkomen en had ten doel de’

mogelijkheid te openen de werknemers alsnog in de gestegen

welvaart van 1955 te doen delen. Voor een beoordeling van

de ontwikkeling van het loonpeil dient deze eenmalige uit-

kering – venals dit met gratificaties, winstaandelen en

andere uitkeringen-ineens geschiedt – buiten beschouwing

te worden gelaten.

Elimineert men beide hogergenoemde factoren, dan mdet

volgens de gegevens van het C.E.P. de loonsverhoging op

9,6 pCt. worden gesteld, of op 5,1 pCt. zonder de A.O.W.-

compensatie. Dit stemt nagenoeg overeen met de door het

C.B.S. gepubliceerde gegevens omtrent de ontwikkeling

van de gemiddelde bruto-uurlonen volgens regelingen voor

volwassen mannelijke arbeiders in nijverheid, transport en

landbouw, welke een loo’nsverhoging van ca. 11 pCt. uit-

wijzen, hetgeen neerkomt op een verhoging van ca. 5,4 pCt.

zonder de A.O.W.-compensatie
J).

Voor heç bepalen van de
stijging
of daling van het reële

loon is het voorts juister, uit te gaan van het prijsindexcijfer

van het levensonderhoud dan van ‘de prijsindex van de

consumptiemiddelen, omdat deze laatste index betrekking


heeft op de consumptieve bestedingen van de gehele Neder-

landse bevolking en niet op die van de groep werkrjemers.

Het prijsindexcijfer van het levensonderhoud van gezinnen

van hoofd- en liandarbeïders is in 1957 ge’middeld met 10,2

pCt gestegen, of met 5,6 pCt. zonder de A.O.W.-premie
2),

Hieruit kan worden geconcludeerd, dat de loonsverhoging

ongeveer gelijke tred heeft
,
gehouden met de stijging van de

kosten van het levensonderhoud, zodat van een reële loon-

daling niet kan worden gesproken.

Hel is dan ook de vraag of, indien de door de Regering

gevolgde loon- en prijsstabïlisatiepolitiek inderdaad tot een

reële loondaling van 4 pCt. zou hebben geleid, de vakbonden

bereid zouden zijn gebleven van acties af te zien. Uit de

door de voorzitter van het N.V.V., de heer C. W. van

Wingerden, op 19 septemberjl. voor de V.A.R.A-microfoon

gehouden rede blijkt, dat het feit, dat het N.V.V. niet ‘met

looneisen is gekomen, in de eerste plaats een gevolg was van

•de omstandigheid, dat rekening moest worden gehouden

met het teruglopen van de werkgelegenheid en de stijging

van de werkloosheid en niet van het succes van de prijspoli-

tiek, zoals schrijver stelt. Uit de door de heer Van Winger

den gehouden rede blijkt voorts, dat de Regering niet op de
medewerking van het N.V.V. behoeft te rekenen, indien de

door, haar noodzakelijk geachte maatregelen met betrek

king tot de’ afschaffing van de consumentensubsidie op

melk en de huurverhoging zouden leiden tot een daling van

het reële 1oon

De onlangs gepubliceerde uitkomsten van de in oktober
1957
door het C.B.S. gehouden enquête inzake de verdiende
lonen -van nijverheidsarbeiders (Sociale Maandstatistiek,
september
1958)
vertonen hetzelfde beeld. De gemiddelde
verdiende uurlonen blijken ten opzichte van oktober
1956
met ruim .11 pCt. te zijn gestegen
Het prijsindexcijfer van het levensonderhoud van hoge
re employé’s en ambtenaren vertoonde een iets sterkere stij-
ging, ni. 11,4 pCt., of. 7,6 pCt. exclusief de AO.W.-premie.
Hieruit zou kunnen blijken, dat de stijging ,yan de prijsindex
‘van de consumptiemiddelen met 6,5 pCt. zwaarder op deze
groep heeft gedrukt.
NASCHRIFT

De aanmerkirgen van de heer Wijnberg betreffen de

grootte van de nominale loonstijging in 1957, de keuze

van de prjsindex ter benadering van het reële loonpeil,

en de betekenis van de prijspolitiek voor de bereidheid

van de vakcentrales om mee te werken aan loonstabiisatie.

Ik zal trachten deze drie punten kort te bespreken.

De heer Wijriberg meent dat de vermindering van sociale

lasten voor de werkgevers in 1957 en de uitkering ineens

in 1956 bij de berekening van de loonstijging in 1957 buiten

• beschouwing moeten blijven. Het is jammer dat mijn

opponent deze stelling niet motiveert. Nu zal ik mij ertoe

moeten bepalen mijn eigen motieven weer te geven. ik

meen dat de vraag, welke componenten moeten meetellen

bij het onderzoek naar veranderingen in het loonpeil, niet

in het algemeen kan worden beantwoord, maar .dat het

antwoord afhangt van het verband waarin men het loon-

peil beschouwt. In mijn artikel heb ik het loonpeil enerzijds

in verband gebracht met de concurrentiepositie van ons

land op de wereldmarkt, en anderzijds met het binnenlands

verbruik. In het eerste geval zijn de lonen als kosten be-

• schouwd, in het tweede geval als inkomen. Wij zullen het

begrip loonpeil dus voor deze twee gevallen afzonderlijk

moeten bezien.

Wil men weten in hoeverre het arbeidsloon als kosten-

factor van invloed is geweest op veranderingen in het

algemene kostenpeil, dan moet men nagaan wat het de

werkgever kostte eep arbeider tewerk te stellen, hetzij in
de vorm van ,,take-home pay” voor de arbeider, hetzij in

de vorm van sociale lasten. Ik meen dan ook dat in het

onderhavige geval de vermindering van de werkgeversbij-

drage in de. sociale lasten dient te worden meegeteld. Men

pleegt trouwens in het algemeen bij internationale yerge-

lijkingen van loonkosten lonen en sociale lasten in één

adem te noemen Het is een onnauwkeurigheid van mijn

kant dat ik niet heb geschreven: lonen, inclusief sociale

lasten. Wat de gelegenheidsuitkeringen betreft, die zou ik

slechts willen meetellen voor zover zij naar hun aard tot de

kosten behoren. Zo behoreh uitkeringen in de vorm van

winstaandelen naar hun aard niet tot de kosten, de uit-

kering ineens in 1956 behoorde er echter wel toe. Ik zie

derhalve geen reden, mijn conclusie ten aanzien van de

loonbeweging als factor in de beweging van het algemene

kostenpeil te herzien.

Wil men het verband’ tussen loonpeil en consumptie

nagaan, waarbij dus het arbeidslbon als inkomen wordt

beschouwd, çlân kan men inderdaid de werkgeversbijdrage
in de Sociale lasten niet in aanmerking nemen: wijzigingen

in deze bijdrage brengen geen verandering in het loon-

inkomen. Op dit punt moet ik de heer Wijnberg volkomen
gelijk geven. Gelegenheidsuitkeringen wil ik echter in ‘dit

geval bij het loon blijven tellen, voor zover zij voor con-

– sumptieve uitgaven kunnen worden gebruikt. Stortingen

op yoor consumptieve uitgavën geblokkeerde spaarreke-

ningen zouden hier bijv. niet onder ‘vallen; de uitkering

ineens in 1956 valt er wel onder. Het kan immers niet wor-

den ontkend dat uitkeringen als hier bedoeld de koop-

krachtige vraag naar verbruiksgoederen doen stijgen en zo

invloed op het binnenlands verbruik uitoëfenen. Het zöu
geen zin ‘hebben ze buiten beschouwing te laten als men

loonpeil en consumptie met elkaar in verband wil brengen.

Voor dit geval moet ik dus alleen de vermindering van de

werkgeversbijdrage’uitschakelen. Dit brengt bet berekende
stijgingspercentage van het arbeidsloon in 1957 van
6,5
t
_op goed 7.

‘821

• Spreekt men over het reële loon, dan bedoelt men uiter-

aard het loon als inkomen. Op grond van het bovenstaande

moet men derhalve ter benadering van veranderingen in

het reële loonpeil in
1957
de nominale loonstijging op goed

7 pCt. stellen. Tegenover een
stijging
van de prijsindex

van het levensonderhoud niet ruim 10 pCt. geeft dat een

reële loondaling van rond 3 pCt. in
1957.
Ik onderschrjf

de opmrking van de heer Wijnberg, dat de prijsindex

van het levensonderhoud een juister benadering van het

reële loon mogelijk maakt dan de consumptieprijsindex.

Dë benadering van het reële loonpeil blijft echter, meer

nôg dan de benadering van het nominale loonpeil, een zaak

waarbij grote voorzichtigheid is vereist. Daarom heb ik

in mijn artikel (zie voetnoot 1) de nominale loonbeweging

op de eerste plaats vergeleken met de kosten van levens-

onderhoud, en op de tweede plaats met de prijsindex van
verbruiksmiddelen. Langs deene weg kreeg ik een daling

van 3,5 pCt., langs de andere weg een van 4,5 pCt. Het

verschil is nogal groot, maar heeft geen consequentis voor

het betoog.

Ik heb in mijn artikel niet gesteld, dat de bereidheid van

de vakcentrales om mee te werken aan loonstabilisatie een

gevolg was van het succes van de prijspolitiek, nog minder,

zoals de heer Wijnberg schijnt te menen, dat zij op de eerste

plaats van dat succes afhing. Ik heb in dit verband slechts

de woorden ,,voorwaarde” en ,,psychologisch klimaat”

gebruikt. Negatief zou ik het aldus kunnen omschrijven:

het is moeilijk denkbaar dat de ‘vakcentrales hun looneisen

zozeer zouden hebben gematigd als de Regering deze prijs-

politiek niet had gevoerd of als die politiek zondersucces
was gebleven, zo moeilijk, dat ik meen het succes van de

prijspolitiek als een onmisbare voorwaarde vôor loon-

stabilisatie te mogen betitelen. De aanhalingen uit de

radiotoespraak van de heer Van Wingerden leveren dan

ook geen bewijs voor de onjuistheid van mijn mening.
‘s-Gravenhage.

0
M. VAN AMELSVOORT, ec. drs.

De geldmarkt.

De geldmarkt heeft deze week aan ruimte gewonnen.

De banken hebben ondanks het verrichten van belasting-

betalingen hun saldo bij de Nederlandsche Bank in de
week eindigend 13 oktober met een kleine f. 100 mln.

weten te verhogen. Deeffde fact’oren als vorige week

hebben hierbij een rol gespeeld, t.w. de inkrimping van de

bankbiljettencirculatie, het aankopen van papier door

de Centrale Bank en een toeneming van de goud- en

deviezenvoorraad in handen van deze instelling tot f.
5.072

mln.

– In ruim een jaar
tijds
heeft deze laatste grootheid een

stijging van ruim f. 2mrd. aan de dag gelegd. Toevalliger-
wijs is deze groei bijna gelijk aan de vermindering die het

tekort op de handelsbalans in de eerste maanden van 1958

heeft ondergaan t.o.v. dezelfde periode van vorig jaar. Al

hebben wij het nog niet zo ver gebracht als Engeland, waar

de handelsbalans gedurende het eerste halfjaar 1958 voor het

eerst in decennia een overschbt vertoonde, in de afgelopen

maand was oiize handelsbalans toch bijna in evenwicht.

De gang van zaken met betrekking tot de handelsbalans

en de deviezenreserves is duidelijk terug te vinden in het

verloop van de gecombineerde balanscijfers “van de 34

representatieve handelsbanken gedurende de eersie acht

maanden van dit jaar. De onmiddellijk opvraagbare,

termijn- en spaardeposito’s zijn in deze periode met

f. 877 mln, toegenomen. Deze additionele middelen zijn

belegd in schatkistpapier, waarvan f. 881 mln. meer in

portefeuille werd genomen. Bovendien zagen de betrokken

banken hun kasmiddelen met f. 303 mln..
stijgen,
welk

bedrag enerzijds van dezelfde orde van grootte zal zijn

als de toeneming van het verplichte saldo bij De Neder-

landsche Bank, en anderzijds op f. 4 mln, na gelijk is aan

de daling van de kredietverlening aan de particuliere sector.

De verminderde kredietbehoefte van het bedrijfsleven is

waarschijnlijk mede door dezélfde factoren veroorzaakt

als de daling van de invoer, nl. door de inkrimping van

v’oorraden en de verbetering van de ruilvoet.

In dit licht bezien is het niet verwonderlijk dat het bank-

wezen tracht aan de kredietverlening nieuwe stimulansen

te geven. De .Twentsche Bank heeft, als eerste Nederlandse

handelsbank, aangekondigd zich op het terrein van de

,,persoonlijke lening” te gaan begeven, evenals dè Ameri-

kaanse banken dit dertig jaar geleden en de Engelse banken

eind augustus van dit jaar hebbengedaan. De bank verwacht

dat hiermee voor het gehele Nederlandse bankwezen op de

duur een bedrag van f. 200 mln, zal zijn gemoeid, d.w.z.

ca. 7 pCt. van het huidige kredietvolume: Zoals ,,The

Financial Times” deze week opmerkte is de betekenis van

de introductie van de ,,personal loans” tot nog toe vooral

geweest, dat aan deze vernieuwing veel publiciteit is gegeven.

Hierdoor is het Engelse publiek zich weer gaan realiseren,

dat ,,banks are in business to lend money”.

De kapitaalmarkt.

Alsof het was om de Amerikaanse monetaire autoriteiten

te tarten, heeft Wall Street op de verscherping van- de

prolongatievoorwaarden met een zeer fikse koersstijging

gereageerd. En dat, terwijl de aankondiging plaatsvond

op een tijdstip dat de beurs aan een aantal verkoopgolven

ten prooi was gevallen. De motivering van de Federal

Reserve Board is geweest, dat de prolongatiekredieten de

hoogste stand hebben bereikt sinds dit gegeven in de

dertiger jaren voor het eerst werd geregistreerd, t.w. $ 4,5

mrd. Als men evenwel bedenktdat de beurswaarde van alle

op de New York Stock Exchange genoteerde aandelen

ultimo september $ 248,3 mrd. bedroeg, is het begrijpelijk

dat het reële effect van deze stap – in de vorm van liqui-

datie van posities – slechts gering kan zijn. In ieder geval

wordt het meer dan teniet gedaan ten gevolge van de

omstandigheid dat een verhoging van het dekkingspercen-

tage als een officiële erkenning van het infiatiegevaar wordt

beschouwd, maar het is juist het infiatiegevaar dat de

beleggers aandelen doet kopen. Het lijkt wel verantwoord

om te concluderen dat deze vorm van selectieve krediet-

politiek een averechtse uitwerking pleegt te hebben.

De aanzienlijke koersstijging op de Amsterdamse beurs is

gedeeltelijk een gevolg van het feit dat het Damrak de

week moest beginnen met te reageren op de koerssprong
die Wall Street op de laatste dag van de vorige week had

gemaakt. De belangstelling vaL het buitenland voor onze

internationale aandelen blijft zeer groot. Royal Dutch komt

regelmatig voor op de New Yorkse
lijst
van de 10 meest

verhandelde aandelen, en et Philips gaat het, wat de

büitenlandse kooplust betreft, bepaald de ,,koninklijke”

weg op. De herbeleggingsvraag komt aan de overige secto-

ren van de aandelenmarkt ten goede. De beursstemniing

wordt hierdoor getypeerd dat emissie-aankondigingen,

822

HET VERKOOPKANTOOR
VAN DE

STAATSMIJNEN IN LIMBURG

GEVESTIGD TE ‘s-GRAVENHAGE,

vraagt

EEN ECONOOM

met statistische ervaring

De betrokken functionaris zal worden belast
met de leiding van de afdeling welke zich bezig
houdt met het verzamelen en verwerken van de gegevens betreffende de kolen- en cokes-
markt in binnen- en buitenland.

In aanmerking komen econoriÇen, afgestudeerd
aan een Economische Hogeschool of Univer-
siteit, met ervaring op het gebied van markt-
analyse.
Leeftijd bij voorkeur tussen 30 en 40 jaar.

Sollicitaties onder opgave van opleiding, le-
vensloop en referenties en ‘onder bijvoeging
van een pasfoto te richten aan:

Staatsmijnen in Limburg

Afdeling Beambtenpersonèel,

Heerlen

Maak gebruik van de rubriek

,,VACATURES”

voor
het
oproepen van sollicitanten voor leidende

functies. Het aantal reacties, dat deze annonces

ten gevolge hebben, is doorgaans uitermate
bevredigend; begrijpelijk: omdat er bijna geen

grote instelling is, die dit
blad
niet regelmatig
ontvangt
en waar het niet circuleert!

823

/

• waarvan er deze week weer drie zijn geweest, ,momenteel

als een hausse-motief worden beschouwd.

Voor het sluiten van jeugdspaarovereenkomsten blijkt

een levendige belangstelling te bestaan. De Rijkspost.:

spaarbank heeft bekend gemaakt dat er sinds 1 oktober –

reeds 6.000 rekeningen zijn geopend, terwijl de Spaarbank

té Rotterdam op 14 oktober de duizendste overeenkomst

heeft gesloten.

Aand. IndexclJfers A.N.P.-C.B.S.
2 jan. 10 okt. 17 okt.
(1953

100)

1958

1958

1958

Algemeen

…………………………..168

221

228
Internat. concerns …………………237

317

330
Industrie ………………………………- 126

161

161
Scheepvaart

………………………….117 .

143

146
Banken ……………………………….106

132

131
Indon. aand

…………..
.. …………….64

90

91

2 jan.
10 okt. 17 okt.
Diverse obligaties
1958 1958 1958
3½ pCt. Gem. R’daxn 1937 VI
84
90%
90½
3% pCt. Bk.v.Ned.G-em.195411/III
797,
84½
84
3½ pCt. Nederi. Spoorwegen
84½
90fe
90%
3% pCt Philips 1948 ………………
90
95
941/4

3Y4 pCt. West!. Hyp. Bank
80
85Y4
85%
6
pet.

Nat.

Woningb.len. 1957
104% 109%
109½

New
Yorli
Aandelenkoersgemiddelde
Dow Jones Industrials ………….
439 543 546

M.
P. GANS.

.
:v
!
t1&re8
j

Aandelen

Kon: Petroleum

……………………
f. 147,30
f. 179,95 f. 188.40
Unilever

……………………………….
311Y4
408%
423
Philips .

………………………………….
.

230½. 142½ 348½ 218½
359%
225
3
/4
A.K.IJ.

…………………………………
Kon.

N.

Hoogovens

………………
241
324 ‘332
Van

Gelder

Zn .

……………………
170
185
3
/4
185
H.A.L………………………………….
.
132%
147
3
/t
149
3
/4
Amsterd.

Bank

………………………
191½ 239½
239%
H.VA.

…………………………………
84% 112%
118

Staatsfondsen

pCt.

N.W.S
.

……………………
59%
58
595/s

3%

pCt.

1947

…………………………
85
92
1
,
9127132

3%

pCt.

1955

1

………………………
81%,
87½
87%
3 pCt.

Grootboek 1946

……………
80%
89% 89%
3 pCt. Dollarlening …………………
90 901
90
1
A

P
N.V.
NATIONAAL BEZIT
VAN AANDËELEN

VEREENIGDE GLASFABRIEKEN

gevestigd te Schiedam

Uitgifte van

f1.000.000,- GEWONE AANDELEN

in stukken van f 500..-, voor een vierde gedeelte
delende in de resultaten over het boekjaar 1958 en
ten volle delende in de resultaten over volgende
boekjaren.

$

De insrijving op bovengenoemde uitgifte zal, uit-
sl

‘oor houders van gewone aandelen N.V.
Nuitend
ationaal Bezit van Aandeelen Vereenigde Glas-
fabrieken
eii
aandelen N.V. Vereenigde Glasfabrie-
ken, zijn opengesteld op

$
MAANDAG 27 OKTOBER 1958

van ds voormiddags 9 uur tot de namiddags 4 uur,

bij de kantoren van ondergetekende te
ROTTERDAM, AMSTERDAM, ‘S.GRAVENHAGE
en SÇHIEDAM

$

tot de koers van 105 pCt.

op de voorwaarden van het prospectus.

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten, alsmede in
beperkt aantal jaarverslagen over 1957 en statuten
van de beide bovengenoemde vennootschappen zijn
verkrijgbaar bij de kantoren van inschrijving.

ROTTERDAMSCHE BANK N.V.

– –

Reeds 85 jaar zijn de

Remington schrijfmachines

.

toonaangevend.

In het Nationaal Typekampioenschap 1958 werd de

le

PRIJS

veroverd door Mej. T. Weevers uit ROtteidam met een

REMINGTON

21.4.% tijdwinst

ookde

3e – 9e – 1e- 13e – 15é – 17e
‘ 20e

en één van de

accurate s s e-prij zen werden met een

REMINGTON ELECTRIC

behaald t Deze moderne machine

reageert feilloos en razendsnel

op een vederUchte aanslag.

REMINGTON ELECTRIC

voor TOP-prestaties!

– ook in UW bedrijf.
J.

FAKKELORAGERS DER EFFICIENCY

Amsterdam
/ Arnhem / Eindhoven / Enschede / Groningen /
Den
Haag / Leeuwarden / Maastricht /
Roermond
/
Rotterdam / Utrecht

824

Auteur