Ga direct naar de content

Jrg. 33, editie 1624

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 23 1948

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Econo_m__iS’ch,-wStatistisch’e

Berichte

n

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCJN EN VERKEER
UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUU’T

33E
JAARGANG

WOENSDAG 23 JUNI 1948

– . No. 1624

COMMISSIE VAN REDACTIE:
Ch. Glasz; H. W. Lambers; N. J. Polak; J. Tinbergen;

F. de Vries;

J. H. Lubbers (Redacteur-Secretaris).

Assistent-Redacteur: A. de Wit.

• COMMISSiE VAN ADVIES VOOR BELGIË:

J. E. Meriens; R. Miry; J. Qan Tichelen; R. Vandeputte;

F. Versichelen.

Gegeoens oper adressen, abonnementen enz. op de laatste
bladzijde pan dit nummer.

INHOUD:
Blz.

De

artikelen

van

deze

week

……….
483

Sommaire,

summaries

………………
483

De Europese kolenvoorziening en het Marshall-plan

door

H.

H.

Wemmers

Jr

………………..
484

Nederland’s plaats en taak in de West-Europese Unie

door

Dr

Ir

W.

B.

Kloos

…………………
485

Enige aspecten van de laatste ôntwikkelingen van
het Europese Herstel Programma (II). 1-let Verdrag nopens Europese Economische Samenwerking
door

E.

H.

v.

d.

Beugel

……………………..
488

J-Iet distributievraagstuk in de Internationale Kamer
van Koophandel (II)

door C. A. A. pan Lutterelt
490

Argentinië

en

het

Marshall-plan

…………….
492

A a n t e k e n in g:
Do

monetaire

sanering

in

Duitslantl

………………
494

Internationale notities:
De hotekenis van de MarslialI-liiiIîvoor België
……….
494
De aanwending der E.R.P..liulp in Italië

…………….
495
Welvaart

in W’est-Indië

…………………………
495

Ontvangen

hoeken

en

brochures

…………….
495

Geld-

en

kapitaalmarkt

……………………
496

Sta t is tie ken:
Bankstaten

………………………………….
496
Overzicht dor laatste vier verkorte balansen van Do Neder-
landsciio

Bank

………………………………
498
Inleggingcii en terugbetalingen op particuliere spaarboekjes
bij de Algemeene Spaar- en Lijtrentekas in België
……
498
Productie cii ezport van natuurrubber

……………..
498
MaandcijFers van. de grote banken In Nederland

……..
49S
De
kolenpositlo van

Noderland

……………………
499
In-

en

uitvoer

van

Nederland

……………………
499

DEZER DAGEN

halve en. hele eindstrijden touwtrekken. De eerste be-
slissing is gevallen in de Verenigde Staten. 1-Jet Ameri-
kaanse Congres zette zich over het herstelprogram voor
Europa uiterst schrap. Veler gedachten gingen naar
Shakespeare’s: ,,Love’s Labour’s Lost”, onwelwillend zelfs
naar de iegel. ,,that sport best pleases that does least
know how”. De grootste ,,know how” heeft het echter, in
overeenstemming met de gevestigde Amerikaanse over-
tuiging, gewonnen. De gecombineerde parlemçntaire.

commissie kreeg het 1-luis, zij het spartelend, over de streep.
Eén slag hield men echter om de arm: de President moet

bezien, of de thans vrijwel onverkort toegestane bedragen

zullen worden uitgegeven binnen de thans in ièders geheu-
gen gegrifte limieten van twaalf of vijftien maanden. In

verband met de Amerikaanse opvolgingstechniek zal deze
arbiter in elk geval President Truman zijn. Deze is echter
wel tot de conclusie gekomen, dat nu voor West-Europa
de wapenen moeten rusten; het Departement van Buiten-
landse Zaken heeft voorlopig van wapenuitvoer afgezien.
Een forse ruk van regeringszijde leek nodig in Frankrijk,

teneinde de parlementaire goedkeuring voor de Loidense
besluiten over West-Duitsland binnen te halen. Met zo’n
intense routine is bij deze worsteling dé politieke bodem –
omgewoeld, dat men na afloop uit de sporen ternauwer-

nood kon opmaken, waar eigenlijk de overwinnaars
stonden. De gewenste Pyrrhusoverwinning is echter be-
reikt; Frankrijk heeft de besluiten geratificeerd. 1-let blijkt
voor de Franse Regering slechts een halve eindstrijd. De
Franse arbeiders, die ook reeds weer vrij lang achtereen

in touw waren, hebben weer ontdekt, dat zij de eindjes
niet aaneen konden knopen. Thans wordt een gedeeltelijke
hervatting van de toeslag voor bepaalde goederen over-

wogen, tegelijk echter wil de Regering haar definitieve
program tegen de inflatie indienen. Een boeienkoning heéf t
het eenvoudiger.
Een Gordiaanse knoop is doorgehakt met de geldzuive-
ring in West-Duitsland. Lang had lusland op het vinke-

touw gezeten, thans hebben de overigen het risico van het
slagnet aanvaard: zij hebben het odium de laatste rafels
van de Duitse eenheid te hebben doorgetrokken op zich
genomen. Wanneer het rookgordijn, dat door de devaluatie
van de cigarettenstandaard over Westelijk Duitsland zal opgaan, is opgetrokken, kan men nagaan, of de Duitsers

inderdaad meer acht zullen geven op de koorden van de.
beurs. Zal een, in uitwerking nog niet duidelijke, monetaie
maatregel de voorraden in beweging kunnen brengen en de arbeidsproductiviteit verhogen? 1-loudt men ook nog
rekening met de mogelijke Russische reacties, dan is dit
slechts een kwart finale.

Tenzij de Britten cle kunst hebben afgezien een touw
in de lucht rechtop te doen staan, schijnt een eindpunt te

zijn bereikt in India. Lord Mountbatten, de eerste Gouver-
neur-Generaal, heeft zijn taak overgedragen. Een Indiër
neemt het stuurtouw in handen en daarmee de zijden
draad van het dominionschap.
Hoe zou het, zo gemeten, met het Indonesische pro-
bleem -staan? De Nederlandse delegatie heeft zich beu
verklaard van het driehoekig touwtrekken met zijsprongen;
de onderhandelingen met de Republiek zijn opgeschort
tot duidelijk werd, wie eigenlijk aan de toûWtjtrekt. Voor
de rest overheerst een bekende situatie: na enig heen
:
en
weerschuiven begrijpt men niet meer, wat er eigenlijk is
gebeurd. 1-let verhaal over de voorlichting betreffende
Indië heeft met dat over de buffels van Saïdjah’s vader
behalve een wederkeer der omstandigheden ook een
zekere droefheid gemeen. – -.

Kapitaal

Reserve

Bouwreserve

Deposito’s op
termijn

Crediteuren

Door derden geaccepteerd

Overlopende
saldi en andere
rekeningen

PASSIEF

70.010.000,00

32.500.000,00

4.000.000,00

58.434.504,90
973.962.907,85
5.873.964,19

38.085.321,42

f1
.182.866.698.36

Behandeling van alle

bankzaken

‘* *

Bezorging van alle

assurantiën.

R. MEES & ZOONEN
BANKIERS EN ASSURANTIE-MAKELAARS

AMSTERDAM
. ROTTERDAM .

SGRAVENH/,0fl
DELFT – SCHIEDAM

VLAARDINGEN

Nederlalldsch Indische ilandeishank, N.Y.’

Amsterdam

Rotterdam

‘s.Cravenhage

Alle Bank- en Effectenzaken

EERSTE NEDERLANDSCH.E

Verzekering Mij. op het Leven en tegeninvaliditeit N.V.
Gevestigd te’s-Gravenhage

AOUINISTRATIEKANTOOR DORORECHT – DELEEVUESTRAAT 2, TELEFOON 5340

Personeels-Pensioenverzekering
verschaft directe fiscale besparing – afschrijving van
toekomstige lasten – blijvende sociale voldoening
Vraagt U eens welgedocumenteerd advies aan ons
BUREAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN

At’ISTERDALISCHE BANK
N.V.
..
INCASSO-BANK
N.V.

MAANDSTAAT
PER 31 MEI 1948
ACTIEF

Kassa,

Kassiers
en Daggeldie-
ningen

/
42.999.193,37

‘Nederlands
schatkistpapier ,,
837.750.000,00

.Ander over-
heidspapier
15.565.500,00

Wissels
1478.229,55

Bankiers in bin-
nen

en

buiten-
land
40.049.739,95


Etfecten en syn-
dicaten

,,
5.648.048,51

Prolongatiën
en voorschotten
tegen Effecten ,,
24.001.252,67

Debiteuren

,, 192.862.031,14

Deelnemingen

,.
16.090.610,67

Gebouwen

,,
6.422.092,50

fl.182.866.698,36

KONINKLIJKE NEERLANDSCHE BOEKDRUKKERIJ


H. A. M. ROELANTS SCHIEDAM

S

EBO

N.V. KONINKLIJKE

N E D E R L A N D S C H E

ZOUTINDUSTRIE

Boekelo . Hengelo

ZOUTZIEDERU

Fabriek van:

zoutzuur, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

cbloorbleekloog.

natronloog, caustic soda.

0

23 Juni 1948

ECONOMISCH-StATISTISCHE BËRIdHTEN

483

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

H. H. Wemmers Jr,
De Europese kolenvoorziening en het

Mars ha it-plan.

De dispariteit tussen vraag en aanbod van vaste brand-

stoffen is sinds vorig jaar in stijgende mate aan het afne-

men. De XV1 kunnen zich, rekening houdend met Poolse

kolen, nog niet volledig voorzien, zodat hulp van Amerika,

zij het in afnemende omvang, noodzakelijk blijft. Dat
hiertoe door het Marshall-plan de mogelijkheid is ge-

schapen, stemt tot verheugenis. 1-let doel dezer hulp,
namelijk een
tijdelijke
overbrugging der bestaande. moei-
lijkheden in de kolensector, zal in ‘afzienbare tijd dqor

productieverhoging eherzijds en toenemende in- en uit-

voer tussen de Europese landen onderling anderzijds

vermoedelijk kunnen worden verwezenlijkt.

Dr Ir W. B. I(loos,
Nederland’s plaats en taak in de West-

Europese Unie.

liet is te betwijfelen, .of Nederland binnen zijn huidige
terri torile grenzen zijn gehele toekomstige bevolkings-
aanwas, zal kunnen opnemen en daarbij ‘een redelijk wel-
vaartspeil verzekeren. Slechts opheffing der staatkundige
grenzen – op economisch gebied – binnen een ‘West-
Europese Unie kan voor ons industrialisatieprobleem een

oplossing brengen. De vraag is echter, of de industriële
compensatienoodzaak
voor West-Europa als geheel en de
industriële expansienoodzaak voor Nederland ten volle kunnen worden verwezenlijkt. Als enige en laatste red-

middel rest dus
emigratie.
Emigratie en immigratie behoren.

tot de eenvoudigste en doeltreffendste middelen om de
totale West-Europese productie te verhogen.

E. H.
v. d. Beugel,
Enige aspecten pan de laatste oniwik-

kelin gen pan het Europese Herstel-Progranima (II).

Reeds in de tweede helft van 1947 bleek, dat zowel van

Europese als Amerikaanse zijde het totstandkomen van
een hechte organisatie van dë deelnemende landen als een
onmisbre voorwaarde voor het E.H.P. werd beschouwd.
In vervolg hierop werd op 16 April jI. het Ver4rag nopens
Europese Economische Samenwerking ondertekend. In
het verdrag ‘is vermeden de Europese organisatie ‘geheel
aan de Marshall-hulp te koppelen; zowel in tijdsduur als
in doelstelling gaat het boven het E.I-I.P. . uit. Inmiddels
is het niet meer dan een formeel raamwerk, dat door de
practijk der samenwerking moet worden gevuld.

C. A. A. van Lutterveld,
Hei distribuiieoraagstuh in de
Internationale Kamer pan Koophandel (II).
I-iernieuwd contact t.a.v. de bestudering van distributie-
problemen kwam in het kader van de I.K.K. tot stand,
toen in Februari jl. de ,,Commission de la Distribution”
voor het eerst na haar wederinstelling te Parijs bijeen

kwam: Agendapunten waren:
a.
een verbeterde definitie
van het begrip distributie;
b.
structuur en kosten der

distributie;
c.
marktonderzoek en stimulering van de
verkoop;
d.
vergelijkend onderzoek van de vakorganisatie;

e.
vakopleiding. Schrijver geeft een overzicht van hetgeen
te Parijs naar aanleiding van deze punten werd besproken
en besloten.

Argentinië en het Marshall-plan.

Het Marshall-plan kan voor Argentinië een nieuwe
toevloed van dollars betekenen, benevens zekerheid vcor
de ‘afzet van ‘s lands voornaamste producten in de komende jaren. Anderzijds echter vreest Argentinië de eigen handels-
politiek (i.c. de hoge prijzen) voor een groot deel te zullen
moeten prijsgeven (de Internationale Tarwe-Overeen-
komst bijv. zal niet nalaten op de Argentijnse prijzen
invloed uit te oefenen). Argentinië heeft daarom het
Marshall-plan met gemengde gevoelens begroet.

SOMMAIRE.

H. H. Wemniers Jr,
La liraison decharbon
ti
i’Europe ei

le ‘Plan Marshall.

La produetion houillère en Europe augmente contirjuelle-

ment. L’activité des mines polonaises surtout est remar-

quable. C’est pourcjoi le but du plan Marshall, qui consiste

Ii fournir une aide temporaire, a toutes les chances de

réussir.

Dr W. B.
Kloos,
La ldche des Pays-Bas dans l’Union
Européenne Occidentale.

L’évolution de l’industrialisation néerlandaise sera fa-

vohkp, par l’abolition des barrières économiques entre les

pays de l’Europe Occidentale. Nonobstant, une certaine
partie de la, population hollandaise devra émigrer.

H. v.
d. Beucl,
Quelques aspects des récents déi’eloppe-

ments du P.R.E. (II).

Le traité signé â Paris le 16 Avril 1948 au sujet de la

coopération économique européenne montre deux caracté-

ristiques principales: a. l’accord se b6rne plutôt aux
grandes lignes de principe, laissant â la coopération
pratique différentes possibilités’de résolution; b. l’existence
de l’organisation convenue, ne dépend pas exclusivement de l’aide Marshall.

C. A. A.
van Luttervelt,
Problèmes de dist,ibuiion dans
la Charnbre Internationale de Commerce (II).

L’Argeniine ei le Plan Marshall.

Le Plan Marshall pourrait faire écouler des dollars vers l’Argentine. D’autre part, le plan pourrait obliger l’Argen-
tine d’abandonner sa politique commerciale, de monopoles.
Aussi l’Argentine a-t-elle accueillie le Plan avec des
sentiments mitigés.

SUMMARIES.

H. H. Wemmers Jr,
European coat supply and Marshall
Plan.

European coal production is increasing steadily, Polish mining activity being especially important. Therefore the
purpose of the Marshall Plan, whiclj is to give
temporary

aid, has every chance to be attained.

Dr W.
B.•Kloos, The task of the iVetherlands in the 1Vestern
European Union.

The Netherlands has to industrialize its economy in
order to be able to give its rapidlyincreasing population
a reasonable standard of living. This process of industria-
lization will be favoured by the elimination of economic

barriers between Western European countries. Nevertheless
a certain part of the Dutch population will have to emigrate.

H. v. (1.
Beugel,
Recent deelopments wiih rçgard to
the E.R.P. (II).

The Treaty concerning Euopean Economic Cooperation,
signed at Pâris, April lGth, 1948, has two main charac-
teristics: (a) the’agreement is rather formal, leaving nany
issues to be scilved by practical cooperation; (b) the exis-
tence of the organisation agreed upon is not solely
dependent on Marshall aid.

C. A. A.
van
Luttervelt, Distribution problems in the Inter-national Chamber of Commerce (II).

Argentina and the Marshall Plan.

The Marshall Plan might cause a new flow of dollars
to Argentina. On the other hand the Plan might oblige
Argentina to abandon its monopolistic trade policy.

CUO

b

484

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni. 1948

DE EUROPESE KOLENVOORZIENING EN
HET MARSHALL-PLAN.

Het mag als een algemeen bekend feit worden veronder-”

steld, dat de economie der 16 landen, die in ht ,,Commit-

tee of European Economic Co-operation” samenwerken,

in hoge mate afhankelijk is .van het in voldoende mate

beschikbaar komen van energie. Wair .deze energie
I
voor

een belangrijk deel uit vaste brandstoffen moet worden

verkregen, ligt het voor de hand, dat uien in de betrokken

lahden ernaar streeft de productie daarvan zo hoog mogelijk

op te voeren en dat ook in de eerstkomende jaren alle

pogingen zullen worden aangewnd om de kolenproductïe

boven het peil van 1938 te brengeh. Gaande verwachtingen

in vervulling, dan zal de kolenproductie in de deelnemende

landen (inclusief West-Duitsland doch exclusief Polen)

in pCt van het jaar 1938 bedragen:

in

1948
86
1949
92

1950 100
1951
106

Desondanks zal het verbruik der 16 landen in deze jaren

hoger liggen dan de geraamde productie, zodat het tekort

zal moeten worden aangevuld door die landen, die in staat

zijn grote hoeveelheden stêenkolen te exporteren. In Europa
komt allereerst Polen daarvoor in aanmerking en het was

dan ook te verwachten, dat de 16 landen met het export-
vermogen van Polen ten volle zoûden rekening houden.

Dit land heeft trouwens in korte tijd opmerkelijke presta-
ties bereikt en is thans reeds de grootste exporteur van
steenkolen in Europa. 1-Jet exportëerde in de jaren:

1938

12

millioen ton

1945

5,6
1946

-,

15
1947

19,2

en zal waarschijnlij exporteren.in

1948

24

millioen ton
1949.

30

Desondanks is de Europese productie niet voldoende
om ‘de behoefte der 16 landen volledig te dekken en kan
het tekort slechts door de Verenigde Staten volledig worden

aangevuld. Dit tekort werd in het ,,Technical Report
Committee of European Economic’ Co-operation” als

volgt becijferd:

1948
1949
190
1951

(in
millioenen
tonnen)

Behoefte
.
……….
533
558 588
612

Beschikbaar ………
475
508
546
575

Tekort

…………
58
50
42
37

Door Polen te dekken
17
25

,
28
31

Importbehoefte uit de
U.S.A
.

……….
41
25
14
6

Hoewel een vergelijking tussen bovenverineld rapprt
en het in de Verenigde Staten uitgebrachte ,,Comrnodity

Report” niet op alle punten
,
mogelijk is, kan toch wël
worden gezegd, dat dé Amerikaanse Regering slechts

weinig wijzigingen in de cijfers heeft aangebracht: Iet
valt daarbij op, dat zij de geraamde cijfers inzake de kolen-
productie in West-Europa volledig overneemt, zodat mag
worden aangenomen, dat men van mening is, dat de ge-
raamde productie inderdaad zal worden bereikt. Slechts

ten aanzien vân de behoefte van enkele landen, zoals
Italië en Denemarken, werden de cijfers van het Comité
belangrijk gewijzigd, terwijl de uitvoer van West-Duits-land van Juli 1949 af aanmerkelijk hoger werd geraamd.
Als gevolg hiervan komt het ,,Commodity Report” tot
de conclusie, dat.de Verenigde Staten aan steenkolen zullen
moeten uitvoeren in:

1948/1949

33 . millioen ton

1949/1950

15

1950/1951

5,5
1951/1952

2,8

Het verschil tussen beide ramingen bedraagt dan ook

niet meer dan 10 millioen ton over de laatste 3 jaren of

ca 0,5 pCt van de geraamde behoefte. –

Zal de Marshall-hulp volledig worden benut?

De vraag mag worden gesteld, of de 16 deelnemende
landen vollediggebruik zullen maken van de thans voor

hen geopende gelegenheid het tekort aan steenkolen door

middel van de Marshall-hulp te dekken. Sinds het staken

der vijandelijkheden in Mei 1945.heeft zich op de kolen-
markt langzamerhand een aantal wijzigingen voltrokken, –

die het pessimisme van de na-oorlogse tijd hebben doen

keren in meer optimistische beschouwingen. Was aan-

vankelijk voor elk land de hoofdvraag: ,,Waar kan ik kolen

krijgen?”, thans heeft dit sinds enige tijd plats gemaakt

voor: ,,Welke kwaliteiten en soorten kan ik krijgen en

wat zijn de prijzen?” .
Deze ontwikkeling duidt er op, dat de eerste nood thans
gelenigd is en dat West-Europa er in geslaagd is de voor-

ziening van de industrie en het verkeer op een redelijke
basis te brengen. Zelfs de huisbrandvoorziening, hêt

,,achtérgestelde kind” in de kolenhuishouding van vele

landen, werd beter bedeeld en de rantsoenering o.a. in
België en Zwitserland dit jaar practisch opgeheven. De

zachte winter van 1947/1948 heeft er toe medegewerkt,
dat -vele landen in staat zijn geweest de uitgeputte voor-
raden niet alleen op peil te brengen, doch ook te houden,

zodat het o.a. Groot-Brittannië eerder dan verwacht werd

mogelijk was belangrijke hoeveelheden voor export be-
schikbaat’ te stellen. Zo bedroeg de Engelse export in de eerste 4 maanden va

n dit jaar ca 3,6 millioen ton tegen

5,5 millioen in geheel 1947, terwijl men verwacht in 1948
minstens 15 millioen ton te zullen uitvoeren. Deze weder-
verschijning van Engeland op de expoi’tmarkt is al1ervege

met vreugde begroet, mede omdat men de.uitgsproken
wil heeft goede kwaliteiten te leveren, en hoewel de export-
prijzen hoger liggen dan die voor het binnenland gelden,
vormt de scheepsvracht een factor, die de prijs c.i.f. in

vele gevallen doet dalen beneden de c.i.f.-prijzen der
Amerikaanse en soms ook der Poolse kolen. De boven-geschetste omstandigheden hebben er toe geleid, dat de
vraag naar Amerikaanse kolen belangrijk is afgenomen;
hoewel moet worden toegegeven, dat ook hetgebrek aan
dollars een sterk belemmerende invloed op de import dezer
kolen heeft gehad. Het volgende overzicht moge dit illü-
streren: –

Kolenexport naar West-Europa uit de Verenigde Staten:

le kwartaal 1947

6.400.000 ton

2e

10.500.000

3e

,,

11.830.000
4e

9.000.000
le

1948

5.600.000

De te oerwachten ontwikkeling.
Wij hebben gezien, dat de Verenigde Staten bereid zijn
het kolentekort der 16 landen op te vangen en dat men ook
de verstrekte cijfers in grote lijnen heeft overgenomen.
De vraag mag worden gesteld, of het tekort inderdaad
zo h’oog zal zijn als werd opgegeven of dat diegenen gelijk
krijgen, die van mening zijn, dat dit tekort nog hoger

moet- worden gesteld dan werd geraamd
1).
Wij geloven,
dat de betrokken landen hun behoefteramingen hebben opgegeven op basis van ,,full employment”, doch het is
de vraag, of deze inderdaad zal worden bereikt. Reeds
nu stuit men in vele landen op moeilijkheden, die met het

1)
Zie E. 3. Muller, Kracht en Warmte (1)”, in ,,E.-S.B.” van
14 Januari 1948, blz. 25. –

23 Juni 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE ‘BERICHTEN

Em

kolenvraagstuk geen verband houden, zoals” gebrek aan arbeidskrachten, verminderde arbeidsprestaties en in- en
exportbezwaren, mede als gevolg van deviezenmoeilijk-

heden. Het lag voor de hand deze factoren niet in de cijfers

te verwerken, omdat men niet nogmaals het risico wilde

lopen, dat de steenkolen een blijvende bron van moeilijk-

heden zou vormen. Men had te zeer aan den lijve onder-

vonden, wat het zeggen wilde met onvoldoende energie

het economisch leven weder op gang te brengen, doch- nu
de voorraden langzaam aan op een behoorlijk peil komen,

kan de ontwikkeling der kolenmarkt met meer gerustheid
worden afgewacht. Polen heeft dit reeds ondervonden en
moest in verschillende landen tegen lagere prijzen af-

sluiten dan het tot dusverre had kunnen bedingen. De vraag

naar sommige soorten steenkool is zo belangrijk terugge-

lopen, dat de Kolencommissie der Verenigde Naties te
Genève niet in staat is geweest de voor het 3e kwartaal

1948 beschikbare hoeveelheden volledig onder te brengen.
Deze situatie zou bij een meer evenwichtige betalings-

balans tussen de exporterende en importerende landen
weliswaar belangrijk gunstiger zijn geweest, doch het feit,

dat bepaalde kolensoorten niet meer in voldoende mate
worden gevraagd, duidt er op, dat de ,,sellers-market”
binnen afzienbare tijd tot het verleden zal behoren.
Volledigheidshalve zij hierbij aangetekend, dat de vraag
naar anthraciet en metallurgische cokes nog steeds groter
is dan het aanbod. De wederopleving der staalindustrie,

ook in de Ruhr, is aan deze situatie niet vreemd.

De situatie in ons land.

Bij een’ vorige gelegenheid
2)
hebben wij geschreven,
dat Dr Groothoff zich ten doel had gesteld in 1948 een
productie van 12 millioen ton steenkolen te bereiken,
en wij verbonden daaraan de vraag, of zijn stem weer-
klank zou vinden bij de mijnwerkers. Nu de eerste 5 maan-
den van 1948 zijn verstreken, blijkt, dat in dit tijdvak
4.575.000 ton werd geproduceerd, overeenkomende met
een jaarproductie van ca 11 millioen ton. Nederland zal
dan ook in belangrijker mate op import blijven aangewezen
dan werd verwacht, een toestand .niet alleen. onangenaam
voor onze deviezenpositie, doch ook voor de huisbrand-,
verbruikers; die nu reeds 9 jaren een sterke rantsoenering van hun behoefte moeten ondervinden. Wanneer er bij de
arbeiders enige vrees mocht bestaan, dat dë tijd van
overvloed aan kolen en daardoor vermindering van pro-
ductie weder in het verschiet ligt, dan moge hier nog ees
met grote nadruk worden gezegd, dat het verbruik aan
steenkool in_ons land in de toekomst belangrijk hoger zal
zijn dan de
mogelijke
productie der Limburgse mijnen.
Kort gezegd: ,,Nederland kan zichzelf niet redden met de
productie uit eigen bodem”.
Import zal noodzakelijk blijven, terwijl ook de verede-
ling van onze kolen o.a. door de productie van cokes zal bijdragen tot export, welke wederom import ten gevolge
moet hébben.

Conclusie.

De dispariteit tussen vraag en aanbod van vaste brand-‘
stoffen is sinds vQrig jaar in stijgende mate aan het af-
nemen. De 16 landen kunnen, rekening- houdende met
Poolse kolen, zich nog niet volledig voorzien, zodat hulp
van Amerika, zij het in afnemende omvang, noodzakelijk
blijft. Dat hiertoe dooi- het Marshall-plan de mogelijkheid
is geschapen, stemt tot verheugenis, terwijl o.i. gecon-
stateerd mag worden, dat het doel dezer hulp, nl. een
tijdelijke
overbrugging der bestaande moeilijkheden in
de kolensector, in afzienbare tijd door productieverhoging
enerzijds, en toenemende in- en uitvoer tussen de Euro-
pese landen onderling zal kunnen worden verwezenlijkt.

‘s-Gravenhage

H. H. WEMMERS Jr.

‘) Zie ,,e vooruitzichten der Europese kolenvoorziening”, in
,,E.-S.B.” van 30 Juli 1947,
hlz.
004.

NEDERLANDS PLAATS EN TAAK IN DE

WEST-EUROPESE UNIE.

De oi

itredderde toestand,’ waarin een groot’ gedeelte
van de wereld en met name wederom, West-Europa na
deze tweede wereldoorlog is geraakt,
kan
‘misschien dit,
ene lichtpunt hebben opgeleverd

dat thans noodge-
dwongen – eindelijk de zo lang verbeide nauwere aanen- –

sluiting van de Oude Wereld kans van slagen k’rijgt.,

De nauwere aaneensluiting van alle -landen van’ de West-

Europese kustbeschaving op politiek, economisch en cul-
tureel gebied
nioet
thans – te elfder ure – metfinanciële
steun en onder aandrang van de Verenigde Staten ingevolge

het Marshall-plan op korte termijn zijn ‘beslag ‘krijgen,

wil West-Europa – en hiermede dus Néderland – er

ooit bovenop komen en de kans krijgen een rëdelijk ‘weh
vaartspeil te heroveren. –

Aan de drie kleine landen van dê Bençlux komt de êer

toe hiervoor de eerste bouwstenen te hebben aangêdraen.
Hoe verheugend dit initiatief op ziôhzelf ook is, met de

nauwere aaneensluiting van deze kleine kerngroep’ alléén

kunnen-wij onmogelijk volstaan. Alle 16 landen van het
Marshall-plan – zonder uitzondering – en
I
zo spoedig mogelijk ook -”Vest-Duitsland (Trizonia) ‘als 17e

partner
zullen in de West-Europese Unie moeten wordên verenigd.
Alleen binnen het kader van een West-Europese’ staten-
bond om ons voorlopig hiertoe te bepalen – zien wij,
voor let Nederlandse volk nog reële toekomtmogélijk-

heden. Zelfs dan nog zal het zeer de vraag zijn, of Neder-
land binnen zijn huidige teri-itoriale
grenzeni_
mogelijk”e
ondergeschikte grenscorrecties daargelaten – zijn gehele toekomstige bevolkingsaanwas zal kunnen’ opneinen’ en

daarbij een redelijk welvaartspeil verzekeren.

Wij menen dit op verschillende gronden ernstig te’ moeten

%
betwijfelen en wel omdat:

” ‘
onze -agrarische basis te smal zal blijven;

onze handels- en verkeerssector nauwelijks zal kunnen toenemen;

de verdere uitbouw van onze industriële sector op
tal van moeilijkheden stuit en ons, economisch steeds
kwestbaarder zal maken.

Onze agrarische basis.
Ons land telde op het eind van 1947 ro,n’d
92/3
‘iii Ilioen
inwoners. De beschikbai-e oppervlakte cu’ltuurgrond
bedroeg rond’21 millioen ha. Per hoofd der bevolking.
hadden wij dus slechts de beschikking over 0,26 ha cultuur- –
grond. –

Wanneer men zich nu realiseert, dat volgens versdhillende
onderzoekers voor de West-Europese’ levensstandaard omstreeks 1925 – hij intensievé bewerking – gemiddeld,
0,8 ha cultuurgrond per hoofd werd vereist, zal het duide-
lijk zijn, dat, zelfs bij veronderstelling ener aanmerkelijke stijging van het rendement sindsdien, het uitgesloten moet
worden geacht, dat in 1948 met minder dan eén derde
– gdeelte van de in 1925 benodigde oppervlakte zou künnen
worden volstaan. Tenminste, bij ‘handhaving van ons’
vôôroorlogse sterk gevarieerde en zeer rijkelijke dieet
van vlees, vet en zuivelproducten. 1-lierbij zijn de exotische
voedings- en genotmiddelen, zoals cacao, koffie, thee’en
tabak, welke slechts door ruiling ‘van eigen producten’ of
aanbieding van diensten kunnen woi’den verkregen, nog
geheel buiten beschouwing gelaten: De hedendaagse
moeilijkheden leveren hiervoor een doorslaggevend’ be-
wijs. Zelfs ons tegenwoordige, in vergelijking tot voorheen
toch nog allerminst overdadige voedselpakket vergt eeti
dusdanige deviezenuitgave, dat handhaving hiervan’ de
grootste zorgen baart.-
In welke mate nu overschrijdt onze tegenwoördige con-
sumptie reeds onze eigen, binnenlandse voedselproduct.ie?
Of met andere woorden, is het mogelijk onze aperte

overbevolking – dit l5egrip geïnterpreteerd in de relatieve

P

486

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1948

zin van ontoereikende eigen, binnenlandse voedselbasis –

in één enkel kengetal uit te drukken? 1-lieröver verspreidde

het bovenstaande, namelijk de beschikbare oppervlakte
cultuurgrond per hoofd der bevolking, nog geen enkel
licht.

Het wil ons voorkomen, dat in een tweetal hoogst be-

langwekkende artikelen ,,Zur Frage der Tragfëhigkeit

des Lebensraumes” van Alois Fischer in het ,,Zeitschrift

für Geopolitik” van 1925 hierover waardevolle mede-

delingen werden gedaan. Deze onderzoeker onderscheidt

nl. éeh zgn. ,,innenbedingte Tragfdhigkeit”
– eigen,
binnenlandse bevolkingscapaciteit, zouden wij zeggen –
tegenover een
,,auszenbedingte Tragfiihigkeit”.
Beprken wij ons tot een beschouwing van eerstgenoemd
begrip, dan

moet onder deze eigen bevolkingscapaciteit worden verstaan die bevolking, voor welke de tot bevre
diging harer dagelijkse, materiële en culturele behoeften

noodzakelijke voorwaarden in de natuurlijke gesteldheid
van eigen land gegeven zijn.

Voor Nederland werd deze eigen bevolkingscapaciteit

in 1925 becijferd op rond 4 millioen, terwijl de totale be-
volking rond 7,3 millioen of 1,83 maal zoveel bedroeg.

Ons land vertoonde hiermede dus reeds toen het voor tal

van West-Europese landen, evenals bijv. België, Zwitser-
land en Engeland, zo typerende beeld ener relatieve

overbevolking, of zo men liever wil,, van economiscbe
kwetsbaarheid.

Nu is bnze bevolking sinds 1925 nog. met roid 21/
3

millioen of rond 32 pCt toegenomen. Nemen wij eenvoudig-

heidshalve aan, dat ook een verbeterde landbouwtechniek
nog een gemiddelde productievermeerdering van 32 pCt
zou hebben opgeleverd, hetgeen in.verband met dewet
der verminderde meeropbrengst waarschijnlijk te gunstig

is, dan zou ons land ook thans nog een economische kwets-

baarheidsgraad van 1,83 bezitten. Onder veronderstelling
ener toekomstige bevolkingsaanwas tot rond 11 millioen

omstreeks 1970 en een hiermede nogmaals evenredige

productieverhoging, bij een gelijktijdige uitbreiding van
ons areaal cultuurgrond, na drooglegging der IJsselmeer-polders, doch zonder annexatie, tot rond 2
3
/
4
millioen ha,
zou onze kwetsbaarheidsgraad toch nog steeds 1,66 be-

dragen. Met andere woorden: o
fl
der de gunstigste ver-
onderstellingen zou omstreeks 1970 toch nog slechts
3/5
van onze bevolking op eigen binnenlandse agrarische
productie kunnen steunen.

Het is interessant hiertegenover het totaal afwijkende
beeld van een land als bijv. Frankrijk te stellen. Deze,

wat oppervlakte van zijn grondgebied betreft, grootste West-Europese mogendheid vertoont in alle opzichten
het tegenovergestelde beeld van een relatief onderbevolkt

land. Het bovengenoemde kengetal is hiervoor dienover-
eenkomstig dan ook kleiner dan één nn bedraagt slechts 0,81. Tegenover een totale bevolking van
401/4
millioen
in 1925, zou dit door klimaat en bodemgesteidheid zéér
begunstigde agrarische land op zijn minst 50 millioen zielen van eigen bodem rijkelijk hebben kunnen laten
leven. –

Met het bovenst

eb
aande hben wij dus slechts willen
aantonen, dat onze agrarische basis ook in de toekomst
verre van toereikend zal zijn om onze toekomstige bevol-
king van eigen, bodem te kinnen voeden.
Wat de werkgelegenheid in de landbouw betreft, kan

worden opgemerkt, dat deze tengevolge van de noodzake-
lijk verder door te voeren mechanisatie en rationalisatie
eerder af dan toe zal nemen. Slechts een verdere ver-
fijning in de richting van de tuinbouw zou nog een belang-.
rijke uitbreiding van de werkgelegenheid kunnen inhouden.
Het zal evenwel zeer de vraag zijn, of voor deze min of
meer luxueuze tuinbouwproducten in een eveneens sterk
verarmd buitenland voldoende koopkrachtige vraag zal bestaan. Temeer, daar wij ook op tuinbouwgebied geen
monopoliepositie meer innemen en bovendien de smake-
lijkheid en de voedingswaarde (vUaminen) van het pro-

duct nadelig worden beïnvloed door de transportduur.

De handels- en perheerssector.

– Doi’ zijn gunstige natuurlijke ligging’ aan de monding

van twee tot diep landinwaarts bevaarbare rivieren,

welke in hun middenloop dichtbevolkte industriegebiedeii

doorsnijden, kon Nederland zich met de industriële o,p-

komst dezer gebieden in de vorige eeuw snel tot een be- –
langrijk internationaal handels- en verkeerscentrûm ont-

wikkelen. Onze centrale verkeersligging in West-Europa,

onze goede naam en faam als zeevarend volk, tezamen met

onze rijke koloniale gebieden, maakten een belangrijke.
uitbôuw van onze handels- en verkeerssector tot ver

boven onze op eigen binnenlandse behoefte afgestemde

omvang mogelijk. Onze beide nationale kurken, Rotter-

dam en Amsterdam, dreven op de belangrijke doorvoer
naar het Duitse en Belgische achterland en de koloniale

handel. Zonder welvarend en hoog geïndustrialiseerd

Ruhrgebied geen welvarend Rotterdam; zonder ons aan

grondstoffen en stapelprôducten rijke Indië geen welvarend Amsterdam.

Deze beide exterritoriale levensbronnen zijn na deze

tweede wereldoorlog voor geruimq tijd sterk ingedrood,

zo niet voor goed opgedroogd. Sinds de vrede valt boven-
dien een niet onbelangrijke afleiding van de transporten van

en naar het Ruhrgebied Over’ Hamburg en Brenien waar

te nemen, welke deviaties een grote hardnekkigheid plegen

te vertonen. Daarmede dreigen Rotterdam en Amsterdam,

deze beide steunpijlers onzer nationale economie, hun
béstaansbasis als doorvoerhaven en koloniale stapelplaats
en heurscentrum te verliezen. In ieder geval moet hun’
toekomst als handeissteden, op het hoge internationale

peil van véér de oorlog, onzeker worden geacht.
Bedenkt men hierbij; dat geheel West-Europa reeds na
de vorige wereldoorlog zijn industriële suprematie over
de rest van de wereld belangrijk had ingéboet en thans

voorgoed heeft verloren door de industriële opkomst van
de Verenigde Staten,

Japan, Rusland, Zuid-Amerika,
Voor-Indiëen Zuid-Afrika, dan valt het niet te ver-

wonderen, dat hiermede öok het onverbrekelijk samen-
hangende aandeel van West-Europa in de wereldhandel
in sterke en waarschijnlijk blijvende mate is geslonken.
Deze verschuivingen hebben voor Nederland- vèrstrek-
kende gevolgen. Wanneer wij dan ook aannemen, dat de

absolute grootte van onze totale handeissector in de toe-
omst gehandhaafd zal kunnen blijven, dan is hiermede
ongetwijfeld een optimistische schatting’ gegeven, gezien
o.a. de védroorlogse overbezetting van onze binnenlandse
detailhandel. Voor het op het buitenland georiënteerde
gedeelte zou dit een volledige compensatie voor de teloor-
gegane handelsbetrekkingen met o.a. Duitsland èn Indië
vooronderstellen.
Voor onze verkeerssector zijn wij geneigd eenzelfde

percentage als véér de oorlog tan te houden, omdat deze
sector wat zijn binnenlandse behoefte betreft ongeveer
evenredig met de bevolkingsaanwas mag worden gesteld.

1-louden wij ook voor het buitenlandse gedeelte eenzelfde
percentage aan, dan impliceert dit derhalve nog een
absolute uitbreiding van onze verkeersdiensten aan het buitenland. Denken wij hierbij bijv. aan de uitstekende
naam, die onze scheep- en luchtvaartmaatschappijen in
de wereld genieten, dan komt ons deze gematigd optimis-
tische verwachting alleszins ger&cJtvaardigd voor.

Al met al houden wij een procentuele handhaving van
het vooroorlogse peil, voor onze handels- en verkeers-
sector in de toekomst niet voor mogelijk, tenzij onze
agrarische en industriële export belangrijk zouden toe
,

nemen.

De industriële sector.
In alle toonaarden wordt sedert vele jaren een krachige
verdere industrialisatie van Nedrland als het enige red-
middel voor onze bevolkingsdruk en als enige herstel-

23 Juni 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

– 487

mogelijkheid van ons véôroorlogse welvaartspeil aanbe-

volen. Theoretisch vormt het inderdaad de-enige mogelijk-
heid om op een klein en grondstofarm, dichtbevolkt grond-

gebied aan een nog steeds aanhoudende bevolkingsaanwas

bestaansmogelijkheid te verschaffen. Afgezien van de

vraag, of een afdoende verdere industrialisering van ons

land ook practisch mogelijk is, achten wij het onze plicht

op de grote risico’s, welke hieraan zijn verbonden, te wijzen.
Met een krachtige uitbouw van onze industriële sector

– aangenomen dat zulks mogelijk ware –
zou
onze tot

voor kort tamelijk harmonische economische structuur
radicaal en blijvend worden verstoord. 1-her zij het waar-
schuwend woord van een Engels econoom in her-

innering gebracht:
,,Industrialization is bui- a poor ideal”.

Van een overwegend agrarisch en handels- enverkeers-

land zouden wij een uitgesproken industriestaat moeten
worden; uiterst kwetsbaai zowel door onze grondstoffen-

armoede als door ons zeer beperkte ‘grondgebied. Aan
deze beide bezwaren kan alleen in belangrijke mate tege-

moet worden gekomen door opheffing van de staatkundige

grenzen – althans
01)
economisch .gebied – binnen een

Wrest_Europese Unie.

Dit vormt ons inziens terecht de door Marshall gestelde
eis voor de aan ons zièltogend w’erelddeel te bieden finan-
ciële steun. Geen cnpilatie van eigen nationale,
zonder

elkaar en
langs
elkaar heen opgestelde en misschien zelfs
bewust of onbewust
tegen
elkaar gerichte industrialisatie-

programma’tjes, doch eindelijk eens een integraalindustrie-
plan voor ‘geheel West-Europa. Voor West-Europa aan-
gevuld met zijn overzeese gebiedsdelen in Afrika en Z.O.-

Azië als economische eenheid beschouwd, met volledige
inschakeling van alle daarbinnen beschikbare w’erkkrachten
en hulpbronnen. –
Alleen binnen een West-Europese Unie
cum
anne.is”

geven wij de industriële ontwikkeling van Nederland een

reële toekomstmogelijkheid. Voor de verwezenlijking
hiervan beschikken wij over een ruim aanbod van nijvere

en goed geschoolde arbeiders onder leiding van een uit-
gebreide stal van intellectuele krachten. Kwaliteits-
producten, voor welker.vervaardigiiîg veel intellect ver-
eist is, kunnen en moeten wij de wereld leveren. rr
a
l van
industrieën, waarvoor ons land op zichzelf een te kleine
binnenlandse markt oplevert, krijgeneen kans binnen een
sterk verruimdeconomisch gebied.
Zijn wij onze technische en vetenschappelijke voorsprong

op de Verenig’de Staten tijdens deze oorlog voorgoed kwijt-
geraakt, t.a.. Rusland is dit naar alle waarschijnlijkheid
nog niet het geval, al zal het zeer de vraag blijven, of en
in hoeverre het ons vergund zal zijn Oost-Europa als export-

markt voor onze industrieprodicten te beschouwen.
Hetzelfde geldt in zekere zin ook voor Zuid-Oost-Azië,
waar Japan tot voor kort de snel opgekomen industriële
leverancier was geworden, die thans – waarschijnlijk ech-
ter slechts tijdelijk – is uitgeschakeld. Alle hoop is daar-

om gericht op de geleidelijke economische ontwikkeling
van het Afrikaanse continent, waarvoor West-Europa de
leverancier van industrieproducten zal kunnen en moeten
worden. Men dient hierbij evenwel steeds te bedenken,
dat de levensstandaard dezer gebieden waarschijnlijk
nooit tot ‘West-Europese of Amerikaanse hoogte zal stijgen,

waardoor onze afzetmogelijkheden daarhëen, zowel naar
kwaliteit als naar kwantiteit, beperkt zullen blijven.
Al met al menen wij dus voorshands te moeten betwijfe-

len of de industriële
compensatienoodzaak
voor West-

Europa als geheel en de industriële exansienoodzaak voor
Nederland ten volle verwezenlijkt -zullen kunnen worden.

Enigratie.

Rest dus als eiige en laatste middel om aan onze nog
steeds toenemende bevolkingsdruk het hoofd te bieden,

de
emigratie.
Wij zijn er ons vai’i bewust, dat wij hiermede
een onze Regering onwelgevallig woord uitspreken. FIet
is opmerkelijk, hoe men van officiële zijde blijkbaar

weigert deze elementaire mogelijkheid tot vermindering

van de alom evidente bevolkingsdruk onder ogen te zien.
Nièt alleen onthoudt men zich tot dusverre ahgstvallig

van een doelbewuste emigratiepolitiek, maar men maakt

zelfs vrijwillige landverhuizing schier onniogelijk door het

medenemen van kapitaal te beletten. Liever dan een

gedeelte van ons volk – en daaronder, zoals vanzelf

spreekt, ook een deel van onze besten – op loyale wijze

behulpzaam te zijn elders in de wereld een nieuw bestaan
op te bouwen en een zekere
goodwill
voor Nederland te
stichten, dwingt men – koste wat het wil – allen binnen
het te enge keurs1if van onze landsgrenzèn te blijven en
in nog nieuw te stichten of uit te breiden bedrijven,

laboratoria en kantoren samen te hokken.

Decentralisatie van de industrie, afremming van de

groei onzer grote steden in het Westen en binding van het
geboorte-overschot in Brabant en Limburg; dit alles zijn

bijna dagelijkse klanken geworden, waaraan ons oor

gewend is geraakt.

Maar wanneer zal men eindelijk de durf hebben ons volk

eerlijk de ogen, te openen voor het feit, dat Nederland
oaerbe9olkt
is en dat wij ook in grotè getale zullen moeten

emigreren, omdat verdere industrialisatie alleen geen
panacee kan zijn voor onze. nog steeds aanzwellende
bevolkingscongestie. –
1

let onlangs verschenen proefschrift over ,,De toekomst
van Nederlands industriële ontwikkeling”, van de hand
,

van Dr G. A. Kohnstamm, merkt hierover woordelijk het
volgende p . ,,Laat men er in West-Europa toch één
consequentie uit trekken, dat het bevorderen van onder-
linge emigratie en immigratie wel tot de eenvoudigste
economische, middelen behoort om de totale productivi-

teit logisch op te voeren”.
Inderdaad, emigratie en immigratie behoren nog steeds
tot de eenvoudigste en doeltreffendste economische
middelen, die welhaast elkeen intuïtief aanvoelt, om de
totale
West-Europese productie – en hierop komt het
alleen aan. – te verhogen. Zouden wij in onze tegenwoor-

dige chaotische samenleving soms, omdat deze waarheid
zo eenvoudig is, het door bureaucratie en overorganisatie
overspannen en vertroebeld gezicht hierop verloren hebben?
Als lid van een West-Europese Unie zullen wij moeten
leren over onze eigen nationale grenzen heen te zien,
evenals wij het vroeger over onze provinciale grenzen deden.
En nog wel niet eens zo héél ver. Want een uitgestrekt en
onderbevolkt, van nature vruchtbaar land met een ge-
zegend- klimaat:
Frankrijk,
grenst bijna aan ons eigen

kleine landje, dat tot vrijwel, het laatte mo.erasje en
heideveldje is ontgonnen.

Met grote kunde en taaie volharding zijn wij erin ge-
slaagd onze geboortegrond boven water te brengen en te
houden en in rijk cultuurland te herscheppen. ‘Dit vormt
één van de redenen, waarom wij erzo aan verknbcht zijn.
De op deze moeizame wijze verkregen dierbare bouwgrond
is vruchtbaar, doch kostbaar.
Vôôr de oorlog varieerde de waarde van onze beste
landbouwgronden in de droogmakerijen tussen de f 2.000 en f3.000 per ha. De droogmaking van de Wieringermeer
kostte rond f 6.000 per ha.
Rijke lössgronden in de Beauce – de gr,aanschuur ten
Zuiden van Parijs – kostten daarentegen slechts f 200 l&’
f 300 per ha. In Zuid-Frankrijk stonden geheel ontvolkte
gehuchten met vele duizenden ha vruchtbaar land te
koop voor enkele tienduizenden guldens of rond f 10 per
ha; dat is dus minder dan 1 pCt van onze grondprijzen.

En hierbij een beter en warmer klimaat met langere vege-
tatieperiode!

Wat lijkt logischer dan zo spoedig mogelijk binnen het
kader ener West-Europese Unie maatregelen te treffen,
teneinde de

onderlinge emigratie en immigratiemogelijk-heden te stimuleren, opdat voor ons agrarisch bevolkings-
overschot een verantwoord débouché wordt gevonden.
Meer verantwoord en voor de betrokken bevolking beter

488

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1948

dan de omschakeling – leze verproletarisering – tot
industrie-arbeider.

Naar onze vaste overtuiging komen wij er uitsluitend
met een industrialisatiepolitiek niet. Wij zullen daarnaast

in grote getale, hl. met vele 100.000en en niet niet enkele
10.000en zoals, tot dusverre, moeten emigreren.

Frankrijk staat hierbij bovenaan met eenopnemings-

capaciteit van tenminste 10 millioen zielen. Emigratie van

Nederlanders naar. dit land biedt bovendien het grote
voordeel, dat onze volkskracht aan West-Europa ten goede

komt. Laten wij ons’ toch méér West-Europeaan voelen

dan voorheen, ons in de eerste plaats afvragen w’at voor

West-Europa ‘- als ‘geheel – het beste is

Hiermede zullen wij vanzelf ook ons ëigen land onschat-

bare diensten bewijzen en wel in dubbel opzicht, ni: mate-

rieel en cultureel. Materieel, door het scheppen van betere,

economische bestaansvoorwaarden voor de overige be-

volkirig. Cultureel, door een betere mogelijkheid tot

beheersing der planologische congestieverschijnselen, welke

ons land allerwege vertoont in de vorm vandoor lint-

bebouwing aaneengerijde dorpenreeksen en in elkaar

yervloeiende uitgestrekte forehsengemeenten; een met

keuterboerderijtjes bezaaid platteland, overvolle, wijl .te

beperkte recreatiegebieden, enz. enz. Wij zullen uiteinde-
lijk weer’ wat ruimer en vrijer adem kunnen halen.
• Alleen door nastreving van een
optimale
bevolkings-
dichtheid inplaats van een
maximale,
zal Nederland op de
duur w’ederom uit zijn verpauperisering kunnen worden
opgeheven tot een welvarend en tevens schoon land;
eçn gezond en sterk, lid in de ‘West-Europese volkeren-
gemeenschap.

Dit zien wij als onze plaats en taak in de eerstkomende
decennia.

Den Dolder.

.

.

Dr
Ir W. B. KLOOS.

ENIGE ASPECTEN VAN DE LAATSTE

ONTWIKKELINGEN VAN
HET EUROPESE

HERSTEL PROGRAMMA (II).

liet Verdrag nopens Europesè Economische

Samenwerking.

Na de bespreking van de hoofdpunten van de ,,Foreign
Asistance Act 1948″
1)
moge ,thans enige aandacht wor-
den beste,ed aan het tot stand komen an het Verdrag
nopens Europese ‘Economische Samenwerking, dat op
16 April door de Ministers van Buitenlandse Zaken
der 16 delnemnde
landefl,
alsmede door de opperbevel-
hebbers van de West-Duitse bezettingszônes werd on-
drtekend.

In Par. 113 van het rapport van Parijs, dat op 22 Sep-
tember 1947 aan de Amerikaanse Regering werd over-
handigd, luidende:

De Commissie is van mening, dat, indien middelen
ter beschikking zullen worden gesteld om het programma
uit te voeren, er een gemeenchappelijke organisatie nodig

zal zijn voor het toezicht op de vooruitgang wat betreft
de uitvoering van het prograhima. De deelnemende Re-
geringen verklaren zich bij deze gelegenheid bereid, om
in onderling bverleg een zodanige organisatie in het leven
te roepen. Deze organisatie zal, in de hoogste, door ge-meenischappelijke inspanning beréikbare graad de ver-
werkelijking dienen te verzekeren van de economische
voorwaarden, die nodig zijn om de algemene doelstellingen
te verwezenlijken, waarvan ieder land overtuigd is, dat
zij metterdaad dienen te worden bereikt. De Organisatie zal peribdiek aan de verschillende Europese Regeringen
overzichten doen toekomen betreffende de mate, waarin
het programma wordt verwerkelijkt. De Regeringen zullen
de organiatie alle inlichtingen verschaffen, die voor
dit doel vereist zijn. De
,
organisatie zal een tijdelijk ka-

1)
Zie
,,E.S.B.”
van
9
Juni ii.,
blz. 450.

rakter dragen en zal ophouden te bestaan, wanneer de

bijzondere bijstand, die nodig is voor het herstel van
Europa, zal eindigen”,

verklaarden de 16 landen zich in principe bereid, wanneer
de tijd daarvôor rijp was, een gemeenschappelijke organi-

satie op te zetten. Uit het op 19 December aan het Con-

gres overhandigde regeringsvoorstel bleek, dat ook van
Amerikaanse zijde het tot stand komen van een hechte

organisatie van de deelnemende landen als een onmisbare

voorwaarde voor het Europese Herstel Programma werd
beschouwd.’

Reeds eind Januari jl. leefde in Europa sterk de wens

om zowel het opstellen van een multilateraal verdrag

als het vervaardigen van een handvest voor de voortge-

zette organisatie met bekwame spoed ter hand te nemen.

Het werd echter spoedig duidelijk, dat de Amerikaanse Administratie de phase, waarin de Congresbehandeling

zich toentertijd bevond, te delicaat achtte om een Vrij

openbare behandeling van de met het Europese Herstel

Programma samenhangende problemen in Europa te
kunnen verdragen. In stede van een vergadering bezocht

een kleine Frans-Engelse Commissie de verschillende
hoofdsteden van Europa teneinde op informele wijze
van gedachten te wisselen over de richtlijnen van het
multi1ateiale verdrag, alsmede overe principes van het

handvest der organisatie. Deze Commissie werd in Den
1-laag ontvangen door een gemeenschappelijke Neder-

lnds-Belgisch-Luxemburgse delegatie. Dit informele voor-
‘overleg bleek uiterst nuttig, omdat zodoende reeds een
overzicht werd verkregen van de denkbeelden, welke
in ‘de deelnemende landen ten aanzien van deze materie
heersten. ‘

De bekwame spoed, waarmede de Congresbehandeling
‘zich in Maart voltrok, maakte het mogelijk om thans ook
op meer formele wijze aan deze problemen de volle aan-
dacht te besteden en op 15 Maart kwamen onder leiding
van Minister Bevin de Ministers van Buitenlandse Zaken

der deelnemende landen te Parijs bijeen teneinde instruc-

ties op te stellen voor een werkgroep, welke tot taak kreeg
de tekst van de multilaterale overeenkomst en het hand-

vest der Organisatie te ontwerpen. Zoals boven reeds
werd vermeld, werd de tekst op 16 April ondertekend
en het verdrag in werking gesteld. Het wetsontwerp tot
ratificatie van dit verdrag heeft het Nederlandse Mi-

nisterie van Buitenlandse Zaken verlaten en is toege-
voegd aan de reeds overvolle agenda van de huidige zit-
ting der’ Staten-Generaal.

De tekst van het multilateraal accoord en het hand-
vest der organisatie zijn in één overeenkomst samengevat.
De bovenvermelde passage uit het Parijse rapport

koppelde de Europese organisatie geheel aan de toen nog
te verwachten Marshall-hulp’. Dit nu is in het verdrag
vermeden. 1-Jet gaat zowel in tijdsduur als in doelstelling

boven het Europese Herstel Programma uit. 1-let is een
gelukkig verschijnsel, dat de Euiopese landen een samen-

werking niet alleen willén baseren op de activiteit, welke
het gevolg is van de genereuze Amerikaanse hulpver-lening, maar dat zij hebben ingezien, dat deze samen-

werking ook na deze periode van hulp van het aller-
grootste belang is.

Men zoi.i bijna geneigd zijn te zeggen, dat juist bij

het ontbreken van hulp van buitenaf een hechte Europese economische samenwerking een condit,io sine qua non ‘is
voor het voortbestaan van een redelijk welvaartspeil in
de West-Europese landen. Toch is het goed, dat in de eer-
ste periode van het liestaan der organisatie de concrete

stimulans bestaat van de Amerikaanse hulpverlening.
Men mag de moeilijkheden bij een economische samen-
werking van deze landen, zo verschillend van traditie,

economische structuur en momentele economische situatie,
niet onderschatten. 1-loezeer ook bedreigd door dezelfde
geyaren op schier elk gebied, is de wil tot onverminderd

handhaven der economische souvereiniteit nog te groot

23 Juni 1948

/

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

489

*
om werkelijk bereid te zijn tot vergaande offers voor

het geheel; wij hebben in de Benelux ervaren, dat zonder
offers van beide partners een werkelijke integratie niet

mogelijk is.
Daarom juist zal het gemeenschappelijk belang bij

de -Amerikaanse hulpverlening en niet in het minst de

zeer duidelijk geformuleerde eisen van Amerikaanse zijde
met betrekking tot de Europese samenwerking ertoe bij-

dragen de organisatie in haar kinderjaren te steunen bij

haar hij uitstek belangrijke maar ook moeilijke taak.

lIet wordt steeds duidelijker, dat de Amerikanen het
zwaartepunt van de gehele activiteit onder het Europese
1-lerstel Programma in de organisatie zullen leggen. Ik

hoop daar later bij de behandeling van de werkzaamheden

der laatste maanden nog op terug te komeii.

1-Jet is dit concrete gegeven van de Amerikaanse hulp,
die deze organisatié voorlopig een ander karaktei’ geeft
dan vele andere vormen van economische samenwerking,

zoals bij de economische organen van de Verenigde Na-

ties.

Wat betreft de verhoi.iding tot ardere vormen van
economische samenwerking rijst in de eerste plaats de

vraag naar de verhouding tot de Economischb Commissie
voor Europa, orgaan van de Economische en Sociale Raad

der Vei’enigde Naties. Het is nergens de .bedoeling ge-
weest van de deelnemende landen om iets te ondernemen,

dat tegen de belangen en de doelstellingen van de Ver-
enigde Naties is gericht. Zowel in de Amerikaanse wet-
geving als in het verdrag van Parijs wordt met nadruk
naar deze doelstellingen verwezen. Men moet echter de
realiteit onder ogen zien, dat het niet mogelijk is ge-

bleken het E.H.P. tot geheel Europa uit te strekken. Hoe-
zeer ook het in September 1947 geschreven rapport en

de voorgeschiedenis daarvan bewijzen, dat steeds werd

getracht een samenwerking te verwezenlijken, welke
zich tot geheel Europa uitstrekt, heeft zich bij het Euro:
pese 1-lerstel Programma de fatale scheiding Oost-West

voltrokken. Waar nu zeker in de eerste jaren de uit-
voering van dit Europese 1-Ierstel Programma, tot de

belangrijkste activiteit van de Qrganisatie behoort, konden

de daarmede samenhangende werkzaamheden niet binnen
het kader van de organen der Verenigde Natiesworden
verricht: Reeds nu echter werd voorzien in een liaison tus-
sen beide organen, terwijl het voorts dûidelijk is, dat

een, aantal technische commissies, die zowel bij de ‘Eco-
nomische Commissie voor Europa als bij de nieuwe Orga-

nisatie bestaan en eenzelfde terrein bestrijken, waarbij
dikwijls dezelfde vertegenwoordigers aan de besprekingen
deelnemen, met veel vrucht van elkaars werk kunnen ge-bruik maken. Ook het op 17 Maart 1948 gesloten verdrag

van Brussel tussen de Benelux, Frankrijk en het Verenigd
IConinkrijk’voorziet in’ bepaalde vormen van economische
samenwerking. De bepalingen van het nieuwe verdrag zijn
echter nergens in strijd met die van ,,Brussel”. Integen-
deel,- het is uiterst nuttig, dat bepaalde denkbeelden
eerst in het kader van de vijf zullen worden uitgewerkt
om dan met meer vrucht voor het forum van de 16 (met de Duitse bezettingszônes 18) te worden gebracht. 1-let
,,plan Cripps” .vormt hiervan een recent voorbeeld. Men
zal er alleen voor moeten wakeiT, van de vijf niet een te
selectief gezelschap binnen de 18 te maken. Dit zou de’
verhoudingen binnen de organisatie niet ten gôede komen.

Wanneer men het verdrag leest en men zou zich teleur-
gesteld voelen door- de formuleringen, welke altijd zwe-
men naar het vage, moet men goed bedenken, dat dit
– verdrag slechts kan zijneen formeel raamwerk, dat door de, praktijk van de samenwerking moet worden gevuld.
Meer kan en wil dit verdrag hiet zijn. Zoals met zovele
foimele regelingen, is het ook met dit verdrag gesteld.
Men kan er iets van maken doordat de gedachte, dat
• een’ verdere economische integratie van West-Europa

een ,,to be or not to be” beteknt, veld wint, maar men-
kan zich ook vriendelijk en formeel aan de regels houden

zonder ze te vullen met een werkelijke inhoud en daar-
mee zou de Europese samenwerking met’ dit verdrag

geen stap verder zijn gekomen. Gelukkig

wijst alles er op,

dat men het eerste alternatief wenst te volgen. De zeer
uitdrukkelijke wens van de Amerikaanse administratie
om de organisatie en de uitvoéring van het E.H.P. het

volle pond te geven, is daarvoor trouwens eèn waarborg.

De eerste negen artikelen van het verdrag zijn gwijd

aan de hoofdpunten van de multilaterale verplichtingen.

De verplichtingen waren reeds voor een zeer groot deel
in het Parijse rapport opgenomen, maar worden nu in

verdragsvorm herhaald.
De partijen verbinden- zich onder andere zowel indi-

vidueel als collectief om de ontwikkeling der productie
ter hand te nemen door doelmatig gebruik van de bron-
nen, waarover zij beschikken, algemene plannen voor de

productie en – uitwisseling van goederen en diensten te
ontwerpen, een zo intensief mogelijke uitwisseliûg van
goederen en’ diensten tot stand te brengen. Daartoe zul-

len zij de pogingen, die reeds zijn ondernomen, voort-
zetten om zoveel mogelijk èen multilaterale betalings-

regeling onder elkander te treffen; zij zullen samenwerken.
in -het verminderen van de onderlinge belemmeringen
op het gebied van het handels- en betalingsverkeer.
1-let is bekend, dat de clausule omtrent het’ multila-
terale betalingsverkeer vooral de Benelux-landen zeer
na aan het hart ligt. Reeds nu heeft de prtijk van het

Europese 1-Jerstel Programma bewezen, dat de betalings-moeilijkheden binnen Europa een zeer ernstige.hinderpaal
vormen yoor het Eüröpese herstel.- Zolang het goederen-
verkeer binnen Europa nog wordt beheerst door de mone-

taire plafonds van de bilaterale verhoudingen, is één
van de voorwaarden voor een zodanig herstel niet aan-

wezig. –

De partijen komen voorts overeen haar economische
banden te versterken. Zij zullen voortgaan met de be-

studering van douane-unies, terwijl diegenen, die reeds

in beginsel overeenstemming hebbeii bereikt omtrent de
vorming van douane-unies, de vestiging hiervan zoveel

mogelijk zullen bevorderen. -.
De partners z’ullen samenwerken met betrekking tot

het verlagen van tariefmuren inovereenstemming met de
beginselen van het Flandvest van Havanna. Iedere partner
zal zodanige maatregelen nemen als binnen ijn bevoegd-
heden liggen om de waardevastheid van zijn valuta en
het evenwicht -van zijn begrotingen, gezonde wisselkoer-
sen en in het a4gemeen.het vertrouwen in’ zijn monetair

systeem tevestigen’of te behouden..
Voort,s zullen de partners de organisatie alle inlich-
tingen verstrekken, die zij mocht vragen om de vervulling
van haar werk te vergemakkelijken.
Tot zover een greep uit de vèrplichtingen van -het
gedeelte yan het’ verdrag, dat ingenomen wordt door de

-multilaterale- ovéreenkomst. De rest van het verdrag
houdt zich bezig met het handvest van de organisatie. Het

zOu
te ver voeren dit handvest artikeisgewijs te analyse-
ren. Slechts enige hoofdlijnen- mogen hier worden vermeld.
Als belangrijkste, regel bij de werkwijze van de Orga-nisatie werd het’ principe aanvaard, dat alle beslissingen

met eenstemmigheid worden genomen. Een pessimistische beoordelaar zal hierop reageren met
de verzuchting, dat dit het gevaar van 18 potentiële
veto’s met zich’brengt. ‘Dit is op zich zelf juist. Men mag
hierbij echter twee aspecten niet uit het oog verliezen.
In de eerste plaats moet men met

de realiteit rekening

houden, dat de Europese landen-in dit stadium van hun
samenwrking nog niet bereid zijn zeer belangrijke be-sluiten, hun economie- betreffende, te laten nemen bij –
meerderheid van. stemmen, waaraan zij zouden zijn’ ge-
bonden. In, de tweede plaats heeft de samenwerking
der deelnemende landen geleerd, dat het principe van

490

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1948

eenstemmigheid niet in de weg behoeft te staan aan een

efficiënte werkwijze, waarbij beslissingen van vèrdragen-

de betekenis kunnen worden genomen. Het Parijse rapport
en het thans besproken verdrag zijn tot stand gekomén

zonder dat ook maar één enkele stemming behoefde te

worden gehouden.

liet hoogste orgaan van de organisatie is de Raad,
waarin alle’ landen zitting hebben. Jaarlijks wijst de

Raad uit zijn leden een Voorzitter en twee vic’e-Voor-
zitters aan. Voor het eerste jaar werd België tot Voor-

zitter gekozen, zodat de Raad; wanneer hij op ministerieel

niveau bijeen is, wordt voorgezeten door Minister Spaak,

en w’anneer hij op het plaatsvervangersniveau vergadert
(en dat is meestal het geval), door Baron Snoy, de Secre-

tans-Generaal van het Belgische Ministerie van Econo-
mische Zaken.
De Raad wordt bijgestaan door een Uitvoerend Comité

en een Secretaris-Generaal. De Raad kan technische com-

missies of andere lichamen instellen; al dergelijke organen
zijn aan de Raad verantwoording verschuldigd. 1-let Uit-

voerend Comité bestaat uit zeven leden, jaarlijks door de
Raad te benoemen. Hoewel werkend onder de algemene en
bijzondere aanwijzingen van de Raad en verplicht over
alles aan de Raad te rapporteren, is dit Comité van zeer
grbot belang, omdat ht de werkzaamheden van de Raad
voorbereidt en veel vaker bijeenkomt dan de Raad.

Frankrijk, Italië, Nederland, Turkije, het Verenigd Ko-

ninki’ijk, Zweden en Zwitserland zijn lid van het Uitvoe-

rend Comité terwijl de Engelsman Sir Edmund Hall
Patch het Comité presideert.

FIoewel de formulering van het verdrag sterk wijst in
een richting van een niet-dominerend Secretariaat-Gene-
raal, is de functie toch van zeer groot belang. Een sterk
en efficiënt secretariaatsapparaat blijkt onmisbaar voor

het goed functionneren van een dergelijke organisatie.

Tot de ‘functie van Secretaris-Generaal werd gekozen de

Fransman Robert Marjolin, voordien de-plaatsvervanger
van Monnet. De organisatie is te Parijs gevestigd.

In een volgehd en laatste artikel hoop ik nader in
te gaan op de werkzaamheden, welke na .het tot stand

komen van de ,,Foreign Assistance Act” en de Parijse Or-

ganisatie tot op heden werden verricht, waardoor ook
het functionneren van de organisatie in de praktijk nader
onder het oog kan worden gezien.
‘s-Gravenhage.

.

E. H. v. d. BEUGEL.

HET DISTRIBUTIEVRAAGSTUK IN DE

INTERNATIONALE KAMER VAN

KOOPHANDEL (II)
1).

Hernieuwd contact.

Op 16 Februari 1948 kwam de ,,Commission de la
Distnibution” voor het eerst na haar wederinstelling te Parijs bijeen en wel onder voorzitterschap van de heer
Bernheim. De bijeenkomst had een bijzonder prettig en
geanimeerd verloop, doch duidelijk trad aan het licht,
dat een nieuwe aanloop moest worden genomen, nadat
de werkzaamheden ruim acht, jaar hadden stilgelegen.
De voorzitter hield een uitvoerige openingsrede, waarin
hij andermaal de betekenis van de op het werkterrein der
commissie liggende vraagstukken in het licht stelde.

O.a. maakte spreker daarbij gewag van recente onder-
zoekingen in de Verenigde Staten, welke zouden aantonen,
dat èa.
1/5
van het iolksinkomen wordt ,,verspild” aan
grotendeels als oneconomisch te beschouwen distributie-
kosten. In cle ôorlogsjârèn en tevens in de tijden onmid-
dellijk na de wapenstilstand is het probleem geheel op de
achteri’ond geraakt, aangezien toen allë aandacht gecon-
centreerd was op het aanvoervraagsttik. De commissie,

‘)
Zie voor’ het eerste gedeelte van dit artikel ,,E-.S.B.” van 16
Juni jl., blz. 470.

aldus de heer Bernheinii, zal er naar dienen te streven de

aan de orde te stellen problemen te benaderen in het besef,

dat de omstandigheden sedert de laatstgehouden verga-

dering in velerlei opzichten aanmerkelijk zijn gewijzigd..

De juistheid van deze laatste opmerking kwam in zoverre
wel bijzonder tot uiting, dat – zoals tijdens
,
de verdere
discussies bleek – de vraagstukken op dit gebied in de

onderscheiden landen wel zeer verschillend liggen. Ook het

stadium van behandeling, waarin deze verkeren, alsmede

het beschikbare documentatiemateriaaj bleek van land
tot land opvallend uiteen te lopen.

Als eerste punt kwam ter discussid de in het vorige arti-
kel aangehaalde definitie van het begrip distributie, zoals
deze destijds te Washington was opgesteld. IJit de verga-

dering werden daarbij met name twee wijzigingen bepleit
t.w.:

De sociale strekking van de distributie dient in de

begnipsomschrijving duidelij ken tot uitdrukking te

komen; anders gezegd: de dolstelling dient gericht
‘te zijn op een verhoging van de levensstandaard voor de grote massa.

Het is onjuist in de begripsomschrijving uitsluitônd
eindproducten te betreklcen.

Aan deze gedachtenwisseling werd o.a. deelgenomen

door Prof. DrLimperg (Nederland), die bepleitte ook pi’o-
ductiegoederen in het werk der commissie te betrekken.

Vermelding vdrdient in dit verband voorts de opmerking


van Franse zijde, dat de hoogte der distributiekosten

sociale spanningen opwekt, terwijl overal uitschakelings-
tendenties merkbaar zijn als uitingen van het streven deze
kosten te verlagen. Na uitvoerige gedachténwisseling werd
de, tweede dag der bijeenkomst het volgende door een

speciale subcommissie ingediende, ontwerp voor een
verbeterde begripsomschnijving aanvaard:

,,La distnibution est la phase qui suit celle de la pro-
duction des biens â partir du moment oû ils sont commer
cialisés, jusqu’au moment
ah
ils sont livrés au consomma-
teur final. Elle comprend les diverses articles et opérations
qui assurent la mise â la disposition des acheteurs – qu’ils

soient transformateurs ou consomrnateurs – de man-
chandises
011
services répondant â leurs besoins, en leur
en faciltant le choix, 1′ acquisition et l’usage”.
-Vergelijking dezer redactie met de oude leidt tot de
volgende conclusies:.

Het gaat niet alleen om consumenten van’ eindpro-
ducten, doch ook om verwerkers, alsmede verbruikers
van halffabrikaten,

Teneinde het verschil met verdeling in philantropi-
sche zin in het licht te stellen werd het begi’ip com-
mercialiseren -ingevoerd.

‘ 1n de nieuwe redactie komt de sociale betekenis der
distributie beter tot uitdrukking door invoeging van
het woord ,,service”.

Ocerige agendapunten.

Naast het zo juist besproken onderwerp en enige aange
;

legenheden van meer huishoudelijke aard bevatte de
agenda voor deze eerste plenaire vergadering de volgende’ punten:

structuur en kosten der distributie;

marktonderzok en stimulering van de verkoop;
vergelijkend onderzoek van de vakorgânisatie;
vakopleiding.

Ook “deze onderwerpen lokten een levendige discussie
uit. Prof. Limperg, die daarin een belangrijk aandeel had,
nemde ze interessant maar zeer traditioneel. -,

Spreker vond in de agenda te weinig begrip voor de
wijzigingen, welke de tweede wereldoorlog in de problema-
tiek heeft gebraht. De Nederlandse delegatie zou gaarne
ook andere en wel meer actuele problemen in het werk
betrokken willen zien, bijvoorbeeld:

23 Juni 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

491 ii

de invloed van de bilaterale verdragspolitiek, in het
bijzonder op ‘de handel, alsmede – en daarmede

trouwens ten nauwste samenhangend —:
goederenverdeling en repartitie van invoercontingen-

ten.

1-let zou hoogst interessant zijn, aldus Prof. Lirnperg,

gedachten uit te wisselen over de voor- en nadelen ler

onderscheidene quoteringssystemen, waarvan duidelijk is,

dat zij een verregaande invloed hebben op het distributie-

apparaat en op de consumentenprijs. Hoewel deze suggestie

door enige afgevaardigdeh werd ondersteund, werd zij
geacht niet voor overneming in aanmerking te komen,
daar zulks er toe zou liden, dat men zich zou begeven op
het terrein van andere werkcommissies der Kamer, meer

in het bijzonder van die voor het Particulier’lnitiatief en het Etatisme.

De vergadering gaf er blijk van zich ten volle te reali-
seren, dat een vergelijkend structuur- -en kostenonderzoek

als de voornaamste taak van de commissie kan worden
beschouwd.

Besloten werd over te gaan tot de instelling van een

4-tal sub-commiessis, onderscheidenlijk voor de volgende
onderwerpen:
distributiekosten en -structuur (waarin schrijver dezes
als Nederlands vertegenwoordiger is opgenomen);
statistiek (het aanbod aan Prof. Limpèrg hiervan het

voorzitterschap te aanvaarden werd door deze in
beraad gehouden);
marktonderzoek;

handelsonderwijs en vakopleiding (hierin werd een
plaats voor een Nederlands vertegenwoordiger open-
gehouden).

Vergelijkend kostenonderzoek.

De sub-commissie voor ,,le coêt et la structure de la
distribution” kwam op 10 en 11 Mei jI. te Parijs in ver-
gadering bijeen onder voorzitterschap van de heer Swain-
ston (Engeland). De verleiding is groot het aldaar bespro-

kene hier in extenso veer te geven, gezien het uitermate
belangwekkende karakter dier gedachtenwisselingen. Het
behoeft immers weinig betoog, dat ten aanzien van de
afzetkanalen, welke de goederenstromen in de onderschei-
den landen doorlopen van producent naar verbruiker,
ondanks vele op dit terrein reeds verrichte onderzoekingen
nog weinig materiaal in overzichtelijke vorm ter beschik-
king staat. In nog sterker mate geldt dit, wanneer de vraag
in het geding komt, welke distrihutiequota resulteren uit
de keuze tussen – de diverse structuurvormen.’ Anderzijds
kan het nut van dergelijke onderzoekingen hoven iedere
twijfel verheven geacht worden, aangezien thans meer

dan ooit rationalisatie op dit stuk een gebiedertde
eis mag worden genoemd. De gedachte vond dan ook
algemeen ingang één of meer ,,pilot goods” vast te stellen

en daarvoor landsgewijze structuurbeschrijvingen te ver-zamelen onder nauwkeurige vermelding van de handels-

marges in de respectieve distributiestadia. De Commissie
staan hierbij stroomlijndiagrammen voor ogen, welke

naast een internatio’naal vergelijkbaar overzicht van de
relatieve betekenis der afzetkanajen gegevens zullen op-
leveren over de hoogte der distributiekosten voor iedere
afzonderlijke distributievorm.
Werkelijk talloze variaties zijn immers mogelijk op de
volgende hoofdvormen:
A. Van fabrikant naar:
verbruiker;

detaillist, (van deze naar verbruiker);
grossier, (van deze naar detaillist en verder naar
verbruiker) –
B. 1, 2 en 3. Idèm van de importeur af.
De mogelijkheden tot variaties zijn daarbij niet alleen
gelegen in eventuele inschakeling van sub-grossiers, sub-
subgrossiers, inkoopcombinaties van grossiersen/of detail-
listen e.d. doch tevens, ja zelfs met name, in de ruime keuze

tussen de onderscheiden structuurvormen in de klein-
handelsgeleding, als daai’ zijn:

a. het zelfstandig winkelbedrijf;

h. het grootwinkelbedrijf;
het warenhuis;

de eenheidsprijszaak;

de coöperatieve verbruikscoöpei’atie;


de markt-, straat- en rivierhandel e.d.

Welke relatieve betekenis heeft in de onderzochte landeii
ieder dezer onderscheidene structuiirvormen? ‘Welke facto-

ren hielpen dat aandeel bepalen? Wat leert het vergelijkend
kostenonderzoek ten aanzien van het verband tussen
distributiestructuur en distributiekosten? Ziedaar. de be-

langrijkste vragen, waai-aan de sub-commissie in eerste ter-

mijn haar aandacht wil wijden.

Uitermate moeilijk bleek daarbij reeds aanstonds de
keuze van de proefartikelen. En dit werkelijk niet alleeu
tengevqlge van het op menig internationaal congres zo

vaak aan de dag ti’edende ,,zoveel hoofden, zoveel zinnen”.
De attractie in dit opzicht van bepaalde in Nederland en
in Engeland nog gerantsoeneerde artikelen,, dat met be-

trekking tot de afiet daarvan thans bij de Overheid veel

statistisch materiaal ter beschikking is, vermocht uiter-
aard Amerika nauwelijks aan te spreken. Omgekeerd
konden enige West-Europese landen niet het Amerikaanse
enthousiasme voor ,,canned goods” delen. Moet men de

keuze doen vallen oli één zeer gespecialiseerd artikel als
bijvoorbeeld suiker (voordeel: geen spraakverwarring;
nadeel: moeilijker statistisch achterhaalbaar) dan wel een
zo homogeen mogelijke artikelgroep als bijvoorbeeld krui-

deniersaren (met tegengestelde voor- en nadelen)?
Dient het onderzoek zich te beperken tot goederen uit
nationale productie dan w’el moeten van meet af ook im-

portgoederen daarin worden betrokken? ‘Hoe de invloed
van prijszettingen, prijssubsïdïes e.t.q. te elimineren?
Flet mag overbodig geacht worden dit lijstje te vervolgen
om de lezer een indruk te geven van de talloze problemen,
waarmede de onderzoeker op dit gebied zich econfron-
teerd ziet. Floewel haai- voorzitter de sub-commissie bij

dit alles in realiteitszin voorging, heeft zij zich door
deze complicaties allerminst laten afschrikken in het besef,
dat hier een taak te verrichten ligt, welke niet alleen uit
wetenschappelijk oogpunt bezien in hoge mate vermag te

boeien, maar daarenboven van groot practisch belang
mag worden geacht. Eén aspect van dit alles is daarbij nog
te belangrijk om het hier onvermeld te laten: het gevaar
wat men zou kunnen noemen indirecte of verplaatste
distributiekosten te scheppen. Om de gedachte duidelijk
te maken (waarmede op deze plaats moet worden vol-

staan): sanering” van het kleinhandelsapparaat door
beperking op enigerlei manier van het aantal winkels
kan
voor de huisvrouw consequenties met zich brengen, welke men economisch als een verplaatsing der distributie-,,kos-
ten” zou kunnen opvatten.

Het proef artikel.

De uiteindelijke keuze voor een pilot good” viel op confectie herenoverhemden van katoen, linhen, wol,
kunstzijde of mengsels dezer grondstoffen”. Ontworpen werden 3 vragenlijsten, onderscheidenlijk bestenid voor
fabrikan ten, grossiers/i m porteurs en detaillisten, alsmede
een summier gehouden uiteenzetting van de bedoeling
dezer enquête. Op de nationale comités wei’d bereidg sterke

aandrang uitgeoefend het daarheen te leiden, dat de uit-
komsten van het onderzoek reeds véér midden September
in het bezit van het te Parijs zetelende bureau der commis-
sie zullen zijn, teneinde het mogelijk te maken in de begin

October te houden volgende vergadering een beslissing te
nemen inzake de mogelijkheid soortgelijke onderzoekingen
voor andei-e artikelen of artikelgroepen te en tameren. Daar-
enboven zal terzake een rapport worden uitgebracht aan het

in Juni 1949 te Quebec te houden congres der I.K.K.
1-her te lande werden voor het overhemdenonderzoek (dat

492

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1948

reminiscenties wekt aan het bekende ,,Kruideniersrapport”

van 1930) reeds de nodige coiitacten gelegd, waarbij de

noodzaak het georganiseerde bedrijfsleven in te schakelen
allerminst uit het oog werd verloren. –

Ook de andere hierboven genoemde sub-commissies van
de C.I.P.E.D. hebben overigens allerminst stilgezeten en
het zou onbillijk zijn haar op grond ,van het in zeker op-

zicht minder spectaculaire karakter harer bezigheden geen

waarde toe te kennen. ,,Marktonderzoek” prepareert voor

meergenoemd congres een rapport over de ontwikkeling

der marktanalyse gedurende de laatste jaren, waarin
speciaal zal worden ingegaan op nieuwe technieken op dit

gebied. Evenzeer door tussenkomst van de Nationale Co-

mité’s wordt het hiervoor benodigde feitenmateriaal thans

in de bij de I.K.K. aangesloten landen verzameld. ,,Ditri-

butiestatistiek” stelde als resultaat van uitvoerige beraad-

slagingen een uitgewerkte lijst op van statistieken, welke

voor een nauwgezette bestudering van het distributie-•

vraagstuk onontbeerlijk geacht mogen worden, waarbij de

grote waarde van internationale vergelijkbaarheid ander-
maal naar voren werd gebracht.

Verrichtte de Internationale Kamer reeds in het ver-

leden op dit gebied baanbrekend werk, aan navolging
heeft het haar daarbij allerminst ontbroken. Een navolging

overigens – het zij hier duidelijk uitgesproken –

welke, mits niet tot dubbel werk leidend, slechts voldoening

kan schenken. Zo organiseerde het Comité National de l’Or-
ganisation Française (C.N.O.F’.) in aansluiting aan de laatst-
gehouden vergaderingen van het C.I.P.E.D. twee ,,Jour-
nées d’études de la distribution”, terwijl zo hier te lande

als elders nog andere symptömen van een zeker réveil met

betrekking tot het distributievraagstuk te signaleren zou-
den zijn. –

Men kan slechts de wens uitspreken, dat al deze activi-
teit uiteindelijk zeil beantwoorden aan het doel, dat de

distributiëcommissie der I.K.K. onder voorbehoud van

hogere gôedkeuring als motto voor het wereldcongres van

Quebec aanvaardde: ,,Au service du onsommateur!”

‘s-Gravenhage.

Drs
C. A. A.
VAN LUTTERVELT.

ARGENTINIË EN HET MARSHALL-PLAN.

Men schrijft ons uit Zuid-Amerika:
De Argentijnse waarnemer moge er langzamerhand
aan gewend zijn geraakt, dat vele landen grote belangstel-

ling tonen voor het brôod van de republiek zondei’ noch-
tans haar woord te spreken, hij kan er zich nog niet mee
verzoenen, dat – in het bijzonder tijdens conferenties,
welke internationale regelingen beogen – de wens van
Argentini6 een zelfstandige en op het nationale ivelzijr
gerichte handelspolitiek te bedrijven, voortdurend aan
scherpe critiek onderhevig is. Maritieme conferenties
hekelen de door Argentinië in handels- en financiële over-eenkomsten steeds gevraagde fifty-fifty vrachtenverdeling
als vlagdiscriminatie. De Argentijn vraagt zich evenwel
af, waarom liet hem verboden zou zijn een hevrachtings-
garantie voor zijn schepen te vergen als één der voorwaar-den voor zijnerzijdse credietrerlening, terwijl de Amerika-

nen ongeveer hetzelfde doen
1).
Hij verwondert zich er-
over,,hoe het mogelijk is van zijn land te verwachten een
internationale tarv’e-overeenkomst te tekenen, waarbij
de verplichting wordt aanvaard in het komende jaar tarwe
te leveren tegen een prijs, welke ongeveer 40 pCt van de
recente. Argentijnse verkoopsprijzen bedraagt, zonder dat

daartegenover enigerlei garantie wordt gegeven ten aan-
zien van het prijspeil van in ernstige mate benodigde

‘) Gedacht wordt aan de ,,tied loans” van na de oorlog, benevens
het bericht, dat verscheping van goederen met Marshall-clollars
gekocht voor
50
pCt moet geschieden met U.S.A.-tonnage.

kapitaalgoederen, welke behoefte Argentinië immers

slechts door ,irnporten kan dekken. Hij meent er goed aan

te doen de traditionele politiek van zich afzijdig houden
van internationale regelingn te blijven volgen, omd’at<

hij niet inziet hoe van deelname ooit beter te worden.

Geldt deze gedragslijn in de eerste plaats voor economi-

sche afspraken (bijv. I.T.O. charter), ook ten aanzien van

meer op het politieke terréin liggende verklaringen van

goede voornemens (bijv. Panamerikaanse Conferentie te

Bogota) wordt uiterste voorzichtigheid in acht genomen.

De aangeduide isolationistische handelspoltiek, in grove

trekken neerkomend op het aanbieden van gezien de om-
vang der Argentijnse economie stellig niet onbelangrijke

credieteiï, zulks in ruil voor een veelal ,vijfjarige af

nameverplichting van granen, oliën, etc. onder hand-
having
van
een zo hoog mogelijke prijspeil voor deze

agrarische producten, heeft in de afgelopen jaren aanzien-

lijke financiële resultaten opgeleverd, met behulp waarvan

een industrialisatieprogramma (onderdeel van het vijfjaren-

plan) is verwerkelijkt, waarvan de betekenis voor een

grotere onafhanlcelijkheidvan het buitenland en een ge-

ringere conjunctuurgevoeligheïd van Argentinië niet moet
worden onderschat. 1-let Marshail-Plan nu kan voor Ar-

gentinië een nieuwe toevloed van dollars betekenen
2),

benevens zekerheid voor de afzet van ‘s lands voornaamste
producten in de komende jaren. Het kan, volgens Argen-

tijns oordeel, eveneens betekenen de eigen handelspolitiek

voor een groot deel te moeten prijsgeven. Deze beide

aspecten dienen nader te worden toegelicht; zij vormen het

kernpunt van de voorlopige Argentijnse conclusie, dat
het nog de vraag is, of uiteindelijk deze regeling van
internationale aard, hij uitzondering, eens voordelig

voor
de republiek zal werken. –

Met Liehulp van enkele recente publicaties
3)
kan
worden vastgesteld, dat de Marshall-becijferingen uitgaan
van levering door Argentinië aan de aan het Plan deel-

nemende Europese landen van de ondrstaande hoeveel- –

heden der belangrijkste producten:

(in duizenden metrieke tonnen)

April- 1948149
11549150
1950151 1951152
Juni 1948
Vlees

…………..
.160,8

643,2

658,2

658,8

658,8
Broodgranen

……..
636,5 2.332,3 2.380,6 2.453,3 2.453,3
1
Voedergranen

439,5 3.477,7 4.757,7 5.313,2 5.313,2
Oliehoudencie koeken
.

286.2 1.152,4 1.256,3 1.395,5 1.395,5 –
Oliën en ietten

69,3

279,9

272,7

297,0

297,0

Deze schattingen kunnen dadelijic doen zien, hoezeer
op de Argentijnse productie wordt gerekend, indien daarbij
in aanmerking wordt genomen, dat van de totale geraamde
,,Marshall”-export van het Amerikaanse continent exclu-
sief de Verenigde Staten de bovenvermelde hoeveelheden

vlees
57,5
pCt, broodgranen 22,3 pCt, voedergranen 96,6
pCt, oliehoudende koeken 98 pCt en oliën en vetten. 89,6

pCt uitmaken.
Een Argentijnse raming van de totale exportabele over-. schotten van Argentinië der genoemde producten, waarbij
rekening is gehouden ipet de aanwezige voorraden, doet
het volgende beeld zien:.

(in duizenden metrieke tonnen)

1948149

1949150

1950151 •. 6951/52
Vlees

…………….
650

650

675

675
Broodgraoen

………
4.000

4.000

3.500

35.00
Voedergranen

5.000

5.000

6.000

6.000
Oliehoudende koeken
1.100

1.100

1.100

1.100
Oliën en vetten

150

150.

.150

150

Bij liet vergelijken van de twee staatjes hierboven dient
rekening te worden gehouden met de verplichtingen, wëlke
Argentinië reeds heeft aangegaan door middel van over-

eenkomsten met niet aan het Marshall-plan deelnemende

) Ook de Argentijn

e dollarschaarste is momenteel zeer ernstig.
) Om. ,,Outline
of
European Recovery Program” -. Draft
Legislation and Background Information – December
1947,
Washington, alsmede: ,,La Argentina y.el Plan Maishali – Conscio interamericano dc Comercio y Produccion”
1948,
Montevideo.

23 Juni 1948

/ ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

493

landen. Deze uitvoerverplichtingen zijn voor de rubriek

broodgranen zeer aanzienlijk en bedragen niet minder dan ruim 1.700.000 ton per jaar (stand van zaken per 15 Maart

ji.) Voor de overige rubrieken zijn zij van betrekkelijk

geringe invloed.
Aan de hand van deze schattingen – waaran overigens

geen grotere waarde mag worden toegekend dan een hulp-

middel om de orde van grootte te bepalen – kan worden

geconcludeerd, dat Argentinië ten aanzien van de voeder-
granen ruimschoots aan de vervachtingen van het Mar,shall-

Plan zal kunnen voldoen. Ook ten aanzien van vlees en
oliehoudende koeken behoeven geen moeilijkheden ver-
wacht te worden. De ramingen voor oliën en vetten lijken
evenwel te optimistisch, terwijl onder de vigerende .om-

standigheden het in uitzicht te stellen exportabel over-

schot aan broodgranen teleurstellend lijkt; uitbreiding
van het bebouwde areaal en daardoor opvoering van dit
exportabel overschot behoort zonder twijfel tot de mogelijk-

heden; evenwel, zulks kan slechts worden gerealiseerd,

indien in ruime mate industriële hulpmiddelen alsmede

vervoermiddelen door Argentinië kunnen worden aange-
kocht en voorts de door het Argentijnse monopolie-insti-

tuut aan de hoeren gegeven prijzen worden verhoogd.
De laatstgenoemde stimulans zou de productiecijfers

aanzienlijk kunnen w’ijzigen.

Gezien vanuit de goederenzijde lijkt, het beeld niet
ongunstig. Deze kant is dan ook niet de reden geweest,

waarom de Argentijnse offici6
1
e instanties zich vrijwel

onthielden van commentaren op het Marshall-Plan. In
haar behoefte haas in eigen huis te blijven, is, volgens Ar-

gentijnse opvatting, slechts de volgende kringloopcon-structie ideaal: Europa ki’ijgt dollars, Argentinië voegt
daarbij vrijwillig en naar goeddunken op bilaterale reci-
proque basis’ nog wat credieten; Europa koopt in Argen-
tinië de benodigde agrarische producten, zodoende laatst-
genoemd land de dollars verschaffencl om industriële
grondstoffen en vervoermiddelen, voor het overgrote deel
in de Verenigde Staten, aan te schaffen. De republiek
verontrust zich erover, dat de alom uitgeoefende druk, ten
doel hebbend sterke prijsdaling te verkrijgen van haar

exportproducten, steeds ernstiger voi’men gaat aannemen,-
zulks, terwijl zij gelooft te moeten constateren, dat prijs-
stabilisatie van door haar te importeren, kapitaalgoederen achterwege blijft. Zij houdt zich het voorbeeld voor ogen
van haar vleesexport naar Engeland, waarbij dit land,
hetwelk door afname van het overgrote deel van het
Argentijnse vlees in een rnonopolistische positie verkeert,
nog steeds kans ziet – moge er enige verbetering zijn op-

getreden door de

recente modus vivendi – prijzen te be-
dingen, welke aanzienlijk onder die der wereldmarkt
blijven. Indien deze zijde van een vraag-en-aanbod-markt
moet worden geaccepteerd, dan lijkt het de Argentijnen
niet meer danjuist gebruik te maken van de voordelen,
welke verkregen kunnen worden, indien men aan de aan-
bodzijde van een schaarstemarkt staat.
In deze redenering staat Argentinië duidelijk alleen. Het
,,Special Foreign Aid Committee” heeft in zijn rapport over
de door Latijns-Amerika te spelen rol in het E.R.P. sterk
geadviseerd, dat de Verenigde Staten al het mogelijke
zouden doen om de Argentijnse prijzen omlaag te brengen.
D6 drainerende werking dzer hoge prijzen op de aan
Europa ter beschikking te stellen dollarvoorraad is vanuit
het Amerikaanse zowel als het Europese standpunt geheel
onacceptabel. Als tegenmaatregel w’ordt ‘voorgesteld een

coördinatie van aankopen door de Europese landen, ten-
einde op deze wijze het opbieden tegen het Argentijnse
Regeringsmonopolie (1 .’A.P.I.) te -voorkomen. Een derge-
lijke centrale aankooppolitiek zou zonder twijfel grote –
resultaten kunnen behalen; men ziet dit van.Argentijnse zijde zeer’ wel in. Het voorbeeld,van de vleescontracten wordt voldoende duidelijk geacht. Intussen heeft de Se-,
naatscommissie ook nog een ander geluid laten horen.

Zij stelt verder voor een weg te vinden, teneinde aan
Argentinië zoveel doenlijk hulp te verlenen, opdat aan de
behoeften van dit land aan kapitaalgoederen – welke

uiteindelijk.op hun beurt ook bijdragen ter verhoging van

het exportable saldo, speciaal dat van broodgraan – kan

worden tegemoet gekomen.
1-let zal thans wel duidelijk zijn, waarom Argentinië het

Marshall-Plan met gemengde gevoelens heeft ontvangen.-

Tot op heden weid in deze beschouwingen slechts

in algemene zin ge$proken over hoge prijzen, welke door

‘het Argentijnse Monopolie-instituut worden gevraagd.
Teneinde een denkbeeld te verschaffen, in welke orde
van grootte de verschillen in concreto liggen, moge het
onderstaande staatje dienen, hetwelk enkele bijzonder-

heden over tarweprijzen geef t.

-‘

Per 100 kilo In % van de

in m$n

onder A ge-
– (Arg. Pesos) ‘)noemde prijs
Door het I.A.P.I. verkregen prijs hij

recente transacties
…………
60,—


Maximumprijs vastgesteld door het
International Wheat Agreement
(194811952)

………………
24,68

41,1
Prijzen, aangehouden in ,,Outline of
European Recovery Program”
Washington, 19 December 1947:
hasisprijs op peil 1 Juli 1947

37,17

62,0
Hypothese lage prijzen (1948)

(verrekeningsfactor 97.5/100)

35,24

58,7
– c. Hypothese hoge prijzen (1948)

(verrekeningsfactor 105/100) .

39,03

653 –

US$ 100

m$n 335,82

) Wel dient in aanmerking te worden genomen, dat deze prijs
een maximum aangeeft, hetwelk slechts voor een deel van de oogst
1947 kon worden gemaakt. Aanzienlijke partijen werden eerder
verkocht voor m$n 45.

Indien men voorts in aanmerking neemt, dat de Argen-

tijnse boer voor de tarwe-oogst 1947/48 van’ het I.A.P.I. m$n 20 per 100 kilo ontvangt, mits hij levert v66r 1 Au-
gustus 1948 en mSn 18 daarna, dan is het wel duidelijk
dat het I.A.P.I. althans op dit stapelproduct grote winsten
heeft behaald. Het moge waar zijn, dat bij gebrek aan

publicaties omtrent winstcijfers van het I.A.P.I. alsmede
omtrent de omvang der importen, moeilijk valt vast te
stellen, hoe de verhouding tussen de prijzen betaald voor
industriële invoer alsmede die ontvangen voor agrarische
export in vergelijking tot het vooroorlogse niveau ligt;
een volledig antwoord op de vraag, of de justificatie van

Argentinië voor haar hoge prijzen juist is, moge zodoende
niet kunnen worden gegeven, vast staat toch wel, dat de
betalingsbalans van Argentinië ook bij aanzienlïjk,lagere
prijzen voor haar export niet slechts in evenwicht kan
blijven, doch nog een redelijk gunstig overschot kan ver-

tonen. Voor de laatste stelling is een onlangs verschenen
studie niet zonder belang
4).
Hierin wordt alvast betoogd,
dat bij een aanhouden van de overigens nog hoge prijzen,
zoals bedoeld ondet
Ca
of
CC
van het voorafgaande staatje,

de financiële positie van deze republiek nog alleszins gun-
stig is te noèmen, zij het, dat de industrialitering in een
langzamer t’empo zou dienen te worden voortgezet. –

Indien aangenomen wordt, dat het Marshall-Plan het
niet zonder Argentinië kan stellen – ik heb gemeend
hiervan te mogen uitgaan – komt het prijzenprobleem

op de eerste plaats. Prijsdalingen nu, met de daarmee
verbönden grotere koopkracht van de Marshall-landen,
lijken voor de deur te staan ten aanzien van de rubriek
voedergranen; waarin vooralsnog de productie van Argen-
tinië groter lijkt dan de door dollarschaarste gelimiteerde

vraag. 1

Jet Wheat Agreement, ook al dekt het slechts

50 pCt van de ‘,vereldvraag, een percentage, ,hetwelk wel-
licht kan stijgen tot 60-70 pCt, indien de productie van de importerende landen blijft toenemen, zal toch niet nalaten
invloed uit te oefenen op de Argentijnse prijzen; in feite schijnt het I.A.P.I. zijn vraagprijzen voor tarwe weer tot
mSn 55 te hebben verlaagd. Doch niettegenstaande

‘)
,,La Argentina y ei Plan Marsbali”.

494 –

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1948

deze indicaties tot prijsda]ingen zal het toepassen van

maatregelen om dit proces te versnellen, gewenst blijven:
vooralsnog immers ligt vrijwillige wijziging van de Argen-

tijnse politiek niet voör de hand. liet vermelde advies van

het ,,Special Foreign Aid Committee” lijkt hiertoe de
beste weg aan te geven, een weg, welke ook Argentinië iets
positiefs kan bieden.

AANTEKENING.

I)E MONETAIRE SANERING IN DUITSLAND.

Nu’ Zondag jI. een aanvang is gemaakt met de uit-

voering van de reeds lang voorspelde geldhervorming,

kan het zijn nut hebben nogmaals de aandacht te ves-

tigen op de noodzaak van monetaire sanering, welke
zich in Duitsland steeds dringender deed gevoèlen
1).

liet vraagstuk van de Duitse geldsanering kan, o.a.

naar de edening van Prof. Walter Eucken, als een inter-
nationaal prohle.em worden gezien; zo betoogde hij nog
zeer onlangs te Freihurg tijdens een vergadering van het
,,Studiengesellschaft für Wirtschaftspolitik”
2),
dat mone-taire sanering, een nieuwe buitenlandse handelspolitiek

en het Marshall-plan drie interdependente elementen
vormen, en dat slechts gezamenlijke toepassing tot resul-
taten zal kunnen leiden.

Van een uniform functiorinerende economische Orde is

thans, aldus Eucken, in Duitsland geen sprake; ieder
richtsnoer voor een doelmatig in elkander grijpen van de
verschillende onderdelen van het economisch leven ont-
breekt. Overal waar de prijzen als gevolg van inflatie en
prijsbeheersing hun regulerende functie hebben verloren,
en waar verschillende centrale plai’ininginstanties onge-
coördineerd werkzaam zijn, is dit richtsnoer afwezig.

In dergelijke omstandigheden is dus monetaire sanering

dringend geboden, tot herstel van een prijssysteem en
coörtlinatie der afzonderlijke economische handelingen.

liet ineenstorten van de Duitse productiviteit is terug

te brengen tot een drietal oorzaken: 1. de disintegratie

van de geografische arbeidsverdeling; 2. het gebrek aan

kapitaal en 3. het onbevredigend functïonneren van het

centrale plannirigapparaat. De centrale planning van het
economisch handelen komt om twee essentiële redenen
volgens Eucken niet meer in aanmerking: in de eerste
plaats omdat een overzicht over de markt geheel ontbreekt,
zodat een centrale verdeling noch van kapitaalgoederen

noch van consumptiegoederen mogelijk is. Vervolgens
omdat de planninginstanties niet in staat bleken de voor
de wederopbouw van Duitsland zo noodzakelijke export
op gang te brengen. De wederopbouw kan nLa.w. slechts
van onder af aan plaatsvinden. De monetaire sanering,
die het teveel aan koopkracht moet bestrijden, moet
derhalve, meent Eucken, gepaard gaan met het opheffen
van het systeem der geleide economie en van de prijs-
bindingen; de woningmarkt en de belangrijkste 1 evens-
middelen moeten echter aan rantsoeneriitg (zonder prijs-
bindingen) ondervorpen blijven. Voorts is ook een her-
vorming van de belastingen onvermijdelijk. Wat het gebrek
aan kapitaal betreft, dit zal slechts door buitenlandse
credieten kunnen worden verkleind. Zolang nog de prijzen
hun regulerende functie niet kunnen uitoefenen, zolang
zal geen getrouwe weerspiegeling kunnen worden gevonden
van de productiviteit en rentabiliteit van de afzonderlijke
takken van industrie, resp. ondernemingen: credieten
zullen dan moeilijk kunnen worden aangetrokken. Ook
voor een weer goed functionner.end systeem van arbeids-
verdeling is de waarborg van een bevredigende prijsvor-

ming nodig; voorwaarde voor dit laatste is weer een
monetaire sanering.
Tezamen met de geldsanering moet echter volgens Prof.
Eucken ook, een geheel nieuwe buitenlandse handels-

‘) Zie:„Monetaire sanering in Duitsland als internationaal pro-
hleern in ,,E.-S.B.” van 31 December 1947.
2)
Zie: Nette Zürcher Zeitung” van 15 Juni 1948.

politiek en deviezenpolitiek worden ingevoerd. Het af-

schaffen van het monopolie van de buitenlandse handel
van de Overheid is vdlgens hem een conditio sine qua

non voor het welslagen van de geldsanering. Tegelijker

tijd moet een vrije deviezenpolitiek worden nagestreefd,

waarbij Prof. Eucken plaats inruimt voor een zekere con-trôle op het betalingsverkeer tussen de staten ter voorko-

ming van kapitaalvlucht.

Tenslotte w’ees Prof. Eucken nogmaals
0
1
)
het feit,
dat het vraagstuk van de.Duitse geldsanering in de eerste
plaats moet worden behahdeld als een internationaal

probleem. Het is nodig, dat de monetaire sanering gelijk-

tijdig plaatsvindt met de wederinschakeling van Duits-land in de internationale handel en het kapitaalverkeer.

lein cme nichtautarke Wëhrungsreform kann erfolg-
reich sein”.
**

Bovenstaand betoog van.Prof. Eucken vond op de ver-
gadering, die onder leiding stond van Prof. A. Boszhardt,

grote bijval en gaf aanleiding tot eeii interessante en geani-
meerde discussie. Prof. A. Ilahn wees er echter op, dat in

het verleden toch wel wat al te veel op de innerlijke logica
der dingen werd vertrouwd, en men moest zich dan ook

volgens hem afvragen, ôf de wereld nog wel voor liberale
oplossingen vatbaar is. Prof. E. Böhler twijfelde er aan,

of de door Prof. Eucken geschetste radicale therapie wel
in overeenstemming is met de. opvattingen zowel in

Duitsland zelf als in de omringende landen. ,,Der Wirt-
schaftlichen ‘Wirklichkeit werde man nicht mit ideal-
typen gerecht”. Stap voor stap moet de wederinsclakeling
van Duitsland, eerst regionaal, worden verwezenlijkt.

Prof. Euckenstelde daartegenovr in zijn slotwoord
vast,’ dat een liberale oplossing, gezien de bijzondere

situatie in Duitsland, het meest voor de hand ligt. Nu de

ad absurdum doorgevoerde geleide economie tot een
zeer slechte sociale toestand heeft geleid, heeft men ook

in Duitsland ingezien – zelfs in de vakverënigingen -,

dat het sociale ‘vraagstuk in de eerste plaats een kwestie

is van optimale productie. Optimale productie wordt
echter niet – aldus Eucken door planninginstanties,

maar door een zodanig regulerend mechanisme gevar-borgd, dat de prijzen zich aan de snel wisselende feiten kunnen aa’npassen. Dat centrale planning het werk van

de wederopbouw en de omschakeling van de Duitse econo-mie niet karf volbrengen, heeft volgens Eucken de ervaring
van de laatste jaren zeer duidelijk bewezen. Centrale
planning is nog niet hetzelfde als effectief richting geven
aan het economisch proces. ,,Auf jeden Fall sei die

Lenkung dur.ch die Plhne der selbstëndig und spontan handelnden 1-Icushalte und Betriebe, die durch Preise
koordiniert werden, die einzig erfolgversprechende Lösung
der Aufgabe, die heute Deutschland gesteilt sei”.


INTERNATIONALE NOTITIES:

DE BETEKENIS VAN DE MARSHALL-JITJLP VOOR BELGIË.

België krijgt gedurende het eerste jaar uit hoofde van

de Marshall-hulp goederen toegewezen ter waarde van
$ 296 mln, d.i. meer dan 13 mld Belgische francs. Dit,
bedrag zal dus in de komende maanden w’orden betaald
door de l3elgische kopers, terwijl het geld aan de circulatie
zal worden onttrokken om te worden geplaatst op een spe-ciale rekening bij de Nationale Bank. De Regering is daar-
door in staat de zo gewenste deflatie verder door te voeren,
aldus ,,V.E.V.-Berichten” van 15 Juni 1948. Hoewel de
bestemming van deze rekening nog niet vaststaat, is het

wel zeker, dat zij moet dienen om het herstel van België
te bevorderen. Stopzetting van de inflatie behoort hier
alleszins toe, aldus het blad.
liet bedrag zou kunnen worden aangewend om de voor-
chotten, die de Nationale Bank’kan de Staat verleent, te

CAPITA SELECTA

DER ECONOMIE

Onder redactie van Prof. S. POSTHTJMA

*

Binnenkort zal verschijnen:
Deel VII

geb. ± f11,75

Prof. Dr J. ZIJLSTRA:

De omloopssnelheid van liet
g
eld en zijn betekenis voor

g
eidwaarde en monetair evenwicht

Uit het voorwoord door Prof. S. POST}IUMA:

Ondanks het feit dat het vraagstuk van de omloopssnclheid van het geld steeds
een zeer belangrijke plaats in de economische theorie heeft ingenomen, is het aantal
monografictn Over dit onderwerpgering, terwijl de verschillende tijdschriftartikelen,

die hierover in den loop der jaren zijn verschenen, bewijzen hoe gecompliceerd
het vraagstuk is en hoe groot de noodzakelijkheid om bij de hantering van het
begrip omloopssnelheid van het geld zich nauwkeurig rekenschap te geven van

hetgeen men daaronder verstaat. De geestelijke exercities, die de schrijver, om
het zo maar eens uit te drukken, uitvoert met verschillende begrippen uit de
geldtheorieen van diverse schrijvers, zal den lezer zeker een duidelijker inzicht
geven in geldtheoretische vraagstukken dan door het lezen van de bestaande
monografieen en tijdscliriftartikelen tot nog toe voor hein mogelijk was. Niet

alleen de beheersing van een grote literatuur, maar vooral ook de gave van
een heldere stijl draagt daar zeer toe hij.

Reeds verschenen in
deze reeks:


Prof. Dr J. TINBERGN: Beperkte concurrentie geb. / 6,50

Dr J. H. SPIEGELENBERG: De invloed van belas-

tingheffitig op de consumptie
……………..
geb. ,, 8,-

Prof, Mr P. LIEFTINCK: mh tot de Geldtheorie geb. 14,-

Dr C. GOEDHART: De rentevorming in de moderne

volkahuishouding
………………………..
geb. ,,11,75

Dr P. J. VERDOORN: Arbeidsduur en welvaartspeil geb. ,, 11,75
Dr H. J. STOKVIS: Bretton Woods en het interna-

tionaal monetair bestel
……………………
geb. ,, 12,75

Bijlage E.-S.B. No. 1636. IS Sept 1948

Frankering bij abonnement

Rottérdam

CWMI

DE WESTER BOEKHANDEL

NIEUWE BINNEN WEG
331, ROTTERDAM. Tel. 32076

-10

Gespecialiseerd op economisch gebied

ROTTERDAM, datum postmerk 1948

L.S.

Mogen wij
Zo
Vrij Zijn, direct na de vacantie Uw

aandacht te vragen voor enkele nieuwe uitgaven, onder

welke de dissertatie van Prof. Zijlstra en 2 boeken

over wijlen Keynes. (Zijn ,,General Theory” is helaas

nog steeds niet leverbaar.) In de loop vah htt najaar

hopen wij U een vollediger catalogus te zenden. Met

dank voor Uw gewaardeerde orders verblijven wij,

Hoogachtend,

,,De W’eter BoekhanJel”

OQ
O

-.

..

-‘–<

QQ<

1 :

(
D(

0
‘2

Q_

-‘
a

Pr
JQ

(D

L.
0

j
çj•(D

:z:


0-

z

(

(•_
(

0_.,o

n
1

;fl1

t

0

Imt
0

0

)

M

<

{I

-0-

M
O
OQ
M
o
c


0-
(

z

E-‘0-0 0

(b

I –

Ö

0-
q&n

I—1
0
N
0

.

0

‘ E3.a

<

*

;.

.1_t(
bl


(0
(0

(0

(0
0-
00

•1

<

r)

(0


(0
o

1Ji0
(0

0

0-
.:

pUQ(0


j

5
.

-*

04O0.

Er4

0-
VQ

(0

0

0(000-

UQ

(0W

(0


C/

CI’)

0D(0a
0
.
g (0<

(0

..

0

0
-0.
EA
< –
II

‘”
o

(0

N

.-

a
In

0)
n
o
-.


i

•-$
0.
.0

(0

(b

0-00
0

0/)

00
0)

0

(0

(0

hfl

ft

(0
0

0.


z

coo 0

vo

cUQ
(0
(0

0

(0.:-o

OQ

(0

0


<0

Pa.
(
0

0

0

•1

dP1

.-

(0

1 0000.

0 0
1

0)

4j

00

Q

(00)
cr
ON
t

-0.
VQ
ww
0
Pl

(0
<
0)

0

(0

.E•
(0
E.

o

..<
o.
z
0)0)
tri
0.
rj

•0)
EA


0)
0
UQ

cn

1:Tl
11

:0

(0(0(0
w

–0′-

.-

_

0/0
– t-t
– .•

. (0

__

(0

‘-t
0

00

4)

.

(D
0.

Pl

0)00

b

8

(0
00
<0

00(0

11_1.•

0000

0)
0)00
-“Z

0
Z Ç)

cr

0->r a

0

rio
EÖ –
0

(0
.ÖÖ

C’

•00
•o

r0) 0
tz
a
c
41
.
0
00

Ö Ci)

t
T
i

0)

‘0
(0
• 0 0.

0•

1

Pl

(0

.

,•-

(0

(0

)
T-

0•

• 0)

-.
T1

•I:

0-.

(0-

0
-0-00

(A ow
OQ
1

rD

0.)

o

‘•1

.0
L)

Li

6) ‘-.0
.4-
,

..
0)6)4)

4-.

d

40

(0
(0


0
4!)
0)040

0
0 .00)

.

0.

o

.14
_3

0)

..0 Q.

(0
– 0) ,

4

(0

.0)0

0)
,.. 0


04)0
0 –

1-.

0


0

00

.0

40

40


o

u)

44

6)

ËJ!

bn

0.
—.
0.

o

t

0

1

iii
.idh1.
4-.
0
.0

•’

QJ)S)


j
.

r)
—:

0

:t

_p.
I.,J
r4
•j
4-.
th

c4)
ci
:
0)

cl
;h

II
0)

V0
0•
•;44ç0

0)
0
00
4
0
0
4

00

0)•-‘

4
.:
0
4?çQ

0
1
cy
PQ
F
II


222
4-4
A pq

P,

P44P4

1 4fl ‘0)+4″‘I 0)4–T:
0
40 S.. 4)

0

0.0 0 0
40

4-.

0

Q..u,


.
0

cn

4)

0
o0
(0
&)

40
0)0

4fl

E-
4)4)006)4!)
00)

o

In
004-‘

CO
Q
40
0
.
6)
•..o

0

c0 0 0 0
u)4′

.

-2
04)

4)C00

.0
bC0
.2Z

.
o

It

cl

: >1L.-
1
_
En

0

0
.-.
°
.

to –
0)40
bi)
4-‘
0 0) Oi
2.04.
4-
0 4-4cqpq 4.4 *

.

6)

00)

4!,
Q.E0

4!)

0

çI

L)

-( r.
00—

.-
V.


O00).0
0

4-‘
4.
>4
0
06)0,
ci
0)
‘d
in
0)
4.

>5
.0
in


—-

‘.

o

co
4!)

• 0
.
4

0)

10

.

6.
Qa

o-0 0
,

f-4

I 0000flkfl

OflOOfi

OgOtflOfl..

— ‘
NOn

4fl
t-

0
m

9.4
• 0)
.
t–


4.4…•. E-o–.
o0
•-


.
,40)


E


cz-


I
E
:(flQ

’41


,.
(0
.

••

‘-‘$

>.6) •

j;ij m

0

0
4
. .

.

-‘ 0 6)

04

1

_____

Kan ongefrankeerd

zonder nadere adres-

aanduiding worden

verzonden

ANTWOORDKA ART

ROTTERDAM

MACHTIGING Nr.
357

De ondergetekende bestelt bij:

De Wester Boekhandel, Nw. Binnenweg 331, Rotterdam

Telefoon 32076

Giro 18961

Voor rekening

Op zicht

Woonplaats:

(in blokletters s.v.p.)

Naam:

23 Juni 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

495

verminderen of om een gedeelte van de staassclui1d af

te lossen. Volgens genoemde bron kan men deze middelen
echter hter gebruiken voor het herstel van het industriële
en economische apparaat, htzij rechtstreeks door credieten

aan betrokkenen toe te kennen, hetzij indirect door cre-dieten toe te staan aan die buitenlandse handelspartners

van België, wlke in verband met betalingsmoeilijkheden

de Belgische export in gevaar zouden brengen.
Een verder voordeel van de Marshall-hulp aan Europa

in het algemeen zou voor België bestaan in de mogelijkheid,

dat in België goederen zouden worden gekocht ten bate
van een andere begunstigde, die daartoe de noodzakelijke
betalingsmiddelen niet bezit. I-Iierdoorzo,i niet alleen de

Belgische exportworden bevorderd, maar ook zouden dollars

worden verkregen uit deze export. In het bijzonder Neder-
land, Frankrijk en Groot-Brittannië, welke met betalings-

moeilijkheden kampen, zijn in dit verband te noemen.
Alleen in 1947 hebben deze drie landen, tezamen met de

andere sterlinglanden, België voor bijna 16 mld francs
betaald in goud of dollars.

.I)E AANWENDING DER E.R.P.-}tULP IN ITALIË.

Over de aanwending der E.R.P.-hulp in Italië bestaat,
aldus
rrlle
Investors Çhronicle” van 12 Juni jI., verschil
van, mening. Zowel de particuliere als de door de Staat
beheerde bedrijven menen op deze hulp aanspraak te

mogen maken. Beide soorten bedrijven hebben nl. gebrek
aan kapitaal, waardoor de industriële productie in Italië ten zeerste wordt belemmerd. Nieuwe h’dro-electrische
krachtinstallaties bijv., welke een investering van 500.000
millioen lire vereisen, moeten worden gebouwd teneinde
dc kloof tussen vraag en productie, welke 10.000 millioen
kWh per jaar bedraagt, te overbruggen; 90 pCt der ma-chines van de katoenindustrie moet worden vernieuwd,
waarmee een bedrag van bijna 300.000 millioen lire is
gemoeid,’ terwijl• zich bij de olieraffinaderijen eveneens
een grote behoefte aan kapitaal doet gevoelen. Van de
overheidsbedrijven’ baren de spoorwegen grote zorg; zij
beschikken over slechts 2.500 wagons voor personenver-voer, tegen 7.500 v66r de oorlog, terwijl de tarieven voor
personen- en vrachtvervoèr 17 maal de vooroorlogse be-
dragen tegenover een GO-voudige kostenverhoging.
De verzoeken om E.R.P.-hulp van beide zijden zijn ge-
baseerd op de noodzakelijkheid; het aantal werklozen,
dat 1.500.000 personen bedraagt, te döen

verminderen.
Gedurende de verkiezingscampâgne beloofden de Christen-Democraten voor dit werkloosheidsvraagstuk een oplossiiig
te zullen vinden en bij de opening van het Parlement

kondigde Minister-President de Gasperi in zijn uit acht
punten bestaande programma o.a. de uitvoering van pu-

blieke werken aan. Hiermede echter bevindt de Regering
zich in een moeilijk parket, want teneinde de door de

Staa’t beheerde bedrijven te stimuleren, zal zij ‘f de E.R.P.-
hulp moeten aanwenden, 6f de uitgifte van bankbiljetten
moeten voortzetten. Het laatste brengt een verder inflatie-
gevaar met zich; hetgeen in strijd is met de Gasperi’s belofte

de lire te verdedigen. Het gebruiken der E.R.P.-hulp om
de staatsfinanciën op orde te brengen en publieke werken
uit te doen voeren zou d.e.t. leiden tot de vreemde situatie,
dat Italië weliswaar zou beschikken over haven- en trans-
portfaciliteiten, maar dat de te vervoeren goederen zouden
ontbreken, doordat de particuliere bedrijven t.g.v. kapi-
taalgebrek
niet
zouden kunnen produceren.
Een oplossing van dit probleem zou kunnen liggen in
het doen samenwerken van de E.R.P.-hulp met buiten-
lands particulier kapitaal. Inderdaad blijken verschillende
landen bereid te zijn kapitaal in Italië te investeren, waartoe
de Regering echter de restricties t.a.v. overdracht van
kapitaal naar het, buitenland tegen de vrije wisselkoers
zal moeten opheffen. Hoewel ,,The Investors’ Chronicle”
uit de rede van de Gasperi meent te mogen afleiden,dat
een dergelijke verandering in de politiek t.a.v. deze kwestie niet is te verwachten, acht het blad het een stap in de goedë

richting, dat veischillende overeenkomsten tussen Itali-
aanse en buitenlandse maatschappijen door de Regering

zijn gesanctionneerd.
• Naast het zorgen voor voldoende kapitaal rest de Re-

gering nog één belangrijk punt: zij moet de binnenlandse

orde bewaren en trachten illegale voorbereidingen voor

een burgeroorlog te voorkomen, want ,,without political

peace, all ‘other remedies are vain”, aldus genoemd blad.

WELVAART IN W’EST-INDIË.

Curacao en Aruba, de twee voornaamste eilanden van

de Nederlandse Antillen, verkeren gedurende en na de
oorlog in een toestand van hoogconjunctuur
1).
Deze

mening is ook ,,The Economist” toegedaan, blijkens haar
jongste nummer; waarin zij o.a. opmerkt, dat ,,prosperity

reigns everywhere”. Fluizen worden thans hij duizenden
gèbouwd, scholen en hospitalen, ,,welfare centres”, havens

en warenhuizen, kaden en scheepswerven worden nieuw
gebouwd of uitgebreid, nieuwe luxe hotels, clubs en bios-

copen worden met koortsachtige haast opgetrokken.

Ponden en dollars zijn overvloedig beschikbaar en de

winkels zijn gevuld met Britse, en Amerikaanse goederen. •De bevolking, bestaande uit alle mogelijke rassen, kleuren
en godsdiensten, leeft in harmonie tezamen; de algemene
gezondheidstoestand is voor dit gebied relatief zeer gun-
stig. Rassenonderscheid t.a.v. de kleurlingen is nauwelijks
bekend, kortom, ,,the Dutch colonial administration can
claims high credit for the way these prosperous islands

are governed”.
Deze welvaart danken Curacao en Arub4 aan de ver-

edeling van uit het vaste land van Zuid-Amerika aan-
gevoerde petroleum. Zelf ‘bezitten deze eilanden geen
petroleum, maar wel goede natuurlijke havens, die in
Venezuela bijv. ontbreken. Dit heeft het Britse eri Ame-
rikaanse kapitaal er aanleiding toe gegeven om op deze

eilanden de grootste olieraffinaderijen ter wereld te bouwen.
Het gehele economisch leven vafi Curacao en Aruba
‘hangt af”van de olieraffinaderijen. Van de totale bevolking van Aruba (45.000) werken er meer dan 10.000 in de olie-industrie. De lonen zijn goed en er doen zich geen arbeids-
geschillen voor. De eilanden kennen geen schaarste aan
buitenlandse’ valuta. In Nederlands-West-Indië is, dit
in tegenstelling tot practisch alle andere landen ter wereld,
geen importvergunning nodig voor Britse goederen. Dit is
eqhter wel het geval voor Amerikaanse goedern. De Ne-
derlandse Regering tracht nl. dollarimportn zoveel mo-
gelijk te voorkomen, maar desoiidanks is de invoer van
Amerikaanse goederen overheersend. Dit valt niet te ver-
wonderen, daar Amerika met het oog ‘op de verscheping
van consumptiegoederen veel gunstiger ligt dan Engeland.
De laatste jaren gaat Engeland, aldus ,,The Economist”,
in dit afzetgebied echt’er een steeds belangrijker plaats
innemen. –

‘) Zie voor een beschouwing over de economische toestand van
West-IndiO het ,,Economisch-Statistisch Kwartaalbericht” van
Maart
1948.

ONTVANGEN BOEKEN EN, BROCHURES.

BOEKEN.

J. H. Wijnand,
Hoe is het in Indië? Een reportage. Uitg.
C. Blommendaal N.V., ‘s Gravenhage 1948, 59 blz.
met kaarten.
Practische psychologie
door’ Drs J. Slikboer, Deel II,
Toepassingen. H. E. Stenfert Kroese’s Uitg. Mij,
Leiden 1948, 2e druk, 39,7 hlz., ing. f 8.25, geb. f 10.—.
Kennen en heu,’en in de sociale wetenschappen
door Dr Fred. L. Polak. Een onderzoek naar de afbakening,
van objectieve en subjectieve Qordelen in de econo-
mie, tevens proeve van ci’itiek op de wetenschaps-leer van Max Weber. H. E. Stenfert Kroese’s Uitg.
Mij, N.V., Leiden 1948, 293 blz. ing. f 8.—,
geb. 1 9.75.

r

496

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1948

Prof. Mr J. pan Houtte
mmv. Prof. Dr M. Masoin enMr

Pierre Ronse, De herstelling van de oorlogsschade aan
priate goederen.
Theoretische en practisôhe commen-
taar van de wet van 1 October 1947. Uitgave in de

serie Morele, Sociale en Juridische studiën.Boekhandel –

Universum NV,, Brussel, &’Vereniging voor Morele,
Sociale en Juridische studiën, Leuven 1948, 484 blz.

Prof. Dr 0. Bakker, Economische Statistiek – Bedrijf

Economische Statistiek – Administratiepe Statistiek.
P. Noordhoff N.V., Groningen/Batavia 1948, 5e

druk, 170 blz., ingen. f 4.25, geb. f 5,05.
A. A. D. Bouvhof,
, Dr Mr J. Stroomberg, Leerboek pan de

organisatie en techniek pan de handel. P.
Noordhoff

N.V., Groningen/Batavia 1948, 5e druk, 433 blz.,

ingen. f 7.25, geb. f 8.25. –
Mr Dr M. Spaander, Handeisrecht.
18e herziene druk,

bewerkt door Mr G. Wijers. P. Noordffoff N.V.,

Groningen/Batavia 1948, 291 blz., ingen.- f 4.90,

geb. f 5.75.

Inleiding tot het JVederlandsche Handeisrecht
door Dr
W. L. P. A. Molengraaff. 7e hérziene druk door Mr

T. J. Dorhout Mees. De Erven F. Bohn, N.V., Haar-

lem 1948, 303 blz., geb. f 6.50.

Produc1iity, prices and diâtribution’ in selected British
• industries
door L. Rostas.
1
National Institute of
Economic and Social Research, Occasional Papers

XI. University Press, Cambridge 1948, 199 blz.

The measurement of colonial national incomes
door Phyllis

Deane. National Institute of Economic and Sociai

Research, Occasional Papers XII. University Press,
Cambridge 1948, 173 blz.

J3RO CIIURES.

Kleine geologische operzichtskaart pan Nederland.
Geolo-

gische stichting, afd. Geologische Kaart. Staats
:

drukkerij, ‘s-Gravenhage 1947,’ 16 blz. + bijlage.
Dubbele successierechten.
Nr 63 in de serie Geschriften van

de Vereniging voor Belastingwetenschap. Rapport
uitgebracht door een commissie, benoemd door de

Nederlandse Vereniging voor Internationaal Belasting-

recht. (Nederlandse Groep der IFA) en de Ver-

eniging voor Belastingwetenschap. N. Samsorn N.V.,
Alphen a/d Rijn 1948, 9 blz.
Het slagersbedrijt in oorlogstijd (1940-1945).
Publicatie

XI van de Stichting Economisch Instituut voor de

Middenstand. ‘s-Gravenhage 1948. *
De 80-/arige oorlog
door A. W. IJzerman. -Ver-beeld

Verleden 1, Publicatie van de Nederlandse Stichting
voor Statistiek. H. E. Stenfert Kroese’s Uitg. Mij,
N.V., Leiden 1948, 55 blz., ing. f 3.75.
De gemeenschapsproblemen der onderneming
door Mr R.
van Maanen. W. Bergmans, Tilburg 1948, 37 blz.,
ing. f 1.20.

GELD- EN KAPITAALMARKT,

De geidmarkt is gedurende» de gehele week ruim ge-,
bleven, mede onder invloed van vervallnde bedragen aan schatkistpromessen, waarvoor niet’ altijd herbelegging in
jaarpapier bij de Agent werd gevraagd. Dit vooral met
het oog op de omstandigheid, dat in de laatste week van

Juni en ook in Juli zeer weinig papier komt te vervallen. Met het oog op de ultimo-aanspraken en de voortgaande
stroom van belastingbetalingen is uiteraard wel enige
voorzichtigheid geboden. Callgeld bleef dan ook tegen
pCt gedurende de gehele week ruim aangeboden, en de’
marktdisconto’s vertoonden een geringe neiging tot daling.:
Driemaandspronessen waren aan heteinde derweek tegen

1
/8
pCt aangebodn, Npvember t/m .Februari-papier
werd tegen hetzelfde disconto gevraagd, terwijl de langer
lopende termijnen ongeveer

5/j6

pCt hoger noteerden. De
omzetten bleven gering, daar de vrij hoge disconto’s
weinig aanleiding tot ruiltransacties geven.

De Minister van Financiën heeft een wetsontwerp in-

gediend om de verstrekte machtiging inzake de geld-

züivering, welke begin Augustus afloopt, met een halfjaar

te vei’lengen, aangezien het niet te verwachten valt, dat

het aanhangige wetsontwerp tot afwikkeling van de geld-

zuivering tijdig tot wet zal kunnen worden verheven.

De aarzeling, welke voornamelijk bij de houders van grote

tegoeden op optierekening valt te bespeuren om tot een

keuze voor de afwikkeling an geblokkeerd tegoed te

geraken, zal dan ook, vermoedelijk nog geruime tijd be-

stendigd blijven. Voor de banken is dit in zoverre van

belang, dat zij uit- dezen hoofde waarschijnlijk niet op,

korte termijn grote geldonttrekkingen voor de belegging

in staatsschuld hebben te vrezen.

D aandelenmarkt bleef ook in de afgelopen week

tamelijk kleurloos, ondanks het feit, dat de verschijnende
jaarverslagen en gedeclareerde dividenden veelal gunstig

zijn. liet koei’sniveau is trouwens over het algemeen nog

wel zo hoog, dat deze gunstige gang van zaken hierin

tenminste wel verdisconteerd schijnt. Enkele kleine emis-
sies werden uitgebracht, doch het is duidelijk, dat onder

de huidige omstandigheden de emissiemarkt niet bepaald.

gunstig ligt, zodat een beroep op de publieke -kapitaal-

markt vrij riskant is..

De staatsfondsenmarkt gaf in
»
de afgelopen week een
daling te zien; met name voor de 3 pCt investerings-

certificaten, welker koersniveau aan het einde der week
tot 98
/8
pCt daalde, aangezien in deze stukken nog vrij

veel aanbod verwerkt moet worden van degenen, die per
1 Juni een vijfde gedeelte dezer belegging Vrij verhandel-
baar verkregen. Wellicht is hierbij ook van invloed, dat
naar verwachting op 1 Januari 1950 de econon’iische unie

met België een feit zal zijn, waarbij men dan een rente-

stijging in ons land verwacht wegenshet hogere rente-

niveau bij onze Zuiderburen. Overigens dient hierbij wel
in aanmerking te worden genomen, dat de rentestand in

België ook vbbr de oorlog, bij een volkomen yrij betalings-
verkeer, duurzaam hoger lag dan in Nederland, wellicht

omdat men in België veel minder rente-minded” is dan
in ons land en een hogere rente nodig was om de weer-
standen tegen belegging in vaste rentedragende fondsen

te overwinnen. Daarom behoeft een economische unie
tussen de »genoemde landen, zelfs als deze gepaard gaat
met een volkomen vrij kapitaalverkeer, nit noodzakelijk

tot eenzelfde -renteniveau te leiden.
Onderstaande tabel geeft een beeld van het koersverloop
op-de aandelenmarkt in de afgelopen .week.

11 Juni

18 Juni
1948

– 1948

A.K.0.

…………………….
167
1641
Van

Berkel’s

Patent

……….
126k
126

Lever Bros. Unilever C. v. A…’
295k 2951

Philips

G.

b.

v.

A………….
266 GB
263k GB

Koninklijke

Petroleum

……..
349
341k
207,


198
H.A.L.


………..,
.
»..

….

….
N.S.0……………………
1871
1881
H.V.A .

………………….
233
231k
Deli-Mij.

C.

v.

A …………….
162k
159

GB

Amsterdam Rubber …………
172


1671 B


STATISTIEKEN.

-.

NATIONALE BANX VAN ZWITSERLAND.
(Voornaamste posten in millioenen Irancs)

CIS
C
3
•_
4

0
•#
Data
‘»’
»-.
0
.*»
n-
0

0
$
—no

00,

`*
4′
0

*)

10,

‘1

IV”
0 0

31

Dec. .1946
1.4.949,9

1
.158,0
238,7

52,7
4.090,7 1.113,7
31

Mei

1948
1
5.672,4
106,6
142,3
47,5
4.158,2
1.297,5
7 Juni

1948
1

5,674,0

t
108,2.
236,9′
47,5
4.090,4
‘1.353,6
15 Juni

1948
[
5.671,7
114,6
204,0
47,5
4.049,3
1.373,7

DE NEDERIANDSCHE BANK.

Verkorte balans op 21 Juni 1948

Activa.

o
.

I-Toofdbank

t
1)
inessen

e
0

Bijbank

C U
.

neven

Agentsch.,,

10.000,-
In

}SCOfl

.

t
10.000,-‘)
Visscls, scliatkistpapier en schuldbrieven, door
de Bank gekocht (art. II, le lid, sub 3 van de
llankwet 1937 j’ art. 4 van het Koninklijk
besluit van 1 October 190, Staatsbiad No.
F204)

…………………………..-

Schatkistpapier, door do Bank overgenomen van
de Staat der Nederlanden ingevolge overeen-
komst van 26

Februari

1947

…………

.. 1.800.000.000,-
Beleningen:

Floofdbank

t

140.417.788,23
‘)’.
(mcl. voor-
schotten in re-

Bijbank

,,

313.752,06
kening-courant
op onderpand)

Agentsch.,,

4.343.431,57

t

145.074.971;86

Op

effecten,

enz.

……….

..144.672.641,60 ‘)
Op goederen en celen

402.330,26
145.074.971,86
2
)
Voorschotten aan het Rijk (art 16 van de Bank-
wet1937)

………………………….

Boekvordering op de Staat der Nederlanden
mngevolge overeenkomst van 26 Februari 1947
,,
1.500.000.000,-
liunt en muntmateriaal:
Gouden munt

en

gouden
muntmateriaal

……..t

481.702.591,66
Zilveren munt, enz . ……

..

557.047,09

4 8 2. 259 .63 8,75
Papier op het buitenland

..

t

321.995.200,-
Tegoed bij correspondenten in
-.
het

buitenland

. ………

..458.469.209,32
Buitenlandse betaal-
middelen

…………….

….7i9.713,35
486.184.122,67
Belegging van kapitaal, reserves en pensioen-
fonds

……………………………….
105.582.200,58
Gebouwen

en

invëntaris


. .
…………….
2.500.000,-
Diverse rekeningen

………….
223.260.089,30

t

4.744.871.623,16

Fassiva.

Kapitaal

…………………………..t
20.000.000,-
Reservefonds

.. ……………………..

..
12.759.703,05
Bijzondere

reserves

…………………….

..
54.447.566,03
Pensioenfonds

…….
………………….

..
19.979.665,88
Bankbiljetten in omloop (oude uitgitten)

……
120.501.290,-. Bankbiljetten in omloop (nieuwe uitgifte)

..,,
2.909.437.995,-
Bankassignaties

in

omloop …………………
1.633,14
Rekening-courant saldo’s:
‘sRijks Schatkist

…….t

761.639.783,65
Geblokkeerde saldo’s van

•.
banken

…………..

..

97.995.778,21
Geblokkeerde

saldo’s

van
anderen

…………..

..

29.002.783,93
Vrije

saldo’s

………..

..

506.4 54.236,57
1.395.092.582,36
,Diverse

rekeningen

…………………..

..
212.651.187,70

t

4.744.871.623,16

‘) Waarvan

sehatkistpapier rechtstreek

door
de Bank in disconto genomen

.
………t

1)
Waarvan an Nederlands-tndië
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad no. 99)

.
39.529.875,-
Circulatie der door de Bank namens de Staat in het verkeer gebrachte muntbiljetten ……

..
145.119.538,-

28 Juni 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

497

ZWEEDSE RIJKSBANIC.
(Voornaamste posf en in millioenen kronen).

Metaal

Staatsfondsen

t.’.

t

B’

It
Data
‘u

n
0
b,

31 Dec.

1946

839

532

1.544

504

284

94

1

182
31

Mei

1948

205

130

2.947

302

94

1

182
7 Juni

1948.i

204

130

2.904

306

90

182
15 Juni

1948

123

2.950

304

96

j

182

Deposito’s

.,.’

Direct opvraagbaar

0

t’
t)

t.’
Data


Cd

te’)

tel

.

400

)

1

..
0

1

,
Ul

31

Dec.

1946

2.8771

8751

706

.

94

230

1

174

1
31

Mei

1948

2.734 1

936

602

253

1

91

1

215

1

5
7

Juni

1048

2.6471

939i

588

247

1

101

1

222

1

5
15 Juni

1948

2.644

988

672

223

109.

234

DE NEDERLANDSOHE BANK.
‘Voornaamste posten in duizenden guldens).

0

t)
çl

te,

0
ee
o
-0
t)

0.4

0

.

30 Dec. ’46

700.876

4.434.786

100.816

103

153.109
10 Mei ’48

483.991

327.306

124.172

1

168.302
18

’48

483.640

339.800

127.314

150.350
24

’48

483.652

335.815

132.142

1

149.785
31

,,

’48

483.477

339.990

129.682

1

164.439
7

Juni ’48

482.744

328.940

158.037

1

. 149.440
14

,

48

482.446

338:062

145.814

1

1

146.374
21

,,

’48

482.260

321.995

164.189

10

1

145.075

Saldi in rekening-courant

,

o>


t

(l2
r.te
C1
Cd

30 Dec. ’46

2.744.151

1.099.855

90.071

4.3.706

590.158
10 Mei
1
48.2.919.415

709.077

97.852

26.612

‘482.885
18

’48

2.899.604

734.607

62.221

29.113

518.402
24

’48

2.891.990

780 762

49.836

26.818

537.913
31

,,

’48

2.947.391

778.917

45.578

25.659

503.197
7 Juni ’48

2.943.010

736.536

51.903

25.598

,578.198
14

’48

2.924.460

769.017

77.377

25.654

514.171
21

’48

2.909.438

761.640

97.996

29.003

506.454

NATIONALE BANK VAN BELGIË.
(Voornaamste posten In millioenen trancs).

0
0
4′

Data

,Cd
0ON

t)
‘0


c.tO
t..

0 0.

26 Dec.

1946

32.226

5.648

4.953

214

.698

49.158
12 Mei i 1948

26.591

12.113

6.884

851

307

52.601
20

1948

26.680

12.075

6.401

890

313

52.391
27

,,

1948

26.939

12.186

5.871

861

320

52.606
3

Juni

1948

27.116

11.728

7.380

882

306

52.626
10

,,

1948

27.158

11.571

8.774

838

314

51.706
17

,,

1948

27.237

11.942

8.682

643

332

51.031

‘)
0

Rekening-
courant saldi
.2.

o
.-

.n-

o

‘)
Data

.00

)
t4
Cd

2

Etti

14

4′
t)
/

0

«

0

ote
cla
0

Pq
t))

!
26 Dec.

1946

637

159.377

72.165

1

. 1 4.482

614
12 Mei

1948

637

166.910

7864$

2

1 6.210

T
486
20

1948

.637

166.268

78.054

6

‘1 6.178

486
27

,,

1948

637

166.484

77.856

3

1 6:413

484
3 Juni

1948

637

167.575

79.022

7

1 6.461

483
10,,

1948

637

167.066

78.889

6

6.837

483
17

,,

1948

637

167.494

78.301

4

6.889

482

‘) Waarvan 10.493 millioen frcs onbeschikbaar goudsaldo na her-
waardering van de goudvoorraaci (Besluitwet no. 5 van 1-5-1944).
‘) Waaronder begrepen de post ,,Emlssiebank te Brussel”, ten
bedrage van 64.597 millioen frcs.
‘) Deze post omvat: oude biljetten over te boeken op tijdelijk
onbeschikbare of geblokkeerde rekeningen en niet aangegeven
oude biljetten.

FEDERAL RESERVE BANKS.
(Voornaamste posten in millioenen dollars).

Metaalvoorraad

F
Data
Other

U.S. Govt
Totaal

Goudcer- 1

cash

securities
tificaten

31

Dec.

1946

18.381

17.587

268

23.350
27 Mei

1948

22.026

21.405

280

20.592
3 Juni

4948

22.076

21.455

245

20.683
10 Juni

1948

22.086

21.465

255

20.349

FfR.-bil-

Deposito’s
Data

jetten. in

1

1

Member-

circulatie

Totaal

Govt

L

banks

31

Dec.

1946

24.945

17.353

393

16.139
27 Mei

1948

23.588

19.477

1.788

16.901.
3

Juni 1948

23.741

19.416

1.567

17.094
10

Juni

1948

23.722

19.126

1.144

17.154

r

498

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1948
1

OVERZIChT DER .LAATSTE VIER VERKORTE BALANSEN VAN DE NEDERLANDSCITE BANK.

(in millioenen guldens).

Actief

data
3i-5-’48
7-6-’48 14-6-’48
9
.1-6-’48
Passief

data

0
.315’481
7-6
2
48
144248
21-6
2
48

Wissels,

promessen

en

20,0
20,0
20,0
schuldbrieven in diSconto
1)

‘)
Reservefonds

…………
12,8 12,8
12,8
12,8
Wissels,

schatkistpapier en

Kapitaal

……………..20,0

Bijzondere reserves

54,4
54,4
54,4 54,4
schutdhrieven

door

de
Pensioenfonds

……….
19,9

..

20,0
20,0
20,0
Bank gekocht

– –

Bankbiljetten

in

omloop
Schatkistpapier,

door

de
(oude

uitgiften)

………
121,7

..

_121,4
120,8
120,5
Bank

overgenomen van
Bankbiljetten

in

omloop
de

Staat

der

Neder-
(nieuwe uitgifte)

……
2.947,4

..

2.943,0
2.924,4 2.909,4
landen

ingevolge

over-
Bankassignaties in

omloop

0,2 0,2

eenkomst van 26 Februari Rekening-courant saldo’s:

.

1.800,0
1.800,0 1.800,0
1.800,0
‘s Rijks Schatkist
778,9
736,5
769,0
761,6
164,4k)
149,4
2
)
146,4
2
)
145,1
2
)
Geblokkeerde saldo’s van

Voorschotten aan het Rijk
– ‘



51,9 77,4
98,0

1947

……….

………

lloekvordering op de Staat
Geblokkeerde saldo’s van
der Nederlanden ingevol-
.
25,6 25,6 29,0

Beleningen

…. … …
……..

ge Overeenkomst van 26
Vrije

saldo’s

……….
503,2 578,2
514,2
506,5
Februari

1947 ……….
1.500,0 1.500,0
1.500,0

banken

…………..45,6

Diverse rekeningen
209,7
210,f
211,2e
212,7
Ilunt en muntmateriaal:

.

anderen

…………..25,7

Gouden-munt en gouden

1.5
.00,0

481,7 481,7
481,7
481,7
Zilveren munt, enz
1,8
1,0
0,7
0,0
muntmateriaal

………

Papier op het buitenland
.
340,0 328,9
338,1
321,9
regoed hij correspondenten

..

in het buitenland
123,8
152,3
140,0
158,5
BuitmL betaalmiddelen

.
5,9
5,8 5,8
5,7
Belegging van kapitaal, re-
serves en pensioenfonds
101,8 100,9
103,0
105,0
1ebouwen en inventaris
2,5 2,5 2,5
.
lt,5
Diver&e rekeningen
217,4 251,6
231,2
223,3

473′

4
.
774,1

4.750,0 4.744,9

4.739,3
4
.
774,1

.14.750,0
4.744,9
‘)
Vaarvan schatkistpapier
rechtstreeks door de Bank in disconto genomen
. . .
‘)


‘)

‘)


Circulatie

der

door

de
)
Waarvan aan Ned.-Indië

.
/
Bank

nameis

de

Staat

(Wet van 15-3-‘ 33 Staats-

in

het

verkeer gebrachte
blad

no.

99)

… . ……

.
)
39,5
‘)
39,5
‘)
39,5

‘) 39,5
muntbiljetten

…. . ……..

.
146,9
146,4
145,8
145,1

INLEGOINGEN EN TERUGBETALINGEN OP PARTICULIERE
SPAkRBOEKJES BIJ DE ALGEMEENE SPAAR- EN
LIJFRENTEKAS IN BELGIË
‘).
‘(in duizenden france)
Tijdvak
T

eggingen
Terug-
betalin-
gen Saldo

Tegoed der
inleggers aan
het einde
van het
tijdvak ‘)

1938
3.331.391
3.496.925

165.534
12.670.559
1946


5.213.361
3.828.538 1.384.823
19.823.453
1947
3
)
7.434.912
5
)
4.941.373
2.493.539
23.773.027
Januari
791.069
272.739
518.330
21.164.818
4
)
Februari
752.719
442.329 310.390
21.475.208
Maart
685.649
391.921
.

293.728
21.768.930
April
628.403 434.794
193.609
21.962.545
Mei
466.031
425.315 40.716 22.003.261
Juni
524.907
461.430 63.477 22.006.738
Juli’)
598.445
480.587 117.858
22.184.596
Augustus
545.504
386.402
159.102
22.343.698
September
580.403

365.898 214.505
22.558.203
October
647.343 339,953
257.390
22.815.593
November
556,266
341,954

214.312
23.029.905
December
658.173
548.051
110.122 23,140.027
1948
Januari
850.930
380.897
470.033
24.243.060
Februari
767.879 402.563 365.316
24.608.376
Maart
870.413
524.375
346038
24.954.414
April-
825.433 506.474
318.959
25.273.373
1)
Bron: ,,Studiën van de Algemeene Spaar- en Lijfrentekas”.
‘) Op het einde van het jaar inclusief gekapitaliseerde interest
van het dienstjaar.
‘) Van Juli 1947 af voorlopige cijfers.
‘)
Van Januari 1947 af inclustef inkoop van obligatiln van de
Muntsaneringsiening ad frs 823.035.000.
‘)
Exclusief inkoop van obligatiën van de Muntsaneringslening.


PRODUCTIE EN EXPORT VAN NATUURRUBBER
‘).

In 1.000
‘Productie natuurrubber
________
Export natuurrubber
long
tons
Indo-
nesië

Ma-
lakka
Totaal
Indo-
nesië
Ma-
lakka
Totaal

1941
650 600
1.600
636 573
1.510
1942
200
155
640
150
125
475
1943
.

100
75
465
75
75
360 1944
50 25
360
25
25
255 1945
10
8,6
250
4,3
51,6
250 1946
175
403,7
837,5
230
366,9
967,5
1947
275
646,4
1.260
285
640,1
1.232,5
1948
Jan.
27,5
62,1
125
27,5 61,5
115
Febr.
22,5
50,7 97,5 22,5
55,1
105
Maart
30
58,5 117,5
30
48,2
102,5
April
43,7

1)
Bron:
,,Rubber Statistical Bulletin”
van Mei 1948.
De ciffers
zijn schattingen.

MAANDCIJFERS.

GECOMBINEERDE MAANDSTAAT VAN DE VIER NEDER-
LANDSE GROTE BANKEN EN VAN HET NItDER-
LANDSE BEDRIJF
VAN
DE NEDERLANDSCHE
HANDEL-MAATSCHAPPIJ.
Nederl.

Nederi.
Banken

Banken
en Ned.

(In mlllioenen guldens)

Handel-Mij.

31
30
30

Maart-
1948
April
1948

I
31
Maart
1948
April
1948

Activa:
Kas, kassiers
en
daggeldleningen
82
61
97
78
.
2368
2945 3003

iW3
2429
3042
3081

Ned.

schatkistpapier

………..2311

Ander overheidspapler
27
27
133 134
Wissels.

………………….
3
7 7
Bankiers In binnen- en buitenland
.7
88
143
131
Prolong. en voorsch. tegen effecten
39 40 54 54

.3

166 158
337 326

434
407
533
500
Effecten en syndicaten
Deelnemingen (mcl. voorschotten)
18 30
16 29
22 42
20
41

Debiteuren

…………………

597
482
452
561

Gebouwen

………………….
Diverse rekenIngen

………….
12

12

17..

17
– –
Belegde bestemmingsreserven ..
..
1 1
t
1

30541 3052
1 39941 3986

Passlva:

2523
7
2504
12
3313
7
3262
12
203
216
270
295

Crediteuren

…………………
Wissels

……………………

Kassiers en genom. daggeldi.
4
9
4
9
Deposito’s op termijn
.
………..

Diverse rekeningen
87
77 105
109
Bestemrningsreserven
1
1

1
1

3688 2825
2819.
3700

Aandelenkapitaal …………….
Reserve

…………………..
155
74
157
76
203
91
205
93

3986
3054
3052
3994

Annonces, waarvan de tekst ‘s Maandags in ons bezit

is, kunnen, plaatsruimte voorbehouden, in het nummer

‘ian dezelfde week worden opgenomen.

/

23 Juni 1948

,
0

Q
0
‘o

,a.,,
t.,…,
o

:

25 Dec. ’46
0,2
1.449,1
1.450
1.428,2
22,1;
2 Juni ’48
0,2
1.299,3
1.300
1.245,0
56,0,
9 Juni ’48
0,2 1.299,2
1.300
1.249,4
55,3
16

Juni ’48
0,2
1.299,3
1.300
1.250,0
50,2e

Othersecurities
Deposits
“00

t.,
,,tj

0
ONE
r
.
t
o
.

25 Dec. ’46
1,3
.311,8
13,6
15,8
346,5
f0,3
278,9
2 Juni ’48
0,1
338,1
14,4
20,3
410,7
18,9
298,9.
9 Juni ’48
0,7
336,5
.15,8
19,4
405,2
12,2
302,1,
16

Juni ’48
0,7.
335,8
23,9
20,2
412,7
14,7
304,5,

BANK VAN FRANKRIJK.
(Voornaamste posten in millioenen francs).

0
Voorschotten aan de Staat
t.-
-t.,

ot
.
o
to
Data

0

t.)
0

o
t.)

u
4′
,f)

cd

26 Dec.

1946
94:817
118.302 426.000
27 Mei

1948
52.817
249.696
12
1.800
426.00d
3 Juni

1948
52.817
242.702

5a
.44967.900

12
1.800
426.000
10 Juni

1948 52.817
247.027
12
1.400
426.000

S

Bankbil-
Deposito’s
Data
Jetten In
cireulatie
Totaal
Staat
Diversen

26 Dec.

1966
721.865 63.658
765
62.693
27 Mei

1948
768.567
257.760
812
255.512
3 Juni

1948
797.040 237.038
756
235.141
10

juni

1948
797.671
227.794
761
225.471

DE KOLENPOSITIE VAN NEDERLAND
‘).
(in 1.000 lig)

1
Productie
,Ve,,,.J
rzonden
voor
Maand
Limburgse
binnenlandse
1
Invoer
mijnen
behoefte

Totaal 1946
8.313.827 6.387.903 2.666:502
Totaal

1947
10.104.345
7.778.585
3.577.564
Gem.

1966
692.819
532.325
222.209
Gem.

1947
842.029
648.215 298.130
Jan.

1948
954.020
694.217
208.550
Febr.

1948
869.419 646.250 244.269
Maart

1948 952.711
702.449
407.238
April

1948
961.346
743.402
21.1 .04
Mei

1948 838.631
2
)
606.095
2
)
198.498
2
)

‘)Bron: ,,Statis(ïch Bulletin van het C. B. S.”.
‘) Voorlopige gegevens.

IN- EN UITVOER VANNEDE1JLAND’

Invoer

.
Uitvoer
Saldo

Maand
Gewicht
Waarde
Gewicht
1
Waarde Waarde
in dul-
in mii-
in dul-

1
In mii-
In mii-
zenden
lioenen
zenden

1
lioenen lioenen
tonnen
guldens
tonnen

1
guldens
guldent

Tot.

’39

24.306
1.517 2.708
966

551
Tot.

’46
11.764
2.305 3.919
785

1.520
Tot.

’47
16.547
4.253
5.843
1.859

2.394
Jan.

’48
1.267
383
308
140

243
Febr, ’48
1.242
383
427
186

197
Mrt

’48
1.433
364
485
186

178
April ’48
1.732
402
704
204

198
Mei

’48
1.488
393 699
223

170

1)
Bron: ,,Centraal Bureau voor de Statistiek”.

t’4AAKT GEBRUIK
van de
rubriek
,,Vacafures”
voor
hei

oproepen van solliciianien voor leidende functies.

-49911

GEEN ZORGEN

in de vacantietijd omtrent de.veiligheid van
Uw

papieren

en

voorwerpen

van waarde!

Berg ze

in onze brand- en

inbraakvrije kluizen.

Nederlandsche

Handel-Maatschappij,
N.V.

Amsterdam: Vijzelstraat
32

Damrik 60

Minervaplejn
18
80
kantoren in Nederland!

Binnenkort verschijnt het 2e nummer yon de

jaargang 1948

• Economisch-

Statistisch

– Kwartaalbericht

Research uitgave van

het Nederlandsch Economisch Instituut

J’aarabonnementen f6,50

voor abonné’s E.-S.B. f5,-

Telefoon
38340,
Rotterdam

Giro no.
8408

Leest: Is SÖVJ[TINDUSTRI,E

klaar voor oorlog?

.en

‘Prof. Dr. H. W. Methorsi:

OVERBEVOLKING in NEDERLAND?

ULD

MO
N
W!, f;1,404
0

t

jRIE

o voO’

$OCL
342

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEI

DANK
VAN ENGELAND.

(Voornaamste posten in inilIioenen ponden).

ACCOUNTANTSASSOCIATIE.

KLIJNVELD, KRA’AYENHOF & CO.

vraagt voor haar kantoor Amsterdam

JONG ACCOUNTANT

LID N.I.v.A. OF V.A.G.A.

Sollicitaties te richten aan het kantooradres

TESSEISCHADESTRAAT 18, AMSTERDAM – WEST

Herplaatsing wegens missteUing

N.V.
Verzekeringsbank ,,Victoria” te Amster
‘dam, Keizersgracht 124-128, zoekt voor haar
afdeling Geidbelegging
0 –

EEN DOCTORANDUS IN DE ECONOM,

JURIST OF VERGEVORDERD ASSISTENT-

JCCOUNTAIiT, –

niet ouder dan 30 jaar.’

Kennis van beleggingszaken strekt, tot aan-

beveling. Schriftelijke sollicitaties met uitvoerige

toelichting van levensloop en studie (geen diplo-

ma’s insluiten!) aan de Directie.

GEMEENTE VELSEN
Burgemeester en Wethouders roepen sollici.
tanten op naar de betrekking van

hoofdboekhouder

in vaste dienst, bij de bedrijven Openbare Werken
en Reinigings- en Ontsmettingsdienst en het
Plantsoenbedrijf.
Vereist: Staatspraktijkdiploma voor Handel en Administratie, en/of Boekhouden M.O.; diplonia
Gemeentefinanciën. –
Jaarwedde: f 4700.— tot f 5500.—, te bereiken,
in 8 jaar.,
Gezegelde sollicitatieEf, gericht aan Burge-
meester en Wethouders, ‘in te zenden binnen 10
dagen na het verschijnen van dit blad.

Ondernemingen, die het beste leidende persotieel zoeken,

speciaal met economische scholing, roepen sollicitanten op

door middel van een annonce in do rubriek ,,Vacatures”.

lIet aantal reacties, die deze annonces tengevolge hebben

is doorgaans uitermate bevredigend begrijpeljk omdat er
bijna geen grote instelling is, die dit blad niet regelmatig

ontvangt en waar het niet circuleert . Opdrachten voor het

volgend nummer dienen 28 Juni a.s. in ons bezit to zijn.

N.V. BRONSWERK

AMERSFOORT

AMSTERDAM

ROTTERDAM

Afd.
Pijpleidingen

V/H BECHT & DYSERINCK

Afd.
Warmtetechniek

V/H HUYGEN & WESSEL

Afd.
Luchttechniek

V/H BECHÎ & DYSERINCK)

Afd.
Koeltechniek

V/K HUYGEN & WESSEL’

Afd.
Electrotechniek.

V/H HUYGEN & WESSEL

Land- en Scheepsinsfallaties-

I

Verzendt per.

VAN GEND & L00S_

Vervoer in één hand

door ‘t gehele land

maximum service, minimum kosten

r

Economisch – Statistische
Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
s,
Rotterdam (W.).
Telefoon: 1ëedactie 38040, Administratie 38340. Giro: 8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie,
14,
Universiteitstraat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hoochstraat 5 Rotterdam (W).
Bankiers: Banque de Commerce, Brussel.
Abonnementsprijs, franco per past, voor Nederland f 26 per jaar,
voor België/Luxemburg
1
28 per jaar, te voldoen door storting van de
tegenwaarde in francs bij de Banque de Commerce te Brussel. Overzeese
gebiedsdelen (per zeepost) en overige tanden fa8 per jaar. Abonnemen-
ten kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per
ultimo van het kalenderjaar.

Aan getekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor lVestzee-
dijk, Rotterdam (W.).

ADVEWrENTIES.

/
Alle correspondentie betreffende advertenties te richtèn aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven.
141,
Schiedam (Telefoon
69300, toestel 6).

Losse nummers
75
cents,
resp, 12 B. francs.

Auteur