Ga direct naar de content

Jrg. 23, editie 1158

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 9 1938

9 MAART 1938

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.

Ec
*
onomisch~Statstische

Bencht

i

en.

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

ORGAAN VOOR DE MEDEDEEUNGEN VAN DE CENTRALE COMMISSIE VOOR DE RIJNVAART

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

23E JAARGANG

WOENSDAG 9 MAART 198

No.
1158

COMMISSIE VAN REDACTIE:

GELD-, KAPITAAL- EN WISSELMARKT.

P. Lieftinuk; N. J. Polak; J. Tinbergen; F.
J6
Vries en

In de verslagweek is de handel op de wisselniarkt

S. Al. E. A. van der Valk (Redacteur-Secretaris).

van zeer geringen omvang geweest,
terwijl
ook de

fluctuaties binnen enge grenzen bleven. Het Egalisa-

tefonds heeft den Pondenkoers wederom op een
flhiflt-
Th. Van Luytelaer (waarnemend Redacteur-Secretaris),

mum van 8,96% gehouden. Men kan nu wel zeggen,

dat de koerspolitiek van het fonds definitief is om-

Redactie-adres: Pieter de Hoochweg 122, Rotterdam-West.
geschakeld op het Pond. Toen een aantal maanden

Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatweg.

geleden het Egalisatiefonds de aankoopen van Dol-

lars naar Sterling verschoof, was dat meer een tech-
Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408.

nische factor, die nog niet involveerde, dat de koers-

verhouding ook op het Pond werd gefixeerd. Integen-
Advertenties voorpagina f 0,50 per regel. Andere pagi-
deel maakte men uit den aankoopkoers van Sterling

na’s f 0,40 per regel. Plaatsing bij ibonnement volgens
0
1
)
, dat men in de eerste plaats een bepaald verloop

tarief. Administratie van abonnementen en advertenties:
van de Dollarnoteerin.g beoogde. Sedert korten tijd

echter is de koerszetting wel gehel op Sterling inge-
Nijgh
d
van Ditmar N.V., Uitgevers, Rotterdam, Am-
steld, en de Dollarnoteering fluctueert daardoor hier
sterdam, ‘s-Gravenhage. Postchèque- en giro-rekening
gelijk op met die te Londen. Nu is er ook in den

No. 145192.
Dllar heel weinig beweging. Aanleiding voor bijzon-

dere
sieculatiéve
beweging is er niet. Inflatie- en

in
Abonnementsprijs voor het weekblad franco
p
. .

devaluatie-gevaren zijn niet acuut. De vermindering

Nederland
f16,—.
Abonncmentsprijs Economisch-Statis-

liet sterilisatiedépôt van de schatkist heeft naar

verhouding fot de totale circulatie heel weinig be-
tisch Maandbericht f 5,— per jaar. Beide organen samen
teekenis.


f 20,— per jaar. Buitenland en Koloniën resp. f 18,,

In Fransche Francs is de beweging ook hetrekke-

f 6,— en f 23,— per jaar. Losse nummers 50 cent. Dona-
lijk gering, geweest, zoodat aan het eind van de week

teurs en leden van het Nederlandsch. Economisch Instituut
de koers weer ongeveer op het aanvangspeil stond.

ontvangen liet weekblad en het Maandbericht gratis
en
Voor Termijnfrancs is het aanbod per saldo iets ge-

genieten een reductie op de verdere publicaties.

ringor geworden, en de noteering iets verbeterd. De

speculatie begint, na geruimen tijd van betrekkelijk

– stabiel verloop van de contante noteering, min of

meer vermoeid te worden. De financieele zoowel als

INHOUD:

Blz.

de economische situatie in Frankrijk zijn echter nog

steeds wreinig overzichtelijk, en van een terugkeer
DE ARREID DER GEHUWDE
vaouw door
Mej. Mr. M.

• A.
Tellegen…………………………………174

Viii)
vertrouwen is dan ook nog geen sprake.

De gelclmarkt blijft nog uitermate ruim. De in-

Het ,,natuurlijk bestel” in het voor-ontwerp Rornme

trest op het langstloopende schatkistpapier (circa

inzake de arbeid van gehuwde vrouwen door
Mr. J.

3>
ji) is nog 1 pCt. Er is nog geen reactie merk-

Baert ……………………………………..175

btar onder invloed van het aanbod van nieuw mate-
riaal, dat gevonden is iii het lichten van een relatief

Industrie en crisislieffingen door
J. C. Reclelé …….. 176

kortloopend gedeelte uit leeningen, ter gelegenheid

van de conversie. Op zichzelf kan deze verschuiving

Belastingonderzoek door
ir. J. iII. 1. Reitsma ……..178

van objecten van de kapitaalmarkt naar de geidmarkt

natuurlijk tegemoet komen aan het tekort aan mate-
De kolenpositie in
1937 11 ……………………180

riaal op de geidmarkt, maar bij nadere analyse van

de situatie blijkt, dat door deze’ transacties de om-
BU.rENLANDSOHE MEDEWEI1KINO:
vang van de deposito’s weer verder aanwast, zoodat
Nieuwe richtlijnen der vervoerpolitiek in Zwitser-

het aanbod ter geldmarkt ook weer toeneemt.
land. I. De oorzaken van de crisis bij de spoor-

Op de beleggingsmarkt is cle stemming zeer vast,
wegen door
Dr. H. Blocli ………………….181

de nieuwe staatsleening staat bijna 2% pOt. boven

AANTEEKENINGEN:
den emissiekoers, men komt reeds weer met 3 pCt.

Wijzigingen in de statistiek van groothandelsprijzen
185

langloopende leeningen aan de markt, zoodat de ver-

wachting van hen, die het heleggersfront in verband

Statistieken:

met den grooten invloed der outsiders, •geen groot

Oeldkoersen-Wisselkoersen-Bankstaten
………………
185, 188

succes voorspelden, reeds eerder dan gedacht. was in
Groothandeisprijzen
…….. . ………………… . ………
186, 187

vervulling is gegaan.

174

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9 Maart 1938

DE ARBEID DER GEHUWDE VROUW.

Over het ,,wetsontwrp’ Romme”, waaniiede. ,ale-
ineen wordt aangeduid het voorontwerp eener wet

houdende beperkende bepalingen in zake arbeid vtt
gehuwde vrouwen, is reeds een heele literatiur ,pnt-
staan, althans dé artikelen, die er: over zijn yérsché-

nen, zouden een boekdeel van respectahelen – orvan
vullen. Onder deze geschriften is slechts een Qnkel,
dat de sociaal-ecoiomische kant van het .öntwr
behandelt; verwonderlijk weinig voor een wetsont-
werp, dat in de. eerste plaats ‘-toch een’tuk arbeids-
wetgeving inhoudt. Dit
S: ten dccle een gevolg van-
de omstandigheid, dat de miiistei in zijn meiiorie
van toelichting ter verdediging van zijn voorstel

vooral ethische beschouwingen ten beste geeft; het
economische element komt eerst aan de orde, . als..
verschillende uitzonderingen gemotiveerd – moeten
worden -.

Maar niet alleen het feit, dat de minister elf zijn

ontwerp in een andere sfeer plaatst dan de economi-
sche, maakt het moeilijk het uit sociaal-economisch
oogpunt te bezien. Dit is nog meer het geval, door
dat de feitelijke gegevens, waaraan het ontwerp zou

moeten worden getoetst, opdat
zijn
uitwerking ,op het
economisch leven zou kunnen worden beoordeeld, ont-
breken.

Men moet een groot aantal jaren in de geschiedenis
terug gaan om over den arbeid der gehuwde vrow

in Nederland belangrijke geschriften te vinden en
wel tot het ministerschap van Talma. In de jaren

1910-1913 werd het onderw’erp een en andermaal
behandeld. In 1910 werden voor de Vereeniging voor

cle Staathuishoudkunde en de Statistiek door Mej.
A. Polak, I. P. de Vooys èn Mej. Mr. E. 0. van

Dorp prae-adviezen uitgebracht over ,,de maatschap-
pelijke heteekenis van den arbeid der gehuwde vrouw
en de houding door de overheid aan te nemen tegen-
over dat vraagstuk”. , Eenige maanden later, in
Februari 1911, verscheen as uitgave van het Depar-
tement van Landbouw, Nijverheid en Handel .het ver-

slag van een door de arbeidsinspectie ingesteld on-
derzoek naar den fabrieksarheid van gehuwde vrou-
‘en in Nederland. Bij de behandeling van de Arheids-
wet. 1.911. werd het vraagstuk van clan arbeid der

gehuwde vrouw’ aan- de orde gesteld. En tenslotte
wijclde Mr. Olara Wichmann een belangrijk deel van
haar in 1913 verschenen boek. ,,Het vr.agstuk van
den bed rijfsarbeid der vrouw in Nederland” aan het
probleem van den gehuwde-vrouwen-rheicl.

Hoewel in de bovengenoemde geschriften steeds
gesproken werd van den arbeid der gehuwde vrouw
in het algemeen, concentreerde de aandacht zich toch
vooral op den arheid,van gehuwde vrouwen in fabrie-
ken en werkplaatsen en op dematerieele en moreele
nadeelen, welke speciaal deze arbeid meebrengt. Na-
deelen, welke door geen der zich met het onderwerp
bezighoudende personen werden ontkend. Zeer sterk

bleek echter steeds het . besef te zijn, .dat de beroeps-
arbeid ook van gehuwde ‘ropwen niet los kan worden
gezien van de geheele maatschappelijke ontwikkeling
en dat de taak van den wetgever vooral ligt in het
scheppen van voorwaarden, die den uit een sociaal
oogpunt o.ngewenschten arbeid verlichten en onnoodig
maken. –

De oplossing werd in de eerste plaats gezocht in
sociaal opbouwende maatregelen. Dat men verwachtte
daarmede reeds .veel te kunnen bereiken, vond ook
hierin zijn oorzaak, dat in Nederland in vergelijking
met andere landen cie omvang van den gehuwde-vrou-

wenarbeid gering was en sinds tientallen jaren een
dalende lijn vertoonde. Van een algemeen verbod van
den arbeid der gehuwde vrouw op principieele gron-
den vas vrijwel geen sprake. Wel werd’ beleit, dat
de overheid als werkgeefster geen gehuwde vrouweii
in dienst zou nemen.
In den oorlog•raakten deze vraagstukken geheel op den achtergrond. En toen na den oorlog cle arbeid der gehuwde vrouw weer teL sprake kwam, ging het aan-

vankelijk slechts om de verhouding van’ de o’rheid

als .werkgeefster tot de huwende ambtenares. In de
cisisjareh’ was de steeds ‘steiker wordende ii’erkloos-
heici oorzaak, dat op economische gronden een terug-
clrihgen van cle vrouw – en dan in de eerste plaats’
van de gehuwde vrouw – van de arbeidsmarkt sterk
werd bepleit. Uit dezen drang is voortgekomen de
;,
iT
et
in zake de verdeeling van den heschikharen ar-

beid 1937″, van 28 Mei 1937, S. 802, welke wet de
legeering de mogelijkheid biedt een ongewenschte ver-dringing’ van .manuelijke’; arbeidskrachten door vrou-

welijke tegen te gaan en een juiste ,verhoudin.g der
ve-schi1lede categorieën van arbeidskrachten te be-

vorderen. Sinds het optreden van minister Romme
heeft men echter over deze wet. niets meer gehoord.

Economische ordening op dit gebied is dezen Mi-nister ni. niet voldoende. Reeds enkele méanden. na

zijn ambtsaanvaarding voelde hij zich in staat en
bekwaam, om het vraagstuk van den heroepsarbeid der gehuwde vrouw in het algemeen aan de orde te
stelleë -.

En zoo verscheen dit voorontwerp.

* *
*

Een rustige,
zakelijke
beoordeeling daarvan wordt
door drie -factoren bemoeilijkt. In de eerste plaats
ve..,het ontwerp sterk affectieve reacties op, welke
een zakelijke heoordeeling van te voren reeds uit-
sluiten. Velé menschen gunnen zich niet de moeite
het ontwerp op zijn mérites te onderzoeken, maar
hebben a priori huïi meening klaar. Een dergelijke
houding ziet men bij tal van menschen, van wie men

een zoo lichtvaardig oordeelen allerminst zou ver-

wachten. – In cle tweede plaats is de vorm van het ontwerp
misleidend. Doordat dé stof geheel is behandeld als
arbeidsrecht, ook in. cle formeele uitwerking, wordt
bijna algemeen over het hoofd gezien, dat dit ontwerp
eigenlijk in het geheel geen arbeidsrecht inhoudt. Er

is hier geen regeling van den arbeid, noch een be-
scherming van de arbeidster tegen den werkgever,
maar er is een: bescherming van het gezin tegen de
werkende gehuwde vrouw. ,,Het gezin is een zoo
waardevol element in de maatschappij”, zegt de Minis-

tër, ‘,,clat’ubiar mogelijk in het algemeen belang tegen
ongezondn gezinsverhoudingen moet worden opge-tredefl”. Niet op het gebied van den arbeid, maar op
het gebied van de gezinsverhoudingen wil de minister
regelend èptreclen, op liet gebied van huwelijks- en
familierecht. Daarbij moet de werkgever hem echter
behulpzaam zijn. Niet aan de gehuwde vrouw wordt
nl. verboden te arbeiden, maar aan den werkgever
wordt vérboden een gehuwde of in concuhinaat leven-
de vrouw in dienst te hebben. Men mag de vraag
stellen, of hier niet een bedenkelijke verwarring van

rechtsbeg’rippen plaats vindt.
D’ derde reeds in den aanvang genoemde factor, is

het gebrek aan feitelijke gegevens, dat vooral van
belang is voor wie de zaak van den sociaal-economi-
schen ‘kant wil bezien. In 1911 beschikte minister
Talma -bij -de behandeling .va.n de. Arbcidswet over
belangrijk materiaal, dat de arbeidsinspectie te zijner
beschikking had gesteld. Thans, ontbreken deze gege-
vens. Voor de kennis van den omvang van den arbeid
der gehuwde vrouw beschikt men over eenige cijfers,
maar over den aard van dien arbeid, over de verhou-
dingen, ,waaronder, hij, – wprdt verricht,’ de gevolgen
voor de gezinnen, de gezondheidstoestand, enz., is

niets bekend.
Voor wat den omvang van den arbeid der gehuwde
vrouw betreft, zijn wij aangewezen op de cijfers van
de voikstelling 1930 en op de jaarverslagen van cie

arhéidsinspectie. I’1930 zijn ruim 1.516.207 gehuwde
vrouwen geteld, van wie 1.418.175 heroepsloos waren,

dl.w.z., dat
zij
het beroep van huisvrouw uitoefenden,
en hadden 98.032 of 6,4 pOt. beroepsarbeid buiten
het gezin.
Terwijl
bij de voikstelling van 1889 van
alo beroepsarbeidsters
25,1
pOt. gehuwd waren en
in 1909 23,3 pOt., was dit percentage in 1930 gedaald

9 Maart 1938

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

175

tot 18,9 pOt. Het totaal aantal gehuwde of gehuwd
geweest zijnde arheidsters in de industrie vormde in
1909 9,5 pOt.. en in 1930 0,4 pOt, van liet totaal der
in de industrie werkzame arheidsters.
Uit de jaarverslagen van de arbeidsinspectie kan
een indruk worden verkregen van den toestand in cle
industrie na 1930. Weliswaar geven deze cijfers geen
geheel juist beeld, omdat het aantal uitgereikte ar-
beidskaarten niet gelijk kan worden gesteld met het
aantal werkelijk arbeidende gehuwde vrouwen, doch
voor het verloop geven zij toch wel een zekeren in-
druk. Dan treft het, dat het aantal gehuwde vrouwei

in 1936 belangrijk lager is dan in 1930. In 1930 is
het aantal uitgereikte kaarten 14.920, in 1936 9.573.
Niet alleen toonen de opvolgende volkstellingen dus
een dalende tendenz, ook in de jaren na de laatste
volkstelling is van toeneming van arbeid der gehuwde
vrouw geen sprake en integendeel een belangrijke
tcruggâng vast te stellen.
Wat is er dan veranderd, dat minister Talma geen,
en minister Romme wèi aanleiding vond tot een ver-bod van den arbeid der gehuwde vrouw?
Veranderd is er sinds 1911 dit: dat de arbeid der
gehuwde vrouw’ thans ouder aanmerkelijk betere om-
standigheden plaats vindt dan in 1911: de arbeids-
duur is verkort, sociale wetten zijn ingevoerd en de algemeene gezondheidstoestand is verbeterd. Geldt
daarom wellicht thans niet meer wat de arbeids-
inspectie in 1911 schreef, dat de gehuwde vrouw uit
de arheidersklasse zich in het algemeen wijdt aan
dcii arbeid in het huisgezin, zoo noodig hijverdienste
in ongeregelden arbeid buiten fabriek en werkplaats,
of in huis-industrie zoekt en alleen dan naar de
fabriek gaat, wanneer dc nood in het gezin er toe
dwingt? Gelet op de cijfers kan men dit bezwaarlijk
aannemen.
Wil de minister nu alle arbeid van gehmvde vrou-
ven onmogelijk maken? –

Neen. In de eerste .plaats worden uitzonderingen toegelaten – in het belang van het
bedrijf.
Bij alge-
meenen maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde
soorten van arbeid blijvende afwrjkinge.n worden
toegestaan. Tijdelijke
– afwijkingen zijn mogelijk, wan-
neer het bedrijf het in den eersten tijd nog niet
zonder (leo arbeid van cle vrouw kan stellen en
voorts, wanneer speciale omstandigheden in het be-
drijfsleven daar aanleiding toe geven, zooals bijv.
seizoendrukte. De gehuw’de vrouw kan dan door de
arbeidsinspectie een arbeidsvergunning ontvangen.
Daarnaast zuilen groepsvergunni.ngcn kunnen w’orden gegeven voor bepaalde groepen van personen, w’aarhij

vooral is gedacht aan w’erkzaamheden in den landbouw.
Behalve het hedrijfsbelang, maakt ook het gezins-
belang afwijking mogelijk, ni., indien de vrouw de
kostwinster is of indien het gezin zonder de inkom-
sten van de vrouw niet zou beschikken over een zeker
bestaansminimum. Geen uitzondering kan worden
gemaakt in het belang van de vrouw zelve, noch in
(lat van het gezin, wanneer dat door andere factoren
dan finantieelen nood wordt bepaald. –
Acht de minister het oirbaar, dat in het hedrijfa-
belang of met het oog op den nood van het gezin
bepaalde groepen van gehuwde vrouwen beroepsarbeid
verrichten, andere groepen van gehuwde vrouwen zul-
len dit mogen doen, omdat hij blijkbaar geen kans
heeft gezien haar onder het verbod te betrekken. Mis-
schien omdat, behalve dan hij de schooninaaksters in
pârtieuliere huizen, er geen werkgevers zijn, die ver-
antwoordelijk gestêlcî künnen worden, en de vrouwen
zelve niet mondig genoeg worden geacht om de aan-
sprakelijkheid voor het nakomen van de wret te dra-
gen. Tot haar hehooren de hoofden van ondernemin-
gen, de vrouwen van hoofden van ondernemingen, de
vrouwen, die voor eigen rekening werken en de vrou-
‘en, die een zgn. vrij beroep uitoefenen. Voor een
deel
zijn
het, degenen, die onder de slechtste omstan-
digheden arbeiden: vaschvrouwen, marktkoopvrou-
w’en, huisnaaisters, pensionhoudsters, en voor een
ander deel, die in de gunstigste omstandigheden ver-

keeren: vrouwelijke artsen, advocaten, apothekers ed.
hier in een lijn van beginsel te ontdekken is niet ge-
makkelijk.
WT
a
t heteekent nu dit stelsel van uitzonderingen

in cijfers? Blijkens de volkstelling werkten in 1930
98.032 gehuwde vrouwen in beroepsarbeici en waren

van deze ongeveer 65.000 werkzaam als hedrijfshoofd
voor eigen rekening, of haar echtgenoot als zoodang

behulpzaam. Niet minder dan twee derden van dc

gehuwde vrouwen, die in Nederland heroepsa rheid
verrichten, blijven dus buiten de wet. Van cle overblij-

eenden vallen 5.300 er niet onder, die in huiselijken

(iiellst arbeiden, is van de ruim 3.000, die hij het

onderwijs werkten, reeds een groot deel ontslagen,

moeten vervolgens w’orden afgetrokken alle vrouwen,
die in een vrij beroep arbeiden en tenslotte nog alle
vrouwren, voor wie bedrijfsbeang of economische nood
vool
:t
ze
tti
ng
van den arbeid noodig zullen maken.
Wat overblijft, en hoe groot dit aantal is, kan door

het volkomen ontbreken van gegevens moeilijk vor-

den geschat, zal dan haar tol aan het ,,natuurlijk
l)estel” moeten betalen.

Dit zullen echter niet zijn ,,de huismoeders, die
zich door het karig loon van haar man gedwongen

zien, buitenshuis voor den kost te gaan werken zon-
(lat haar eigenlijke zorgen en plichten, met name dc

opvoeding der kinderen, worden verwaarloosd.”
(QuadragésimQ -anno). Mr. M. A.
TaLLECEN.

HET ,,NATUURLIJK BESTEL” IN HET VOOR-ONTWERP

ROMME INZAKE DE ARBEID VAN GEHUWDE

VROUWEN.

De huishouding van de moderne mens valt dnide-
lijk u ïtéin in tw’ee delen : de verwcrfhuishouding
0 en
d& bcstedingshuishouding. Onder de eerste is dan te
verstaan elk handelen van dc mens gericht op het

verwerven van een geldinkomeni. Dit inkomen kan
verkregen w’ordcn uit arbeid- (loon, salaris, honora-

rium, ‘w’inst) of tnt bezit (rente, pacht, dividend).
Nauwelijks Js evenwel zulk een inkomen binnen of
het moet worden uitgegeven. Dc overwegingen, waar-

aan uien dit inkomen, liet best kan besteden en dat

hested en zelf noemen we de bested i ngshui shou ding.
Oppervlakkig hcschouw’cl zou men kunnen menen,
dat in een gezin de vader de verw’crfhuishouding ver-
zorgt cmi de moeder cle bestedingshuishouding.

Toeh
J
5
(leze zienswijze maar zeer gedeeltelijk w’aar.
Er zijn tal van gezinnen waar de moeder behalve liet
bestir vCn de bestedingshuishouding nog een flink
aandeel van de verw’erfhuishouding voor haar rekè-

iming neemt. In nagenoeg alle .bocrengezinnen helpt cle vrouw mee in het bedrijf. En het aantal van zulke
gezinnen is niet gering.

Volgens cie ,,Verslagen en Itlededeelingen van dc
Directie van den Landbouw” 1935 No. 3 was in 1.930
het aantal grondgebruikers met minstens 1 ha ‘grond
234.1.45
k
waarbij dan – nog kojen. 7.446 tuinbouwers

niet minder dan 1 ha. Gevoegelijk kan w’orden aan-
genomen, clatal deze grondgebruikers en- tuinhouw’ers
gehuwd zijn. Niet vele boeren blijven ongehuwd.
juist onidat de vrouw zulk een steun is in liet be-

cirijf, is trouwen voor een boer een economische nood-
zakelijkheid. Dat wil dus zeggen, dat in de landbouw
ten naastebij 234.145 + 7.446 = 241.591 vrouwen
naast het leiden der bestedingshuishouding medehel-
pen in de verwerfhuishouding. Maar hierbij blijft

het niet. Niet alleen een boerenbedrijf is goeddeels
afhankelijk van de vrouw, ook een w’inkel is aan-

gewezen op haar bijstand. Volgens de bedrijfstelling
van 1930 nu waren er 105.398 winkels. Het aantal
grote magazijnen niet veel personeel is betrekkelijk
gering; liet zijn er nog geen 1.1 .000 met meer dan
tien bedienden.

1)
Voor dit Gem

mnanisme is geen goed Nederlands woord
gevonden, dat hetzelFde uitdrukt.

176

ECONOMISCHSTATISTISCHE BERICHTET

9 Maart 1938

• Nemen wij aan, dat alleen in clekleine winkelzaken

de vrouw meeheipt dan is een schattiig van 75.000

vrouwen, clie hun man bijstaan in cle winkel ter ver-

werving van een inkomen niet te hoog

Andere bedrijven, waar een groot aantal vrouwen

zonder twijfeln belangrijke mate hun steentje bij-

dragen bij de inkomensvormiiig, zijn b.v. het kappers-

bedrijf en het hotelwezen. Daarbij kan men dan nog
voegen de vrouwen van de ruim 43.000 landarbeiders

met minder dan 1 ha grond te hunner eigen beschik-king. In totaal schat ik het aantal gezinnen, waarin de

vrouw een functie vervult in, de verwerfhiishouding

van de man op 400.000.

De mogelijkheid, dat man en vrouw samenwerken

bij de inkomensvorming bestaat slechts, indien de

man thuis een eigen bedrijf heeft. Is de man in loon-
dienst en verricht hij zijn arbeid buitenshuis in fa-

briek of op kantoor dan rest der vrouw slechts de

verzorging van de bested ingshuisho uding.

De toeneming van de industrie, het verkeer en het

bankwezen is oorzaak, dat de gehuwde vrouw steeds

niinder gelegenheid krijgt met de man in één econo-
misch verband de kost te verdienen. Maar zo iets

,,natuurlijk” is, is dat niet de arbeidsscheiding van

man en vrouw en de internering van de laatste in

de bestedingshuishouding, doch veeleer moet als ,,na-

tunrlijk”, want oorspronkelijk, worden aangemerkt de

drang van de vrouw mee te helpen. het gezinsinko-

men te vergroten.

Het beroep, dat minister. Homme doet op het ,,na-

tuurlijk bestel” is kortzichtig. Te allen tijde heeft de

huisvrouw gezwoegd mèt .de man om het gezin te

onderhouden zowel op het platteland als in de stede-

lijke kleine bedrijven. Eerst de opkomst van indus-

trie, verkeer en bankwezen roëpt de scheiding tussen
de arbeid van de man en die zijner vrouw in het
leven. Dit laatste nu een ,,natuurlijk bestel” te

noemen
is
onhistorisch en willekeurig.

Er zijn in Nederland ongeveer 1.500.000 gezinnen.

In pl.m. 400.000 daaivan werkt de vrouw als van-

ouds in het
bedrijf
mee ter vergroting van het in-

komen.
WTat
moet nu geschieden met de w’elvaarts-

drang der gehuwde vrouw, van wie de man nu in
fabriek of op kantoor werkt? Gefnuikt, zegt minister

Romme. Zij dient haar krachten aan te wenden in

de beperkte bestedingshuishouding; beperkt in twee
opzichten ni. de vrouw verwerft niet meer mee, zo-
dat er ter besteding minder aapwezig is en boven-
dien is de huishouding zelf in hoge mate vereen-
voudigd tengevolge van de moderne zakelijkheid en

de elctrisc]ie apparaten. Ongeveer één millioen ge-
huwde vrouwen zien, zich deze begrensdd taak opge-
dragen. In liet oorspronkelijk • bestel liggen twee

omstandigheden opgesloten:
de vrouw werkt mee,

zij doet dit thuis in het bedrijf van de man.

Indien nu de voortschreidende techniek de man
uit huis haalt en de vrouw terugdringt tot de beste-

dingshuishouding kan men dat toch moeilijk een
,,natuurlijk bestel” noemen zonder de historische taak

van het gezin te miskennen. Meer natuurlijk is het
als de vrouw meestrijdt om het gezin maatschappe-
lijk te doen slagen door de middelen ruimer te doen

vloeien.
De naar schatting 12.000 gehuwde vrouwen, die in
loondinst zijn, kan men ook zien als een groep, die
zoveel doenlijk het oorspronkelijk bestel tracht te
handhaven te midden van de gewijzigde economische

omstandigheden.
Daarom is het te hopen
., dat het voor-ontwerp

Romme geen ontwerp, in elk geval geen wet wordt.
Wi,j dienen het aan de gehuwde vrouwen, die niet
behoren tot de 400.000 medewerksters in het gezins-
bedrijf, zelf over te laten of zij het ,,natuurlijk” vin-
den zich fe beperken tot de bestedingshuishouding
dan wel daarnaast iets ter verwerving van het inko-
men bij te dragen.

Mr. J.
BÂERT.
INDUSTRIE EN CRISISHEFFINGEN.

Toen in 1932. van Regeeringsw’ege de eerste maat-

regelen getroffén werden met het doel een totalen

ondergang van onzen landbouw te voorkomen, heeft

niemand voorzien en niemand heeft ook kunnen den-

ken, dat de toen heerschende buitengewone omstan-

digheden in 1938 nog zouden voortbestaan, en zelfs

niet nauwelijks betere verhoudingen in het vooruit-

zicht.

,,Orisis-maatregelen” heette het toen, en de maat-

regelen waren incidenteel gedacht.

Het incidenteele is sinds lang voorbij, en het prae-

dicaat ,,cr.isis” kan langzamerhand gevoegelijk worden

geschrapt.

Zoo is Nederland geleidelijk in het bezit gekomen

van een nieuw, zeer
omvangrijk,
semi-officieel Regee-

ring5-a)paraat. Iets, in het verleden geheel onbekend.

Een apparaat, dat door machtsdelegatie diep ingrijpt

in de rechten, en vooral in de plichten van liet

Nederlandsche volk.
T-let laatste w’oord is daarbij wel steeds aan den

Minister, maar de drang der omstandigheden hein-
vloedt diens beslissingen natuurlijk ten zeerste, en

wel in de richting van de meerderheid
zijner
advi-

seurs, dus in den geest dergenen, die de landbouw-

crisis-maatregelen moeten leiden, ën te wier gunste

zij zijn tot stand gekomen.
Ik hen niet beducht voor tegenspraak, als ik be-

weer, dat in heel Nederland slechts enkelen den weg

kennen in liet complex, ik kan wel zeggen in het

labyri nt, van deze landbouw-crisisvoorschrifteh. Zelfs

kunnen slechts zeer weinigen zich een voorstelling

maken van den omvang dezer materie.

De op cle Landbouw-Orisiswet steunende Konink-

lijke Besluiten en de weer op deze besluiten geba-
seerde Ministerieele beschikkingen zijn in de uitgave
van liet Landbouw’crisishureau opgenomen in 4 boek-

deden, niet een gezamenlijken inhoud van meer dan
4.400 bladzijden! En nog elke maand groeit deze ver-
zameling verder aan.
Het zou dan ook praetisch onmogelijk zijn het

Parlement in dezen daadwerkelijk in te schakelen,
maar. . .. de bevoegdheid te delegeeren, met als ge-
volg, dat, zooals de ervaring leert, de belangen. van
den landbouw soms zwaarder worden geteld dan die

der bij de landbouw-crisis-maatregelen betrokken in-
dustrieën, heeft toch ook zijn schaduwzijden.
D.it wordt door hen, die de aanslagen moeten

ondergaan, sterk gevoeld. De macht, die over hen kan
worden ui.tgeoefend, beklemt soms, niet de noodzake-
.lijke ontstemming der getroff enen als gevolg.

Hoever die macht zich uitstrekt, hoe diep deze ten slotte blij
“‘end
ingrijpt
in de huishouding van ons

volk, heef t aanvankelijk niemand kunnen vermoeden.
De buitenstaander kan er zich slechts eenigszins
rekenschap van geven als hij bedenkt, dat niet min-

der dan
f
10.000.000 nioet worden uitgegeven voor de
uitvoering van en de contrôle op de gemaakte ver-
ordeningen tot steun van den landbouw. Een leger moet op de heën gehouden worden – gelukkig dit-
maal een leger van ambtenaren – die creëeren,

regeeren, decreteeren, administreeren, inspecteeren,
controleeren, adviseeren, verbaliseeren, en waar noo-
dik, condemneeren.
Iedere aparte grop dan op eigen terrein, zooveel
mogelijk steeds onafhankelijk van elkaar, een ieder
vol besef van eigen zelfstandigheid.
Ik geef toe, dat het in de gegeven omstandigheden
nit anders mogelijk kan zijn. Eigener eraring weet

ik, dat de Nederlandsche ambtenaar, en ook hier de
emi-rijksambtenaar, zeer plichtsbetrachtend is, en
01)
lofwaardige wijze zijn taak verricht, maar dat vele
hij de uitvoering betrokkenen gebukt gaan onder al
dat ;,Gemassregel” en de opgelegde lasten, wordt dit
Wel in voldoende mate begrepen? Beseft de Overheid
wel steeds voldoerde de nadeelige gevolgen van den te
verleenen steün, welke ons volk, onzen handel, onze

9 Maart 1938

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

177

levensm i ddelen-i ncl ustrie zwaardere lasten oplegt dan

in elk ander land ter wereld?
Ik denk daarbij aan den ongunstigen invloed van

cle crisisheffingen
01)
de kosten van levensonderhoud

en aan het sterk ingrijpen door de Overheid in het

Vrije bedrijfsleven.
Dit geldt niet alleen voor den landbouw zelf, die,
zooals bekend, door de crisis-wetgeving aan handen

en voeten gebonden is, maar ook voor tal van onder-

nemingen op het gebied van handel en nijverheid.

Zij zijn in het systeem van de landbouw-crisis-poli-
tiek soms zwaar betrokken, en door velerlei regelen

aan banden gelegd.
Speciaal geldt dit voor (te industrieën, clie land-
bouwproducten als grondstof verwerken. Deze zijn

door de landbouw-politiek in een benarde positie ge-

bracht.
In vele gevallen is het voor de voedingsmiddelen-
inc1ustre clan ook zeer moeilijk gebleken de veelal

hooge crisisheffingen op (ie verbruikers te verhalen.
Toor het artikel brood bestaat deze moeilijkheid
in mindere mate, omdat het verbruik niet zoozeer

door den prijs van het brood wordt beïnvloed.
Bij een artikel als bv. biscuits, dat als allergoed-

koopste versnapering vlak op de grens van levens-
behoefte ligt, staat de zaak echter geheel anders.

immers, zelfs een kleine prijsverhooging heeft onver-

mijdelijk een teruggang in het bedrijf ten gevolge.
Dc waarde van de grondstoffen van een volkshis-
cuitje, op basis van de wereldmarktprijzen der grond-

stoffen, is thans per 100 kg.- f 10,25.
Aan la ndboowcri si s-heffingen moet hierop echter

ongeveer
.f
7,30 worden betaald. Daarbij komt nog cle
suikeraccijos il f24,75 per 100 kg., en het invoer-
recht op suiker á f2,40, waardoor in totaal aan hef-

fing en accijns
f
12,45 moet worden opgebracht per

100 kg. Een belasting dus van ruim 120 pOt. der

waarde van de biscuitgrondstoff en.

Dat het artikel minder aftrek vindt
bij
de Neder-

lan dsche huisvrouw, wegens de abnormale verhouding
van de waarde van het product, en den prijs, dien
het moet opbrengen, behoeft wel geen nader betoog.
Dat de te hooge prijzen ongunstig reageeren op
dezcn :industrietak, blijkt wel hieruit, dat het verbruik

van biscuits in ons land in 1937 met ongeveer 17
pOt. bleek te zijn verminderd.
1)

Deze vermindering klemt te meer voor een indus-
trie, clie haar winstgevenden export door andere in-
vloeden heeft zien terugloopeti. Eens was Nederland
voor biscuits het 4e exporteerende land van de wereld.
Dat door het kwijnen van deze industrie, clie in

de goede jaren aan duizenden werk verschafte, veel
werkwilligen worden uitgeschakeld, is een omstan-

digheici, die ook niet uit het oog mag worden verloren.

De geschetste moeilijkheden, vinden haar oorzaak
in cle wijze, waarop cle middelen van den landbouw-
steun moeten worden opgebracht. Het Landbouw

1)
Ook indien men een vergelijiking maakt tussohen ons
land en België blijkt, tot welk een abnormale’n omvang
de lasten in Nederland zijn opgesc’hroekl. Immers wij zien
dan, dat de prijzen vali dezelfde soorten biscuits in Ne-
derlaijd tot die iii het naburige België zich venhonden als
volgt:
goedkoopste soort in België
………
30-37
Nederland
………
50-64
iets duurdere soorten België
………
40-55
Nederland
………
64-70
betere droge biscuits: België
………
49-73
Nederland
………
80-90
ijswafels
………..
België
………
40-55
Nederland
………
70-410
boudoirbiscuits
….
België
………
49-73
Nederland
……..
ll0–150
Dit groote prijsverscihil
wordt
in hoofdzaak veroorzaakt
door de hooge heffingen op de grondstoffen. In België
géda meelbelasting, géén vetbelasting, en een suikerbe-
lasting van slecht,s
Pas. 160,
t.w. Prs.
100
crisisheffing
en Frs.
60
acei.ins.

Crisis-Fonds, waaruit de steun aan den landbouw

wordt bestreden, sluit, blijkens de raming voor het

jaar 1938, met een totaal bedrag voor den gewonen

dienst van rond f 144.000.000.
Dit enorme bedrag betaalt het Nederlandsche

publiek voornamelijk via en si sheffingen op levens-

mi dclelen.
Indien wij deze materie echter nog nader bestu-

deeren, dan blijkt, dat de basis, waarop de steun-

gelden voor den landbonw moeten worden opgebracht,

wel heel erg smal is. Terwijl cie inkomsten van het

Landbouw-Ons is-Fonds in totaal rond f 144.000.000
bedragen, wordt alleen reeds door de verbruikers van
graan, graanderivaten, zuivelproducten, vet, olie cii

suilcer rond
f
115.000.000 opgebracht.
In een aantal gevallen blijkt verder de opbrengst

van een crisisheffing hooger te zijn dan nooclig is
om den steun op cle betreffende landbouwproduc:ten

te kunnen betalen.
Enkele crisisheffingen, welke voor een bepaald doe]

zijn ingesteld, leveren daardoor een batig saldo øp,

zooals bv.:

f
10.627.000,—
saldo ta.rwesteu n,
14.400.000,—
saldo andere granen,
8.400.000,—
saldo steun suikerbieten,

f
33.427.000,—.

Uit deze voordeelige saldi wordt clan o.m. cle steun
aan den tuinbouw en. aan cle kleine boeren betaald,
maar ook hiermee illustreern wij, hoe smal de basis
is, waarop onze Regeering de steunverleening aan

den landbouw heeft opgetrokken.
immers, de verbruikers van brood, biscuits, suiker,

enz. moeten door middel van de crisisheffingen niet

alleen den steun op de tarwe en de suikerbieten be-
talen, maar bovendien totaal andere uitgaven uit het
Landbouw-Crisis-Fonds, welke met tarwe of suiker-

bieten niets hebben uit te staan.
Ook valt het op, dat uit het Landbouw-Crisis-

Fonds tal van uitgaven worden gedaan, die feitelijk
niet of slechts in verwijderd verband kunnen worden
gebracht met de bijzondere omstandigheden, waarin
cle landbouw tengevolge van de crisis is komen te

verkeeren.
De moeilijkheden van de kleine boeren liggen
hoofdzakelijk op sociaal gebied. Niettemin wordt
voor deze bevolkingsgroep een bedrag van 3Y2 mil-
lioen op de hegrooting van het Landbouw-Crisis-

Fonds gebracht.
Of daarnaast kosten in verband met den afzet van
zuivelproducten, in verband met stal-inspecties en in
verband met tuberculose-bestrijding onder het vee,
uit de opbrengst moeten worden betaald, kan even-

zeer worden betwijfeld.
Door het thans gevolgde stelsel van landbouw-
crisis-politiek wordt een bijzonder zware last gelegd
op het allerarmste bevolkingsgedeelte. Echter ook
tal van industrieën, die toevallig met producten van
den landbouw hebben te maken, worden, zooals hier-
boven reeds aangetoond, in haar bestaan bedreigd.

Op deze onhillijke eenzijdigheid wees ik reeds.
Een oplossing zou m.i. zijn, indien de Regeening,
zoo lang er steun aan den landbouw moet worden
geboden, op andere wijze dan uitsluitend via crisis-

heffingen op levensmiddelen ciezen bijeen zou kunnen

brengen.
Tjj
weten echter reeds, dat het subsidieeren van
den landbouwsteun uit de algemeene landsmiddelen
als onmogelijk door de Regeeriiag wordt van de hand

gewezen.
Maar toch mag men zich afvragen, of het werkelijk

onmogelijk is aan de crisis-steun-regeling een breedere
basis te geven, waarbij de heffingen niet uitsluitend
door slechts een beperkt aantal voedingsmiddelen
worden opgebracht.
Is het niet alleszins redelijk om te vragen, dat van
een product geen hoogere belasting wordt geheven

dan
in
verband met de steunmaatregelen voor het be-

178

ECONOMISCH-STATISTISCHE.BERICHTËN

9 Maart 1938

trokken product noodig is? De heffing zon alsdan

beperkt blijven tot een prijscompensatie.

Een artikel zooals su:iker – dat reeds zoo zwaar

belast is met accijns – zou dan alleen belast worden
met een zoodanig bedrag als noodig is voor den suiker-

bietensteun, en niet daarenboven een nog grootere

bijdrage behoeven te leveren voor steu.n aan. .anderë
producten.

Tegelijkertijd zal meer dan ooit aandacht moe-

ten worden besteed aan de vraag, of de steun aan den

landbouw thans niet tot geringere proporties kan
worden teruggebracht, om ook zoodoende de moge-

lijkheid te scheppen voor verlaging van.de landbouw-
crisis-heffingen.

Hoe het zij, deze verlaging is van een vitaal belang
voor onze geheele samenleving. De kosten van levens-
onderhoud zouden daarvan immers een gunstigen

invloed ondervinden, en de looneischen zouden min-
der dringend worden.

Niet het minst zou een dergelijke politiek met
dankbaarheid worden begroet door die industrieën,
die ineer in het bijzonder
hij
de landbouw-crisis-maat-
regelen zijn betrokken: J. C. RcÉ.

BELASTINCÖNDERZOEK.

In Economisch-Statistische Berichten van 23 Fe-

bruari 1938, wijdt de oud-Thesaurier-Generaal, Mr.

Dr. A. van Doorninck, enkele retrospectieve be-

schouwingen aan de bulastingopbrengsten van het
Rijk in 1937. Aan dit overzicht knoopt deze gezag-

hebbende kenner der Nederlandsche Openbare Fi –

– nanciën enkele opmerkelijke suggesties over moge-lijke toekomstige richtlijnen voor de Nederlandsche
belastingpolitiek vast. Deze suggesties zijn te belang-
rijk en te merkwaardig om hier niet even herhaald
te worden:

,,Wanneer de begrootin.gs’tekorten voortduren, stelt ieder
zich tevreden met de overweging dat de stand van het budget verzw.aring niet toelaat en men laat na er zich
voldoende rekenschap va.n te geven
of
en in hoeverre die
tekorten juist door een tedrukkende belastingheffing wor-
den in de hand gewerkt. Toch kan dit laatste zeer gemak-
kelijk het geval zijn en een nader onderzoek omtrent de
ecouomisuhe werking der verschillende belastingen schijnt
dan ook’ in. de tegenwoordige omstandigheden dringend
geboden.”

De heer Van Doorninck preciseert vervolgens zijn
bedöeling, betreffende dit onderzoek, eenigszins
nader, om te besluiten als volgt:

,,Een dergelijk onderzoek zal voorts vermoedelijk wel
duidelijk in het licht stellen, dat het economisch niet juist
is te beweren, dat
de
indirecte belastingen in verhouding
tot de directe te sterk zouden zijn verhoogd. Ook met be-
trekking tot de economische werking van cle progressiebij
cle directe belastingen, zou een onderzoek als hier be-
doeld leerzaam kunnen
zijn.”

Een onderzoek, zooals de, heer Van Doorninck
beoogt, zou dus neerkomen op een berekening de.r
elasticiteitscoëfficiënten der verschillende belasting-
tarieven, welke berekening zeer ver gedetailleerd zou
kunnen worden en die zich zou kunnen uitstrekken
tot bijv. elk inkomens-interval, waarvoor de belas-
tingdruk per eenheid van inkomen constaat is.
Over dit onderwerp heb ik in April of Mei van
het vorig jaar toevallig reeds enkele algemeene be-schouwingen op schrift gesteld, doch deze nog niet
gepubliceerd.
Door het belangwekkende en stimuleerende artike’
van den heer Van Doorninck, verkrijgen deze be-
schouwingen thans opeens actueele beteekenis en
wellicht vindt men er eenige gedachten in ontwik-
keld, die door anderen opgenomen en verder geleid
kunnen worden. Trouwens, door de Memorie van
Antwoord aan de Eerste Kamer over de begrooting
van Financiën, van 25 Januari 1938, is het vraag-
stuk der juiste ,,belasting-doseering” in het brand-
punt der openbare belangstelling’ komen te staan. Van alle kanten is er twijfel gerezen of de diverse

belastingen wel op de. meest doelmatige, rationeele

en vruchtbare wijze ,,gedoseerd” worden en het ver-
dient stellig aanbeveling, hiernaar een onderzoek te
doen. instellen.

Aan.,- iedere belastingheffing moet men twee

eischen kunnen stellen. Ten eerste moet de heffing
hillj.k en redelijk zijn, m.a.w. er moet een goede

rechtsgrond zijn en er moet naar draagkracht ge-

heven worden. En ten tweede, moet de heffing doel-
matig en efficient zijn, d.w.z., zij moet het benoo-
digd bedrag opbrengen met zoo min mogelijk inspan-

ning van fiscus en belastingplichtige.
Aan het eerste criterium is in de literatuur en

in de parlementaire beraadslagingen over het alge-
meen wel voldoende aandacht gewijd, doch aan het
tweede criterium heeft men over het algemeen nbg

niet die belangstelling geschonken, welke het onge-
twijfeld verdient.

• – Evenmin als aan den eersten eisch, voldoet iedere
belasting aan het tw’eede vereischte. Dit laatste is
echter zoo mogelijk nog noodiger dan het eerste,
want zou de burgerij geplaagd worden met een be-
lasting, welker rechtsgrond zwak is of welke buiten

vêrhouding of buiten verband tot de draagkracht

gêbeven wordt, dan is het in elk geval van het

grootste belang, dat de benoodigde opbrengst met
het lgst
mogelijke
tarief en met de minste per-
ceptiekosten gepaard gaat.

Wanneer men de opbrengst ‘eener belasting voor-
stelt als een functie van het tarief dier belasting
(d.w.z., wanneer men een z.g. ,,tarief-opbrengst-

diagram” vervaardigt), dan krijgt men in het alge-
meen een curve van cle volgende gedaante:

Onelostisch geb

Elostisch –

gebied

TarieF’

Daar, waar de, opbrengst maximaal is, staat de
letter M. De. tak, links van M tot den oorsprong 0
der grafische voorstelling, is het z.g. –
onelastische

deel cii de tak, rechts van M tot beneden aan toe, is
het z.g.
elastische
deel, der curve. Bevindt men zich
in het onelastische gebied der grafische voorstelling
(d.w.z. links van de loodlijn door M), clan neemt
de opbrngst der bèlasting toe bij een toenemend
tarief, doch in het elastische gebied, dat rechts van
genoemde loodlijn ligt, neemt dle belastingopbrengst
af met een toenemend tarief.
Zuivere proportionaliteit ,tusschen tarief en op-
brengst, vindt men slechts in de nabijheid van 0.
Was de opbrengst precies recht evenredig met het
tarief, dan zou de opbrengstcurve voorgesteld wor-
den doör een rechte stijgende lijn, welke door het
punt 0 gaat. Bij ‘,zeer lage” tarieven (d.w.z. laag
ten opzichte van het maximum-opbrengst-tarief) zien
wij inderdaad de ‘opbtengst procentueel ‘even sterk
toenemen – als men het tarief laat stijgen. Een 10-,
50- of 100-procents stijging van het tarief, zal in
die gevallen correspondeeren, met een 10-, 50 of 100-
procents toeneming van -de opbrengst. Laat men
echter de ,,zeer lage” tarieven steeds meer en meer
stijgen, dan neemt de opbrengst – analoog aan de
bèkende Wet der verminderende méérophrengsten –
geleidelijk minder procentueel toe dan het tarief.
Met andere – woorden: de opbrengstcurve buit ge-
leidelijk meer en meer af van de, oorspronkelijke

9 Maart 1938

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

179

stijgende rechte lijn, welke door het punt 0 gaat en

het zuivere proportionaliteitsgeval van tarief en op-
brerigst uitbeeldt. Deze oorspronkelijke stijgende lijn
wordt dus do
raaklijn
aan de opbrengstcurve in het
punt 0. Voor de relatief zeer lage tarieven is do

opbrengstcurve identiek met deze raaklijn; doch ook

voor de iets hoogere tarieven is zij practisch vol-
doende identiek met de stijgende, rechte
lijn
door 0.
Iedere horizontale rechte lijn AB
snijdt
de op-

brengstcurve in twee punten, A en B genaamd. De
verticale afstand tusschen deze willekeurige horizon-

tale lijn en de horizontale tariefas stelt een bepaal-
de belastingopbrengst voor. Iedere belastingop-
hrengst, uitgezonderd de maximale, wordt dus bij
twee tarieven bereikt, ter grootte van 00 en OD,
indien 0 en D de voetpunten zijn van de vorenge-

noemde snjpunten A en B. Heeft men dus een be-
lastirigopbrengst BD bij een tarief OD, dan zou men
de precies even groote belastingopbrengst AC met
het aanzienlijk veel lagere tarief 00, 66k kunnen
bereiken’). Het is duidelijk, dat men het lagere
tarief van de twee moet kiezen, m.a.w., dat men
met het tarief links van de loodlijn MN, in het on-

elastische gebied dus, moet blijven. Dit is de alge-
meene en dwingende voorwaarde om aan het gestelde
tweede criterium
altijd
te kunnen voldoen.
Deze beschouwingswijze voert naar tal van vragen,
waarop
wij
thans niet nader zullen ingaan. Haar
beteekenis is voornamelijk hierin gelegen, dat zij met
vrucht toegepast kan worden op de verschillende
belastingen. Van een diepgaand systematisch onder-
zoek van dezen aard, is echter nog nimmer sprake
geweest. Wij zullen daarom deze beschouwingsvijze
thans op een concreet voorbeeld toepassen en nemen daarvoor de motorrijtuigenbelasting. Wij kiezen juist
deze belasting, omdat daarvan zoo vaak beweerd
wordt, dat het tarief dermate hoog opgeschroefd zou
zijn, dat de fiscus door de daaruit voortgevloeide
vermindering van het aantal auto’s per saldo minder
ontvangt dan wanneer het tarief lager ware geweest.
Van deze belasting wordt dus niets anders beweerd
– om in onze terminologie te blijven – dan dat het
tarief in het elastische gebied zou liggen. In overeen-stemming hiermede is het verzoek van den voorzitter
der K.N.A.C., in
zijn
onlangs gehouden jaarrede,
(d.w.z. in 1937 J. R.), om te onderzoeken of en in hoe-
verre het rendement der motorrijtuigenbelasting ver-
hoogd zou kunnen worden. De heer Mr. J. Linthorst
Roman ging er dus
blijkbaar
ook al a priori van
uit, dat het tarief dezer belasting in het elastische
gebied zou liggen. Er wordt van de motorrijtuigen-
belasting zelfs beweerd, dat de grens van de draag-
kracht nagenoeg bereikt zou zijn, d.w.z., dat het
tarief niet ver meer af zou zijn van het snijpunt
van den elastischen tak der opbrengstcurve met de
horizontale tariefas. Het zal blijken, dat al dergelijke
beweringen sterk overdreven zijn.

* *
*

– Zoonls bekend is, werd met ingang van 1. Jan. 1935
het tarief der voormalige wegenbelasting verhoogd,
tewl de wegenbelasting werd omgedoopt in Motor-
rijtuigenbelasting. De gemiddelde opbrengst der we-
genbelasting bedroeg per motorrijtuig (inclusief rij-
wielen met hulpmotor, aanhangwagens en opleggers):

in 1929
……
f72.02

in 1932
……
f
72.70

1930
…….
73.93

1933
……..
72.01

1931
……..
74.51

1934
……..
73.45

Het gemiddelde over de jaren 1929-1934 bedroeg

f
73.10. In 1935 bedroeg de gemiddelde belastingop-
hrengst (voortaan gemakshalve tarief te noemen)

f
108.22 of wel 47.4 pOt. meer dan in 1934. De totale

J)
Kan men een
gelijke
of hoogere belastingopbrengat
bereiken bij oer, lager tarief, dan kan men zeggen, dat
het
rendrment
dier belasting
verhoogd is.
Rendnentsver-
hoogiag kan alln plaats vinden, indien ht tarief iii liet
elastisahe gebied der belastingopbrengstcurve in het tarief-
opbreugst-dinigra.ni gelegen is.

helastingopbrengst steeg van
f
14.383.887.— tot
j 20.737.330.— of wel met 44.1 pOt. De totale belas-
tingopbrengst steeg dus procentueel bijna vve.nveel als
de gemiddelde opbrengst
(=
tarief), (i.w.z. de stijging

van de opbrengst is procentueel bijna recht evenredig
geweest aan die van het tarief. Zooals wij reeds aan-

toonden, is dit slechts mogelijk, wanneer men nog
betrekkelijk zéér dicht hij den oorsprong 0 is, omdat
alléén déér de opbrengstcurve en de proportionali-
teitscurve, tevens raaklijn aan de opbrengstcurve door

0, maar zeer weinig onderling kunnen verschillen.
1-lieruit volgt, dat het tarief – zelfs ni de verhoo-

ging – nog behoort tot de relatief zeerlage tarieven.
In elk geval ligt het tarief dus in het onelastische

gebied en zelfs in het meest starre onelastische ge-
deelte van dit gebied. Hieruit volgt de conclusie, dat
verlaging van het tarief gepaard
moet
gaan met een haast recht evenredige daling van de opbrengst. Ver-
hooging van het rendement moet dus volmaakt bui-
tengesloten worden geacht.

Waar of het maximum-opbrengst-tarief ligt, d.i.
het tarief ON, waarbij de maximum opbrengst MN
bereikt wordt, is op grond van de tarieven, waar-
mede tot dusver ervaring verkregen werd, niet te

voorspellen. Van de opbrengstcurve is tot heden een te klein gedeelte proefondervindelijk bekend gewor-
den om een zoo verre extrapolatie mogelijk te, maken;
in het algemeen kan wel gezegd worden, dat het

inaximum-opbrengsttarief vele malen grooter moet
zijn dan het huidige tarief, zoodat voorloopig van
rendementsverhoogingen onmogelijk sprake kan zijn.
Het maximum-opbrengst-tarief hangt af van het ge-

heele complex van auto-exploitatie-kosten, vaste en
variabele; zoolang het tegenwoordige tarief nog altijd
weinige procenten’) van de jaarljksche exploitatie-
kosten bedraagt, zal het ook
altijd
,,diep” in het on-
elastisch gebied blijven zitten, immers niet de hoogte
der motorrijtuigenbelasting is in de eerste plaats be-

palend voor de aanschaffing, het houden of het ex-
ploiteeren van een motorrijtuig, maar het totaal van
alle ,,exploitatiekosten”, waarvan de motorrijtuigen-

belastiflg een zeer kleine fractie vormt. Het maxi-
mum-opbrengsttarief hangt dus ook af van andere
op de auto’s drukkende belastingen, zooals de per-
soneele belasting, en van den benzineprijs. Het
spreekt dan ook vanzelf, dat de ontwikkeling van den
dieselmotor hierop van invloed is, alsmede dat het
voor de opbrengst van belang is welke vlucht het ge-
bruik van het lichte motorrjtuig neemt.
Voor de centrale belastingadministratie moet het
mogelijk zijn om de tendenzen, welke hier aanwezig
zijn, op te sporen en de gevolgen van haar interrela-
ties vooruit te berekenen, hoe moeilijk dit op het

eerste gezicht ook lijkt. Zoo moet het te berekenen zijn of het voordeeliger is geen belasting te heffen op de gasolie, doordat het uitvallen van inkomsten
uit het bijzonder invoerrecht op de benzine meer dan
ingehaald wordt door de meeropbrengst der motor-
rijtuigenbelasting op de extra toegenomen diesel-
auto’s, of niet.

Soortgelijke onderzoekingen zijn ook op het gebied
der andere belastingen mogelijk en het komt ons
voor, dat een al-omvattende, systematische weten-
schappelijke exploratie der Nederlandsche Rijks-, Ge-
meente- en Waterschapsbelastingen stellig uiterst
vruchtbaar en nuttig zal zijn en hoogst waarschijnlijk
tot vele buitengewoon verrassende en belangrijke uit-
komsten zal leiden. Een soort ,,marktanalyse” voor
Financiën dus! Dit zal een veel omvattend werk
worden, waarover men niet licht moet denken.

t)
Voor een licht type personenauto bedraagt de nioto,’-
rjtuigenbelasting ca.
4
pOt. van de jaariijksche exploita-
tiekosten; voor een middelsoort type personenauto oa.
5
pCt.; voor een tractor met trailer, volgens een eigeii
berekening,
4%
pCt. en volgens een betrouwbare opgave
van een inodei’ii expedlitiobedrjf
5%
pOt.; voor een auto-
bus bedraagt dit percentage ongeveer 434.

180

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9 Maart 1938

Het moet bijvoorbeeld mogelijk zijn om alle belas-

tingtarieven een ongeveer gelijk percentage te laten
bedragen van het correspondeerende maximum op-
brengst-tarieL Alle belastingen zouden dan gelijk van
druk worden en het zou daarbij wellicht blijken, dat
deze
gelijke
druk lager kan zijn dan de gemiddelde
druk van thans. De drukkendste belastingen zouden

althans verlicht en de lichtste belastingen zouden dan
iets verzwaard kunnen worden. Hoe gelijkmatiger be-
lastingdruk hoe verkieslijker voor het economisch
leven van het volk. Ongelijke drukken roepen irratio-
neele economische verschuivingen in het leven.
Het zou bij een systematisch wetenschappelijk be-
lastiugonderzoek ook kunnen blijken, dat sommige be-

lastingen als onpractisch en onproductief
terzijde
ge-
steld moeten worden, dat van andere belastihgen het
rendement aanzienlijk opgevoerd kan worden, uit de-

finitie gepaard gaande aan een verlaging van den
druk, en dat tenslotte nieuwe belastingen zonder eenig

bezwaar ingevoerd zouden kunnen worden. Dit alles
is van uitnernende beteekenis.

Voor het geheele economische leven der Neder-
landsche bevolking moet een dergelijk werk van bui-
tengewoon groot belang worden geacht. Aan deze mo-
gelijkheid heeft men tot dusver nog nooit gedicht.

Toch is dit een vraagstuk van het allerhoogste ge-
wicht, want ordening en normalisatie in het belas-

tingwezën zijn ook di.âr
eigenlijk
dringend noodig en

zelfs onontbeerlijk. Teveel heeft men. zich tot dusver
bewogen langs lijnen van historischen groei. Het
wordt tijd, dat hiermede eens gebroken wordt. In het
historisch gegroeide menschenwerk is alles èigenlijk
een speling van het toeval, van een ingeving geweest.
Onsysternatisch, wild en ruig, onontwarbaar en on-

overzichtelijk is alles met de jaren in elkander ge-
groeid. Het wordt tijd weer orde op zaken te stellen
en systeem en overzicht in• te voeren. Moge het we-
tenschappelijk belastingonderzoek daarbij de helpen-
de hand kunnen bieden en moge dit artikel dan als

een bescheiden eerste bijdrage op dezen nieuwen, per-
spectiefvollen weg gediend hebben.
Ir. J. M. 1.
REITsMA.

DE KOLENPOSITIE IN 1937.

II.
Onze vaste medewerker schrijft ons:

Duitschiand:

In het vorig jaaroverzicht
1)
werd reeds vermeld,
dat er kans op bestond, dat de Roerkolen-productie
van 1929, het na-oorlogsche recordjaar, in 1937 over-
vleugeld zou worden. Het is inderdaad geschied voor
kolen, niet voor cokes. De kolenproductie bedroeg in
1937 127,8 millioen ton, of wel 1614 püt. meer dan
de in 1936 gewonnen 107,5 millioen ton,
terwijl 1929

geslagen werd met 4,2 millioen ton of 314 pOt.
Een verdere productieverruiming, althans in dezelf-
de mate als gedurende de laatste paar jaar, wordt
niet verwacht, daar men nu op technische bezwaren
gaat stuiten. Verdere rationalisatie zal niet makke-

lijk door te voeren zijn. Reeds wordt ruim 90 pOt.
van de productie mechanisch gewonnen, het transport
is vrijwel geheel mechanisch en wat het aantal werk-
menschen betref t, werkloosheid is er practisch ge-
sproken niet meer. Verdere uitbreiding zou slechts
mogelijk zijn door intensieve training van de jongere generatie en het stilleggen van kolenarme schachten,
waarvoor in de plaats’ kolenrijke schachten geboord
moeten worden.
De Roercokes-prociuctie liep op. van 27.4 millioen
ton in 1936 met 14 pOt. tot 31.6 millioen ton in 1937,
doch bleef 8 pOt. beneden het recordjaar 1929. Toch
werd met aanmerkelijk minder ovens in exploitatie
(10878 in November 1937) dan in 1930 hijv. (11744
ovens) de productie van dat jaar, 27.8 milhoen ton,
verre overschreden. Daar het aan te nemen is, dat
voorloopig de groote activiteit van de ijzer- en staal-

i) E. S.-B. van
17
Febr.
1937,
biz.
124.

industrie in verband met de algemeene herbewape-

ning zal blijven bestaan en daar deze industrie de
grootste cokesverbruikster is, ziet de toekomst er voor
de cokesproducenten dan ook gunstig uit. De bouw
van nieuwe cokesovens zal dan ook krachtigen voort-

gang vinden. Midden 1937 waren er ongeveer duizend
ovens in reparatie en aanbouw, waarvan een gedeelte
gedurende de tweede helft van het jaar in gebruik

genomen is. Binnen afzienbaren tijd zal liet aantal

nu in exploitatie zijnde ovens met niet minder dan
1400 uitgebreid worden.

Wat de vooruitgang in de cokesproductie voor de

kolen md ustrie beteekent wordt cl uidelijk, md en men

bedenkt, dat om 534 á 6 millioen ton cokes meer te
produceeren, wat de verwachtingen zijn, er 7.3 mii-
lioen ton fijnkolen meer noodig zijn dan vorig jaar,
of wel de helft van de totale verkoopen in binnen-
zoowel als buitenland in deze soort kolen. Verliest

men dan verder niet uit het oog, dat kolenhydreering
en briketfabricage
bij
voorkeur met dezelfde soort fijn-
kolen werken; dan blijkt, dat de positie van deze be-,
paalcie afmeting van kolen precair begint te worden.
Wordt eenmaal, als de nood aan den man is, van
hoogerhand ingegrepen om de levering van fijukolen
voor de cokesovens en henzineproductie te verzekeren,
dan zullen andere industrieën 6f op andere afme-
tingen moeten overstappen 6f de kosten van het tot
fijnkolen reduceeren van grovere kolen moeten .be
talen.

Het aantal mijnwerkers is steeds gegroeid en be-droeg eind December 1937 307.815 of ruim 47.000
man meer dan een jaar geleden. De gemiddelde pro-
ductie per man per dag was in 1932 1628 kg, steeg
tot 1733 kg in Februari 1936 en zakte daarna weer
in tot 1584 kg in October 1937. De oorzaken van deze
daling zijn te zoeken in: het weer aan werken wennen
van die mijnwerkers, clie langen tijd werkloos ge-
‘eest zijn, ondergrondsche uitbreidingswerkzaamhe-
den, gedurende de uitvoering waarvan een gedeelte

van de arbeiders geen kolen delft, het in exploitatie
nemen van muader rijke kolenlagen, die vroeger niet
bewerkt werden, maar nu wèl, om de noodzakelijke
productieverruiming te kunnen doorvoeren, enz. enz.
De andere productiedistricten dan de Roer onder-
vonden ook een flinke procluctieverruirnirig, zooals
blijkt uit de volgende cijfers:

1937

1936

Steenkolen ……….
184.5 1 miii.
ton

158.38 miii.
ton
cokes

40.90
,,

35.83•
,,
briketten
.

6.89

6.13
Bruinkolen ……….
184.68

161.36
cokes
. . . .

2.74

1.79
briketten ..
42.02

36.08

Voor den kolenexport is 1937 een buiténgewoon
gunstig jaar geweest. Steeg in 1935 de export met
4.83 millioen ton vergeleken hij 1934, in 1936 was de
stijging aanmerkelijk minder en bedroeg slechts 1.87
millioen ton; in 1937 echter kwam een geweldige stij-
ging van niet minder dan 9.97 millioen ton. Naar
vrijwel alle landen nam de export toe, in sommige
gevallen geheel normaal, in andere op zeer frappante
wijze, zooals bijv. Spanje van 150.000 ton in 1936 tot
703.000 ton in 1937, Spaansch-Afrika niets in 1936,
30.000 ton in 1937, Canarische Eilanden 27.000 ton
in 1936 tot 77.000 ton in 1937, Portugal van 67.000
ton in 1936 tot 315.000 ton 1937, Griekenland van
368.000 ton tot 613.000 ton, enz. enz.
De invoer, die voor Duitschiand gecoitingenteerd
is op basis van het binnenlandsclje verbruik, nam ook
toe. De juiste cijfers van in- en uitvoer zijn:

Invoer

Uitvoer
1937

1936

1937

1936

Steenkolen

4.583.423 4.289.032 38.628.925 28.649.755
Bruinkoien

1.836.773 1.644.092 .

511

324
Cokes

549.817

663.378

8.792.869

7.183.624
Briketten

113.197

91.610

1.029.769

842.990

Duitschland blijft voortgaan zijn kolen.export te
ontwikkelen. Uitgevoerde brandstoffen beteekenen de-

9 Maart 1938

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

181

viezeri, terwijl verder ongetwijfeld nog het argument
zal voorzitten, dat het zich bij voorbaat van een zoo
groot mogelijk afzetgebied verzekeren beteekent, dat,
mocht het eenmaal tot een internationale kolencon-ventie komen, in navolging van de cokesconventie,

Duitschland bij een klantenverdeeling of quotatoewij-
zing een goed percentage zal verkrijgen.

Veelal verwijten de Engelsche exporteurs de Duit-

schers, dat zij hun prijzen veel te laag houden, maar
cle Duitsche
prijzen
zijn in verhouding nôg meer naar
boven gegaan dan de Engelsehe. Zien wij over liet
algemeen in 1937 in Engeland verhoogingen van
51- tot 6/- per ton boven de prijzen van 1936, voor
Duitschland zijn deze verhoogingen 8/- tot
Of-
per
ton, wat niet zeggen wil, dat de Duitsche prijzen 3/-

hooger zijn dan de E.ugel.sche voor geiijkwaardige
kolen!

Polen:

Ook dit land heeft een gunstig kolenjaar achter

zich. De productie steeg van 29.75 millioen ton in
1936 tot 36.13 millioen ton in 1937. Mijnen, die
jarenlang stilgelegen hadden, werden wederom in ex-
ploitatie genomen. De voorraden, die eind 1936
787.000 ton bedroegen, zijn na Januari niet beneden
de 900.000 ton geweest tot December, toen zij weer
daalden tot 825.000 ton.

De export beleefde een flinke opleving en steeg
van 8.8 millioen ton in 1936 tot 11.3 millioen ton in
1937. De Poolsche export was in 1937, evenals de
twee daaraan voorafgaande jaren, kwantitatief geba-
seerd op den Engelschen, zooals tusscheu de twee lan-
den in een kolenconveutie overeengekomen. Deze con-
ventie liep eind 1037 af, maar kon voor twee jaar
verlengd worden met eenige voor Polen gunstige wij-
zigingen, waarvan er één inhoudt, dat de export-
toun age van Polen voortaan gebaseerd zal worden op
den export van Engeland, Duitschland, België en
Nederland.

Het is in het verleden nog al eens voorgekomen,
dat ladingen Poolsche kolen op verre reizen tot zelf-
ontbranding overgingen. Dit liep in 1937 .zéé hoog,
dat Engelsche assuradeuren besloten geen ladingen
Poolsche kolen, die bestemd waren voor havens ten
zuiden van Bordeaux, te verzekeren, tenzij een extra
premie betaald werd voor het casco van het zeeschip,
zoowel als voor de kolen. Premies voor kolenladingen
van Engeland naar Zuid-Amerika bedragen rond

2Y4 pOt., terwijl voor Poolsche kolen voortaan ‘s zo-
mers 5 pOt. â 7 pOt. en ‘s winters 4 pot. betaald zal
moeten worden. Dat deze verhooging van de verzeke-
ringskosten ongunstig op de coneurrentiemogelijkheid
voor Zuid-Amerika en de Middeliandsche Zee zal
werken is duidelijk, daar de extra kosten hetzij in de
vracht, hetzij in de transportverzekering tot uiting
komen. Tot nu toe hebben o.a. Nederlancische assura-
deuren hun transportverzekeringspremies op Poolsche
kolen nog niet verhoogd. Zijn de transporteerende
schepen echter in Engeland verzekerd, dan moeten de
reeders meer cascopremie betalen, wat neerkomt op
circa 2/- per vervoerde ton, zoodat logischerwijze de
vracht hooger moet zijn. De uitgaande Poolsche kolen-
vrachten zijn dan ook niet zoo sterk gedaald als die
van de andere exporthavens.

De prijzen van de Poolsche exportkolen
zijn
vrijwel
op peil gebleven, hoewel er, afhangende van de be-
stemmingshaven, neiging bestaat tot verlagingen over
te gaan. De bunkerprijzen zijn, in tegenstelling met
alle andere bunkerhavens en stations, het geheele jaar
1937 en ook voor begin 1938 ongewijzigd gebleven.
De laagste prijs is 12/9 getrimd voor stukkolen voor
een kwantum boven de 600 ton onder contract. In de
Nederlandsche stations is er beneden de 21/6 voor on-
gezeefde kolen niets te krijgen en de Engelsche bun-
kerhavens zijn, de aanloopkosten in aanmerking ge-
nomen, minstens even duur. Het is dan ook geen
wonder, dat de levering van bunkerkolen, die in 1936 685.414 ton bedroeg, in 1937 tot 1.187.973 ton steeg.

België:

Zooals reeds in het vorig jaaroverzicht opgemerkt,

was de toestand voor de Belgische kolenindustrie eind
1936 niet zeer gunstig. Het bleek dan ook al spoedig,
dat de eigen mijnen de behoefte van het binnenland
plus de verzorging van den export
bij
lange na niet
konden bevredigen en het werd noodzakelijk tot alge-

heele opheffing van de contingenteering van den in-
voer van cokeskolen over te gaan, terwijl cle contin-
genteering van den invoer van andere soorten prac-

tisch opgeheven werd. De productie nam in 1937 niet
3 millioen ton toe, zooals blijkt uit de volgende cijfers:

1937

1936

Kolen …………29.680.930

27.873.120

Cokes …………5.899670

5.055.800

Briketten ……..1.837.830

1.552.910

37.418.430

34.481.830

De voorraden, die eind December 1936 nog ruim
een millioen ton bedroegen, zakten tot Augustus terug

tot 487.000 ton, om sindsdien weer regelmatig te stij-

gen tot 676.000 ton eind December 1937. Het aantal
arbeiders bedroeg aan het eind van het jaar 131.569
en de gemiddelde productie per man en per dag
770 kg tegen 820 kg in 1936.

Het Belgische Koleusyndicaat werd 31 Decem-

ber 1937 weer voor drie jaar verlengd, heet echter
niet meer Office Nationai des Oharbons, maar nu
Office Belge des Oharbous. De gedurende de tweede
helft van 1937 gegolden hebbende prijzen zouden na
1 Januari gehandhaafd blijven, terwijl het in de be-
doeling lag alle beperkende bepalingen voor de pro-

ductie op te heffen en tot algeheele vrijheid terug te
keeran. Eind November sloten de mijnen een overeen-
komst niet de ijzer- en staalindustrie, waarbij deze
zich bond gedurende drie jaar haar geheele behoefte hij de Belgische mijuen te dekken, voor zoover deze
geen hoogere prijzen vragen dan de op de wereld-
markt geldende.

Zooals in den aanhef reeds gezegd, kon de eigen
productie de behoefte bij lange na niet dekken en de invoer van kolen steeg dan ook zeer sterk. Engeland

ontketende een geweldige concurrentie tegen Duitsch-
land op de Belgische markt en kwam van 375.000 ton
in 1936 op 016.000 ton in 1937, terwijl de invoer uit
Duitschiand steeg van 2.411.000 ton in 1936 tot
3.733.000 ton in 1937. Ook uit Nederland en Polen nam de invoer toe, terwijl die uit Frankrijk en Rus-
land daalde.

De uitvoer van kolen uit België daalde eenigszins,
niettegeustaande het feit, dat de export naar vele
landen toenam, met uitzondering van Nederland en
Italië. Vooral de u:itvoer naar italië kreeg een ge-
voeli-gen klap en daalde van 790.000 ton in 1936 tot
slechts 197.000 ton in 1937.
De cokesinvoer daalde iets, de uitvoer nam een
weinig toe. Voor briketten stegen zoowel invoer als
uitvoer.
De juiste in- en uitvoercijfers zijn:

1937

1936

Invoer

Uitvoer

Invoer

Uitvoer
Kolen ….

6.167.267

4.390.127

3.862.459

4.734.757
Cokes ….

3.185.935

1.319.572

3.557.050

1.296.029
Briketten..

163.542

660.845

108.645

446.255

BUITENLANDSCHE MEDEWERKING.

NIEUWE RICHTLIJNEN DER VERVOERPOLITIEK

IN ZWITSERLAND. 1. DE OORZAKEN VAN DE CRISIS
BIJ DE SPOORWEGEN.

Dr. H. Block te Bern schrijft ons:

Veertig jaar geleden besloot de bevolking van
Zwitserland een aantal groote particuliere spoorweg-
ondernemingen onder beheer van (hen Staat te bren-
gen. 0p 15 October 1897 heeft het I)arlement een
Bondswet uitgevaardigd inzake het verwerven en het
exploiteeren van spoorwegen voor rekening van den

182

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9.Maart.1938

Bond, welke wet op 20 Februari 1898 met groote
meerderheid door de kiezers werd gesanctionneerd.

Het resultaat van het referendum wekte groote geest-
drift op, want de voorstanders van de wet verwacht-

ten van het onder Staatsbeheer komen niet slechts

een betere Organisatie van het vervoer, en een

uitbreiding vCn het spoorwegnet, doch ook lagere

tarieven – optimisten spiegelden aelfs kosteloos

vervoer voor – en gunstiger arbeidsvoorwaarden

voor het personeel. Indien zij in de duistere toekomst

hadden kunnen zien, zou de teleurstelling zeer groot

zijn geweest. Want op het oogenblik -heeft het ge-
heele Zwitsersche spoorwegnet dringend behoefte

aan saneering, terwijl parlement en overheid zich
sedert jaren bezig houden met een nieuwe regeling

van de vervoerpolitiek.

Drie wetsontwerpen komen in behandeling, liet

eerste heeft betrekking op de Zwitsersche Bonds-
spoorwegen (S.B.B.) en wilde financieele reconstruc-

tie van deze grootste onderneming van Zwitserland

tot stand brengen; bovendien wil het ook de Bonds-

wet van 1 Februari 1923 inzake de organisatie en

het beheer der S.B.B. alsmede cle nog geldige onder-deden van de wet van 1897 vervangen.

In de tweede plaats moet het parlement een wets-
ontwerp behandelen, dat voorziet in de deelneming

van den Staat in de saneering van noodlijdende par-
ticuliere Spoorwegen: het betreft hier een niet onaan-

zienlijk bedrag, in verband met de beteekenis, welke
de Zwitsersche particuliere spoorwegen hebben naast
de Boudsspoorwegen.
– Een derde ontwerp, dat echter niet een wet, doch

een dringend Bondsbesluit betreft – daaromtrent

wordt weliswaar door het parlement een besluit ge-
nomen, doch als noodrecht is het aan het referendum
onttiokken – bevat normen voor het vervoer van
personen en goederen met motorvoertuigen en wil
dus de concurrentie tusschen weg en rails regelen.

Tenslotte is men bezig met de voorbereidende

werkzaamheden voor een vierde wetsontwerp, en
wel inzake een algemeene Zwitserche spoorwegwet.,
die in de plaats moet treden van de verouderde spoor-
wegwet van 23 December 1872. Men ziet inderdaad,

dat de geheele vervoerpohitiek bij een en ander is

betrokken.

De koopprijs. –

• Indien men vraagt naar de oorzaken van de tekor-
ten bij het Zwitsersche spoorwegwezen en inzonder-
heid bij de Bondsspoorwegen, dan geraakt men in een
eindelooze controverse, welke in den regel er slechts

toe leidt den Staatsorganen of de spoorwegdirectie
de verantwoordelijkheid voor de spoorwegcrisis in de
schoenen te schuiven of wel de schuld te wijten aan
onpersoonljke krachten. Naar gelang men deze of
gene opvatting huldigt, worden verschillende midde-
len ter genezing voorgesteld.

Van de talrijke crisisoorzaken, van conjunctureelen
en structureelen, van politieken en niet-politieken
aard, welke worden aangevoerd, zullen wij in de eer-
ste plaats die beschouwen, welke zich bezighouden
met de uitgavenzijde van de exploitatierekening ei’
‘vel inzonderheid met rentedienst en ‘afschrijvingen,

hoewel de grenzen hierbij vloeiend zijn, omdat het
tekort van de exploitatierekening het volgende jaar
de kapitaalrekening belast.

Zoo wordt op een factor gewezen, die weliswaar
in. geen enkel opzicht de tekorten verklaart, wel
echter den omvang van de kosten van aanleg (en
ten deele ook van de hedrjfskoten) in vergelijking
met andere landen. Wij bedoelen het bergachtig ka-
rakter van het land en de dichtheid der bevolking.
Een nadere uiteenzetting is niet noodig, slechts en-
kele cijfers ter illustratie. Van 100 km spoorwegnet
van de Bondspoorwegen komen 5.74 km voor reke-
ning van tunnels, terwijl deze verhouding bij de Hon-
gaarsche spoorwegen 0.04 pOt, is, bij de Duitsche
spoorwegen 0.42 pOt. en zelfs bij de Oostenrijksche

slechts 1.49 pOt. Voorts zijn. er
in Zwitserland op
een netlengte van 100 kin 27 stations, in: Hongarije
daarentegen slechts 17,. in Duitschiand – 22, terwijl

tenslotte het dichte Zwitsersche wegennet in totaal
6700 kruisingen van wegen en spoorwegen met zich
brengt. –

Bij de lasten,. welke uit de natuur van het laiid

en zijn topografie voortspruiten, komen andere, vel-
ke in tegenstelling hiermede een historisch karakter

dragen. Daartoe behoort eenerzijds de koopprijs van
de spoorwegen, waarvan de S.B.B.-directie beweeit,
dat hij te hoog is geweest. Voor de vijf particuhieré

spoorwegen, welke omstreeks 1900 aan den Staat
kwamen – dit waren – de Jura-Simplon-Bahn, de
Schweizerische Oentral-Bahn, de Nordostbahn, de

Vereinigte. Schweizerbahnen en de G-otthardbahn’ –

werd, met een bedrag van bijna Frs. 114 millioen, tè

veel betaald; en met eenige kleinere posten en cle
sedertdien opgeloopen – rente komt de S.B.B:-directie
tot een bedrag van ruim Frs. 260 miii.

Tegen deze zienswijze wordt nu terecht aangevoerd,

dat de mannen, die den aankoop tot stand brach-

ten, ten deele vroeger directeuren van particuliere

spoorwegen waren, terdege op de hoogte waren

van de waarde van de overgenomen spoorwegen.

Daar ;sommigen van -hen met meeningsverschillen uit hun maatschappijen waren getreden, zouden zij,

volgens deze opvatting, tot een te hooge betaling ook
dan zelfs niet bereid zijn geweest, wanneer hun
plichtsbesef hun niet zou hebben verboden, den Staat
nadeel te berokkenen. De indruk was destijds zelfs,
dat de Staat, wiens machtspositie
ongetwijfeld
veel
grooter was dan die van de
maatschappijen,
zelfs
voordeelig had gekocht’ ten minste te oordeelen naar
de zeer voorspoedige ontwikkeling van
het
verkeer
gedurende de volgende 15 jaren.
Het pleit niet voor de steekhoudendheid van het
betoog, wanneer de spoorwegdirectie (in een ver-

slag over den financieeien toestand van de .S.B.B. van

7 Februari 1933) het feit van de te hooge betaling
uit cle latere gevoerde spoorwegpolitiek wil aflei-
den: ,,Het nakomen van de bij de naasting afgelegde
beloften (lagere tarieven, uitbreiding van het net en
de dienstregeling, betere positie van het personeel)

heeft het behoud van .een overwaarde, indien deze

überhaupt, aanwezig was, a priori onmogelijk ge-

maakt. . . . Bij de meeste, -tegen ,,Ertragswert’.’ terug-
gekochte spoorwegen, is juist de overwaarde door
hoogere tarieven en lagere bonen tot stand gekomën”

(blz. 10). De vroegere eigenaren kunnen echter niet
aansprakelijk worden gesteld voor de commercieeie
politiek van hun opvolgers. – –

De bouwkosten.

– Deze politiek wordt nu door de tegenpartij aange-
grepen, waarbij op oude zonden wordt gewezen, waar-
omtrent overeenstemming zou hebben moeten bestaan,
omdat juist de directie van de Bondsspoorwegen vroeg-
tijdig heeft gewaarschuwd. In het verslag van den
raad van beheer onitrent de bedrijfsleiding in 1908
wordt met betrekking tot de bouwkoorts, welke vbbr
den oorlog was uitgebroken, gezegd: ,,Het scheen
juist, alsof met den overgang van een spoorwegnet
aan den Bond, aan alle- wenschen en initiatieven,
waartegen de vroegere particuliere maats’chappjen
zich hardnekkig hadden verzet, thans plotseling kon
worden voldaan. De wenschen naar allerlei verge-
makkelijkingen van het vervoer en vermeerdering
van de verbindingen kenden geen grenzen meer..
Overal, worden de bouwveranderingen als dringend,
geen uitstel meer gedoogend- geschett, terwijl nie-
mand zich schijnt te bekommeren omtrent de koste.n.
De ontwikkeling yan het verkeer na de overneming
door den Staat en de daaruit voortspruitende meer-

dere inkoiiuten heeft in breede kringen de meening
doen postvatten, dat de middelen van de Bondsspoor-
wegen onuitputtelijk zijn en de directie, onder in-
vloed van de publieke opinie evenals van de dringen-

9 Maart 1938

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

183

de aanbevelingen van de kantonale en eedgenoot-
schappelijke overheid, heeft wellicht tea opzichte van
de bij haar ingekomen wenschen niet steeds voldoende
ruggegraat getoond.”

Echter niet alleen het net van de Bondsspoorwegen
werd overmatig uitgebreid, doch ook het net van de

“cle particuliere Spoorwegen en wanneer deze laatste eenerzijds aan de Bondsspoorwegen verkeer toevoer-

den, onttrokken zij anderzijds door concurreerende
lijnen verkeer aan de Bondsspoorwegen. In de jaren
van opbloei meende elk dal het bezit van een spoor-

weg aan zijn eer verschuldigd te zijn, en wanneer
particulier kapitaal ook met subsidies niet bereid was

tot aanleg, dan namen de gemeenten, de streken of
de kantons deze taak
01)
zich.

ilet resultaat was, dat het net van cle particuliere
spoorwegen, dat in 1903 1.613.7 krn bedroeg, thans
2.958.5
km bedraagt (niet inedegerekenci 46.3 km on-der buitenlandsch beheer), waarmede het de lengte van
het S.B.B.-net, die
2.852
kin bedraagt, overtreft. Deze
bijna 3.000 kin kwamen volgens de statistiek van
einde 1935 voor rekening van 36 normale spoorwe-

gen, 67 smalspoorwegen, 15 tandradspoorwegen, 32
,,Tramways” en 54 ,, Standseilbahnen”, waarin teza-
men Prs. 992.7 mill. was geïnvesteerd, d.w.z. rond
een derde van het in de S.B.B. geïnvesteerde ka-
pitaal.

Reeds v66r den oorlog was de rentabiliteit van die
beleggingen problematiek; zoo konden (volgens Weis-
senbach ,,Das Eisenbahnwesen der Schweiz”, Zilrich
1914, II, blz. 57) de particuliere spoorwegen in 1911
op hun eerste klasse aancieelen slechts een gemiddeld
dividend van 1.92 pOt. uitkeeren, op hun tweede
klasse aandeelen zelfs maar 0.34 pOt. Het gemiddel-

de zou nog lager zijn geweest, indien niet enkele
weinige ondernemingen dividenden tot 10 pOt. had-
den kunnen uitkeeren. Volgens de statistiek van de
dividenden over 1936 bleef 91.1. pOt. van het in

particuliere spoorw’egen belegde aandeelenkapitaal
zonder opbrengst; de gemiddelde rente bedroeg slechts

0.27 pOt. Hoewel ook inzonderheid de algemeene
depressie in genoemd jaar een zw’aren druk uitoef en-
de op de rentabiliteit van de spoorwegen, zoo hebben
wij hier toch met een duurzame crisis te maken. De
kantons en gemeenten konden er echter niet toe
besluiten, de exploitatie van hopeloos onrendabele

spoorwegen te staken – hoewel in tegenstelling tot
de jaren van den oorlog een elastisch vervoermid-
del, in den vorm van den automobiel, ter vervanging
van de spoorwegen ter beschikking stond. Veeleer
werd het oude spoorwegnet ih de laatste jaren op
verschillende plaatsen nog aangevuld, alhoewel er,
zooals te begrijpen valt, niet meer zooals in de jaren
v66r den oorlog een speciale tendens tot aanleg en bouw ontstond. In de plaats daarvan werden echter
de meeste particuliere spoorwegen met groote kosten
geëlectrificeerd, waardoor de lasten der vaste kosten
nog verder stegen.

De pèrsoneelsuitgaven.

Ondanks haar kostbaar vast kapitaal moeten de
spoorwegenmaatschappijeii met hooge arbeidskosten

rekening houden. Van de bruto-exploitatiekosten,
welke bij de S.B.B. voor 1938 op Frs. 235.9 mill. zijn
geraamd, komt Frs. 185.5 mill. voor rekening van
personeelsuitgaven, d.w.z. 78.6 pOt.; van de totale
uitgaven ten bedrage van Frs. 397 mill. is dit nog
altijd 46.6 pOt. De hoogte van de lo6nenen salarissen
is dus voor den financieelen toestand van de spoor-
wegen nog altijd van beslissende beteekenis. Daar de
eischen van het personeel van de particuliere spoor-
w’egen onder invloed staan van de inkomens hij de
Bondsspoorwegen, neemt de bezoldigingsregeling van
de S.B.B. een sleutelpositie in.
Gebleken is evenwel, dat de personeelsuitgaven een
te groote starheid. vertoonen en wel om de volgende
redenen. In 1903, dus direct na de naasting, viel
57..35 pOt. van het personeel onder ambtenaars-ver-

band. Destijds werd den spoorwegen de verplichting
opgelegd op grootere schaal arbeiders tot ambtenaren

te promoveeren. Zoodoende was in 1935 84.85 pOt.

van alle te werk gestelden, ambtenaren. Hierdoor
werd het ontslaan van personeel in tijden van af-

neming van het verkeer sterk bemoeilijkt en even-
zoo de verlaging van de salarissen.

Dit bleek vooral sedert een wet van 30 Juni 1927

de salarisregeling van de spoorwegambtenaren, welke
tot dat tijdstip door een speciale wet was geregeld,
met de algemeene salarisregeling voor Bondsambtena-

ren samensmolt. In stede vaii te letten op het ver-
schil tusschen een vervoerbedrijf, dat aan conjuuc-

tureele en structureele schommelingen onderhevig is
en de zuiver administratieve werkzaamheid van de

administratie, plaatste men toen het feit, dat men

tegenover denzelfden w’erkgever stond op den vooi-
grond. Daarmede was echter het wezen van de sala-
rieering in nog veel grootere mate dan tevoren een
politieke twistappel geworden.

Tegelijkertijd ontstond de organisatorische wantoe-

stand, dat hoewel Bondsspoorwegdirectie en Bonds-
regeering voor den financieelen toestand van de S.B.B.

aansprakelijk zijn, de voornaamste post der uitgaven
echter door het Parlement wordt vastgesteld. Zoo-
doende werden de salarissen van het personeel der
Bondsspoorwegen pas in het kader van het in 1934

in werking getreden financieele noodrecht verlaagd,
nadat voorafgegane pogingen tot aanpassing van de
ambtenarensalarissen aan de gedaalde kosten van
levensonderhoud en voor alles aan het gedaald pres-

tatievermogen van het economisch leven, schipbreuk
hadden geleden

In vergelijking met de in het particuliere bedrijfs-

leven betaalde bonen en salarissen bleven de salaris-
sen bij de Bondsspoorwegen hoog, en alhoewel een
verlaging van de personeelsuitgaven plaats had (van
Frs. 223.9 mill. in 1931 tot 185.5 mill.), zoo geschied-
de dit in hoofdzaak als gevolg van inkrimping van

personeel van 34.006 tot 28.462 personen (in 1937
waren in doorsnee 28.030 personen te werk gesteld).
In het loopende jaar heeft overigens weder een toe-
neming van de personeelsuitgaven plaats gehad,
eenerzijds omdat de duurte na de devaluatie het Par-
lement noopte tot verzachting van de in de laatste
jaren van kracht
zijnde
salarisverlaging, anderzijds

als gevolg van grootere verplichtingen ten opzichte
van het Pensioen- en Ondersteuningsfonds.
De troostelooze financieele toestand van het Pen-
sioenfonds voor het personeel van de Bondsspoorwegen
is een hoofdstuk op zichzelf; groote prestaties tegen-

over onvoldoende contributies van de verzekerden heb-
ben er ondanks aanzienlijke subsidies van den Bond
en de Bondsspoorwegen toe geleid, dat volgens de
onderzoekingen van een commissie van deskundigen
het tekort einde 1936 tot Frs. 698 mili. was opge-
loopen, waarbij de berekening bovendien op den rijke-
lijk hoogen rentevoet van 4 pOt. was gebaseerd. De
saneering van het Pensioen- en Ondersteuningsfonds

zal den Staat veel kosten en bovendien moet de Bond
daarnaast nog een op Ers. 435 mili. geraamd tekort
van het eedgenootschappelijke verzekeringsfonds vooi
het overige Bondspersoneel zien weg te werken.

De concurrentie van den automobiel.

Terwijl de uitgaven van de spoorwegen een groote
starheid te zien geven – starheid van bonen, star-
heid van den kapitaaldienst door de al te groote in-

vesteeringskosten (de S.B.B. worden niet door mid-
del van aandeelen, maar door obligatiën gefinancierd
en hadden jaarlijks stijgende rentelasten te dragen!)
– vertoonden de inkomsten in de jaren na 1929 een
voortdurende vermindering. In de zeven vette jaren
van 1924 tot 1930 schommelden de bedrijfsinkomsten
slechts met maximaal Frs. 26.6 mill. afwijking naar
boven en Frs. 28.4 inili. afwijking naar beneden rond
eengemiddelde waarde van Frs. 404.4 miii.; daarna
daalden zij echter van• een optimum in 1929 tèn be-

184,

.

ECONOMISCH-STATISTISCHÉ BERICHTÉN

9 Maart 1938

dragé van’ .Frs. 431 miii. tot Frs. 291.4 miii. in 1936.
van de transporten heeft plaats door transportbedrij-

Sedert Dec. 1936 is er eei zichtbar

verbetering
ven, 3.6 pOt. door de vrachtwagens in eigen bedrijf.

ingetreden, zoodat de bedrijfsinkomsten in het jaar
Het spreekt vanzelf, dat bij het autovervoer over

1937 tot Frs. 336.2 miii. stegen. De oorzaken hiervan langen afstand de goederen, waarvoor de spoorwegen

zijii.eenerzijds van conjunctureelen aard en andeizijds
wegens hun grootere wasrde, hoogere tarieven hebben

‘ah structureelen aard, waarmede wij op

het onuit-
vastgesteld de overhand hebben, terwijl de goederen,

puttelijke otiderwerp’ van de concurrentie tusschen
waaryoor lagere tarieven gelden in het verkeer op

automobiel en spoorweg komen.

,
korten afstand aan beteekenis winner. Met dit ver-

Evenals

in andere lande

heft

de

directie

der
schil echter,

dat het aandeel van

de. goederen
,
,net

spoorwegen in Zwitserland de heteekenis van het ver-
hooge tarieven bij het eigen vervoeL 42.9 pOt. van aiJe

lies
.
van het verkeer, dat haar door de automo1iel
transporten over den afstand van 10-30 km he-

werd berokkend, buitegewoon hoog aangeslagen. Dit
draagt, en over grooteren afstand tot 72.6 pOt .sLij

is heel goed te begrijpen, omdat zij daarmede tege-
terwijl het heroepsvervoer veel lager begint, namelijk
lijkertijd een zondebok voor de tekorten van. het ver-
op 24.4 pOt. en dan tot 70.3 pOt. stijgt. Het vracht-

leden en een motiveering voor de toekomstige maat-
autotransportbedrijf heeft dus

3veneeng een zeer le-

regelen tegen den automobiel had gevonden. De di-
vendig aandeel in het transport van goedkoope iriasa

rebtie

der

S.B.B.

schrijft

hijv.

in

het

genoemde
goederen.

verslag van 7 Febr. 1933: ,,De jaarlijksche mindere
Indien men de vrachtkosten van

de

transporten
inkomsten tengevolge van de concurrentie van den
per vrachtauto berekent volgens de spoorwegtarieven,
automobiel zouden op het oogenblik, na aftrek -van
dan blijkt, dat deze in die
vijf
maanden een waarde
de meerdere bedrijfskosten,

welke

voor

de

Bonds-
vn

Frs.

9.756

miii.

voor

het

eigen

vervoer

en
Spoorwegen door een dergelijk verkeer zouden out-
Frs.

9.027

mill.

voor

het

beroepsvervoer

hadden,
staan, op ten minste Ers. 40 mili. worden geraamd.
terwijl de Bondsspoorwegen en de particuliere spoor-
Bij kapitalisatie van dit jaarhjksch tekort resulteert
wegen (na aftrek van ruim 20 pOt. voor het inter-
een bedrag van Frs. 8-900 miii., dat.
. . .

ongeveer
nationale vrachtgoederenv’erkeei

efl voor het trans-
overeenkomt met den

thans

bestaanden

enormen
port van pdst en bagage, welke hij de vrachtauto’s ôf
schuldenlast van de Bondsspoorwegen.”

(Blz. 36).
niet voorkomen, 5f niet worden inbegrepen) in die
Men beschikt in Zwitserland gelukkig over zeer
vijf maanden naar raming voor Frs. 64 mili. hebben
goede gegevens voor de beoordeeling van dit vraag-
vervoerd. Die Frs. 18.783 mili. zijn echter niet alge-
stuk, want, nadat het volk een op 18 Sept.’ 1934 door
heel vrachtverlies (en zeer zeker niet winstderving!),

het Parlement
.
aangenomen wet inzake de regeling
want een deel van de vrachtauto’s bedient streken,
van het vervoer van goederen en -dieren met motor- waar geen spoorwegen zijn (slechts de helft van alle

voertuigen bij referendum van 5 Mei 1935 had ver- plaatsen in Zwitserland heeft spoorwegaansluiting)
woren, besloot de Bondsveigadering op 15 Juni 1936
of voert zelf verkeer toe aan de spooiwegen.
op voorstel van den Bondsraad een omvangrijke sta-
Ook, indien men rekening houdt met de transpor- tistische enqu5te omtrent liet. goederenvervoer met
ten over een korteren afstand dan 10 km, meent de

motorvoertuigen in te ‘stellen. Bondsraad (in zijn boodschap van 18 Juni 1937), dat

Op grond vtn de resultaten voor de maanden ,Iuli
het verlies voor de spoorwegen rond Frs. 12 mill.

tot November 1936 blijkt, dat 63 pOt. van alle trans-
bedroeg, of, gerekend over het jaar

rekening hou-

porten

per

vrachtauto

in

tonnen

uitgedrukt voor
dende met het feit, dat die vijf maanden voor het

rekening

van

het eigen

vervoer

komen,

de

rest
vrachtautoverkeer gunstig zijn en ongeveer 48 pOt.

voor rekehing van het heroepsvervoer en het z.g. on-
van de jaarlijksche transporten omvatten

Frs. 25

echte eigen vervoer, waaronder men verstaat vervoer,
milL 1-liervan komen voor rekening van de S.B.B.

voor rekening van derden door eigenaren van vracht-
Frs. 22 mill., voor clie van cle particuliere spoorwe-

wagens, die in hoofdzaak eigen goederen vervoeren,
gen Frs. 3 mill.

Indien men het veikeer in ton-km berekent, dan blijkt
Anderzijd.s moet ook rekening worden gehouden
de verhouding van• beroepsvervoer tot eigen vervoer
met de voordeelen, welke het automobielvervoer ,voor

te bedragen 50.4
:
49.6. De verschuiving in de verhou-
de spoorwegen medebrengt, eenerzijds door het toe-
dihg ontstaat, doordat het eigen vervoer wel grootere
voeren van transporten, anderzijds als klant van de
massa’s vervoert echter over Icortere afstnden.
spoorwegen wat betreft aanvoer van benzine, auto’s
Indien men

alle

transporten

op

100

stelt,

dan
en

auto-onderdeelen,

e,nz.

Indien

men

nu

bij

die

komen voor rekening van de transporten van boven
Frs. 25 mili. aan vrachten, welke de Bondsraad als
10 tot 50 km (kleinere afstanden werden niet mede-
maximum opvat, rekening houdt met de transporten,
gerekend) bij het eigen vervoer 23.5 pOt. (d.w.z. bijna waarvoor een wettelijke regeling wordt, verlangd, laat
de helft van die’ 49.6 pOt.)

bij het’ beroepsvervoer
men dus zoowel het eigen vervoer er buiten, dat Vrij

daarentegen 9.1, pOt. Voor den afstand van 50-100
moet blijven, evenals het beroepsvervoer over korten

km bedraagt het eigen vervoer 16.6 pOt. van de totale
afstand, dan blijkt, dat bij den huidigen stand van de
ton-km, het beioepsvervoer 15.2 pOt. en op afstanden
concurrentie tusschen rails en weg het voordeel, dat
van 100-150 kin heeft reeds het beroepsvervoer met
voor de spoorwegen uit een regeling van het automo-
13.9 pOt. de overhand boven.’het eigen ‘vervoer met
hielvervoer zou ontstaan, minimaal is, en indien men
5.9 ‘pOt. Evenzoo op de grootere afstanden: 12.2 pOt.
rekening houdt met de voordeelen, welke de automobiel

AANVOER VAN GRANEN.
(In tons van 1000 kg.)

Rotterdam

.
Amsterdam
Totaal

Artikelen
27Feb.-5
Mrt,I
Sedert

Overeenk.,
27
Feb.-5
Mrt.I
Sedert
Overeenk..
19 38
1
37

.1938

1Jan.
1938
tijdvak
1937 1938
1Jan.
1938
tijdvak
1937

Tarwe

.’ …….

……….
41.242

203.755
232.471′.
500
2.127
6.700
205.882
239.171
Rogge

……………..5.766
.

.
35.970
59.552-

. –
647
35.970 60.199
Boekweit …………….

120

.
,

2.184

2.036
.-‘
. –

2.184
.

2.036
Mais
………………
20.165 263.291
238.372′
284
26.758


38.544
290.049 276.916
Ge’rst

………………
‘5.035 59.451
87.498′

2.101
4.354 61.552 91.852
3.450

. .

54:756
30.602

1.036
2.180
55.792 32.782
Haver

……………..
1.437

.

21.276
27.011.
2,240
60.152
46.622
81.428 73.633
Lijnzaad

……………
Lijnkoek ……………
1.454
. –
15.005
9.485
,

,

– ‘
15.005
9.485
Tarwemeel ………….
1.631
10.609
6.385.
50
3.540
1.225
14.149
7.610 Andere meelsoorten ….
541 7.061
8.568
125
983 686
8.044
9.254

9
Maart 1938

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

185

ook
voor cle spoorwegen medebracht, dan komt men

tot de conclusie, dat de crisis van de spoorwegen in
elk geval slechts voor een gering gedeelte aan de con-
currentie van de automol)ielen moet worden toege-

schreven.
Het spreekt vanzelf, dat men in Zwitserland even-

als
in andere landen door concurrentie van de auto-

mobielen niet meer steeds kon vasthouden aan het
vastgestelde spoorwegtarief en uitzonderingstarieven

werden toegepast, daar waar concurrentie viel waar
te nemen. De directie der spoorwegen kon er even-
wel des te minder toe besluiten, de hooge uniforme

tarieven te verlagen. Met deze uniforme hooge ta-rieven, welke zij van kracht liet, overal, waar haar
monopolie gehandhaafd bleef, werkte zij vaak tot

haar eigen schade tegen het principe: ,,kleine baten


groote omzet”, dat juist zeer aan te hevelen is
voor ondernemingen met starre kosten.
In verband met de nieuwe regeling van het ver-
voerwezen zal ook de tariefpolitiek moeten worden

herzien. Hiermede stappen wij echter van cle oor-
zaken van de spoorwegcrisis af om over te gaan tot
de voorstellen, die moeten dienen om haar te over-
winnen. Hierover in een tweede artikel meer.

AANTEEKENINGEN.
Wijzigingen in de statistiek van groothandels.

prijzen.

Granen.
rfot
heden werd in ons wekelijksch overzicht van
het verloop dor groothandelsprijzon naast de termijn-
noteering voor maïs opgenomen de loco-prijs voor La

Plata maïs. Intusschen is ons gebleken, dat in verband met den
wederom in groote hoeveelheden plaats vindenden
export van Amerikaansche mixed maïs, de prijs van
La Plata maïs in mindere mate representatief is ge-worden. Mede in verband met het prijsverschil tus-
sehen heide soorten is daarom, te beginnen met ons
numer van deze week, in plaats van den loco prijs

van La Plata maïs opgenomen de
prijs
van Amen-
kaansche mixed maïs No. 2, en wel vanaf den aan-
vang van dit jaar. De gemiddelde
prijzen
voor deze

laatste soort maïs bedroegen voor de jaren 1927:
f190,50 (Maart-December), 1.928: f228,- (Januari

-December),
1929:
f
221,25 (Januari-Mei), zoo-

dat het basiscijfer 213,25 is. in verband hiermede

kunnen de in de tebel opgenomen prijzen en per-
centages voor 1938 (Amerikaansche mixed maïs No.
2) niet worden vergeleken met die der voorafgaande
jaren (La Plata maïs). Noteeringen van mixed mais

kwamen n
..jet tot stand v66r Maart 1.927 en na Mei

1929; thans echter vanaf 17 Jan., zooclat het go-

micidelde voor Jan. 1938 gebaseerd is op dc prijzen
van 17, 24 en 31 Jan.

sSteenen.
Daar het steeds moeilijk was de prijzen voor inn-
iten- en huitenmuursteen, zooals tot dusverre door
ons gepubliceerd, te verkrijgen, geven wij, te begin-
nen niet dit nummer, de prijzen voor binneninuur-
steen per 1000 stuks, rood en hoeregrauw in Guldens
en voor buitenmuursteen per 1000 stuks klinkers en
hardgrauw in Guldens. Voor de continuiteit
van
de

statistiek geven wij de prijzen voor deze soorten steen
vanaf 1927.

Cement.
De door ons tot op heden gepubliceerde cijfers voor
cement vormden een gemiddelde van cle prijzen voor
de verschillende doelen des lands, zoodat het gegeven
gemiddelde vaak afwijkingen vertoonde voor bepaalde
streken. De afwijking was echter nooit groot,
zij
be-
droeg ten hoogste pim.
f
1,50 per ton.
In verband met gemaakte opmerkingen en ten
einde in dit opzicht misverstand te voorkomen, zullen
wij, te beginnen met het nummer van de volgende
week, voortaan de prijzen van cement opnemen
franco wal Rotterdam en wel vanaf 1927.

STATISTIEKEN.
BANKDISCONTO’S.

N
e
d
5
Wi
5
sel
8
. 2

3Dec.’36
Lissabon

. . .
.411 Aug.’37

Bk

Be1.Binn.E
ff
.
2

3Dec.’36
Londen ……
2
30 Juni’32
JVrsch.inR.C.
21
3Dec.’36
Madrid ……5

9Juli’35
Athene ……….
6

4Jan.’37
N.-YorkF.R.B.l
26Aug.’37
Batavia

……..
3
14Jan.
’37
Oslo

…….. 31

5Jan.’38
Belgrado ……..
5

lFebr.’SS
Parijs

……
312 Nov.’37
Berlijn ……….
4
228ept.’32
Praag

……3

1Jan.’36
Boekarest ……..

4

15Dec.’34
Pretoria

. .
.3

15Mei’33
Brussel……….
2

16 Mei’35
Rome ……..
4

18Mei’36
Boedapest

……
4
28Aug.’35
Stockholm

.
.21

1Dec.’33
Calcutta

……..
3
28Nov.’35
Tokio….

3.285
7Apr.’36
Dantzig

……..
4

2Jan.’37
Weenen …… 3

10Juli’35
Helsingfors ……
4

3Dec.’34
Warschau .

4

18Dec.’37
Kopenhagen

….
4
19Nov.’36 Zwits.Nat.Bk.l25Nov.’36

OPEN MARKT.

1938
1914

5
28Febr.!
1

21
1
26
14
1
19

H
I~

j(~

H

2
01
2
4
Mrt.
5 Mrt. Febr.
Febr.

Juli

Amsterdam
Partic.
disc.
114

11
4

1(
4

11
4

11
4

1
12
311_31
g

Prolong.
1
12
1
12
1
12
1
1
1
I’Jg
22/4_3i4
Londen
Daggeld.
‘/,-1
112-1
113_
1
‘/i-I
‘l,-I
1/

1
1
3
/4-2
Partic.disc.
17/
33
171

17
132
1
7132
17/339115

17Ia-°Iis
4114*314
Berlijn
Daggeld
.
2
3
14-3
2(4-3
1
1
2
3
18-3
2
1
13-715
2
3
14-3
2
1
13*3
1
13

M.aandijeld
2
3
14-3
2314-3
2
3
14-3
2314-3
2
3
14-
15
116
2314-3

Part, disc.
23
18
2
7
/8
2
7
18
23
1b
3
3
21
1-
1
1
Warenw.
..
4_1/ 4_1/
4

4_1j3 4-112
4.113
411
1


Wew
York
Daggeld’)
1 1
1 1 1
8/
4

18/g-2’/,
Partic.disc.
1/
3

1/3
11
11
31
811e


1)
Koers van 4 Maart en daaraan voorafgaande weken t(m. Vrijdag.

WISSELKOERSEN.

KOERSEN IN NEDERLAND.

D
ata
New
Londen
Berlijn
Parijs
Brussel
Batavia
York 5)
5)

)
S)
S)
1)

1 Mrt. 1938
1.78%
8.96%
72.31
5.84%
30.34
10094′ 2

1938 1.78%
8.96%
72.34
5.82%
30.341
10o
3

,,

1938
1.78%
8.96%
72.31
5.83%
30.34
100
4

,,

1938
1.78%
8.96%
72-.32
5.83%
30.33
1003
5

1938
1.78%
8.96%
72.321
5.82%
30.33
100%
7

1938
1.79%
8

8.96% 72.33
5.80
30.291
100.
Laagste
d.wi)
1.78%
8.96%
72.25 5.78 30.28
100
Hoogste d.w1)
1.79%
8.97
72.37 5.86
30.36
100%
Muntpariteit
1.469 12.1071
59.263
9.747
24.906
100

Data
Zwit-
serland
Weenen
Praajz
Boeka-
Milaan
Madrid
S)
1J
rest’)
)
“)

1 Mrt. 1938
41.52%
-.
6.2%

9.40

2

,,

1938
41.49%

6.281

9.40

3

,,

1938
41.50%

6.281

9.40

4

,,

1938
41.49

6.281

9.40

5

,,

1938
41.51

6.29

9.40

7

,,

1938
41.51

6.29

9.40

Laagste d.w1)
41.47

6.27

9.37

Hoogste
d.w
1
)
41.54
34.-
6.31
1.34
9.45

Muntpariteit
48.003
35.007
7.371
1.488 13.094
48.52

D a a
Stock-
holm)
Kopen-
hagen5)
o
io
S

/
Hel-
Buenos-
Aires’)
Mon-
treal’)

1 Mrt. 1938
46,20
40.05 45.07k
3.961
47 1.78%
2

,,

1938
46.20
40.05
45.071
3.96k
47
1.78%
1938
46.20 40.05
45.071
3.961
47
1.78%
4

1938
46.20 40.05
45.071
3.961
47
1.78%
5

,,

1938
46.20 40.05
45.07k
3.961
47
1.78%
7

1938
46.20 40.05
45.071
3.97
47 1.79
Laagste d.w’)
48.121
45.02k
3.95
46%
1.78%
Hoogsted.w’
46.22k
39.97J
1
40.07k 45.121
4.-
47%
1.79%
Muntpariteit
66.671
66.671
66.671
6.268
95%
2.1878
5)
Noteering te Amsterdam.
5*)
Not, te Rotterdam.
1)
Part.
opgave.
In ‘t
iste
of 2de No. van iedere maand komt
een
overzicht
voor van
een aantal
niet wekelijks opgenomen wisBelkoersen.

KOERSEN TE NEW YORK. (Cable).

€2
a
Londen
($ per £)
Parijs
($
p.
lOOfr.)
Berlijn
($ p. 100 Mk.)
Amsterdam
($ p100 gld.)

1 Mrt.

1938
5,01%
3,26%
40,47%
55,96
2

,,

1938
5,01%
3,25% 40,48
55,96
3

,,

1938
5,01%
3,25%
40,46%
55,98
4

,,

1938
5,01%
3,25%
40,4434
55,90%
5

,,

1938
5,01%
3,25% 40,43
55,9034
7

,,

1938
5,00% 3,23%
40,39 55,83

8 Mrt.

1937
4,87
81
1
32

4,56%
40,20
54,73
filuntpariteit..
4,86
3,90%
23,81%
40%

pp

186

.

0

CROOTHANDELSPRIJZEN VAN BELANGRIJKE VOEDINGS- EN GENOT

-.
GERST
6415 kg

MAIS


R000E
TARWE BURMA RIJST
BOTER per kg.
KAAS
Edammer
EIEREN
iussische
Rotterdam per.2000 kg.
.
74kg Russi-
sche

loco
Rotterdam per 100 kg.
Loonzein
Cwt. f.o.b.
per
maar
Gem. not.
.
e

ing

La Plata ‘)
1) 1)

Rotterdam
Rangoon(Basseii
Leeuwar-
derCornm.
Elermijn
Roermond
v.I6Febr.jt.
Rotam
per2000 kg.
1 of 2 mnd:
No. 2′)
per 00

g.
of 2 mnd. Locoprijs
H

Not.
eering
Centr.
per 50 kg.
%
t
%
f-;
0-f
% 1
%
1
%
1
%
sh.
t
%
f
f
%
t
%
1927
237,-
110,2
171,50
89,3

176,-
87,1
12,47
5

102,5 13,82
5

110,1
14,75 109,3
6,83
1Ö4,5 1113
1
14
2,03 98,4

43,30
95,0 7,96
99,3
.

1928
228,50
106,2
208,50
108,6 226,-
111,9
13,15
108,1
12,57
5

100,1
i3,47
5

99,9 6,43
98,4
10!714
2,11
102,3

48,05
105,4
7,99
99,6
1929
179,75
83,6
196,-
102,1

204,-
101,0
10,87
5

89,4
11,27
5

89,8
12,25
90,8
6,34 97,0
1016
2,05
99,4

45,40
99,6
8,11
lOIl
1930
111,75
52,0
118,50
61,7

136,75
67,7
6,225 51,2 8,27
5

65,9
9,67
5

71,7
5,09 77,9
815
1,66
80,5

38,45
84,4 6,72
83,8
1931
107,25
49,9
78,25
40,8
84,50
41,8
4,55
37,4
4,65 37,0 5,55
41,1
3,09 47,3
516
1,34
64,9

31,30
68,7 5,35
66,7
1932
Z
100,75
46,8
72,-
37,5
77,25
38,2 4,62
5

38,0 4,70
37,4
5,22
5

38,7 2,59
39,6
511 l’j
0,94 45,6

22,70
49,8
4,14 51,6
1933
70

32,5
60,75
31,6 68,50
33,9
3,55
29,3 3,75 29,9 5,02
5

37,2
1,84
28,2
415
1
2

0,61
29,6
0,96
20,20
44,3
3,71
46,3
1934
w
75,75 35,2
64,75
33,7
70,75
35,0
3,325 27,3 3,25 25,9
3,57
5
,
27,3
1,74
26,6
41731
4

0,45 21,8
1,-
18,70
41,0
3,45 43,0
1935
0

68,-
31,6
56,-
29,2
61,25
30,3 3,07
5

.25,3
3,87
5

30,9
4,1251
30,6 2,07 31,7
518
112
0,49
23,7
0,99
14,85
32,6 3,20 39,9
.

1936
86,-
40,0 74,50
38,8
74,-
36,6
4,27
5

35,1
5,75
45,8 6,27
5

46,5 2,19
33,5
517
112
0,58
28,1
0,885
17,55
38,5
3,50 43,6
.

1937 137,75
64,0
105,75
55,1

III,-
55,0
8,95
73,6

8,025 63,9
8,92
5

66,2
2,70
41,3
61-
0,78
37,9
0,67
19,75
43,3
3,96
49,4

Jan.

1937
132,-
61,4
99,75
52,0

97,50
48,3
7,975

65,5
8,07
5

64,3
8,40 62,3 2,74 41,9
6/112
0,66
32,0
0,85
17,075
37,5
3,45
43,0
1ebr.
129,-
60,0
102,-
53,1

100,50
49,8 8,72
5

71,7
7,925
63,1
8,25
61,1
2,62
40,1
5110
1
1
4

0,69 33,4
0,80
18,75
41,1
3,81
47,5
Maart
133-
61,8
104,25
54,3

106,-
52,5
9,02
5

74,2
8,72
5

69,5
9,15
67,8
2,57
39,3
519
1
14
0,68
33,0
0,80
18,825
41,3
3,86
48,1
April

,,
z
149,75
69,6
110,75
57,7

115,-
56,9
10,-
82,2
9,40 74,9
10,175
75,4
2,72
41,6
6
1
-/4
0,69
33,4
0,80
16,45
36,1
3,05 38,0
Mei

,,
144,50
67,2
107,-
55,7

110,-
54,5
10,-
82,2
8,925
71,1
9,72
5

72,1
2,64 40,4
5110
1
12
0,71
34,5
0,725
17,325
38,0
2,89
36,0
Juni

,
148,75
69,2
99,-
51,6

105,-
52,0
10,15
83,4
7,52
5

59,9
8,95
66,3
2,63
40,3 5110/4
0,74
35,9
0,70
19,82
5

43,5
2,98
37,2
Juli

,,
c
149,25
69,4
108,25
56,4

III,-
55,0 9,85 81,0
8,57
5

68,3
9,975
73,9
2,68 41,0
1111
1
1,
0,77
37,4
0,68
20,15
44,2
3,74
46,6
Aug.

,,
136,50
63,5
106,50
55,5

1
12,-
55,4 9,30
76,4 7,82
5

62,3
9,225
68,4 2,86
43,8
614
0,78
37,9
0,64 21,50
47,2
3,84
47,9
Sept.
129,50
60,2
107,-
55,7

122,-
60,4
9;225
75,8 7,55
60,1
8,52
5

63,2 2,96
45,3
617
0,85
41,3
0,52
5

21,-
46,1
4,69
58,5
Oct.
Nov.
136,25
63,3

56,8

114,75
56,8 8,57
5

70,5
7,62
5

60,7
8,50
63,0
2,96
45,3
617
1
/4
1,-
48,5
0,42
23,

50,5
4,99 62,2
>
133,50
62,1
106,25
55,3

1
16,-
57,4
7,225
59,4
7,10
56,5
8,12
5

60,2

2,53 38,7
517
1
12
0,96
46,6
0,46 22,20
48,7 4,99 62,2
Dec.

,
130,25
60,6

57,3

120,75
59,8
7,30 60,0 7,05
56,1
8,025
59,5
.
2,43 37,2
55
0,84
40,8
0,60
20,80 45,6
5,24 65,3

Jan.

1938
137,-
63,7
113,75
59,2

117,25
55,0 7,65 62,9 7,45
59,3
8,40
62,3
2,35
36,0
513

.
0,80 38,8
0,61
5

21,45
47,1
4,15
51,7
1ebr.

,,
135,75
63,1
106,-
55,2

110,75
51,9
7,60
62,5
7,275
57,9 8,30
61,5
2,39
36,6
514
0,81
39,3
0,65 22,12
5

48,5
3,65
45,5
22Feb.-1 Mrt.
135,50
63,0
105,-
54,7

109,-
51,1
7,52
5

61,8
7,075
56,3
,15
60,4
2,46
37,7
5(514
0,82
39,8.
0,65
22,-
48,3
3,25
40,5
1-8 Mrt. 1938
.
132,50.
61,6
102,75
53,5

106,50
49,9
7,375

60,6
7,02
5

55,9
8,05 59,7
2,37
36,3
5
1
3/
0,82
39,8
0,65
21,50
47,2
2,95 36,8

JUTE
KATOEN
AUSTRALISCHE WOL
JAPAN. ZIJDE
RUBBER

,,First Marks” in olie gekamd
;
loco Bradtord per Ib.
13114 Dernier
Stand. Ribbed Middling Upland
Super Fine C. P
.
Crossbred Colonial
Carded SO’s Av.
,
erino 64
S

v.
c.i.f. Londen
per Eng. ton

loco
New York per Ib.
Oomra
Liverpool per Ib. wit Gr. D. te
New York per Ib.
Smoked Sheets
loco Londen p. Ib

Herl.Ned.Ct.I
Not.
Herl.Ned.Ct.l
Not. H

Not.
FIerl.Ned.Ct.
1
Not.
Herl.Ned.Ct.
1 1t
HerI.Ned.Ct.I
Not.
Herl.Ned.Ct.
Not
t
%
£
cts.
%
$cts.
cts.
,t:

pence
cts.
%
pence
cts.
%
pence
f
%
$
ets.
%
penc
1927
442,38
103,4
36.101-
43,8
93,1
17,60
36,7
102,1
7,27
133,8
96,8
26,50 244,9
104,8
48,50
13,55 105,8
5,44 93
140,2
18,
1928
445,89
104,2
36.16111
49,8
105,8
20,-
37,9
105,5
7,51
153,8

111,2
30,50
259,7
111,1
51,50
12,60
98,4 5,07 54
81,4
10,
1929
395,49 92,4
32.1413
47,6
101,1
19,10
33,2
92,4
6,59
127,2
92,0
25,25
196,5
84,1
39,-
12,28
95,9
493
52
78,4
10,
1930•
im
257,97 60,3
21.619
33,6 71,4
13,50
19,7
54,8
3,92
81,9 59,2
16,25 134,8
57,7
26,75
8,50
66,4
342
30
45,2
5,
1931
1932
192,15
44,9
17.1/7
21,1
44,8
8,50
20,1
55,9
4,28
60,9
44,0
13,-
109,0
46,6
23,25
5,97 46,6
240
15
226
3,
<
146,86
34,3
16.181-
15,9
33,8
6,40
19,5
54,3
5,39
42,5
30,7 11,75
79,7
34,1
22,-
3,87 30,2
1,56
12
18,1
3,
1933
z
128,63
30,1 15.1212 17,4
37,0
8,70
16,8
46,8
4,91
48,9
35,4
14,25
96,9
41,5 28,25
3,21
25,1
1,61
II
16,6 3,
1934
u.
115,85
è27,1
15.919
18,3
38,9
12,30
13,6
37,8
4,37
51,4
37,2
16,50
95,8
41,0 30,75
1,92
15,0
1,29


19
28,6
6,
1935 1936
X

134,52
31,4
18.11/8
17;6
37,4
11,90
17,7
49,3
5,87
42,2
30,5
14,-
84,5
36,2
28,-
2,41
18,8 1,63
18
27,1
6,
142,61
33,3
18.618
19,0
40,4
12,10
18,2
50,7
5,60
543
.

39,3
16,75
108,6
46,5
33,50
2,71
21,2
1,73
25
37,7
1937
183,46
42,9
20.8j4
20,8
44,2
11,44
20,0
55,7
5,34
89,0
64,4
23,75
132,1
56,8 35,50
3,30
25,8
1,86
5

36
54,3

Jan.

1937
166,88
39,0
18.1216
23,7
50,4
13,-
22,0
61,2
5,88 88,2
63,8 23,75
141,9
60,7
38, 3,92
30,6
2,145
38
57,3

febr.
Maart
169,23
39,5 18.18/2 24,0 51,0
13,15
21,8
60,7
5,85
85,6
61,9
23,-
133,6
57,2
35,75
3,53
27,6
1,93
40
60,3
10,
174,86
40,9
19,911
26,6 56,5
14,45
23,3
64,8
6,25
88,6
64,1
2375
138,9
59,4 37,25
3,59 28,0
1,96
44
66,3
12,
April
189,96
44,4
21.313
26,0 55,2
14,35
23,1
64,3
6,16
96,5
69,8 25,75
144,9
62,0 38,75
3,56 27,8
1,95
44
66,3
II,
Mei
201,20 47,0
22.716
24,3
51,6
13,35
22,7
63,2
6,04
97,4
70,4
26,
142,9
61,1
38,25
3,25
25,4
1,78
5

38
57,3
10,
Juni
.
186,90
43,7 20.1617
22,9
48,6
12,60
fl,3
62,1
5,96
95,6
69;i
25,50
140,2
60,0 37,50
3,28
25,6
1 80
5

36
54,3 9,6
Juli
189,87
44,4
21.1/3
22,4
47,6
12,32
21,5
59,8
5,71
95,8


69,3 25,50
142,2
60,8
37,75
3,42 26,7
1,885
34
51,3
9,1
Aug.

.
0
188,67
44,1
20.1716
18,8
39,9
10,35
19,6
54,5
5,19
98,9
71,5
26,25
145,0
62,0
38,50
3,30 25,8
1,82
33
49,7 8,8
Sept.

,,
186,01
43,5
20.1413
16,3
34,6
9,-
17,4
48,4
4,64
94,1
68,1
25,25
131,3
56,2
35,-
3,19
24,9
l,’6
34
51,3
9,-
Oct.

,,
188,16
44,0
20.1918
15,2
32,3
8,42
15,5
43,1
4,15
83,6
60,5 22,50
117,7
50,4 31,50
3,02
23,6
1,67
30
45,2
8,-
Nov.

,,
Z
185,91
43,4
20.12110
14,4
30,6 7,99
15,2
42,3
4,04
74,6
54,0
20,-
103,9
44,5 27,75
2,86 22,3
1,58
5

27
40,7
7,1
Dec.

,,
173,86
40,6
19.7/-
14,9
31,6
8,28
15,5

43,1
4,15
69,5
50,3
18,50
110,1
47,1
29,50
2,71
21,2
1,505
28
42,2
7,

lan.

1938 168,56
39,4
18.1518
15,4
32,7
8,56
15,9
44,2
4,26-
67,3 48,7
18,-
101,2
43,3
27,-
2,69 21,0
1,49
5

26
39,2
7,-
lebr.

,.
166,62
38,9
18.11/7
16,1
34,2
9,00
16,5
45,9
4,41
63,9


46,2
17,-
98,1
42,0
26,25
2,78 21,7
1,55
5

27
40,7
7,1
22 Féb.-1 Mrt.
161,43
37,7
18-1-

16,6
35,2
9,27
17,0
47,3
4,55
61,7
46,6
16,50
96,2
41,2
25,75
2,88 22,5
1,61
27
40,7
7,2
1-8 Mrt. 1938
165,90
38,8
18.101-
16,4
34,8 9,16
16,5
45,9
4,42
59,8
43,2
16,-
99,0
42,4
26,50
2,81
21,9
1,57
5
.
26
39,2
7,-

KOPER
LOOD
. –

.
IJZER:
GIETERIJ-IJZER
ZINK
ZILVER

Standaard gem. prompt en
‘Nnd

1.

n
Cleveland No. 3
(Lux III)
gem. prompt en
cash Londen
Loco Londen 1ev. 3 maanden
0
En
0
P

g. tn
franco Middlesb.
per Eng. ton
1ev. 3 maanden
per Standard

per Eng. ton
Londen perEng.ton

1
Herl.Ned.Ct.1Nt

per Eng. ton
fo.b. Antwerpen
Londen p. Eng. ton
Ounce
l-lerl.Ned.Ct.j Not.
lïied.Ct.I
Not.
H
Not.
Herl.Ned.Ct.I
Not.
HerI.Ned.Ct.I
Not.
No
.
1
%

£
f
%
£
f
%
£
f
%
sh.
f
%
5h.
f
%
£
cts.
%
pen
1927
675,10 85,9
55.13/11
295,75
106,5
24.811
3503,60
120,6
289.115
.
44,10
104,7
7219
39,10
98,9
6416
345,40
108,8
28.9111 132
101,5
26
1
1
1928
771,20
98,1
63.1419
256,15
92,2
21.314
2749,50
94,6
227.418 39,85
94,6
65110
37,90
95,9
6218
305,75 96,4
25.515
135
103,8
26
3
1

1929
e
912,55
116,1
15.9(7
281,10
101,2
23.4111
2465,65
84,8
203.18/10
42,45
100,8
7013
41,55
105,1
6819
300,80 94,8
24.1718
123
94,6
24
7
1

1930

661,10
84,1
54.1317
218,70 78,8
18.115
1716,20
59,1
141.1911
40,50
96,1
671-
35,95
91,0
5916
203,55
64,1
16.1619
89
68,5
17
11


1931
z
431,85
54,9
38.719
146,60
52,8
13.-17
1332,55
45,9
118.911
33,-
78,3
5818
28,90
73,1
5115
140,05
44,1
12.8111
69
53,1
145!
• 1932

1933
W

275,75
35,1
31.1418
104,60
37,7
12.-19
1181,30
40,6
135.18110
25,40 60,3
5816
22,20 56,2
5111
118,95
37,5
13.13
1
10
64
49,2
17″
268,40
34,1
32.11
1
4
97,25
35,0
11.16
1
1
1603,50
55,2
194.11/11
25,55
60,6
62/-
21,-
53,1
51
1

129,80
40,9
15.14111
62
47,7
18
1
/
1934
5′
226,80
28,8
30.615
82,65
29,8
11.11- 1723,15
59,3
230.715
25,-
59,3
66111
20,25
51,2
5411
103,05
32,5
13.1516
66
50,8
21
1
1
1935
u
230,95
‘29,4
31.1811
103,40
37,2
14.518
1634,25
56,2
225.1415
24,70 58,6
6812
20,25
51,2
561-
102,65
32,3
14.316
87
66,9
28″
1936
1937
298,75
38,0
38.811
137,15 49,4
17.1217
1592,-
54,8
204.12(8
28,40
67,4
73/-
22,40
56,7
5717
116,55
36,7
14.1917
65
50,0
20
1
1
488,55
62,1
54.813
208,95
75,3
23.516
2176,70
74,9
242.7110
41,30 98,0
91111
47,10
119,2
105/1
199,80
63,0
22.414
75
57,7
2011
-‘,,
,
•.
.’
Jan.

1937
F
,
461,70
58,7 51.1018
244,05
87,9
27.4/10
2060,25 70,9
229.1819
36,30
86,2
811-
34,20
86,5
7614
188,60
59,4
21.-/11
78 60,0
207/
Febr.

,,
a
522,10
66,4
58.712
248,-
89,3
27.1414
2080,65
71,6
232.1113
36,25
86,0
811-
34,75
87,9
7716
219,45
69,2
24.1018
75 57,7
20′!
Maart

,,
638,40
81,2
71.916
292,95
105,5
32.161- 2498,25
86,0
279.141- 36,15
85,8
811-
48,20
122,0
10811
289,65
91,3
32.818
77
59,2 20
11

April

,,
Z
559,70
.71,2
62.7/6
235,50
84,8
.26.4/10
2404,95 82,8
268.-/-
36;35
86,3
81/-
54,25
137,3
120
1
11
2
38
,65 75,2
26.6
1
5
78 60,0
20″
Mei

,,
545,95
69,4
60.15/-
214,95

77,4
23.1815
2256,45
77,6
251.21-
36,40
86,4
81/-
59,65
150,9
13219.
209,35
66,0
23.5111
76 58,5
20
5
1
Juni

,,
499,70
63,6
55.13/5
205,40 74,0
22.17(8
2245,10
77,3
250.216
36,35
86,3
81/-
60,60
153,3
135/-
194,55
61,3
21.13(5
75
57,7
20
Juli

510,10
64,9
56.1113
213,70 77,0
23.13111

2365,20 81,4 262.51-
45,55
108,1
1011-
59,60
150,8
13216
205,75
64,8
22.1316
75
57,7
20
Aug.

517,55
65,8
57.6/
205,25
73,9
22.1416
2388,50
82,2
264.91-
45,60
108,2
1011-
48,60
123,0
1091-
215,35
67,9
23.1618
75
57,7
19
7
1
Sept.

474,25
60,3
52.15
1
11
187,55
67,5
20.17
1
8
2323,10
79,9
258.12
1
6
45,35

1
07,6

1011

44,65
113,0
99
1
5 191,80
60,4
21.7
1
1
74 56,9
19
7
/
Oct..
413,15
52,5
46.1111
164,80
59,4
18.718
2036,85
70,1
227.51-
45,25
107,4
101/- 42,30
107,0
94/5
162,05
51,1 18.117
75
57,7
20
Nov.


1-
357,50
45,5
39.1319
150.10
54,1
16.1313
1726,80
59,4
191.141-
46,85
111,2
1041-
39,85
100,8
88/5
143,20
45,1
15.17111
74 56,9
19U
Dec.

,,
362,70
46,1
40.712
14′.,90
52,2
16.216
1734,45
59,7
193.-/-
49,-
116,3
1091-
38,80
98,2
8614.
139,-
43,8
15.915
70 53,8
18
5
/

Jan.

1938
o
367,75 46,8
40.19/6
143,50
517
15.1919
1640,65
-56,51
182.161-‘
48,90
116,1
1091-
36,50
92,4
8114
134,05
42,2
14.1819
74
56,9
19″
Febr.

,,
22
Feb.-1
353,70 45,0
39.819
137,35
49,5
15.613
1642,15
56,5
183.1111
48,90
116,1
109
1

33,45
84,6
74
1
6
128,85
40,6
14.7
1
4
75
57,7
20
3
1

Mrt.
365,45 48,5 40:15
1

138,75
50,0
15.9
1
5
1673,70
57,6 186.12/6
48,90
116,1
1091-
33,20
84,0
74/-
132,15
41,6
14.1419
75
57,7
20
1
1
1-8 Mrt. 1938
359,80 45,8
40.216
137,60
49,6
15.6111
1662,35
57,2
185.716
48,85
115,9
109/-
31,40
79,5
701-

1
126,95
40,0 14.3/2
76
58,5
2011

DDELEN EN GRONDSTOFFEN.
(Indexeijfers gebaseerd op 1927 t/m 1929 =’ 100).

GE-
SLACHTE
GE-
SLACHTE
DEENSCH
BACON
BEVROREN ARG. RUND-

CACAO G.F.
KOFFIE
Loco,R’dam/A’dam
SUIKER
Wittekrist.-
THEE
N.-Ind.thee-

0

C
t,m,
0 0
RUNDEREN
VARKENS
middelgew. No. 1
VLEESCH
Accra per 50 kg
Nederland
c.i.f.
per
1
/2 kg.
suiker loco
veiIln

A’dam
Gem.Tava-
en
c
(versch)
oer 100 kg
(versch)
oer 100kg
Londen per cwt. Londen per 8 lbs.
__________
Rotterdam! Amsterdam
Sumatrathee
E
Robusta
Superior
Hen. Ned.Ct.I
Not.
Herl.Ned.Ct.I
Nt
Herl.Ned.Ct.
totterdam totterdâm
Santos
per 100 kg.
per
1/

kg.

sii7
iEcts.
%f
%
cts.
%
1927


– –
65,15
97,8
10716
2,73 92,2
416
41,21 119,4
.68/-
46,87
5

95,5
54,10 91,4
19,125
119,6
82,75
109,2
101,3
1928
93,-
98,2
77,50
90,8
66,80
100,3
11015
3,03
102,4
51-
34,64
100,4
5713
49,625
101,1
63,48
107,3 15,85
99,1
75,25
99,3
102,2
1929
96,40
101,8
93,125
109,2 67,81
101,8
112/2
3,12
105,4
512
27,70 80,2
45110
50,75
103,4
59,90
101,2
13,-
81,3
69,25
91,4
94,7
1930
108,-
114,0
72,90
85,5
57,19
85,9
9417
2,97
100,3
4)11
21,04 61,0
34111
32
65,2
38,10 64,4
9,60 60,0
60,75
80,2 72,1
1931
88,-
92,9
48,-
56,3
35,72
53,6
6316
2,44
82,4 4/4
13,84
40,1
2417
25
50,9
27,10 45,8
8,-
50,0
42,50
56,1
53,3
1932
61,–
64,4
37,50
440
25,46
38,2
58/7
1,70
57,4
3111
11,77
34,1
2711
24
48,9
30,04
50,8 6,325
39,6
28,25 37,3
43,0
1933
52,-
54,9 49,50
58:0

30,74
46,2
7417
1,54
52,0
319
9,30
26,9
2217
2110
43,0
22,83
38,6 5,325
34,5
32,75
43,2
37,0
1934
61,50
64,9
46,65 54,7
32,94
49,5
88/1
,42
48,0
3/9′!,
8,15
23,6
21f 10
2216
16:80

14,10
34,2
28,7
18,40
15,21
31,1
25,7
4,075
3,85
25,5
24,1
40
34,50
52,8 45,5
34,9 32,5
1935
1936
48,125
53,42
5

50,8 56,4
51,62
5

48,60 60,5 57,0
32,-
36,37
48,1
54,6
8815 9316 1,19 1,48
40,2 50,0
3/3
1
1,
3/9
1
(,
8,15
12,05
23,6
34,9
3014
13,625
27,8
16,875
28,5
4,025
25,2
40
52,8
39,2
1937
71,275
75,3
61,85
72,5
42,27
63,5
9411
1,90
64,2
13
17,35
50,3
3818
16,62
5

33,9
22,375 37,8
6,22
5

38,9
53,50
70,6
53,6

lan.

1937
64,60
68,2
52,75 61,8
41,22
61,9
921-
1,81
61,1
4/-
1
1,
24,50
71,0
5418
16,75
34,1
22,125 37,4
5,575

34,9
50,50
66,7
52,0
Febr.
64,175
67,8
53,325
62,5
38,49
57,8
861-
1,80
60,8
41-
1
14
21,09
61,1
4712
18,25
37,2
24 40,6
5,72
5

35,8
53,50
70,6
52,4
Maart
66,15
69,9
54,825
64,3
39,83
59,8
89/2
1,67
56,4
318
3
14
23,-
66,7
5116
18
36,7
23,80 40,2
6,10
38,1
55
72,6
53,7
April

,,
71,-
75,0
56,25
65,9
42,32
63,6
9413 1,72 58,1
3110
20,83
60,3
4615
17,875
36,4
23,375
39,5
6,125
38,3
54,25
71,6
54,4
Mei
73,32
5

77,4
56,75
66,5
42,71
64,1
951-
1,90
64,2
412
3
14
17,30
50,1
3816
17,50
35,7
23
38,9
6,07
5

38,0
55
72,6
53,6
luni

,,
80,25
84,7
55,75
65,3
39,87
59,9
88110
2,04
68,9 4/6
1
1,
15,66
45,4
34111
17,50
35,7
23
38,9 6,525
40,8
50,50
66,7
52,7
Juli
78,45
82,8
60,85
71,3
42,63
64,0
9416
1,97
66,6
4/41/2

16,46
47,7
3616
17,50
35,7
23
38,9
6,57
5

41,1
55
72,6
55,1
Aug.


77,87′
82,2
67,875
79,6
46,32
69,6
10216
2,13
72,0
418
1
12
17,6!
51,0
391-
17
34,6
23
38,9
6,50
40,6
54,75
72,3
55,3
Sept.

,,
72,42
5

76,5
69,20
81,1
46,17
69,3
102110
1,96
66,2
4/41/2

15,97
46,3
3517
16,75
34,1
23
38,9
6,325
39,6 56 73,9
55,1
Oct.
69,97
5

73,7
70,20
82,3
43,70
65,6
9716
1,91
64,5
413
12,55
36,4
281- 15,75
32,1
22,87
5

38,7 6,40
40,0
55,25
72,9
55,0
Nov.
68,17
5

72,0
72,37
5

84,8
40,77
61,2
9016
1,95
65,9
414
12,18
35,3
2711
13,50
27,5
20
33,8 6,425
40,2
53,75
71,0
52,2
Dec.

,,
68,95
72,8
72,15
84,6
43,23
64,9
96(2
1,92
64,9
413’/,
11,07
32,1
2418 13
26,5
17,25
29,2
6,40 40,0
47,75
63,0
51,0

Jan.

1938
70,825
74,8
70,37
5

82,5
43,54
65,4
971-
1,96
66,2
4/41/2

12,18
35,3
2712
13
26,5
16,10
27,2
6,17
5

38,6
51,25
67,7
51,3
Febr.

,,
70,25 74,2
68,75
80,6
43,95
66,0
98/-
2,08 70,3 4/7
1
(,
12,44
36,0
2719
13
26,5
16
27,0 5,40
33,8
50,25
66,3
50,5
Feb.- 1 Mrt.
69,30
73,2
68,-
79,7
43,94
66,0
981-
2,17
73,3
4/10
14,12
40,9
3116
13
26,5
16
27,0
5,25
32,8
50,25
66,3
50,6
8 Mrt. ’38
69,-
72,9
67,-
78,5
45,74
68.7
102/-
2,00

67,6
4/5
1
1,
13,90
40,3 311-
13
26,5
16
1

27,0 5,12
5

32,0
50,25
66,3
49,5

GRENENHOUT
Zweedsch ongesor-
teerd 2
112
X
7
.
per standaard

VUREN-
HOUT
basis 7″ t.o.b.
Zweden/FinI.
per standaard
van 4.672 M
3
.’

‘k’OE-
HUIDEN
Gaaf,openkop
57-61 pond
Veiling te
Amsterdam

COPRA
Ned.-lnd.
f. m.s.
per 100 kg
Amsterdam

GRONDNOTEN

.
Gepelde Coromandel,
per longton
c.i.f.
Londen

.

LIJNZAAD
La Plata
loco
Rotterdam
per 1000kg.’)

GOUD

cash Londen
per ounce line
__________________
Herl.Ned.Ct.I

Not.
’02
E
E
.0

2
.5
Her!. Ned. Ct.
Not, _____________________
Her!. Ned. Ct.
Not,

T’
“ï
“T”
“7”
“7.”
7″
“3
“T”
–‘
“T”:
“3”
“T”
“ï’
f
%
‘ii”

1927
230,28
100,1
19-/-
160,50
105,1
40,43
100,9
32,62
5

106,5
266,03
106,4 21.18111
185,-
95,0 51,50
100,1
851-
105,3 104,4
124,1
1928
229,90
100,0
19.-(-
151,50
99,2
47,58
118,7
31,875
104,1
254,10
101,6
21../-
185,25
95,1
51,45
100,0
851-
102,0
100,2
94.6
1929 229,71
99,9
19.-/-
146,-
95,6
32,25 80,5
27,375
89,4
230,16
92,0
19-19
214,-
109,9
51,40 99,9
851-
92,7
95,4
84,5
1930
218,43
95,0
18.112
141,50
92,7
25,36 63,3
22,62
5

73,9
175,55
70,2
14.1014
181,75
93,3 51,40
99,9
851-
69,6
75,3
60,0
1931
187,88
81,7
16.14/-
110,75
72,5
18,65
46,5
15,375
50,2
136,69 54,7
12.2/11
95,50
49,0
52,-
101 1
9215
47,6
54,2
44,7
1932
136,14
59,2
15.1314
69,-
45,2
11,15
27,8
13,-
42,4
130,52
52,2. 15.-14
70,-
35,9
51,25
996
1181- 35,1
43,0
38,4
1933
136,48
59,3
16.1112
73,50
48,1
13,26
33,1
9,30
30,4
90,39
36,1 10.1914
75,50
38,8
51,35 99,8
12417
33,1
39,2
34,5
1934 134,02
58,3
17.1814
76,50′
50,1
12,07
30,1
6,90
22,5 71,90
28,7
9.1213
72,75 37,3
51,50
100,1
13718. 31,8
87,4
38,5
1935
127,91
55,6
17.1314
59,50
39,0
12,54
31,3
9,15
29,9
104,26
41,7
14.81-
67,25 34,5
51,50
100,1
14212
32,2
37,3
34,8
1936
139,98
60,9
17.19110
78,25
51,3
15,40
38,4
11,90
38,9
113,49
45,4
14.1119
85,-
43,6 54,60
106,1
14014
39,0
42,3
40,7
1937
205,35
89,3
22.17/2
132,25
86,6
23,35
58,2
15,22
5

49,7
127,81
51,1
14.418
110,50
56,8 63,20
122,8
14019
53,4
57,9
56,3

lan.

1937
181

78,7
20.4/-
118,75
77,8
21,50 53,6
20,625
67,3
145,04
58,0
16.319
102,75
52,8 63,45
123,3
14118
55,1
56,3
58,5
ebn.
18795
81,7
21.-/-
125,-
81,9
22,75
,

56,8
17,95
58,6
132,01
52,8
14.151-
99,25 51,0 63,60
123,6
142/1
54,1
57,1 59,5
Maart
201,84
87,8
22.12/-
135,-
88,4
25,-
62,
18,05
58,9
137,54
55,0
15.81-
106,75
54,8 63,60
123,6
142/4
57,5
61,6
64,8
April

,,
208,79
90,8
23.51-
135,-
88,4
28,50
71,1
16,87
5

55,1
138,95
55,6
15,918
114,50
58,8
63,45
123,3
14115
59,3
80,5
63,6
Mei
211,29
91,9
23.101-
137,-
89,7
26,25
65,5
14,95
48,8
127,60
51,0
14.41- 112,50
57,8 63,15
122,7
140/8
58,7
60,3
58,2
Juni
211,01
91,8 23.101-
137,50
90,1
24,25
60,5
14,32
5

46,8
130,85
52,3
14.1117
110,50
56,7 63,10
122,6
140/74
54,8
59,1
56,1
Juli

,,
212,-
92,2
23.101-
136,25
89,5

59,9
14,525
47,4
137,65
55,0
15.514
113,-
58,1
63,15
122,7 1401-
55,2
60,3
56,3
Aug.

,,
212,40
92,4
23.101-
135,-
88,4

62,4
13,95
45,6
126,66
50,6
14.-16
115,-.
59,1
63,05
122,5
13917
53,7
59,2
55,3
Sept.

,,
211,08 91,8 23.101-
135,–
88,4
25,-
62,4
13,15
42,9
120,84
48,3
13.911
115,25
59,2 63,05
122,5
14014
52,4
57,9
55,3
Oct.”
210,65 91,6
23,101-
135,-
88,4
23,-
57,4
13,50
44,1
121,70
48,7
13.1117
116,75
59,9
63,-
122,4
140164
50,4 56,2
51,2
Nov.

1
209,46
91,1
23.51-
132,50
86,8

44,9
12,50
40,8
109,57
43,8
12.313
110,50
56,7
63,10
122,6
140114
47,7 53,3
46,7
Dec,

.,
206,69 89,9
23.-/-
125,-
81,9
17,-
42,4
12,375
40,4
105,31
42,1
11.1415
109,75
56,3
62,85
122,2
139110
44,9
51,9
46,3

k
n.

1938
203,65
88,6
22.1319
123,-
80,6

47,4
11,87
5

38,8
99,85
39,9
11.216
109,75
56,3
62,65
121,8
139/7
44,4
52,1
44,7
br.,,
199,56
86,8
22,51-
122,50
80,2
17,-
42,4
10,95
35,8
95,86
38,3
10.1319
108,-
55,5
62,70
121,9
139/9
43,4
51,1
44,3
Feb.-! Mrt.
197,30
85,8
22.-(-
122,50
80,2
17,-
42,4
11,375
37,1
99,77
39,9
11.216
110,-
56,5
62,70
121,9 139j94
44,2
51,4
44,6
‘8Mrt. ’38
197,30
85,8
22.-!-
122,50
80,2
17,-
42,4
10,75
35,1
94,16
37,6
10.101- 108,50
55,7
62,65
121,8
139!84
42,9 50,5
43,5

F’ÊNKOLEN
Westf./Holl.
bunkerk. ongez.

PETROLEUM
Mid. Contin. Crude
33 t/m. 33.9
0
Bé s. g.

BENZINE Gulf Exp. 64/66°
per

KALK-
SALPETER
franco schip
ZWAVELZURE
AMMONIAK
CEMENT
levering bij
groote part.

ST E EN E
N

‘z
0,2
000

0

E.

_________
binnenmuur
p. 1000 stuks’

________
buitenmuur
f.o.b. R’dam/
A’dam per
te N.-York p. barrel

1Herl.Ned.Ct.1

U.S. gallon
Ned. per 100kg
franco Schip
Ned, per 100kg
franco wal
Rood en
p. 1000 stuks
t Klinkers en
.000
0
1000kg.

Herl.Ned.Ct.I Not.
Not.
bruto
Ned.perton)

Boeregrauwi
Hardgrauw

“7
%
ƒ
5′
ï’
“ets.
%”
“T”
“T’
‘T”
“T”
“T
%
“T
1927
11,25
103,1
3,21
103,6
1,28
37
128,0
14,86
11,48
102,6
11,44
102,5
18,-
99,1
13,65 104,3
16,50
88,4
105,1
105,2
1928
10,10
92,5 2,99
97,1 1,20
24,85
85,9 9,98
11,48
102,6
11,08
99,3
18,-
99,1
13,60 104,0 19,50 104,5
96,5 99,0
1929 11,40 104,4
3,06
99,4
1,23
24,90
86,1 10
10,60
94,8
10,96
98,2
18,50 101,8
12,-
91,7

107,1
98,4
95,8
1930
11,35
104,0
2,76
89,6
1,11
21,90
75,7
8,81
9,84
88,0
10,55
94,5
19,50
107,3
II,-
84,1
19,-
101,8
83,7
71,3
1931
10,05
92,1 1,42
46,1
0,57
12,38
42,8
4,98
8,61
77,0
7,73
69,3
14,-
77,1
10,-
76,4
15,50
83,0
60,7 54,7
1932

73,3
2,01
65,3
0,81
11,99
41,5
4,83
6,15
55,0
4,20
37,6
12,-
66,1
8,50
65,0
II,-
58,9
49,6
43,0
1
933
7,-
64,1
1,14
37,0 0,57
9,24 32,0
4,63
6,18
55,2 4,63
41,5
12,-
66,1
8,75
66,9
10,50
56,2
46,8
40,6
1934
6,20 56,8
1,40
45,5
0,94 7,18
24,8
4,84
6,11
54,6 4,70
42,1
12,-
66,1
7,-
53,5
8,50
45,5
45,2 39,0
1935
6,05
.
55,4
1,39 45,1
0,94
7,65
26,5
5,18
5,89 52,7
4,81 43,1
12,50
68,8 6,75
51,6 8,50 45,5
47,1
40,3
1936
6,60
60,5
1,63
52,9
1,04
8,86
30,6
5,65 5,70 51,0
4,82
43,2
II,-
60,5 6,75
51,6
8,75 46,9
48,7
44,3
1937
8,80
80,6
2,09
67,7
1,15 11,08
38,3
6,10 5,75
51,4
4,97
44,5
11,80
65,0 7,50
57,3
9,50 50,9
88,6
60,6

lan.

1937
8,05
73,7
1,90
61,7
1,04
10,6
1

36,7
5,81
5,65
50,5
4,85 43,5
II,-
60,5
7,-
53,5
9,-
48,2
62,5
59,1
1ebn.
8,25
75,6 2,12
68,8
1,16
10,95
37,9
5,99
5,70 51,0
4,90
43,9
11,85
65,2
7,-
53,5
9,-
48,2
65,0
60,1
Maart
8,30
76,0 2,12
68,8
1,16 11,16
38,6
6,10
5,75 51,4
4,95
‘44,4
11,85
65,2
7,-
53,5
9,-
48,2
74,1
66,6
April

,,
8,55 78,3 2,12
68,8
1,16 11,30
39,1
6,18
5,80
51,8
5,-
44,8
11,85
65,2 7,25 55,4
9,25
49,6
68,6 64,4
Mei

82,4
2,11
68,5
1,16
11,46
39,6
6,30
5,85
52,3
5,05 45,3
11,85
65,2 7,25
55,4 9,25 49,6
71,1
64,5
‘uni

9-
82,4
2,1
1

68,5
1,16
1148
39,7
6,31
5,85
52,3
5,05 45,3
11,85
65,2
7,25
55,4
9,25 49,6
70,1
63,1
juli

,,
9-
82,4
2,11
68,5
1,16
1158
40,0
6,38
5,60
50,1
4,80
43,0
11,85
65,2
7,45 56,9
9,50 50,9
70,5 63,5
Aug.

,.
9,-
82,4 2,10
68,0
1,16
11,57
40,0
6,38
5,70
51,0
4,90
43,9
11,85
65,2
7,45
56,9 9,50
50,9
68,4 61,7
Sept.
9,-
82,4
2,11
68,5
1,16
11,56
40,0
6,38
5,75
51,4
4,95
44,4
11,85
65,2
7,45
56,9

9,50
50,9 65,8 59,7
Oct.

,,
8,95
82,0
2,10
68,0
1,16
11,25
38,9
6,22
5,80
51,8
5,-
44,8
11,85
65,2
8,25
63,1
9,75 52,2
62,4
56,9
Nov.

,,
9,-
82,4
2,09
67,7
1,16
10,49
36,3
5,82
5,85
52,3 5,05
45,3
11,85
65,2
8,25
63,1

9,75
52,2
59,3 54,0
Dec.


9,35
85,6
2,09
67,7
1,16
9,60 33,2
5,34′
5,95
53,2
5,15
46,1
11,85
65,2
8,25
63,1
,
9,75 52,2
58,7
52,4

Jan.

1938
9,90 90,7
2,08
67,4
1,16
9,34 32,3 5,20
6,05
54,1
5,25 47,0
13,35
73,5
8,50 65,0
10,50
56,2
59,3
‘52,5
Febr.

,,
9,90
.90,7
2,08
67,4
1,16
9,10
31,5
5,09 6,10
54,5
5,30 47,5
13,35
73,5
8,50 65,0
10,50
.56,2
58,3
51,5
Feb.-1 Mnt.
9,90
90,74
2,07
67,1
1,16
9,05 31,3 5,06 6,10 54,5
5,30 47,5
13,35
73,5
8,50
65,0
10,50
56,2
58,5
52,0
-8 Mrt. ’38
9,90
90,7
2,08
67,4
1,16
9,04 31,3 5,06 6,15
55,0
‘5,35
47,9
13,35
73,5
8,50 65,0
10,50
56,2
58,0
51,2

188

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9 Maart 1938

KOERSEN TE LONDEN.

1
Plaatsen en
Landen
Noteerings-
eenheden
19
Febr.
1938
26
Febr.
28
Febr.15
Mrt.’38
1938

1Laa
g
stelHoo
g
ste
l

5
Mrt:
1938

Alexandrië..
Piast. p.
£
9734 9734
97%
97%
9734
Athene

….
Dr. p.
54734
54734
540
555
54734
Bangkok ….
Sh.p.tical
1110163
111017,
111017
111017,
1/10
Budapest

..
Pen. p.
£
.5%
2534
25
2534
2534
BuenosAiresi
p.pesop.g
18.97
19.12
19.04
19.15 19.10
Calcutta ….
Sh p. rup.
116%
1/634
1
1
68
182
1
1
65
1
82

1/634
Istanbul

..
Piast. p.
£
620
621
622
622
622
Hongkong ..
Sh. p.
$
113
113
11231
1/334
113
Sh. p. yen
1/2
111
63
1
1/1134,
112
1
/
82

111
63/
Lissabon….
Escu. p. £
110V
18

11094
e

110
.110%
11034
6

Mexico

….
$per
18
18 1734
1834
18
Montevideo
,
d.perC
2134
2134
21
2234
21%

Kobe

…….

Montreal

..
$
per
£
5.01% 5.02%
5.01%
5.02%
5
.01
1
7
8
Rio d. Janeiro
d. per Mil.
2%
2%
2% 2%
213/
16

Shanghai

..
5h. p.
$
1/2%
1/234
6

1
/
2
ij2%
1/2346
Singapore ..
id. p.
$
214
5
1
214
8
1
214
214%
2
14
3
/
82

Valparaiso2).
$per
125
125 125
125
125
Warschau ..
Zi. p.
£
2634 2634
2634
26%
2634

uiric. not.
i

laten, gem. not., welke imp. hebben te betalen 10
Dec. 1936 16.12.
2)
90 dg. Vanaf 13 Dec. 1937 laatste ,export” noteering.

ZILVERPRIJS

GOUDPRIJS
8)

Londen’) N.York2)

Londen
1 Mrt. 1938..
20
346

44%

1 Mrt. 1938….

139/91
2

,,

1938..

20346

4434

2

,,

1938….’

139110
3

,,

1938..

20346

44%

3

,,

1938….

13919
4

,,

1938..

2034

44%

4

,,

1938….

139191
5

,,

1938..

20346

5

,,

1938….

13919
7

,,

1938..

2034

44%

7

,,

1938….

139181

8 Mrt. 1937.. 20%

45

8 Mrt. 1937….

14217

27 Juli

1914.. 24%

59

27 Juli

1914….

84110%
I)
in pence p.oz.stand.
2)
Foreign silver in $c. p. oz. line.
3)
in sh. p. oz. line

STAND_VAN_’s_RIJKS_KAS.

Vorderingen.
1

23Febr.1938
1

28Febr.1938
Saldo van ‘s Rijks Schatkist bij De Ne-
derlandsche Bank ………………
fl28.521.785,30
1108.949.795,90
Saldo b. d. Bank voor Ned. Gemeenten
,

378.409,65
.
,,

1.073.389,06
Voorschotten op ultimo Januari 1938
ald. gemeent. verstr. op a. haar uit te
keeren hoofds. der pers, bel., aand. in
de hoofds. der grondbel. en der gem.
fondsbel., alsmede opc. op die belas-
tingen en op de vermogensbelasting


,,

16.651.646,83
,,

17.881.262,63
Voorschotten aan Ned.-Indi

………
Idem aan Suriname ………………
12.704.086,99
….
,,

12.813.668,67
Kasvord.weg.credletverst,ajh,bultenl,
,, 100.254.278,71
,, 100.541.514,74
Daggeldieeningen tegen onderpand..
Sldo der
postrek.v.Rijkscomptabelen

35.997.296,95
.

ord. op het Alg. Burg. Pensioenf.’)… V
a
.

39.571.823,48
,,

Vord. op andere Staatsbedrijven’)
6.359.261,32
,,

6.864.161,14
Verplichtingen

Voorschot door De Ned. Bank ingev.
art.

16 van haar octrooi verstrekt
– –
Schatkistbiljetten in omloop ………
234.239.000,-
/234.239.000,-
Schatklstpromessen in omloop ……
51.500.000,-
,
51.500.000,-
1.097.387,-

.

,,

1.097.117,-
Schuld

op

ultimo Januari

1938 a/d.

./

gem. weg. a. h. uit te keeren hoofds.d.

Zilverbons In omloop …………….
…..

pers. bel., aand.
1.
d. hoofds. d. grondb.

..

e. d. gem. fondsb. alsm. opc. op die
bel, en op de vermogensbelasting
..
,.

11.857.558,74 11.857.558,74
,,

1.349.107,94
,,

1.343.783,66
Schuld aan het Alg. Burg. Pensioen!.’)
Id.

h. Staatsbedr. der P.T.
.

14.805.831,50
,,

12.916.467,07
Schuld aan Curaçao’) ………………

a.

en T.’) …
,, 189.967.901,48

,, 183.750.022,63
22.000.000,-
Id, aan andere Staatsbedrijven’)………22.000.000,-
Id. aan diverse instellingen’) ……..

.
53.335.281,68
152.948.534,99
1)
In rekg.-crt. met ‘s Rijks Schatkist.

NEDERLANDSCH-INDISCHE
VLOTTENDE
SCHULD.
1 26 Febr. 1938

1
5 Mrt. 1938


f
Saldo b. d. Postchêque- en Girodienst
f

265.000,-

Saldo Javasche Bank

………………

Verplichtingen:
Voorschot’s Rijks kase.a. Rijksinstell
17.739.000,-

15.500.000,-
16.536.000,-
•,,
,

15.500.000,-
Schatkistbiijetten in Omloop ………
,,

5.000.000,-
,,

5.000.000,-
Schatkistpromessen in omloop……….

Schuld aan het Ned.-lnd. Muntfonds
,,

1.389.000,-
1.389.000,-
Idem aan de Ned.-Ind. Postspaarbank
908.000,-

.

,,

1.073.000,-
Belegde kasmiddelen Zelfbesturen
,’

630.000,-
630.000,-
Voorschot van de Javasche Bank
,,

4.397.000,-
,,

7.086.000,-
1)
Betaalmiddelen In
‘s
Lands Kas
/
30.224.000,-.

SURINAAMSCHE BANK.
Voornaamste posten in duizenden guldens.

Data
Metaal
Circu-
lat ie
Andere
opeischb.
schulden
Discont.

5 Febr.

1938,,
867
1.226 615
585
11245
29 Jan.

1938.,
868
1.247 561
592
1.254
22

1938..
864 1.024
602
594 1.247
15

1938..
850
1.083
565 595
1.250
8

1938,,
84
1.127
604 597
1.233
1
Juli

1914..
645
1.100
560
735
396

NEDERLANDSCHE BANK.
Verkorte Balans op 7 Maart 1938.

Activa


Binnen!.
Wis.
(Hfdbk.
f

8.239.668,09
sels, Prom., Bijbnk.
,,

95.966,37
enz.in
disc.Ag.sch.
,,

341.072,30

8.676.706,76
Papier o. h. Buiteni. in disconto ……

Idem eigen portef.
f
5.226.000,-
Af: Verkocht maar voor
de bk.nog niet afgel.

5.226.000,
Beleeningen

Hfdbk. f 258.022.243,17
1
)
ncl.
vrsh.
Bijbnk. 2.168.866 04
rn
rek.-crt. Ag.sch.
,
25.239.395 55
op onderp.

f
285.430.504,76

Op Effecten ……

283.983.849,77
1
)
OpGoederenenSpec.

1.446.654,99

285.430.504,761)
Voorschotten a. h. Rijk …………….
,,


Munt, Goud ……
f
113.607.475,-
ktuntmat., Goud .. ,,1.342.199.355,95

(1.455.806.830,95
Munt, Zilver, enz.

14.607.868,82
Muntmat. Zilver


1.470 414.699,77
6
)
Belegging van kapitaal, reserves en pen.
sioenfonds ……………………
,,

41.822.734,05
Gebouwen en Meub. der Bank ……..
,,

4.600.000,-
Diverse rekeningen ………. . ……..
,,

8.280.983,27
Staat d. Nederl. (Wetv. 27/5/’32, S. No. 221)
,,

10.193.915,19

Passiva

fl.834.645.543,80
_________________________
apitaa1 …..
…………………..
f

20.000.000,-
Reservefonds ……………………
,,

4.338.707,82
Bijzondere reserve ………………
,,

6.600.000,-
Pensioenfonds ………………….
,,

11.152.997,20
Bankbiljetten in omloop …….
…….
,,
883.907.575,_
Bankassignatiën in omloop ……….
,,
78.146,86
Rek.-Cour.
J
Het Rijk
f
100.526.563,90
saldo’s: ‘1 Anderen ,,802.730.133,45

903.256.697,35
Diverse rekeningen ……………… ,,.5.311.419,57

f
1.834.645.543,80

Beschikbaar metaalsaldo …. … ……
f
755.891.264,34
Minder bedrag aanbankbi!jetten in om-
loop dan waartoe de Bank gerechtigd is
,,
1.889.728.160,-
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank
ondergebracht ………………..
,,


1)
Waarvan aan Nederlandsch-lndlë
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad No. 99) ……../ 65.883.125,-
2).
Waarvan in het buitenland ……………………. .126.296.660,37

Voornaamste posten in duizenden guldens.

Goud

Andere Deschikb. Dek-
Data

Circulaf ie opeischb. Metaal- kin
es
Munt
IMuntmat. schulden saldo perc.

7 Mrt, ’38 113607 1.342,199 883.908 903 335 755.891 8
28 Febr. ’38 113607 1.322,213 901.739 852.878 749.976 83

25 Juli ’14 65.703 96.410 310.437 6.198 43.521 54

Belee-

rupwr ,
j,verse
Data

1
bedrag
1
promessen
1
1
op hef
1
reke-

Idisconto’slrechtstreeksl ningen

buiteni. 1 ningen’)

7 Mrt. 1938

8.677

.-

285.43

1

5.226

8.281
28 Febr. 1938

8.967

271.091

5.226

8.557

25 Juli 1914 67.947

61.686 20.188

509
‘)Onder de activa.

JAVASCHE BANK.

Dat a

Goud

Zilver

Circulatie
opeischb.
metaal-
ach ulden
saldo

5 Mrt,.’38
2
)
136.150
187.870
.79.790
29.086
26 Feb. ‘389J
135.520 183.370 81.640
29.516

5Feb. 19381
116.5741

18.746
190.756
75.859
28.674
29Jan.
1938
F
116.574

18.652
185.010
78.108
29980
25
Juli19141
2
2.057 _31.907
110.172
12.634
4.842

Wissels,
1
1

Diverse

1
Dek-
Data
bulten

1
Dis-
Belee-

1
reke-

t
kngs-
t

N.-Ind.

1
conto’s
ningen
1
percen
1

befaaib.

1 1
1)
ningen
toe

5 Mrt,
1
38
2
)
2.460
78750
65.360
51
26 Feb.
1
38
9
)
2.670
77.240
64.680
51

5Feb 1938
2.585
11.022
51.42
64.612
51
29Jan.1938
3.194
10.860
52.350 63.157
51
25 Juli 1914
6.395
7.259 75.541
2.228
44
‘)
Sluitpost activa. 2)
Cijfers
telegrafisch
ontvangen.

Auteur