Ga direct naar de content

Jrg. 22, editie 1121

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 23 1937

3 JUNI 1937

AUTEURSRECHT’ VOORBEHOUDEN.

Ec

onomisch,wStatistische

Ben*chten

ALGEMEEN
WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

ORGAAN VOOR DE MEÔEDEELINCEN
VAN DE CENTRALE COMMISSIE VOOR DE RIJNVAART’

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

22E JAARGANG

WOENSDAG
23 JUNI 1937

No.
1121

COMMISSIE VAZ’ REDACTIE:

P. Lieftinck; N. J. Polak; J. Tinbergen; F. de Vries en

H. Al.
H.
A. van der Valk (Redacteur-Becretaris).

Assistent-Redacteur: L. R. W. Boutendijk.

Redactie-adres: Pieter de Hoochweg 122, Rotterdam.

Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatwag.

Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408.

Advertenties voorpagina f 0,50 per regel. Andere pagi-

na’s f 0,40 per regel. Plaatsing bij abonnement volgens

tarief. Administratie van abonnementen en advertenties:

Nijgh d van Ditmar N.V., Uitgevers, Rotterdam, Am-

sterdam, ‘s-Gravenhage. Postchê qua- en giro-rekening

No. 145192.

Abonnementsprijs voor het weekblad

franco p. p. in

Nederland f 16,—. Abonnementsprijs Economisch-,Statis-

tisch Maandbericht f 5— per jaar. Beide organen samen

f 20,— per jaar. Buitenland en K’oloniën resp. f 18,—,

f 6,— en f 23,— per jaar. Losse nummers 50 cent. Do na-

teurs en leden van het Nederlandsch Economisch Instituut

ontvangen het weekblad en het Maandbericht gratis en

genieten een reductie op de verdere publicaties.

INHOUD.

BIz.

HET VOORONTWERP LANDBOU WORDENINOS WET 1937
door

Jan Schilihuis ……………………………..
464

De toekomstige ontwikkeling van onze zuivelpositie

door
J. Bvter

……………………………..
466

Internationale unificatie van het zeerecht door
Mr. B.

E. Scheffer ……..t
.
………………………..
468

Over rentabiliteitsschommelingen in de varkeushouderij
door Ir. S. H. de Jong ………………………..
470

De Rijksmiddelen over Mei
1937
…………………
472

BUITENLANDSOHE MEDEWERKING:

Een nieuwe financieele crisis in Frankrijk door
Dr.

H
. Weichmann…………………………..
473

AANTEEKENINGEN:

De Japansche kleinindustrie II (Slot) …………
475

De zichtbare suikervoorraden in de wereld ……
477

MAANDCIJFERS:

Overzicht van den stand der Rijksmiddelen ……
477

Emissies in Mei
1937
……………………..
478

ONTVANGENBOEKEN
…………………………..
478

Statistieken:

Groothandeisprijzen
………………………………..
480-481
Geldkoersen-Wisselkoersen-Bankstaten
……………..
479, 482

GELD-, KAPITAAL- EN WISSELMARKT.

Op de contante wiss1markt was in de week onder
verslag uitermate weinig beweging, dank zij de acti’-
viteit der verschillende Egalisatiefondsen, waarvan
voornamelijk het Fransche zwaar heeft moeten inter-
venieeen om een koersinzinkiug te vermijden. Meer
en meer wint de overtuiging veld, dat het onmogelijk
zal zijn een verdere daling van den Franc te ver-
fl1ijden. De financieele politiek van de Regeering
Blum moest op den duur daartoe onvermijdelijk lei-
den. Maar ook, wanneer een nieuwe Regeering aan
het bewind komt, is het allerminst uitgesloten, dat tot
verdere devaluatie wordt overgegaan, opdat eener-
zijds de schatkist in de meest dringende financierings-
behoefte kan voorzien door de boekwinst op den goud-
voorraad, en anderzijds de last van de enorme staats-
schuld reëel verlaagd wordt. Zoowel v66r als na den
val van het kabinet Blum. bleek uit het omvangrijke
termijnidisagio voor Francs, dat men de toekomst
yoor het Fransche betaalmiddel ongunstig .inzag. 1

let
disagio voor drie-maandsfrancs steeg tot 45 h 50 cts.,
hetgeen dus op 30 k 35 ets. beneden het minimum-
peil, waartoe volgens de devaluatiewetten de koers
mag dalen, uitkomt. De situatie op de wisselmarkt

was aanleiding tot verscherpte bepalingen voor de
Fransche banken inzake het verleenen van voorschot-
ten aan buitenlanders en disconteeren van handels-
papier, welke laatste operaties beperkt werden tot
het strikt. bankabele papier, waaraan een handels-
transactie met Frankrijk ten grondslag ligt. Het ver-
hoogde disconto is bovendien onmiddellijk effectief geworden, zooals overigens in Frankrijk te doen ge-
bruikelijk is. Tenzij het mogelijk mocht blijken een Regeering te vormen, die de financiën van het land
op werkelijk conservatieve
wijze
wil san.eeren, en
bovendien daartoe den steun van de volksvertegen-
woordiging, al dan niet na nieuwe verkiezingen, kan
krijgen, zal de onzekerheid rondom den Franc nog
lang kunnen voortduren.
Pond en Dollar toonden in de verslagweek weinig
beweging. Het goudvraagstuk is weer even op den
achtergrond gekomen, het disagi.o ten aanzien van de
Dollarpariteit is teruggeloopen en de arbitrage krijgt
weer wat ‘meer moed. Volledigheidshalve moet iii dit verband nog melding worden gemaakt van de ophef-
fing hier te lande van het goudembargo. Deze maat-
regel, destijds accessoir aan het vérlaten van den
gouden standaard, heeft sedertden beginne geen nut
gehad, en er was reeds lang geen enkele aanleiding
meer om niet tot opheffing te besluiten. De directe
consequentie is geweest een aanpassing var, den hin-nenlandschen goudprijs aan den wereldprijs, beneden
welken hij nog steeds een klein disagio toonde.
De beleggingsmarkt blijft gunstig gestemd, en de
conversie-stroom begint weer grooteren omvang aan

te nemen,
terwijl.
de koersen waartegen uitgeeveu
wordt eerder stijgend zijn. Alle emissies kunnen zich
in een groot succet verheugen. Het 314 pOt-type
wordt algemeen aanvaard, en verdere daling van de
rente wordt niet uitgesloten geacht, wellicht mede in
verband met ,,dishoarding” van goud.

1
464

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1937

HET VOORONTWERP LANDBOUW-

ORDENINGSWET 1937.

Dat de publicatie van dit voorontwerp met de daar-
bij behoorende Memorie van Toelichting een goede
maatregel is geweest, blijkt reeds uit de groote be-
langstelling, welke deze stukken hebben gewekt. In
tijdschriften, adressen aan den Minister van Land-
bouw en Visscherij en op andere wijze zijn reeds ver-scheiden meeningsuitingen over het voorontwerp be-
kend geworden en ongetwijfeld zullen er nog meer
volgen. Tot dusverre heeft men zich vrijwel uitslui-tend in afkeurenden zin uitgelaten, zoowel uit agra-
rischen als uit commercieelen kring. Juist ook uit
die algemeen blijkende afkeuring is het nut van de
publicatie van het voorontwerp duidelijk gebleken.
De kans is daardoor namelijk
ongetwijfeld
toegeno-
men, dat een wetsontwerp tot regeling van het toe-
komstige landbouwbeleid der Regeering, dat even-
tueel de Tweede Kamer zal bereiken, er anders zal
uitzien dan dit voorontwerp. Een ernstig gevaar voor
ons economisch bestel kan daarmee zijn afgewend.
Tot de uitingen in afkeurenden zin over het voor-
ontwerp valt het artikel van Ir. M. B. Smits te reke-
nen, dat verschenen is in het nummer van E.-S.B.
van 19 Mei. In dat artikel werd het voorontwerp
echter, uitsluitend van uit agrarisch oogpunt beke-
ken en een beschouwing over het voorontwerp Land-
bouwordeningswet is niet volledig, wanneer daarin
niet de invloed wordt betrokken, welken een wet van die samenstelling hebben zou op handel en industrie.
Voor tal van onderdeelen der niet agrarische be-
drijfstakken is het ontwerp namelijk van zeer groot
gewicht. Het wordt weliswaar aangediend als een
regeling tot het verkrijgen van ordening in den land-
bouw, doch zijn ware beteekenis is een geheel andere.
Zooals Ir. Smits in zijn beschouwing opmerkte, valt
er in de bodemcultuur heel wat te ordenen en hij
gaf daarvan verschillende voorbeelden. Nu loopen de
meeningen over hetgeen onder ordening valt te ver-
staan nog altijd sterk uiteen evenals over den vorm
van ordening, welke als de juiste behoort te worden
nagestreefd. Vrij algemeen wordt echter aangenomen,
dat ordening in het bedrijfsleven het samenstellen
van regelingen is, welke ten doel hebben, het geza-
menlijk belang te bevorderen van hen, die in een
bepaalden bedrijfstak werkzaam zijn (bedrjfsgenoo-
ten). Of nu die regelingen moeten opkomen uit den
bedrijfstak zelf, dan wel of de regelingen door de
overheid aan den bedrijfstak dienen te worden opge-
legd, kan hier in het midden worden gelaten. Het
voorontwerp Landbouwordeningswet en zijn Toelich-
ting gebruiken nu wel telkens het woord ,,bedrijfs-
genooten” en wekken daarmee evenals in den naam
van het ontwerp en door het telkens spreken over
ordening in de algemeene beschouwingen der Memo-
rie van Toelichting den indruk, dat wij hier inder-
daad te maken hebben met een geval van ordening
in een belangrijken bedrijfstak, doch die indruk is
onjuist. Dit wordt duidelijk, wanneer men zich be-
wust wordt, dat het woord ,,bedrjfsgenooten” voort-
durend in een oneigenlijken zin gebezigd wordt.

Wanneer er sprake is van ordening in den land-
bouw, dan zijn de bedrijfsgenooten, te wier behoeve
en in wier gezamenlijk belang bepaalde regelingen
ontworpen worden, waaraan zij allen zich te houden
hebben, natuurlijk slechts diegenen, die in den land-
bouw werkzaam
zijn.
Geheel iets anders echter wordt
in dit voorontwerp onder bedrjfsgenooten verstaan.
Daarin worden tot bedrijfsgenooten gepromoveerd al diegenen, die de artikelen, welke de Regeering onder
,,landbouwproducten” wenscht te verstaan, producee-
ren, verwerken, bewerken, koopen, verkoopen, uitvoe-
ren, invoeren, slachten en nog veel meer, alles te vin-
den in art. 2 van het voorontwerp. Is het nu de be-
doeling, al die landbouwers (waaronder te verstaan
akkerbouwers, veehouders, tuinders, enz.), handela-
ren van allerlei slag, industrieelen, middenstanders,

enz. als één groep met gelijkgerichte belangen te
beschouwen en te behaudelen, hoever hûn belangen
in werkelijkheid ook uiteenloopen en dan regelingen
te ontwerpen, welke van al die lieden gezamenlijk
de belangen bevorderen? Die vraag is allerminst on-
redelijk, want alleen wanneer zij bevestigend beant-woord kon worden, zouden wij, nu het voorontwerp
alle genoemde boeren, tuinders, handelaren, indus-
trieelen en andere
nijveren
tot elkaars bedrijfsgenoo-
ten wenscht te maken, die zich aan eenzelfde stel
regelen moeten houden, kunnen spreken van orde-
dening.
Natuurlijk is het antwoord op de vraag echter ont-
kennend. Het woord ,,bedrijfsgenooten” is hier vol-
komen verkeerd gebruikt en van ,,ordening” in den
zin, welken men daaraan algemeen hecht, is hier
geen sprake. De bedoeling is slechts, dat maatrege-
len worden genomen ten behoeve van. de verschil-
lende onderdeelen van den landbouw. Men is zich
bewust, dat die maatregelen dikwijls voor handel en
industrie nadeelig, hinderlijk en onaangenaam zullen
zijn en ten einde nu reeds dadelijk een verzet van
die zijde te voorkomen, worden handelaren en indus-
trieelen, die het ongeluk hebben, zich ook maar in
de verte wel eens te moeten bemoeien met een land-•bouwproduct, samengebracht onder het begrip ,,be-
drijfsgenooten”. Zij hebben zich dan te schikken in
alles, wat onder het regime der landhouwordenings-
wet over hen beslist wordt en vallen met die pro-
motie tot bedrjfsgenooten onder de jurisdictie der
speciale rechtspraak, welke op het geweldige terrein,
dat door de wet bestreken wordt, den scepter zwaait
met uitsluiting van den gewonen rechter.
Er zijn hier dus twee soorten van bedrijfsgenooten.
Tot de eerste rubriek behooren degenen, die geacht
worden van de wet te zullen profiteeren en de
tweede rubriek wordt gevormd door hen, die geacht
worden er nadeel van te ondervinden ten behoeve
van de bevoordeelden.
Dat de eerste rubriek het allerminst met het voor-
ontwerp eens is en er dus blijkbaar weinig profijt
van verwacht, volgt uit uitingen als van Ir. Smits
en verschillende anderen. Deze zijde van het vraag-
stuk kan echter ditmaal onbesproken blijven. Hier
valt er in de eerste plaats op te wijzen, dat het met
die verdeeling in bedrijfsgenooten van den eersten
én van den tweeden rang inderdaad ernst is. Uit het
voorontwerp blijkt namelijk, dat de regelingen, welke
op grond der wet genomen zouden worden, zullen
worden samengesteld en uitgevoerd door lichamen,
die bestaan uit vertegenwoordigers van landbouwor-
ganisaties. Weliswaar verrichten zij hun werk onder
het tözicht der Regeering, waarbij de Minister zich
zooveel rechten voorbehoudt, dat de onafhankelijkheid
der zooeven genoemde lichamen vrijwel een illusie
wordt, maar een der grondslagen van het plan is dan
toch maar, dat de den landbouw vertegenwoordigende
lichamen de regeHnen zullén maken en toepassen.
Die regelingen nu hetieff en niet slechts zuivere land-
bouwaangelegenheden, maar zeer uitvoerig bepaalt
het voorontwerp, dat zij tevens voorschriften kunnen
bevatten, waarin op het nauwkeurigst voorgeschre-
ven wordt, wat een handelaar (importeur, exporteur,
binnenlandsch handelaar) en industrieel, in wiens be-
drijf landbouwproducten te pas komen, al of niet
doen mag of moet. Van die industrieele bedrijfstak-
ken, waarvan men zich misschien niet dadelijk bewust
mocht zijn, dat zij onder deze omschrijving vallen,
mogen hijv. worden genoemd stijfselfabr leken, de f a-
bricage van spiritus en gist, cartonnage-fabrieken
(plantaardige kleefstoff en!) oliefabrieken, brouwe-
rijen. De meer voor de hand liggende als bakkerijen,
slagerijen, enz. .io’en hier niet te worden opge-
somd. En al die bedrijven hebben zich volgens de in
het voorontwerp belichaamde plannen te richten naar
de voorschriften van cle zooeven genoemde lichamen,
welke veelal de factoren betreffen, die zelfs het voortbetaan dier bedrijven beheerschen. En met

23 Juni P1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

465

zekerheid mag men aannemen, dat dit zer dikwijls
ernstige benadeeling der tot bedrijfsgenooten gepro-
moveerde bedrijven zal beteekenen. Zij zijn dus met
recht de bedrijfsgenooten van den tweeden rang,
want wat er voorgeschreven wordt, heeft nooit het
doel, hun belangen te bevorderen, doch brengt dik-
wijls hun benadeeli.ng met zich.
Dat deze laatste bewering juist is, hebben wij ge-
leerd uit de met de landbouwcrisismaatregelen op-
gedane ervaringen. Men heeft zich echter, zij het
veelal met weinig enthousiasme, in die maatregelen
geschikt, omdat het daarbij ging om crisismaat-
regelen, welke dus van tijdelijken aard zouden
zijn en die een onzer waardevolste bronnen van wel-
vaart moesten behoeden voor den ondergang, waar-
mee zij in die abnormale en buitengewone tijden weïd
bedreigd. Voor het nastreven van dat doel waren
offers vereischt, welke om. bestonden in het aanvaar-
den van voorschriften, welke nadeelig waren voor han-
del en industrie. Veelal was zulke benadeeling onver-mijdelijk, wilde men met de maatregelen ten behoeve
van den landbouw inderdaad iets berejken. En voor
het geval, dat zij niet als onvermijdelijk kôndeu wor-
den aangemerkt, behoefde men zich niet te bepalen
tot verzet bij de Regeering, doch kon daarop tevens
worden gewezen door de vertegenwoordigers van
handel en industrie, die met dat doel een plaats ge-
kregen hadden in een aantal der crisis-organisaties.
Volgens het voorontwerp zullen uit de nieuwe orga-
ii en laatstgenoemde vertegenwoordigers verdwijnen,
met uitzondering van een enkelen, die dan staat
tegenover tallooze vertegenwoordigers uit de agrari-sche bedrifstakken. Slechts kan cie Minister het aan-
tal van de vertegenwoordigers van handel en indus-
trie verhoogen. Ht voorontwerp gaat echter uit van
het enkele commercieele en industrieele lid. Zooeven werd reeds verwezen naar de ervaringen,
clie wij met de nu geldende landbouw-crisis-maatrege-
len hebben opgedaan. Die ervaring kan ons hier in-
dordaaci van nut zijn omdat, zooals ook Ir. Smits
reeds opmerkte, het voorontwerp Lan dbou wordenirigs-
wet vrijwel niets anders is dan het permanent maken
van het nu geldende systeem. Een der voornaamste
veranderingen bestaat hierin, dat de reeds zeer ge-
ringe medezeggenschap van handel en industrie,
welke hun in het bestaande lancibouwcrisisheleid
Op
langdurig aandringen is toegesttan, vrijwel tot nul
wordt gereduceerd.

liet onbevredigende van dit voorontwerp ligt dus
in de eerste plaats daarin, dat geheel in strijd met
hetgeen men verwachten mocht als gevolg van het
herstel, dat ook op het gebied der agrarische bedrijfs-
takken reeds flinke vorderingen heeft gemaakt en in

strijd met den geheelen loop der dingen op econo-
misch en handelspolitiek gebied in de wereld, het
landbouwcrisisbeleid onder een anderen naam doch
overigens vrijwel geheel ongewijzigd gehandhaafd
zal worden, doch nu onafhankelijk van het bestaan
van abnormale omstandigheden en dus als landbouw-beleid voor alle tijden.

In strijd zou dat ook zijn met hetgeen bijv. Minis-
ter Oolijn meer dan eens heeft verklaard over cle
noodzakelijkheid, dat, nu cle economische hemel wat
gaat opkiaren, het
bedrijfsleven
geleidelijk wordt be-
vrijd uit de banden, waarin het in deze crisisjaren is
geraakt. Reeds was in dezen geest gehandeld door het
opheffen of verzachten sedert den nazomer van 1936
van een aantal landbouwcr isi smaatregelen, naarmate
de depreciatie van den Gulden en de ontwikkeling
van het economisch herstel dit mogelijk maakten.
Het voorontwerp wil nu echter het geheele land-
houwcrisisapparaat, dat immers juist met den reeds
begonnen afbouw der landhouwcrisismaatregelen even-
eens geleidelijk in omvang kon verminderen, tot een
permaneute instelling maken. Alle landbouw-crisis-
organen vindt men in het voorontwerp onder nauwe-
lijks veranderde benamingen terug.
Zeer teleurstellend :is reeds uit dezen hoofde de

mentaliteit, die uit het voorontwerp blijkt. Voor die
teleurstelling bestaat echter ook nog een auclere
reden. De landhouwcr i sismaatregelen hebben bijge-
dragen tot het ontstaan van cle algemeen zoozeer he-tmeurcle tegenstelling tussclien de stad en het platte-
land. Niet het streven om den landbouw in stand te
houden heeft dat gedaan en ook niet het feit, dat dit streven onvermijdelijk zekere offers van andere be-
volkingsgroêpen met zich bracht. Wel wordt het
ontstaan en de verdere ontwikkeling der tegenstel-
ling echter bevorderd door het ontbreken van de ino-
gelijkheid voor het niet-agrarische bedrijfsleven om
mee te praten over de opstelling en wijze van uit-
voering over die ten behoeve van den landbouw ge-
nomen maatregelen, welke handel en industrie in
sterke mate raken. Hoe nuttig die medezeggenschap
kan werken, valt te constateeren in sommige onder-
deelen van het lanclbouwcrisisbeleid, waar zij tot
zekere hoogte bestaat en zich een sfeer van weder-
zijdsch begrip voor elkaars belangen begon te ont-
wikkelen. Aan die ontwikkeling zou echter het voor-
ontwerp een einde maken, want voor de hier bedoelde samenwerking laat het zoo goed als geen plaats. Noch
het voorontwerp zelf, noch de Memorie van Toelich-
ting spreken daar althans met meer dan een enkel
woord over en zeker wijden zij er veel minder aan-
dacht aan dan zelfs het rapport der commissie-Van Loon, dat toch op dit punt allerminst toeschietelijk
kon worden genoemd.
Naast het gebrek aan erkenning van cie ware be-
teekenis van het beginnend economisch herstel is het
zeer teleurstellend, dat het voorontwerp zoo Weinig
begrip verraadt voor ‘de varde van de samenwer-
king tusschen den landbouw en de niet-agrarische be-
drijfstakken en integendeel juist de gedachte wekt
aan burgers (hier bedrijfsgenooten genbemd) van den
eersten en den tweeden rang.
En dan is er nog een andere der grondslagen van
het voorontwerp, dat vermelding verdient, al za]
daarop in dit bestek niet diep worden ingegaan. In
de Memorie van Toelichting wordt namelijk ver-
wzen naar enkele opmerkingen van den Minister van
Landbouw en Visscherij hij de behandeling in dc
Tweede Kamer van hoofdstuk IX der Rijkshegroo-ting en van de begrooting van het Landhouwcrisis-
fönds, heide over 1937. De Minister wees er toen op,
dat er zich in de wereldhuishouding zoo groote wij-
zigingen hebben voltrokken, dat de handel niet meer
als vroeger zijn taak kan vervullen en daarvoor dus
iets anders in de plaats moet komen. Dat andere zou
nu in de Landhouwordeningswet worden geleverd
door het ingrijpen der daar te vormen organen( welke
geheel dezelfde zijn als de tegenwoordige crisisorga-
nen) in onzen internationalen handel. Het is niet
moeilijk om aan te toonen, dat wijzigingen, die den
handel uitschakelen, in de wereldhuishouding voor-
alsnog niet zijn ingetreden, al zijn er bepaalde lan-
den (waarbij ik Rusland niet op het oog heb), clie wei
in die richting streven. Als uien echter zijn aandacht
niet uitsluitend op die landen gericht houdt, ziet
men, dat van eèn door de omstandigheden noodig
geworden uitschakeling van den handel en overne-
ming van zijn taak door landbouwcrisisorganen (maar
dan zonder het woord ,,crisis”) in het internationale
ruilverkeer geen sprake is. Die grondslag voor het
voorontwerp is uitermate zwak. Voor ons land is dat
gelukkig, want onze handel en onze internationaal
georiënteerde industrie vormen nog steeds, meer dan
in vrijwel ieder ander land ter wereld, zeer gewich-
tige bronnen van welvaart. Als clie bedreigd werden,
zouden wij ons daartegen uit alle macht dienen te
verzetten met het oog op het groote algemeene be-
lang, dat aan haar behoud verbonden is. Het voor-
ontwerp Landbouwordeningswet doet echter blijkens
de op dit punt betrekking hebbende passage der
Memorie van Toelichting het ljnrechte tegendeel.
Het legt zich bij de zoogenaamde noodzaak van de
uitschakeling van den handel in het internationale

466

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1937
ruilverkeer reeds neer, véér zij ook maar in de verte
dreigt.
Ik leg er tenslotte den nadruk
01),
dat dit vooront-

werp van wet vooral daarom als onaanvaardbaar valt
aan te merken, omdat het, ook wanneer er geen crisis
meer zijn zou, die tot crisismaatregelen ten behoeve
van den landbouw noopt, voortgaat met een aan ban-
den leggen van zoowel de agrarische bedrijfstakken
als handel en industrie, niet ter nastreving van een
gezonde ordening doch volgens een methode, die niets
anders is dan het permanent maken van wat in
crisistijden gerechtvaardigd moge zijn geweest, doch
zonder crisis geen bestaansgrond heeft en strijdig is
met het welhegrepen algemeen belang.
JAN SOHILTHUIS.

DE TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING VAN ONZE

ZUIVELPOSITIE.

(Heroriënteerirtg over de te voeren politiek.)

inleiding.

De crisismaatregelen t.o.v. den landbouw hebben
steeds een tijdelijk karakter gedragen. Zij vormen
een noodverband, dat verwijderd kan worden, zoodra de in den landbouw geslagen wonden zijn geheeld en
het gevaar voor een nieuwe infectie niet meer aan-
wezig is. Thans is men gelukkig zoover, dat voor en-
kele takken van den landbouw het noodverband kan
worden verwijderd. Voor andere takken echter – en niet name voor de veehouderij – is van het genezen
zijn der wonden nog geen sprake, en al is ook hierin
zekere verbetering te bespeuren, op een blijvende ge-
nezing kan binnen afzienbaren tijd niet worden ge-
rekend. De boterprjs op de vrije exportmarkt, die als
thermometer dienst kan doen voor den toestand van
de zuivelpositie, is voor onze boter nog lager dan
medio 1932, toen de steunmaatregelen voor d’e zuivel
een aanvang namen. En evengoed als de prijs in 1932
te laag was, dan dat de zuivel het zonder bijzondere
steunmaatregelen kon stellen, zoo goed is dit ook
thans nog het geval.
Was ten tijde van het in werking treden der crisis-
maatregelen nog de hoop gevestigd op een toekomst,
waarin de veehouderij weer op eigen beenen kon
staan, thans moet men al zeer optimistisch zijn om
een
dergelijke
ontwikkeling binnen afzienbaren tijd
te durven verwachten. Al is er sinds voorgaande jaren
een aanmerkelijke verbetering te constateeren, de
wereldmarktprijs van de boter, die – terwijl wij dit schrijven – voor Nederlandsche boter ongeveer 75
cent per kg bedraagt, ligt thans nog zeker ongeveer

40 pOt. beneden de productiekosten, zoodat van het
benaderen van een ,,normalen” toestand nog geen
sprake is.
Met het oog hierop kan men dan ook wel aanne-
men, dat voor de zuivel, ook in verband met de aan-
merkelijk lagere productiekosten van de op het Zui-
delijk Halfrond geproduceerde boters, op blijvende
maatregelen moet worden gerekend.
In dit artikel zullen wij onze aandacht wijden aan
de vraag, in welke richting deze blijvende maatrege-
len zullen moeten gaau om zooveel mogelijk toch te
bevorderen, dat de zuivelproducten op den duur –
ook zonder «een ingewikkelde reeks van Overheids-iiiaatregelen – weer een loonenden prijs opbrengen. Aangaande de
grootte der zuivelproductie
moet
worden opgemerkt, dat deze een voortdurend stij

gende
tendens
heeft. Gaat men nl. de productie na
gedurende de na-oorlogsche periode, dan ziet men dat
deze, behoudens één enkele uitzondering – nl. van
1930 op 1931, – van jaar op jaar gestegen is. Juist
in de laatste jaren, waarin allerlei maatregelen wer-

den genomen ter beperking, steeg de zuivelproductie
sterker, dan sinds langen tijd het geval was. Deze
stijging der zuivelproductie hangt nauw samen met
de vleeschpositie. De inzinking op de vleeschmarkt
had tengevolge, dat er minder koeien ter slachtbank
gevoerd werden, met het gevolg, dat niettegenstaande

de pogingn den rnelkveestapel langs kunstmatigen weg
te verminderen, het aantal koeien niet daalde. An-
derdeels werd de
stijging
der rnelkproductie bevor-
derd door den drang der melkveehouders om zooveel
mogelijk te produceeren, teneinde de bruto-inkomsten
te vermeerderen. Vandaar, dat de melkveehouder over
het algemeen afkeerig was van alle maatregelen, die een beperking der melkproductie tengevolge zouden
kunnen hebben.
Ook al zou een belangrijke productiebeperking voor
alle veehouders gezamenlijk voordeelig kunnen zijn,
dan nog was het voor den individueelen veehouder
van belang zooveel mogelijk te produceeren, om daar-
door in de grootst mogelijke mate van de eventueele
voordeelen van een productiebeperking te kunnen
profiteeren.
Over de vraag, in hoeverre een beperking der zui-
velproductie de productiekosten per liter melk ver-
hoogt of verlaagt, zijn de nieeningen verdeeld. Na
alles, wat er ook in dit blad over dit onderwerp ge-
zegd is, zullen wij hier thans niet over uitweiden.
Alleen wenschen wij er nog de aandacht op te ves-
tigen, dat de belangrijke stijging van de melkproduc-
tie per koe, welke in de laatste jaren kon worden
geconstateerd, gepaard ging met een
belangrijke
da-
ling van het krachtvoederverbruik, een daling van de
oppervlakte grasland en den verbouw van veevoeders,
terwijl deze stijging slechts voor een zeer gering deel
kan worden verklaard door de in de laatste jaren ge-
wijzigde verhouding van het aantal jonge en oude
koeien in den rnelkveestapel.
De stijging der melkproductie is gepaard gegaan
niet een rationalisatie en een intensiveering van het
veehoudersbedrjf en is derhalve mede het gevolg ge-
weest van het beter uitbuiten van de mogelijkheden
van het veehouclersbedrijf zelf. Ondanks de maatrege-
len der ‘Regeering, die in een tegengestelde richting
gingen, heeft de veehouder daadwerkelijk aangegeven,
dat er nog een andere mogelijkheid was, welke ging in
de richting van aanpassing aan de gewijzigde omstan-
digheden. Was het inderdaad gelukt, de rnelkproductie
langs kunstmatigen iveg te verminderen, dan was de
prikkel voor den veehouder om in deze richting te
werken niet zoo sterk geweest.
Voorts is de stijging van de melkproductie per koe
waarschijnlijk mede te danken aan de overneming
van een groot aantal runderen door de Veehouderij-
centrale, waarbij veel minderwaardige koeien met een
lage productie van de hand werden gedaan. Hierdoor
werd het peil van den melkveestapel opgevoerd en de
gemiddelde productie per koe bevorderd niet alleen,
maar tevens werden daardoor de
productiekosten
van
de melk indirect gedrukt.
Uit dit alles is wel gebleken, dat het regelen der
melkproductie, indien al gewenscht, practisch onuit-
voerbaar is, en bovendien, dat de stijging der melk-
productie niet zoo’n ongunstig verschijnsel is, als
wel vaak is gedacht.

Men dient zich dan ook – tenzij zich zeer bijzon-
dere onverwachte gebeurtenissen mochten voordoen
– van het rechtstreeks beperken der melkproductie
te onthouden. Tenslotte heeft elke maatregel, die ten
doel heeft de zuivelpositie te verbeteren, de medewer-
king der melkveehoudérs noodig, en het is gevaarlijk
maatregelen te nemen, die den veehouder remmen in
zijn noodzakelijke medewerking.
Wij zagen dus, dat de
practijk
van cle laatste jaren
bewezen heeft, dat er een relatieve verlaging der
productiekosten kon worden bereikt, door het ver-
beteren van het peil van den melkveestapel, en door
een doelmatiger gebruik van het voeder, dat het eigen
bedrijf der veehouders oplevert. Hiermede is dan
echter tevens aangegeven, in welke richting ook in
de toekomst moet worden voortgegaan, ook nu, nu er
een stijging van het
prijspeil
kan worden geconsta-

teerd.
Onze, in vergelijking met andere landen reeds op
hoog peil staande, veestapel moet verder worden ge-

23 Juni 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

467

saneerd. Daartoe dient met alle kracht te worden be-
vo.rdercl, dat de slechte en dus dure melkkoeien zoo
spoedig mogelijk uit den veestapel verdwijnen. Door
verschillende deskundigen is reeds gewezen op het
groote verschil in rendement, dat er bestaat tusschen
koeien met hooge en lage prôductie. Ook thans nog
zit er in den meikveestapel een groot percentage
koeien, die door haar lage en dus dure productie de
productiekosten der melk onnoodig hoog doen zijn. Men moet er derhalve voor zorgen, dat: le. uit den melkveestapel zooveel mogelijk slechte
koeien verdwijnen;
2e. bij de aanvulling van den meikveestapel met
voor het eerst aan de melkproductie deelnemende
koeien geen kennelijk slechte exemplaren weer in
den meikveestapel terecht komen;
Voor het eerste zouden de contrôlevereenigingen
een belangrijke taak kunnen verrichten. Voor het
tweede is een belangrijke verruiming (eventueel ge-
leidelijke afschaffing) der kalvertoewijzingen noodza-
kelijk, teneinde ‘bij het aanvullen van den melkvee-
stapel een scherpe selectie te kunnen doorvoeren.
Wat deze verruiming der
kalverbeperking
betreft,
daar zit vanzelfsprekend veel meer aan vast. In dit
verband mogen wij volstaan met twee opmerkingen:
le. Wanneer de kalverbeperking wordt verruimd,
of zelfs afgeschaft, en men tegelijkertijd maatregelen
neemt om de slechte koeien uit den meikveestapel te
doen verdwijnen, dan bereikt men.tevens, dat de melk-
veestapel niet te sterk wordt uitgebreid en derhalve
ook een te sterke stijging van de melkproductie kan.
worden voorkomen.
2e. Een beperkt aantal melkkoeien leidt op den
duur ook tot een beperkt vleeschaanbod, daar de melk-
koe niet alleen melkproducent, maar tevens als voort-
brenger van kalveren ook vleeschproducent is. Een
beperkt aantal melkkoeien geeft het aanzien aan een
beperkt aantal kalveren en derhalve op den duur ook
een beperkt vleeschaanbod.
In den laatsten tijd levert de
afzet
van onze zui-
velproducenten geen bijzondere moeilijkheden meer
op, in dien zin, dat wij alle boter, die niet naar an-
dere landen kon worden uitgevoerd, vlot in Engeland
konden afzetten. Maar de belangrijke prijsverschillen,
die er bestaan bij export naar verschillende landen en bij afzet in het binnenland, maken, dat de wijze
van afzet een grooten invloed heeft op de opbrengst
van onze boter. Met name is daarbij van veel belang
de verhouding tusscheu de hoeveelheden boter, die als
onvermeugde boter in het binnenland wordt geconsu-meerd en de geëxporteerde hoeveelheden, terwijl ook
voor de geëxporteerde hoeveelheden de verhouding
van de hoeveelheid, die naar Duitschiand en Enge-
land gaat, de gemiddelde opbrengst der boter beïn-
vloedt.

Bij het thans gevolgde systeem (dat naar onze mee-
ning in hoofdzaak het beste is), zal nog steeds bij
een voortdurend stijgende productie en een niet of niet in dezelfde mate stijgende consumptie, steeds
meer worden geëxporteerd, waardoor ook de gemid-
delde opbrengst van de totale hoeveelheden afgele-
verde boter steeds meer de prijzen benadert, wèlke bij den export kunnen worden gemaakt.
Terwijl bijv. in 1933 nog ruim ’50 pO. van onze
boterproductie a1g, onvermengde boter in iet binnen-
land werd geconsumeerd, was die in 1936 al terug-
geloopen tot ongeveer 40 pOt., eenerzijds als gevolg
van de stijgende boterproductie, anderzijds als gevolg
van de dalende boterconsumptie, welke sinds 1933
met ongeveer twee millioen kg verminderde.
Nu zijn weliswaar ook de prijzen, die bij export
naar de vrije markt, nl. Engeland, werden gemaakt,
belangrijk gestegen, doch deze prijs, die thans 75 cts.
per kg bedraagt (Leeuwarder noteering) ligt zeker
nog ruim 40 pOt. beneden den kostprijs van’ de boter;
op grond van de bedrijfsuitkomsten gepubliceerd
door de Directie van den Landbouw aannemende, dat deze kostprijs ongeveer correspondeert met den prijs,

dien de boer voor de boter ontvangt (Leeuwarder no-
teering plus toeslag is 73 + 56.7 of rond
f
1.30
per kg).

De binnen landsche groothandelsprijs voor boter,
welke hier slechts 13 cts. per kg boven ligt, is der-
halve weinig hooger dan de kostprijs, zoodat thans van een belangrijke prijsverlaging van boter in het
binnenland geen sprake zal kunnen en mogen zijn.
Handhaaft men dezen bin.nenlandschen boterprijs
op dit peil en laat men de prijsverhouding boter-
margarine ongewijzigd, dan zal derhalve de toekom-stige ontwikkeling van de boteropbrengst vrijwel ge-heel afhangen van de prijzen, die voor onze boter bij export kunnen worden gemaakt.
En al is er thans gelukkig uitzicht op een iets
grooteren export van boter naar Duitschland, waarbij
onze bote.r thans opbrengt
f
1.20 per kg, toch is het
waarschijnlijk, dat wij althans voorloopig voor het
grootste gedeelte van onzen export op andere landen
zullen blijven aangewezen. Bij export naar andere
in hoofdzaak zoogenaamd vrije markten, waarvan En-geland verreweg de belangrijkste plaats inneemt, moe-
ten wij blijven concurreeren met andere boters en
wel vooral met boters uit de Dominions. En ook al
mocht het gelukken door een beter geregelden export
naar Engeland en een kwaliteitskeuring op de ge-
exporteerde boter den prijs eenige centen per kg op te
voeren, dat onze boter daar een prijs zou opbrengen,
die belangrijk boven dien van andere boters uitkomt,
is niet te verwachten, gezien ook de omstandigheid,
dat de gerenommeerde Deeusche boter in Engeland
thans nog slechts een prijs opbrengt, die weinig
boven dien der andere boters uitkomt.
Wij zullen ons derhalve moeten blijven instellen
op een gemiddelde opbrengst van onze boter, die
beneden de productiekosten blijft liggen, aangezien
deze productiekosten bij onze noodgedwongen inten-
sieve melkveehouderj voorloopig belangrijk boven die van, de koloniale boters zullen blijven liggen.
Ook indien de mogelijkheid mocht worden gevon-
den een afzetgebied voor onze boter te vinden of uit
te breiden naar andere landen dan Engeland, hetgeen
onze boterpositie op de Engelsche markt ongetwijfeld
gunstig zou beïnvloeden, moet toch ook daar worden

geconcurreerd met andere hoterproduceerende landen,
hetgeen zooveel te bezwaarlijker wordt, naarmate het
afzetgebied verder van ons land verwijderd is.
Wanneer wij derhalve onzen hinnenlandschen boter-
prijs zouden handhaven op het tegenwoordige peil,
dat slechts weinig ligt boven de productiekosten en
eQn belangrijk deel van onzen export zullen moeten
richten naar landen, waar de te maken prijs be-
langrijk beneden de productiekosten blijft liggen, dan
zal ook in de toekomst een toeslag aan den boterpro-
ducent alias den meikveehouder noodzakelijk blijven,
d.w.z. een toeslag boven den prijs, die correspondeert
met de gemiddelde opbrengst van de totale boter-
productie, welke ligt tusschen de Leeuwarder notee-
ring en den hinnenlandschen hoterprijs.
Bij een ongeveer gelijkblijvende verhouding van den
prijs boter—margarine zal een belangrijk gedeelte
van dezen toeslag, zooals ook thans het geval .is,
kunnen worden opgebracht. door een heffingop mar-garine. Voor zoover. deze toeslag niet ‘door deze hef-
fing kan worden opgebracht (inclusief eveutueele heffingen op andere vetten en oliën), zou deze uit
andere bronnen moeten worden gevonden.
Met nadruk zij er in dit verband op gewezen, dat
voor een radicale afschaffing der crisismaatregelen op zuivelgebied geen aanleiding is, al zou het goed
zijn, dat aan deze maatregelen het crisiskarakter werd
ontnomen, omdat de zuivelpositie, zooals die thans
bezig is zich te ontwikkelen, geen crisiskarakter meer
draagt, maar een zeer waarschijnlijk blijvend karakter.
Men zal zich derhalve moeten instellen op een
blijvend karakter der te nemen maatregelen op zui-
velgebied en deze als zoodanig moeten regelen.
J. Buvea.

468

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1937

INTERNATIONALE UNIFICATIE VAN HET ZEERECHT.

Het ligt voor de hand, dat in het zeescheepvaart-bedrijf, hetwelk geheel en al in dienst staat van het
internationale verkeer, zich reeds lang een streven
heeft geopenbaard naar een zekere unificatie van de
rechtsregelen, welke het scheepvaartverkeer beheer-
schen. Van oudsher vindt men in de belangrijke zee-
• varende landen dezelfde zeerechtelijke eigenaardighe-
den terug, doch ook zijn er niet onbelangrijke, uit de
nationale rechtstelsels en rechtsopvattingen voort-
vloeiende verschillen, die voortdurend in de praktijk
ot moeilijkheden bij de oplossing van geschillen tus-
schen partijen van verschillende nationaliteit aanlei-
diig geven.
Het in 1896 opgerichte ,,Comité Maritime Inter-
national” heeft zich ten doel gesteld geleidelijk inter-
nationale uniformiteit van het zeerecht te bevorde-
ren door telkens omtrent een bepaald onderdeel een verdrag te ontwerpen, hetwelk dan daarna ter goed-
keuring werd voorgelegd aan een door de Belgische
Regeering te Brussel bijeengeroepen diplomatieke
conferentie.

De oudste aldus tot stand gekomen verdragen zijn
die van 1910 betreffende aanvaring en betreffende
hulp- en bergloon; deze zijn door vrijwel alle in aan-
merking komende landen geratificeerd cn in de zee-
vaart gemeengoed geworden. Slechts de Vereenigde
Staten waren wat het aanvaringstractaat betreft nog
afzijdig gebleven, omdat volgens Arnerikaansch recht,’
indien twee schepen beide schuld aan de aanvaring
hebben, ieder voor gelijke deelen voorde schade aan-
sprakelijk is, terwijl volgens het verdrag de schade-
vergoeding verdeeld wordt naar de mate van ieders
schuld. Thans is echter bij den Amerikaanschen Se-
naat een wetsontwerp aanhangig, waarbij dit verschil-
punt wordt opgeheven, zoodat binnenkort eindelijk
ook de ratificatie der Vereenigde Staten kan worden
verwacht.

Na den oorlog zijn te Brussel nog vier andere zee-
rechtverdragen tot stand gekomen, nadat een lang-
durige voorbereiding in tal van door het Comité

Maritime georganiseerde conferenties hieraan was
voorafgegaan. Met de algemeene aanvaarding dezer
verdragen is het aanvankelijk minder bevredigend
gegaan dan gehoopt was, doch in den laatsten tijd
konden belangrijke vorderingen worden geboekt.

In de in Mei jI. te Parijs gehouden driejaarlijksche
Conferentie van het Comité Maritime werd allereerst
verslag uitgebracht over den stand der ratificaties
van deze latere Brusselsche verdragen.
Het verdrag
van 1923 betreffende cognossementsbepalingen, de
z.g. Hague Rules – hetwelk een der meest belang-
rijke en ook meest omstreden onderwerpen van het
eeecht regelt, ni. de aansprakelijkheid van den
reeder uit het vervoercoutract – heeft de grootste
verbreiding gevonden. Nadat Engeland reeds. in 1924
voorgegaan was door de Hague Rules
01)
te nemen in
de Carriage of Goods by Sea Act, in dit opzicht spoe-
dig gevolgd door de andere deelen van het Britsche
Rijk, werd het verdrag eenige jaren geleden ingevoerd
in België en Spanje. De jarenlange strijd hierover in
Amerika gevoerd is beslist door de tot stand koming
van de wet van 16 April 1936, welke op enkele detail-•
punten na in overeenstemming met de Hague Rules
is geredigeerd. De ratificatie van het verdrag door
Frankrijk
t)
heeft op 25 Maart van dit jaar plaats ge-
vonden, terwijl in de Scandinavische landen, die in on-
derling overleg hun wetgeving hebben herzien, de in-
voering spoedig aanstaande is. In Duitschland wor-

den de Hague Rules in de practijk reeds toegepast;
de Duitsche delegatie te Parijs deed mededeeling, dat
de wettelijke voorzieningen voor de ratificatie vrij-
wel getroffen waren. In Italië is reeds in 1028 tot
ratificatie van het verdrag besloten, terwijl in Japan
het verdrag spoedig zal worden goedgekeurd en de

t)
Goedgekeurd bij de wet van
9
September
1936;
het
verdrag za1 in Frankrijk op
4 Juli 1937
van kracht worden.

reeders in de practijk tot toepassing zijn overgegaan.
Zoo hebben dus thans de Hague Rules in vrijwel
alle belangrijke zeevarende landen ingang gevonden
en hebben de onvermoeide pogingen, welke hiertoe van
vele zijden, o.a. door de Internat. Kamer van Koop-
handel, zijn aangewend, tot succes geleid. Te betreu-
ren is het daarom des te meer dat Nederland, dat ten opzichte van samenwerking op internationaalrechte-
lijk gebied een goeden naam te verliezen heeft, van
de vooraanstaande zeevarende landen het eenige is,
dat zich tot dusver van iederen voorbereidenden maat-
regel tot ratificatie onthouden heeft. Weliswaar zijn
op de Hague Rules gebaseerde cognossementen niet met het sinds 1927 in werking zijnde nieuwe Neder-
landsche zeerecht in strijd, doch het systeem onzer
wet is geheel anders, zoodat van uniformiteit met het
internationale recht geen sprake is. Als argumenten
heeft de Regeering steeds aangevoerd, dat, waar het
zeerecht in 1927 ingrijpend herzien is, niet spoedig
wer tot wijziging kan worden overgegaan en voorts
dat van algemeene aanvaarding van het Brusselsche
verdrag door de belangrijke zeevarende landen nog
niet gesproken kan worden. Dit laatste argument
kan, gezien de vooruitgang in den laatsten tijd
gemaakt, nu de Vereenigde Staten, Duitschland,
Frankrijk en de Scandinavische landen zich aan de
internationale regeling aanpassen, bezwaarlijk langer
worden volgehouden.

Het verdrag van 1923 betreffende de beperking
van de reedersaansprakeljkheid is geratificeerd door
België, Denemarken, Estland,’ Frankrijk, Noorwegen,
Polen, Portugal en Spanje. In Italië en Zweden is
de goedkeuring op de wetten tot ratificatie verkregen.
Een wetsontwerp tot invoering van het verdrag
ligt hij de Engelsche Regecring gereed. In verband
met een verschil van interpretatie over de goudbasis
van het bedrag, waartoe de aansprakelijkheid beperkt
is, heeft de behandeling in Engeland nog geen voort-
gang gemaakt.
1)

Het verdrag van 1926 betreffende hevoorrechte
schulden en hypotheken is bekrachtigd door België,
Brazilië, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk,
Noorwegen, Polen, Portugal, Spanje en Zweden; het verdrag is in beginsel aanvaard door Duitschland en
Italië.
Tenslotte zij vermeld, dat, ten aanzien van het ver-
drag van 1926 betreffende immuniteit van staats-
schepen, de ratificatie is verkregen van België, Dene-
marken, Estland en Polen, terwijl dit het eenige ver-
drag (die van 1910 uitgezonderd) is, dat ook door
Nederland werd geratificeerd. De hoofdschotel van de onlangs te Parijs gehouden
Conferentie vormde de heraadslaging over drie ont-
werp-verdragen, die alle ook reeds in de vorige Con-
ferentie (die van Oslo) aan de orde waren gesteld,
doch sindsdien min of meer belangrijke wijzigingen
hadden ondergaan.
Het eerste ontwerp had betrekking op de
straf-
rechtelijke competentie in geval van aanvaring.
De
behoefte aan een internationale regeling op dit ge-
bied had zich doen gevoelen naar aanleiding van de
bekende uitspraak van het Permanente Hof van In-
ternationale Justitie in zake het Fransche schip de ,,Lotus”, dat buiten de territoriale wateren in aan-
varing was gekomen met een Turksch schip, tenge-
volge waarvan eenige opvarenden van het Turksche
schip het leven hadden verloren. De eerste stuurman van het Fransche schip was door de Turksche over-
heid gevangen genomen en door den Turkschen rech-
ter veroordeeld. Het Hof besliste, dat er geen volken-
rechteljke regel bestond, die zich tegen toepassing van, dergelijke strafnaatregelen op vreemdelingen
verzette. Ofschoon strafrechtelijke vervolgingen we-
gens aanvaring of andere scheepsrampen zeer zelden
t)
De Amerikaa.nsehe wet van
29
Augustus
1935
tot be-
perking van de aansprakelijkheid van den reeder komt
voor een groot deel overeen met den inhoud van het ver-
cli’ag.

23 juni 1037

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

469

voorkomen,
ZOU
het neerleggen van eenige rechts-
regels in een verdrag het nuttig gevolg hebben, dat
koopvaardijofficieren gevrijwaard bleven van straf-
maatregelen door vreemde rechters opgelegd. Van de
zijde der belanghebbenden – hierin gesteund door
het Internationaal Arbeidsbureau, bij wie deze aan-
gelegenheid door de internationale organisatie van
koopvaardijofficieren aanhangig was gemaakt – werd
dan ook zeer veel waarde aan het tot stand komen
van een ontwerp-verdrag gehecht. Als algemeen be-
ginsel is nu aanvaard, dat, ingeval van aanvaring in
volle zee, de gezagvoerder of de officieren slechts
strafrechtelijk of disciplinair vervolgd mogen wor-
den door den rechter van het land, waarvan het schip
de vlag voert. Door de Engelsche delegatie werd er
sterk op aangedrongen dit principe ook te doen gelden
bij aanvaringen in de territoriale wateren, uit vrees
dat anders in het verdrag een aansporing zou kunnen
worden gezien om bij aanvaringen binnen de territo-

riale wateren vervolgingen tegen vreemdelingen in
te stellen, terwijl naar Engelsche opvatting iedere
vervolging door vreemde autoriteiten uitgesloten be-
hoorde te zijn. Zonder in te gaan op het netelige
vraagstuk van de souvereiniteitsrechten ten aanzien
van strafbare feiten binnen eigen terTitoir heeft de
Conferentie zich tenslotte vereenigd met een redac-
tie, volgens welke de verdragsluitende partijen ver-
klaren, dat het beginsel, dat uitsluitend de vlagge-staat mag vervolgen, in de practijk ook zal worden
toegepast bij aanvaringen of andere ongevallen, die
plaats vinden in de territoriale wateren van een an-
deren staat, dan waartoe het schip behoort. De be-
voegdheid tot vervolgen wordt dus door het verdrag
belangrijk beperkt.
Van meer practisch belang was het tweede ont-
werp-verdrag
tot regeling va.n de civielrechtelijke
con’&petentie in geval van aanvaring.
Reeds bij de op-
stelling van het aanvaringsverdrag van 1910 waren
aanvullende bepalingen betreffende de competentie
overwogen, doch de moeilijkheden eener internatio-
nale regeling op procesrechtelijk gebied hadden hier-
van teruggehouden. De veelheid van vorderingen, die
in verband met een aanvaring kunnen ontstaan en de
verscheidenheid van partijen, die hierbij betrokken
kunnen zijn, heeft anderzijds telkens weer de behoefte
doen gevoelen aan een beperking van het aantal be-
voegde rechters, teneinde tegenstrijdige beslissingen
van verschillende nationale rechters en internationai
le complicaties te voorkomen. Het te Parijs aan de
orde gestelde ontwerp was reeds het vierde dat hier-
omtrent door een internationale redactiecommissie
was voorgesteld. De algemeene strekking hiervan was
het aantal bevoegde rechtbanken te beperken tot die
van de woonplaats van den verweerder, die van de
plaats, waar op het schip beslag is gelegd en die van de plaats van de aanvaring, wanneer deze binnen de
territoriale wateren heeft plaats gevonden. Ofschoon
men het in principe over de wenschelijkheid dezer
beperking eens was, leverde intusschen de juiste for-
muleering van deze opsomming heel wat moeilijk-
heden op; enkele delegaties wenschten nog andere
rechtbanken bevoegd te zien, terwijl ook verschil van
inzicht bestond over de vraag of bij aanvaring in de
territoriale wateren de rechter van den oeverstaat
competent moest worden verklaard, ook indien geen
der
bij
de aanvaring betrokken schepen de vlag van
dezen staat voert. Het standpunt, dat de rechter van de plaats, waar de aanvaring heeft plaats gevonden,
veelal het beste van de plaatselijke toestanden op de
hoogte is en dus bij uitstek de geschiktheid heeft
om van de zaak kennis te nemen, onverschillig welke
vlag het schip voert, heeft dan doorslag gegeven. Een
ander punt van verschil betrof het voorstel om niet
slechts den rechter van de plaats, waar op het bij de
aanvaring betrokken schip beslag is gelegd, bevoegd
te verklaren, doch ook den rechter van de plaats,
waar op een ander schip, dat aan denzeifden eigenaar
toebehoort, beslag is gelegd. Tegen deze uitbreiding

werd van vele zijden bezwaar gemaakt, zoodat dit voorstel werd ingetrokken; wel werd behouden de
bepaling, dat de competentie blijft bestaan, indien het
beslag, v66r het instellen van de vordering, door het
verleenen van zekerheid is opgeheven. Daarentegen
is bij amendement ook de competentie van den rech-
ter van de plaats, waar het schip is te boekgesteld,
opgenomen, zoodat art. 1 van het verdrag nagenoeg
geheel overeenkomt met art. 543 van het Nederland-
sche Wetboek van Koophandel.
De overige artikelen van het ontwerp-verdrag, dat
met algemeene stemmen aangenomen is, betreffen de
vrijheid van partijen om in gemeenschappelijk over-
leg een aanvaringszaak aan een andere dan de ge-
noemde rechtbanken dan wel aan arbitrage te onder-
werpen (art. 2); de bepaling, dat reconventioneele vor-
deringen uit hoofde van dezelfde aanvaring voor den
rechter moeten worden gebracht, die op grond van
het eerste artikel van het ontwerp van de hoofdvor-
dering kennis neemt (art. 3); de bepaling, dat het
verdrag ook betrekking heeft op vorderingen tot ver-
goeding van schade wegens de z.g. oneigenlijke aan-
varingen (art. 13, verdrag van 1910), d.w.z. schade
ontstaan door het uitvoeren of nalaten van manoeu-
vres of het niet naleven van reglementen aan een ander schip of aan de zich aan boord daarvan be-
vindende zaken of personen, zelfs dan als er geen
aanvaring had plaats gevonden (art. 4) en tenslotte
de bepaling, dat het verdrag geen betrekking heeft
op oorlogsschepen en staatsschepen, die uitsluitend
voor den openbaren dienst zijn bestemd (art. 5).
De meeste moeite om overeenstemming te bereiken
heeft het derde ontwerp-verdrag
betreffende beslag
op
schepen
veroorzaakt. Vooral bij dit onderwerp
kwam weer de oude tegenstelling tusschen het con-
tinentale en het angelsaksische recht, welke reeds zoo
dikwijls aan de verwezenlijking der unificatiegedachte
in den weg had gestaan, boven. Volgens Engelsche recht kan slechts beslag op een
schip worden gelegd voor schulden, die op dit schil)
betrekking hebben,
terwijl
de continentale wetgevin-
gen aan alle schuldeischers van den eigenaar van een
schip het recht van beslag toekennen. Indien echter
ten onrechte beslag is gelegd, kan in Engeland de
beslaglegger volstaan met de kosten te vergoeden van
de zekerheidsstelling om opheffing van het beslag te
verkrijgen, terwijl volgens het contineutale recht de
beslaglegger in een dergelijk geval alle kosten en
schaden, die uit het beslag zijn voortgevloeid, heeft
te vergoeden.
Aanvankelijk had het in de bedoeling gelegen een
eenigszins volledige internationale regeling van het beslag op schepen te ontwerpen. De moeilijkheden,
die zich hierbij voordeden, hadden evenwel tengevolge,
dat men zich gaandeweg een minder verstrekkend
doel heeft gesteld. Het ontwerp, dat te Parijs aan de
beraadslagingen ten grondslag lag, beperkte zich tot
conservatoir beslag, dat ieder schuldeischer op een
schip zou kunnen leggen uit hoofde van een aan-
varing, schade door het schip veroorzaakt of wegens
verleende hulp- en bergingsdiensten; ook op een
ander schip aan denzelfden eigenaar toebehoorend zou
om deze redenen beslag gelegd kunnen worden. Als sanctie was voorgesteld, dat, indien ten onrechte be-
slag is gelegd, de kosten van de cautie vergoed moe-
ten worden en slechts ingeval van kwade trouwe
tevens de schade, die de belanghebbenden bij het
schip en de lading door het beslag geleden hebben.
Reeds uit de tevoren ingezonden rapporten der
nationale zeerechtvereenigingen was gebleken, dat het
ontwerp geen kans had in dezen vorm te worden
aangenomen. Daarvoor hinkte het teveel op twee ge-
dachten, door eenerzijds het recht op beslaglegging
te beperken, doch anderzijds geen voldoende waarborg
tegen lichtvaardig beslag toe te kennen en een af-
wijking te handhaven van het in alle continentale
landen fundamenteele beginsel, dat ieder voor zijn
eigen daden heeft in te staan. Een uitweg is ten-

470

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1937

slotte gevonden, nadat de verschillende nationale
standpunten waren uiteengezet, door de werkingssfeer
van de conventie nog meer te beperken en deze uit-
sluitend van toepassing te verklaren op conservatoir
beslag op een schip gelegd als zekerheid eener vor-
dering wegens aanvaring, waarbij dat schip betrok-
ken is. Bestaat er voor beslag geen geldige reden,
dan zal de beslaglegger veroordeeld worden tot ver-
goeding van de kosten van de cautie, die de reeder
heeft verschaft, teneinde het beslag te voorkonien of
op te heffen, terwijl de vraag of de beslaglegger daar-
enboven aansprakelijk zal zijn voor de overige scha-
den en kosten beantwoord zal worden aan de hand
van de wet van de plaats, waar het beslag is gelegd. Op deze basis werd de vereischte overeenstemming
bereikt. De overige bepalingen van het verdrag rege-
len de bevoegdheid van den rechter om verlof tot
beslag te verleenen en opheffing van beslag te ge-
lasten, indien genoegzame zekerheid is gesteld; dat aanbieding van zekerheid niet als erkenning van de
vordering mag worden uitgelegd; dat de vereischte
formaliteiten beheerscht zullen worden door de wet
van de l)laats, waar beslag is gelegd; dat het verdrag
ook van toepassing is op de reeds hierbovenvermelde
gevallen van oneigenlijke aanvaring en dat de be-
staande wetten en bepalingen betreffende oorlogs-
schepen en staatsschepen bestemd voor den opeiaharen
dienst onaangetast zullen blijven.
Tegen de slechts matige verwachtingen in is der-
halve de Conferentie van
Parijs,
niet het minst dank

zij de uitnemende leiding van Prof. Ripert (Frank-
rijk), er in geslaagd positieve resultaten te bereiken
door drie nieuwe ontwerp-verdragen tot stand te
brengen. Ten aanzien van het aanvaringsrecht is
thans een bijna complete internationale code bereikt,
die, indien door alle landen aanvaard, zonder twijfel
voor reeders, assuradeuren en ladingbelanghebbenden
tot vergrooting van rechtszekerheid zal kunnen leiden
en met welker samenstelling het Comité Maritime
International andermaal zijn practisch nut bewezen
heeft.
Volledigheidshalve zij tenslotte nog vermeld, dat twee andere onderwerpen, die op de agenda van de
Conferentie te Parijs voorkwamen ter verderen be-
studeering naar commissies zijn verwezen, nl. de
wenschelijkheid eener internationale regeling van
door-cognossementen en het door het internationale
comité van juridische luchtvaartexperts (C.I.T.E.3.A.)
ontworpen verdrag betreffende hulpverleening aan
luchtvaartuigen door schepen en omgekeerd.
Voorts is het voorstel aangenomen om een inter-
nationaal commentaar samen te stellen over alle tot
dusver geratificeerde zeerechtverdragen. Waar juist
de interpretatie en de jurisprudentie dezer verdra-
gen in het eene land nogal eens pleegt te verschillen
van die in het andere land, zal een dergelijke uitgave
tot de zoo wenschelijke meerdere eenheid in de toe-
passing kunnen leiden. Mr. H. E.
SOHEF EER.

OVER RENTABILITEITSSCHOMMELINGEN IN DE

VARKENHOUDERIJ.

De rentabiliteit wordt als oorzaak van de golfbe-
veging der varkensprijzen beschouwd. Wanneer de
verhouding tusschen de varkensprijzen en de voeder-
artikelen (voedergranen) gunstig is, worden er meer
varkens op het mesthok gelegd. Tevens breidt zich
de fokkerj uit door toenemende vraag naar biggen
van de zijde der mesters. ilet gevolg is, dat wanneer
de afgemeste varkens aan de markt komen, deze al
vrij spoedig door het steeds toenemende aanbod over-
voerd wordt. Prijsinzinking is onvermijdelijk, wat
weer haar terugslag geeft op de fokkerij – immers
de vraag naar higgen neemt af. Onder invloed hier-
van zou dan de fokkerij eigenlijk te sterk worden in-
gkrompen, waardôor in de toekomst het aanbod van
mestvarkens te gering zou
zijn,
met als gevolg een
hausse in de varkensprijzen. De hierdoor ontstane

gunstige rentabiliteitsverhoudingen stimuleeren weer de mesterj en de fokkerij en zoo zet de golfbeweging
zich ‘voort. haas en Ezekiel
1)
noemen als grondoor-

zaak dezer reactie van mesters en fokkers op gun-
stige of ongunstige rentabiliteit het feit, dat men
zich in de varkenshouderj te veel baseert op de ino-
menteel geldende prijsverhoudingen van varkens en
varkensvoer. ,,Because corn is high and hogs are

cheap
right now,
there is no reason to conclude that
the same situation will hold next year”. De indertijd
in Engeland voor de reorganisatie der baconproductie
ingestelde Commissie neemt zulks eveneens aan;
,,most farmers appear to assume that the existing
relation of pig prices and feecling costs will conti-
nue”. Deze verklaring lijkt mij juist. Het is een be-
kend feit, dat bij ongunstige varkensprijzen en wij
zullen zien, dat deze steeds gepaard gaan met ongun-
stige rentabiliteit, er minder varkens worden gemest.
Bij z.g. prijsprognosen wordt dan ook de op het oogen-
blik geldende rentabiliteit (wij zullen deze voortaan
aanvangsrentabiliteit noemen) veelal als een der fac-
toren genomen, waarop de prjsprognose zich baseert ‘).
Over de jaren 1933 t/m. 1936
zijn
door mij de ren-
tabiliteitsschommelingen voor de meste’rj van var-
kens tot een gewicht van 150 kg voor de hier te lande
geldende prijsverhoudingen in dit tijdvak berekend.
Alvorens hier nader op in te gaan eerst iets over de
rentabiliteit zelve. Onder de rentabiliteit in de var-
kensmesterij verstaat men de prijs door het afgemeste
varken opgebracht, verminderd met alle hierop val-lende kosten. Nemen wij aan, dat het varken als big
wordt gekocht dan bestaan de onkosten uit den prijs
van de big, de voederkosten van big tot afgemest
varken, benevens diverse onkosten. Deze laatsten kun-
nen o.m. zijn rente en afschrjving der gebouwen,
verplegingskosten. De diverse kosten
zijn
in verhou-
ding tot de voederkosten en kosten van de big samen
betrekkelijk laag. In het bijzonder is dit op de boer-
derij het geval, waar de varkenshouderij slechts een
bedrijfsonderdeel is. Het karakter dezer kosten is
vooral wanneer men ze beschouwt t.o.v. de meer ‘aan
wisseling onderhevige voederkosten, varkens- en big-
gen-prijzen, bij benadering constant te noemen. Ge-
woonlijk wordt aldus ‘gerekend, dat men deze diverse
kosten tegen de waarde der mest laat wegvallen. De
rentabiliteit wordt dus in hoofdzaak bepaald door
den prijs van het afgemeste varken min voederkosten
gedurende de mestperiode min inkoopsprijs van de
big. Door op deze wijze de rentabiliteit te bereke-nen mag men wel aannemen, dat de rentabiliteits-
schommelingen niet worden beïnvloed. Wanneer men over een voldoende aantal boekhoud-
kundige gegevens van de diverse bedrijven zou be-
schikken, dan zou men op deze wijze de rentabiliteit
kunnen nagaan (eventueel te onderscheiden naar de
bedrijfstypen). Exacte gegevens hierover zijn echter
zeldzaam.

Om dus iets over wat men de globale rentabiliteits-
marge zou kunnen noemen te weten te komen, zal
dus een anderen weg ingeslagen moeten worden.
De hier toegepaste methode is de volgende: Uit
wekelijksche marktberichten werden de biggenprjzen
en de
prijzen
van vette varkens per pond levend ge-
wicht verzameld. Hieruit werden maandgemiddelden

berekend en vervolgens voor elk maandcijfer het drie-
maandelijksch glijdend gemiddelde in de plaats ge-
steld. Voor de voederkosten is door mij aanvankelijk uitgegaan van de prijzen van drie soorten z.g. meng-

Haas en Ezekiel. Factors affecting the price of hogs.
U.S. Dept. of Agr.ic. Bull. No. 1440, p. 23.
A.
Hanan. :Die Prognose der Schrweinepreise (V’iertels-
jahuhefte zur Konj. forsoh. Sondenheft 18) neemt als ren-
tabiliteitsfactor de verhouding tussohen de prijzen van
enkele voederartikelen en de ‘varkensprjzen. Daar de ren-
tabiliteit is prijzen min kosten, is een
verhouding
dus
minder juist. De door Haas en Ezek’iel (loco cit) gebruikte
corn-hog differentiaf
lijkt mij, mits gegevens over vele
jaren aanwezig, beter.

23 Juni 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

471

meel, zooals dit in dè verschillende groeiperioden van
het varken wordt gegeven. Aangezien deze soorten
inengmeel voor een zeer belangrijk gedeelte uit graan-
meel bestain (rnaïsmeel, gerstemeel, roggemeel) –
vermoedelijk wel voor ruim 80 pOt. – behoeft het
geen verwondering te wekken, dat de prijzen van
deze meelmengsels in zeer nauw verband staan met
de graanprijzen. Over een 90 h 100 prijsgegevens wer-
den de navolgende correlaties berekend:

gerst – gerstemeel

r = .+
0,924
gerstemeel — varkensmeel 1 r = +
0,956
— varkensrneel II r = +
0,914
— varkeusnieel III r = +
0,895

Deze hooge correlaties wijzen dus op een nauw on-

derling prijsverband.
Het ivas dus mogelijk om uitgaande van de gerst-
prijzen via het gerstemeel de prijzen van de drie soor-
ten varkensmeel te berekenen. Met behulp van de

verschillende regressielijnen, vaaibij direct rekening
werd gehouden met de door het mestvarken in elke
miand der mestperiode geconsumeerde hoeveelheid,
zijn vervolgens langs grafischen weg de voederkosten
bepaald. Doordat de regressielijnen het onderline ge-
middelde verband aangeven tusschen den gerstprijs en
den prijs der genoemde meelsoorten heeft deze methode
eenigermate een globaal karakter. Door een proefbe-
rekeding met de waargeiiomen prijzen der meelmeng-
sels over een periode van 1 jaar bleek mij, dat toe-
passing van bovenstaande methode tenslotte weinig
of geen vervorming der rentabiliteitsmarge gaf.
Opgemërkt dient nog te worden dat aangenomen
werd, dat de varkens uitsluitend met genoemde drie
meelmengsels werden gevoerd. In werkelijkheid is dit
niet altijd het geval,
t)

In grafiek 1 zijn de rsultaten der rentabiliteits-
berekening uitgezet. Als eenheid is genomen 100 pd.
levend varkensgewicht. Lijn A. stelt den kostprijs der
biggen voor; lijn B. de voederkosten en kostprijs der
biggen samen. B.A. zijn dus de voederkosten. Lijn C.
is de verkoopsprijs per 100 pd. levend gewicht. C.B. is dus de rentabiliteitsmarge. Deze rentabiliteitsmar-ge vertoont groote schommelingen. Het blijkt, dat de
gepronouceerde schommelingen der marge hoofdzake-
lijk worden veroorzaakt door de sterk wisselende var-
kensprijzen. De invloed der biggenprjzen en voeder-
kosten op de schommelingen der rentabiliteitsrnarge

1)
Hoewel de meelmengsels in de mesterij een zeer
langrijke rol spelen, wordt tevens het varken veelal nog gevoeld met producten, die het bedrijf zelf oplevert. Bij
geireke aan vo1donde gegevens en een juiste waardeering
dier
g
egevens is het zeer moeilijk op deze wijze de renta-biliteit te bepalen. Voor
Cidn
bedrjfstype zou dit een vol-
ledige studie op ziehzelf zijn.

is aanmerkelijk geringer. Het geleidelijk verloop der
voederkosten kan worden verklaard uit het feit, dat
de voederkosten steeds betrekking hebben op de voe-
derprjzen der 8 voorafgaande maanden benevens de
maand, waarin het varken is verkocht. (Duur der
mestperiode is op 81 maand aangehouden). De voe-
derkosten van het varken, dat in Januari 1934 is af-
gemest, beslaan dan het tijdvak Mei 1933 t/m. Januari
1934, die van het in Februari 1934 afgemeste varken
het tijdvak Juni 1933 t/m. Februari 1934, enz. De
voederkosten vertoonen in de jaren 1933 t/m. 1936
een geleidelijke stijging. (Zie grafiek 1, lijn B.). Ook de varkensprijzen vertoonen van 1933 t/m. 1936 een
opgaande lijn, echter door tal van schommelingen on-
derbroken.
1)

De overeenkomst van het verloop der varkensprij-
zen en de rentabiliteitsmarge komt in grafiek
2
nog
beter tot uiting. De rentabiliteitsmarge C.B. van
grafiek 1 is in grafiek 2 als lijn A. uitgezet. Evenals
de varkensprjzen (lijn B, grafiek 2), is de rentabili-

teitsmarge
Op
standaardafwijking gezet.
De lijnen A. en B. volgen elkaar in hun stijgingen
en dalingen zeer nauwkeurig. Naarmate de rentabi-
liteitsljn zich verder naar boven of beneden van de
prjsljn verwijderd, zijn de onkosten ten opzichte
van de varkensprjzen gunstiger of ongunstiger. In
1933 bijv. waren de gemaakte onkosten ten opzichte
van de varkensprjzen gunstiger dan in 1936′ het ge-
val was. ‘Tevens is in, grafiek 2 de genoemde aan-
van.gsrentabiliteit uitgezet (lijn 0.). De aanvangsren-
tabiliteit is als boven uiteengezet, de rentabiliteit op
basis der prijzen bij .den aanvang van het mesten van
‘het varken berekend.

Ter toelichting diene nog, dat bijv. de aanvangs-
rentabiliteit in Januari 1933 berekend is op prijs-
basis van Mei 1932, die van Februari 1933 op prijs-
basis van Juni 1932f enz. Bij de aanvangsrentabiliteit
is dus eveneens aangenomen, dat het varken in de
.9e maand nadat het als big is aangekocht, als afge-
mest varken wordt verkocht.

Uit de grafiek blijkt wel zeer duidelijk, dat de aan-
vangsrentabiliteit in vele gevallen een onbetrouwbare
gids is om hierop den varkensstapel uit te breiden. Wie
op de toppen der aanvangsrentabiliteit de varkens-
houderj uitbreidt heeft zeer groote kans in de dalen
der werkelijke rentabiliteit te verzinken. In enkele
gevallen ligt zelfs de aanvangsrentabiliteit geheel
tegengesteld aan de werkelijke rentabiliteit. (Vgl. het
verloop der lijnen A. en 0: in de perioden Febr.

t)
Deze opgaande lijn is uit grafiek 1 en
2
wel af te
leiden. Zekerheid hieromtrent is echter verkregen doordat
ik na uitschakeling der seizoensschommelingen de trend
heb ‘berekend.

GULDE
24 23
22
21
20
19
18 17 16
15
14 13 12
11
10

A.

ROSTEN BIG. R 100
RD.LEVCND
A.B. VOEDERKOSTEr4
.
B.0
RrNTABII.ITEIT
……..

VARREN.SGEWICMT.
GRAFIE
4
..

19tI

.

..
f936


.1 F M A M J J A S 0NDJ F MAM) J A S 0NDJ P M A M J J A S 0NOJ F M A M J JAS OND

472

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1937

o

933 933
935
936
en.nMJonsau,aJ F1Afl,J,a5NOJF,fl,A,fl,JJ,A5ONDJrflfl,1,J,J,A5ONO
1.

1934—Febr. 1935 en Febr—Sept. 1936). Uit deze
grafiek blijkt, dat het zich instellen der varkenshou-
derij op de aanvahgsrentabiliteif als zeer belangrijke
oorzaak van de prijsschommelingen mag worden be-
schouwd.
Volledigheidshalve zal nog moeten worden aange-
toond, dat bij lagere rentabiliteit ook meer varkens
aanwezig zijn dan zulks bij hoogere rentabiliteit het
geval is. Wij beschikken sedert het in werkingtre-
den der Orisisniaatregelen voor de varkenshouderi.j
over periodieke tellingen van varkens (de laatste
jaren 3 A 4 maandelijksch).

Lijn D. in grafiek 2 geeft het aantal varkes boven
95 kg aan. (Als afwijkingen van de trend). Voor de
maanden, waarin niet is geteld, zijn dè waarden ge-
interpoleerd. Aangezien deze varkens nog niet slacht-
rijp zijn is een phaseverschil van 4 maanden tusschen
de rentabiliteit (lijn A.) en de varkenstellingen (lijn
D.) aangenomen. Gedurende de periode van 4 maan-den komen de varkens boven 95 kg geleidelijk mest-
rijp ter markt. De April-telling is dus met de Augus-
tus-rentabiliteit vergeleken; de Mei-telling met de
Sep tember-rentabi litei t, enz. Wij zien hier duidelijk,
dat in tijden van lagere rentabiliteit het aantal, var-
kens boven 95 kg grooter is dan in perioden van hoo-
gere rentabiliteit. Er is een duidelijke tegenstelling
in loop tusschen de lijnen A. en D. te constateeren.
Opmerkelijk is, dat er vrjveel overeenkomst in de
gang der lijnen D. en C. bestaat, dus tusschen aan-
vangsrentabiliteit en varkens boven 95 kg. Het tijds-
verschil tusschen deze lijnen bedraagt in de grafiek
8 maanden, daar de telling 4 maanden is verschoven
ter vergelijking met de rentabiliteit en het tijdsver-schil tusschen rentabiliteit en annvangsrentabiliteit
8 maanden bedraagt. M.a.w. ‘d1nvo6den’ Va d:
aap-

vangsrentabiliteit zullen zich zeer waarsdhjnljk na
8 maanden op de varkensmarkt het sterkst doen ge-
voelen.
1)

Daar het aanbod der varkens den prijs beïnvloedt on
deze weer op zijn beurt de rentabiliteit, zoo kan rnên
zich afvragen wat het effect der beperkingsmaatrege-

len
2)
is geweest. Bij stijgende aanvangsrentabilitit
moet, theoretisch althans, door de beperking van het
aantal varkens boven 25 kg een rem gezet ‘worden op

1.)
Dit is dooi’ correlatieberekeniug nauwkeurig vast te
stellen.
2)
Voor een uiteenzetting der beperkingsmaatregelen vgl.
mijn artikel in E.-S.B. van 17 Juni
1936.

een te groote uitbreiding van het aantal mestvarkens.
De aanvangsrentabiliteit (lijn 0. grafiek 2) was voor

1936 van Februari tot October hoog. (8 maanden te-
voren waren dus de vooruitzichten gunstig). De lijn
D. der varkens boven 95 kg is gestegen, maar veel
flauwer dan hijv. in 1934 het geval was. Wellicht
mag dit als heperkingsinvloed gezien worden. De be-
perkingsmaatregelen voor de mestvarkens (z.g. meate
rijregeling) zijn pas in Mei 1934 in werking getrc-
den. De tweede, verminderde toewijzing varkens trad eind 1935 ‘geleidelijk in werking.
De eerste toewijzing is zeer vermoedelijk nog te
ruim geweest, zoodat men zich binnen het raam dier

toewijzing nog te veel op de aanvangsrentahiliteit
heeft kunnen instellen. In elk geval is verdere waar-
neming belangwekkend genoeg. Een moeilijkheid bij
een eenmaal uitgereikte toewijzing blijft, dat men deze maar niet direèt kan wijzigen. Het is nu een-
maal noodzakelijk, dat men de varkenshouders gele-
gehheid geeft tot aanpassing aan de nieuwe toewij-
zing en ook dat zooveel mogelijk wordt vermeden, dat
midden in de mestperiode een abrupte vermindering
der toewijzing wordt aangebracht. Een beperking als aanbôdsregulator werkt dus, vooral wanneer het gaat
om vermindering der
toewijzing,
altijd eenigszins
stroef.

Ik meen echter wel op grond van deze studie te
mogen zeggen, dat ‘een afwijzend oordeel over de be-
perkingsmaatregelen ten opzichte van de varkenshou-
derj thans zeker nog voorbarig is te noemen. Het
staat nog zeer te betwijfelen of de varkenshouderij
Op
den duur met opheffing wel gebaat zou zijn.
Ir. S. H.
DE JONG.

DE RIJKSMIDDELEN OVER MEI 1937.

Het verlop der Rjksmiddelen blijft zich gunstig
voor ‘s Rijks schatkist ontwikkelen, al is dit dan ook
voor een belangrijk deel aan bijzondere omstandig-
heden te danken, als de groote levendigheid ter beur-ze, de hoogere opbrengst van eenige middelen zooais
de invoerrechten en de omzetbelasting tengevolge van
de depreciatie van den Gulden, e.d. De laatstverloo-
pen maand maakte hierop geen uitzondering. De ge-
wone niet-directe belastingen brachten
f
35.000.100
op tegen
f
30.708.600 in Mei 1936 en gaven mitsdien
een toeneming te zien van
f
4.291.500. De gemid-delde maandraming werd overschreden met
f
3.858.400.
En ook nu was het ‘een verbetering over vrijwel de
geheele ‘lijn. Alleen de dividend- ‘en tantièmebelas-
ting, de zoutaccijns en de cciuponbelasting konden
het opbreugstcjfer van Mei 1936 niet halen. Wat de
gemiddelde maandraming betreft, deze werd niet ver-
kregen bij dezelfdh heffingen, alsmede hij den wijn-
accijns, en den suikeraccijns.
Het resultaat van de mooie opbrengsten der reeds
verstreken maandeh komt tot uitdrukking in de gun-
stige cijfers over het tijdvak Januari t/m. Mei. De
totale opbrengst van de eerste vijf maanden bedraagt

f
168.704.600 tegen
f
145.726.300 in .hetzelfde ge-
deelte van 1936 en bij een evenredige raming van

f
155.718.800. Er is nog slechts één middel, dat in
dien tijd minder heeft opgebracht dan in 1936, ul.
de bieraccijn’s en het decres beloopt niet meer dan

f
10.200. En
w.t
‘cle r’sl’ning aangaat, deze werd bij
een vijftal middelen, niet gehaald, t.w. de dividend-
en tantièmebelasting;’ den vijnaccijs, den bieraccijns,
den suikeraccijns en de successierechten. Het geheel
vertoont een heuglijke verbetering in de opbrengst
der verschillende bronnen van inkomst, welke uiter-
aard tot tevredenheid stemt.
Gaan wij nu de afonderljke middelen na, dan valt
allereerst op, dat do dividend- en tantièmebelasting

f
76500 ffiïndei’ heft opgeleverT ‘dan’ in de gelijk-
namige maand
y
an het vorige jaar. Niettemin komen
de ontangsten over Uh reeds verstreken maanden nog

f
129.000 uit hoven die van dezelfde periode van

het vorigejaar.
Zbdels.
bekend, wordt het overgroote

23 Juni 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

473

deel van deze heffing in slechts enkele maanden
in het midden van het jaar ontvangen; de goede
maanden breken thans aan. Aan deze omstandigheid
is het toe te schrijven, dat de raming over de afge-
loopen maanden niet werd bereikt (tekort
f
2.286.800).
De invoerrechten gaven een surplus van
f
784.300
en brachten
f
8.325.000 in de schatkist. Ook op zich-
zelf beschouwd was de opbrengst der afgeloopen
maand gunstig, immers
f
720.800 boven de maand-
raining. De ontvangsten zijn in de laatste maanden
opvallend hoog. De invloed van de scherpe prijs-
stijging van tal van goederen op de wereldmarkt is
hierin te onderkennen. Ook de mooie opbrengsten
van het statistiekrecht leggen hiervan getuigenis af. Laatstgenoemd middel bracht ditmaal
f
230.300 op
tegen
f
131.400 in Mei 1936 en bij een raming van

f
133.300. Uiteraard zijn bij deze middelengroep ook
de gevolgen van de depreciatie van gunstigen invloed.
De groep der
accijnzen
begint zich langzamerhand
wat te herstellen. Het zout verschafte, evenals de
vorige maand, een lagere ontvangst
(f
17.800 min-
der), doch dit middel heeft in het eerste kwartaal
des jaars zoo ruim gevloeid, dat de eerste vijf maan-
den toch nog een accres van
f
96.800 vertoonen. De
geslachtaccijns blijft ruime baten geven; ditmaal kon

f
116.800 boven de ontvangst van Mei 1936 worden geboekt. De hoogere rundveeprijzen vormen de aan-
w’ijsbare oorzaak van de geregeld stijgende ontvang-
sten, die deze
accijns
heeft te zien gegeven. Aaû
wijnaccijns werd
f
1.300 meer ontvangen, doch de
beide eerste maanden van het jaar zijn voor deze hef-
fing van minder beteekenis. De gedistilleerdaccijns
steeg met
f
63.700. Er is in den loop van dit middel
inderdaad eenige verbetering te bespeuren; gerekend over vijf maanden is het loopende jaar met
f
204.700
in het voordeel. Hetzelfde kan gezegd worden van den
bieraccijns, die ditmaal
f
107.100 meer opleverde dan
in Mei 1936 en belangrijk meer dan in de vorige
maanden werd ontvangen. Ook de bieraccijns begint
dus teekenen van herstel te vertoonen, al kon de in
de afgeloopen maanden ontstane achterstand nog niet
worden ingehaald. Zooals hierboven reeds bleek, is
de bieraccijns het eenige middel, dat in de verstreken
maanden minder heeft opgeleverd dan in hetzelfde
tijdvak van het vorige jaar, zij het, dat de achter-
stand niet meer dan
f
10.200 bedraagt. Aan suiker-accijns kwam ditmaal
f
480.400 meer binnen,
w
a
ar
2
door de in de afgeloopen maanden verkregen voor-
sprong steeg tot
f
1.636.500. Toch zijn de ontvang-
sten van dit jaar belangrijk lager dan die, welke in
het 2e halfjaar 1936 werden geïnd. De tabaksaccijns
leverde
f
105.500 meer op dan in Mei 1936 en

.f
286.000 boven de maandraming. Deze accijns heeft
tot dusver in 1937 vrij goede opbrengsten laten zien;
gerekend over vijf maanden werd een voorsprong
verkregen van
f
381.000.
De belasting op gouden en zilveren werken ver-
schafte
f
8.500 meer; over vijf maanden bedraagt
de stijging
f
34.200. De omzetbelasting gaf opnieuw
een bijzonder hooge opbrengst, •t.w.
f
6.986.800, di.

f
1.421.200 meer dan in Mei 1936 en
f
1.778.500 meer
dan de raming. Waar ook de vorige maanden van
het jaar, met name Maart jL, gunstig waren, maakt
het overzicht over de eerste vijf maanden een mooi
figuur; tot dusver kwam
f
4.394.800 meer aan om-
zetbelasting binnen dan in het tijdvak Januari t/m.
Mei 1936. De prijsverhooging van veel artikelen en de opleving van den handel laten zich hierin onder-
kennen. Met de couponbelasting lièp het in de afge-
loopen maand iets minder gQ?d; er is ditmaal een
decres waar te nemen van
f
2.100 en ook werd de raming niet bereikt (nadeelig verschil
f
39.500). De
voorafgaande maanden waren échter dermate gun-
stig, dat tot dusver
f
536.600 meer werd ontvangen
dan in 1936.
De z.g. conjunctuurheffingen blijven gunstige cij-
fers vertoonen. De zegelrechten verschaften
f
616.300
meer, waarvan
f
163.800 op rekening komt van een

ruimer vloeien der beursbelasting. Hoewel de ont-
vangsten nog bevredigend zijn, is er een zeer sterke
daling in vergelijking met de voorafgaande maanden
te constateeren; er gaat op de beurs veél minder om.
Ook de registratierechten blijven goed op peil; hier
bedroeg de toeneming ditmaal
f
542.300. Een op-
brengst als de vorige maand verschafte
(f
1.418.600)
werd sedert 1931 niet gehaald. Gerekend over vijf
maanden geveu de hier besproken middelen een accres
van resp.
f
7.786.400 en
f
2.054.800.
De successierechten liepen op met
f
26.800, hoe-
wel de ontvangsten van Mei 1936 aan den hoogen kant waren. Er kwam ditmaal
f
198.900 meer bin-
nen dan waarop blijkens de raming was gerekend.
Gerekend over vijf maanden is het loopende jaar met

f
2.178.800 in het voordeel. De oorzaak voor deze
stijging is te zoeken in de 20 opcenten, welke in het
begin van het vorige jaar nog geen invloed uitoefen-
den. De loodsgelden namen toe met
f
14.800, eener-
zijds wegens de verhooging van het tarief, anderzijds
door de bedrijvigheid in het scheepvaartverkeer. Ge-
rekend over vijf maanden bedraagt de vooruitgang

f
116.900.

Tenslotte nog een enkel woord over de Directe
Belastingen. Aan grondbelasting is thans een bedrag
van
f
10.292.700 voor het Rijk op kohier gebracht,
of
f
162.400 meer dan op hetzelfde tijdstip van 1936,
dank zij het vluggere verloop der aanslagregeling.
Het bedrag der opgelegde aanslagen is hierdoor bijna
gelijk aan de raming voor 1937. Bij de overige kohier-
heffingen verschilt de stand per 31 Mei 1937 niet
veel van dien per 30 April jl. Eerst als de aanslag-
biljetten voor het nieuwe belastingjaar zijn afge-
geven, kan een eenigszins belangrijke toeneming van de kohierbedragen w’orden verwacht. De inkomsten-
belasting laat, in vergelijking met het vorige jaar,
een verschil in minder zien van
f
1.150.100. Daar-
entegen vertoonen de vermogensbelasting en de ver-
dedigingsbelasting 1 een vooruitgang van resp.
f
700
en
f
10.900, zulks in tegenstelling met de vorige
maand, toen de stand van deze beide belastingen bij dien an 30 April 1936 ten achter bleef. De belasting
van de doode hand komt op den .middelenstaat voor
met een bedrag van
f
1.109.700 (op hetzelfde tijd-
stip van het vorige jaar was
f
1.045.100 op kohier
gebracht). Vermoedelijk is hier een iets snellere aan-
slagregeling in het spel geweest.

BUITENLANDSCHE MEDEWERKING.

EEN NIEUWE FINANCIEELE CRISIS IN
FRANKRIJK.

Dr. H. Weichmann te Parijs schrijft ons:

Opnieuw werd Frankrijk door een van de zich
periodiek voordoende crises getroffen. Wat is de
huidige crisis en, hoe zijn de perspectieven om haar
te boven te komen?

De nieuwe crisis was een gevolg van de moeilijk-
heden van de schatkist van hern:ieuwde aanvallen op
de valuta en daarmede dus van factoren, welke his-
torisch feitelijk tot de crises van de laatste jaren be-
hoorden. Wederom bestaat er voor den Staat, even-
als
bij
alle andere vorige crises, de noodzakelijkheid om
de begrootiug in evenwicht te brengen, bestaat ook de
dwang om aan• de Schatkist direct nieuwe liquide
gelden toe te voeren en om door een nieuwe regeling
van begrooting en kas de valuta uit de gevarenzône
te brengen.
De grondtrekken van de crisis vertoonen dus :niets
bijzonders. De eigenaardigheid van de huidige crisis
wordt echter gevormd door de historische omstan-
digheden, waaronder zij opnieuw uitbrak. Uit het feit, dat een rijk land als Frankrijk in een wereld,
die haar welvaart heeft hervonden, nog steeds in
financieele moeilijkheden verkeert, welke in niets
verschillen van de moeilijkheden uit de economische
depressieperiode van de wereld, voorts uit het feit,
dat deze crisis na een depreciatie van de valuta uit-

474

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1937

breekt, terwijl alle overige landen daardoor juist in
staat waren uit den erisescyclus te treden en verder
uit het feit, dat geen politieke verschijnselen van
verstoring noch op het gebied van de hinneulandsche
noch op dat der buitenlandsche politiek tot het uit-
breken van de crisis hebben bijgedragen, blijkt reeds,
dat de oorzaken voor de acute moeilijkheden in een
economische constructiefout moeten liggen. Van wel-
ken aard is deze constructiefout?
Het economisch experiment van de Volksfrontre-
geering begon met de afbraak van de deflatiepolitiek
en de toepassing van een reflatiepolitiek. De begin-
selen van een orthodoxe begrootingspolitiek werden

opgegeven en in de plaats daarvan stelde de Re-
• geering het programma van de vergrooting van de koopkracht der massa. Deze vergrooting moest het
bedrijfsleven een nieu*eA prikkel geven, de Staats-
kas vullen en Frankrijk uit den crisescyclus halen.

De politiek heeft, zooals thans niet meer wordt be-
streden, schipbreuk geleden. Zij eindigde met de
depreciatie, omdat de .vermeerderde koopkracht der
massa, dus de verhooging van de bonen, een verhoo-
ging van de productiekosten medebracht, welke het
reeds in sterke mate ontredderde evenwicht tusschen
de binnen- en buitenlandsche prijzen geheel en al ver-

stoorde.
De depreciatie van de valuta leidde evenmin tot

het beoogde doel. Zij had ten doel de door de voor-
afgegane politiek van koopkrachtvermeerdering op-gewekte prijsstijging te paralyseeren, door uiteinde-

lijke vaststelling van een evenwicht der prijzen het
Fransche bedrijfsleven weder in de wereldhuishou-
ding in te schakelen, daarmede den buitenlandschen
handel een prikkel te geven, en daarmede wederom
de bedreiging van de valuta uit de wereld te helpen
om tenslotte op basis van een gesaneerde valuta den
uit het land gevluchten kapitaaistroom weder naar
het vaderland terug te voeren, ten bate zoowel van
het bedrijfsleven als van de Staatskas.
Bij
een nor-

niale ontwikkeling zou het gewenschte resultaat niet
zijn uitgebleven. Deze normale gang van zaken werd
echter door de invoering van de 40-urige werkweek
onderbroken. Zij leidde tot een nieuwe opvoering van
de prijzen. Het bedrijfsleven, dat juist door de depre-
ciatie mocht verwachten de prijsstijgingen uit de
periode van de reflatiepolitiek te boven te komen, zag
opnieuw zijn winstmarge gereduceerd, het prjseven-
wicht werd wederom verstoord.
De derde poging om het verstoorde evenwicht ive-
der te herstellen werd met de inleiding van de
,,pauze” ondernomen. Haar lag de ‘gedachte ten
grondslag, dat thans alle nieuwe factoren tot ver-
storing van het evenwicht van de prijzen moeten wor-
den uitgeschakeld. Het bedrijfsleven zou een verze-kerde aanpassingsperiode krijgen, waarin de sociale hervormingen zouden worden doorgevoerd, de ‘pro-
ductie opgevoerd, de prijzen aangepast, de winst-
marge hersteld, en dus een nieuwe evenwichtstoestand
zou worden bereikt. Deze conceptie op zichzelf sloot
absoluut. Indien thans niettemin moeilijkheden kon-
den ontstaan, zoo was dit niet de schuld van deze
conceptie, doch van een anderen factor, namelijk den

factor ,,tijd”.
De aanpassingsperiode had voor haar algeheele uit-
werking, zooals vanzelf spreekt, een langeren tijds-
duur noodig. Er werd echter eerst mede begonnen
een geheel jaar nadat het Volksfront aan de Regee.
ring was gekomen en na twee voorafgegane mislukte
experimenten, zoodat er voor de Staatskas intusscheu
kostbare tijd verloren was gegaan en in de toekomst
geen tijd meer te verliezen was. Den tijd, welken het
economisch organisme noodgedwongen ook bij onaf-
gebroken doorvoering van de ,,pauze” tot zijn her-
stel noodig had, had de Staatskas echter niet meer.
De vergissing in de tijdsfactoren is de eigenlijke oor-
zaak voor de zich thans opnieuw voordoende finan-
cieele moeilijkheden. Haar ontwikkeling kan daarbij

als volgt worden geschetst.

De periode van de koopkrachtvermeerdering had
niet de verwachte conjunctuur tengevolge en bracht
dus ook voor den Staat niet de verwachte inkomsten
mede. De schatkist overwon in deze periode de toen-
malige geërfde kasmoeiljkheden slechts dank zij de
z.g. volksieening, welke de Regeering spoedig na, haar
optreden uitgaf en. welke ongeveer Fr. 4 milliard op-

bracht.
De op de depreciatie van de valuta volgende pe-
riode bracht evenmin de verwachte meerdere inkom-
sten voor de Staatskas. De financieele moeilijkheden
werden slechts dank zij de tegen het einde van het
jaar in Londen opgenomen leening van £40 mill.
voor de spoorwegen overwonnen.
Het nieuwe jaar liet zich niet beter aanzien. Wel-
iswaar stegen de belastinginkomsten en mocht de
Minister van Financiën verwachten, dat zijn rekenen
op 4 milliard meerdere inkomsten in den loop van
het jaar bij benadering juist zou blijken te zijn,
deze Fr. 4 milliard beteekenden echter slechts een
druppel water op een gloeiende plaat in verhouding
tot de feitelijke leeningsbehoefte van ongeveer Fr. 35
milliard. Nog eenmaal konden de moeilijkheden ech-
ter worden overwonnen. De terugkeer tot de ortho-
doxe beginselen van het begrootingsevenwicht, de aan-
kondiging van de ,,pauze” stelde de Regeering in
staat de defensieleening ten bedrage van Fr. 8 mil-
hard uit te geven.
Toen zou het het tijdstip
zijn
geweest, zoowel
psychologisch als budgetair, om de financieele moei-
lijkheden door een energiek fiscaal programma aan
te pakken. In plaats daarvan vertrouwde de Regee-
ring op het automatisme van de ,,pauze”, zooals zij
tevoren op het automatisme van de depreciatie had
vertrouwd en nog vroeger op het automatisme van
de koopkrachtvermeerdering. Het bedrijfsleven van
het land reageerde echter niet zoo snel op de ,,pauze”
en het kon ook na de voorafgegane ingrjpede maat-
regelen niet zoo snel reageeren, als wel in het be-
lang van de Staatskas zou zijn geweest.
Op de binneulandsche markt begon weliswaar ge-
leidelijk een zekere prjsstahilisatie in te zetten, het
bedrijfsleven zelf was echter nog niet in staat zijn
productie uit te breiden. Met uitzondering van de
ijzerindustrie, welke van de bewapeniugsorders pro-
fiteerde, toonde de overige industrie geen stijgende
•productiecijfers. In bepaalde takken viel zelfs een
achteruitgang te constateerea, zooals in de textielin-
dustrie, welke genoodzaakt was den werktijd tot
32 uur te verkorten, en in de kolenindustrie, waar-
van de dageljksche productie in Mei nog met 1.000
ton daalde.
In den buitenlandschen handel bleef de verwachte
opleving eveneens uit, zooals uit de volgende tabel
betreffende de ontwikkeling van den in- en .uitvoer

sedert begin 1937 blijkt.

In millioenen Fr.ancs.
T nvoer

1937

1936

Januari ……………….
3.319

2.014
Februari

………………
3.681

2.051

Maart …………………
3.227

1.956 April

…………………
3.297

2.051

Mei …………………..
3.050

1.969

Uitvoer

1937

1936

Saldo ’37

Januari ……………….
1.773

1.203

—1.546

Februari ………………
1.695

1.228

—1.986

Maart …………………
1.873

1.244

– 1.352

April …………………
1.973

1.200

– 1.324

Mei …………………..
1.758

1.172

– 1.292

De handelsbalans vertoont dus reeds over de eerste
vijf maanden een nadelig saldo van ruim Fr. 7 mii-
hard en sedert de depreciatie van een bedrag, dat
juist overeenkomt met de saldi van het Egalisatie-

fonds.
Met dit uitblijven van het herstel van het bedrijfs-
leven moesten nu, zooals vanzelf spreekt, ook de f.i-

23 Juni 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

475

nancieele behoeften van den Staat toenemen. De uit-
putting ‘van de beschikbare middelen was duidelijk
zichtbaar uit de desbetreffende staten. Het aan de
schatkist toegestan,e maximum voor de uitgifte en dis-
conteering bij de circulatiebank van schatkistwissels
ten bedrage van Fr. 13 milliard werd volgens den
laatsten weekstaat van de Bank van Frankrijk bijna
geheel gebruikt. De portefeuille van de circulatie-
bank geeft reeds een bedrag van Fr. 1.2.2 milliard te
zien en daarbij dient er rekening mede te worden ge-
houden, dat in dezn op 10 Juni afgesloten staat nog niet het jongste beroep op de circulatiebank tot uit-
drukking komt. Op het aan den Staat door de circu-
latiebank bovendien toegestane rentelooze voorschot
van Fr. 10 milliard was eveneens reeds op den aan-
gegeven rescontredag voor het grootste deel beslag
gelegd. De rentelooze voorschotten aan den Staat
staan met een
cijfer
van Fr. 7.8 milliard te boek. De
looponde rekening van de schatkist is van 30 April
tot 10 Juni van Fr. 2.3 milliard tot 142 mili. ge-
daald. Daartegenover bedraagt ‘de behoefte van de
schatkist ongeveer Fr. 20 milliard. De Staat heeft
dus nog slechts de beschikking over een minimum
bedrag aan liquide middelen, terwijl tegelijkertijd de
mogelijkheden van een beroep op de circulatiebank
bijna de uiterste grens hebben bereikt. Hierbij komt,
dat een beroep op de credietmarkten niet mogelijk is.
Bij de huidige constellatie van de markt valt op de
mogelijkheid van een plaatsing van kortloopende
schatkistwissels niet meer te rekenen. De Minister
van Financiën moest reeds einde April bij zijn uit-
eenzettingen voor de Financieele Commissie uit de
Kamer mededeelen, dat de omloop aan schatkistwis-
sels van Fr. 12 tot 4.9 milliard was gedaald. De mo-

gelijkheid om een leeni.ng op langen termijn te
plaatsen is nog geringer.
De positie van de Staatskas is dus juist in de laat-
ste zes weken zeer verergerd. Op 20 April maakte de
Minister van Financiën nog een begrooting, volgens welke hij Fr. 8.3 milliard voor de schatkist zou kun-
nen mobiliseeren, namelijk 3.3 op loopende rekening,
2.5 door het uitgeven van de laatste tranche van de
defensieleening, 2.2 door een beroep op de circulatie-
bank en 0.8 uit teruggevloeide voorschotten aan de
gemeenten. Thans is de loopende rekening uitgeput, de terugbetalingcn van de gemeenten zijn verbruikt,
de uitgifte van de defensielèening is om markttechni-
sche redenen niet mogelijk en het beroep op de Bank van Frankrijk is even precair als onvoldoende.

Bij dezen gang van zaken kon niet uitblijven, dat
ook liet monetaire vraagstuk weder acuut werd. Uit-
putting van de Staatskassen eenerzijds, uitputting van de middelen van het Egalisatiefonds door het
aanhoudende tekort van de handelsbalans anderzijds,
verscherpt door nieuwe lcapitaalonttrekkingen, welke
voor de twee laatste weken op ongeveer Fr. 3 mil-
hard kunnen worden geramd, deze feiten illustree-
ren de jongste critieke verscherping, zonder dat hier-
bij een verklaring van een’ nieuwen speculatieven
aanval op den Franc of tegen de Regeering noodig
is, zooals in het exposé van de Regeering voor het
volmachtenontwerp wordt aangevoerd.
De Regeering wil dan de ontstane moeilijkheden
bestrijden met een vèrgaande belastiughervorming.
Bij de beoordeeling van deze voorstellen kan de poli-
tieke methodiek geheel en al buiten beschouwing
worden gelaten. Het krijgen van de volmachten is
absoluut bijkomstig naast de vraag, of door een belas-tinghervorming de begrooting kan worden gesaneerd.
Deze vraag moet echter ontkennend worden beantwoord.
In de eerste plaats kan een belastinghervorming
tezamen met belastingverhoogingen, zuiver naar den
omvang beschouwd, aan de Staatskas niet de noodige
middelen verschaffen. Dc Regeering zelf rekent
slechts op een grootere opbrengst van Fr. 5 milliard
per jaar, dat is dus
Fr.
2.5 milliarci voor de eerstico-
monde zes maanden, en dit bedrag staat in geen ver-
houding tot cle behoefte van Fr. 20 milliard.

Een politiel van belastingverhooging moet echfer
)ovendien de politiek van de ,,pauze” door het risico
r
an
een nieuwe verstoring van het evenwicht der prj-
;en in dezelfde mate in gevaar brengen, als tevoren
loor de 40-urige werkweek en de loonsverhoogingen
in de depreciatiepolitiek het geval is geweest. De Re-
eering beoogt de verhooging van de indirecte belas-
;ingen en
accijnzen
op producten van direct verbruik.
)e gevolgen van dergelijke belastingen zullen een lieuwe prijsverhooging, wellicht zelfs een nieuwe
.00nsverhooging, dus een nieuwe onderbreking van de
le aanpa.ssingsperiode zijn. De bovendien beoogde ver-
hooging van de tarieven voor gas, eleetriciteit en
poorwegen zou het
bedrijfsleven
van het laatst over-
ebleven voordeel van de depreciatie berooven, name-
lijk van een relatieve verlaging van de vaste kosten.
Het is dus niet duidelijk, hoe via een nieuwe belas-ting het vraagstuk van de schatkist kan worden op-
gelost. Nog minder duidelijk is het, hoe het algemeen
economisch probleem hierdoor kan worden ontward.
Naast belastingmaatregeien beoogt de Regeering
nog maatregelen tot het doen terugkeeren van het
naar het buitenland gevluchte kapitaal, hetwelk d’e staatsbehoeften zal moeten financieren. Om welke maatregelen het hierbij gaat, is nog niet bekend; in
ieder geval echter zullen het maatregelen zijn, welke
een gedwongen karakter dragen. Men kan zich moei-lijk voorstellen, hoe maatregelen met een gedwongen
karakter met de handhaving van de valutavrjheid
vereenigbaar zijn. Voor een uiteindelijke beoordeeling
zal de afkondiging van deze maatregelen moeten wor-
den afgewacht, doch het feit, dat de Fransche finan-
cieele politiek nu op een punt is gekomen, waarop
met dwangmaatregeling in de kapitaaibeweging reke-
ning moet worden gehouden, kenschetst met bijzon-
dere duidelijkheid de economisch-politieke situatie
of veeleer de verschuiving, waarom het thans gaat.
Oorspronkelijk wilde de Regeering volgens de kapi-
talistische regelen het Fransche bedrijfsleven en de Fransche financiën uit den crisistoestand halen. Op
deze regelen wérd ten dccle geen acht geslagen, zoo
bi, blijkens de speciale belasting op de depreciatie-
winsten en de invoering van een plicht tot goudaf-
gifte; ten dccle werden ook de functies van het be-
drijfsleven in haar natuurlijken loop gestoord, zoo-
als door de te ver doorgevoerde sociale hervorming.
Thans bestaat het probleem, waarvoor Frankrijk zidh
geplaatst ziet, uit het alternatief van een onver-
valscht toepassen van de regelen van het vrije bedrijfs-
leven of wel het toevlucht nemen tot economische
dwangmaatregelen –
Economische dwangmaatregelen op het gebied van
de kapitaalbeweging, een poging hiertoe eindigt vol-
gens alle ervaringen met muntcontrôle en economi-
sche autarkie. Voor een terugkeer naar de wetten van
een vrij bedrijfsleven is daarentegen, gezien het ver-stoorde evenwicht, een afbraak of tenminste een op-
schorting vereischt op het gebied van de sociale her-
vorming, véér alles van de 40-urige werkweek. hier-
mede wordt het vraagstuk echter in plaats van een
economisch een politiek probleem.
19 Juni 1937.

AANTEEKENINGEN.

DC
Japansche kleinindustrie. i)
II
(Slot).
De rubb er-industrie.
Ofschoon de expansie van de Japansche rubber-
industrie opmerkelijk is, blijft toch over het algemeen
dë gemiddelde bedrijfsgrootte klein. Speciaal de fabri-
cage van rubber speelgoed geschiedt op zeer kleine
schaal; met een roller voor het kneden, een vuleani-
seermachine, en 10 â 20 arbeiders is het al heel goed
mogelijk een fabriekje te exploiteeren.
De volgende tabel geeft een overzicht van de posi-
tie van het kleinbedrijf in deze industrie.
1)
Het eerste gedeelte van deze besohouwng werd opge-
nonien in E.-S.B. van 16 Juni
1937.

476

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23
Juni
1937

Bedrijven en arbeiders in de rubberindustrie 1933.

Bedrijven

1

Arbeiders

________________-

O0van

Bedrijfsgrootte

Aantal

OI
o
van

Aantal
1

totial
totaal

5-9 arbei&rs
1

174

23.3

1012

2.9

10-14

83

11.2

1010

2.9

15-29

180

25.2

4196

12.1

30-49

135

18.2

5198

14.9

50-99

,,

109

14.7

6340

18.2

100-199

31

4.2

4547

13.1

200-499

18

2.4

5481

15.8

500-999

,,

4

0.5

2807

8.1

1000 en meer

2

0.3

4176

12.0

Totaal
..

742

100.0

34707

100.0

ilieruit blijkt, dat de kleinbedrijven met
minder

dan 100 arbeiders 92
püt.
van het totaal aantal be-

drijven vormen, terwijl 51 pCt. van het totaal aan-
tal arbeiders hierin werkzaam is. Niettemin is het
volume van de productie hieraan niet evenredig. De
productie van bedrijven met minder dan 100 arbei-
ders bedroeg in 1933 slechts 41 pOt. van de totale
productie. Deze onevenredigheid is een gevolg van de
verschillen in efficiency, die bestaan tusschen kleine
en groote bedrijven. [Jet genre artikel, dat gefabri-
ceerd wordt, bepaalt den omvang van het bedrijf; de
handenfabrieken zijn bedrijven met 1000 en meer ar-
beiders, daarentegen is voor rubberschoenen het be-
drijf met 50 h 100 arbeiders het meest frequente type,
terwijl de fabriekjes van rubber speelgoed heel be-

scheiden in omvang zijn.
In het algemeen speelt in de ruhherindustrie ban-

denarbeid een groote rol.

De fietseni’nduslrie.
De fiets is in Japan één van de voornaamste ver-
voermiddelen.
Men taxeert het aantal fietsen 01)

7 millioen, of 1 fiets op 9
personen. Alleen in
Ne-

derland is het aantal fietsen per hoofd der bevolking
nog grooter.
De productie bedroeg in 1935 45 millioen Yen; de

export steeg
in de jaren 1932 tot 1934 van 6 mii-
lioen tot 19 millioen. Yen.
De industrie is gegroeid uit de fabricage van en-
derdeelen voor het repareeren van de geïmporteerde
fietsen. Ook nog tegenwoordig neemt in deze indus-
trie de kleine fabriek, die 1 of
2 onderdeelen maakt,

een zeer groote plaats in. Vermelding verdient in dit vQrband het productie-
en afzetsysteem. Er zijn bedrijven, meestal de groo-
tere, die alle onderdeelen, of een groot gedeelte er-
van, fahriceeren, en het in-elkaar-zetten van de corn-
1)lete fiets en den detail-verkoop controleeren. De klein-
bedrijven hebben zich gespecialiseerd op één of meer
onderdeelen, welke zij aan de grossiers verkoopen, die
hiervan de complete fietsen in elkaar zetten. Er zijn
ook gevallen, dat de grossiers het in-elkaar-zetten aan
de winkeliers overlaten. In het algemeen laat de klein-
industrie het moffelen en nikkelen buiten het eigen

bedrijf verrichten.
De volgende tabel geeft een overzicht van het aan-

tal bedrijven en arbeiders.

De Japansche 1 ietsenindustri& 1930.

Bedrijven
Arbeiders Bedrijfsgrootte Aantal

~in

totaal
Aantal
°Io
vHn
totaal

?,iinderdan5arb.
± 1700
81.6
± 5200
39.6

5__9
197
9.5
1194
9.1

10

14

,,
63
3.0 804
6.1.

15-29

,,
69
3.3
1464
11.1

30-49

,,
31
1.5
1383
10.5

50-99

,,
11
0.5
836
6.4

100-199

,,
10
0.5
1598
12.2

200
en meer

,,
2
0.1
656
5.0

Totaal..
2083
1

100.0
13135
1

100.0

Duidelijk’ blijkt uit de tabel, dat deze industrie
vrijwel iiitsluitend als kleinindustrie is georgani-

seerd: 99.4 pOt, van alle
bedrijven
zijn bedrijven met

minder dan 100 arbeiders, en meer dan 80 pOt. hier-
van zijn dwergbedrijven. Deze dwergbedrijven zijn
voor het meerendeel huis-industrieele werkplaatsen;
de arbeiders zijn familie-leden of leerjongens. Boven-
dien wordt veel gebruik gemaakt van ,,part-time
labour” van hen, die in de naaste omgeving wonen.
Daar vele machines eenvoudig zijn en met de hand
bediend kunnen worden, is vanzelfsprekend het ge-
bruik van onvolwaardige arbeidskrachten mogelijk.

De gloeilampindustr’ie.

Van de jaarlijksche productie

de laatste jaren

meer dan 350 millioen lampen

wordt
4f
geëxpor-

teerd.
De gloeilampindustrie kan in twee categorieën ver-
deeld worden: aan den
eenen kant
de Tokyo Electric

Co., aan den anderen kant de zoogenaamde ,,home-
made” lampenfabrikanten, onder welken naam men
alle andere fabrikanten samenvat. De Tokyo Electric Co. werkt uitsluitend voor de hinnenlandsche markt,
daar zij zich tegenover de General Electric Co. of

America, met
wie
zij geaffilieerd is, verbonden heeft,
alleen te exporteeren naar Mandchoukuo en China.
De ,home-made” groep wordt weer onderverdeeld
in twee groepen: de ,,standard” groep, een kartel van elf maatschappijen (totaal gezamenlijk kapitaal ruim
8% millioen Yen), waarvan elk, volgens specificaties
van het kartel, gestandaardiseerde artikelen maakt.
ioofdproduct van deze groep is de gloeilamp voor
de Japansehe markt. Vandaar een groote concurren-

tie tusschen de
Tokyo
Electric en de ,,standard”

maatschappijen.
De tweede groep van de ,,home-made” fabrikanten

zijn
de ,,town” fabriekjes, waaronder men de kleine
bedrijven verstaat, die over de arbeiderswijken van
de groote industrie-steden verspreid zijn.
Bij
de Tokyo Electric en de ,,standard” groep vindt
de productie plaats in moderne fabrieken; een schril
contrast met de uitrusting van de ,,town” fabrikan-
ten, die nog in een uiterst primitief stadium ver-
keert. Het grootste gedeelte van het productieproces
wordt in handenarbeid verricht met slechts eenige be-

werkingen door tweedehands

machines; men heeft
geen laboratoria en vertrouwt
uitsluitend op eigen

ervaring. Het is dan ook niet te verwonderen, dat
hun producten vaak van inferieure kwaliteit zijn.
De export werd de laatste jaren bijna uitsluitend
door de kleinindustrie bediend. Niet alleen dat dus
de kleinindustrie, wat den afzet betreft, geen concur-
rentie ondervindt van de grootere bedrijven, maar
ook maakt zij voor een
groot gedeelte andere produc-
ten, zooals autolampjes, batterijlampjes, enz. Het
meerendeel der kleine ,,town” fabrikanten zijn voor-
malige arbeiders van de Tokyo Electric en
van
de ,,stan-

clard” maatschappijen, waar
zij afvloeiden als gevolg van de invoering van automatische machines. Van-
daar dat cle meeste ,,town” fabriekjes in Tokyo te

vinden
zijn.
De man, om wien in de kleinindustrie alles draait,
is de ,,entrepreneur”. Hij is de tusschenpersoon, de
schakel tussehen de exporteurs in Yokohama en de
,,town” fabriekjes.
Hij koopt het benoodigde mate-
riaal, geeft het uit aan
de verschillende, werkplaat-
sen, verzamelt later het afgewerkte product, en zendt

het
naar de exporteurs. Door het verstrekken van
voorschotten zijn de kleine ,,town” fabrikanten maar
al te dikwijls volkomen in de macht van den tus-

schenpersoon.
Doordat de meeste ,,town” werkplaatsen zonder
kapitaal werken, geen machines van belang hebben,
ontsnappen zij aan de officieele statistiek. Bovendien

zijn
er zooveel mutaties, dat het juiste aantal moei-
lijk te bepalen is. De Tokyo Electric Co. schat het
aantal ,,family-scale” werkplaatsen op 1500 met tus-
schen de 5000 en 5500 arbeiders. Ons verder basee-

rend
01)
de officieele statistieken, kan de volgende

opstelling gemaakt worden.

23 Juni 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

477

De Japansche gloeilanip:industrie 1933.

Bedrijven

Arbeiders

Bedrijfsgrootte
o;
van

Aantal

0
10
van
Aantal

totaal

1
1

totaal

Mïnderdan5arb.
±
1500
82.9
±
5200 34.9

5-9

,,
87
4.8 536
3.6
10-14

,,
83
4.6 948
6.4

15-29

,,
83
4:6
1626
10.9
30-49

,,
30
1.7
1129
7.6

50-99

,,
15
0.8
1006
6.7
100-499

,,
11
0.6
1523
10.2

500 en meer
1

2947
19.7

Totaal..
1810
100.0
1

14915 100.0

Indien wij de fabrieken met 100 en meer arbeiders
rekenen tot de ,,Tokyo Electric” en ,,standard” fa-
brieken, behoort 99.4 pCt. tot de ,,town” groep; van
het totaal aantal arbeiders is ruim 70 pOt. in de
kleinindustrie werkzaam.
Men taxeert het aantal personen, werkzaam in de

,,family-scale” werkplaatsen, dus in de huisiudustrie,

op 5
A
, 6000, of op ongeveer de helft van het totaal
der arbeiders in de kleinindustrie.
Er zijn twee soorten huisindustrie: de kleine werk-
plaatsen, waarin man, vrouw en kinderen werken met
soms een of twee inwonende arbeiders (arbeidsters),
en werkplaatsen, die door een of twee personen ge-dreven worden als nevenbedrijf. De arheidstoestan-
den en de bonen in deze huisindustrie zijn zeer slecht.
Het geheel is een duistere bladzijde in de ontwikke-
lingsgeschiedenis van de J’apansche industrie.

De zkhtbare suikervoorraden in de wereld.
De zichtbare voorraden per 1 Mei zijn volgens C. Czarnikow

In tons

1937

1936

1935

Duitschiand …………..1.015.000

997.000

954.000

Tsjecho.Slowakiie ……..331.000

299.000

317.000
Frankrijk …………….503.000

636.000

662.000
Nederland…………….198.000

237.000

256.000
België ………………129.000

162.000

135.000
Hongarije …………….88.000

74.000

71.000
Polen ………………..

259.000

256.000

263.000

U.K. Geïmp. suiker ……245.000

267.000

252.000

Binnen!…

… …

142.000

112.000

141.000

Europa………2.910.000 3.040.000 3.051.000

V.S. Alle havens ……..154.000

305.000

624.000
Cubaansche havens …….576.000

501.000

715.000
Cuba binnenland……….1.528.000 1.527.000 1.7 17.000
Java ………………..188.000

876.000 1.503.000

Totaal.
.. ..
. 5.356.000 6.249.000 7.610.000

MAANDCIJFERS.

OVERZICHT VAN D1N STAN]) DER RIJKSMIDDELEN

Uit. Mei 1937 (in Guldens)

KFDEEL I. NU la

Kohieren voor den dienst 19371)
1
Dir. belastingen.
Bedragen,
welke zijn

‘0
terugge-
Benaming der

Totaal

geven of

Zuiver
middelen

bedrag

anders dan bedrag

. 8
wegens
betaling
opdekoh.

afgeschr.

i.

E

Grondbeiast. a)

10.292.78

10.292.748 10.130.311
lnkomst.bel. b)

24.597.654 985.750 23.611.904 24.761.991
Vermogensbel.
c)
1
6.348.954

80.719 6.268.234 6.267.521
Verdedig.bel. 1

2.999.194

90.111 2.909.082 2.898.154
Bel.v. d. doodehd.

1.109.713

1.109.713 1.045.132

Totalen.. 45.348.263 1.156.580 44.191.681 145.103.109

a)
Y
4
hoofdsom + 20 opcenten op de hoofdsom der ge-
bouwde eigendommen. •b) Hoofdsom + 60-78 opcen.ten. c)
Hoofdsom + 75 op(;euten.
1.)
Voor de belastingen naar inkomen en vermogen be-
staan de vernielde bedragen uit % gedeelte val., ‘het belas-
tingdienatjaar 1937/1938 en
Y.
gedeelte van ‘het ‘belasting-
d.ienstjaar 1930/1937.
2)
Voor ‘dc belastingen naar inkomen
éu. vermogen ‘bestaan ‘de vermelde bedi;agen uit %.gedeelte
”a.n Ji$ belouètingdiens’tjaar 1936/1937 êu gedeelte van
het belaztingdienstjaar 1935/1936.

AFDEELING To
1

Mei

1Jan.

1
komstige
Overige nuddelen.

1937

1937

1
periode
1936

iaenaming oer miunejen
Divid.- 6n tantièmebel.

920.301

3.463.171

3.334.138
Rechten op den invoer

8.324.983 38.995.678 36.597.698
Statistiekreebt ………..230.287

1.086.189

660.266

Accijns op zout ………..132.030

882.994

786.174
Accijns op geslacht ….

637.897

2.996.921

2.423.084
Accijns op wijn

41.304

624.922

54.662
Accijns op gedistili. . –

2.345.989 11.500.504 11.295.788
Accijns op bier ………..722.327 2.682.050 2.692.215
Accijns op suiker ……4.335.362 21.819.137 20.182.682 Accijns op tabak …….2.994.346 14.216.462 13.835.429
Bel. op gouden en zilverw. 48.972 222.758 188.568
Omzetbelasting ………6.986.800 29.450.831 25.056.061
Couponbelasting ……..418.881, 2.847.872 2311.239
Recht. en boeten v. zegel
1
1.783.037
2
)14.553.096

6.766.743
Recht. en boet. v. registr. 1.418.566

6.172.212

4.117.434
Recht. en boet. v. succes-
sie,
v.
overgang bij over-
lijden en v. schenking 3.598.935 16.849.628 14.670.825
Opbrengst d. loodsgelden

60.090

340.204

223.323

Totaien. . -. 35.000.1071 168.704.629 145.726.329
1;
Hieronder begrepen wegens zegelrecht van nota’s van
makelaars en commissionnairs in effecten, enz. [ 459.874
(Beursbel.).
2)
Id. f 4.377.881.

AFDEELING II. DIENSTJAAR 1936.

Benaming der middelen’
Bedrag van de
raming

Zuivere op-
brengstover het
tijdvak van
1
Jan. 1936 tot en
niet de maand
Mei 1937

Grondbelasting..
(3/
4
hoofdsom
+
20 opcenten
op de hooidsom der gebouw

de eigendommen.)
10.125.000
.

10.175.646
Inkomstenbelasting
74.600.000
69.451.331
Vermogensbelasting
18.375.000 18.457.882 8.400.796
Belasting v. d. doode hand

. . –
2.000.000 1.743.990
Verdedigingsbe!.

1

……….8.000.000

Divid.- en tantièmebelasting
13.800.000
13.895.478
84.000.000 86.243.265
1.600.000 1.813.472
1.774.052

Rechten op den invoer ……..
Statistiekrecht………….

5.000.000 6.335.825
Accijns op

zout

………….2.500.000

1.950.395
Accijns op

gedistilleerd

. . .
28.250.000 27.774.046

Accijns op geslacht

……….
Accijns op wijn

…………2.000.000

7.166.667
53.000.000 53.189.230 35.000.000
33.810.111
Belast, op gouden en zilverw.

475.000
499.568

Accijns op

suiker

…………
Accijns

op

tabak

…………

60.000.000 62.273.729

Accijns

op

bier

………….7.000.000

Omzetbelasting

………….
.
8600.000
5.778.104
Rechten en boeten van zegel
19.844.629
Rechten’en boeten v. registr.

14.000.000
9.760.351

Couponbelasting

…………5.000.000

Rechten en boeten v. succes-
sie,
v.
overgang bij overlij-
den env. ‘schenking
40.800.000 38.136.446
Opbrengst der loodsgelden

500.000 635.890

Totalen….
484.625.000

1479.110.903

OVERZICHT VAN DE INKOMSTEN TEN BATE VAN
HET WERKLOOSHEIDSSUBSIDIEFONDS.
Zuiver bedrag
Dienst 1937

Bedrag van kohieren tot en

raming

met de maand
Mei 1937

Grondbelasting (veertig ten hon-
derd van de hoofdsoin wagens
gebouwde eigendommen en vijf
en twintig ten honderd van de
hoofdsom wegens ongebouwde
10.000.000
9.312.776
Personeele belasting (ta ehtig ten
honderd van de hoofdsom naar
den eersten, twedcn en derden
21.000.000
17.067.509
gemeen,tefoudsbelasting

(vijf

en

eigendommen)

……………..

twintig opcenten
op
de hoofd-
‘som) ……………………..
14.000.000
166.233
Vermogensbelastin’g

(twee

en

grondslag)

………………..

twintig opcenten op de hoofd’
2.025.000
27.240
Enkomstenbeiasting

(tien

opcen-

som)

……………………..

ten

op

de

hoofdsom)

……..
4.500.000′
78.925

51.525.000 26.652.683
Totalen..’…

478

ECONOMISCH.STATISTISCHE BERICHTEN

23 Jucti 1937

INKOMSTEN TEN BATE
VA1′
HET
VERKEERSFONDS.

Mei 1937

1
1937
1.

1936

Motorrijtuigenbelasting
2.211.8021
11.527.446 11.256.659
Rijwielbelasting
21.740
95.4381
115.945

Totalen ………
2.233.542 11.622.884 11.372.604

INKOMSTEN TEN BATE VAN HET
GEMEENTEFONDS.

Dienst 193611937
Zuiver bedrag der ko Zuiver bedrag der
hiren voor den dienst
kohieren tot en met
1935/36 tot en met de-
de maand Mei 1937
zelfde maand van 1936

Gemeente.f.belast…
57.461.825 61.284.318
Ope. verm. t. get. v. 50
5.153.090
5.279.429

EMISSIES IN MEI
1937.

Staatsleeningen
1.)

Prov. en Gemeente!. Leeninen
2).

Bank- en Credietinstellingen ).
Industrieele Ondernemingen ……..
f 682.000,-
zijnde:

Nederland Obligatiën:
N.V. Stooni-Meelfabriek ,,Hol-
land”
f
600.000
4
) 4% le
hyp. obi. i 99% ………
f
57.000

Aandeelen:
N.V. Nederlandsche Vliegtui-
genfabr. Fokker
f
500.000
aand.
5
) a
125% ……….625.000

Handelsondernemingen

………….,,
1.355.250,-
zijnde:
Nederland

..Aandeelen:
N.V. Handel Maatsdhappij ,,Euras”

f
340.000

aand.
5)

B.

a

110%

…………..
f
374.000
N.V. Randel.svereeniging
,,Java”

f
125.000

aand.
6)

a

109%

……………..,,
136.250

Nederlandse/t-Indië

Aandeelen:
N.V. Handel-Maatschappij
Giintzel

&

Schumacher

f
650.000

aand.
7)

A

130% ,,
845.000

Scheepvaart-Maatschappijen ………
,,

180.000,-
zijnde:

Nederland
Actndaeleiv:
Mij. A1kmar Packet
f
180.000
aand.
8)

k

100%

………
f
180.000

Kerkelijke Leeningen

……………
..
28.000,-
Nederland
0)
f
28.000

Conversie: Koninkrijk België
f
21.000.000
3.4%
oblig.
k 973.%, deel uitmakende van een 314;% leening, groot
f48.000.000, waarvan
f
16.000.000 gelijktijdig in Zitser-
land, en fli.000.000 elders in het buite land êpaatst.
Convensie: Gemeente ‘s-G-ravenhage
f
6.i700P 3%
oblig. i’t 99%; Gemeente Rotterdam f5.670.000 13.6%
oblig. 99Ya%; Gmneente Utrecht
f
2.312.000 3oblig.
It 100%.
Conversie: N.V. Maatschappij voor Gemeentè-Crediet
f4.000.000 334% oblig. It 98%.
) Van het netto-provenu dezer leening is een bedrag
van
f
537.000 voor conversie afgetrokken.
introductie. Uitsluitend voor aandeelhouders 1 : 1. Recht van voorkeur voor aandeelhouders 1 : 4.
Recht van voorkeur voor aa,hdeel•houders 1 : 1.
0)
De Kerkelijke Leeningen zijn nis volgt onderverdeeld:

Rente- Emissie-
Guldens voet

koers
pOt.

pot.
Gereformeerde Kerk van Rotter-
da.m-Delfshaven (eonv
f
67.000) 75.000 4

100
Nederl. Hervormde Stichtingen
voor Zenuw- en Geesteszieken
te A.mer.sfoort (cnnv. f480.000) 500.000

4

100
Ver. v. d. II. Vincentius
v.
Paulo
(conversie)

……………….200.000

4

100
Voorts werd hier te lande de inschrijving opengesteld op
een beperkt bedrag aand. Rubber Cult. Mij .,,Hambalang”
It pim. 65% (Introductie).

Em jasjes
in 1937.
(In Guldens.)
Nieuw kapitaal:

Conversie:

Obligatiën

Aandeelen

Totaal
lan…..1,

2.055.167,50

. 3.606.372,-

5.661.539,50

194.811.500,-

Pebr. . 1 28.354.181,66

2.184.500,-

30.538.681,66

209.449.898,34
Maart ..

312.227,50

2.568.725,-

2.880.952,50

9.334.000,-
April ..

2.817.677,50

17.255.930,-

20.073.607,50

46.742.925,-

Mei …..85.000,-

2.160.250,-

2.245.250,-

40.436.000,-

33.624.254,16

27.775.777,-

61.400.031,16

500.774.323,34

ONTVANGEN BOEKEN.

Die Re/clam.e in der Lehre von der Marlctwirtschaf 1
door Karl Heinz Krengel. (Neurenberg
1936;
Verlag der Hochschulbuchhaiidlung Krische &
Co.
Prijs R.M.
1.60).

Schrijver stelt ziCh ten doel de reclame te behandelen
in zijn beteekenis voor het economisch leven. Hij bespreekt
achtereenvolgens de rec1a.m in een gesloten greep, daarna
in ruimeren kring en tav.’ dë marlctontwikkeling om ten-.
slotte stil te staan bij de toekomstige ontwikkeling.

De gulden
zweeft.
Waarom?
door
L. J.
Harms.
(Haarlem
1937;
H.
D.
Tjeenk Willink & Zoon
N.V.
Prijs
f060).

Een verhandeling van hetgeen over dit onderwerp in
Totaal …….
f 2.245.250,-
1
de dag- en vakbladen is geschreven.

AANVOER VAN GRANEN.
(In tons van 1000 kg.)

Rotterdam
Amsterdam
Totaal:

Artt
kelen
13-I9Juni
Sedert
Overeenk.
13-I9Juni
Sedert
Overeenk.
1937 1936 1937
1Jan.
1937
tijdvak
1936
1937
1Jan.
1937
tijdvak
1936

Tarwe
25.474
826.641
508.869

17.735
6.461
844.376

515.330
6.141 135.741
127.756

2.875
1.700
138.616
129.156
……………..
Roge’ ……………..
Soekweit: ……………
976
6.934
.
12.443


.

100
6.934
12.543
MaIs

……………..
4.871

545.462 354.468
3.214
74.122
73.467
619.584 427.935
2.868
149.719
1441520

6.189
11.157
155.908 155.677
2.030
.

68.603
.
39.184
3.180 580
.71.783
39.764

Lijnzaad

…………..
‘_
.
106.167
90.302 8.325
125.421
109.881
231.588 200.183

Gerst

……………..
Haver

……………..

575
33.236 29.642


175
33.236
29.817
Lijnkoek ……………
400

..

15.523 17.168
80
2.229 4.762
17.752
21.930
Tarwezneel

………….
Andere meelsoorten
891
21.115
16.691

1.650
753
22.765
17.444

Noot hij groothandelsprijzen.
1)
Tarwe:
T&t Jan. 1931 Hard Winter No. 2; van Jan. 1931 tot 20 Sept. 1932 79 leg La Plata; van 26 Sept. 1932
tot 5 Febr. 1934 Manitoba No. 2; van 5 Febr. 1934 tot 6 Juli 1935 80 leg La Plata; van 6 Juli 1936 tot 30 Nov.
1936 Manitoba.
Rogge:
Tot Jan. 1928 Western; vanaf Jan. 1928 tot 16 Dec. 1929 American No. 2, van 16 Dec. 1929
tot 26 Mei 1930 74/5 kg Hongaarsehe; vanaf 26 Mei 1930 tot 23 MeI 1932 74 kg Zuid-Russische; van 23 Mei 1932
tot 2 Oct. 1933 No. 2 Canada.
Gerst:
Tot Jan. 1928 MaILing; van Jan. 1928 tot 9 Febr. 1931 American No. 2; van
9 Febr. 1931 tot 23 Mei 1932 64/5 kg Zuid-Russisehe; van 23 Mei-19 Sept. 1932 No. 3; van 19 Sept. 1932 tot 24
Juli ’33 62/63 kg Z.-Russ.; van 24 Juli ’33-7 Oct. ’35 64/65 leg La Plata; van 7 Oct. ’35-18 Mei ’36 62/63 kg Z.-Russ.

23 Juni 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

479

KOERSEN TE LONDEN.
STATISTIEKEN.
BAN KD1SCONTO’S.
Disc.Wissels. 2

3Dec.’36
Ned
Lissabon …. q
5Mei’36
Londen

230 Juni’32
Bk

13e1.Binn.Eff.
IVrsch.
’36

2

3 Dec.

……
inR.C.
2j
3Dec.’36
Madrid ……5

9
Juli ’35
Athene ……….
6

4Jan.’37
N.-YorkF.R.B. 4
1Feb.’34
Batavia ……….
3
14Jati.’37
Oslo

……..
4

7Dec.’36
Belgrado

……..
5
1
Febr.
’35

Parijs

……
614 Juni’37
Berlijn ……….
4 22Sept.’32
Praag

……3
1 Jan.’36
Boekarest ……..
4

15Dec.’34
Pretoria


315 Mei’33
Brussel ……….
2
16Mei ’35
Rome ……..
4j 18Mei’36
Boedapest

……
4 28Aug.’35
Stockholm

.. 2j
1Dec.’33
Calcutta

……..
3
28Nov.’35
Tokio….

3.285
7Apr.’36
Dantzig……….
4

2Jan.’37
Weenen…..
310 Juli’35
Helsinglors ……
4

3 Dec.’34
Warschau. .. 5
26Oct.’33
Kopenhagen……
4 19Nov.’36
Zwits. Nat. Bk.425
Nov.’36

OPEN MARKT.

1937

11 1936 11 1935 jj 1914

19
1
14/19
1
7112
1
31 Mei/

15120

17122

20124
Juni

Juni

Juni

5Juni
11
Juni
11
Juni
11
Juli

Partic. disc.
11
4

11
4

11
4

3
116
1
!4
4
1
/4.5/8
45/_5
3
1
18-
3
/i
Prolong.

1 1
1
411
4
.31
4

311
4
.4
21(
4
3(
4

Londen
Daggeld.
.
I/..I
1
131
‘Ii-!
‘/i-I
1
(1-1
1
/2.1
18/
4
.2
Partic. disc.
11116_3/4

1
1116_314
U116_314
°I16-14
7
18_
15
116
31
4
.71
5

411
4
_3/
4

Ben/In
Daggeld.
2113314
2112.3
2114_3 25/
8
_311
4

2
3
18-/8
2314-3114

MaandeId
21/33/4
211
3
3/4
2112_314
21(
3
3(
4

2
1
/3-
7
15
23,
4
.3
1
/8

Part, disc.
2
7
18
2718
2.’7/
27(
21
3
2118.1/2
Warenw.
. .
4.1/,
4.51
4

4_1/
4

4_1/
4

4_11
4

4.1(
4

New York
DageId
1)
1 1 1
1 1
11
4

18(42
1
(2
Partic.disc.
fis
s/is
91
9
116

1
31
1)
Koers van
18Juni
en daaraan voorafgaande weken t(m. Vrijdag.

WISSELKOERSEN.
KOERSEN IN NEDERLAND.

Data
New
Londen
Berl
ij
n
Parijs
Brussel
Batavla
York)
)

I

I

)
)
S)
1)

15 Juni 1937
1.81 . 71
8.98% 72.90 8.10
30.71 100%
16

1937
1.81%
8.97%
72.90
8.10 30.70
100%
17

,,

1937
1.81%
8.98 72.90 8.09% 30.701
100%
18

1937
1.81%
8.98%
72.91
8.10
30.70
100%
19

1937
1.81%
8.98%
72.92
8.10
30.701
100%
21

1937
1.81%
8.98%
72.90
8.10%
30.74
100%
Laagste d.w
1
)
1.81%
8.97%
72.821
8.09 30.65
100
Hoogste d.wi)
1.82%
8.99
72.95
8.11
30.75
100%
Muntpariteit
1.469
12.1071
59.263
9.747
24.906
100

Data
serland
Weenen
Praag
Bo:ka-
Milaan
Madrid

15 Juni 1937
41.68

6.34



16

1937
41.67

6.35



17

1937
41.67

6.35



18

1937
41.70

6.35
– –

19

1937
41.71

6.35
– –

21

1937
41.69

6.34



Laagsté d.w’)
41.62%
34.10 6.321
1.50


Hoogste d.w’)
41.75
34.15 6.37JI
1.55
9.65

Muutpariteit
1
48.003
35.007
7.3711
1.488
13.094
48.52

Data
Stock-
Kopen-
Oslo

Hel-
Buenos-
Mon-
holm
)
hagen )
Aires
1)
I
treal
1)

15 Juni 1937
46.321 40.121
45.16 3.971
65%
1.1%
16

1937
46.30 40.10
45.12k
.3.98
55%
1.81%
17

;’

1937
46.30
40.10
45.121
3.98 55%
1.81%
18

1937
46.30 40.10 45.121
3.98
55% 1.81%
19

1937
46.321
40.10 45.15
3.97k
55%
1.81%
21

1937
46.321
40.121
45.15
3.98
55%
1.81%
Laagste d.w
2
)
46.22k
40.05
3.95
55
1.81%
Hoogste d.wl)
46.34 40.14
45.07j,
45.20
4.._
56
1.82%
Muntpariteit
66.671
66.671
66.671
6.266 95%
2.1878
S)
Noteering te Amsterdam.
*5)
Not, te Rotterdam.
2)
Part.
opgave.
in ‘t late
of
Zde
No.
van ieder maand komt een
overzicht
voor van een aantal niet wekelijks opgenomen wisselkoersen.

KOERSEN
TE
NEW YORK. (Cable).

Data

15 Juni

1937
4,94
4,4534
40,08
54,99
16

1937
4,93%
4,45%
40,08
54,99
17

,,

1937
4,93%
4,45%
40,09%
54,99
18

1937
4,93%
4,45%
40,09 54,99
19

1937
4,94 4,45% 40,09 54,99
21

137
4,94%
4,46
40,10 54,99

22 Juni

1936
5,01%
6,60 40,31
67.81
Muntpariteit..
4,86
3,90%
23.81%
4094
e

Plaatsen en
Noteerings-
5Juni
12Juni
14119Juni
1
93
7

1 19
Juni
Landen
eenheden
1937 1937

i
LangstelHoogstel
1937

Alexandrië.. Piast.
p. £

97%

9734

97%

9734
Athene

….

Dr.p.y,

547%

5.4734

540

555

547%
Bangkok…. Sh.p.tical
1/10%

1/10%

1110%

1/10k 1/1°r’e
Budapest’).. Pen.
p. £

25

25

243%

2534

25
BuenosAires’ p.pesop.0 16.14 16.131 16.12

16.30

16.24
Calcutta
. . . .
Sh.
p.
rup.

1/6,t

1/6%

1/6
8
/
32

1/65/82

116%
Instanbul

..
Piast.p.0

616

616

616

616

616
Hongkong
. .

Sli. p. $

1/2
26
/
53
1/2
25
/
32
1121%
s

1/234

1
1
1
2%
Lissabon…. Escu.p.B 110%

110

110

110%

110%
Mexico

….

$ perR

18

18

1734

18%

18
Montevideo
8
)

d.perC

28%

28%

27%

28%

28
Montreal

..

$
per £

4.93% 4.93
T
o
w
4.93% 4.94% 4.93%

Kobe

…….Sh.
p.
yen

1/2

1/1
81
/
52
1/1
1
9.

112

111
31
/
82

Rio
d.Janeir.’ d. per Mil./32

37/

35/
35

3%

34
Shanghai

. .

Sh.
p. $

1/2
15
/
32
1/2
13
/
82

1/2%

1/2.Ç
8
112
18
/
82

Singapore
..

id.
p. $

2/4%

214%

2/4%

2/4%

214%
Valparaiso
5
).

$perC

128

128

128

128

128
Warschau
. .

Z1. p. £

26

26

25%

26%

26

1) Offic.
not.
10
Dec. 16/2.

2)
Offic.

not.
IS
laten, gem. not., welke
hup.
hebben te betalen
10
Dec. 16.12.
3)
Offic. not. 19 Mei 3971
8
.
4) Id.
II
Mrt. 1935 411
4.

5)
90 dg.

Vanaf 28 Aug. laatste .export” noteering.

ZILVERPRIJS

GOUDPRIJS
5)

Londen’) N.Yorkl)

Londen
15 Juni 1937..

19%

44%

15 Juni 1937,..,

1405
16

1937.. 19%

44%

16

1937..,.

14015k
17

,,

1937..

19’y,

44%

17

,,

1937….

140/6k
18

1937.,

19%

44%

18

,,

1937.,..

140/6k
19

1937..

19′

19

1937….

140/6k
21

,,

1937..

19%

44%

21

,,

1937,,,.

140/6k

22 Juni 1936.. 19%

44%

22 Juni 1936..,,

138/9

27 Juli

1914,, 24%

1
59

27 Juli

1914….

84/10%
1)
in pence
p. oz.
stand.
2)
Foreign silver In
$c. p. oz.
fine.
3)
in 5h.
p. oz.
fine

STAND VAN ‘a RIJKS KAS.

Vorderingen.
1

7Juni1937

t

15Juni1937
Saldo van
‘s
RijksSchatkist bij De Ne
f
57.625.551,62
f
72.280.93665
Saldo b. d. BankvoorNed.Oemeenten
,,

492.901,44
126.060,71
Voorsch.
op
uit. Mei (resp. April) 1937 a(d. gemeent. verstr.
op
a. haar uit te
keeren hoofds. der pers. bel., aand. in
de hoofds. der grondbel. en der gem.
tondsbel., alsmede
opc. op
dle belas-
tingen en
op
de vermogensbelasting

derlandsche Bank
……………….

,,

39.953.689,34
,,

35.904.623,90
Idem aan Suriname ………………
11.434.417,06
,,

11.443.871.11
Kasvord.weg. credietverst. a/h. bulteni.
,,
107.950.301,46

108.995.751,15
Daggeldleeningen tegen onderpand..


38.795.809,88

Voorschotten aan Ned.-lndle
………..

Saldo der postrek.v.Rijkscomptabelen
Vord.
op
het Alg. Burg. Pensioenf.’)…

….

.

31.966.249,21

,,

Vord.
op
andere Staatsbedrijven
1)….
,.

8.172.941,65
,,

6.505.124,46
Verstr. ten laste der Rijksbegr. kasgeld-
leeningen aan gemeenten (saldo)…


Verplichtingen

Voorschot door De Ned. Bank lngev.
art.

16 van haar octrooi verstrekt


Schatkistbiljetten in Omloop ………
/315.302.000,-
/315.273.000,-
Schatkisipromessen in omloop
……
.
,,

7.100.000,-
Zilverbons in omloop
………………
,,

1.112.756,50
,,

1.111.943,-
Schuld
op
uit. Mei (resp. April) 1937 a. d.
gem. weg. a.h.uit Le keeren hoofds.d.
pers, bel., aand.
i.
d. hoofds. d. grondb.

….7.100.000,-

e. d. gem. fondsb. alsm.
opc. op
die
bel, en
op
de vermogensbelasting
,,

1.908.477,83
,

2.437.388,92
,,

2.040.031,68
,,

2.033.858,72
1)
Schuld aan het Alg. Buig. Pensioenf.

336.028,81
519.029,94
,,
129.581.395,55

Schuld aan Curaçao’) …………
…..

T. 1)
Id. a. h. Staatsbedr. der
P.T.
en
,,
126559.609,12
9.000.000,-
,
,,

9.000.000,-
Id. aan andere Staatsbedrijven
1)
………
id. aan diverse inste11inen
1) ………
..103.704.200,13
,,
103.805.043,12
1)
In rekg.-crt. met
‘s
Rijks Schatkist.
NEDERLANDSCH-INDISCHE
VLOTTENDE
SCHULD.
1

12 luni 1937
t

19 luni 1937
Vorderingen:’)
Saldo Javasche Bank
– –
………………..
Saldo b. d. Postchèque- en Olrodienst
f

163.000,-
/

138.000,-
Verplichtingen:
Voorschot’s Rijks kas e. a. Rijksinstell.
,
35.534.000,-

31′.749.000,-
Schatkistpromessen in omloop …….
9.750.000,-
,,

9.750.000,-.
Schatkistbiljetten in Omloop

Schuld aan het Ned.-lnd. Muntfonds.

1.536.000,-
.

1.536,000,-
Idem aan de Ned.-lnd. Postspaarbank.
,,

937.000,-

..

,

.

937.000,-
Belegde kasmiddelen Zeltbesturen…

560.000,-

560.000,-
Voorschot van de Javasche Bank

,,

2.576.000,-
,,

2.754.000,-
1)
Betaalmiddelen in
‘s
Lands Kas
op IS
Mei 1937
f
29.648.000,-
,.
At

SURINAAMSCHE BANK.
Voornaamste posten in duizenden guldens.

Data
Metaal
Circu-
latie
t’

op
schuld
eischb.

en
Discont.
IDiv,
reke-
ningen’)

29 Mei

1937..
690
1

1.245
505 660
1.402
22

1937
..
691
1

1.052 528 666 1.377
15

,,

1937..
691
1.079
561
664
1.388
8

,,

1937,.
691
1.163
516 664
1.375
1

,,

1937.,
696 1.259
541
671
1.412

1
Juli

1914..
645
1.100
560 735 396
1

1)
Slultp. der activa.

/

GROOTHANDELSPRIJZEN VAN BELANGRIJKE VOEDINGS- EN GENOT-
OERST
64165 kg
MAIS
R000E
TARWE

BURMA RIJST
BOTER per kg.
KAAS
Edammer
EIEREN
La Platal)
Rotterdam per 2000 kg.
74 kg Bahia

Rotterdam
per 100 kg.
Loonzein
Alkmaar
Gem. not.
Heffing
1)
Zie blz. 478
loco
3lancal)Iocc.

Termijn-
Rotterdam
Rrr cwt. f.o.b.

ngoon(Bassein
Leeuwar-
der Cornm.
Crisis
Fabr.kaas
Eiermijn
Roerniond
Termijn-
La Plata
Bahia
van dit
Rotterdam
noteer op
Locoprijs
per lOO kg.
noteer.
op
Blanca’)
Noteerin
Zuivel-
gang exp.
lOO St.
nummer
_
per2000kg.
1 of 2 ind.
1
of 2 iind.
Locojs
Herl.Ned.Ct.I

Not.
1
Centr.
per 50kg.

T

%
%
f
X
sh.
f
%
TT
%
T
%
1927
237,-
110,2
171,50
89,3

176,-
87,1
12,475 102,5

13,82
5

110,1

14,75
109,3
6,83
1045
111314
2,03
98,4

43,30
95,0 7,96
9,3
1928
228,50
106,2
208,50
108,6 226,-
111,9 13,15
108,1

12,575
100,1
13,475
99,9 6,43
98,4
10f714

2,11
102,3

48,05
105,4
799
99,6
1929 179,75
83,6
196,-
102,1

204,-
101,0
1087
5

89,4

11,27
5

89,8
12,25
90,8
6,34
97,0
10,6
2,05 99,4

45,40
99,6
8,11
101,1
1930
111,75
52,0
118,50
61,7

136,75
67,7
6,22
5

51,2

8,27
5

65,9
9,67
5

71,7
5,09
77,9
85
1,66
80,5

38,45
84,4
6,72
83,8


1931
107,25
49,9 78,25 40,8
84,50
41,8 4,55 37,4

4,65
37,0 5,55
41,1
3,09
47,3
56
1,34
64,9

31,30
68,7 5,35
66,7
1932
100,75
46,8
72,-
37,5
77,25 38,2
4,62
5

38,0

4,70 37,4
5,22
5

38,7 2,59
39,6
5)llij2
094
45,6

22,70
49,8 4,14
51,6
1933
z
70,-
32,5
60,75
31,6
68,50
33,9 3,55
29,3

3,75 29,9
5,02
5
.
37,2
1,84
28,2
415
1
/
0,61
29,6
0,96 20,20
44,3
3,71
46,3
1934
j
75,75 35,2 64,75
33,7
70,75 35,0 3,32
5

27,3

3,25 25,9
3,67
5

27,3
1,74
26,6
41734

0,45 21,8
1,-
18,70
41,0
3,45
43,0
1935

68,-
31,6
56,-
29,2
61,25
30,3 3,07
5

25,3

3,87
5

30,9
4,12
30,6
2,07 31,7
518112

0,49
23,7
0,99
14,85
32,6
3,20 39,9
1936
86,-
40,0 74,50
38,8
74,-
36,6
4,27
5

35,1

5,75
45,8
6,275 46,5 2,19
33,5
5171,2

0,58
28,1
0,88
5

17,55
38,5
3,50
43,6

Lan.

1936
63,50
29,5
54,-
28,1
56,-
27,7 3,525 29,0

5,10
40,6
5,45 40,4
1,81
21,7
411l’12
0,57
27,6
0,95
16,80
36,9
4,64 50,4
rebr.
1-
64,50
30,0
52,-
27,1
55,25 27,4 3,40
27,9

4,925
39,2 5,22
5

38,7
1,89
28,9
512
1
J4
0,61
29,6 0,925
17,37
5

38,1
3,375

42,1
Maart
0
69,75
32,4
56,-
29,2 59,50
29,5 3,50
28,8

4,925
39,2
5,22
5

38,7
2
1
03
31,1 517
0,46 22,3
1,04
17,70
38,8
2,69 33,5
April
Z
70,-
32,5

30,2
64,-
31,7 3,45
28,4

4,85 38,6
5,175
38,4 2,10
32,1
519’/ 0,44 21,3
1,025
16,82
5

36,9 2,49 31,0
.

Mei
72,25 33,6

30,7
63,75
31,6 3,175
26,1

4,65
37,0
5,125
38,0
2,11
32,3
5/8;14
0,47 22,8
0,99
18,75
41,1
2,52 31,4
ni

j
u

,,
71,50
33,2
60,75
31,6
66,-
32,7 3,45 28,4

4,62
5

36,8 5,05
37,4
2,12 32,4
518
1
1
0,57
27,6
0,89
20,20
44,3 2,69
33,5
uli
74,75 34,8
65,75
34,2
71,75 35,5 3,65 30,0

5,15
41,0 5,62
5

41,7
2,06
31,5
5i7
0,60
29,1
0,815
19,35
42,5
291
36,3
Aug.
88,-
40,9
79,75
41,5

41,6
4,02
5
33,1

5,95 47,4 6,35
47,1
2,17
33,2
5110’12
0,62
30,0
0,80
17,87
5

392
3,31
5

41,3
Sept

Oct.
88,-
40,9
79,-
41,1

42,1
4,40 36,2

6,-
47,8
6,50 48,2 2,22
34,0
5/11
1
2
0,58
28,1
0,79
16,25
35,6 3,63 45,3

Nov
120,50
56,0
94,75
49,3 97,50 48,3
6,02
5

49,5

7,775

61,9 8,80 65,2 2,57
39,3
57 12
0,63
30,5 0,77
5

17,55
38,5
4,85 60,5

Dec

121,50
56,5
89,75
46,7
89,50
44,3 5,725
47,1

7,27
5

57,9 8,55
63,4
2,46
37,7
5l51/

0,70
33,9
0,78
16,07
5
1
35,3 5,15 64,2

0
129,-
60,0 95,25
49,6
97,-
48,0 6,97
5

57,3

7,87
5

62,7 8,175 60,6
2,71
41,5
6j-I2
0,65
31,5 0,82
5

15,75
1

34,6 4,36
5

54,4

,
an.

1937

61,4
99,75
52,0
97,50 48,3
7,975

65,5

8,07
5

64,3 8,40
62,3 2,74
41,9
611
1
12
0,66
32,0
0,85
17,075
37,5
3,45 43,0
rebr.
129,-
60,0
102,-
53,1

100,50
49,8
8,72
5

71,7

7,92
5

63,1
8,25
61,1
2,62
40,1
5/10′(4
0,69 33,4
0,80
18,75
41,1 3,81
47,5,
Maart

61,8
104,25
54,3

106,-
52,5
9,02
5

74,2

8,72
5

69,5
915
67,8 2,57
39,3
5j914

0,68
33,0
0,80
18,82
5

41,3 3,86
48,1
April
149,75
69,6
110,75
57,7

115
1

56,9
10,-
82,2

9,40
74,9
10,17
5

75,4 2,72 41,6
6/-’14
0,69 33,4 0,80
16,45
36,1
3,05
38,0
Mei
144,40
67,1
107,-
55,7

109,90
54,4
10,-
82,2

8,92
5

71,1
9,72
5

72,1
2,64
40,4
5/10
1
12
0,71
345
0,725
17,32
5
1
38,0 2,89
36,0
1-8 Juni
148,-
68,8
105,50
54,9

109,-
54,0
10,175
83,6

7,80
62,1
9,lO
67,5 2,29
35,1
5(ll
1
J4
0,73 35,4
0,70
18,50
40,6
2,90
36,2
8-15

,,
148,-
68,8 97,75
50,9

103,-
51,0
10,175
83,6

7,30
58,1
8,75
64,9
2,64
40,4
5110112

0,73 35,4 0,70
l9,50
42,8
1

3,-
37,4
15-22

.,
149,50
69,5
96,25
50,1

103,50
51,2
10,17
5
1
83,6

7,35
1

58,5

1
8,85 1
65,6
2,58
39,5
519
0,75
36,4
0,70
19,75
43,3
2,92
5
1
36,5

JUTE
KATOEN
.

AUSTRALISCHE WOL
JAPAN. ZIJDE
RUBBER
.
,,First Marks”
in Olie gekanid; loco Bradford per Ib.
13/14 Dernier
Stand. Ribbed
Middling Upland
Super Fine C.P.
cii. Londen
.

loco Oomra


wit Dr. D. te
Smoked Sheets
Crossbred Colonial

per Eng. ton
New York per Ib.
Liverpool per Ib.
Carded 50’s Av.
Merino 64’s Av.
New York per Ib.

l
Herl

loco Londen p. Ib.
N•t
Herl.Ned.Ct.l Not.

Herl.Ned.Ct.I
Not.
Herl.Ned.Ct.
Herl.Ned.Ct. I

Not.
Ned.Ct.1
it
Itt.
N0L
_7


%

r

cts.
%
$cts.

cts.
%

je
cts.
ï
pence
cts.
%
pence
7
T
T
c
t
s
.
X
pence
1927
442,38
103,4
36.10/-
43,8
93,1
17,60
36,7
102,1
7,27
133,8
.96,8
26,50
244,9
104,8
48,50
13,55
105,8
5,44
93
140,2
18,50,
1928
445,89
104,2 36.16111
49,8
105,8
20,-
37,9
105,5
7,51
153,8
111,2
30,50
259,7
lll,l
51,50
12,60
98,4
5,07
54
81,4
10,75
1929
395,49
92,4
32.14/3
47,6
101,1
19,10

33
1
2
92,4
6,59
127,2
92,0 25,25
196,5
84,1
39,-
12,28
95,9
4,93
52
78,4
10,25 1930
257,97
60,3
21.6/9
33,6
71,4
13,50

19,7
54,8
3,92
81,9
59,2
16,25
134,8
57,7
26,75
8,50
66,4 3,42
30
45,2 5,87
5

1931
192,15
44,9 17.1/7
21,1
44,8
8,50
20,1
55,9 4,28
60,9
44,0
13,-
109,0
46,6
23,25 5,97 46,6
2,40
15
22,6
3;125
1932
146,86
34,3
16.18/-
15,9
33,8
6,40

19,5
54,3 5,39
42,5
30,7
11,75
79,7
34,1
22,-
3,87
30,2
1,56
12
.

18,1
3,375
1933 1934
Z

128,63
.30,1 15.12/2
17,4
37,0
8,70

16,8
46,8
4,91
48,9
35,4
14,25
96,9 41,5 28,25
3,21 25,1
1,61
Ii
16,6
3,25

1935
LQ
115,85
27,1
15.919

1

18,3
38,9
12,30

13,6
37,8
4,37
51,4
37,2
16,50
95,8
41,0
30,75
1,92
15,0 1,29
19
28,6 6,25
=
138,52
31,4
8.11/8
17,6
37,4
11,90

17,7
49,3
5,87
42,2
30,5
14,-
84,5
36,2
28,-
2,41
18,8 1,63
18
27,1
6,-
1936
u
4
142,61
33,3
18.618
19,0
40,4
12,10

18,2
50,7
5,60
54,3
39,3
16,75
108,6
46,5
33,50
2,71. 21,2.
1,73
25
37,7
7,75

Jan.

1936
Febr.
144,42
33,7
1916/9
17,5
37,2
11,90

17,3 48,1
5,70
45,5
32,9
15,-
97,0
41,5
32,-
2,42
18,9 1,65
21
31,7 6,87
5

137,87
32,2
18.18/9
16,9
35,9
11,60

16,5
45,9 5,46
47,0
34,0
15,50
98,5
42,1
32.50 2,49
19,4
1;71
22
33,2 7,25
Maart
o
142,86
33,4
19.13/1
16,7
35,5
11,40

16,5
45,9
5,46
47,7
34,5
15,75
100,0
42,8
33,-
2,43
19,0
1,65
23
34,7
7,50
April
138,96
32,5
19.1/9
17,2
36,5
11,70

165
45,9
5,46
47,7
34,5
15,75
100,0
42,8
33,-
2,43
19,0
1,65
23
34,7 7,50
Mei
z
135,83
31,7
18.9/8
17,3
36,8
11,70

16,1
44,8 5,26 47,5
34,4
15,50
100,3
42,9
32,75
2,31
18,0 1,56
23 34,7
7,375
Juni
128,22
30,0
17.5/7
17,7
37,6
l2,-

17,0
47,3
5,51
46,4
33,6
15,

97,4
41,7
3l,50
2,32

18,1
1,57


23
34,7
7,375
Juli
123,43
28,8
16.14/6
19,4
41,2
13,20

18,3
50,9 5,94
46,1
33,3
15,-
97,6 41,8
31,75
2,47
l9,3
1,68
24
36,2
7,75
Aug .,,
Z
125,76
30,1
17.8/1
18.1
38,5
12,30

17,3
48,1
5,60 46,2
33,4
15,-
100,2
42.9 32,50 2,57
20,1 1,74
5

24
36,2 7,62
5

Sept
.
128,14
299
17.4/1
18,1
38,5
12,30

17,7
49,3
5,69 48,9 35,4
15,75
99,3 42,5
32,-
2,49
19,4
1,68
5

24
36,2
7,75
Oct
.
IL.
160,28
37,5 17.11/6
22,8
48,4
12,25

21,9 60,9
5,75
60,8
44,0
16,-
121,6
52,0
32,-
3,26
25,4
1,75
30
45,2
7,87
5

Nov.

.0
Dec
169,39
39,6
18.1414
22,6 48,0
12,20

21,3
59,3 5,64 72,6
52,5
19,25
132,0
56,5
35,-
3,63
28,3
1,96
33
49,7
8.62
5

rn
170,59
39,9
18.1916
23,5 49,9
12,80

21,5
59,8
5,73
82,4
60,0
22,-
134,8
57,7
36,-
3,51
27,4
1,915
37
55,8
9,75

Jan.

1937
Febr.
Z

166,88
39,0
18.1216
23,7
50,4
13,-

22,0 61,2
5,88
88,2
63,8
23,75
141,9
60,7
38,
3,92
30,6 2,145
38
57,3
10,37
5

169,23
39,5
18.1812
24,0 51,0
13,15

21,8
60,7
5,85
85,6
61,9
23,-
133,6
57,2
35,75
3,53 27,6
1,93
40
60,3
10,50
Maart
cZ
174,86
40,9
19.9(1
26,6 56,5
14,45

23,3
64,8
6,25
88,6
64,1
23,75
138,9
59,4 37,25
3,59 28,0
1 1,96
.
44
66,3
l2,-
April
189,96
44,4
21.3/3
26,0 55,2
14,35

23,1
64,3 6,16
96,5
69,8
25,75
144,9
62,0 38,75
3,56
27,8
1
1,95
44
66,3
11,625
Mei
201,20
47,0
22.7/6
24,3
51,6
13,35

22,7 63,2
6,04
97,4
70,4
26,-
142,9
61,1
38,25 3,25 25,4
1 Ï,78
5

38
57,3
10,25
1-8 Juni
194,64
45,5
21.15J-
23,3 49,5
12,79

23,0
64,0 6,15
96,0
69,4 25,75
139,8
59,8
37,50
3,22
25,1
1
1,77
36
54,3
9,75
8-15

,,

,,
187,41
43,8
20.17/6
22,5
47,8
12,36

22,3
62,1
5,96
95,4
69,0
25,50
140,3
60,0
37,50.
3,27
25,5
1
1,80
35
52,8
9,25
15-22
181,28
42,4
20.319
1

22,8 48,4
12,55

22,0
61,2 5,89 95,4
69,0
25,50
140,3
60,0
37,50
3,31
25,8
1
1,82
36 54,3
9,62
5

KOPER
LOOD
TIN
IJZER
ZINK
ZILVER
Standaard
gem. prompt en
Loco Londe
Cleveland No. 3
.
GIETERIJ-9
ZER
(Lux III
gem. prompt en
cash Londen
Loco Londen
1ev. 3 maanden
per Eng. ton
franco Middlesb.
per Eng. ton
1ev. 3 maanden
per Standard
per Eng. ton
Londen perEng.ton
per Eng. ton
f.o.b. Antwerpen
Londen p. Eng. ton
Ounce
.
Herl.Ned.Ct.
Nt
iïtNed.Ct.I
Not.
llerl.Ned.Ct.INot.
Herl.Ned.Ct.I
Not.
llerl.Ned.Ct.I
Not. Not.
%
£
f
%
Sh.
f
%
Sh
.

f
%
£
1927
675,10
85,9 55.13/11
295,75
106,5
24.8/1
3503,60
120,6
289.1/5
44,10
104,7
72/9
39,10
98,9
64
1
6
345,40
108,8
289/11
132
101,5
26
1
156
1928
771,20
98,1
63.14/9
256,15
92,2
21.3
1
4
2749,50
94,6
227.4
1
8
39,85
94,6
65/10
37,90
95,9
62
1
8
305,75
96,4
25.5/5
135
l03,8
26
3
1
4
1929
0
912,55
116,1
75.9/7
281,10

101
,2
23.4/
11

2465,65
84,8
203.
1
8ll0
42,45
100,8
70/3
41,55
105,1
6819
300,80
94,8
24.17/8
123
94,6
24
7
116
1930
1931
661
,
10
84,1
54.13/7
218,70
78,8
18.115
1716,20
59,1
141.19/1
40,50
96,l
67/-
35,95
91,0
59/6
203,55
64,1

1
6.
1
6/9
89
68,5

1
7’/16

1932
43l85
54,9
38.7/9
146,60
52,8
I3.-/7
1332,55
45,9
118.9/1
33,-
78,3
58/8
28,90
73,l
51(5
140,05
44,1
12.8/11;
69
53,1
l4
5
i

1933
Z
275,75 268,46
35,1 34,1
31.1418
104,60
37,7
12.-/9
1181,30
40,6
135.18/10
25,40
60,3
5816
22,20
56,2
5111
118,95
37,5
l3.l3/lÔ
64
49,2
17
13
/
32.1114
97,25
35,0
11.16/1
1603,50
55,2
194.11/11
25,55
60,6
62/-
21,-
53,1
511-
1
129,80
40,9
15.14111
62
47,7
18
1
18
1934
=
226,80
28,8
30.6/5
82,65
29,8
111f-
1723,15
59,3
230.7/5
25,-
59,3
66/11
20,25 51,2
54/1
103,05
32,5 13.15/6.
66
50,8
21
1
14
1935
0
230,95
29,4
31.18/1
103,40
37,2
14.518
1634,25
56,2
225.14/5
24,70 58,6
68/2
20,25
51,2
561-
102,65
32,3
14.316
87
66,9
28
15
1is
1936
298,75
38,0 38.8(1
137,15
49,4
17.1217
1592,-
54,8
204.12/8
28,40
67,4
731-
22,40 56,7
57/7
116,55
36,7
14.1917
65
50,0
20’11

Jan.

1936
253,-
32,2
34.14/11
112,50
40,5
15.8/11
1528,35
52,6
209.18/9
25,50
60,5
701-
20,10 50,9
5512
106,30
33,5
14.1211
61
46,9
20
1
/i6
Febr.



257,35
32,7
35.71

117,05
42,2
16.118
1508,85
51,9
207.5/2
25,50 60,5
70/-
20,10
50,9
55/2
111,10
35,0
15.5/2
60
46,2
19
7
18
Maart

,,

262,25
33,4
36.1/6
121,30
43,7
16.13/9
1551,15
53,4
213.7/3
25,45
60,4
70/-
20,10 50,9
5513
116,95
36,9
16.1/9
60
46,2
19
3
14
April

1-
269,45
34,3
37.-13
117,70
42,4
16.3(4
1524,80
52,5
209.9/1
25,50
60,5
70/-
20,10 50,9
5512
111,10
35,0
15.5/2
61
46,9
20116
Mei
269,95
34,3
36.1416
114,45
41,2
15.11/4
1489,20
51,2
202.1212
25,75
61,1
70/-
20,20
51,1
54111
107,75
34,0
14.13/2
62
47,7
20
3
18
uni

,, Z
269,80
34,3
36.7/2
112,90
40,7
15.413
1360,45
46,8
183.6/11
25,95
61,6
70/-
20,20
51,1 5415
103,95
32,8
14.-/2
61
46,9
193/4
Juli

z
274,90
35,0
37.5/1
116,95
42,1
15.17/1 1374,30
47,3
186.4/5
27,70
65,7
75/-
20,05
50,7
5414
100,20
31,6 13.11/7
60
46,2
19
5
18
Aug.,,
283,40
36,0
38.5/11
124,10
44,7
16.15/5
1360,70
46,8 183.17
1
8
27,75
65,9
75/-
20,05
50,7
54
1
2
100,10
31,5

1
3.
10
/7
60
46,2
19
1
2
Sept.,,
290,20
36,9
38.19/-
134,15
48,3
18
.
-12
1451,85
50,0
194.17/7
27,95
66,3
75/-
20,20
51,1
54/3
103,65
32,7
13.18/2
61
46,9
19
5
/8
Oct.,,
Nov’
Z
365,90
46,5
40.2/4
168,25
60,6
18.8111
1836,45
63,2
201.7/3
34,20
81,2
75/-
27,45 69,5
60/2
132,70.
41,8
14.1111
75
57,7
1 9’/i
397,95
50,6
43.19/6
196,60
70,8
21.14/6
2091,-

71,9
231.-/ll
33,95
80,6
1
75/-
29,35
74,3
1
64110
147,751
46,6 116.6/6.
1

79
1

60,8
21
Dec.
41
3,451
52,6
45.1919
1229,601 82,8
25.11/2
2087,95

71,81
232.5/1
36,40
86,4
J
81/-
132,75
82,9
72110
161,45
50,9
17.1912
80
61,5
2111
4

1937 161,70
1
58,7
1
51.10/8
1244,051
87,9
1
27.4/10
12060,251
70,91
229.18/9
1
36,301
86,2
1
81/-
134,20
86,5
76
1
4

1188,601
59,4

121.-/Il
1

78
1

60,0
1
20
7
/
8

rebr.,,
1
1522,101 66,4
1
58.7
1
2
12
4
8
,

1
89,3

1
27.14/4
12080,651
71,61
232.11/3

1
36,251
86,0
1
811-

134,75
1
87,9
1
77/6

1219,45
69,2 124.10/8
1

75
1

57,7

1
20
1
s

1
Maart
1
1638,401 81,2
1
71.9/6

1
292
,
95
1
1
05,5
1
32.16/-

12498,251
86,Oi
279.14/-
1

36,151
85,8
181/-
.148,20

1122,0
1108/1
1289,65191,3
1328/8
1

77
1

59,2
1
20″1161
April
1 1
55
9,701
71,2
1
62.7
1
6
12
35
,
50
1 84,8
1
26.4/10

1
2404,95/
82,81

268.-!-
1 36,
35
1

86,3
1
81/-
154,25 1137,3
1120/11
238,65
1
75,2 126:6/5
1

78
1

60,0
1
20151161
Mei

,,
69,4
1
60.15/-

1214,951
77,4
23.1815 12256,45
77,6!
251.2/-
1
36,401
86,4
1
81/-
159,65 1150,9
1132/9
1209,35
1
66,0

123.5111-
1

76
1

58,5
1
295/in
1
1-8 Juni

«
1
1532,651
67,7
59.716
1215,601

77,6 24.

/8

12274,20i
78,31
253.101-
1
36,351
86,3
1
81/-
160,55
P2
1135/

1205,501
64,8122.18/1
1

76
1

58,5
1
203/is
1
8-15

,,

,
j
488,651
62,1
54
8/9
19860

/

71,5
122.2/6

12210,401
76,1/
246.5
1

1
36,351
86,3
181/-
160,60 /
153,3 11
35
/-
11
87
,101
59,0 120.16/111
75
1

57,7
120 15-22


1
1471,701 60,0
52.10
1

193,45
/ 69,7
/
21.10
1
8

1
2203,55/
75,8/
245.5/-
1
36,401 86,4
1
8
1
/

1 60,65 1153,5
Il35/
1183,651
57,9 120.8/9
1

74
1

56,9
I

19131isI

DDELEN EN GRONDSTOFFEN.
(Tndexcijfers gebaseerd op 1927 t/m 1929 =
100).
.

GE-

GE
SLACHTE

SLACHTE

DEENSCH

BEVROREN

KOFFIE

SUIKER

THEE

_
CACAO G.F.

Loco R’damjA’dam

Wittekrist.-

N.-Ind thee-


RUNDEREN

VARKENS middmaat No. 1

VLEESCH

________

ACON

ARG. RUND-

Accra per 50 kg

per ‘i kg.

suiker loco

veiling Adam
(versch)

(versch)

Londen per cwt.

Londen per 8 lbs.

c.i.f. Nederland

Superior

Amsterdam

Sumatrathee

E
Rotterdam/ Gem.Java- en
oer 100 kg

oer 100 kg

Robusta
Rotterdam

Rotterdam

Herl. Ned.Ct.I Not.

Hen. Ned.Ct.I_Not.

HerI. Ned.Ct.I Not.

Santos

per 100kg.

per ‘/

kg.
f

%

-7–I-ih:–r

%

%

1927

65,15

97,8

10716

273

92,2

4/6

41,21

119,4

68/-

46,875

95,5

54,10

91,4

19,125 119,6

82,75.

109,2

101,3 1928

93,-

98,2

77,50

90,8

66,80

100,3

11015

303

102,4

5/-

34,64

100,4

57/3

49,625 101,1

63,48

107,3

15,85

99,1

75,25

99,3

102,2
1929

96,40

101,8

93,125 109,2

67,81

101,8

112/2

3,12

105,4

512

27,70

80,2

45/10

50,75

103,4

59,90

101,2

13,-

81,3

69,25

91,4

94,7
1930

108,-

114,0

72,90

85,5

57,19

85,9

94/7

2,97

100,3

4/11

21,04

61,0

34/11

32

65,2

3810

64,4

9,60

60,0

60,75

80,2

72,1
1931

88,-

92,9

48,-

56,3

3572

53,6

6316

2,44

824

4/4

13,84

40,1

24/7

25

50,9

2710

45,8

8,-

50,0

42,50

. 56,1

53,3
1932

61,-

64,4

37,50

44,0

25,46

38,2

5817

1,70

57,4

3/11

11,77

34,1

27/1

24

48,9

30,04

50,8

6,325

39,6

28,25

37,3

43,0
. 1933

52-

54,9

49,50

58,0

30,74

46,2

74/7

1,54

52,0

3/9

9,30.

26,9

22/7

21,10

43,0

22,83

38,6

5,325

34,5

32,75

43,2

37,0
1934

61,50

64,9

46,65

54,7

3Z94

49,5

88/1

1,42

48,0

3/9/2

8,15

23,6

21110

16,80

34,2

18,40

31,1

4,075

25,5

40,

52,8

34,9
1935

48,125

50,8

51,625

60,5

32,-

48,1

88/5

1,19

40,2

3/311

8,15

23,6

22/6

14,10

28,7

15,21

25,7

3,85

24,1

34,50

45,5

32,5
1936

53,425

56,4

48,60

57,0

36,37

546

93/6

1,48

50,0

3/9112

i205

34,9

3014

13,625

27,8

16875

285

4,025

25,2

40

52,8

39,2

Jan.

1936

44,-

46,5

50,875

59,6

3209

48,2

88/2

1,41

47,6

31101/2

8,49

24,6

2314

13

26,5

15

25,4

4,325

27,0

39,50

52,1

35,4
Febr.

43,775

46,2

48,25

56,6

33,85

50,8

931-

1,27

42,9

3/5914

8,62

25,0

2318

13

26,5

15,50

26,2

4,125

25,8

38,50

50,8

34,6
Maart

45,75

48,3

46,575

54,6

34,35

51,6

9416

1,23

41,6

3/4112

8,48

24,6

23/4

13

265

15,50

262

3,925

24,5

37,25

49,2

33,8
April

48,50

51,2

45,375

53,2

33,85

50,8

93/-

1,30

43,9

3/7

8,67

25,1

23/10

13

26,5

1550

262

3,97

24,9

36,50

48,2

33,6
Mei

51,60

54,5

44,30

51,9

33,38

50,1

90f10

1,33

44,9

3/7’12

9,25

26,8

25/2

13

26,5

15,50

26,2

3,65

22$

37

48,8

33,9
juni

,,

5415

57,2

46,25

54,2

34,13

51,3

92/-

1,51

51,0

413/4

10,42

30,2

28/1

13

26,5

15,50

26,2

3,85

24,1

36,50

48,2

35.7
uli

,,

57,35

60,6

47,75

56,0

34,53

5,9

93/7

1,52

51,4

4/1112

10,33

29,9

28/-

13,125

26,7

15,50

26,2

3,70

23,1

36,25

,

47,9

36,5
Aug .,,

60,40

63,8

50,20

58,8

37,-

55,6

100/-

1,54

52,0

4/2

10,92

316

2916

13

26,5

15,50

262

3,55

22,2

36,75

48,5

38,8
Sept

61,05

64,5

51,875

60,8

37,25

55,9

100/-

1,51

51,0

41-‘/2

12,20

35,3

3219

13

26,5

17,50

29,6

3,475

21,7

37,50

49,5

.

39,2
Oct.

58,85

62,1

52,30

61,3

44,15

66,3

96/10

1,65

55,7

3/712

17,21

49,9

37(9

14,87

30,3

19,50

33,0

4,475

28,0

46,50

61,4

48,4
Nov.

56,-

59,1

49,875

58,5

40,73

61,2

90/-

1,69

57,1

3/814

17,42

50,5

38/6

15,25

31,1

20,50

34,7

4,575

28,6

48,50

64,0

48,0
Dec .

59,80

63,1

49,70

58,3

41,35

62,1

92/-

1,80

60$

41-

22,48

65,1

501-

16,25

33,1

21,50

363

4,725

29,5

48

63,4

50,4

Jan.

1937

64,60

68,2

52,75

61,8

41,22

61,9

92/-

1,81

61,1

4/-12

24,50

71,0

5418

16,75

34,1

22,125

37,4

5,575

34,9

50,50

66,7

52,0
Febr .

64,175

67,8

53,325

62,5

38,49

57,8

86/-

1,80

60,8

4/_if4

21,09

61,1

47(2

18,25

37,2

24

40,6

5,725

35,8

5350

70,6

52,4
Maart

66,15

69,9

54,825

64,3

39,83

59,8

89/-

1,67

56,4

3/8

23,-

66,7

51 6

18

36,7

23,80

40,2

• 6,10

38,1

55

72,6

53,7
April

,,

71,-

75,0

56,25

65,9

42,32

63,6

9413

1,72

58,1

3f10

20,83

60,3

4615

17,875

36,4

23,375

39,5

6,125

38,3

5425

71,6

54,4
Mei

•,

73,325

77,4

56,75

66,5

42,71

64,1

951-

1,90

64,2

412314

17,30 1

50,1

3816

17,50

35,7

23

38,9

6,075

38,0

55

72,6

53,6
1-8 J uni

76,30

8016

55,50

65,1

41,23

61,9

921-

2,20

74,3

41 1 1

1 5,92

46, 1

3516 •

17,50

35,7

23

38,9

6,50

40,6

49,50

65,3

52,9

8-15

,,

80,-

84,5

55,50

65,1

39,05

58,6

87/-

2,09

70,6

4/8

15,71

45,5

, 351-

17,50

35,7

23

38,9

.6,50

40,6

49,50

65,3

52,4

15-22

,,

84,70

89,4

55,50

65,1

39,Q

58,7

87f-

1,95

65,9

4j4

1

17,50

35,7

23

38,9

6;50

40,6

51,50

68,0

52,3

Zweedsch ongesor-

HOUT

HUIDEN

Ned.-lnd;

Gepelde Coromandel,

La Plata

cash Londen

GRENENHOI.JT

‘UREN-

KOE-

COPRA

GRONDNOTEN

LIJNZAAD

GOUD

,
=
=;

teerd 2112 X 7

basis 7″ f.o.b.

Gaaf, open kop

m. s.

per longton

loco

per ounce line

E

.,

perstandaard

Veiling te

Amsterdam
per standaard

ZwedenlFinl.

57-61 pond

per 100 kg

c.i.f.Londen

Rotterdam HerI. Ned.Ct.

Not.

van 4.672M3.

Amsterdam

Herl.Nd.Ct. 1

Not.

per 1960 kg.

Herl.Ned.Ct.I

Not.

,
-T- — -r-

%

-1-

-ï- -1-


%

-1- — -iii:-
%
1927

230,28

100,1

19-1-

160,50

105,1

40,43

100,9

32,625

106,5

2€6,03

106,4

21.18111

362,50

95,0

51,50

100,1

85f-

105,3

104,4

124,1
1928

229,90

100,0

19.-J-

151,50

99,2

47,58

118,7

31,875

104,1

254,10

101,6

21.-f-

363,-

95,1

51,45

100,0

85/-

102,0

100,2

94.6
1929

229,71

99,9

19-1-

146,-.

95,5

32,25

80,5

27,375

89,4

230,16

92,0

19.-(9

419,25

109,9

51,40

99,9

851-

92,7

95,4

84,5
1930

218,43

95,0

18.112

141,50

92,7

25,36

63,3

22,625

73,9

175,55

70,2

14.1014

356,-

93,3

51,40

99,9

85/-

69,6

75,3

60,0
1931

187,88

81,7

16.141-

110,75

72,5

18,65

46,5

15,375

50,2

136,69

54,7

12.2/11

187,-

49,0

52,-

101,1

9215

47,6

54,2

44,7
1932

136,14

59,2

15.1314

69,-

45,2

11,15

27,8

13,-

42,4

130,52

52,2

15-14,

137,-

35,9

51,25

99,6

1181-

35,1

43,0

38,4
1933

136,48

59,3

16.1112

73,50

48,1

13,26

33,1

9,30

30,4

90,39

36,1

10.1914

148,-

38,8

51,35

99,8

12417

33,1

39,2

34,5
1934

134,02

58,3

17.1814

76,50

50,1

12,07

30,1

6,9022,5

71,90,

28,7

9.1213

142,50

37,3

51,50

95,4

137/8

31,6

37,4

36,5
1935

127,91

55,6

17.13(4

59,50

39,0

12,54

31,3

9,15

29,9

104,26

41,7

148f-

131,75

34,5

51,50

95,4

142/2

32,2

31,3

34,8
1936

139,98

60,9

17.19110

78,25

51,3

15,40

38,4

11,90

38,9

113,49

45,4

14.1119

166,50

43,6

54,60

106,1

140/4

39,0

42,3

40,7

Jan.

1936

123,76

53,8

17.-!-

63,-

41,3

15,-

37,4

11,125

36,3

104,74

41,9

14.719

153,50

40,2

51,30

99,7

101

35,2

38,7

37,4
Febr.

123,76

53,8

17.-j-

63,-

41,3

15,-

37,4

10,625

34,7100,56

40,2

13.163

152,50

40,0

51,25

99,6

10/10

34,8

38,4

37,5
Maart

123,59

53,7

17.-j-

64,25

42,1

14,25

35,5

9,775

31,9.

99,60

39,8

13.14/1

150,-

39,3

51,25

99,6

1411

34,6

38,2

37,6
April

127,40

55,4

17.101-

65,-

42,6

14,-

34,9

9,725

31,8

101,12

40,4

13.17110

147,25

38,6

51,25

99,6

140/9

34,6

38,1

37,4
Mei

,,

129,73

56,4

17.131-

65,-

42,6

13,75

34,3

9,525

31,1

99,59

.39,8

13111-

147,75

38,7

51,50

95,4

140/2

34,2

38,1

37,0
juni

131,24

57,1

17.1319

68,-

44,5

13,-

32,4

9,90

32,3

104,81

41,9

14.2/6

154,-

40,4

51,55

100,2

1391

34,6

38,7

36,5
Juli

131,-

57,0

17.151-

71,25

46,7

13-

32,4

10,475

34,2

112,82

45,1

15.5/9

162,50

42,6

51,20

99,5

138/9

36,0

39,4

37,4
Aug .,,

131,72

57,3

17.161-

73,25

48,0

13,50

33,7

10,825

35,3

118,03

47,2

15.19(1

170,-

44,6

51,20

99,5

138/5

36,7

40,2

37,4
Sept .

137,83

59,9

18.101-

79,-

51,7

14,50

36,2

11,275

36,8

113,24

45,3

15.4/1

166,75

43,7

51,55

100,2

138/5

37,3

40,9

38,2
Oct.

171,91

74,8

18;17J-

107,-

70,1

19,25

48,0

13,875

45,3

129,05

51,6

14.3/-

199,75

52,3

64,70

125,8

141/11

46,8

50,1

47,6
Nov.

174,78

76,0

19.613

106,-

69,4

19,25

48,0

16,125

52,7

132,49

53,0

14.12110

193,

50,6

64,40

125,2

142/4

49,2

51,6

51,8
Dec .

178,27

77,5

19.1618

112,75

73,9

20,25

50,5

19,65

64,2

145,53

58,2

16.319

201,-

52,7

63,75

123,9

141/10

53,3

54,5

56,6

Jan.

1937

181 –

78,7

2041-

118,75

77,8

21,50

53,6

20,625

67,3

145,O4

58,0

16.319

201,50

52,8

63,45

123,3

141/8

55,1

56,3

58,5
18795

81,7

21.-!-

125,-

81,9

22,75

56,8

17,95

58,6

132,01

52,8

14.15/

194,50

51,0

63,60

123,6

142/1

54,1

57,1

59,5
Maart

,,

201,84

.87,8

22.121-

135,-

88,4

25,-

62,4

18,05

58,9

137,54

55,0

15.8/1

209,25

54,8

63,60

123,6

14214

57,5

61,6

64,8
April

208,79

90,8

23.5(-

135,-

88,4

28,50

71,1

16,875

55,1

138,95

55,6

15.918

224,50

58,8

63,45

123,3

141(5

59,3

60,5

63,6
Mei

211,29

91,9

23.101-

137,-

89,7

26,25

65,5

14,95

48,8

127,60

51,0

14.41-

220,50

57,8

63,15

122,7

14018

56,7

60,3

58,2
1-8 Juni

210,62

91,6

23.101-

137,50

90,1

26,25

65,5

14,75

48,2

134,57

53,8

15.-(-

219,-

57,4

63,10

122,6

140184

55,9

59,8

56,2
8-15

,,

,,

210,94

91,7

23.101-

137,50

90,1

26,25

65,5

14,50.

47,3

130,16

52,0

14.101-

216,-

56,6

63,10

122,6

140164

55,0

58,8

55,1
15-22

,

211,-

91,8

23.101-

137,50

90,1

26,25

65,5

14,-

45,7.

128,60

51,4

14.613

213,50

56,0

63,15

122,7

140/6

54,9

58,5

55,8

Westf./Holl.

Mid. Contin. Crude

Gulf Exp. 641660

SALPETER

ZWAVELZURE
STEEN

BENZINE

KALK-

CEMENT

ST E EN EN

AMMONIAK

levering bij

af fabriek

A’dam per

bruto

bunkerk. ongez. 33 tno. 3390 Bé s.

g.

per

franco schip

franco Schip

groote part.

binnenmuuri buitenmuur
f.o.b. R’daml

te N.-York p. barrel

U.S. gallon

Ned.per 100kg

Ned. per 100kg

Ned. per ton

per

per


franco wa
1000stuks

1000 stuks

•E

.EE
1000 kg.

Herl.Ned.Ct.I Not.

Herl.Ned.Ct.I Not.
T

%

7

3

8

cts.

X

8-

f

f

1927

11,25

103,1

3,21

103,6

1,28

37

128,0

14,86

11,48

102,6

11,44

102,5

18,-

99,1

14,50

107,4

18,50

95,3

105,1

105,2
1928

10,10

92,5

2,99

97,1

1,20

24,85

85,9

9,98

11,48

102,6

11,08

99,3

18,-

99,1

12,-

85,9

18,50

95,3

96,5

99,0
1929

11,40

104,4

3,06

99,4

1,23

24,90

86,1

10

.

10,60

94,8

10,96

98,2

18,50

101,8

14,-

103,7

21,25

109,4

98,4

95,8
1930

11,35

104,0

2,76

89,6

III

21,90

75,7

8,81

9,84

88,0

10,55

94,5

19,50

107,3

12,50

92,6

20,75

106,9

83,7

77,3
1931

10,05

92,1

1,42

46,1

057

12,38

42,8

4,98

8,61

77,0

7,73

69,3

14,-

77,1

10,25

75,9

20,25

104,3

60,1

54,7
1932

8,-

73,3

2,01

65,3

0,81

11,99

41,5

4,83

6,15

55,0

4,20

37,6

12,-

66,1

9,25

68,5

15,-

77,3

49,6

43,0
1933

7,-

64,1

1,14

37,0

0,57

9,24

32,0

4,63

6,18

55,2

4,63

41,5

12,-

66,1

10,-

74,1

12,75

65,7

46,8

40,6
1934

6,20

56,8

1,40

45,5

0,94

7,18

24,8

4,84

6,11

54,6

4,70

42,1

12,-

66,1

8,50

63,0

10,50

54,1

45,2

39,0
1935

6,05

55,4

1,39

45,1

0,94

7,65

26,5

5,18

5,89

52,7

4,81

43,1

12,50

68,8

7,25

53,7

8,75

45,1

41,1

40,3
1936

6,60

60,5

1,63

52,9

1,04

8,86

30,6

5,65

5,70

51,0

4,82

43,2

II,-

60,5

7,50

55,6

9,50

48,9

48,7

44,3

Jan.

1936

6,15

56,3

1,48

48,1

1,01

8,51

29,4

5,80

5,80

51,8

4,85

43,5

II,-

60,5

8,25

61,1

10,-

51,5

45,5

40,8
Febr.

6,15

56,3

1,51

49,0

1,04

8,57

29,6

5,88

5,85

52,3

4,90

43,9

II,-

60,5

8,-

59,3

9,50

48,9

45,9

40,9
Maart

6,15

56,3

1,52

49,4

1,04

8,60

29,7

5,88

5,90

52,7

4,95

44,4

II,-

60,5

8,-

59,3

10,25

52,8

46,5

41,1
April

6,20

56,8

1,53

49,7

1,04

8,55

29,6

5,80

5,95

53,2

5,-

44,8

II,

60,5

8,-

59,3

10,25

52,8

46,4

41,0
Mei

6,25

57,3

1,54

50,0

1,04

8,41

29,1

5,69

6,-

53,6

5,05

45,3

II,-

60,5

8,-

59,3

10,25

52,8

46,3

40,8
Juni

6,30

57,7

1,54

50,0

1,04

8,32

28,8

5,63

6,-

53,6

5,05

45,3

II,_

60,5

7,75

57,4

10,-

51,5

45,7

40,6
Juli

6,25

57,3

1,53

49,7

1,04

8,08

27,9

5,50

6,-

53,6

5,05

45,3

II,-

60,5

7,-

51,9

9,25

47,6

45,6

41,2
Aug.,,

6,30

57,7

1,53

49,7

1,04

8,10

28,0

5,50

5,25

46,9

4,45

39,9

11,-

60,5

6,50

48,1

9,

46,4

44,9

41,2
Sept.,,

6,35

58,2

1,53

49,7

1,04

8,10

28,0

5,49

5,35

47,8

4,55

40,8

II,-

60,5

7,-

51,9

9,-

46,4

45,9

42,0
0ct.,,

7,80

71,4

1,94

63,0

1,04

10,16

3511

5,46

5,40

48,3

4,60

41,2

II,-

60,5

7,25

53,7

9,-

46,4

54,9

51,2
Nov.,,

7,70

70,5

1,93

62,7

1,04

10,28

35,6

5,55

5,45

48,7

4,65

41,7

II,

60,5

7,25

53,7

9,25

47,6

57,9

53,9
Dec.

7,85

71,9

1,91

62,0

1,04

10,32

35,7

5,63

5,55

49,6

4,75

42,6

II,-

60,5

7,50

55,6

9,-

46,4

60,4

51,2

Jan.

1937

8,05

73,7

1,90

61,7

1,04

10,61

36,7

5,81

5,65

50,5

4,85

43,5

II,-

60,5

7,50

55,6

9,-

46,4

62,5

59,1
Febr.

,,

8,25

75,6

2,12

68,8

1,16

10,95

37,9

5,99

5,70

51,0

4,90

43,9

11,85

65,2

7,50

55,6

9,-

46,4

65,0

60,1
Maart

,,

8,30

76,0

2,12

68,8

1,16

11,16

38,6

6,10

5,75

51,4

4,95

44,4

11,85

65,2

8,-

59,3

9,25

47,6

14,1

68,6
April

,,

8,55

78,3

2,12

68,8

1,16

11,30

39,1

6,18

5,80

51,8

5,-

44,8

11,85

65,2

8,25

61,1

9,50

48,9

68,6 .

64,4
Mei

9,-

82,4

2,11

68,5

1,16

11,46

39,6.

6,30

5,85

52,3

5,05

45,3

11,85

65,2

8,25

61,1

9,50

48,9

71,1

64,5
1-8 Juni

9,-

82,4

2,11

68,5

1,16

11,48

39,7

6,31

5,85

52,3

5,05

45,3

11,85

65,2

8,25

61,1

9,50

48,9

71,1

64,2
8-15

,,

,,

9,-

82,4

2,11

68,5

1,16

11,48

39,7

6,31

5,85

52,3

5,05

45,3

11,85

65,2

8,25

61,1

9,50

48,9

69,4

62,9
15-22

9,-

82,4

2,11

68,5

‘ 1,16

11,48

39,7

6,31

5,85

52,3

5,05

45,3

11,85

65,2

8,25

61,1

9,50

48,9

68,9

62,5

482

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23 Juni 1937

NEDERLANDSCHE BANK.

Verkorte Balans op 21 Juni 1937.

Activa.

Binnen!. Wis- (flfdbk.
f

17.092.758,09
se1s,Prom..

Bijbnk.

315.631,43
enz.indisc.Ag.sch.

760.962,40

f
18.169.351,92
Papier o. h. Buiten!, in disconto

……,,

Idem eigen portef.

f

2.388.000,-
Af: Verkochtmaar voor
debk.nognietafgel.


2.388.000,-
Beleeningen’Ufdbk

f
133.254.405,151)
ncl. vrsch.
IBijbnk. ,,

4.754.737,55
in rek.crt.IAgseh
op onderp.J
,,

28.934.735,63

f
166.943.878,33

Op Effecten
……f
164.836.130,92′)
Op Goederenen Spec. ,,

2.107.747,41
166.943.878,331)
Voorschotten a. h. Rijk

…………..

dunt, Goud
……f
113.607.410,- Muntmat., Goud.. ,,1.113.577.415,85

[1.227.184.825,85
Munt, Zilver, enz.

,,

19.747.349,16
Muntmat., Zilver.


1.246.932.175,013)
Belegging van kapitaal, reserves en pen-
sioenfonds ………. . ………….

,,
41.643.190,64
Gebouwen en Meub. der Bank

……..,,
4.600.000,-
Diverse rekeningen ………………,,
6.234.498,59
Staat d. Nederi. (Wetv. 2715/’32, S. No. 221) ,,
10.193.915,19

Pas8Iva.

f
1.497.105.009,68

Kapitaal
……………………….f
20.000.000,-
Reservefonds ……………………,,
4.338.707,82
Bijzondere

reserve

………………,,.
6.600.000,-
Pensioenfonds

………………….,,
11.149.263,27
Bankbiljetten in omloop …………..

,,
804.601.110,-
Bankassignatiën in omloop

……….,,
30.216,77
Rek.-Cour.
f
Het Rijk
f

83.228.859,58
saldo’s:

‘1,, Anderen ,, 566.851.853,10
650.080.712,68
Diverse

rekeningen ………………,,
304.999,14

f
1.497.105.009,68

Beschikbaar metaalsaldo

…………
f
664.97417735
Minder bedrag aan bankbiljetten in om-
loop dan waartoe de Bank gerechtigd is ,,
1.662.435.443,_
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank ondergebracht

………………..,,

1)
Waarvan aan Nederlandsch-lndië
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad No. 99)………..
f

68.518.450,-
‘) Waarvan in het buitenland ………………………
.99.192.443,07

Voornaamste posten in duizenden
guldens.

1
Goud
1
1 Andere 1 Beschïkb.
1 Dek-
Data

1
Icirculatielopeischb.I
Metaal-
Iking.,
Munt
1
Muntmat.
_
1
schuldenl

saldo
perc.

21 Juni ‘37111360711.113,577
804.6011650.111
664.974
86
14

,,

‘37111360711.082.427
812.4031613.451
644.666
85
25
Juli’
14
1
6
5.7
03
1
96
.
4
10 _
31
0.4371
6.198

43.521
54

1Totaal
1Schatkist-
1
5ïvi
Data
Belee-

Papier
1
promessen
1
nin
g
en

reke
lrechtstreeksl
op
het
buitenl.
ningen
1
)

21 Juni 19371
18.169
1


1166.944
2.388 6.234
14

,,

19371
17.881

171.268
2.388
5.196

25 Juli

19141

67.947
j


61.686
20.188
509
‘)unner ue acîiva.
JAVASCHE BANK.
Andere Beschlkl
Dcta
Goud
Zilver
Circulatle
opeischb.
metaal-
schulden
saldo
19 Juni’37
2
)
124.310
194.130 77.020
15.850
12

,,

‘378)
124.560
197.180
77.260
14.784

22 Mei 1937
108.653

18.228
190.870
79.859 18.590
15

,,

1937
108.653
1

16.572 195.639 75.976
16.579

25Juli1914
22.057

31.907
110.172 12.634
4.842

1

Wissels,
1

buiten
Dis-
Belee-
Diverse
Dek-
kings-
Data
1

N.-fnd.
conto’s
ningen
reke-
ningen’)

percen-
1
betaalb.
tage

19 Juni’37
2
)
4.770
76T60
78.870

46
12

,,

‘373)
1

4.710
76.850 82.080
45

22 Mei 1937
1

5.226 78.826
47
‘11.13
52.461
15

,,

1937
5.565
11.951

i
53.075 79.175
46

25 Juli 1914
1

6.395 7.259 75.541
2.228
44
1
1
Sluitpost activa.
2)
Cijfers
telegrafisch
ontvangen.

BANK VAN ENGELAND.

Bankbilf. Bankbilf.
OtherSecurities
Disc, and
ISecurities
Data
Metaal
in’in
__Bankingi
circulatie
1
Departm.
Advances1

16 Juni 1937
1322.170
479.781

1

41.480
3.738
1

19.854
9

,,

1937
1 322.154
476.541

44.720
4.833

1 21.074

22 Juli

1914
1

40.164 29.317
33.633

1
OtherDeposits
1
t
Dek-
Data
00v.
Sec.
Public
Depos.
1
Bankers

Other
1
Reserve1
kings-
___
Accountsl
_
1
perc.
1)
____________
16 Juni’37
________
101.329
10.013
1102.261 137.151
1 42.3891
28,4
9

,,

’37
1101.203
10.687
1107.429

36.776
1 45.6131
29,4

22 Juli ’14
11.005
14.736
42.185 29.297j
52
., v c.11vuu,,lg rI.3a1,lcl. P.Ç3CI VC CI! IJCPUOII.
BANK VAN FRANKRIJK.

1 Te goed Wis

Waarv.I
Belee
IRenfeloos

1
buitenlj
sets
1
buitenl.j
ningen
Iv.d. Staal
Data

Goud ‘Zilver’ in h t

– op het 1

– voorschot

10 Juni’37157.359
3

,,

‘37157.359

23Juli’14J

1

4.104
1

5081
5071

_6
40
1

15
12

_

1

9.6291
i

9.9201

1.5411
1.0391
1.0411

8J

5.543 5.748

769

3.200
1

3.200

_-

Bons
v.
d.1
Rekg.Courant Data
zelfst.
sen
DiverCirculatie
Staat

Zelfst.
1
Parti-
I
amort.
k.
1
amort.k.J cutieren

10Juni’37

5.642
1

2.936
1

86.451
1

142 1 2.208

114.283
3

,,

’37

5.642 2.797 86.971
1

298 1 2.190

113.779

23 Juli’14

– –
J

5.912

J

401

943
1) Sluitpost activa.
DUITSCHE RIJKSBANK.
Daarvan
Deviezen
Andere

Data
Goud
bij bui-
als goud-
wissels
Belee-
I

tent. (irc.
dekking
en
ningen
bonken
1
)
geldende
cheques

15 Juni 1937 1
68,8
19,4
1

5,7
4.515,6
1

49,1
7

,,

1937 1
68,8
19,4
1
4.795,7
1

40,7

30 Juli

1914_11.356,9
– –
750,9
J

50,2

Data
1

Effec-
1
Diverse
Circu-
1

Rekg.-
Diverse
ten
1
Activa’)
j

tatie

1

Crt.
Passiva

15 Juni 1937
1

104,2
t
1

4.560
1
6
715,5
197,6
7

»

1937
1

104,2
1

737,0
4.726,0
678,9
195,9

30 Juli

1914
330,8
1

200,4

1

1.890,9
944,-
40.0
‘) ,JflUtiflSl.’) w.u. zçentenuansciiei,,c 10, IJUIII ICSP.00, £0111111.
NATIONALE BANK VAN BELGIE (in Belga’a).

Data

Goud

.

. .
0
.

Rekg. Crt.

1937
‘2
u
0’O 0

17 Juni13.6481
51
11.
3
701
34
155
40
1
4.401
140
749
10

,
3
.6
131
49

1.3
54

37
155
40
4.400
147
693

FEDERAL RESERVE BANKS.

Ooudvoorraad
Wissels

Data
,,Other
cash”
2)
Totaal
1

Goud-
In her-

1
disc.
v.
d.
1
In de
open
bedrag
cert
1fl-
caten’)
member
1

markt
banks
1
gekocht

9Juni’37
8.849,5
1

8.839,5
305,7
14,3
5,8
2,,’37
8.849,7
_8.838,4
272,7
17,51
6,3

Belegd
F.
R.
s
1
1
Totaal
Gestort
Goud-
Dek-
Aem.
1

nek-
Data
Gov.Sec.
ncr
p
itaalkin
g
s-
Ila
I
1kin
g
s-
_
latie
1
perc.’)
1

perc.4)

9 Juni’371
2.526,3 1
4.202,0
7.292,8
132,2
1

79,6
2

,,

‘7l
2.526,3
1
4.235,1

1
7.224,3
132,2
79,6

‘) VeLt CeFtIlILdIClI WCIUCII UWUI UC oLlIatnI duaaIlUcnLaclv!.
gegeven voor de overname van het goud, toen de $ op 31Jan. ’34 van
100 op 59.06 cents werd gedevalueerd.
1) ,Other Cash” does not include Federal Reserve Notes or a Bank’s
own Federal Reserve
bank
notes.
3) Verhouding totalen goudvoorraad tegenover opelschbare
achulden: F. R. Notea en netto deposito.
4)
Verhouding totalen
voorraad muntmateriaal en wettig betaalmiddel tegenover Idem.
PARTICULIERE BANKEN AANGESLOTEN BIJ HET
FED. RES. STELSEL.

Dis-
t
Totaal
Waarvan
Data
Aantal
conto’s
1

Beleg-
1

de
depo-
time
teenin.
en
beleen.
gingen
1
R.
banks
sito’s
deposits

2Juni’37’
13
1

9.571
112.587

15.278
1
26.346
1

5,231
26 Mei ‘371
1

9.529
112.653 5.385
26.516 5.222
1)0 posten van IJS nee. nans, 00 .,uvascne OUflR ….. 0h11S Cl
land zijn In duizenden, alle overIge posten In mlllioenen van de be.
treffende valuta.

Auteur