Ga direct naar de content

Werkloosheid blijft stijgen

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: december 2 1993

Figuur 2. Werkloosbeid, jaargemiddelden inprocenten van de beroepsbevolking

Werkloosheid
blijft stijgen

De DNB-conjunctuurindicator, die
thans een voorspelling tot en met februari aanstaande geeft, duidt op een
opleving van de conjunctuur in de
komende maanden. De produktie in
de verwerkende Industrie, die wordt
gehanteerd als maatstaf voor de realisatie van de conjunctuur, toont nog
geen herstel van de conjunctuur. Uitgedrukt in groeitermen zal de door
de indicator voorspelde stijging van
het produktievolume in de komende
maanden nog zeer beperkt zijn. Voor
de maanden September 1993 tot en
met februari 1994 voorspelt de indicator een groei van de industriele produktie van slechts 0,3% gemeten ten
opzichte van de vorige overeenkomstige periode. Het herstel komt dus
naar verwachting langzaam op gang.
Dit geldt ook in vergelijking met de
recessie begin jaren tachtig. Nadat in
april 1983 het conjuncturele dieptepunt was bereikt, groeide de industriele produktie in de eerste zes maanden daarna met 2,2% gemeten ten
opzichte van dezelfde periode in het
voorafgaande jaar.
Bij een dergelijke geringe produktiegroei is nog geen herstel van de arbeidsmarkt te verwachten. De toename van het produktievolume zal in
de komende maanden naar verwachting kleiner zijn dan de groei van de
arbeidsproduktiviteit, waardoor de
werkgelegenheid verder zal afnemen.

f<

.

>

Zelfs als het herstel in de loop van
1994 sterker aantrekt is niet direct
een toename van de werkgelegenheid te verwachten. De vraag naar
arbeid zal immers met vertraging reageren op de groei van de produktie.
Ondernemers zullen eerst wachten of
de produktiestijging ook daadwerkelijk aanhoudt voordat nieuwe werknemers worden aangetrokken. Bovendien is met het aantrekken van werknemers enige tijd gemoeid. In deze
fase van de conjunctuur neemt de arbeidsproduktiviteit sneller toe dan de
groei van de produktie. In een eerdere rubriek over de DNB-conjunctuurindicator is berekend dat deze vertraging in het verleden gemiddeld een
jaar bedroeg1.
De bezorgdheid over de situatie op
de arbeidsmarkt is echter vooral inge-

82

83

84

85

86

,

87

89

96

;;•’ —– –‘slat

geven door het feit dat de stijging
van de werkloosheid sinds het begin
van de jaren zeventig in neergaande
fasen van de conjunctuur steeds groter is geweest dan de daling in de
daaropvolgende fasen van hoogconjunctuur. De trendmatige groei van
de produktie is bij een arbeidsproduktiviteitsstijging, die trendmatig
zo’n 1,5% bedraagt, onvoldoende geweest om de groei van het arbeidsaanbod te absorberen.
In figuur 2 is de ontwikkeling van
de werkloosheid in de afgelopen
twee decennia weergeven, waarbij
de perioden van conjuncturele aarzeling en recessie op basis van de DNBconjunctuurindicator zijn gearceerd.
Voor de oliecrisis lag de werkloosheid in Nederland rond de 2% van de
beroepsbevolking. De recessie van
begin jaren tachtig kende een aanzienlijk hoger uitgangsniveau (zo’n
4%), terwijl in de jaren tachtig de
werkloosheid niet onder de 6,5% is
gekomen.

Conclusie
De DNB-conjunctuurindicator geeft
een opleving van de conjunctuur
aan. Uitgedrukt in groeitermen voorspelt de indicator voor de komende
maanden een groei die” nog nauwelijks boven de nul zal uitkomen.
Deze groei zal nog onvoldoende zijn
om de situatie op de arbeidsmarkt te
verbeteren.

Ihdicator

81

Toelichting: jaren van conjuncturele aarzeling en recessie zijn aangegeven door gearceerde vlakken. Bron: CPB, CBS
•«s0*i!|

Figuur 1. DNB-conjunctuurindicator

BO

.

91

92

93

94

1. Arbeidsmarkt reageert met vertraging,
ESB, 3 juni 1992.

1116 i