Ga direct naar de content

Van tweeen een: op weg naar één Duitse economie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 23 1990

Van tweeen een: op weg naar
een Duitse economie
Dit artikel handelt over het proces van economische en monetaire eenwording van de
beide Duitslanden, zoals dat na 9 november vorig jaar op gang is gekomen. Na een kort
overzicht van de uitgangssituatie en van de belangrijkste ontwikkelingen sindsdien,
wordt stilgestaan bij het meest recente voorstel van de kant van de Bondsregering
betreffende de Wahrungsunion. Daarbij wordt ook ingegaan op de consequenties van
deze ontwikkelingen voor de DDK en de Bondsrepubliek. De vooruizichten voor de
Bondsrepubliek zijn niet ongunstig. Voor de DDK is de situatie zeer onzeker.

DR. C.W.A.M. VAN PARIDON”
‘It may not happen soon’, met deze zin, over de mogelijke eenwording van beide Duitslanden, opende Jonathan
Carr in de Economist van 28 oktober 1989 een onderzoek
naar West-Duitsland1. Nauwelijks twee weken later werd
deze opmerking reeds geloochenstraft. Sneller dan waarschijnlijk iemand voor mogelijk had gehouden, stortte de
DDR-economie in elkaar. Nu, een half jaar later, is duidelijk
dat Carrs beschrijving van een toekomstig verenigd Duitsland, zoals die in dezelfde survey is terug te vinden onder
de kop ‘When the wall comes down’, ook wel eens eerder
realiteit zou kunnen worden dan menigeen toen vermoedde.

van dat van de Bondsrepubliek, met nog lagere cijfers
voor sectoren als landbouw, voedingsmiddelen en de
ijzer- en staalindustrie4. Schattingen voor het bruto sociaal produkt varieren tussen DM 300 mrd5 en DM 400
mrd . Per hoofd van de bevolking betekent dat een BSP
van ongeveer 54% van dat van de Bondsrepubliek.
De Bondsrepubliek maakte de laatste jaren juist een
periode door met een sterke groei, een stijgende werkgelegenheid en dalende werkloosheid, een fors overschot op
de betalingsbalans, een miniem tekort bij de overheid en
een gematigde prijsontwikkeling7.

Op weg naar economische integratie
De uitgangssituatie
Dat de DDR het moeilijk zou krijgen, was in oktober 1989
geen echte verrassing. De sterk gestegen stroom Ubersiedler was daarvoor zowel een bruikbare indicator als een
belangrijke causale variabele. Deze emigratie betekende
een immense aderlating voor de DDR. In veel gevallen ging
het om relatief jonge, geschoolde mensen. Een dergelijk
verlies aan arbeidskrachten moest wel tot grote problemen
bij bedrijven en instellingen leiden2.
Dit vertrek bezegelde in zekere zin het failliet van de
DDR-economie. Hoe goed de DDR-economie in Oosteuropees perspectief ook presteerde, steeds duidelijker werd
dat de strakke centrale planning en de sterk geconcentreerde economische structuur voor een inefficient werkende economie zorgden. Dat werd nog versterkt door het
nastreven van de doelstelling dat de DDR zoveel mogelijk
zelfvoorzienend zou moeten zijn.
De DDR-economie werd, aldus de Deutsche Bank,
gekenmerkt door te lang durende moderniseringscycli, te
geringe flexibiliteit aan de aanbodkant, met veelvuldig
optredende stagnaties, een verwaarloosde infrastructuur
en een falende motivatie bij de werknemers3. Dat de
DDR-economie nog functioneerde, wordt daarmee
steeds opvallender. Het produktiviteitsniveau lag op 50%

ESB 30-5-1990

Vrijwel onmiddellijk na het wegvallen van de muur, lanceerden de ministers Waigel (Financien) en Haussmann
(Economie) op 14 november 1990 een plan voor snelle
economische hulp aan de DDR. Daarbij werden enerzijds
tal van fondsen gecreeerd die het ondernemingen makke-

* De auteur is als stafmedewerker verbonden aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
1. Zie J. Carr, On the eve; a survey of West Germany, The
Economist, 28 oktober 1989.
2. Zo lag in januari 1990 de produktie 5% lager dan in januari 1989,
aldus NRC-Hande/sblad, 22 februari 1990, biz. 16.
3. Zie Deutsche Bank, DDR-Special, Volkswirtschaftliche Abteilung, Frankfurt, abgeschlossen 4 december 1989.
4. Zie Deutsche Bank, op.cit., 1989, alsook DIW, Die Lage der
DDR-Wirtschaft zur Jahreswende 1989/90, DIW Wochenbericht,
nr. 6/90, Berlijn, 1990 en DIW, Zum Produktivitatsvergleich Bundesrepublik-DDR, DIW Wochenbericht, nr. 14/90, Berlijn, 1990.
5. Zie Arbeitsgemeinschaft deutscher wirtschaftswissenschaftlicher Forschungsinstitute, Die Lage der Weltwirtschaft und der
westdeutschen Wirtschaft im Fruhjahr 1990, IFO Wirtschaftskonjunktur, nr. 4/90, 1990, biz. A1-A25.
6. Zie Deutsche Bank, op.cit., 1989, biz. ii.
7. Zie C.W.A.M. van Paridon, De locomotief weer op stoom; de
economie van de Bondsrepubliek in 1990, ESB, 1990, biz. 229233.

495

lijker moesten maken om in de DDR te investeren. Daarnaast echter diende de DDR te streven naar een economische ordening, gebaseerd op het ‘soziale Marktwirtschaft’
concept, zoals dat vigeerde in de Bondsrepubliek. Op
termijn zou dan de DDR kunnen streven naar een situatie,
waarin de Ost-mark convertibel zou worden tegenover de
D-mark. Duidelijk was wel dat eerst de economische ordening aangepast zou moeten worden, voordat de convertibiliteitgerealiseerd zou kunnen worden8. Bij die economische hervorming gaat het grosso modo om de volgende
zaken:
– prijsvorming op basis van marktvoorwaarden;
– loonvorming vooralsnog op bedrijfsniveau, zolang werkgevers- en werknemersorganisaties nog ontbreken;
– vrijheid van contract en van ondernemingsactiviteiten;
– belastingen, inclusief omzetbelasting, overeenkomstig
het in de Bondsrepubliek geldende systeem;
– creatie van een banksysteem, toegesneden op een sociale markteconomie. Een eigen centrale bank is niet
meer nodig;
– creatie van een stelsel van sociale zekerheid bij ouderdom, ziekte en werkloosheid;
– mededingingswetgeving zoals in de Bondsrepubliek en
toelating van het Bundeskartellamt, naast concurrentie
van buitenlandse ondernemingen;
– toelating van particulier eigendom.

De ontwikkelingen liepen echter anders. Begin februari
werden de berichten uit de DDR zo slecht dat de regeringKohl besloot om met drastische voorstellen te komen. In
plaats van eerst de economie te hervormen en dan naar
een Wahrungsunion te streven, stelde de Bondsregering
daarom op 6 februari voor om beide zaken tegelijkertijd
doorte voeren. Met een al werd daarbij door Waigel gesproken over een koers van 1:19.
Over dit voorstel en over de mogelijke consequenties
ontstond in de Bondsrepubliek meteen een uitgebreide
discussie. De Sachverstandigenrat herhaalde de eerder
geuite opvatting dat eerst de DDR-economie hervormd
diende te worden, voordat over een Wahrungsunion gesproken kon worden10. De Bundesbank ging vooralsnog
mokkend akkoord. In het openbaar steunde Pohl dit voorstel van de Bondsregering, al bleef de bank de nadruk
leggen op de mogelijke ongewenste gevolgen en op de
noodzaak de economische hervormingen in de DDR zo
snel mogelijkdoorte voeren11.
Op 23 april ten slotte kwam de Bondsregering met het
definitieve voorstel, waarbij men terdege rekening had
gehouden met de felle kritiek op het voorstel van de
Bundesbank. Uitgangspunt was dat de Wahrungsunion
per 2 juli doorgevoerd zou worden. Daarbij zou gelden
dat:
– lonen en salarissen tegen een koers van 1:1 vastgesteld
zullen worden. Daarbij werd tevens opgemerkt dat compensatie gegeven zou worden voor het wegvallen van
subsidies en voor eventuele prijsaanpassingen;
– voor de pensioenen wordt uitgegaan van betaling in
D-mark van 70% van het laatst verdiende loon in Ostmark. In de meeste gevallen zullen gepensioneerden er
nominaal op vooruit gaan;
– wat betreft de spaartegoeden de koers op 2:1 wordt
gesteld, waarbij per persoon de eerste 4000 Ost-mark
met een koers van 1:1 omgewisseld mag worden12.
Op 2 mei kwamen de beide regeringen tot overeenstemming. In grote lijnen volgde men bovenstaand voorstel, met dien verstande dat het spaarbedrag, dat tegen
een 1:1 koers zou mogen worden omgewisseld, zou varieren naar leeftijd: van 2000 Ost-mark voor kinderen via 4000
voor volwassenen tot 6000 Ost-mark voor diegenen die
ouder zijn dan zestig jaar.

496

De gevolgen voor de DDR
Wat zijn naar verwachting de gevolgen van deze maatregelen voor de DDR-economie? Half april hebben de vijf
Westduitse onderzoeksinstituten weer hun halfjaarlijkse
rapportage over de Duitse economie gepubliceerd, waarin
uitgebreid wordt stilgestaan bij de economische hervormingen in de DDRoen de gevolgen voor de DDR en de
Bondsrepubliek 13

Blootstelling aan concurrentie
De Wahrungsunion opent de poorten van de DDR-economie voor de buitenwereld. Hoe positief dat misschien
ook mag zijn voor de DDR-consument, duidelijk is dat de
concurrentie van ondernemingen uitde Bondsrepubliek en
elders sterk zal toenemen. Dit betekent onvermijdeliik een
verlies aan marktaandeel op de binnenlandse markt . Wil
men op de been blijven, dan is het noodzakelijk met aantrekkelijke produkten op de markt te komen tegen een
concurrerende prijs, om op de thuismarkt maar nu ook op
de wereldmarkt voldoende afzet te kunnen behalen.
Dat zal moeilijk genoeg zijn. Presentatie, vormgeving en
service behoren duidelijk niet tot de beter ontwikkelde
kenmerken van Oosteuropese economieen, ook niet van
de DDR-economie. ‘Made in GDR’ is geen echte aanbeveling. Wat betreft de prijs, gaat het enerzijds om de produktiviteit, anderzijds om de kosten. De verwachting is dat de
introductie van een marktsysteem, in combinatie met een
aangepaste loonstructuur, leidt tot een sprang in de produktiviteit. Daarnaast worden intermediaire leveringen en
investeringen goedkoper, beter, en beter beschikbaar, vanwege de mogelijkheid van importen uit het Westen. Dat
vereist wel dat deze bedrijven voldoende kredietwaardig
zijn. Veel bedrijven hebben momenteel een omvangrijke
schuld, van in totaal 260 mrd Ost-mark, die niet zozeer door
rationeel economisch gedrag maar door politieke besluitvorming is veroorzaakt. Deze situatie brengt de kredietwaardigheid van bedrijven na de totstandkoming van de
Wahrungsunion in gevaar. Gelet op het gegeven dat bedrijven deze schulden met name tegenover de overheid
hebben uitstaan, wordt wel gesuggereerd dat deze schul-

8. Men ging er daarbij van uit dat beide Duitslanden zouden

toewerken naar een confederatieve structuur, zoals die in het
10-punten plan van Kohl, gepresenteerd op 28 november, nader

werd uitgewerkt.
9. Terzijde zij nog opgemerkt dat midden januari de SPD-fractie in
de Bondsdag al een Wahrungsunion had voorgesteld, met een
koers van 5:1 (!). De kritiek was niet mals: minister Waigel noemde
het voorstel ‘halsbrecherisch’ en een ‘gefahrlich und vollig falsches
Signal’. Het kan verkeren (voor beide kanten).

10. Sachverstandigenrat zur Begutachtung der gesamtwirtschaftlichen Entwicklung (1990a), Zur Unterstutzung der Wirtschaftsreform in der DDR: Voraussetzungen und Moglichkeiten, Sondergutachten, 20 januari 1990. Zie ook Sachverstandigenrat zur Begutachtung der gesamtwirtschaftlichen Entwicklung (1990b), Zur

Frage einer Wahrungsunion zwischen der Bundesrepublik
Deutschland und der DDR, 9 februari 1990.
11. Begin april bleek dat de Bundesbank de Bondsregering voorgesteld had om bij de Wahrungsunion een koers aan te houden
van 2:1, waarbij particulieren slechts de eerste 2000 Ost-mark

zouden mogen wisselen tegen een koers van 1:1.
12. Opvallend is wel dat over economische hervormingen niet veel
meer wordt meegedeeld dan dat de DDR-economie door de
invoering van het ‘soziale Marktwirtschaft’-concept snel concurrerend zal worden.
13. Arbeitsgemeinschaft deutscher wirtschaftswissenschaftlicher
Forschungsinstitute, op cit., 1990.
14. Nu reeds zijn dergelijke ontwikkelingen herkenbaar. In verschillende sectoren, landbouw, textiel, schoeisel en elektronica

hopen de voorraden zich op. De consumenten, of de andere
ondernemers in het geval van intermediaire leveringen, kiezen nu
reeds voor produkten van elders of stellen hun consumptie uit tot
dat deze mogelijkheid binnen bereik komt.

den volledig worden afgeschreven. De bedrijven zullen het
geld toch al hard nodig hebben.
Positief voor de DDR-ondernemingen is dat de Europese Commissie goedgekeurd heeft dat de Bondsrepubliek
middelen, die nog afkomstig zijn van de Marshall-hulp,
beschikbaar mag stellen aan de DDR. In de Bondsrepubliek is vanaf het begin de stelregel gevolgd dat mochten
deze investeringen profijt hebben, een gedeelte van de
opbrengst terug zou vloeien15. Deze middelen zijn de
laatste jaren op dezelfde wijze gebruikt om investeringen
in West-Berlijn, in milieutechnologie en in het midden- en
kleinbedrijf te stimuleren.
DDR-bedrijven worden verder ontheven van de verplichting om tamelijk omvangrijke bedragen aan de staat over
te dragen, zoals dat tot dusverre volgens het plan was
vereist. Weliswaar staat daartegenover dat deze bedrijven
nu ook belastingen moeten gaan betalen, en premies voor
de sociale zekerheid, maar dat is waarschijnlijk minder. Ten
slotte geldt dat de produktiestructuur van de DDR, zoals
gezegd sterk georienteerd op autarkie, een te breed scala
aan produkten bevat. Blootstelling aan concurrentie zal
onvermijdelijk tot sanering leiden.
Werkgelegenheid
Wat de exacte gevolgen zijn voor de werkgelegenheid
is moeilijk te voorspellen, maar dat er veel banen verloren
zullen gaan lijkt zonder twijfel16. De schattingen lopen
uiteen tussen 200.000 en enige miljoenen. Volgens schattingen zal 20% van de bedrijven direct de poort moeten
sluiten, zit 50% op de rand en zal slechts 30% in staat zijn
de concurrentie te overleven. Duidelijk is dat er enorme
veranderingen in de inter- en intrasectorale werkgelegenheidsstructuur zullen optreden, met grote verliezen in de
landbouw en industrie en een toeneming in de diensten17.
Ook een terughoudende opstelling van de kant van de
werknemers wat betreft looneisen verandert hier niets
aan. De ontwikkeling van de lonen hangt van een aantal
factoren af. Daarbij hoort zeker de mogelijkheid om in de
Bondsrepubliek een baan te vinden. Waarschijnlijk zal op
korte termijn de vrijheid van Ubersiedler om naar de
Bondsrepubliek te mogen reizen afgebouwd worden (ook
uit vrees dat bij een snel oplopende werkloosheid weer
massale stromen op gang kunnen komen), maar helemaal zeker is dat niet18. Het blijkt dat deze mensen
namelijk heel snel emplooi vinden in de Bondsrepubliek19. Daarnaast zal de omvang van de werkloosheid
in de DDR een matigende invloed hebben. De laatste
factor, die hier genoemd moet worden, is de te verwachten prijsontwikkeling.
Prijsontwikkeling
De ontwikkeling van het prijsindexcijfer is afhankelijk van
de manier waarop de consument de uitgaven verdeelt over
de verschillende categorieen goederen. Onlangs zijn voor
het eerst hierover gegevens openbaar geworden . Het
gemiddelde netto-inkomen in de DDR bedroeg 2.078 Ostmark21. Voor gepensioneerden bedroeg het 729 Qst-mark.
Voeding en genotmiddelen nemen 30% van het budget in
beslag, 10% voor huur en transport. Ter vergelijking, in de
Bondsrepubliek komen deze percentages op 26 respectievelijk 40 uit. Voor kleding komen de percentages voor de
DDR en de Bondsrepubliek uit op 13 en 8, bij duurzame
consumptie goederen op 23 en 9. De verschillen worden
vooral veroorzaakt door de omvangrijke subsidies in de
DDR op levensmiddelen en huur, waartegenover een hoge
prijs staat voor duurzame consumptiegoederen. Hetonderzoek leert tevens dat de DDR-huishoudens over het algemeen even voorzien zijn met koelkast, wasmachine, radio
en TV als in de Bondsrepubliek, maar dat verschillen
optreden bij kleuren-TV’s (50% tegenover 88%), auto’s
(68% “naturlich zum grossten Teil im DDR-typischen Stan-

ESB 30-5-1990

dard” tegenover 91%) en vooral telefoon (17% tegenover
93%).
Wat valt nu te verwachten bij de prijsontwikkeling? Bij de
niet-verhandelbare produkten, reparaties en diensten bij
voorbeeld, zullen de prijzen gelet op de te verwachten
kostenontwikkeling niet veel hoeven te stijgen. Ook de
huren zullen in eerste instantie wel oplopen maar ten
opzichte van de Bondsrepubliek nog vrij laag blijven, ook
weer vanwege de relatief lage lonen. Grote prijsstijgingen
zullen optreden bij agrarische produkten, terwijl bij de
duurzame consumptiegoederen juist sprake zal zijn van
een forse prijsdaling vanwege de toegenomen concurrentie. Het resultaat zal vermoedelijk een lichte prijsstijging
betekenen, maar benadrukt wordt dat de nog vast te stellen
loonhoogte hiervoor van groot belang is.
In de afgelopen maanden is veel te doen geweest over
de dreigende inflatie, die mogelijkerwijs het gevolg zou zijn
van een Wahrungsunion. Eerste berekeningen laten zien
dat dit niet zozeer veroorzaakt wordt door de benodigde
middelen op het moment van in werking treden van de
Wahrungsunion. Het probleem ligt bij de spaartegoeden.
Uitgaande van het overeengekomen akkoord, zullen de
tegoeden op ongeveer DM 70 mrd komen. Als die direct en
volledig gebruikt zullen worden om produkten uitde Bondsrepubliek te kopen, dan kan daarmee de inflatie met ongeveer 3% oplopen. Waarschijnlijk zal de vraag ook voor
produkten uit andere Westerse landen gelden, niet het
gehele spaartegoed zal worden opgenomen, en de introductie van marktconforme rentetarieven zal veel spaarders
er wellicht toe kunnen brengen hun tegoed niet op te
nemen. Ook kan men er toe overgegaan staatsobligaties
uit te geven, eventueel met de mogelijkheid om zo aandelen in staatsondernemingen te verwerven.
Het overheidsbudget
Ten slotte het overheidsbudget. Men verwacht dat de
uitgaven op ongeveer 35% van het BSP zullen uitkomen.
Daarbij is rekening gehouden met de omvang van de
huidige overheidsconsumptie (35% van het budget), overheidsinvesteringen (10%), overdrachtsinkomens (15%),
rente (20%) en subsidies (20%). Bij deze laatste categorie
gaat het met name om subsidies voor de agrarische sector.
Hiertegenover staan inkomsten met een omvang van 25%
van het BSP, uit belastingen (65%), uit projectgebonden
hulp van de Bondsrepubliek voor infrastructuur (15%) en
uitde privatisering van overheidsondernemingen (20%). Al
met al zou het tekort van de overheid daarmee ongeveer
10% van het bsp bedragen. Als dat samengevoegd wordt
met het tekort van de Bondsrepubliek, dan komt dat voor
beide Duitslanden gezamenlijk op ongeveer 2% van het
bsp uit, wat niet onoverkomelijk lijkt.
15. Wellicht is dit een constructie die in Nederland ook meer
navolging zou kunnen krijgen. Toegepast bij de WIR, zou het de

huidige financieringsproblematiek van de overheid zeker verlicht
hebben.
16. Zie bij voorbeeld het lijstje bedrijven/sectoren in de Volkskrant

van 11 mei 1990, waarbij in totaal al 200.000 banen opgeheven
zullen worden.

17. Gerstenberger berekent een werkgelegenheidsverlies tussen
1988 en 1991 van 1,2 tot 1,7 mln. banen. Zie W. Gerstenberger,
Das zukiinftige Produktionspotential der DDR – Ein Versuch zur
Reduzierung der Unsicherheiten, IFO-Schnelldienst, nr. 7/90,
1990, biz. 13-22.
18. In april bedroeg het aantal Ubersiedler nog 23.000 mensen.

Daarnaast kwamen er in dezelfde maand ook nog 30.000 Aussiedler.

19. Eind April bedroeg het aantal werkloze Ubersiedler 114.000,
wat een afneming met 17.000 betekende in de maand april.
20. Zie Amt fur Statistik, Das Einkommen der DDR-Haushalte und
deren Verwendung, Berlijn, april 1990.
21. Per kind loopt het nettp maandinkomen met ongeveer 200
Ost-mark op. Deze forse stijging hangt waarschijnlijk samen met

de politick om de dalende omvang van de bevolking tegen te gaan.

497

Tabel 1. Prognoses voor de Bondsrepubliek d.d. oktober
’89 en april ’90.
1 e halfjaar 1 990
okt. ’89 apr. ’90
BSP (mrd DM)
Idem, groei tov vorig jaar
Werkgel.hd. (proc. stijging)
Werkloosh. (% v. ber.bev.)
Prijsstijging
Betalingsbalans
Financieringssaldo overtieid

1.146
5,5
1
7,8
3
76,5
-9

1.159
6,5
1,5
7,2
3
72
-10

2e halfjaar 1 990
okt. ’89 apr. ’90
1.253
6,5
1
7,8
3
78
-8

1.265
7,5
1,5
7,2
3,5
77,5
-10

Bran: Arbeitsgemeinschaft deutscher wirtschaftswissenschaftlicher Forschungsinstitute, Die Lage der Weltwirtschaft und der westdeutschen
Wirtschaft im Herbst 1989, IFO Wirtschaftskonjunktur, nr. 10/89, 1989, biz.
A1-A24, en Die Lage der Weltwirtschaft und der westdeutschen Wirtschaft
im Friihjahr 1990, IFO Wirtschaftskonjunktur, nr. 4/90, 1990, biz. A1-A25.

Gevolgen voor de Bondsrepubliek
De vijf instituten hebben nagegaan wat de gevolgen van
de Wahrungsunion zijn voor de Bondsrepubliek. In tabel 1
zijn de prognoses voor 1990, als gepubliceerd in oktober
1989, vergeleken met die van april 1990. Daaruit komt naar
voren dat de economische groei ongeveer 1% hoger zal
uitkomen, dat de werkgelegenheid iets sneller stijgt en
daarmee de werkloosheid iets lager uitkomt, dat de inflatie
in de tweede helft van 1990 iets verder oploopt, en dat de
betalingsbalans en net overheidstekort nauwelijks veranderen. Over het algemeen zijn de vooruitzichten onveranderd gunstig te noemen.
Naar de menig van deze instituten zijn de risico’s, die
de Bondsrepubliek loopt bij het proces van Wahrungsunion, overzienbaar. Dat geldt zowel de te verwachten inflatie, waarbij men veronderstelt dat de Bundesbank geen
restrictief monetair beleid zal hoeven door te voeren, als
voor de overheidsbegroting. Men moet in het oog houden
dat de meeste investeringsgelden in de DDR particulier
gefinancierd zullen worden. Alleen voor infrastructuur en
milieu zal de overheid voor een belangrijk deel de investeringen moeten opbrengen. Daarnaast zal de Bondsrepubliek moeten betalen voor de aanvangskosten van
werkloosheid en pensionering in de DDR. Gelet op het
wegvallen van allerlei uitgaven, rechtstreeks aan de
DDR, aan West-Berlijn, aan regie’s tegen de DDR-grens
aan, maar ook aan defensie, mag verwacht worden dat
dit geen al te grote problemen zal geven. Zo dit niet het
geval is, dan ligt het eerder voor de hand bestaande
subsidies in de Bondsrepubliek af te bouwen dan de
belastingen te verhogen.

Conclusie
De verwachtingen voor de Wahrungsunion en voor de
hiermee samenhangende economische integratie lijken op
het eerste gezicht vrij positief, althans voor de Bondsrepubliek en voor andere EG-lidstaten. De extra vraag lijkt
redelijkerwijs door de economie van de Bondsrepubliek
opgevangen te kunnen worden, de geldhoeveelheid lijkt
niet dramatisch toe te nemen evenmin als de inflatie, en
ook het overheidsbudget lijkt nauwelijks belast te worden 2. Op grond hiervan lijken de gevolgen voor andere
landen, waaronder Nederland, gematigd positief. Naar verwachting zal de finale en intermediaire vraag ook voor
Nederland toenemen, terwijl daarnaast de inflatie licht zal
oplopen23. Indirect zou Nederland geconfronteerd kunnen

498

worden met gevolgen via het budget van de Europese
Gemeenschap. Volgens de Europese Commissie komen
de meeste regie’s in de DDR in aanmerking voor enigerlei
vorm van EG-steun. Daarnaast zal invoering van de Europese landbouwpolitiek in de DDR-landbouw, met zijn lage
produktiviteit, niet zonder, financiele, problemen gepaard

gaan24.
Veel meer onzekerheid bestaat er over het lot van de
patient. Hoe zal de DDR-economie het er af brengen?
Duidelijk is dat de onzekerheden erg groot zijn. Die hebben
niet alleen betrekking op de directe gevolgen van de
Wahrungsunion op de concurrentiepositie van de DDR-ondernemingen en daarmee op de werkgelegenheid, op de
investeringsmogelijkheden en produktiviteitsgroei, op de
ontwikkeling van lonen en prijzen, maar ook op de vraag
of, en zo ja hoe, de hervorming van een planmatig ingestelde economie in een sociale markteconomie met succes op
korte termijn gerealiseerd kan worden. Als dat niet lukt, als
nieuwe, noodzakelijke investeringen achterblijven, kan dit
tot ongewenst hoge werkloosheid of even ongewenste
omvangrijke subsidising leiden, met belangrijke repercussies voor de Bondsrepubliek. Dit alles kan niet alleen
economisch, maar vooral sociaal-maatschappelijk tot zeer
ongewenste ontwikkelingen leiden. Het zijn deze effecten
die ook voor het buitenland nog wel eens van groter belang
zouden kunnen zijn dan de economische.

C.W.A.M. van Paridon

22. Onduidelijk is vooralsnog hoe de Bundesbank tegen deze
ontwikkelingen aankijkt, met name of en in welke mate men na 2

juli het eigen instrumentarium zal gebruiken om bepaalde ongewenste ontwikkelingen te neutraliseren.
23. Zie CPB, Gevolgen van de Duitse economische eenwording,
Working Paper nr. 34, Den Haag, 1990, en J.M.L. de Jong, W.W.
Boonstra en E. de Vries, Gevolgen van de Duitse Monetaire Unie,
ESB, 1990, biz. 328-330.

24. Zie European Commission, The Community and German
unification, april 1990, Brussel.

Auteur