Ga direct naar de content

Suriname’s economie en de ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en Suriname

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: oktober 17 1984

Suriname’s economic en de
ontwikkelingssamenwerking tussen
Nederland en Suriname
DRS. M. VAN SCHAAIJK – DRS. J. VAN DER STRAATEN*

De ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en Suriname in de periode 1975-1982 is geen
onverdeeld succes geweest. De omvangrijke Nederlandse hulpstroom heeft maar weinig bijgedragen
tot de beoogde vergroting van de economische weerbaarheid van Suriname. In de praktijk zijn er
substitutie-effecten opgetreden, waarbij de hulpgelden de plaats hebben ingenomen van
binnenlandse besparingen en buitenlands particulier kapitaal en waarbij overheidsactiviteiten in de
plaats kwamen van particuliere investeringen en werkgelegenheid. In dit artikel proberen de auteurs
te komen tot een evaluatie van de ontwikkeling van de Surinaamse economie sinds 1975. Zij maken
daarbij gebruik van recente documenten en statistieken die zij tijdens hun bezoek aan Suriname in
april van dit jaar hebben verzameld. Op dit moment staat het land op de rand van een bankroet. De
deviezenvoorraad, waarop men na de opschorting van de Nederlandse hulp in december 1982 inteerde,
is thans niet meer toereikend voor de financiering van de onderweg zijnde import en nieuwe
leveringen worden niet meer verstrekt tenzij ze vooraf worden betaald. Het proces van economische
neergang dreigt zich sneller te voltrekken dan het proces van democratisering en herstel van de
rechtsorde waaraan de interim-regering in Suriname thans poogt te werken.

Inleiding

Totstandkoming en inhoud van het samenwerkingsverdrag

De ontwikkelingssamenwerking met Suriname is sinds medio
december 1982 onderbroken. Dat vond (om hier niet aan de orde
gestelde redenen) plaats nadat een begin was gemaakt met een
,,herijking” van het ontwikkelingsbeleid in Suriname. Zowel
aan Surinaamse als Nederlandse zijde werd de behoefte tot zo’n
tussentijdse bijstelling gevoeld. Die behoefte is naar onze waarneming daarna slechts toegenomen — aan beide kanten van de
oceaan.
Er is aanleiding om de hulpbetrekkingen met Suriname kritisch te evalueren. Er kunnen zich zodanige wijzigingen voordoen dat aan voorwaarden voor hulphervatting wordt voldaan.
Dan zal zich de behoefte manifesteren aan een weloverwogen,
nieuwe aanpak, maar tevens de noodzaak tot snel handelen omdat de economische nood hoog zal zijn. Vanwege de strijdigheid
tussen een weloverwogen herdefinitie van de hulprelatie en de
dringendheid van de hulphervatting, is voorbereiding van hervatting van de hulp wenselijk. Daarnaast lijkt er tot nu toe nauwelijks sprake te zijn van een macro-economisch georienteerde
evaluatie van de ontwikkelingssamenwerking sinds Suriname’s
onafhankelijkheid in 1975 1). Ook vanuit het oogpunt van de
ontwikkelingswetenschap en -politiek is een evaluatie van belang. Suriname is een van de weinige ontwikkelingslanden die
gedurende geruime tijd financiele hulp hebben ontvangen van
,,macro-economische omvang” 2).
Dit artikel beoogt een aanzet te geven tot een evaluatie van de
ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en Suriname
sinds 1975. Het gaat bovendien in op de ef fecten van de opschorting van de ontwikkelingssamenwerking sinds eind 1982.

Door een samenloop van politieke omstandigheden in Suriname en Nederland in 1973 werd de weg gebaand voor Suriname’s
politiekezelfstandigheid per 25 november 1975 3). Snel nade Surinaamse regeringsverklaring in het voorjaar van 1974 werd een
conferentie van de rijksdelen belegd. In het protocol van deze regeringsconferentie werd besloten tot de instelling van een gemengd Surinaams-Nederlandse commissie voor het opstellen
van een rapport ter voorbereiding van een integraal ontwikke-

1040

* De auteurs hebben in de jaren zeventig in Suriname gewerkt. In april
van dit jaar bezochten zij het land weer voor het verzamelen van informatie. In dit artikel concentreren zij zich op de technisch-economische kant
van het Suriname-vraagstuk. De maatschappelijke aspecten brachten zij
eerder ter sprake in Stuseco, Suriname, ontwikkelingshulp en democratie, “s-Gravenhage, 1981; M. van Schaaijk, Winti wai, lanti pai, Intermediair, 13oktober 1981; J. van der Straaten, M. van Schaaijk en M.P. van
Dijk, Machiavelli in Fort Zeelandia, Derde Weretd, juli 1983, en Stuseco,
Surinaamse problematiek april 1984, ‘s-Gravenhage, 1984.
1) M.u.v. het recente B. Mhango,/4/rf and dependence. The case of Suriname, Paramaribo, 1984.
2) Per hoofd is de hulp het duizendvoudige van die aan de zogenaamde
concentratielanden.
3) Zie Van der Straaten e.a., op. cit., 1983. Hier wordt afgerekend met
de idee van een door Nederland opgelegde onafhankelijkheid.

lingsplan voor Suriname. Het rapport 4) dat in januari 1975 het
daglicht zag, werd echter niet door zo’n integraal ontwikkelingsplan gevolgd.
In de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden

heid) die met ontwikkeling worden nagestreefd. Er wordt gere-

feerd aan eerdere perioden, die eerst kort worden besproken. De

king, d.d. 25 november 1975 (,,het verdrag”) wordt in artikel 2

perioden zijn in de label zo gekozen dan wordt begonnen vanaf
hel tijdstip van Suriname’s inlerne aulonomie (1954). De fascinerende periode van de invesleringen in hel Van Blommensleijnsluwmeer en hel aluminiumcomplex Paranam/Billilon wordl

echter het eerdergenoemde rapport van de gemengde commissie

aparl geloond, lerwijl voorls een scheidslijn wordl gelrokken bij

met bijlagen als uitgangspunt voor de onlwikkelingssamenwer-

hel jaar waarin Suriname geheel onafhankelijk werd (1975).

king tussen beide landen aangewezen 5). De doelstelling van de
overeenkomst is verwoord in het tweede artikel van het verdrag:

1954-1963

en de Republiek Suriname betreffende ontwikkelingssamenwer-

1. vergroting van de economische weerbaarheid van Suriname;

2. vergroting van de werkgelegenheid;
3. verbetering van de levensomstandigheden van de gehele

bevolking;
4. regionale spreiding.
In het Protocol voor procedureregels bij het verdrag wordt
hieraan toegevoegd (artikel 1): ,,BiJ de ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en Suriname zal de doelstelling van ,,selfreliance” centraal staan, waarbij rekening zal worden gehouden
met de in de Overeenkomst betreffende deze samenwerking vervatte uitgangspunten.”
Het verdrag en het Meerjaren-ontwikkelingsprogramma
(MOP) – het rapport van de gemengde commissie wordt gewoonlijk zo genoemd – geven de instrumentering aan. Met name wordt daarbij gedacht aan de middelen ter financiering van
de ontwikkelingsinvesteringen: de eigen (binnenlandse) besparingen van Suriname waren ontoereikend. Het MOP raamde de
behoefte voor een periode van 10-15 jaaropSf. 4.500 mln. In het
verdrag werd daarom een Nederlandse bijdrage overeengekomen, bestaande uit kwijtschelding van de uitstaande schuld
(f. 517 mln.), en hulp tot een bedrag van f. 3.500 mln. (destijds
ca. 60 procent van de eerdergenoemde Sf. 4.500 mln. op basis
van toen geldende koersverhoudingen). De Nederlandse hulp is
niet ge’indexeerd, terwijl de Sf. 4.500 mln. luidt in Surinaamse
guldens van 19746).

Qua groei was de periode tot 1963 wellicht nog de gezondste
uit Suriname’s geschiedenis van de afgelopen derlig jaar. Produklie, werkgelegenheid, investeringen (w.o. de particuliere) na-

men behoorlijk loe. Hel invesleringsklimaal was goed en er kon
ook builenlands kapilaal worden aangelrokken zonder dal daarmee de economie aan het buitenland werd uitgeleverd. De hoogle van de bevolkingsgroei laat zien dal loen nog geen omvangrij-

ke irek naar hel builenland plaatsvond en de bevolking waarschijnlijk verlrouwen had in hel land. Deze periode slaal ook be-

kend als een poliliek slabiele fase, bepaald door de brede basis
van creolen en hindoeslanen waarop toenmalige regeringen rustten. Onder meer door een snelle uitbreiding van hel overheidsap-

paraat nam de consumptie snel loe, sneller dan de produklie. Als
minpunlen kunnen verder gelden de relalief lage marginale kapilaalproduktiviteil en de langzame toename van de arbeidsproduktivileil – de ,,opporlunily cosl” van een lamelijk arbeidsinlensieve ontwikkeling van de economie. Deze periode heeft echter niet model geslaan loen het pad moest worden uilgezel voor
de periode na 1975.

1963-1967

De daaropvolgende periode, die bekend staat als de periode
van de Brokopondo-push, heefl daarenlegen grote invloed ge-

had op het denken van Suriname’s invloedrijke planners (Essed
e.a.) 7). Door hel aanwenden van ‘s lands omvangrijke moge-

lijkheden lol opwekking van goedkope energie (walerkracht)
Evaluatie van de Surinaamse sociaal-economische ontwikkeling
tegen de achtergrond van het verdrag

werd de economie een lift gegeven. In deze jaren kwam de verwerking van bauxiel lot haar derivaten aluinaarde en aluminium

door de builenlandse maatschappijen Billiton (nu Shell) en SuAan de macro-economische evaluatie zijn methodologische

ralco (het Amerikaanse Alcoa-concern) goed op gang.

problemen verbonden. In 1974/1975 werd vooraf geen prognose

Nederland is vaak het verwijt gemaaki dat hel deze ,,venture”

gemaakt van de ontwikkeling bij ,,ongewijzigd beleid”. Ook ex

niet heeft onderkend. Deze projecten werden vooral gefinan-

post laat zich niet gemakkelijk vaststellen wat op het conto komt
van de Nederlandse hulp, en wat voor rekening van endogene

cierd mel parliculier kapitaal. Van Suriname werden vergaande
concessies verlangd om deze lange-termijninveslering in le bed-

ontwikkelingen. De navolgende beschouwing kiest als uitgangspunt de in het MOP en het verdrag neergelegde ontwikkelingsprogrammering. Deze benadering laat zich verder verdedigen

den in garanlies ten aanzien van levering van goedkope energie,

mijnconcessies e.d. (de gehekelde Brokopondo-overeenkomst).

wanneer als referentie de periode van voor de onafhankelijkheid
wordt gebruikt.

Het MOP bevat in het zevende hoofdstuk een interessante discussie over de absorptie- en de groeimogelijkheden van de Surinaamse economie. In het MOP zijn in feite twee scenario’s opge-

nomen: een heeft betrekking op een planperiode van 10 jaar en
eenander(het ..Nederlandse”) een planperiode van 15 jaar. Aan

deze bijzonderheid ligt een verschil van inzicht ten grondslag
m.b.t. de periode waarin het investeringsprogramma van
Sf.4.500 mln. zou kunnen worden geabsorbeerd. Het ,,Surinaamse” scenario ging uit van een ree’le groei (van het bnp tegen
marktprijzen) over de periode 1974-1985 van 10,5 a 11% per
jaar. Per hoofd komt dat bij een geprognosticeerde bevolkingsgroei van 3,6% per jaar op 7 a 7,5%. Dit programmazou alsbelangrijk nevengevolg hebben dat in 1985 de werkloosheid zou
zijn verdwenen. Het ..Nederlandse” scenario pende een groei
van 7,5 a 8% ‘s jaars, of wel 4 a 4,5% per hoofd per jaar, wat

voldoende zou zijn om in een periode van ca. 15 jaar de welvaart
per hoofd te verdubbelen. Gevolg van dit scenario zou wel zijn

dat de arbeidsreserve in 1990 nog ca. 17% van de beroepsbevolking zou belopen.
In label I is een en ander geconfronteerd met de feitelijke ontwikkeling in het verleden, zowel voor als tijdens de verdragsperiode. De label verschaft een mogelijkheid zich een beeld le vor-

men van de ..lechnische kant” van het ontwikkelingsproces en
ten aanzien van de groeidoelstellingen (welvaart, werkgelegenESB 7-11-1984

4) Surinaams-Nederlandse commissie van deskundigen, Programma
voor de sociaal-economische ontwikkeling van Suriname, Paramaribo,
1975; F.E. Essed e.a., De mobilisatie van het eigene, Paramaribo, 1975.
De Surinaamse inbreng is voor een belangrijk deel op het werk van Essed

e.a. gebaseerd.
5) Zie Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 1975, nr. 140.
6) De Nederlandse bijdrage is derhalve feitelijk minder dan 60%. Door
de regering-Chin A Sen (1980-1982) werd deze indexatiekwestie tevergeefs in regeringsoverleg ter discussiegesteld. Ten aanzien van de Neder-

landse bijdrage moge nog de volgende toelichting dienen. Er is sprake
van een basisbedrag van f. 2.700 mln., en van f. 300 mln. op basis van pa-

riteit met Surinaamse bijdragen. Beide posten zijn a fonds perdue. Daarnaast wil Nederland garanties voor leningen verstrekken tot f. 500 mln.
Ten slotte was er nog f. 350 mln. beschikbaar uit hoofde van eerdere Nederlandse toezeggingen (boven de f. 3.500 mln.).

7) , ,De consequente uitvoering van deze ( . . . ) projecten zal ( . . . ) volgens
de berekeningen ( . . . ) de permanente industrialisatie inzetten in de nieu-

we industriegebieden in West-Suriname, hetgeen zal resulteren in de gewenste Big Push die de Surinaamse ontwikkeling zal voeren naar het niveau van de gewenste ECONOMISCHE ZELFSTANDIGHEID.” Slotwoorden memorie van antwoord behandeling van de begroting van het
Ministerie van Opbouw, Paramaribo, 18 december 1970. Zie F.E. Essed
(Minister van Opbouw), Opbouw ’70. Ontwikkelingsstart der zeventiger
jaren!, Paramaribo, 1971.

1041

Hierna zal nog duidelijk worden welke vergaande structuurwij-

Tabel 1. Groei en welvaart a)

ziging deze jaren veroorzaakten; daarop anticiperend kan worden gezegd dat zij een gespleten economic teweegbrachten met
een grote afhankelijkheid en scheefgroei (overheidsinkomsten,
betalingsbalans, loonvorming, monetaire politick). De Brokopondo-investeringen leidden er ook niet toe dat Suriname haar

Rea isaties

1954197419741967197519631962/63 1966/67 1974/75 1981/82 1985 b) 1990 b)

ontwikkeling in een hogere versnelling heeft voortgezet. De mi-

gratie naar Nederland begon op gang te komen. De sterke consumptiegroei viel later weer terug. Voor de werkgelegenheid waren de Brokopondo-investeringen te kapitaalintensief. De werkgelegenheidsgroei nam verder af (na 1967 zelfs nog meer). Nochtans is van de vergrote activiteiten in de bauxiet/aluinaarde/aiu-

Groei
Bruto nationaal produkt
(marktprijzen)
Werkgelegenheid

miniumsector een zekere uitstraling uitgegaan naar andere acti-

– waarvan overheid

viteiten, al werd die voor een belangrijk deel ook weer tenietgedaan door de omvangrijke stroom winsttransfers die er door in
het leven werd geroepen.
De schaduwkanten van de Brokopondo-periode hebben niet
kunnen wegnemen dat nadien in Surinaamse plankringen de gedachte groeide van een herhaling, nu in West-Suriname. Daar,
300 kilometer onbegaanbaar oerwoud van Paramaribo verwijderd, waren voorkomens van het kwalitatief mindere plateaubauxiet aanwezig (Bakhuisgebergte), en mogelijkheden voor
energie-opwekking (Kabalebo). Maar anders dan in het geval
van de Brokopondo-investeringen konden voor deze „venture”
nooit particuliere investeerders worden gei’nteresseerd. Ondanks
dat werd het West-Surinameplan op de tekentafels gezet. Met de
uitvoering moest echter gewacht worden tot na de onafhankelijkheid 8).

procentuele mutaties per jaar

– marksector
Arbeidsproduktiviteit
Bruto investeringen

– waarvan overheid
– particulier

5,0
4,3
8,8
3,4
0,7
8,1
5,5
8,9

De periode tot de onafhankelijkheid kenmerkt zich door een
de sociale en politieke instabiliteit en een snel aanzwellende mi-

gratie naar Nederland. Het bestuurlijke absorptievermogen
voor ontwikkelingshulp uit Nederland en de ,,bauxietlevy” (daterend van 1974) laat te wensen over 9). Het klimaat voor particuliere investeringen verslechtert (een hoge particuliere investeringsactiviteit aan de vooravond van de onafhankelijkheid flat-

teert de cijfers over de investeringsgroei). De werkgelegenheid in
de marktsector nam af. Toch kan al met al nog van een redelijk
algemeen beeld worden gesproken (arbeids- en kapitaalproduktiviteit, met, evenwel, een duidelijke wissel getrokken op de
werkgelegenheidsgroei). Het onafhankelijkheidsjaar 1975 doet

de groeicijfers er wat roziger uitzien dan het structurele beeld.

1975-1982
Met voortvarendheid is overheidsgeld vooral in West-Surina-

me gepompt, waarbij veel buitenlandse produktiecapaciteit
werd ingezet (aannemingsmaatschappijen, adviesbureaus en
deskundigen, gastarbeid uit het buurland Guyana). Ondanks
een aanzienlijke verhoging van de ontwikkelingshulp (qua volume bijna een verdubbeling) treden allerlei ,,perverse” effecten
op. En dan te bedenken dat de verdubbeling in feite een vervijfvoudiging had moeten zijn volgens de tienjaarsvariant van Essed
c.s. Een oorzaak, die hierna nog aan de orde komt, was overigens ook de marktontwikkeling in de bauxietsector.
De economische groei valt op een historisch laagtepunt terug.
De werkgelegenheidsgroei blijft ver bij de taakstelling ten achter, en is een vrijwel volledige overheidsaangelegenheid (en

bouw). Het investeringsvolume daalt met forse schreden vanaf

4,9
2,5
1,8
1,2
6,0
3,9
0,7
1,2 – 0,6
0,7
11,8
3,7
10,2
6,2 – 5,6
6,3
8,2
7,8
– 0,9 12,4 -13,0
13,8
2,0
4,9

10
4,5

7

5,5
18

3,5
9,5

33

25

4

4

3,5

niveaus (gemiddeld)
Bruto-investeringsquote

Marginale kapitaalcoefficient
Particulier investerings-

36
7,3

45

3,3

25
5,1

11,2

69
7,3

5,9

7,0

10,5

quote van het bnp (mp)
Nederlandse hulpquote

6,2
100

19,8
81

1,0
80

– 2,3
97

82

73

27

aandeet
Ontwikkelingshulp als
quote van het bnp (mp)
Alternatieve financiering
investeringsuitgaven als

1967-1975

redelijke doch niet te snelle groei. Er is sprake van een toenemen-

Meerjarenplan
,,Suri- ,,Nedernaams” lands”

60

procentuele mutaties per jaar

Welvaan
Bruto nationaal produkt

(mp) per hoofd
Particuliere consumptie

0,4
6,3

Idem, per hoofd
Overheidsconsumptie
Kosten van levensonderhoud

Bevolking

4,3
3,3

7,9

11,4
15,5
13,1
7,6

2,1
4,6

2,9
2,4

5,5
0,6

1,7

2,7

0,8

2,7
7,9
8,1
2,8
9,8
– 0,2

6,4

3,4

3,6

3,6

niveaus (gemiddeld)
Consumptiequote

77

81

72

83

Bronnen: W. de Rooy en M. van Schaaijk, Economische ontwikkeling van Suriname, Paramaribo, 1984, en Supplement, 1984; Surinaams-Nederlandse commissie
van deskundigen, Programma voor de sociaal-economische ontwikkeling van Suriname, Paramaribo, 1975.
a) M.u.v. de gegevens m.b.t. werkgelegenheid, bevolking en kosten van levensonderhoud is steeds gerekend met gedefleerde grootheden.
b) De laatste twee kolommen betreffen resp. de ..Surinaamse” en de ,,Nederlandse’ ‘ varianten uit het rapport van de Surinaamse-Nederlandse commissie van

deskundigen.

8) ,,De beruchte spoorlijn in West-Suriname was destijds, op straffe van
het laten springen van de onderhandelingen, bedongen bij de overeen-

komst met Nederlandse geldverschaffers; de toenmalige minister van
Ontwikkelingssamenwerking Pronk (…): De Surinaamse regering had
al eenzijdig beslist dat de aanbesteding kon plaatsvinden. Zij wist dat ik

er zeer huiverig tegenover stond. Daarna kwam ze de hand ophouden.
Het was de eerste beslissing die Nederland ten opzichte van het onafhankelijke Suriname moest nemen in januari 1976. ( . . . ) Nederland kon zich
niet permitteren het project te stoppen. Dat was politiek niet mogelijk.”
R. Kagie, Een geviezen wingewesl, Bussum, 1980, biz. 142/143.
9) In IBA (International Bauxite Association)-verband was in die jaren

een opleving rond 1975 tot, wat de particuliere investeringen be-

met bauxietmaatschappijen met succes onderhandeld over grotere af-

treft, een dieptepunt zoals dat in twee decennia slechts in een jaar

latere jaren echter weer snel af door de wereldconjunctuur, de gebrekkige

eerder was voorgekomen (1970, na een sociaal en politiek onrustig jaar). Kapitaalrendement en arbeidsproduktiviteitsont-

wikkeling bereiken historische minima. Er is een exodus van geschoolde maar gedesillusioneerde arbeid naar Nederland.
Slechts de consumptie neemt een huizenhoge vlucht, waarvan
hierna zal blijken dat daar niet iedereen deel in had. De consumptiequote loopt op tot 93% in 1982. De Nederlandse hulpquote stijgt weer tot 97% 10).
De omvangrijke vergroting van de Nederlandse hulpstroom is

gepaard gegaan met een sterke dating van de binnenlandse
besparingen en de particuliere investeringen (substitutie). De
1042

drachten aan de aangesloten landen. De ,,meeropbrengsten” namen in
cohesie in de IBA, en outsiders. In Suriname werden de meeropbrengsten

consumptief aangewend.
10) Dit terwijl (zie MOP en De mobilise/tie van het eigene) was uitgegaan
van een belangrijk aandeel van cofinanciers als Wereldbank e.d. Mhango
toontaan,,.. .that the availability of a large amount of aid embodied in
the aid agreement has effectively put pressure off (curs, van ons) the political leadership to take firm steps towards restructuring the Surinamese

economy…” (op. cit., biz. 24). Mhango komt tot deconclusie:,,If aid is
to yield its well desired effects on development ( . . . ) both the donor and
the recipient should view it as a supplement rather than a substitute to
domestic recipient resources (both human and physical).” (op. cit., biz.
159).

Het aandeel van de mijnbouw (bauxiet c.a.) is wel sterk ge-

hulpquote vertoont zelfs een excedent boven het nationale
spaartekort, hetgeen macro-economisch een deels consumptieve

daald in de produktie, en, wat minder sterk tot 1982, in de werkgelegenheid. Na 1982 heeft een aanzienlijke arbeidsuitstoot

aanwending impliceert. Een geserreerde beoordeling van de ho-

ge kapitaalcoefficient zou kiinnen neerkomen op de erkenning

plaatsgevonden, die voor een deel is opgevangen in een gecreeer-

dat gedane investeringen een lange bouwtijd (,,gestation pe-

de arbeidsreserve en voor een ander deel door afkoop van arbeidsovereenkomsten(z.g. ,,vrijwilligeafvloeiing”). Dewereld-

riod”) zouden hebben. Maar nicer met de realiteit in overeenstemming lijkt te zijn dat zij voor een deel op zeer inefficiente
wijze zijn verricht, dan wel nauwelijks een capaciteitseffect (zullen) hebben vanwege hun aard of ontwikkelingsideologische
koerswijzigingen (in West-Suriname is de ontwikkeling stilgelegd).
Substitutie-effecten zijn onmiskenbaar aanwezig: Nederlandse hulp trad in de plaats van binnenlandse besparingen en van
particulier buitenlands kapitaal, overheidsactiviteiten kwamen
in de plaats van particulier initiatief (investeringen, werkgelegenheid). Het niet-indexeren van de Nederlandse hulp en de
open-eindregeling in het verdrag (Art. 15: ,,Het Koninkrijk de
Nederlanden verklaart zich bereid ook na de voltooii’ng van het
Surinaamse meerjarenontwikkelingsprogramma de Republiek
Suriname ontwikkelingshulp te verlenen”) heeft geleid tot bestedingskoorts (c.q. -dwang) en tekortschietend besef dat met
schaarse middelen wordt gewerkt. Dat het ook anders kan blijkt
uit de ontwikkelingsactiviteiten na de opschorting van de Nederlandse hulp.
Ten aanzien van de groeidoelstellingen (welvaart, werk) moet
worden geconcludeerd:
– de verhoging van de produktie die tot een verbetering van de
levensomstandigheden had moeten leiden heeft (vooralsnog)
teleurgesteld. Uit het inkomen is wel een steeds groter aandeel geconsumeerd, hetgeen ten koste is gegaan van rendabele uitbreidingsinvesteringen die nodig zijn voor de toekomstige welvaartsgroei;
– de werkgelegenheidsgroei is eveneens zeer tegengevallen,
m.n. voor zover het permanente arbeidsplaatsen in de marktsector betreft. De uitbreiding van de werkgelegenheid in het
toch al overmatig grote overheidsapparaat heeft de MOPcijfers voor 1985/1990 al ver overschreden.

marktsituatie speelt een rol. De uitputting van de bedrijfseconomisch exploiteerbare bauxietvoorraden is volgens ramingen

slechts een kwestie van 1 a 2 decennia, waarbij uiteraard ook de
politieke en sociale stabiliteit in Suriname een rol zullen spelen.
Hoe conjunctureel bepaald het cijfer betreffende de bauxietproduktie voor 1982 ook moge zijn, een dergelijke produktie het is

te eniger tijd een Surinaamse structurele realiteit, en waarschijnlijk op een nog aanzienlijk lager niveau.
Produktie en werkgelegenheid in de nijverheid zijn verhou-

dingsgewijs toegenomen; hiervoor is vrijwel uitsluitend de
bouwnijverheid verantwoordelijk. De kleine markt, het liberate

importbeleid (tot medio 1983), het gebrek aan eigen deskundigheid op het gebied van exportmarketing, gebrek aan technisch
geschoold personeel, organisatievermogen en investeringsklimaat zijn factoren die de industriele ontwikkeling in de weg hebben gestaan. Overheidsinvesteringen die aanhaakten bij particulier initiatief hebben niet of nauwelijks plaatsgevonden. Het
MOP voorzag op dit punt overigens ook nauwelijks expansiemogelijkheden, waarbij moet worden aangetekend dat wel een
agro- en houtindustrie is gei’mpliceerd in de cijfers voor de agrarische sector en de bosbouw.

In de commerciele dienstensector, waaronder de belangrijke
(import)handelssector, vond wel expansie plaats, waardoor het
produktiebelang aanmerkelijk toenam. Het werkgelegenheids-

aandeel nam echter af, hetgeen wijst op een rationalisatie (de-informalisering). De consumptieve ontwikkeling van de economic
heeft tot een groter produktie-aandeel geleid dan werd aangenomen (gehoopt?) in het MOP.

De overheidssector groeide onstuimig, vooral qua werkgelegenheid. Het behoudende loonbeleid, eerder organisatorisch
dan budgettair bepaald, is verantwoordelijk voor deze uiteenlopende ontwikkeling. Bovendien werd de top van de pyramide afgeroomd door het bedrijfsleven en door migratie, terwijl de basis verbreedde door ontwikkelingsactiviteiten en effecten van het
heersende client-systeem.
Tabel 3 biedt inzicht in de ontwikkeling van de (confrontatie
van middelen en) bestedingen.
De met het oog op de toekomst uitzonderlijk sterk gestegen
particuliere consumptie (de overheidsconsumptie werd geremd
door het eerdergenoemde effect van arbeidsvoorwaardenbeleid
en kwalitatieve verarming van het ambtelijk apparaat) heeft een

Ten aanzien van de zelfweerbaarheids- en spreidingsdoestellingen wordt in een aantal tabellen additionele informatie aangedragen. In tabel 2 worden gegevens verschaft over de ontwikkeling van de economische structuur (produktie en werkgelegen-

heid), die van voorname betekenis is voor de zelfweerbaarheid.
In de agrarische sector en de bosbouw is de, voor een met rijke
natuurlijke hulpbronnen begiftigd land, negatieve (!) trend van
een afnemend belang niet omgebogen, ondanks de bedoelingen
neergelegd in MOP en verdrag.

Tabel 2. Zelfweerbaarheid: de economische structuur
Realisaties
1954

1963

1967

Meerjarenplan
,,Surinaams” ,,Nederlands”
1975

1982

1985

1990

11
12

24
23
19
25

23
22

in procentuele aandelen
Produktiestructuur

Landbouw, veeteelt, visserij, bosbouw en houtverwerking

18

14

Mijnbouw en bauxietverwerking
Nijverheid (incl. bouw en openbaar nutsbedrijven)

32
9
23
82
18

28

1953

Commerciele dienstverlening
Subtotaal marktseclor
Overheid

11
24
11

31
81
19

10
35
11
29
86
14

78
22

90

89

24

10

11

1964

1968

1975

1982

1985

1990

19

17

5
11

35
6
12
8
20
81
19

33

8
12
5
25
68
32

9

33

16
37
76

19

25

in procentuele aandelen

Werkgelegenheidsstructuur

Landbouw, veeteelt, visserij, bosbouw en houtverwerking
Mijnbouw en bauxietverwerking
Nijverheid (inclusief openbaar nuisbedrijven)
Bouwnijverheid

Commerciele dienstverlening
Subtotaal marktsector
Overheid

56
5
}’«

9

87

13

35
7

10
3
24
79
21

30
8
14
5
20
77

23

6

24
63
37

6
13
8
20
80
20

Bron: zie tabel 1.

ESB 7-11-1984

1043

steeds groter beslag gelegd op de middelen. Dit lijkt met name
ten koste te zijn gegaan van de particuliere investeringen, die bij
lange niet werden gecompenseerd door de (weinig rendabele)
overheidsinvesteringen.

lijke markt (Caricom) heeft niet plaatsgevonden; het is gebleven
bij de waarnemersstatus sinds 1973. De afzet in het Caraibisch
gebied is zeer beperkt gebleven, terwijl daar een markt aanwezig
lijkt voor hout(produkten), agrarische en industriele produkten.

danks teruglopende repatriering van factorinkomens uit de bau-

De geografische spreiding van de uitvoer is wel verbeterd, maar
tegen de achtergrond van de concentratie van de export in buitenlandse handen kan dit nauwelijks een eigen inspanning worden genoemd.
De goedereninvoer vertoont het verwachte beeld van een
scherp gedaald aandeel van de kapitaalgoedereninvoer, en een
gestegen quote van de consumptiegoederenimport. Het aandeel
van de invoer van koolwaterstoffen is gestegen; naast de prijs-

xiet c.a., toegenomen inkomsten uit in het buitenland belegde
deviezen (Suriname was gedurende de jaren 1975-1982 in zekere

ontwikkeling is hier waarschijnlijk ook het toegenomen consumptief gebruik voor verantwoordelijk.

De exportquote nam aanzienlijk af. De export is voor een
overwegend deel in buitenlandse handen (zie hierna); activiteiten
om deze door eigen inspanning te diversificeren en op te voeren
hebben geen zichtbaar resultaat gehad. De invoer nam als quote

van het bnp eveneens af, o.a. door het teruglopen van de invoer
van kapitaalgoederen. Het saldo op de goederen- en dienstenbalans en op de lopende rekening verslechterde; het laatste on-

zin een crediteurenland!), en de toegenomen ontwikkelingshulp
11).
Grosso modo gaf de periode 1967-1975 bij een aanzienlijk lager hulpniveau een betere ontwikkeling der bestedingen te zien
dan de periode 1975-1982. De wereldconjunctuur is daar mede
voor verantwoordelijk, maar nochtans lijkt een beleid ter beteugeling van consumptie en opvoering van (particuliere) investeringen en export te hebben ontbroken. Vooral het investeringsklimaat lijkt aanzienlijk te zijn verslechterd.

1963

1967

1975

1982

in procentuele aandelen
Consumptie gezinnen
Consumptie overheid

48
20

Consumptie totaal

24

53
15

78

68

76

76

68

93

Investeringen bedrijven
Investeringen overheid

20
8

27
8

16
7

29
8

10
12

Investeringen totaal

28

35

22

37

21

Export
Invoer

52
48

43
53

51
49

62
68

43
56

4

– 10

Saldo goederen- en dienstenbalans

– 6

7

16

13

9a) –

I3a)

Saldo lopende rekening

Bruto nationaal produkt mp

100
(125)

100

100

(245)

(445)

100
(925)

100
(2.110)

– 8

– 12

(in Sf., lopende prijzen)

1

– 21

Saldo factorinkomens naar het

buitenland
Ontwikkelingshulp

3

7

9
5

3

1

Ook de omvang van de buitenlandse investeringen in Suriname bepalen de zelfweerbaarheid van het land. In 1974 was ca.
handen, gemeten aan grootheden als toegevoegde waarde en

loonsom. Het aandeel van Nederland daarin was een kwart. Suriname werd door Nederland (art. 14 van het verdrag) in staat
gesteld investeringen (niet uitsluitend Nederlandse) te Surinamiseren 12). Gelet op de omvang van de verdragshulp had het land
zeker mogelijkheden gehad om wat meer invloed te verwerven.

Door andere ontwikkelingen is overigens, gemeten naar arbeidsplaatsen, tweederde van het Nederlands belang in Surinaamse
handen gekomen (Marienburg, Stichting Machinale Landbouw,
OGEM, Bruynzeel) o.a. door schenking of faillissement van de
Nederlandse moedermaatschappij. Daartegenover is de Nederlandse invloed via bedrijven die in de zakelijke dienstverlening
opereren wel op een hoog peil gebleven (adviesbureaus e.d.).

Ten aanzien van de zelfweerbaarheid moet dan verder worden
geconcludeerd:
• dat de economische structuur niet is verbeterd door diversificatie en met name ontwikkeling van stuwende economische
activiteiten in de primaire en secundaire sector. Door conjuncturele oorzaken (en mogelijk ook politieke en sociale
spanningen) is wel het overwegende belang van de bauxiet-

7

8

Bron: zie label 1.
a) Kasbasis; andere jaren transactiebasis.

Een ander aspect van de zelfweerbaarheid betreft de structuur
van de buitenlandse handel. In de concentratie van de export 85-90 procent van de export is beperkt tot een drietal goederencategorieen – is (vooralsnog) slechts een negatieve tendens te

bespeuren. De export van hout(produkten), qua spreiding over
ondernemingen nog het gezondst, is van het derde plan verdrongen door buitenlandse activiteiten in de visserij (garnalen). On-

danks de negatieve ontwikkelingen in de bauxiet c.a. is het overwegende belang daarvan voor de uitvoer gebleven (twee buitenlandse maatschappijen). De rijstexport daarentegen is een aangelegenheid van een beperkt aantal autochtone exporteurs. In
het instabiele politieke en sociale klimaat van het moment kan
gerust worden gesteld dat Suriname’s exportinkomsten aan een
zijden draad hangen, terwijl zij bijna de helft van ‘s-lands produktie vertegenwoordigen. Eigen exportactiviteit en exportknow-how is vrijwel afwezig, en voor zover op eigen kracht
(m.n. hout) exportpogingen worden ondernomen zijn regelmatig mislukkingen voorgekomen (dwarsliggertransacties met Venezuela, Cuba) waardoor de handelsbetrekkingen schade hebben opgelopen. Toetreding tot de Cara’ibische gemeenschappe1044

stroom van middelen heeft Suriname zelfs in staat gesteld deviezen in het buitenland te beleggen (zie volgende paragraaf). In
1981 en 1982 waren de inkomsten daaruit zelfs groter dan de gerepatrieerde winsten van de buitenlandse bedrijven in Suriname.
In dit opzicht heeft het Nederlandse beleid dus duidelijk bijgedragen aan de zelfweerbaarheid van het land. De intering op de

tweederde van het bedrijfsleven in Suriname in buitenlandse

56
20

51

kwijtschelding van de schuld aan Nederland in 1975 (f. 517 mln.)
heeft Suriname vrijwel schuldenvrij op weg geholpen. De ruime

deviezenvoorraad na de opschorting van het verdrag heeft daarin inmiddels drastisch verandering gebracht.

Tabel 3. Zelfweerbaarheid: ontwikkeling van de bestedingen
1954

Aan voorgaande beschouwing van de (ontwikkeling van de)
zelfweerbaarheid kan nog het volgende worden toegevoegd. De

sector teruggelopen;
• dat de ontwikkeling van de bestedingen (teruglopend aandeel
van de particuliere investeringen en de export) de zelfweerbaarheid (ook in de toekomst) schade heeft toegebracht;
• dat de ontwikkeling van de structuur van de buitenlandse
handel eveneens nadelig is geweest voor de zelfweerbaarheid
door een grotere concentratie van de uitvoer in buitenlandse
handen, uitgebleven intensivering van de handelsbetrekkingen met de omliggende Cara’ibische landen en verhoogde
consumptieve invoer ten koste van de invoer van kapitaalgoederen;
• dat de schuldverhouding tot het buitenland tot de hulpopschorting heeft geleid en dank zij de kwijtschelding van
schuld door Nederland in 1975 een bijdrage heeft geleverd
aan ‘s-lands zelfweerbaarheid. Daarin is echter (drastisch)

11) Wat betreft de ontwikkelingshulp het gedeelte dat is gebruikt voor

lopende uitgaven van de overheid.
12) In 1974 bedroeg het geinvesteerde vermogen van Nederlandse bedrij-

ven in Suriname f. 164 mln., d.i. ca. 5 procent van de verdragshulp, en
een kwart van het destijds in Suriname geinvesteerde buitenlands vermogen. Dit kwart was derhalve vrij eenvoudig te nationaliseren geweest. Al-

gemeen Bureau voor de Statistiek (Suriname), Balansen van de nationals
economic, Paramaribo, 1975.

verandering gekomen door het dalen van de deviezenvoorra-

den in 1983 en 1984;
• dat van de mogelijkheid tot het verminderen van het belang
van buitenlandse particuliere investeringen, ter vergroting

van de zelfweerbaarheid, geen gebruik is gemaakt. De Nederlandse particuliere investeringen zijn echter door andere

beidsmarkt heeft ontmoet waardoor buitenlandse arbeid
(met name voor de bouw) werd geworven en de bouwsector
„wage-leader” lijkt te zijn geworden;

• dat indicatoren voor de regionale spreiding ontbreken. Voor
zover de bevolkingsspreiding maatstaf kan zijn lijkt de regionale spreiding minder evenwichtig te zijn geworden.

oorzaken in belang afgenomen.

Rest nog een beschouwing van de spreidingsdoelstellingen
(welvaartsspreiding en regionalespreiding).
De gemiddelde loonvoet is in de periode 1975-1982 met 10,5
procent per jaar gestegen. De ree’le loonvoet steeg met 3,2 procent per jaar (2,5 procentpunten meer dan de arbeidsproduktiviteit). De loonstijging in de mijnbouw, de bouw en de overheidssector is met name interessant. Anders dan in het verleden is niet
langer de bauxietsector, qua loonstijging,,,wage-leader”, maar
de bouw. De afzetproblematiek in de bauxiet werd eerder genoemd (en wordt in label 4 verder gedemonstreerd). Wel blijven
de arbeidsvoorwaarden in de bauxiet (en de zakelijke dienslverlening) uitzonderlijk goed. De uitstraling daarvan (op de international concurrentiepositie; ook op andere export) is nadelig.
De verhoogde activiteit in de ontwikkelingsinvesteringen van de
overheid is o.a. gepaard gegaan met een omvangrijke immigratie
van vaklieden uit de regio (vooral Guyana en Haiti), een
Midden-Oostenachtig fenomeen betaald uit ,,hulpguldens”
i.p.v. ,,oliedollars”. De ontwikkeling van de overheidslonen is
net voldoende geweest om de inflatie bij te benen, zoals ook in
het verleden het geval was (zie hiervoor).
Interessant is voorts dat – wanneer wordt aangenomen dat
het aantal zelfstandigen en loontrekkers even snel is gegroeid —
de ree’le loonsom met 5 procent per jaar zou zijn toegenomen, bij
een groei van de particuliere consumptie van (reeel) ca. 8 procent
per jaar. De consumptie uit het overig inkomen zou dan zeer
sterk moeten zijn toegenomen, hetgeen rijmt met de eerder
besproken sterk gedaalde particuliere investeringsactiviteit. Het

wijst bovendien op een toegenomen inkomensongelijkheid, hetgeen door aanvullende gegevens over de inkomensverdeling 13)
wordt bevestigd. Van een betere welvaartsspreiding is dus geen
sprake geweest. De – soms puissante — rijkdom die het inkomensbeleid in Suriname mogelijk heeft gemaakt, terwijl onderaan de inkomensladder blijvend armoede werd geleden, verklaart mogelijk ook dat het aanhalen van de buikriem na ultimo
1982 aanvankelijk zonder veel problemen kon worden opgevangen.
Informatie over de regionale spreiding is vrijwel niet voorhanden, hetgeen uiteraard bevreemding wekt indien wel een doelstelling ten aanzien van de regionale spreiding is opgenomen.
Gegevens over de geografische spreiding van ontwikkelingsinvesteringen zijn wel beschikbaar, maar o.i. weinigzeggend. De
monitoring van het meerjarenontwikkelingsprogramma is in algemeenheid meer een oefening in praktisch boekhouden geweest. Daarbij is wel het een en ander bekend geworden over de
inputs (instrumenteninzet), doch nauwelijks iets over de outputs
(bereikleonlwikkelingsresullalen).
Graadmeter voor de regionale spreiding zou de regionale bevolkingsontwikkeling kunnen zijn. Hoewel regionale bevolkingsgegevens voor 1971 en 1980 beschikbaar zijn, leidt nadere
analyse tot de conclusie dat de onderlinge vergelijkbaarheid te
wensen over laat. Wij volstaan met de vaststelling dat de trek uit
de traditionele expulsiegebieden (Coronie, Saramacca, Commewijne en Marowijne) lijkt te zijn voortgegaan. De toegenomen
welvaart uit zich denkelijk in suburbanisatie vanuit Paramaribo
naar het omliggende district Suriname. Door ontwikkelingsactiviteiten in het district Nickerie werd de bevolking daar redelijk
vastgehouden (m.n. rijstprojecten). De emigratie naar Nederland lijkt het best zichtbaar in een omvangrijke bevolkingslerugloop van (de hoofdstad) Paramaribo. Tot november 1980 was
nog een z.g. toescheidingsovereenkomst (,,weifelperiode”) van
kracht, die migratie naar Nederland mogelijk maakte.
Ten aanzien van de spreidingsdoelstellingen (welvaart, geografische spreiding) moet worden geconcludeerd:
• dat de welvaartsspreiding niet beter, maar slechter is geworden. Uit het sterk toegenomen kapitaalinkomen werd meer
en meer geconsumeerd;
• dat de toegenomen ontwikkelingsactiviteit fricties op de arESB 7-11-1984

Bovenstaande conclusies overziende kan geen andere algemene conclusie worden getrokken dan dat het effect van de verhoogde hulpstroom naar Suriname zeer beperkt is gebleven, terwijl op essenlie’le onderdelen zelfs perverse resultaten zijn verkregen. Onzes inziens is derhalve een ingrijpend andere aanpak
van de ontwikkelingssamenwerking, wanneer deze op gang kan

komen, dringend gewenst.
De macro-economische problematiek sinds begin 1983

Sedert het voorjaar van 1982 (na het aftreden van de regeringChin A Sen) is er geen overleg tussen Nederland en Suriname geweest over nieuwe projecten. Dat heeft voor dat jaar echter geen
gevolgen gehad voor de Nederlandse financiering van lopende

projecten. In 1982 werd zelfs een recordbedrag overgemaakt (zie
label 4).
In december 1982 waren gebeurtenissen in Suriname aanlei-

ding voor Nederland de financiering van lopende projeclen op te
schorten. Daardoor namen de deviezeninkomsten slerk af (ca.

Sf. 190 mln. op jaarbasis). Parallel hieraan daalden de exporlinkomslen uil de bauxiel c.a. fors: er werd in 1983 voor Sf. 250
mln. minder uilgevoerd dan in hel lopjaar 1980. De Surinaamse
overheid heeft deze problemaliek maar in beperkle male mel
adequale maalregelen beanlwoord. In kringen van de regeringAlibux (per 1 mei 1983 aangelreden) werd aangenomen dal Nederland zijn beslissing ongedaan zou (moelen) maken. Er werd
ingeteerd op de deviezenvoorraad. Die nam in 1983 mel Sf. 230
mln. af. Door middel van prijscontrole en ontslagverboden werden de reserves van hel bedrijfsleven aangesproken. Een aanlal
grole projeclen (volkswoningbouw, landbouwprojecten) werd
voortgezet. Het regeringsprogramma van Alibux c.s. voorzag in

hoog blijvende overheidsuitgaven, die in hel najaar door voornemens lot belastingmaatregelen werden gevolgd. Dit leidde tol
een slaking van de ,,sterkste schouders”: de bauxietarbeiders,
en vervolgens lot het heengaan van deze regering.

Financiering van overheidsuilgaven uil builenlandse hulp of
uit de deviezenvoorraad heeft dezelfde monetaire effeclen; de
toeneming van de geldhoeveelheid was derhalve bescheiden. De
prijsstijging was mede door de effectieve appreciatie van de Surinaamse gulden (gekoppeld aan de Amerikaanse dollar) eveneens
beperkl (5% op jaarbasis). Dil beleid kon lol april 1984 worden

volgehouden. Toen was de vermindering van de deviezenvoorraad zover voorlgeschreden dat de omvang niel veel meer was
dan de uilslaande geconfirmeerde accredilieven: de onderweg
zijnde invoer. De inkomsten uit in het builenland belegde devie-

zen waren inmiddels ook weggevallen.
Dal belekende de noodzaak om de import op enigerlei wijze le
beperken, lenzij builenlandse financie’le sleun zou kunnen worden verkregen. Hoewel Suriname in principe beperkle onvoorwaardelijke sleun van hel IMF zou kunnen claimen (vanwege de

,,short-fall” van de deviezeninkomsten uil de bauxiel) bleek dil
feiielijk geen uilweg. Gelel op Suriname’s reputatie bij hel IMF
slelde hel fonds weinig verlrouwen in de wel noodzakelijke be-

reidheidsverklaring maalregelen le zullen ireffen. Aangezien
van december 1982 lol april 1984 23% van de invoer was gefinancierd uil de inlering op deviezen, werd hel noodzakelijk de
invoer mel dal percenlage le beperken. Bezuinigingen en belaslingverzwaringen, zoals verhoging van invoerrechlen zijn
daarvoor nodig, lerwijl op lermijn een devaluatie onvermijde-

lijk is.

13) J. Moerland, Landendocumentatie Suriname, KIT, 1984, laat zien

dat in de periode 1968-1980 in de inkomensverdeling van huishoudens het
aandeel van het hoogste deciel in het totaal van de inkomens toenam van
21,3 tot 31,0%.

1045

Tabel 4. Financiele kerngegevens ter adstructie van de problematiek sinds de Nederlandse hulpopschorting, in mln. Sf. in lopende

prijzen
1977

1976

Export mijnbouwprodukten

Nederlandse hulp
Goud- en deviezenvoorraad (jaarultimo) a)

420
127
243

494

17
80
– 63

1978

1979

1980

1981

741
118
383

674
175

278

609
133
331

14
63
– 49

24
90
– 66

45
69
– 24

1982

143

551
142

211

12
68
– 56

1983

412

589
189
335

491
0
163

63
35
28

63
46
17

– 18

Kapitaalopbrengsten
ontvangsten b)

uitgaven c)
saldo
Wisselkoers d)
NfvoorSf
Geldhoeveelheid

1,38
198

1,28
219

1,10
246

1,06

1,19
294

274

28 •,
47 i

l,72e)

1,36
358

1,47
421

46
100

45

45

g)

199

444

g)

455

Overheidsschuld

buitenland
binnenland

10
28

f)

9
29

47
24

49
51

53

71

Mutaties in mln. Sf. per kwartaal
1984

1983
1

Krediet aan overheid
Geldhoeveelheid

Deviezenvoorraad

103
16
– 54

2
92
4

85

4

3

– 61

5

– 63

j)

1

2

3

64
1

67

52

85
55
– 30

– 52

6

– 56

27
– 17

Bron: zie label 1.

e) Oktober 1984 f. 1,96.

a) Goud gewaardeerd tegen boekwaarde.

h)
i)
h)

0 Voor schuldkwijtschelding Nederland (1975) Sf. 308 mln.
g) September 1983.

b) Voornamelijk inkomsten uit belegging van deviezen.
c) Voornamelijk winst van buitenlandse bedrijven in Suriname (voor aftrek herinvesteringen in Suriname).

d) De koers van deSf. t.o.v. de$ was steeds $1 = Sf. 1,789.

h) Berekend op basis van gegevens van de Centrale Bank van Suriname en ramingen
betreffende de algemene banken.
i) Raming op basis van toenemend krediet aan overheid minus afvloeiing deviezen.

j) Gecorrigeerd voor herwaardering van de goudvoorraad (+ Sf. 34 mln.).

Een dergelijk beleid beperkt niet alleen de invoer maar ook de

heel te verdwijnen, hetgeen betekent dat ze geen nieuwe leverin-

binnenlandse produktie en werkgelegenheid. Men kan daarbij

gen doen tenzij die vooraf worden betaald en aan oude betalings-

rekenen op een forse toename van de werkloosheid en een ree’le

verplichtingen is voldaan. In die situatie besloot de Centrale

dating van de koopkracht met grofweg een kwart. Dat leidt tot
sociale onrust tenzij het regeringsbeleid steunt op een breed
maatschappelijk draagvlak. Weliswaar is het draagvlak van de
Surinaamse regering enigszins verbreed doordat in februari
jongstleden vakcentrales en bedrijfsleven zijn gaan participeren
in de interim-regering, maar met name de vakcentrales stelden
zich op het standpunt dat een ingrijpend bezuinigingsbeleid pas
mogelijk is, nadat er concrete stappen in het democratiseringsproces zouden zijn gezet. Bezuinigen zou leiden tot sociale on-

Bank op 15 oktober jl. dat er geen nieuwe ,.letters of credit”
meer mochten worden geopend, wat neerkomt op een vermindeernst van de problematiek voor het grote publiek. Er zijn thans

rust en stakingen, dus nog meer produktieverlies en daarmee

beleid is gevoerd, hangt er een steeds groter geworden nominale

noodzaak tot nog meer bezuinigingen. Een spiraal van sociale en
economische problemen zou dan moeten worden gevreesd, met

bod staat. Technisch gezien was het in het tweede kwartaal nog

— in de huidige Surinaamse situatie – een militaire kettingreac-

tie.
De interim-regering besloot in april om niet te bezuinigen

ring van de onderweg zijnde invoer.

Het beleid dat het afgelopen half jaar is gevoerd verhult de
in Suriname op allerlei gebied schaarsteproblemen, maar dat is
wel vaker voorgekomen. De ernst van de problematiek zal pas
echt zichtbaar worden op het moment dat de thans niet onderweg zijnde invoer niet aankomt. Aangezien er geen bezuinigingskoopkracht boven de markt waartegenover steeds minder aanmogelijk via internationale financiele steun een dreigende economische ineenstorting te voorkomen. Thans zijn die mogelijkheden minder groot, omdat er ongeveer drie maanden liggen tus-

maar over te gaan tot importcontingentering. Importcontingentering verschuift de problemen echter naar de toekomst in plaats
van ze op te lossen. Uit label 4 kan men aflezen dat de omvangrijke kredietverlening aan de overheid in het tweede en derde
kwartaal van dit jaar gewoon doorging, dat de afvloeiing van deviezen in het tweede kwartaal werd afgeremd, maar in het derde

sen bestelling van goederen en distributie in Suriname.
Na de opschorting van de hulp in december 1982 was het moei-

lijk om aan niet-economen duidelijk te maken dat zulks, gelet op
de deviezensituatie, pas op termijn tot financiele problemen zou
leiden. Thans is het eveneens moeilijk om duidelijk te maken dat
er nu, eveneens vanwege de deviezensituatie, op korte termijn

kwartaal weer toenam en dat de geldhoeveelheid aanmerkelijk

ernstige problemen dreigen. In dit artikel behandelen we de poli-

steeg. Nominale koopkracht die boven de markt hangt bij een
stagnerend aanbod: de voorbode van een onbeheersbaar
inflatieproces.
In juli was de deviezenpositie van de algemene banken nega-

tick als een exogene en constateren slechts dat het proces van

tief geworden. Hun deviezenvoorraad (Sf. 10 mln.) was geringer

regering in Suriname thans poogt te werken.

dan de deviezenvorderingen op die banken (Sf. 20 mln.). Dat betekent dat de algemene banken van Suriname niet meer zelfstandig in staat zijn om aan hun internationale verplichtingen te voldoen. De deviezenvoorraad van de Centrale Bank bedroeg op 18
September nog maar Sf. 39 mln. met daarnaast een goudvoorraad van Sf. 30 mln. (gewaardeerd tegen marktprijzen). Dat is

economische neergang, dat in eerste aanleg onder de oppervlak-

te bleef, zich sneller dreigt te voltrekken dan het proces van democratisering en herstel van de rechtsorde waaraan de interim-

Conclusies
De realisatie van de doelstellingen van het ontwikkelingsver-

drag met Suriname is niet naderbij gekomen, maar wellicht zelfs

minder dan het bedrag dat de Centrale Bank in april aan gecon-

verder verwijderd geraakt dan in 1975 al het geval was. Deze

firmeerde accreditieven had uitstaan (Sf. 90 mln.). In zo een situ-

conclusie rust slechts op een globale macro-economische analy-

atie dreigt het vertrouwen van de internationale leveranciers ge-

se, terwijl van een aantal projecten de resultaten nog niet in de

1046

beschikbare statistieken tot uitdrukking komen 14). Een defini-

ninkrijk zou zijn geweest. Zie M. van Schaaijk, De Surinaamse les voor

tief oordeel kan pas worden geveld op basis van een integrate

de Nederlandse Antillen, BOW-Nieuwsbrief, nr. 29, September 1984,

evaluatie van alle projecten in macro-economisch perspectief.

biz. 39-57.

Te gelegener tijd zal de Nederlandse verdragshulp weer worden hervat. Om herhaling van gemaakte fouten te voorkomen
ware het goed als een grondige evaluatie – grondiger dan in het
bestek van dit artikel mogelijk was – van de ontwikkelingssa-

heeft steeds meer veld gewonnen. Zie o.m. PvdA, op. cit.; G.A. de Bruijne, Naar nieuwe verhoudingen?, CDA-verkenningen, nr. 6, 1983; A.E.
van Niekerk (Vice-voorzitter Latijns-Amerikacommissie CDA), Hulp

menwerking tot het moment van stopzetting zou voorafgaan aan

blad, 25aprill983.

hervatting van deze samenwerking 15). Vooralsnog is onze voor-

18) De gedachte dat de Nederlandse bemoeienis moet worden beperkt

aan Suriname moet worden hervat in multilateraal kader, NKCHandels-

lopige conclusie dat te omvangrijke hulp een schijnontwikkeling

19) Gezien de omvang van de resterende verdragsmiddelen, meer dan
f. 1,6 mrd., is het moeilijk voorstelbaar dat die voor de afloop van het

teweegbrengt. Verder wijzen de thans beschikbare gegevens

verdrag (in 1990) kunnen worden besteed, althans op zinvolle wijze.

sterk in de richting van de conclusie dat hulp niet als substituut
kan dienen voor eigen activiteiten, met name particuliere investeringen.
Voor financiele hulp lijkt slechts een functie weggelegd voor

zover zich een tekort aan deviezen manifesteert. Indien zij de
grenzen overschrijdt van wat het beschikbare gekwalificeerde
kader in de particuliere en collectieve sector (het bestuurlijk ver-

20) Bovendien moet volgens de meest recente berichten rekening worden
gehouden met een nog verdere inkrimping van de export. De Surinaamse

bauxietexport (in 1983 nog goed voor 75% van de totale goederenuitvoer) staat volgens het Jaarverslag van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelings Bank onder invloed van de Internationale concurrentie ,,op instorten” (NRC Handelsblad, 29-10-1984). Volgens een andere bron heeft de
Suralco (Suriname’s grootste bauxietproducent) de Surinaamse regering
meegedeeld haar produktie het volgend jaar te zullen moeten halveren.

mogen) aankan, treedt een macro-economisch mechanisme in
werking dat schadelijk is voor de ontwikkeling. De kosten van
binnenlands geproduceerde goederen en diensten nemen extra
toe, meer dan de prijs van geimporteerde goederen. Zowel de export als de produktie voor de binnenlandse markt die onderhevig

is aan buitenlandse concurrentie komt dan onder druk te staan
16). Om de daarvoor ontstane werkloosheid te bestrijden neemt

de verleiding toe om met hulpgelden pseudo-werkgelegenheid te
scheppen. De economic raakt daardoor nog afhankelijker van

buitenlandse hulp, terwijl eigen initiatieven steeds moeilijker op
gang te brengen zijn. De Surinaamse ondervinding leert dat te
omvangrijke hulp geen ree’le bijdrage tot de ontwikkeling levert
17).

Na de hervatting van de ontwikkelingssamenwerking zal de
besluitvorming over de besteding van fondsen een aangelegenheid (moeten) zijn van een democratische institutie in Suriname,

terwijl de Nederlandse bemoeienis daarmee minimaal behoort te
zijn 18). Het is denkbaar dat men van Surinaamse zijde zal wensen dat, zonder dat wordt getornd aan het resterende hulpvolu-

me, de besteding van verdragshulp in overeenstemming wordt
gebracht met wat voor het land goed is 19). Enigerlei vorm van

indexatie laat zich daarom aanbevelen, onder het proviso dat
zulks niet ten koste gaat van het hulpvolume voor derde landen.

Ten slotte dient te worden gewezen op de mogelijkheid dat de
democratiseringsplannen die de interim-regering voor december
van dit jaar in het vooruitzicht heeft gesteld, niet voldoen aan de
voorwaarden voor hervatting van de ontwikkelingssamenwerking zoals die door de Nederlandse overheid en vanuit de Surinaamse bevolking zijn gesteld. De besluitvorming over hervatting vindt dan plaats in een fase waarin de deviezenpositie geen
mogelijkheid meer biedt om de macro-economische effecten van

de opschorting nog langer naar de toekomst te verschuiven 20).
Marein van Schaaijk
Jaap van der Straaten

14) Zie voor positieve indrukken Stuseco, op. cit., 1984.

15) Daarom laten zich overbruggingsregelingen denken. Zie Stuseco,
op. cit., 1984 en Surinamecommissie PvdA, Suriname en Nederland.
Hoe nu verder?, Advies aan het partijbestuur, Amsterdam, 1984.
16) Guyana, buurland van Suriname, had in de jaren vijftig een soortge-

lijke economische structuur, een zelfde inkomen per hoofd, een vergelijkbare bevolkingssamenstelling, een overeenkomstige historic en een

zelfde grootte. Guyana heeft echter in vergelijking tot Suriname geen
hulp van betekenis ontvangen. Onder een veronderstelde gelijke ontwikkeling van inkomensverdeling en arbeidsproduktiviteit laat zich aan de

hand van beschikbare gegevens berekenen dat over de periode 1958-1980
de kosten per eenheid produkt in Suriname driemaal zoveel stegen als in

Guyana, gemeten in dezelfde valuta. Het bestedingseffect van de ontwikkelingshulp aan Suriname komt ons voor als de meest aannemelijke
oorzaak.

17) Deze conclusie lijkt ons ook te gelden voor de Nederlandse Antillen.
Daarbij kan worden aangetekend dat de plegers van de staatsgreep van
1980 door het toen nog bestaande Surinaamse parlement werden ontsla-

gen van rechtsvervolging. Het is daarom ondenkbaar dat Nederland toen
zou hebben ingegrepen als Suriname toen nog een deel van het Ko-

ESB 7-11-1984

1047

Auteurs