Ga direct naar de content

Statistiek

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 12 2013

.

ESB Statistiek

Onwenselijke mondiale economische herbalancering

terwijl overschotlanden meer gaan consumeren of investeren. Dit leidt
uiteindelijk tot een krachtigere en duurzamere wereldwijde groei. Omdat de uitvoer dan compenseert voor het trage herstel van de binnenlandse vraag van de private sector, zal de hogere groei ook de overheidsfinanciën doen verbeteren. Overschotlanden worden tegelijkertijd minder
afhankelijk van externe vraag, wat resulteert in betere en stabielere economische omstandigheden. â–  shahin kamalodin (RAbobank)

Publieke en private balansen
Balans private sector (in procenten van bbp)

H

oewel de ontwikkelde economieën beter presteren dan verwacht, blijft de wereldwijde groei van het bruto binnenlands
product (bbp) zwak. Dit komt doordat het wereldwijde economische aanpassingsproces niet op de gewenste manier plaatsvindt.
De figuur verduidelijkt dit door de private en publieke balansen van een
aantal ontwikkelde en opkomende economieën te vergelijken. Als een
economie zich in kwadrant I bevindt, heeft zij een overschot op zowel
de private als de publieke balans, en dus een overschot op de lopende
rekening. Kwadrant III toont de tegengestelde situatie. Economieën in
kwadrant II en IV hebben alleen een overschot op de lopende rekening
als de overschotten in de ene sector compenseren voor de tekorten in de
andere sector.
De pijlen geven de richting aan van de ontwikkeling tussen 2007 en 2013
(verwachting IMF). Het is duidelijk dat de meeste economieën richting
de linkerhoek van de figuur zijn opgeschoven. Dit suggereert dat huishoudens en bedrijven in de meeste landen tegenwoordig een groter deel
van hun inkomen sparen dan voor de crisis. Een zwakkere vraag in de
private sector heeft op zijn beurt geresulteerd in een verslechtering van
de overheidsfinanciën in met name de ontwikkelde economieën. Hoewel dit de economieën dichter bij de diagonaal heeft gebracht, is dit geen
welkome ontwikkeling. Het nivelleren van de wereldwijde lopende rekeningen komt vooral door een zwakke binnenlandse vraag in economieën
met een tekort op de lopende rekening. Het zou effectiever zijn als landen met een overschot op de lopende rekening hun binnenlandse vraag
zouden stimuleren. Zo kunnen tekortlanden hun uitvoer zien groeien

internationaal

12

Jap

10

II

I

8

Jap

4

VS

2

VK

0

Azië

-2
-6

MENA

EMU
CIS
Lop

en
ovede re
rsc ken
end
ho ing
e
tek reke t
ort nin
g
IV

Lop

CEE

-8
-10
-12

CIS

LA

VK LA
CEE
VS

-4

MENA

Azië

EMU

6

III
-12

-10

-8

-6

-4

-2

0

2

4

6

P

550

10

12
2007
2013

¹ CEE=Centraal- en Oost-Europa; CIS=Gemenebest van Onafhankelijke Staten;
LA=Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied; MENA=Midden-Oosten en Noord-Afrika.

Pensioenpremies lopen op
ensioenregelingen vallen uiteen in twee smaken: beschikbarepremieregelingen en vaste-uitkeringsregelingen. Bij de eerste
wordt een vaste premie betaald en is de pensioenuitkering volledig afhankelijk van het rendement op deze inleg. Bij de tweede wordt
een vaste pensioenuitkering opgebouwd die meestal is gerelateerd aan
het huidige of toekomstige salaris. De premie die nodig is om deze toekomstige uitkering te financieren kan per jaar verschillen. Nederland
kent van oudsher vooral vaste-uitkeringsregelingen, zodat de hoogte van
de premies over de jaren fluctueert. De figuur toont de betaalde premies
als percentage van de brutolonen vanaf 1980.
Wat direct opvalt, is dat de pensioenpremies in het afgelopen decennium
veel hoger liggen dan in de decennia daarvoor. Een eerste belangrijke reden hiervoor is de gedaalde rente, die heeft geleid tot een hogere kostendekkende premie. Een lagere rente betekent een lager rendement, zodat
voor dezelfde toekomstige uitkering nu meer geld moet worden ingelegd.
Een tweede belangrijke reden zijn de sterk gedaalde dekkingsgraden van
pensioenfondsen. In de jaren tachtig zijn de pensioenpremies onder invloed van de toen zeer hoge dekkingsgraden van pensioenfondsen gedaald tot onder het kostendekkende niveau. Nieuwe pensioenrechten
werden gefinancierd uit het rendement op de hoge buffers of door in
te teren op deze buffers. Door het knappen van de internetzeepbel in
2001 verdampte een deel van de buffers van pensioenfondsen. De premies moesten daardoor in allerijl op een kostendekkend niveau worden
gebracht en bij veel fondsen werd de premie nog verder verhoogd om de
dekkingsgraad versneld te herstellen.

8

Balans publieke sector (in procenten van bbp)

monetair

In de huidige crisis is de rente verder gedaald en zijn de dekkingsgraden
van pensioenfondsen tot onder de 100 procent weggezakt. Hierdoor
stijgen de premies vanaf 2008 opnieuw. Het laatste kwartaalcijfer voor
alleen pensioenfondsen voorspelt dat de premies ook in 2013 verder oplopen. Het ligt echter niet voor de hand dat de premies in de komende
jaren sterk verder zullen stijgen. De voorgenomen beperking van het
Witteveenkader leidt tot een lagere pensioenopbouw, met een lagere kostendekkende premie. Ook hebben de sociale partners in het Pensioenakkoord afgesproken de pensioenpremies te stabiliseren. â–  Steven jonk (DNB)

Betaalde pensioenpremies
16

In procenten van het brutoloon

14
12
10
8
6
4
2
0

‘80

‘85

‘90

‘95

Pensioenfondsen en verzekeraars
1

Voortschrijdende kwartaalsom

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

‘00

‘05

‘10

Pensioenfondsen1

Bron: CBS; DNB

Jaargang 98 (4668) 13 september 2013

Statistiek ESB

Een jaar daling in TARGET2-saldi

N

og niet zo lang geleden wisten alleen economen die gespecialiseerd zijn in betalingssystemen van centrale banken precies
wat TARGET2 (acroniem voor Trans-European Automated
Real-time Gross settlement Express Transfer system) inhield. Tijdens de
Europese schuldencrisis werd TARGET2 echter onderwerp van uitge-

Ontwikkeling TARGET2-saldi
In miljard euro

1000
800
600
400
200
0
–200
–400

Duitsland
Portugal

Nederland
Ierland

Luxemburg
Italië

3
1-1

01

-0

2

12
7-

01

-0

11

01

-0

1-1

1

7-

1-1

-0

-0

01

01

0

10

1-1

7-

-0

-0

01

01

9

09
7-

1-0

-0

-0

01

01

8

08

1-0

7-

-0

-0

01

01

7

07
7-

1-0

-0

-0

01

01

6
1-0

7-

-0

-0
01

01

06

–600

Finland
Spanje

financiële markten
breid debat en belandde het zelfs op de voorpagina’s van kranten. TARGET2 vormt de ruggengraat van het interbancaire betalingssysteem op
Europees niveau en maakt directe overboekingen tussen banken binnen
de eurozone mogelijk. TARGET2-saldi zijn boekhoudkundige vorderingen en schulden van centrale banken in het eurogebied ten opzichte van
de Europese Centrale Bank. Ze reflecteren onderliggende geldstromen
tussen de financiële systemen van de individuele landen binnen de eurozone. Als bijvoorbeeld Duitse banken hun leningen aan Spaanse banken
stopzetten en hun geld in plaats daarvan bij de Duitse centrale bank stallen, terwijl Spaanse banken lenen van de Spaanse centrale bank, ontstaat
een positief TARGET2-saldo voor Duitsland en een negatief saldo voor
Spanje. De figuur geeft de TARGET2-saldi van diverse Europese landen
weer. De figuur laat zien hoe deze saldi in bijvoorbeeld Duitsland langzaam groeiden vanaf juli 2007, hoe vervolgens een versnelling optreedt
in juli 2011, en dat met een waarde van 662 miljard een maximum werd
bereikt in augustus 2012. September 2012 lijkt een echt keerpunt, vanaf
dat moment zet een daling in die nog steeds aan de gang is. Het positieve
saldo van Duitsland volgt alweer bijna 8 maanden een dalende trend.
In landen als Spanje en Italië bereikten de TARGET2-saldi tegelijkertijd hun minima met waarden van respectievelijk minus 430, minus 279
miljard euro. Vanaf september 2012 dalen de TARGET2-saldi ook voor
deze landen. Het is een teken dat het vertrouwen van banken in het
Europese financiële systeem langzaam toeneemt. ■ michiel bijlsma (CPB)

Risicobereidheid en pensioen

pensioenen

H

et kabinet heeft middels het financieel toetsingskader nieuwe
spelregels voor de pensioenfondsen aangeboden aan de Tweede Kamer. Naast het bestaande nominale pensioencontract
wordt per 1 januari 2015 een nieuw reëel contract geïntroduceerd. Het
grote verschil tussen beide contracten bestaat eruit dat bij het reële contract indexatie wordt verplicht en dat het pensioen sterker zal meebewegen
met de levensverwachting en de beleggingsresultaten. Het pensioen zal bij

Risicobereidheid
Aantal werknemers in procenten

25

20

15

10

5

0

0

1
2
3
4
5
6
7
8
9
Risicobereidheid (0=wil geen risico nemen, 10= zeer risicobereid)

Algemene risicobereidheid

10

Bereidheid om risico’s te nemen voor pensioen

Bron: ROA-APG 2012 enquête

het reële contract dus sterker gaan afhangen van de financiële situatie en de
risicostrategie van het pensioenfonds dan bij het nominale contract.
De figuur geeft een beeld van de algemene risicobereidheid van werknemers bij de overheid en het onderwijs en hun bereidheid om specifiek risico’s te nemen voor hun pensioen. De risicobereidheid is gemeten op een
schaal van 0 tot 10, waarbij 0 betekent dat iemand helemaal geen risico wil
nemen en 10 dat iemand zeer bereid is om risico’s te nemen. De gemiddelde algemene risicobereidheid is 4,9, terwijl de bereidheid om risico’s te
nemen voor het pensioen met een gemiddelde score van 3,7 statistisch significant lager is. Opvallend is dat zelfs negen procent van alle werknemers
geen enkel risico wil nemen voor hun pensioen. Verdere analyses tonen
daarbij aan dat dit voornamelijk geldt voor laagopgeleiden en ouderen.
Deze resultaten suggereren dat bij werknemers niet veel animo zal bestaan
voor het reële pensioencontract en dat zij de voorkeur blijven geven aan
het bestaande nominale pensioencontract. Indien de overheid en de sociale partners een succes willen maken van het reële pensioencontract, zal
er meer gedaan moeten worden om werknemers te overtuigen van de relevantie van dit nieuwe pensioencontact. Het is van belang om werknemers
duidelijk te gaan informeren over de relatie tussen het nemen van risico’s
door hun pensioenfonds, het gemiddeld rendement van het fonds en de
spreiding rondom dit rendement. Daarbovenop is het van vitaal belang
om bij de communicatie ook duidelijk uit te leggen wat de consequenties
van het risicomanagement zijn voor de gemiddelde hoogte en spreiding
van het eigen individuele pensioen. â–  raymond montizaan (ROA)

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
Jaargang 98 (4668) 13 september 2013
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

551

Auteurs