Ga direct naar de content

Spannende experimenten

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 19 2003

Spannende experimenten
Aute ur(s ):
Goeree, J.K. (auteur)
Offerman, T. (auteur)
Beide auteurs zijn verb onden aan CREED, Universiteit van Amsterdam. T.J.S.Offerman@uva.nl
Ve rs che ne n in:
ESB, 88e jaargang, nr. 4422, pagina 621, 19 december 2003 (datum)
Rubrie k :
Tre fw oord(e n):
experimenteel

Experimenten kunnen de zwakke plekken van bestaande instituties vinden. Ook zijn ze behulpzaam bij het ontwerpen en verbeteren
van instituties.
Een belangrijk deel van de economische literatuur houdt zich bezig met het ontwerpen van optimale instituties. Door middel van
experimenten hoeven we niet meer te wachten totdat instituties op natuurlijke wijze ontstaan en evolueren. Een theoretisch uitgedacht
mechanisme kan worden onderzocht voordat het door besluitvormers op grote schaal wordt toegepast. Tegelijkertijd biedt het
experimentele laboratorium de mogelijkheid bestaande instituties te testen. In dit artikel bespreken we hoe de dialoog tussen experiment,
theorie en praktijk tot betere instituties kan leiden.
Publieke goederen
Een karakter van een publiek goed is dat niemand van consumptie kan worden uitgesloten als het eenmaal geproduceerd is. Daarom
hebben mensen een prikkel om bij de productie van het goed mee te liften op de bijdragen van anderen. Economen zijn reeds lang
geïnteresseerd in mechanismen die dit probleem kunnen verhelpen.
In de jaren zeventig is reeds het zogenaamde Groves-Ledyard mechanisme ontwikkeld1 In dit mechanisme brengt elke persoon “een bod”
uit aan een centrale autoriteit die op basis van alle boden en een kwadratische kostenregel een belasting voor elke persoon bepaalt. In
theorie heeft iedereen een prikkel om zijn feitelijke waardering voor het publieke goed eerlijk te laten blijken via zijn bod. Experimenten
laten zien dat dit mechanisme een hoge mate van efficiëntie kan bereiken, ondanks dat veel proefpersonen het ‘incentive compatible
karakter’ van het mechanisme niet doorgronden2 Het Groves-Ledyard mechanisme is echter moeilijk te implementeren en voor zover wij
weten wordt het niet gebruikt in de praktijk.
Liefdadigheid
Liefdadigheidsinstellingen in de vs gebruiken vaak eenvoudiger methoden. Professionele ‘fund-raisers’ maken op grote schaal gebruik
van ‘seed money’ dat in een eerste fase ingezameld wordt onder de puissant rijken. In ruil voor prestige, bijvoorbeeld het geven van de
eigen naam aan het nieuw te bouwen honkbalstadion, doneren deze rijken grote sommen geld. Een vuistregel van fund-raisers is dat
ongeveer eenderde van het totaal in te zamelen bedrag bijeengebracht wordt in deze fase3 Daarna begint de publieke campagne, waar
veel mensen tegelijkertijd worden aangeschreven met een expliciete verwijzing naar de reeds bijgedragen som ‘seed money’ en de
hoeveelheid geld die nog nodig is.
Daarnaast wordt soms gebruik gemaakt van de methode van het teruggeven van bijdragen (‘refunds’) indien de som van de bijdragen een
vooraf gesteld doel niet bereikt. Bagnoli en Lipman laten zien dat refunds het free rider probleem in theorie oplossen4
In een veldexperiment laten List en Lucking-Reiley zien hoe effectief refunds en seed money zijn5 Een steekproef van 3000 inwoners van
Florida wordt verdeeld in zes groepen van 500 en in elke groep van 500 wordt geld ingezameld om een computer te kopen voor een
openbare instelling. De groepen variëren in refund (wel of niet van toepassing) en seed money. Het percentage van het in te zamelen
bedrag varieert van tien procent naar 33 procent tot 67 procent. De introductie van refunds leidt tot een toename in contributies van
twintig procent. Verrassend is dat het effect van seed money veel groter is. Het vergroten van de hoeveelheid seed money van tien
procent tot 67 procent leidt tot bijna een verzesvoudiging van de bijdragen.
Discontinuïteit
Andreoni poogt het effect van seed money te verklaren door op basis van het feit dat veel publieke goederen een discontinuïteit in de
productie hebben. Tot een bepaald drempelbedrag gaan bijdragen verloren, bijvoorbeeld omdat een honkbalstadion beneden een
minimum kwaliteit geen zin heeft. Seed money kan het inzamelingsproces boven de drempel tillen. Vanaf de drempel telt elke kleine
individuele bijdrage mee, waardoor mensen wellicht eerder gaan bijdragen.

Deze theorie kan echter niet verklaren waarom de bijdragen in het experiment van List en Lucking-Reiley zowel stijgen in het geval waarin
het seed money van tien procent naar 33 procent wordt verhoogd als in het geval waarin het van 33 procent naar 67 procent wordt
verhoogd. Een alternatieve verklaring gaat ervan uit dat de mensen die het seed money bij elkaar brengen betere informatie over de
kwaliteit van het publieke goed hebben. Als de kwaliteit van het publieke goed hoog is, kunnen ze middels het openbaar maken van hun
contributie de bijdragen van de volgers vergroten6. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat rijken tientallen miljoenen dollars doneren enkel
en alleen om een positief signaal over de kwaliteit van het publieke goed te geven.
De vraag waarom seed money zo goed werkt, is dus nog niet bevredigend beantwoord en de bal ligt nu weer bij de theoretici.
Loten en veilen
Veel liefdadigheidsinstellingen in de vs genereren meer dan de helft van hun jaarlijkse inkomsten met loterijen tijdens speciale
evenementen. Het idee achter het gebruik van een loterij is simpel. Normaal gesproken creëert een donatie alleen een positieve
externaliteit voor anderen en daarmee een reden om mee te liften. Wanneer de donatie gebeurt via het kopen van loten creëert het ook
een negatieve externaliteit voor anderen omdat het hun kansen op het winnen van een prijs reduceert. Morgan laat zien dat het
kosteneffectief kan zijn voor een liefdadigheidsinstelling om eerst te investeren in een aantal prijzen en die vervolgens onder donoren te
verloten. Morgan en Sefton laten met behulp van experimenten zien dat deze theoretische voorspelling ook in de praktijk klopt7
Tijdens sommige speciale evenementen worden de prijzen geveild onder aanwezige donoren. Een bekend voorbeeld is de jaarlijkse
wijnveiling in Nappa Valley die vaak enkele miljoenen dollars opbrengt voor instellingen zoals het Amerikaanse kankerinstituut.
Veilingen worden echter minder vaak gebruikt dan loterijen om geld in te zamelen, hetgeen verbazend is omdat in andere delen van de
economie veilen juist zo populair is. De reden is dat in de meeste veilingen alleen de hoogste bieder hoeft te betalen. Wanneer een donor
het hoogste bod van een andere overbiedt, gaat de positieve externaliteit van dat bod verloren. Dit heeft een remmende werking op hoog
bieden. Eenzelfde remmende werking geldt niet voor loterijen, waar ook alle niet-winnende lootjes betaald moeten worden. Goeree,
Maasland, Onderstal en Turner laten zien dat de optimale manier van geldinzamelen kan worden bewerkstelligd door een toegangsprijs te
vragen aan alle deelnemers en een minimum bod voor elke te winnen prijs te introduceren. De door hun voorgestelde institutie is positief
getest in een experiment van Orzen8
Veilingen
Een veel voorkomend praktisch probleem bij veilingen is dat bieders met gemiddeld lagere waarderingen voor het te verkopen goed
moeten opboksen tegen “sterke” bieders. De Nederlandse plokgeld veilingen en de Belgische veilingen met het recht van verdieren
tonen hoe een veiling te organiseren met asymmetrische bieders9 Premieveilingen worden vaak gebruikt om land, onroerend goed, boten
en machines te verkopen. Steden als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Leuven en Antwerpen hebben alle hun eigen variant die vaak als
uniek in de wereld naar voren geschoven wordt. Alhoewel echte premieveilingen variëren in institutionele details, maken ze alle gebruik
van hetzelfde concept: zwakke bieders hebben een prikkel om competitief te bieden omdat aan de hoogste verliezende bieder(s) een
premie verstrekt wordt voor het opdrijven van de prijs in de veiling.
Optimale veiling
Theoretisch is een premieveiling niet het optimale mechanisme om de opbrengst te maximaliseren. In het optimale mechanismekan de
verkoper hogere reserveprijzen stellen voor sterkere bieders. Een reserveprijs is het minimum bod waaronder de verkoper niet verkoopt.
Tevens kan de verkoper de boden van de bieders wegen in het voordeel van zwakkere bieders10 Het is dan mogelijk dat een zwakke
bieder met een lager bod een sterke bieder verslaat. Voor zover wij weten is het optimale veilingmechanisme tot nu toe alleen in het
laboratorium geobserveerd.
De volgende obstakels staan het implementeren van de optimale veiling in de weg. Het mechanisme veronderstelt dat de verkoper
preciezere informatie over kopers heeft dan in de praktijk gebruikelijk is. Daarbij stelt het mechanisme hoge eisen aan de rationaliteit van
de verkoper wanneer deze de optimale reserveprijzen en wegingsfactoren moet kiezen. Een ander heikel punt is dat de verkoper moet
discrimineren tussen bieders, wat vaak om juridische redenen onwenselijk of onmogelijk is.
Amsterdamse veiling
In Goeree en Offerman bestuderen we een (gestileerde) premieveiling11 Amsterdam is een stad met een bijzonder lange traditie van
premieveilingen. De eerste premieveilingen werden daar reeds in de middeleeuwen gehouden12en daarom noemen wij deze variant de
“Amsterdamse veiling”.
De Amsterdamse veiling bestaat uit twee fasen. In de eerste fase stijgt de prijs totdat nog slechts twee bieders actief zijn. Het niveau
waarop dit voor het eerst gebeurt, heet de bodemprijs. In de tweede fase brengen de twee overgebleven bieders een gesloten bod uit dat
gelijk of hoger is dan de bodemprijs. De hoogste bieder koopt het kavel en beide bieders van de tweede fase krijgen een premie die
proportioneel is aan het verschil van het laagste bod in de tweede fase en de bodemprijs uit de eerste fase. 13 De hoogste bieder betaalt
de prijs van het laagste gesloten bod van de tweede fase van de Amsterdamse veiling.
Het volgende voorbeeld illustreert hoe een Amsterdamse veiling de opbrengst kan verhogen ten opzichte van een standaard veiling. Stel
dat er speculanten zijn die 200.000 euro voor een huis willen betalen. Er is ook een oprecht geïnteresseerde bieder die ergens tussen de
400.000 en 500.000 euro wil betalen. In een standaard veiling zal de oprecht geïnteresseerde bieder het huis kopen voor 200.000 euro, het
prijsniveau waar alle speculanten uit de veiling stappen. In de Amsterdamse veiling blijven speculanten echter actief boven hun waarde
in een poging de premie te bemachtigen. Omdat de oprechte bieder niet voor 400.000 euro uit de veiling stapt, zullen de speculanten de
prijs in de eerste fase opdrijven tot een niveau in de buurt van 400.000 euro, zeg tot 399.000 euro. De speculant die met de oprechte
bieder naar de tweede fase gaat zal een gesloten bod uitbrengen van 400.000 euro om te voorkomen dat het huis wordt gewonnen.

Opbrengsten
Merk op dat de race tussen de speculanten ervoor zorgt dat de premie uiteindelijk klein zal zijn; een percentage van het verschil tussen
400.000 en 399.000 euro. De netto veilingopbrengst is 400.000 euro minus een kleine premie, bijna hetzelfde als de opbrengst van de
theoretisch optimale veiling. Dit praktisch veilingontwerp, dat niet discrimineert tussen bieders en waarbij de verkoper ook geen
gedetailleerde kennis over de bieders nodig heeft, levert even veel op als het optimale mechanisme.
figuur 1 toont een vergelijking van de uitkomsten van de Engelse veiling, de Amsterdamse veiling en de optimale veiling in een serie van
experimenten. De grootste verschillen in uitkomsten treden op wanneer er duidelijke asymmetrieën tussen de bieders zijn, zoals in het
boven besproken voorbeeld. figuur 1 toont een histogram van de opbrengsten van de veilingen in asymmetrische omstandigheden.
Merk op dat de Amsterdamse veiling beduidend beter presteert dan de Engelse veiling, die een gemiddeld lagere opbrengst tegen een
hogere variantie genereert. De Engelse veiling leidt af en toe tot heel lage opbrengsten. De Amsterdamse veiling produceert lagere
opbrengsten dan de optimale veiling maar het verschil in opbrengsten is gering, hetgeen wellicht verklaart waarom premieveilingen reeds
eeuwen bestaan.

Figuur 1. Histogram van de opbrengsten van de Engelse, Amsterdamse en optimale veiling in asymmetrische omstandigheden
Conclusies
Experimenten kunnen een grote rol vervullen bij het zoeken naar optimale instituties. In sommige gevallen zijn de voorgestelde
mechanismen theoretisch dusdanig complex dat ze alleen experimenteel getoetst kunnen worden. Daarnaast tonen experimenten de
zwakke plekken van instituties aan wanneer bieders of donoren minder rationeel zijn dan de economische theorie veronderstelt.
De ontwikkeling van optimale instituties is ook gebaat bij de ervaringen die door de jaren heen zijn opgebouwd in de praktijk. Het
combineren van experimenten met kennis over bestaande mechanismen in de vorm van praktisch ‘mechanism design’ zal het theoretisch
onderzoek naar optimale instituties aan relevantie doen winnen.
Jacob Goeree en Theo Offerman

1 T. Groves en J. Ledyard, Optimal allocation of public goods: a solution to the free rider problem, Econometrica, jrg. 45, 1977, blz. 783809.
2 Zie Y. Chen en F. Tang, Learning and incentive-compatible mechanisms for public goods provision: an experimental study, Journal of
Political Economy, jrg. 106, blz. 633-662.
3 Zie J. Andreoni, Toward a theory of charitable fund/raising, Journal of Political Economy, jrg. 106, blz. 1186-1213.
4 M. Bagnoli en B.L. Lipman, Provision of public goods: fully implementing the core through private contributions, Review of Economic
Studies, jrg. 56, blz. 583-601.
5 J.A. List en D. Lucking-Reiley, The effects of seed money and refunds on charitable giving: experimental evidence from a university
campaign, Journal of Political Economy, jrg. 110, blz. 215-233.
6 Zie J. Potters, M. Sefton en L. Vesterlund, Why announce leadership contributions? An experimental study, CENTER discussion
paper, Universiteit van Tilburg, 2001.

7 J. Morgan, Financing public goods by means of lotteries, Review of Economic Studies, jrg. 67, blz. 761-784; J. Morgan en M. Sefton,
Funding public goods with lotteries: an experimental study, Review of Economic Studies, jrg. 67, blz. 785-810.
8 J.K. Goeree, E. Maasland, S. Onderstal en J. Turner, How (not) to raise money, discussion paper, Universiteit van Amsterdam, 2003; H.
Orzen, Private funding of public goods through competition: an experimental study, discussion paper, University of Nottingham, 2003.
9 “Verdieren” is Middelnederlands voor “duurder maken”.
10 R.B. Myerson, Optimal auction design, Mathematics of Operations Research, jrg. 6, blz. 58-73.
11 J.K. Goeree en T. Offerman, The Amsterdam auction, te verschijnen in Econometrica, 2003.
12 M. Sikkel, Plokken en Mijnen, Parool, 3 april, 2001.
13 Premieveilingen trekken vaak speculanten aan die alleen geïnteresseerd zijn in de premie. In België worden deze bieders aangeduid als
‘verdierenpikkers’. Voorafgaand aan de veiling moeten bieders een bankgarantie overhandigen of bieden via een makelaar met een
gevestigde reputatie. Vroeger werd een winnaar die onder de koop uit probeerde te komen naar het tuchthuis gestuurd. Als dit iemand
een tweede keer overkwam, werd hij zelfs gefolterd.

Copyright © 2003 – 2004 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur