Ga direct naar de content

Ondernemerschap is nodig voor vergroening van de groei

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 6 2022

De overheid dient de ecologische grenzen aan de groei te bewaken met beprijzing, normstelling en verplichte duurzaamheidsrapportages als prikkels voor een groen ondernemerschap. Maar de overheid bewaakt de ecologische grenzen onvoldoende, en ondernemers moeten op creatieve en innovatieve wijze hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij de vergroening van de groei.

In het kort

– De overheid schiet tekort op het gebied van beprijzing, normstelling, en verplichte duurzaamheidsrapportages.
– Creatief ondernemerschap is nodig met sturing op groene ­doelen, interne beprijzing, en een open innovatief ecosysteem.
– Het grootbedrijf moet het mkb ondersteunen bij toegang tot vergroenende innovatieve subsidiegelden.

Vijftig jaar na het rapport Grenzen aan de groei van de Club van Rome is inmiddels gebleken dat die grenzen door technologische ontwikkeling kunnen opschuiven, maar dat een grenzeloze groei niet mogelijk is. Groene groei is economische groei die binnen de planetaire grenzen blijft en bovendien geen grondstoffen uitput. Om wat voor grenzen aan de groei gaat het? Een groep vooraanstaande wetenschappers waaronder Paul Crutzen – de Nederlander die in 1995 de Nobelprijs voor de Scheikunde won – heeft negen planetaire grenzen vastgesteld (­Rockström et al., 2009). Vier van deze negen grenzen zijn inmiddels al gepasseerd en dreigen alleen maar verder te worden overschreden, waaronder klimaatverandering en biodiversiteit (Denkwerk, 2022). Wat betreft de volgende vier grenzen is er nog geen ­sprake van overschrijding maar dreigt dat binnenkort wel te gebeuren – onder andere voor zoetwatergebruik en oceaanverzuring. Er is slechts één grens, de concentratie van ­atmosferische ozon (beter bekend als het gat in de ozonlaag), waarbij we ons vooralsnog in de veilige zone bevinden.

Nu deze grenzen merendeels al overschreden zijn, dan wel op korte termijn overschreden dreigen te worden, rijst de vraag hoe we ‘grenzen aan de groei’ kunnen omzetten in ‘groeien binnen ­grenzen’.

Deze vraag is meer dan ooit actueel, omdat de verduurzaming van het bedrijfsleven langzaam gaat, zoals bleek uit recent onderzoek in opdracht van MVO Nederland (SEO Economisch Onderzoek, 2022). De in dit onderzoek geïntroduceerde Nieuwe Economie Index geeft aan dat er in 2021 15,4 procent van het bedrijfsleven past bij “een gezonde economie die ­klimaatneutraal, circulair en inclusief is, met eerlijke en transparante handelsketens”. In 2020 kwam die index voor het eerst uit en was de score 12,1 procent, en in 2021 14,1 procent. De voortgang lijkt dus wat te ­stokken. RaboResearch (2020) kwam tegelijkertijd met een onderzoek met soortgelijke conclusies: het bedrijfsleven verduurzaamt traag. Een wenkend perspectief daarbij is dat die bedrijven – waar het management ook wordt afgerekend op verduurzaming en op het ­creëren van ­brede maatschappelijke waarde – gemiddeld ­genomen een stuk hoger scoren als het gaat om de transitie naar maatschappelijk verantwoord ondernemen, dan ­bedrijven die deze overgang niet maken. Ook blijkt dat bedrijven die hun omzet zagen groeien, vaak beter ­scoren op verduurzaming.

In dit artikel betoog ik dat de overheid de ­planetaire grenzen onvoldoende bewaakt en dat nu, meer dan ooit, ondernemingen zelf verantwoordelijkheid moeten nemen om te vergroenen, waarbij ondernemerschap op basis van creativiteit en innovatiekracht van groot belang is.

Een tekortschietende overheid

Vergroening van economische groei vergt de juiste prikkels. Economisch gezien is beprijzing door de overheid met een pigouviaanse heffing, het meest efficiënte instrument om de economie richting vergroening te sturen. Immers, omdat de uitstoot van broeikasgassen geen of een te lage prijs op de markt heeft, wordt er te veel uitgestoten en warmt de aarde op. Omdat soortenrijkdom niet op de markt verhandeld wordt, heeft deze geen prijs en wordt het veronachtzaamd. En omdat grondstoffen te goedkoop zijn, hergebruiken we ze te weinig, en ­putten we bestaande voorraden uit.

De overheid kan het beste economie-breed een heffing invoeren. Het tarief dient gelijk te zijn aan de marginale milieuschade in het maatschappelijk optimum, iets wat in de praktijk moeilijk is vast te stellen. De heffing dient hoog genoeg te zijn om aan te zetten tot een forse reductie van broeikasgassen, behoud van biodiversiteit en meer recycling van schaarse grondstoffen. Hierbij heeft het de voorkeur om dergelijke ­heffingen op EU-niveau te introduceren, maar als dat te lang gaat duren, dan zullen ze alvast in Nederland moeten worden ingevoerd. Al in 2018 en 2019 riepen tientallen economen daartoe in ESB op (Baarsma et al., 2019; Schoenmaker et al., 2019).

Helaas ziet het er echter niet naar uit dat de overheid zal overgaan tot beprijzen. Getuige het regeer­akkoord Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de ­toekomst, kiest het kabinet-Rutte IV voor de carrot en niet voor de stick. In totaal staan er vele tientallen ­miljarden klaar om – via het eerder al opgezette Nationaal Groeifonds, het nieuwe Klimaat- en Transitiefonds, en het Stikstoffonds – als subsidies te worden uitgekeerd. Carrots werken echter niet als er geen stick is die de besteding van de subsidies in de goede richting stuurt. Zonder stick, zoals een koolstof- of stikstofheffing, ­kunnen er allerlei projectaanvragen uit die fondsen worden gehonoreerd, die desondanks niet bijdragen aan de transitie van de economie in de juiste richting. Bovendien passen subsidies niet bij het principe dat de vervuiler betaalt, en ­concurreren subsidies vanwege de schaarse overheidsmiddelen met andere belangrijke zaken zoals onderwijs en zorg. Beter ware het als de overheid een heffing invoert en een deel van de opbrengst gebruikt voor groene innovaties.

Beprijzen is noodzakelijk om tot vergroening te komen, maar niet voldoende. Er is meer nodig, namelijk transparantie. Een vergroeningsprikkel die de overheid kan instellen, is een verplichting tot duurzaamheidsrapportages door bedrijven. Gelukkig heeft de Europese Commissie dit instrument wel voortvarend opgepakt. In 2021 is er een nieuwe richtlijn aangenomen die over het boekjaar 2023 in werking treedt. Deze Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) eist van grote bedrijven dat zij inzicht geven in de milieu- en sociale impact in hun bedrijf, en de keten waarbij een onafhankelijke derde partij de duurzaamheidsverslag­legging moet controleren. Een onderneming moet aan de CSRD-rapportage­verplichtingen voldoen wanneer zij op haar balans­datum ten minste aan twee van de drie volgende criteria voldoet: een balanstotaal van t­wintig miljoen euro of meer, een netto-omzet van veertig miljoen euro of meer, een gemiddeld werknemersbestand van 250 werknemers of meer. In de hele EU gaat het bij de CSRD om meer dan 50.000 bedrijven, en om de keteneffecten te kunnen rapporteren zullen deze ­bedrijven ook duurzaamheidsgegevens vragen aan hun toe­leveranciers en klanten. Op die manier is de werking van deze richtlijn veel breder, maar vooralsnog realiseren veel bedrijven zich niet dat ze binnenkort onder de werking van de CSRD vallen.

Naast beprijzing en rapportageverplichtingen is er ook normstelling door de overheid nodig om de economische groei te vergroenen. De bestaande Europese Ecodesign-richtlijn is een belangrijk voorbeeld op dit gebied. Het doel van deze richtlijn is om in de ontwikkelings- en ontwerpfase van een product al vroegtijdig rekening te houden met de milieu-impact. Onder de richtlijn vallen nu alleen productgroepen, zoals ­consumentenelektronica, witgoed, industriële ­producten, luchtbehandeling (verwarming, ventilatie en airconditioning) en verlichting. Die productgroepen dienen te worden uitgebreid. Bovendien gaat het op dit moment nog vooral om normstellingen met betrekking tot energie- en waterverbruik, maar het zou goed zijn om ook dit verder uit te breiden naar ­materiaalgebruik en de mogelijkheden van hergebruik en reparatie. Los van deze Ecodesign-­richtlijn is normstelling over maximale uitstoot van bepaalde stoffen essentieel zolang die uitstoot niet beprijsd wordt.

Groen ondernemerschap

Terwijl de overheid de prikkels niet op scherp zet ­met heffingen en andere instrumenten van beprijzing, en er ook te weinig normen worden gesteld, wordt er wel van bedrijven gevraagd om te rapporteren over hun duurzaamheidsimpact. Deze rapportageverplichtingen ­vergen van ondernemers de benodigde creativiteit en innovatiekracht om de economische groei te vergroenen, oftewel groen ondernemerschap.

Het begrip ‘ondernemerschap’ is onderwerp van een hoge stapel academische papers en boeken. Schumpeter (1949) was een van de eerste wetenschappers die zich met ondernemerschap bezighield. Hij definieert “entrepreneurs as individuals who exploit market opportunity through technical and/or organizational ­innovation”. Hij bedacht het woord Unternehmergeist, om aan te geven dat ondernemerschap ook bezieling vergt. Inderdaad zien we bij vrijwel alle groene koplopers een enorme passie. Hisrich en Peters (1998) voegen in hun definitie van ondernemerschap het element van wederkerigheid toe. Zij definiëren ondernemerschap als “the process of creating something new with value by ­devoting the necessary time and effort, assuming accompanying financial, psychic and social risks, and receiving the resulting rewards of monetary and personal satisfaction and independence”.

Aansluitend op deze definities mag groen ondernemerschap wat opleveren voor de ondernemer, ­waarbij de beloning zowel financieel als emotioneel is. Juist die beloning is de crux van groen ondernemerschap: door een bijdrage te leveren aan verduurzaming van de economie wordt de ondernemer er zelf ook beter van.

Als een ondernemer eenmaal heeft ervaren dat vergroening leidt tot een betere reputatie op zowel de ­financiële, afzet- als arbeidsmarkt, tot hogere winsten en een betere bedrijfscontinuïteit, dan geeft dat uiteindelijk misschien wel de sterkste prikkel. Dat onderscheidt ondernemers in de private sector van overheids- en semipublieke partijen.

Partijen in de verdieneconomie hebben een extra prikkel om te innoveren, omdat de baten daarvan ook voor henzelf zijn. Partijen in de krijgeconomie hebben die prikkel veel minder, omdat eventuele baten vaak op het budget van volgend jaar worden gekort. Dit neemt overigens niet weg dat de overheid voldoende aandacht moet hebben voor een stabiel groen ondernemingsklimaat, het geheel van overheidsmaatregelen dat invloed uitoefent op de bereidheid van ondernemingen om te investeren in vergroening. Echter, ook hier heeft de overheid de afgelopen decennia onvoldoende bijgedragen vanwege het voortdurend veranderende duurzaamheidsbeleid, met als gevolg regulerings­onzekerheid, ­hetgeen funest is voor de vaak lange afschrijvingstermijnen van groene investeringen (­Acemoglu en Rafey, 2018).

Beprijzing zorgt voor gelijk speelveld

Om meer ondernemers te laten ervaren dat vergroening van hun bedrijfsmodel loont, is er beprijzing nodig. Zonder beprijzing heeft de ondernemer die niet verduurzaamt op korte termijn een concurrentievoordeel, ten opzichte van de ondernemer die wel investeert in schone technologie. Stel dat door de ontwikkeling en implementatie van die schone technologie de productiekosten tijdelijk hoger zijn, dan heeft de groene ondernemer gedurende de transitie een concurrentienadeel. Zo veroorzaakt het marktfalen van negatieve externe effecten een ongelijk speelveld dat de overheid gelijk moet trekken.

Zolang de overheid niet overgaat tot beprijzen, ­kunnen bedrijven wel hun eigen interne beprijzing vergroenen. Laat ik als voorbeeld banken nemen. Het instrument van beprijzing binnen banken is de rente­voet. Hoe groter de risico’s, hoe hoger de rente die iemand die een financiering afsluit, moet betalen. De rentevoet weerspiegelt het kredietrisico, de kans dat iemand de rente en aflossingen niet terug zal kunnen betalen. ­Banken zouden kunnen onderzoeken wat de relatie is tussen kredietrisico en de duurzaamheidsscore van hun klanten.

Uit voorlopig onderzoek bij de Rabobank (2021) blijkt dat agrarische klanten die hoger scoren op een duurzame bedrijfsvoering waarschijnlijk een kleinere kans op wanbetaling hebben. Dit voordeel van een lager kredietrisico kan via ­bijvoorbeeld een lagere rente gedeeld worden met boeren met een duurzame bedrijfsvoering. De Rabobank heeft ­daartoe pilots in de melkveehouderij opgezet. Boeren kunnen een rentekorting krijgen als zij met het geleende geld investeren in het herstellen van de biodiversiteit of hun bodembeheer verduurzamen. Op die manier kan een bank het interne instrument van beprijzing ­gebruiken, zonder afhankelijk te zijn van een door de ­overheid opgelegde heffing.

Ook een bedrijf als Schiphol gebruikt intern het instrument van beprijzing om klanten te ondersteunen bij verduurzaming. De luchthaven differentieert de tarieven voor landingsrechten op basis van de mate van geluidsoverlast, stikstofuitstoot, en het gebruik van duurzame kerosine (Schiphol, 2022).

Samenwerking in open innovatief ecosysteem

Om de economie te vergroenen is samenwerking tussen het grootbedrijf en het mkb noodzakelijk. Het Nederlandse bedrijfsleven bestaat uit bijna een miljoen zzp’ers, 300.000 midden- en kleinbedrijfondernemingen (mkb) en meer dan 1.900 grootbedrijven. Meer dan de helft van de toegevoegde waarde en van de werkgelegenheid wordt geleverd door het mkb (exclusief zzp’ers). Maar grote bedrijven hebben meer middelen beschikbaar voor groene R&D-uitgaven en weten ook vaak de subsidiepotten beter te vinden. Van de zzp’ers, het mkb en het grootbedrijf maakt respectievelijk 0,8 procent, afgerond 0 procent en 41,5 procent gebruik van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (RVO, 2018). Het mkb heeft tevens minder toegang tot het Topconsortium voor Kennis en Innovatie, ­waarbij slechts 0,3 procent van de mkb-ondernemingen is aangesloten, versus 20,3 procent van het grootbedrijf. Voorts zijn de grote fondsen, zoals het Nationaal Groeifonds en het Klimaatfonds, vanwege de forse eisen niet goed toegankelijk voor zzp’ers en het mkb (Nationaal Groeifonds, 2022).

Alleen als het grootbedrijf en de grote kennis­instellingen bij subsidieaanvragen het initiatief nemen tot samenwerking, kan het mkb zich aansluiten. Wat dat betreft kan de werkwijze van ASML als voorbeeld dienen. Dat bedrijf heeft een open innovatiestructuur opgezet, waarbij het met zijn toeleveranciers en klanten samenwerkt aan productiviteitsverhogende innovaties. Zo kan het grootbedrijf veel actiever aan vergroenende open innovatie voor het ecosysteem bouwen. Het voorbeeld van ASML laat zien dat dit ook voor het grootbedrijf zelf grote productiviteitsvoordelen met zich mee kan brengen. Wederkerigheid tussen grootbedrijf en mkb-ondernemingen is zo ook een onderdeel van groene groei.

Ontgrijzing

Groene groei klinkt heel aantrekkelijk, als een win-win tussen ecologische duurzaamheid en een hogere levensstandaard. In de praktijk is er echter vaak sprake van een afruil tussen die twee. Wanneer er in de landbouw minder kunstmest mag worden gebruikt, wordt er minder per hectare geoogst. Anderzijds kan de bodemkwaliteit door minder kunstmest te gebruiken, verbeteren, waardoor ook de oogst op termijn weer toeneemt.

Het proces van vergroening betekent dat bedrijven ook actief inzetten op ontgrijzing. Dat wil zeggen dat ze afscheid nemen van oude, niet-duurzame technologie en producten, en van grijze toeleveranciers en klanten. Een voorbeeld zijn de pensioenfondsen die beleggingen in fossiele energiebronnen van de hand doen. Net zo goed als overheden een rol dienen te spelen bij het bewaken van de groene grenzen, kunnen overheden de economie en het bedrijfsleven helpen bij het ontgrijzen, bijvoorbeeld door normen te stellen waardoor sommige productiewijzen of producten niet langer zijn toegestaan. Ook dat gebeurt vooralsnog maar mondjesmaat, al is de versnelde sluiting van kolencentrales daarop een positieve uitzondering.

Getty Images

Literatuur

Acemoglu, D. en W. Rafey (2018) Mirage on the horizon: geoengineering and carbon taxation without commitment. NBER Working Paper, 24411.

Baarsma, B., J. van den Bergh, A. Boot et al. (2019) Kabinet: zorg dat iedere ton CO₂-uitstoot dezelfde prijs krijgt. Blog op esb.nu, 24 april.

Denkwerk (2022) Voorbij netto-nul naar planeet-positief; drie transities om Nederland terug te brengen binnen de grenzen van een leefbare aarde. Denkwerk Rapport, januari.

Hisrich, R.D. en M.P. Peters (1998) Entrepreneurship, 4e editie. New York: Irwin/McGraw-Hill.

Nationaal Groeifonds (2022) Wat zijn de criteria? Te vinden op www.nationaalgroeifonds.nl.

Rabobank (2021) Start testfase met rentekorting voor duurzame melkveehouders. Persbericht, 14 juli. Te vinden op www.rabobank.com.

RaboResearch (2022) De transitie naar een duurzame en inclusieve economie stagneert. Special, 28 januari. Te vinden op economie.rabobank.com.

Rockström, J., W. Steffen, K. Noone et al. (2009) Planetary boundaries: exploring the safe operating space for humanity. Ecology and Society, 14(2), 32.

RVO (2018) Hét mkb bestaat niet; een statistische verkenning van heterogeniteit in het mkb. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Rapport, juni. Te vinden op www.cbs.nl.

Schiphol (2022) AMS airport charges, levies, slots and conditions: operating with transparency. Te vinden op www.schiphol.nl.

Schoenmaker, D., R. van Tilburg, B. Jacobs et al. (2019) Wij zijn het eens: CO₂-heffing hard nodig, ook voor de Nederlandse industrie. Blog op esb.nu, 25 januari.

Schumpeter, J.A. (1949) Economic theory and entrepreneurial history. In: R.R. Wohl (red.), Change and the entrepreneur: postulates and the patterns for entrepreneurial history. Cambridge, MA: Harvard University Press, 63–84.

SEO (2022) De NEX-22: de afstand tot de nieuwe economie. SEO Economisch Onderzoek Rapport, januari.

Auteur

  • Barbara Baarsma

    Directeur Kennisontwikkeling Rabobank en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA)

Categorieën