Ga direct naar de content

Olympische medailles als welvaartsindicator

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 2 1992

Olympische medailles als
welvaartsindicator
F.A.G. den Butter en C.M. van der Tak*

D

e onlangs afgesloten Olympische Spelen van Barcelona geven aanleiding tot een
bespiegeling over de relatie tussen de welvaart van een land en de medailleoogst. Regressie-analyses met verschillende welvaartsindicatoren tonen aan dat bet
welvaartsniveau inderdaad verband houdt met bet aantal gewonnen Olympische
medailles. Wanneer bet medailleklassement van Barcelona wordt gecorrigeerd voor
bet aantal inwonersper land en het nationaal inkomen per hoofd van de
bevolking, staat niet het GOS, maar Hongarije aan kop. De VS verdwijnen in de
middenmoot.

Voor kwantitatief ingestelde economen is een internationale vergelijking van de welvaart van landen of
volkeren een geliefd, maar met veel voetangels en
klemmen bezaaid onderzoeksgebied. Het onderwerp is al zeer oud. Zo waren de eerste schattingen
van het nationaal inkomen in Engeland door William Petty in 1665 mede bedoeld om aan te tonen dat
Engeland niet geruineerd was door de oorlogen met
het buitenland en dat het zich op het gebied van de
handel en militair potentieel nog kon meten met
Holland en Frankrijk. Internationale vergelijkbaarheid is dan ook een belangrijk oogmerk in de opzet
van de nationale rekeningen. Om die reden wordt
de nationale boekhouding op basis van internationale richtlijnen opgesteld. Afgezien van allerlei waarderingsvraagstukken is een van de belangrijkste
voetangels hierbij dat het nationaal inkomen op
zich niet een volledig beeld van de welvaart van
een land geeft. Andere aspecten dan het inkomen
zijn daarbij evenzeer van belang.
De onlangs afgesloten Olympische Spelen van Barcelona geven aanleiding tot een bespiegeling over de
welvaartsvergelijking tussen landen. Immers, de nationale trots en het afwegen van de prestaties van
het eigen land tegen die van andere landen voert
vaak de boventoon bij de verslaggeving over de spelen. De sublimatie van deze gevoelens vindt plaats in
het in alle kranten afgedrukte medailleklassement,
waarin de landen gerangschikt zijn naar het aantal
medailles die door (de deelnemers van) deze landen
bij de spelen zijn behaald. Vormt dit medailleklassement nu in deze moderne tijd, waarin de sport ‘big
business’ geworden is, een betrouwbare indicatie
voor de welvaart van de verschillende landen? Of is
het juist een goed surrogaat voor een gebrek aan welvaart? Is er een verband tussen behaalde medailles
en welvaart? Welke welvaartsmaatstaf verklaart het
beste het aantal behaalde medailles?
In dit artikel passeert een aantal kwantitatieve aspecten van het verband tussen het medailleklassement

ESB 2-9-1992

van de Olympische Spelen, het nationaal inkomen
en andere welvaartsindicatoren de revue. Eerst leggen we met behulp van regressie-analyse verbanden bloot tussen de Olympische prijzen en welvaartsindicatoren, vervolgens laten we zien wie de
ware winnaars van Barcelona geworden zijn.

Verband tussen welvaart en medailles
Om het verband tussen welvaart en op de Olympische Spelen behaalde medailles te bepalen hebben
we eerst een rangschikking gemaakt op grond van
het absolute aantal behaalde medailles. Deze rangschikking komt in beginsel overeen met het in de
kranten gepubliceerde medailleklassement, zij het
dat de medaille-oogst voor ieder land tot een getal
is herleid. Zo is voor ieder land dat in de prijzen
viel, het aantal medaillepunten berekend waarbij
aan een bronzen medaille een punt is toegekend,
aan een zilveren medaille twee punten en aan een
gouden medaille vier punten. Op deze wijze zijn de
verschillende types medailles, zij het enigermate willekeurig, onder een noemer gebracht. Zo heeft het
GOS met 45 gouden, 38 zilveren en 29 bronzen medailles 285 medaillepunten vergaard. Afgelezen aan
het aantal medaillepunten heeft het GOS de Olympische Spelen van Barcelona gewonnen. Hetzelfde
geldt overigens voor de spelen van Seoul, toen het
GOS maar liefst 328 punten wist te verzamelen. Het
verschil van 43 punten tussen toen en nu kan niet
uitsluitend aan de afzonderlijke deelname van de
Baltische staten worden toegerekend maar is wellicht ook een gevolg van de verslechtering van de
sportfaciliteiten na het uiteenvallen van de Sovjetunie. Eigenlijk is in dit licht bezien de achteruitgang
van het GOS nog beperkt gebleven. Daarbij moet
* F.A.G. den Butter is hoogleraar algemene economic aan
de Vrije Universiteit te Amsterdam; C.M. van der Tak is aio
ontwikkelingseconomie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en het Tinbergen Instituut.

Verklarende variabeien (logs)
Plaats

const.

Njlbe^a?’Njlk/bev? ‘

. dwbsoc .

Teverklaren
variabele (logs)

“:,’ij4. 0,44

Barcelona -7,5

0,82

(7,1)

(6,3)

-7,3

0,76

1,7

(5,1)

l.MP/bev.

(4,5)

(3,1)

Seoul

(3,5)

Barcelona -8,8

0,92

1,4

(5,2)

(4,7)

-7,5

0,76

1,6

(2,8)

(2,7)

Seoul

Barcelona -9,2

0,97

1,4

(5,2)

(4,7)

-8,3

0,85

1,7

(3,0

0,23

(3,2)

(3,4)

3. MP/bev.

0,32

(3,1)

0,2)

2. MP/bev.

0,38

(2,7)

Seoul

0,32
0,22

Toelichting:
NI/bev.: nationaal inkomen per hoofd van de bevolking op basis van dollarkoersen;
NIkk/bev.: idem, herberekend via koopkrachtecjuivalenten;

NIsh/bev.: idem, op basis van gegeveris van R. Summers en A. Hestbn , zle vbctnoot 1;
Gegevens voor NI/bev. en NIkk/bev. zijn ontleend aan United Nations Development
Program, Human Development Report 1990, Oxford University Press, New York/
Oxford 1990;
t-waarden tussen haakjes; R2: voor vrijheidsgraden gecorrigeerde bepaaldheidscoef-

ficiem ;

Tabel 1.
echter wel worden bedacht dat de Olympische SpeHet verband
len enigszins aan medaille-inflatie onderhevig zijn
tussen medail- omdat er steeds meer nummers tot het officiele prolepunten (MP)

gramma worden toegelaten. Zo is het totaal aantal

en ttrie per capita inkomens- in Barcelona behaalde medaillepunten met ruim
11% gestegen ten opzichte van dat van Seoul. Naast
begrippen

een medaille-inflatie heeft in Barcelona ook een
medaillenivellering ten opzichte van Seoul plaatsgevonden. Zo hebben in Barcelona 64 verschillende
landen een of meerdere medailles gewonnen, tegenover 48 landen in Seoul. In Seoul behaalden de eerste drie landen 49% van het totaal aantal medaillepunten en in Barcelona is dit percentage gedaald tot
40. Voor de eerste acht landen zijn deze percentages
respectievelijk 70 en 62.
Maar in hoeverre is het totaal aantal medaillepunten
nu een graadmeter voor de welvaart? In het vervolg
van dit artikel gaan we dieper in op deze relatie tussen welvaart en medaillewinst. Het uitgangspunt
hierbij is dat hoe welvarender een land is, des te
meer inwoners in staat zullen zijn om op hoog niveau sport te bedrijven. Hiervoor zijn minimaal vier
mechanismen aan te wijzen. Meer welvaart leidt tot
een gemiddeld hogere volksgezondheid, wat sportprestaties positief bei’nvloedt. Daarnaast hebben bedrijven meer mogelijkheden om tot sponsoring van
topsport over te gaan, en zullen daar eerder toe
overgaan vanwege de grotere vraag naar passieve
sportbeoefening in welvarender landen. Verder is
de actieve sportbeoefening in welvarender landen
groter, waardoor het reservoir waaruit topsporters
geput kunnen worden groter is, en heeft de overheid meer financiele mogelijkheden om centrale
voorzieningen te scheppen om (top-)sport te stimuleren. Het ligt dus voor de hand een positief verband tussen inkomensniveaus of andere welvaartsgegevens en sportprestaties te postuleren.
Om dit nader te onderzoeken hebben we een aantal
regressieberekeningen uitgevoerd, waarin het statistische verband wordt bepaald tussen de behaalde
medaillepunten en afzonderlijke welvaartsindicato-

ren. Na enige experimenten met lineaire en semi-logaritmische specificaties, bleken (dubbel-)logaritmische specificaties uiteindelijk het beste te voldoen.
Wanneer inkomensgegevens als welvaartsindicator
worden gehanteerd, heeft deze specificatie ook een
duidelijke economische interpretatie: de coefficientwaarde stelt een elasticiteit voor. Opgemerkt zij dat
onze regressies uitsluitend de landen betreffen die
tijdens de spelen ook daadwerkelijk een medaille
gewonnen hebben. Van lang niet alle landen zijn
deelnemers met medaillebuit naar huis teruggekeerd (zoals bij voorbeeld India, een land met een
grote bevolkingsomvang). Technisch gesproken zijn
onze regressies dus geconditioneerd op de landen
die ten minste een medaille hebben gewonnen.
Daarmee geven de vergelijkingen een onderschatting van het welvaartsniveau dat nodig is om een bepaald aantal medaillepunten te halen.
Tabel 1 geeft het verband weer tussen het aantal medaillepunten per hoofd (MP/bev) en drie per capita
inkomensbegrippen (waarover straks meer). In deze
regressies is tevens een dummy voor de (voormalige) socialistische landen (dumsoc) opgenomen. Dit
om in de regressies rekening te houden met de specifieke sportcultuur en met de grote onzekerheden
over de omvang van het inkomen van deze landen.
Het feit dat de coefficientwaarden voor deze dummies in de vergelijkingen voor de spelen van Seoul
iets hoger zijn dan voor de spelen van Barcelona,
laat zien dat de nadruk op sportprestaties met de
desintegratie van de socialistische wereld aan het
verdwijnen is.
In vergelijking 1 in tabel 1 is het traditionele, op basis van dollarkoersen berekende nationale inko-

men (NI) als verklarende variabele opgenomen. De
tabel laat zien dat de inkomenselasticiteit van de
medaillewinst bij de spelen van Barcelona iets hoger uitkomt dan bij de spelen van Seoul. Bovendien heeft de regressie voor Barcelona, gemeten
aan de R , een hogere verklaringsgraad, waarbij de
waarde van 0,44 voor een cross-sectie analyse als
bevredigend kan worden aangemerkt. In vergelijking 2 van tabel 1 is het via de koopkrachtequivalenten herberekende inkomensbegrip (NIkk) als
verklarende variabele gehanteerd. De inkomenselasticiteit is voor de spelen van Barcelona nu nog
hoger dan volgens vergelijking 1.
De inkomensgegevens van vergelijking 3 in tabel 1
zijn ontleend aan de bekende ‘Summers en Heston’gegevens van de PENN World Table, een groot project van gegevensverzameling dat beoogt een internationaal vergelijkbaar systeem van ree’le nationale
rekeningen op te zetten (NIsh) . Bij dit project
wordt voor ieder land het bruto binnenlands produkt gesplitst in ongeveer 150 verschillende
categorieen, waarbinnen per land voor 1.500, zoveel mogelijk vergelijkbare goederen, diensten en
typen arbeidsinspanningen, de prijzen berekend
worden. Op basis van deze gedesaggregeerde prijsbepaling worden de nationale inkomens vergelijk-

1. Zie R. Summers en A. Heston, The PENN world table
(mark 5); an expanded set of international comparisons,
1950-1988, Quarterly Journal of Economics, nr. 106, 1991,
biz. 327-368.

baar gemaakt. De label laat zien dat de regressieuitkomsten voor deze inkomensgegevens niet veel
afwijken van die in vergelijking 2. Met 0,97 is de inkomenselasticiteit bij de spelen van Barcelona volgens de gegevens van Summers en Heston vrijwel
gelijk aan 1, terwijl ook de inkomenselasticiteit bij
de spelen van Seoul wat hoger uitkomt dan volgens de andere inkomenbegrippen. Al met al laat
label 1 zien dat de inkomenselasticiteit in Barcelona ten opzichte van de spelen van Seoul gestegen
is. Dit kan crop duiden dat geld inderdaad een
steeds belangrijker determinant voor het leveren
van topsportprestaties wordt.
Nu mag men natuurlijk welvaart en de daardoor
ontstane mogelijkheden tot menselijke ontwikkeling niet volledig vereenzelvigen met de omvang
van het nationaal inkomen. Het is nodig bij een internationale vergelijking van de •welvaart tussen verschillende landen meer aspecten te betrekken dan
het inkomen alleen. Belangrijke voorbeelden van
andere indicatoren waaraan het niveau van de welvaart van een land wordt afgelezen zijn de levensverwachting bij geboorte en het percentage alfabetisme bij volwassenen. Daarnaast verbergen de
nationale inkomensgegevens ook de inkomensongelijkheid.
Om deze dimensies van het welvaartsbegrip in een
getal samen te vatten hebben de Verenigde Naties
een zogeheten Human Development Index (HDI)
berekend . Hierbij worden de landen naar de bovengenoemde indicatoren gerangschikt, waarna de
HDI als een gemiddelde van deze rangschikkingen
berekend wordt. Sommige landen komen in deze
rangschikking volgens de HDI opmerkelijk hoger
uit dan in een rangschikking volgens het nationaal
inkomen, hetgeen crop duidt dat deze landen nun
schaarse economische middelen meer dan gemiddeld gericht hebben op de menselijke ontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn Sri Lanka, Chili,
Costa Rica, Jamaica, Thailand en Tanzania. Andere

landen, zoals Oman, Gabon, Saoedi-Arabie, Algerije, Mauretanie, Senegal en Cameroun blijven in
hun mogelijkheden voor menselijke ontwikkeling
achter bij hetgeen volgens de inkomensmaatstaf
verwacht zou worden.
Tabel 2 toont hoe het aantal behaalde medaillepunten afhangt van twee samengestelde welvaartsindicatoren. In vergelijking 4 is de bovengenoemde
HDI van de Verenigde Naties als verklarende variabele opgenomen. Omdat de HDI al een logaritmisch karakter heeft, is deze in de vergelijking niet
via een logaritme getransformeerd. In vergelijking
5 in deze tabel wordt de medaillewinst verklaard
uit de quality of life index (QOL) van Slottje3. Dit is
een samengestelde welvaartsindex op basis van
twintig verschillende aspecten, die als een alternatief voor de HDI van de Verenigde Naties kan worden opgevat. Een belangrijk verschil tussen de HDI
en de QOL is dat de QOL meer welvaartsdimensies
omvat en op een meer geavanceerde wegingstechniek is gebaseerd. Aangezien een lage waarde van
de QOL een hoog welvaartsniveau aangeeft, krijgt
deze grootheid in de regressie een negatieve coe’fficientwaarde.
Tabel 2 laat zien dat volgens vergelijking 4 het welvaartsniveau van een land bij de medaillewinst een

ESB 2-9-1992

Plaats

Teverklaren

Verklarende variabelen
HO!
In QOL

const

,, v

variabefe (fagst)
4-MP/Nte- •••^;.”BareekMS -4,1
••’. ‘ . . ‘;.- ‘:: C..-.-r.’W>
Sewi!
-3,2

;.. ‘

5.MP/bev.

dumsoc

‘ 0,8) •

Barcelona 9,9
. • • , . ••

Seoul”

.. . . . CM)

4,06

0,9

2,69

a.i>
1,3

(2,2)

0,24

(2,1)

(3,9)

-2,75
(3,4)

11,0

-3,07

“(3,0}

(3,2)

0,15

2,3
(3,3)

0,21

3,1

0,26

(4,0)

ToeUchtteg:
HDI: de Human Development Index van de Verenigde Naties, zie voetnoot 2;
QOL: de Quality of Life index van DJ. Slottje, zievoetnoot 3;
t-waarden tussen haakjes; R2: voor vrijhekkgraden gecorrigeerdebepaaldheidscoefficient.

grotere rol heeft gespeeld bij de spelen van Barcelona dan bij die van Seoul. Dit is in overeenstemming met hetgeen in tabel 1 bij het nationaal inkomen als welvaartsindicator is gevonden. Opmerkelijk is dat vergelijking 5 met de QOL deze tendens
niet bevestigt. In dit geval is de verklaringsgraad bij
de spelen van Seoul groter dan die bij de spelen
van Barcelona.
Het is opvallend dat de HDI een betere verklaringsgrond voor het aantal behaalde medailles is dan de
QOL van Slottje, terwijl deze laatste vanuit welvaartsoogpunt te prefereren valt. Daarnaast is het
opvallend dat de meer algemene welvaartsindices
een slechtere verklaringsgrond bieden voor het aantal behaalde medailles dan het nationaal inkomen.
Een mogelijke verklaring is dat beide welvaartsindices een hoger opleidingsniveau (terecht) positief
waarderen. Het is goed voorstelbaar dat een grotere besteding aan onderwijs, resulterend in een hoger opleidingsniveau, ten koste gaat van financiele
middelen voor topsport, en dat daarom het nationaal inkomen betere regressie-uitkomsten te zien
geeft. Daar komt bij dat topsport in de minder welvarende landen de kans biedt zich aan de armoedespiraal te onttrekken. In de welvarende landen is
de kans hierop groter bij een goede opleiding dan

bij een keuze voor topsport.

De ware winnaars
In ieder geval bevestigen alle getoonde regressieuitkomsten, dat het welvaartsniveau van een land
een belangrijke rol speelt bij het behalen van Olympische medailles. Het nationale inkomen biedt in
dit geval een goede benadering voor de welvaartsaspecten die bij topsportprestaties van belang zijn.
Aangezien de inkomenselasticiteit in de buurt van
de 1 ligt, ligt een rangschikking van de medaillewinnaars op basis van het nationaal inkomen voor
de hand.

2. Zie United Nations Development Programme, Human
Development Report 2990, Oxford University Press, New
York/Oxford 1990.
3. DJ. Slottje, Measuring the quality of life across coun-

tries, The Review of Economics and Statistics, 1991, biz.
684-693.

Tabel 2.
Het verb and

tussen medaillepunten (UP)
en twee
samengestelde

welvaartsindicatoren.

:

48. Vferenigiie Stolen
Tabel3.

Deze ranglijst hebben we in label 3 gegeven . In

lepunten per

opgevat als een dubbele correctie, waarbij eerst het
aantal medaillepunten voor het inwonertal van het
land wordt gecorrigeerd en vervolgens voor het inkomen per hoofd als maatstaf voor de welvaart. De
correctie voor inwonertal vindt plaats op grond van
de gedachte dat hoe meer inwoners een land heeft
des te meer potentiele medaillewinnaars het herbergt. Toegegeven zij dat bij teamsporten, waar per
land slechts een deelnemend team toegestaan is, dit
enigszins in het nadeel van de grote landen werkt.
Zo had de Verenigde Staten bij basketbal waarschijnlijk wel drie winnende ‘dreamteams’ kunnen samenstellen. Anderzijds zijn er bij individuele sporten
vaak per land drie deelnemers toegestaan, waarbij
soms alle medaillewinnaars uit een en hetzelfde
land komen (kogelslingeraars uit het GOS, individuele dressuurruiters uit Duitsland, 3000 m. steeple
chase lopers uit Kenia).
De welvaartscorrectie is natuurlijk een ‘handicap’
van de welvarende landen, die voor een gelijke

Aantal medail- feite kan de berekeningswijze in de label worden
miljard dollar

nationaal
inkomen

rangschikking een groter aantal medaillepunten per
hoofd dienen te verzamelen dan landen met een relatief laag inkomen. Volgens de rangschikking in label 3 staal Hongarije bovenaan. Jamaica en Cuba
zijn goede tweede en derde. Ook Kenia neemt op
deze ranglijsl een hoge posilie.
Maar men kan de winnaars van de spelen ook aan
de hand van de residuen van de regressievergelijkingen bepalen. Immers, een land mel een grool posilief residu heefl, gegeven hel welvaarlsniveau (en
na correctie voor een socialistische sportculiuur),
relaiief goed gescoord. Op basis van deze maalslaf
heefl volgens vergelijking 1 Jamaica de spelen van
Barcelona gewonnen, mel Kenia als goede iweede.
Bij de spelen van Seoul hebben Djibouli en Suriname de hoogsle posilieve residuen, gevolgd door Kenia als eersle grole land. Maar volgens de regressie
mel de HDI heefl Namibie de spelen van Barcelona
gewonnen, mel hel olierijke Qalar op de Iweede
plaats. Deze wisselingen van winnaars tonen dat
een vergelijking van zowel de welvaart als van sportpreslalies lussen landen mel een korreltje zout moet
worden genomen.
Frank den Butter

Casper van der Tak

4. Soortgelijke berekeningen zijn voor de voorgaande
Olympische Spelen uitgevoerd door J. Kol, en B. Kuijpers,
Relatieve medaille-oogst werpt ander licht op Los Angeles,
NRCHandelsblad, 18 augustus 1984, biz. 7; T.H.A. van der
Voort, Echte winnaar OS is Nieuw-Zeeland, NRC Handelsblad, 3 September 1984, biz. 7; F.A.G. den Butter en W.C.
Boeschoten, Zicbtbare economie, Academic Service,
Schoonhoven, 1989, biz. 189-192; F.A.G. den Butter en J.
Peters, De ware winnaars van Seoul, Economisch Bulletin,
nr. 4, 1988, biz. 12-14. De rangschikking volgens inkomensgegevens voor de Spelen van Barcelona en Seoul staan in
J. Kol en B. Kuijpers, Olympisch naspel, De Volkskrant, 11
augustus 1992, biz. 9.

Auteurs