Ga direct naar de content

Investeringsloon

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 22 1981

ECOIMOMISCH STATISTISCHE BERICHTEIM

Investeringsloon
De rol van de overheid in een stagnerende markteconomie is geen gemakkelijke. Particuliere investeringen
stagneren, de positie van de begroting en de betalingsbalans laten geen ruimte voor het opvoeren van de overheidsinvesteringen, terwijl direct overheidsingrijpen niet
past in de marktorde. Wat als mogelijkheid rest, is het
direct stimuleren van de particuliere investeringen door,
wat in jargon heet, ,,het wegnemen van knelpunten”. Een
zo’n knelpunt is de financiering van de investeringen.
De laatste tijd begint er onder de sociale partners eensgezindheid te ontstaan over een mogelijk instrument om
dit knelpunt aan te pakken. Door het invoeren van investeringsloon, waarbij werknemers een deel van hun loon
in de vorm van risicodragend kapitaal ter beschikking
stellen aan hun onderneming of aan een nationaal fonds,
zou de financieringsproblematiek verlicht kunnen worden
en zou bovendien de werkgelegenheid op direct zichtbare
wijze bevorderd worden. Zowel de FNV (met uitzondering van de Voedingsbond en de ABV A), het CNV, minister Albeda, alsook het VNO hebben zich positief over het
investeringsloon uitgelaten. Ook buiten de commissieWagner is het blijkbaar mogelijk het met elkaar eens te
zijn.
Toch kunnen er nog wel wat valse noten in deze samenzang worden verwacht, wanneer het erop aankomt overeenstemming te bereiken over de vraag of investeringsloon op ondernemings- of op nationaal niveau moet worden geregeld. Ondernemingsgewijze aanwending heeft het
voordeel dat er een directe, motiverende band wordt geschapen tussen inleveren en het scheppen van werkgelegenheid (als we tenminste aannemen dat het investeringsloon niet gebruikt zal worden om arbeidsbesparende
vervangingsinvesteringen te doen). Investeringsloon is
dan een aantrekkelijker, en dus haalbaarder alternatief
dan loonmatiging. Ondernemingsgewijze toepassing leidt
echter wel tot verschillen in individuele risico’s, en daarmee tot beloningsverschillen, voor de betrokken werknemers, en dat lijkt niet te passen in het tot nu toegevoerde
loonbeleid. Bovendien zullen bedrijven die geen investeringsmogelijkheden zien, de uit het investeringsloon vrijkomende financiele middelen niet produktief kunnen besteden. Bij nationale organisatie van het investeringsloon
kan dit probleem worden voorkomen door gerichte aanwending van de middelen. De vraag is dan wel, welke
criteria gehanteerd zullen worden bij de belegging van
de gelden. Coo’rdinatie met het sectorbeleid lijkt in ieder
geval wenselijk. Een probleem bij nationale toepassing
is echter dat de zo belangrijkedirecte band tussen inleveren
en werkgelegenheid wordt verzwakt. Het zal moeilijk
kiezen zijn tussen deze varianten.
Er zijn meer punten die de partijen zich moeten realiseren bij de discussie over het investeringsloon. Zo
wordt blijkbaar stilzwijgend de veronderstelling geaccepteerd dat het positieve effect op de werkgelegenheid van
het (indirect) opvoeren van de investeringen opweegt tegen
het negatieve effect van het gedeeltelijk wegvallen van de
consumptieve vraag. Er kunnen enkele kanttekeningen

ESB 29-7-1981

bij dit optimisme worden geplaatst. Naast de omvang van
de uitgelokte investeringen die de bestedingsruimte
moeten opvullen die door het terugvallen van de particuliere consumptie ontstaat, is de reactiesnelheid waarmee
zij worden gerealiseerd van belang. Een aanzienlijke
,,time lag” tussen sparen en investeren kan het vertrouwen
in het investeringsloon aantasten, en daarmee de bereidwilligheid van de werknemer om een deel van zijn loon
aan de onderneming of het nationaal fonds af te staan.
Een tweede kanttekening betreft het effect van het investeringsloon op de lopende rekening van de betalingsbalans. Weliswaar zal de terugval van de consumptie in
eerste instantie de lopende rekening verbeteren, doch de
uitgelokte investeringen gaan met een hoge invoer van
buitenlandse kapitaalgoederen gepaard. Ten slotte is het
resulterende effect op de werkgelegenheid sterk afhankelijk van de structuur van het bedrijfsleven. Het ongelukkige ,,toeval” wil, dat juist de sectoren die op de binnenlandse markt gericht zijn (met name de dienstensector),
en dus het meest van de terugval van de consumptie te
lijden hebben, een relatief hoge ,,arbeidsopnamecapaciteit” hebben.
Investeringsloon is dus niet het wondermiddel, waarvoor velen het houden. Daarmee is echter niet gezegd dat
invoering niet het overwegen waard is. Recenteervaringen
in Zweden met een variant op het investeringsloon, het
spaarloon, geven zelfs reden tot enig optimisme. De
Zweedse overheid heeft een half jaar geleden een systeem
ontworpen, dat spaarders een belastingaftrek op het gespaarde bedrag van 30% verschaft. Werknemers kunnen
ook van deze faciliteit gebruik maken door in een aandelenfonds van hun onderneming te participeren. Maandelijks wordt dan een vast bedrag in het fonds belegd,
waarbij de mogelijkheid bestaat het belegde geld ook weer
uit het fonds op te nemen. Ruim 150.000 Zweedse werknemers hebben al in een dergelijk fonds belegd. Naar
schatting betekent dit een jaarlijkse kapitaalinjectie van
Zw.kr. 500 mln. (zo’n f. 250 mln.) 1). Dit lijkt niet al te
veel, maar als versterking van het eigen vermogen van het
bedrijfsleven is het zeker de moeite waard. Het Zweedse
systeem heeft als voordeel, dat het werknemers vrij laat
te kiezen tussen consumeren en sparen. Hierdoor worden
de problemen van loondifferentiatie voorkomen. Bovendien worden de financie’le middelen nuttig gebruikt, doordat alleen bedrijven die ree’le investeringsmogelijkheden
zien, een aandelenfonds zullen oprichten.
Wat in Zweden lukt, hoeft nog niet in Nederland te
lukken. Wel kunnen we op dit punt wellicht iets van de
ervaringen in het buitenland leren. Nu er onder de sociale
partners eenstemmigheid is over het beginsel, kan de
discussie over de vormgeving van het investeringsloon
beginnen.
H. Kamps
Het Financieele Dagblad, juni 1981.

713

Auteur