Ga direct naar de content

Input/output

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: maart 20 2009

input
Openbaar vervoer

Collectief

Bakker en Zwaneveld van het Kennis­
instituut voor Mobiliteitsbeleid en het
Centraal Planbureau vragen zich af of de
baten van het openbaar vervoer voldoende
worden meegenomen in kosten-batenanaly­
ses. De auteurs stellen dat onvoldoende
rekening wordt gehouden met indirecte
effecten, zoals verbetering van het milieu,
besparingen op parkeerruimte, en de moge­
lijkheid om in geval van nood van het openbaar vervoer gebruik
te kunnen maken. Wel menen de auteurs dat niet in algemene
zin gesteld kan worden dat kosten-batenanalyses te hoog of te
laag uitkomen. Van de onderzochte analyses kwam ongeveer
een derde positief uit. Vooral de resultaten van de analyses in
de gebieden waar veel verkeer voorkomt waren positief.

Demertzis van De Nederlandsche Bank onderzoekt hoe inschat­
tingsfouten van individuen en groepen individuen reageren op
informatie die de overheid verstrekt. Hoewel overheidsinformatie
er altijd voor zorgt dat de inschatting van een individu beter
wordt, hoeft dit niet het geval te zijn voor groepen mensen. Als
bijvoorbeeld alleen de ondergebruikers de informatie van de
overheid opnemen en de overgebruikers niet, zal het gemiddelde
gebruik een grotere inschattingsfout vertonen. Hierdoor kan het
lijken alsof het verstrekken van nuttige informatie zorgt voor een
grotere inschattingsfout. Dit kan voor een overheid een aanlei­
ding zijn om de informatie niet meer te verstrekken.

Bakker, P. en P. Zwaneveld (2009) Het belang van openbaar vervoer. Den Haag:
KiM en CPB.

Patent
Voor het Tilburg Law and Economic Centre stellen Baker en
Mezzetti dat patentwetgeving in de Verenigde Staten niet door
het parlement bepaald is, maar tot stand komt door jurispruden­
tie. Om de effecten hiervan te analyseren gebruiken zij een model
waarbij een rechter gaandeweg kan leren van de rechtsbesluiten
van zijn collega’s. De auteurs stellen dat rechters niet voor eeuwig
blijven bijleren: op een gegeven moment weten rechters genoeg,
zodat de opbrengsten van het uitzoeken van nog meer rechts­
zaken te weinig kennis oplevert. De auteurs geven aan dat het zo
kan zijn dat een imperfect rechtssysteem lange tijd blijft bestaan,
omdat uitspraken voortbouwen op vorige uitspraken, en het com­
pleet veranderen van het rechtssysteem teveel zou kosten.

Demertzis, M. (2009) The ‘wisdom of the crowds’ and public policy. DNB werkdocument nr 203. Amsterdam: DNB.

Handelsbarrière
Voor het Tinbergen Instituut onderzoeken Möhlmann et al. welk
belang handelsbarrières hebben voor de handel tussen landen.
Hiervoor gebruiken de auteurs een dataset over de bilaterale
internationale handel tussen 55 landen in 2000. De auteurs
constateren dat handelsbarrières een ander effect hebben
voor de handel in homogene dan voor heterogene goederen. Zo
hebben een groter verschil in cultuur en instituties een signifi­
cant negatief effect op de handel in homogene goederen, terwijl
de totale handelsstromen niet significant beïnvloed worden door
cultuur- en institutionele verschillen. De auteurs stellen dat
dit komt doordat het bij heterogene goederen moeilijker is een
handelspartner te vinden met een kleiner cultuurverschil dan bij
homogene producten.
Möhlmann, J., S. Ederveen, H. de Groot en G.-J. Linders (2009) Intangible
barriers to international trade: a sectoral approach. Tinbergen discussieartikel
nr 2009-021/3. Amsterdam: Tinbergen Instituut.

Baker, S. en C. Mezzetti (2009) Optimal patent jurisprudence. TiLEC discussie­
artikel nr 2009-006. Tiburg: TiLEC.

Diploma
Internationale samenwerking
Van Essen en Bhansing van het EIM stellen dat in 2008 veertig
procent van de middelgrote en kleine bedrijven samenwerkte
met een andere onderneming. Meestal ging het om samen­
werking met een binnenlands bedrijf. Ongeveer acht procent
van alle middelgrote en kleine bedrijven werkt samen met een
buitenlandse partner. Van deze internationaal samenwerkende
bedrijven werkt zestig procent langer dan vijf jaar samen. De
auteurs stellen dat innovatieve activiteiten bepalen of een
bedrijf internationaal gaat samenwerken. Internationaal samen­
werkende bedrijven ondernemen vaker innovatieve activiteiten
dan bedrijven die niet internationaal samenwerken. Daarnaast
wordt toegang tot nieuwe kennis het vaakst genoemd als reden
om samen te werken met buitenlandse partners.

Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt analyseert
het gedrag van schoolverlaters. Hiervoor houdt het centrum een
enquête onder 5.700 ongediplomeerde jongeren in 2005-2006.
Van deze groep is 37 procent weer aan een opleiding ­ egonnen,
b
bezit dertien procent een startkwalificatie en is veertig procent
schoolverlater zonder startkwalificatie. Tien procent van de
respondenten werd in 2005-2006 ouder dan 23 jaar, en
viel daarmee niet meer onder de definitie van schoolverlater.
Het centrum stelt dat jongens vaker schoolverlater zijn dan
meisjes en dat allochtone jongeren vaker de school verlaten dan
a
­ utochtone jongeren. Als belangrijkste reden geeft 25 procent
van de respondenten aan de school te verlaten om met een
andere opleiding verder te gaan, en tien procent geeft aan liever
te gaan werken. Van de respondenten heeft 38 procent na een
jaar spijt dat hij met de opleiding is gestopt.

Essen, C. van en P. Bhansing (2009) Internationale samenwerking door het

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2009) Zonder diploma.

Nederlandse mkb. Zoetermeer: EIM.

Maastricht: ROA.

164

ESB

94(4556) 20 maart 2009

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

output
Kredietbeoordeling

Toetreding

Voor het National Bureau of Economic Research stellen Skreta en
Veldkamp dat bedrijven uit verschillende beoordelingsbureaus
kunnen kiezen voor de waardering van hun kredietwaardigheid.
Omdat bedrijven de hoogste waardering zullen uitzoeken, zal de
beoordeling een afwijking naar boven vertonen. Als oplossing
voor dit probleem stellen de auteurs dat toenemende concurren­
tie tussen beoordelingsbureaus het probleem alleen maar groter
zou maken, omdat nog meer beoordelingsbureaus zorgen voor
nog meer verschillende waarderingen. Een overstap naar een
systeem waarbij de investeerder de beoordelingsbureaus betaalt
kan de problemen volgens de auteurs wel oplossen, omdat de
investeerder een prikkel heeft om voor de meest accurate waar­
dering het meest te betalen.

Voor het Centre for Economic Policy Research analyseren Boutin
et al. wat de relatie is tussen de hoeveelheid aanwezig kapitaal
die ingezetenen in een markt bezitten en de hoeveelheid bedrij­
ven dat in de markt toetreedt. Daarnaast bekijken de auteurs in
hoeverre het behoren tot een conglomeraat van de ingezetenen
effect heeft op de toetreding. Boutin et al. constateren dat de
aanwezigheid van conglomeraten in een markt en het kapitaal
van bedrijven die geen deel zijn van een conglomeraat geen
effect hebben op de toetreding, maar dat de aanwezigheid van
conglomeraten met veel geld een negatief effect op de toetre­
ding heeft. Dit effect wordt groter als er minder externe finan­
ciering voor de toetreders voorhanden is.

Skreta, V. en L. Veldkamp (2009) Ratings shopping and asset complexity: a theory

The deep pocket effect of internal capital markets. CEPR discussieartikel nr 7184.

of ratings inf lation. NBER werkdocument nr 14761. Cambridge, Mass.: NBER.

Londen: CEPR.

ICT

Grond

Borghans en Ter Weel onderzoeken voor het Centraal Planbureau
wat de implicaties van ICT zijn voor de arbeidsmarkt. Zij stellen
dat vaak aangenomen wordt dat de introductie van computers
tot ongelijkheid in de arbeidsmarkt leidt tussen hoogopgeleiden
en laagopgeleiden. In de empirische literatuur wordt dit echter
niet ondersteund. De auteurs stellen dat het niet om opleidings­
niveaus, maar productiviteitsniveaus gaat. Omdat het ­ anleren
a
van computertechnieken vaste kosten kent, maar grotere
opbrengsten heeft voor werknemers die productiever zijn, zullen
eerst de meest productieve werknemers computertechnieken
leren. Hierdoor ontstaat ongelijkheid binnen de groepen hoogen laagopgeleiden.
Borghans, L. en B. ter Weel (2009) Understanding the technology of computer

De Vromraad stelt dat er steeds minder
geld beschikbaar is voor kwaliteit in de
ruimtelijke planning. Volgens hem komt
dit onder andere door hoge grondprijzen,
die de gemeente bepaalt. Om deze prijs
lager te maken, stelt de raad voor om de
wijze van prijsberekening voor de grond te
hervormen, onder andere door te stellen
dat het recht op zelfrealisatie in bepaalde
situaties genegeerd mag worden. Dit recht geeft de eigenaar van
de grond als eerste de mogelijkheid om erop te bouwen. Door
dit recht af en toe te negeren, worden het bezit van de grond en
het recht op de ontwikkeling ervan losgekoppeld.

technology diffusion: explaining computer adoption patterns and implications for

Vromraad (2009) Grond voor kwaliteit. Vromraad advies 070. Den Haag:

the wage structure. CPB discussieartikel nr 117. Den Haag: CPB.

Vromraad.

Landschap

Armoede

Overbeek en De Graaf analyseren voor het LEI in hoeverre bewo­
ners rondom natuurgebieden naast de overheid mee-investeren
in natuurgebieden. Uit een enquête onder 1.360 bewoners en
235 bedrijven blijkt dat omwonenden van natuurgebieden zich
erg bij het landschap betrokken voelen. Van de ondervraagden
is een vijfde actief betrokken bij het beheer van het landschap,
terwijl ongeveer de helft van de omwonenden een bijdrage geeft
aan een goed doel om het natuurgebied in de regio in stand te
houden. Van de ondervraagde bedrijven is vier tiende bereid om
boerenproducten uit de regio te kopen, en is een tiende bereid
om een directe financiële bijdrage te leveren. Om de bijdragen
aan landschapsbeheer te vergroten, adviseren de auteurs om
meer financiële constructies op te zetten waar omwonenden in
kunnen investeren.

Voor het Centraal Bureau voor de Statistiek stelt Huynen dat
in 2006 zestien procent van de inwoners van de EU onder de
armoedegrens leefde. Nederland en Tsjechië hadden met tien
procent het laagste percentage mensen dat onder de armoe­
degrens leeft, terwijl Letland de grootste armoede kende met
twintig procent. Op andere armoede-indicatoren zijn de verschil­
len groter. Zo zegt vijf procent van de inwoners van Luxemburg
dat zij moeite hebben om rond te komen, het laagste percen­
tage in de EU. Het hoogste percentage heeft Letland, namelijk
49 procent. In Nederland is dit vijftien procent. Daarnaast is
Luxemburg het land waar het laagste aantal mensen om finan­
ciële redenen geen telefoon, auto en televisie bezit, met vier
procent, tegen het hoogste percentage van 49 in Letland. In
Nederland is dit elf procent.

Overbeek, G. en R. de Graaf (2009) Investeren in landschap. LEI rapport nr

Huynen, B. (2009) Armoede en inkomensongelijkheid in de Europese Unie.

2009-014. Den Haag: LEI.

In: CBS, Sociaaleconomische trends 1/09. Den Haag: CBS.

Boutin, X., G. Cestone, C. Fumagalli, G. Pica en N. Serrano-Velarde (2009)

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders

te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

ESB

94(4556) 20 maart 2009

165