Ga direct naar de content

Het Amerikaanse invoerprogramma voor staal

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 5 1986

Bet Amerikaanse
•
Invoerprogramma voor
staal
Op 31 oktober j.1. bereikten onderhandelaars van de Europese Commissie en van de Amerikaanse overheid
een akkoord over de beperking van de
uitvoer van staal uit de Europese Gemeenschap naar de Verenigde Staten.
Dit akkoord, dat een dreigende staaloorlog tussen de twee grootste handelsblokken voorkwam, is een direct
gevolg van het Amerikaanse
‘Presidential Steel Programme’ van 18 september 1984. Dit programma heeft tot
doel om de Amerikaanse staalinvoer
terug te brengen van 26,5% van de
Amerikaanse markt in 1984 tot 18,5%
in 1989, halffabrikaten
uitgezonderd.
Gezien het feit dat staal de laatste jaren één van de belangrijkste geschilpunten is geweest in de EuropeesAmerikaanse
handelsbetrekkingen,
met uitstralingseffecten
naar andere
sectoren, gaat dit artikel kort in op het
Amerikaanse
staalinvoerprogramma.
Achtereenvolgens
worden besproken
de inhoud van het programma, de aanleiding ervoor, wat tot nog toe bereikt is
en ten slotte de mogelijke effecten
ervan.

gestreefde invoerpenetratie,
voor alle
staalprodukten
op 20,2%. Uitgaande
van het Amerikaanse staalverbruik van
98,9 mln. ton in 1984 komt dit overeen
met een vermindering van de staalinvoer van 6,3 mln. ton ten opzichte van
1984.
Met het invoerprogramma
heeft de
bescherming tegen de invoer van staal
in de VS een historisch hoogtepunt bereikt. Bescherming in deze sector is
niet nieuw, zij heeft sinds 1969 eigenlijk voortdurend bestaan, in uiteenlopende omvang en vormen. Nog nooit
was zij echter zo omvattend als nu het
geval is. Voorbeelden van vroegere invoerbescherming
zijn de tussen 1969
en 1974 gesloten ‘vrijwillige’ uitvoerbeperkingsakkoorden
met de EG en Japan; het z.g. ‘Trigger Price Mechanism’ tussen 1977 en 1982; beperking
van de invoer van speciaalstaal in de
jaren zeventig en weer van 1983 tot
1987; en ten slotte een overeenkomst
met de EG over beperking van de staaluitvoer van de Gemeenschap van eind
1982 tot eind 1985. Met het invoerprogramma van september vorig jaar zijn
de VS er echter in geslaagd om de invoer van vrijwel elk staalprodukt vanuit
praktisch elk exporterend land gedurende vijf jaar te beperken.

veelal kwantitatieve
invoerbeperkingen en/of verhogingen van invoertarieven. Het is dan aan de president om
een definitieve beslissing te nemen,
waarbij het hem geheel vrij staat om de
aanbevelingen van de ITC al dan niet
te volgen.
Bethlehem Steel en de USW hadden
het moment van de indiening van hun
klacht zo gekozen dat de president
gedwongen was om twee maanden
voor de presidentsverkiezingen
van
1984 een beslissing te nemen. Voor
veel waarnemers stond daarom de uitslag van de hele procedure, ondanks
de sterke persoonlijke voorkeur van
Reagan voor vrijhandel, van te voren
eigenlijk al vast.
De centrale stelling van Bethlehem
Steel en de USW was dat de Amerikaanse staalindustrie
in de periode
1977 – 1983 grote schade had geleden
in de vorm van verminderde produktie,
afzet, winsten en werkgelegenheid
door de in hun ogen sterk gestegen
staal invoer. Hierdoor was het ook niet
mogelijk geweest om voldoende te investeren in nieuwe produktiemiddelen
die
de
lange-termijnconcurrentiekracht dienen te verzekeren. Door de
indieners genoemde indicaties van de
geleden schade staan gedetailleerd
vermeld in tabel 1.

Tabe/ 1. Ontwikkelingen in de Amerikaanse staalindustrie 1977 – 1983

22,3
1.276,6
1.154,5

Op 18 september
1984 kondigde
president Reagan op basis van sectie
202(8)(1) van de Handelswet uit 1974
een programma aan voor de Amerikaanse staalindustrie. Het programma
bestaat uit globaal drie onderdelen.
Het eerste en verreweg het belangrijkste betreft z.g. ‘vrijwillige’
overeenkomsten met landen die staal uitvoeren naar de VS om hun export te beperken. In de tweede plaats werden acties
tegen z.g. ‘unfaire’ handelspraktijken
van staalexporterende
landen aangekondigd, waarbij gedacht werd aan
dumping, subsidiëring en allerhande
invoerbelemmeringen.
En ten slotte
werd een ‘monitoring’
aangekondigd
van de inspanningen
van de Amerikaanse staalindustrie om zich te herstructureren en te moderniseren. Doel
van het programma is om tot en met
eind 1989 een jaarlijkse invoerpenetratie van 18,5%, exclusief halffabrikaten
te bereiken. Dat moet de staalindustrie
een adempauze geven om over vijf jaar
de internationale
concurrentie
weer
zonder bescherming aan te kunnen.
Voor halffabrikaten werd later een invoerquota van 1,7 mln. ton per jaar bekend gemaakt. Daarmee komt de na-

ESB 5-2-1986

Aanleiding
De directe aanleiding voor president
Reagans programma
was een op
grond van Sectie 201 van de Amerikaanse Handelswet uit 1974 ingediend
verzoek om invoerbescherming
door
één van de grootste Amerikaanse
staalproducenten
Bethlehem Steel en
de
staalarbeidersvakbond
‘United
Steelworkers of America’ (USW). De
indieners eisten een beperking van de
invoer tot 15% van de markt gedurende vijf jaar omdat naar hun mening een
sterke invoerstijging de Amerikaanse
staalindustrie grote schade berokkende.
De Amerikaanse wet bepaalt in zo’n
geval dat de ‘International Trade Commission’
(ITC), een onafhankelijke
Amerikaanse
overheidsinstelling,
allereerst onderzoekt of de betrokken industrie ernstige schade heeft ondervonden van de gestegen invoer. Is dit
het geval dan beveelt de ITC de Amerikaanse president concrete maatregelen aan om de industrie tijdelijke bescherming te bieden. Deze betreffen

1.734,9
2.600,8
-3.197,2

1983 a

Bet programma

1977
1978
1979
1980
1981
1982

-1.847,4

produktie
(in mln.

capaci-

ton)

winst
(in mln. $)

werkgelegenheid

gebruik

125,3
137,0
136,3
111,8
120,8
74,6
76,3

teits-

82,2DAl
90,7%
92,4%
76,9%
84,5%
51,7DAl
57,ODAl

452.388
449.197
453.181
398,829
390.914
289.439
242.492

a) over de eerste 9 maanden
Bron: petitie van Bethlehem Steel en USW, blz. 39 en 49.

De Europese Commissie heeft uitgebreid en duidelijk gereageerd op de petitie van Bethlehem Steel en de USW.
Hierbij ontkende zij geenszins de juistheid van de in tabel 1 genoemde cijfers
en gaf toe dat de Amerikaanse staalindustrie zich in een bijzonder moeilijke
positie bevond. Zij bestreed echter met
klem de redenering dat de moeilijkheden veroorzaakt waren door de gestegen invoer van staal. Zij toonde aan dat
de invoer van een niet onaanzienlijk
aantal categorieën produkten niet of
nauwelijks was toegenomen in de betrokken periode en daarom nooit schade had kunnen berokkenen. De Commissie kwam daarentegen met bewijzen dat het samenspel van een aantal
andere factoren de concurrentiekracht
van de grote geïntegreerde staalbedrijven had verzwakt. Het belangrijkste
probleem voor deze bedrijven was de
geleidelijke
structurele vermindering
van de vraag naar staal in de volgroeide, Amerikaanse economie. Bijkomen-

147

de factoren waren de onvoldoende
herstructurerings- en moderniseringsinspanningen van de geïntegreerde
bedrijven, hun gebrekkige kostenbeperking, en ten slotte de zware concurrentie die zij de laatste jaren steeds
meer zijn gaan ondervinden van de
z.g. ‘mini-mills’.
Voor een goed begrip van de situatie
van de Amerikaanse staalindustrie is
een korte bespreking van de hierboven
genoemde factoren onmisbaar. Een
centrale kostenfactor voor de Amerikaanse staalindustrie zijn de lonen. De
Amerikaanse staalarbeiders behoren
tot de best betaalde werknemers ter
wereld. In 1982 was hun gemiddeld
uurloon met $ 22 tweemaal zo hoog als
dat van hun collega’s in de gemiddelde
Amerikaanse industrie en het dubbele,
vaak ook nog meer, van dat van staalarbeiders in concurrerende landen 1).
Een tweede kostenpost is de verouderde produktiecapaciteit. Zo waren in
1982 Amerikaanse hoogovens gemiddeld 17 jaar oud tegenover 14,4 jaar in
Canada en 11,4 jaar in Japan, en Amerikaanse walsinrichtingen 27,5 tegen
14,1 in Canada en 13,7 in Japan. Dat
de Amerikaanse staalindustrie laat
was met de invoering van moderne
produktietechnieken kan uit tabel 2
worden opgemaakt, waarin het percentage van de produktie staat aangegeven dat via het materiaal- en energiebesparende continugietproces verloopt.
Tabe/2. Percentage van de produktie
dat via het continugietproces loopt
1973

Verenigde

Staten

Japan

EG
Bron: International

1981

6,8%

29,0%
78,7%
52,8%

20,7%
9,4%

Iron and Steellnstitute,

Brussel

1984.

Een derde kostenpost voor de Amerikaanse staalindustrie wordt gevormd
door het feit dat deze zijn ijzerertsbehoefte dekt uit ijzerertsmijnen – die
het in eigendom heeft – waar de kwaliteit van het gewonnen erts de laatste
twintig jaar sterk is verminderd. Hierdoor zijn de produktiekosten per ton
verwerkbare erts enorm gestegen.
Buitenlandse concurrenten betrekken
hun erts daarentegen uit ijzerertsproducerende regio’s als Brazilië, Afrika
en Australië waar erts van hoge kwaliteit tegen geringe produktiekosten
voorhanden is. Een Amerikaanse studie uit 1983 heeft berekend dat de prijzen van naar Amerika geëxporteerde
erts 20 to 30% lager zijn dan die van
Amerikaans erts, een en ander gecorrigeerd voor kwaliteitsverschillen 2).
Tenslotte is er het feit dat de grote
geïntegreerde Amerikaanse staalbedrijven de laatste vijftien jaar steeds
sterkere concurrentie zijn gaan ondervinden van de z.g. ‘mini-mills’. Dit zijn
bedrijven die met schroot als grondstof
en een produktiecapaciteit van vaak
148

Tabe/3. Resu/taat staa/onderhandelingen EG – VS
Beginpositie

Marktaandeel
Arrangement
1982
Consultatieprodukten

Beginpositie

VS

5,38%
3,57%
7,6 %
Van geval tot geval
bezien maar in ieder
geval meer dan VS-bod

4,46%
2,18%
4,19%
71.955 ton a)

Pijpen en buizen
Nieuwe produkten

Um 30 september

Duur akkoord
Aantal categorieën

1989

57
113.000 ton

Halffabrikaten

5,57%
3,77%

Um 31 december

Um 30 september

voldoende

speciaalstaal

7,6 %
128.182

ton a)

1989

33
om aan EG

voldoen
z.g. ‘S201’

1987

33
exportbehoelte

a) exclusief

Eindresultaat

EG

te

blijven consultatieprodukten, officieel
geen exportplafond

quota-produkten.

niet meer dan 1 miljoen ton, staal produceren, zij het met een veel beperkter
produktenprogramma dan de geïntegreerde producenten. Ten opzichte
van de grote ondernemingen hebben
zij belangrijke kostenvoordelen door
lagere kapitaal kosten , goedkopere
grondstoffen, lagere loonkosten, specialisatie en flexibeler management 3).
Hierdoor hebben de ‘mini-mills’ hun
marktaandeel de laatste twintig jaar
kunnen opvoeren van 2% tot rond de
20%. In tegenstelling tot de geïntegreerde ondernemingen kunnen zij de
concurrentie met buitenlandse producenten heel goed aan en is hun financiële positie doorgaans goed tot
redelijk.
Op 12 juni 1984 concludeerde de
ITC dat de Amerikaanse staalindustrie
schade ondervond van de invoer van
een aantal staalproducenten die te zamen 80 procent van de totale staalinvoer uitmaakten. Een maand later
deed zij president Reagan de aanbeveling voor een omvattend beschermingsprogramma van quota’s en tariefsverhogingen om de invoer van de
betrokken produkten gedurende vijf
jaar te beperken.
Op 18 september maakte de Amerikaanse president zijn hierboven al kort
vermelde beslissing bekend. De tekst
van zijn verklaring is uiterst handig geformuleerd in die zin dat zij geheel de
geest uitademt van een anti-protectionistisch programma, terwijl dit in de
praktijk blijkt neer te komen op een bescherming die veel verder gaat dan het
ITC-voorstel.

Resultaten tot nog toe
Op19 december 1984 kondigde de
Amerikaanse handelsvertegenwoordiger Brock de eerste zeven uitvoerbeperkingsakkoorden aan met Australië,
Brazilië, Japan, Mexico, Spanje, Zuid
Afrika en Zuid Korea. In juli 1985 was
dit aantal gegroeid tot 14 landen die in
1984 te zamen 57% van de Amerikaanse staalinvoer voor hun rekening
hadden genomen. Het belangrijkste
akkoord was dat met Japan, dat al jaren zo’n 25 tot 30% van de invoer ver-

zorgt. Gemiddeld werd de invoer met
deze landen met 29% teruggebracht
ten opzichte van 1984, maar per land
liepen de reductiepercentages sterk
uiteen, van 12% bij Hongarije tot 62%
bij Venezuela.
Deze verschillen worden verklaard
door het feit dat de VS bij hun onderhandelingen rekening hielden met factoren als de mate waarin het desbetreffende land zijn uitvoer zeer recent had
vergroot, waarin het zich aan subsidiëring of dumping schuldig maakte of de
eigen markt gesloten hield, enz. Genoemde landen gingen uiteindelijk akkoord met een ‘vrijwillige’ uitvoerbeperking onder druk van de Amerikaanse dreiging om de Amerikaanse handelswetten verscherpt tegen hen door
te voeren en in het uiterste geval zelfs
unilaterale invoerbeperkingen af te
kondigen die veel onvoordeliger zouden uitvallen. De belangrijkste staalexporterende landen die rond de zomer
van 1985 nog geen omvattend staalakkoord met de VS hadden waren de EG,
Canada en Zweden met respectievelijk
24,2%, 12,1% en 2,44% van de Amerikaanse invoer in 1984.

DeEG
De handelsbetrekkingèn tussen de
EG en de VS op staalgebied zijn de afgelopen jaren, in vergelijking met de
relatie tussen de VS en derde landen,
nogal bijzonder en ingewikkeld geweest. In oktober 1982 ging de EG onder druk van een lawine van Amerikaanse dumping en subsidieklachten
akkoord met een beperking die betrekking had op 80% van haar staaluitvoer
4). Voor tien categorieën produkten
werd de export beperkt tot een bepaald
marktaandeel. Een aantal andere produkten werd wel in het akkoord ge1) US Bureau of Labour Statistics, Washington De, 1984.
2) US Bureau of Mines, Washington De,
1983, Commodity Profiles, ‘Iron Ore’,
3) Metal Bulletin Monthly, februari 1983 en
juni 1985.
4) Publikatieblad van de EG, L3D2, 1 november 1982.

noemd maar was niet aan kwantitatieve beperkingen onderhevig. Dit waren
de z.g. ‘consultatieprodukten’, waarover de twee partijen zich verplichtten te
consulteren wanneer, simpel gesteld,
de uitvoer van de EG zo sterk zou zijn
gestegen dat de doelstellingen van het
verdrag in gevaar zouden komen.
Rond dezelfde tijd werd ook een akkoord bereikt over de uitvoer van stalen pijpen en buizen uit de EG. Dit bevatte echter geen kwantitatieve beperkingen maar slechts bepalingen voor
overleg voor het geval dat de EGuitvoer meer dan 5,9% van de Amerikaanse markt zou bedragen. Met het
bereiken van een marktaandeel van
8,1% in 1983 en van 14,4% in 1984
groeide vanaf het begin van 1984 de
druk in de VS om de EG tot uitvoermatiging te dwingen. Via onder meer een
compleet embargo in november 1984
kwam het uiteindelijk in januari 1985
na moeizame onderhandelingen tot
een akkoord. Dit voorzag in een marktaandeel voor de EG van 7,6% voor
1985 en 19865).
In de loop van 1985 nam de Amerikaanse druk op de Gemeenschap toe
om de uitvoer van de z.g. ‘consultatieprodukten’ te matigen. Het marktaandeel daarvan was, exclusief halffabrikaten, gestegen van 2,38% in 1982 tot
4,32% in 1984. De Gemeenschap
heeft zich lang tegen uitvoerbeperking
kunnen verzetten met het argument
dat de uitvoer weliswaar sterk was toegenomen, maar dat het doel van het
akkoord uit 1982 niet in gevaar was gebracht en dat er geen diversie van quotaprodukten naar ‘consultatieprodukten’ was vast te stellen. In juni 1985
kwamen Europees commissaris voor
buitenlandse betrekkingen en handelspolitiek De Clercq en de Amerikaanse
handelsvertegenwoordiger
Yeutter overeen om te proberen snel
een akkoord te bereiken over consultatieprodukten. Ook werd afgesproken
om binnenkort onderhandelingen te
beginnen over een mogelijke verlenging van het arrangement uit 1982 en
1985.
De vaak zeer moeilijke besprekingen over consultatieprodukten leidden
in augustus 1985 tot een overeenkomst die de uitvoer van deze produkten beperkte tot 197.000 ton voor de
laatste vijf maanden van 1985. Gecombineerd met de gerealiseerde uitvoer
in de eerste zeven maanden van dat
jaar kwam het totaal voor 1985 aanmerkelijk hoger uit dan het op zich al
hoge uitvoercijfer van 1984, hetgeen
aan Europese zijde doorgaans een
goed resultaat werd beschouwd 6).
De zwaarste onderhandelingen betroffen echter die over een eventuele
verlenging van het arrangement uit
1982, waar vanaf het begin en gedurende lange tijd beide partijen lijnrecht
tegenover elkaar stonden. De Amerikanen namen de positie in dat het arrangement uit 1982 diende te worden
samengevoegd met de later gesloten
akkoorden tot één omvattend akkoord
met een looptijd van vier jaar. Zij stonESB 5-2-1986

den er op om de onder het arrangement te brengen produkten onder te
verdelen in 57 produktcategorieën, om
te voorkomen dat Europese producenten hun uitvoer zouden verleggen van
produkten met een lagere naar produkten met een hogere toegevoegde
waarde. Ook wilden zij een paar aan
nog geen enkele uitvoerbeperking onderhevige produkten onder het akkoord brengen. En ten slotte dienden
de in de bestaande -akkoorden genoemde marktaandelen van de EG
verlaagd te worden omdat de Gemeenschap in het verleden de overeenkomsten voor pijpen en buizen en voor
consultatieprodukten geschonden zou
hebben.
Het standpunt van de EG was daarentegen dat alleen over het akkoord
van 1982 en de consultatieprodukten
gesproken kon worden. Verlenging
van het pijpen- en buizenakkoord was
niet aan de orde omdat dit tot en met 31
december 1986 van kracht was. Nieuwe produkten behoefden niet te worden opgenomen omdat de invoer hiervan de Amerikaanse industrie niet
schaadde. De bestaande indeling in
produktcategorieën, veel minder dan
57, kon worden gehandhaafd zonder
dat de VS bang hoefden te zijn voor
verschuivingen tussen categorieën.
En wat de marktaandelen voor de verschillende arrangementen betrof, deze
dienden verhoogd te worden omdat
gedurende de twee jaren dat de EG
haar uitvoer had beperkt derde landen
hun uitvoer ongestraft hadden kunnen
opvoeren. Berekeningen toonden aan
dat indien de EG de gemiddelde staalinvoerstijging in de VS had kunnen volgen, zij veel meer had kunnen uitvoeren dan zij feitelijk had gedaan, hetgeen compensatie noodzakelijk maak-

te.
Gedurende praktisch permanente
onderhandelingen in de maanden september en oktober in afwisselend Brussel en Washington die zeer moeizaam
verliepen, werd uiteindelijk op 31 oktober een ad-referendumakkoord bereikt
tussen commissaris Dé Clercq en zijn
Amerikaanse collega Yeutter. Dit resultaat, waarvan de hoofdlijnen staan
weergegeven in tabel 3, werd aan Europese zijde, gezien de omstandigheden, als zeer redelijk beschouwd, vooral gezien het feit dat het totale marktaandeel van de EG met 150.000 ton
kon worden verhoogd.
De export van halffabrikaten bleef
tot op het allerlaatste moment een uiterst gevoelig en cruciaal punt dat de
totstandkoming van een akkoord dat uiteindelijk op 10 december door
de Raad van ministers werd goedgekeurd – bijna verhinderde. De VS wilden de invoer van deze produkten uit
de EG namelijk begrenzen, terwijl de
Gemeenschap van geen beperking
wilde weten. Zij beriep zich daarbij op
het feit dat. de Amerikaanse staalindustrie zelf niet in staat is om in haar eigen behoefte aan halffabrikaten te
voorzien. Invoer van builandse hoogwaardige, produkten tegen concurre-

rende prijzen zou derhalve in het belang zijn van de Amerikaanse staalindustrie. Toen uiteindelijk bleek dan de
VS niet meer dan 600.000 ton halffabrikaten uit de EG zouden willen toestaan
– dit terwijl zij 809.000 ton vanuit de
Gemeenschap invoerden in 1984 en
naar verwachting 890.000 ton in 1985
– verkoos de EG deze produkten in
het nieuwe akkoord als z.g. consultatieprodukten te behouden. Daarme is
de positie van halffabrikaten onduidelijk geworden: volgens de EG is hun export vrij zolang deze de doelstellingen
van het akkoord niet schaadt, terwijl de
VS inmiddels hebben laten weten dat
het de Europese uitvoer tot 600.000
ton per jaar zal beperken. De Gemeenschap heeft direct daarop aangekondigd om, in overeenstemming met de
Gatt-bepalingen, de uitvoer van bepaalde Amerikaanse produkten naar
Europa te beperken om zo het eigen
uitvoerverlies te compenseren. Daarme lijkt een volgens handelsconflict
met de VS een feit te zijn.

Resterende landen
De belangrijkste landen die momenteel (nog) geen formeel akkoord hebben met de VS zijn Canada en Zweden. Met Canada bestaat een informele afspraak dat het zijn staalexport zal
matigen tot beneden het niveau van
1984,.hetgeen vooralsnog voldoende
lijkt voor de VS. Zweden heeft zich tot
dusverre fel gekant tegen iedere vorm
van uitvoerbeperking. Zijn industrie
staat echter onder grote druk van door
de Amerikaanse staalindustrie ingediende dumping- en subsidieklachten
en zou daardoor wel eens gedwongen
kunnen worden om uiteindelijk toch
een akkoord te sluiten.
Door hun afspraken met de hierboven genoemde landen hebben de VS
hun ‘staalinvoergat’ voor ongeveer
90% gedicht. De rest van het gat dichten zal bijzonder moeilijk zijn. Zo zou er
al sprake zijn van een verlegging van
de handel vanuit producerende regio’s
naar landen die niet over een eigen
staalindustrie beschikken. Het opsporen van het op deze wijze ingevoerde
staal zal zeker geen eenvoudige opgave zijn voor de al sterk overbelaste
Amerikaanse douanediensten.

Effecten van het programma
De staalinvoercijfers over de eerste
tien maanden van 1985 laten een invoerpenetratie zien van 25,3%. Naar
verwachting zal door een verdere in5) De tekst van het akkoord is te vinden in het
Publikatieblad van de EG, L9, 10 januari 1985.
6) De tekst van het akkoord is te vinden ‘in het
Publikatieblad van de EG. L215, 12 augustus
1985.

149

oostaziatische markten onder invloed
voervermindering in het vierde kwarvan groeiende concurrentie tussen Jataal de invoerpenetratie voor heel 1985
pan en Zuid-Korea zijn hiervan een
iets lager uitkomen 7). Dat is niet veel
eerste indicatie 13).
lager dan de invoerpenetratie van
26,5% in 1984, en voor de AmerikaanW.G. Aldershoff
se staalindustrie aanleiding om te concluderen dat het presidentiële proDe auteur is werkzaam bij het directoraatgramma niet werkt. Niet vergeten mag
generaal voor Buitenlandse Betrekkingen van
echter worden dat het begrijpelijkerde Europese Commissie in Brussel. Het artikel
wijs enige tijd duurt voordat het effect
is op persoonlijke titel geschreven en geeft uitvan het programma goed merkbaar
sluitend de persoonlijke mening van de auteur
wordt. De algemene verwachting is dat
weer.
vanaf 1986 de invoerpenetratie pas
echt goed omlaag zal gaan tot
20 – 22% per jaar, dat wil zeggen iets
meer dan de beoogde 20,2% 8).
Het doel van een vermindering van
de invoer zal dus wel bereikt worden in
de komende jaren. Vraag is echter of
een tweede, zeker zo belangrijk doel
ook zal worden gehaald. En dat is het
benutten van de tijdelijke adempauze
door de Amerikaanse staalindustrie
om zich te herstructureren en te moderniseren opdat zij over vier jaar zonder bescherming de internationale
concurrentie aankan. Zij heeft immers
in het verleden al eerder van invoerbescherming kunnen profiteren zonder
dat zij deze heeft gebruikt om haar concurrentiepositie te versterken. Eén verschil met vroegere bescherming kan
echter niet onvermeld blijven. Ditmaal
heeft het congres namelijk bepaald dat
de bevoegdheid van de president om
de uitvoerbeperkingsakkoorden met
derde landen te handhaven telkens
slechts voor één jàar geldt. Die bevoegdheid vervalt automatisch wanneer çtepresident aan het eind van het
jaar het congres niet een rapport stuurt
waarin wordt aangegeven dat de staalindustrie vrijwel al haar door staalactiviteilen opgebrachte netto kasstroom
gebruikt voor modernisering, onderzoek en ontwikkeling en kostenbesparing 9). Probleem is echter dat het desbetreffende rapport vertrouwelijk is zodat het voor buitenstaanders onmogelijk is om een oordeel uit te spreken
over de voorgeschreven moderniseringsinspanningen.
De volgende zekere effecten van het
presidentiële programma kunnen hier
echter wel al aangegeven worden. Ten
eerste zullen de afnemers van Amerikaans staal hogere prijzen gaan betalen doordat het prijsdrukkendeffect
van de buitenlandse concurrentie
sterk zal verminderen 10). Zulke prijsverhogingen zullen ertoe leiden dat de
totale Amerikaanse uitvoer over de periode 1985/1989 zal verminderen met
naar schatting $ 15 mrd. 11). ook zuIlen dé prijsverhogingen bepaalde
Amerikaanse staalverbruikende indsutriën ertoe brengen om hun produktie
naar het buitenland te verplaatsen in
. hun pogingen om internationaal concurrerend te blijven 12). In de tweede
plaats zal het uitsluiten van naar schatting enkele miljoenen ton staal per jaar
van de Amerikaanse markt de staalprijzen elders in de wereld drukken en de
concurrentie tussen staalexporterende landen verscherpen. Berichten over
dalende staalprijzen in 1985 in Zuid-

7) Journalof Commerce, 2 januari 1985.
8) Fred Lamesch, voorzitter van het American
institute tor imported steel, geciteerd in Journal of Commerce, 3 december 1985, en ook in
American Metal Market, 6 december 1985.
9) US Trade and Tariff-act 1984, Sectie
8D6(b)(1 )(A).
10) Zie bij voorbeeld het rapport van het Congressional Budget Office Effects of import quotas on the steel industry, Washington OC, juli
1984, en de studie The effects of restraining us
steelimports on the exports of selected steel
consuming
industries,
USITC-publication
1788, Washington OC, december 1985.
11) USITC publications 1788, op.cit.
12) Idem.
13) Metal Bulletin, 17 december 1985:

Auteur