Ga direct naar de content

Herindustrialisatie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 26 1981

industrialisatie
Het concept-regeringsakkoord van
CDA, PvdA en D’66 is uitermate summier over het te voeren herindustrialisatiebeleid. Er staat vrijwel niets over in.
Het vele harde werken ter voorbereiding
van deze formatie, bij voorbeeld in de
commissie-Wagner (Een nieuw industrieel elan, juni 1981), dat aanvankelijk
een brede medestand leek te verkrijgen,
is reeds nu nagenoeg geheel gedissipeerd
(zoals dat trouwens ook het rapport
van de commissie-Vonhoff verging).
De oorzaak daarvan is niet zozeer dat
we het vermogen missen om elkaar stapje voor stapje te overtuigen van het
probleem en zijn oplossing. Dat dat kan
heeft Wagner met zijn ploeg bewezen,
gezien de aanvankelijke positieve commentaren van politici. De oorzaak is
dat onze politieke praktijk sterker is dan
de leer. De leer zegt dat we die coalitie
moeten nastreven, waarin met de grootste zekerheid het beste deel van het programma van iedere deelnemende partij
is te realiseren. De praktijk is dat we
bij voorbaat groeperingen en personen
van deelname willen uitsluiten. Dat is in
mijn ogen een slechte praktijk die het
besturen van ons land in discrediet
brengt. Zelfs de partij die eens stond
voor de gekozen minister-president,
wees aanvankelijk degene af, die vrijwel
zeker als zodanig zou zijn gekozen. Dat
is niet wijs. Denk eens in wat er met onze
Industrie nog meer zou zijn gebeurd,
indien haar bestuurders hadden geweigers constructief samen te werken met
collega’s die ze niet direct als vrienden
kunnen omarmen?
Het resultaat van deze vertoning is
in twee opzichten negatief voor het
industrie- en herindustrialisatiebeleid.
Ten eerste vervreemdt dit breed geetaleerde gebrek aan zakelijkheid het Haagse management nog meer van het industriele management. Het laatste kan zijn
hoop niet stellen op het Haagse team,
maar hoogstens op de enkeling in die
ploeg, die overigens geruime tijd nodig
zal hebben — dus zal verliezen — om
zijn ,,benefit of the doubt” om te zetten
in vertrouwen. Ten tweede wordt de uitkomst van het beleid niet bepaald door
de kwaliteit van de inhoud, maar door
het ,,lineair programmeren”. Het industriebeleid dat in het concept-regeerakkoord wel enigszins aan de orde komt,
is daarvan een sprekend voorbeeld. Zij
die in 1977 niet aan de bak kwamen,
wensen door te gaan met datgene waarvan we weten dat het niet werkt. Dat
wil zeggen nog meer regels en nog meer
centralistisch denken: investeringsvoorschriften voor oliemaatschappijen en
pensioenfondsen, het aan banden leggen
ESB 2-9-1981

van de kapitaalexport, een intensief
sectorbeleid, enz. Dat is contraproduktief, zo stelde de commissie-Wagner
vast. Van belang is daarentegen de veerkracht van de individuele industriele
bedrijven te herstellen door blokkades
weg te nemen, de kosten per eenheid produkt omlaag te brengen en ,,the cost of
failure” te beperken. Daarbij zou het
bedrijfsleven willen rekenen op bijstand
van de overheid. Werk ja, maar we moeten het wel verdienen. Een werkgelegenheidspolitiek is een economische politick.
Daarbij moeten we naar de structuur
van het bedrijfsleven kijken. Van de
miljoen arbeidsplaatsen in onze industrie, is 40% te vinden bij de grote ondernemingen, waaronder buitenlandse vestigingen alhier, die een jaarlijkse produktiviteitsstijging van ongeveer 8%
realiseren. 32% is te vinden bij de 10.000
middelgrote en kleine industriele bedrijven die we hebben en 28% bij ambachtelijke bedrijven (midden- en kleinbedrijf) van een omvang niet groter dan
10 man.
Het is onvermijdelijk dat daar waar
een marktgroei achterblijft bij de produktiviteitsstijging, dus in sectoren van
de eerstgenoemde groep, de werkgelegenheid (het aantal economisch te verantwoorden manjaren in de jaarproduktie) zal dalen. Men moet wel zeer overspannen ideeen hebben over de mogelijkheden van deeltijdarbeid om te kunnen veronderstellen dat in koppen gemeten die daling is tegen te gaan. Zij is
alleen te tempofiseren door tijdelijk uit
de algemene middelen bij te springen.
Initiatieven voor herindustrialisatie in
deze groep door de overheid hebben
alleen zin waar het management een injectie van durf behoeft. Meestal is het
echter voldoende indien de overheid
helpt blokkades op te heffen bij het uitvoeren van reeds bestaande plannen.
In de tweede groep, de middelgrote
en kleine industriele bedrijven, zitten
vooral de potentiele groeiers. In onze
industriele structuur is een aantal van
hen afhankelijk van toelevering aan

de vorige groep, waarvan de bedryvigheid een grote muJtiplicatiefactor heeft.
Ontwikkelingen realiseren ze meestal
in samenwerking met hun grotere kJanten, omdat innovatie op geheel eigen
kracht voor hen met onze kleine thuismarkt relatief duur is. Desondanks
moeten ze het vaak prijstechnisch afleggen tegen buitenlandse concurrenten
met een grotere thuismarkt. Slechts
10% van de bedrijven in deze groep zijn
op de export gericht. Voor de meer succesrijke onder hen is het niet ongewoon
dat ze 10% van hun omzet aan nieuwe
ontwikkelingen besteden en 1 4 2% daarvan aan de bescherming van hun kennis.
De meeste echter voeren geen actief
octrooibeleid en dat zal waarschijnlijk
zo blijven wegens stijgende tarieven,
afnemende zekerheid over de geboden
bescherming (o.a. door een vrijer gebruik in ontwikkelingslanden) en afnemende kansen op licentieverlening
(o.a. door striktere mededingingsregels).
Daar komt bij dat het Europees patent,
dat overigens zeker ook voordelen biedt,
voor hen niet zonder gevolgen is. Van
de 20.000 aanvragen voor zulk een patent
nu per jaar, worden er 10.000 gegund,
waarvan 8.000 ook werkzaam in Nederland. Dat zal verregaand de mogelijkheden en de keuzes voor deze groep gaan
bepalen.
Sinds kort hebben we ten behoeve van
deze groep en ook wel de groep van
ambachtelijke bedrijven een veelheid
van goedbedoelde, soms amateuristisch
en soms professioneel opgezette, maar
verder ongecoordineerde initiatieven.
Ik noem: de Stichting Kleinnood, het
Project Industriele Innovatie, de Small
Business School (Delft), wetenschapswinkels (TH’s), transferpunten (TH’s),
bedrijfstechnologische centra (Twente,
wellicht Rotterdam). Verder spelen
namens de overheid de Rijksnijverheidsdienst, het Centraal Instituut voor Industrie-ontwikkeling (CIVI) en de Nationale Investeringsbank (NIB) — zie
de reactie van de laatste op het rapportWagner —, hun rol in de ontwikkeling
van deze bedrijven. Alhoewel er veel
voor is te zeggen om ,,vele bloemen te
laten bloeien”, zou er toch alle reden
zijn om gezien de probleemstelling en
de situatie van deze bedrijven een overheidsbeleid te formuleren dat hierop
aangrijpt. Dat is nu niet het geval. Hoe
dat dan zou moeten, daarover een volgende keer meer.

835

Auteur