Ga direct naar de content

De strijd tegen de vernieuwende achteruitgang

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 16 1987

De strijd tegen de vernieuwende
achteruitgang
Op 1 juli van dit jaar werd de Europese Akte van kracht. In deze akte werd het besluit
kenbaar gemaakt om uiterlijk 31 december 1992 te komen tot de voltooiing van de interne
markt van de Europese Gemeenschap. Onder economen werd dit besluit met
enthousiasme ontvangen. In dit artikel wordt een domper op de feestvreugde gezet. De
auteur constateert dat er sprake is van vernieuwende achteruitgang. Volgens het Verdrag
van Rome had immers ook al per 1 januari 1970 een interne markt gerealiseerd moeten zijn.
Bovendien kunnen de Europese burgers aan het goede voornemen van hun overheden
geen rechten ontlenen, hetgeen voor deze overheden geen prikkel is om die voornemens
nu eens werkelijk ten uitvoer te leggen. Daarom is het gevaar aanwezig dat de Europese
Akte zal leiden tot desintegratie.

PROF. MR. B.H. TER KUILE*
Dag in dag uit bereiken de burger berichten over crises
in Europa. Hij zal zich daarover niet meer kunnen opwinden. Men raakt immuun voor dit soort negatieve berichtgeving. Bovendien staan Europa en de Europese Gemeenschappen toch al niet in het middelpunt van de belangstelling. De burger heeft wel andere dingen aan zijn hoofd.
Niettemin wordt de invloed van de Europese Gemeenschap op het dagelijks gebeuren in elk van de lidstaten
steeds groter. Na bijna dertig jaar Europese economische
integratie staan de nationale wetgeving en rechtspraak onder directe invloed van de ontwikkelingen binnen de Gemeenschap. In dat opzicht heeft de burger, die over Europa nog altijd zijn schouders optrekt, ongelijk. Trouwens,
niet elke burger zal vandaag meer zo reageren. De Nederlandse boeren en vissers weten dat de moeilijkheden die
zij iedere dag ondervinden mede voortkomen uit onvolkomenheden in de regelgeving van de Europese Gemeenschap, waarop de uitvoeringsvoorschriften van de lidstaten zijn gegrond. De problematiek van de landbouw en van
de visserij is in vele opzichten ingewikkeld en moeilijk doelmatig te regelen.
Het beeld van de ontwikkelingen binnen de Gemeenschap geeft de laatste tijd weinig hoop. De media vertellen
ons over de crisis in de staalindustrie, die al jaren aanhoudt 1); over de crisis in de landbouw, die door enorme en
structurele overproduktie wordt veroorzaakt 2); over de crisis in de visserij, die mede haar oorzaak vindt in onvolkomen regelgeving, die voor uiteenlopende groepen van
marktdeelnemers tot opvallende onbillijkheden leidt 3);
over de crisis in het communautair toezicht op de staatssteun van de lidstaten 4); over de crisis in de financiering
van de Gemeenschap en in de vaststelling van de begroting 5); over de crisis in de handelspolitieke relaties van de
Gemeenschap met derde landen, zoals met name de Verenigde Staten en landen in het Verre Oosten 6).
Om treurig van te worden. Deze opsomming van dreigende mislukking in Europa is nog niet eens volledig. Zo af
en toe komt er echter ook goed nieuws, zoals over het sluiten van een nieuw en aanvullend Verdrag, dat de ontwik1180

keling van de Europese integratie een stap verder zal helpen: de zogeheten Europese Akte, die op 1 juli jl. van
kracht is geworden binnen de Gemeenschap 7). Een nieuwe stimulans.

* De auteur is advocaat en partner van De Brauw en Westbroek, advocaten en notarissen, en als hoogleraar verbonden aan de Juridische Faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is Bart van
Reken dank verschuldigd voor zijn kritische blik die hij over deze tekst
heeft laten gaan.
1) Vgl. Beschikking (EGKS) nr. 3484/85, Pb EG L 340/1, en Bull. EG
7/8-1987, biz. 22-26, punten 2.1.25-2.1.34.
2) Vgl. Verordening (EEC) nr. 804/68, Pb EG L. 148/13 (laatstelijk gewijzigd bij Verordening nr. 2998/87, Pb EG L 285/1), welke heffingen
ter zake van de melkproduktie oplegt, en Verordening (EEG) nr.
2727/75, Pb EG L. 281/1 (laatstelijk gewijzigd bij Verordening nr.
1900/87, Pb EG L 182/40), welke heffingen ter zake van de graanproduktie oplegt.
3) Vgl. Verordening (EEG) nr. 170/83, Pb EG L 24/1, welke de
grondslag vormt voor vangstbeperkende maatregelen.
4) Vgl. art. 92 en 93 EEG-Verdrag. De Europese Commissie heeft in
haar Tiende verslag over het mededingingsbeleid (over 1980), biz.
124, punt 162, gesteld dat zij ,,een groeiende tendens (heeft) waargenomen, om de verplichting in Artikel 93, lid 3, EEG, niet na te komen
ten aanzien van de aanmelding van steungevallen en de niettoepassing ervan gedurende de termijn welke de Commissie ter beschikking staat om na te gaan of zij al dan niet verenigbaar zijn met het
Verdrag”; Vgl. voorts het Zestiende verslag over het mededingingsbeleid (over 1986), biz. 145, punt 203.
5) Uitvoerig hierover het recente (interim-)rapport Financiering van
de Europese Gemeenschap, Rapport nr. 32, WRR, ‘s-Gravenhage.
1987.
6) Vgl. Verordening (EEG) nr. 2176/84, Pb EG L 201/1 (zoals gewijzigd bij Verordening nr. 1761/87, Pb EG L 252/1) en Bull. EG 7/8-1987,
biz. 87-89, punten 2.2.16-17 en 2.2.19-22.
7) Europese Akte, Tractatenblad 1986, 63, Pb EG 1987, L 169/1, in
werking getreden per 1 juli 1987, Tractatenblad 1987, 118, Pb EG
1987, L 169/29.

De Europese Akte
In die Europese Akte (EA) zijn belangrijke onderwerpen
geregeld, zoals onder meer het tot stand brengen van de
interne markt per 31 december 1992 (art. 13 t/m 19), enige
wijzigingen in de communautaire besluitvorming in de Gemeenschap (art. 6 en 7), en enige onderwerpen, die hoewel misschien niet geheel nieuw, voortaan ook formeel onder het opzicht van de Gemeenschap vallen, zoals:
– de monetaire capaciteit, d.w.z. de samenwerking bij
het economisch en monetair beleid;
– de sociale politiek;
– onderzoek en technologische ontwikkeling;
– milieu; en vooral
– de Europese samenwerking op het gebied van het buitenlands beleid.
Met het van kracht worden van deze Europese Akte is op
enkele punten een stap voorwaarts gezet. Er is, zij het op
bescheiden wijze, enige vooruitgang geboekt bij de zo
moeizame besluitvorming van de Raad. De fletse rol van
het Europees Parlement heeft lets meer kleur gekregen,
omdat bij bepaalde communautaire besluitvorming een
procedure voor samenwerking tussen de Raad, het Parlement en de Commissie is ingesteld (art. 6 en 7 EA).
Maar ook na de Europese Akte blijft het institutioneel kader waarbinnen de communautaire besluitvorming en regelgeving plaatsvindt, zwak. Het Europees Parlement kan
de Raad ook thans nog niet controleren op de manier, zoals dat in een democratische samenleving past. In plaats
van bij verkeerd handelen of nalaten van de Raad deze in
het uiterste geval naar huis te kunnen sturen, moet het
Parlement de Europese rechter als grote broer te hulp roepen om de Raad tot rede te brengen. Zo heeft het Parlement zich een paar jaar geleden tot het Hof van Justitie gewend om te laten vaststellen dat de Raad zou zijn te kort
geschoten in zijn verdragsverplichting van het actief
totstandbrengen van een gemtegreerd vervoerbeleid. Die

Zijn ze er nog in 1992?
ESB 16/23-12-1987

actie van het Parlement had maar een bescheiden resultaat, mede omdat de Europese rechter zich niet voor dit
politieke karretje liet spannen 8). Dezer dagen heeft weer
een dergelijke actie van het Parlement plaatsgevonden,
thans omdat de Raad er niet voor heeft zorggedragen dat
tijdig een ontwerp-begroting 1988 bij het Parlement is ingediend 9). De Raad zegt dat hij als Raad wel anders zou
willen, maar dat zijn samenstellende delen (vertegenwoordigers van de regering van elk der lidstaten) zo te kort
schieten…
Deze erbarmelijke vertoning van onmacht is voor een
belangrijk deel terug te voeren op de institutionele bloedarmoede waaraan de Gemeenschap leidt. Voordat de Europese Akte van kracht werd, placht men de grootste problemen waarvoor de Gemeenschap stond en die de Raad
niet zelf kon oplossen, voor te leggen aan de Europese
Raad, een in de Gemeenschap formeel niet bestaande installing van staatshoofden en regeringsleiders van de
lidstaten. Deze Europese Raad was het afgelopen decennium soms wel, soms niet in staat politieke knopen door te
hakken. Deze Europese Raad heeft nu bij de Europese Akte erkenning gekregen (in art. 2). Dat is een goede zaak, indien deze formalisering leidt tot een betere besluitvorming. Het kan echterook negatief uitpakken: de Raad zou
thans nog meer dan vroeger elke politieke moeilijkheid,
die hij binnen de Gemeenschap zou moeten oplossen,
kunnen gaan doorschuiven naar zijn ‘baas’, de Europese
Raad. Dan heeft de Gemeenschap er een schijf bij in de
besluitvormingsprocedure. Dat betekent al gauw een ver8) HJEG in de zaak 13/83 Europees Parlement/Raad van de EG, arrest van 22 mei 1985, Jur. 1985, biz. 1556 e.v.

9) Op 7 oktober hebben de Commissie en de EP-voorzitter een ‘uitnodiging tot handelen’ aan de Raad geadresseerd. De Raad heeft daar-

na twee maanden de tijd om alsnog een besluit te nemen. Bij het
schrijven van deze voordracht liep deze termijn. Blijft een besluit uit,

dan zal de Raad op 7 december voor het Hof worden gedaagd door het
EG (art. 175 EEG). Aldus EP-nieuws, een uitgave van het Europees
Parlement, van oktober 1987, nr. 10/87, p.3.

in piaais van een veroetermg van de communautaire besluitvorming.
Een ander, inmiddels bekend punt van zorg in de Europese Akte: de regels betreffende het tot stand brengen van
de z.g. ‘interne markt’ (art. 13 EA, dit is het nieuwe art. 8A
EEG)). Dat is een nieuw begrip in de Gemeenschap. Volgens deze verdragsbepaling is de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van
goederen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de
bepalingen van het EEG-Verdrag.
Een merkwaardige bepaling. Het EEG-Verdrag voorziet
immers al vanaf 1958 in het totstandbrengen van de gemeenschappelijke markt, die meer omvat en verder reikt
dan de interne markt. Deze laatste kenmerkt zich door het
afbreken van alle nationale hindernissen, die zich binnen
de Gemeenschap bij het vrije verkeer van goederen,
diensten en kapitaal nog steeds voordoen (een voorbeeld
van z.g. negatieve integratie). De gemeenschappelijke
markt, die op een groot aantal punten reeds per 1 januari
1970 had moeten zijn bereikt (art. 8 lid 1 EEG), omvat
meer: behalve de negatieve integratie tevens een harmonisatie van wetgeving van de lidstaten en een eigen, positieve regelgeving in de Gemeenschap (z.g. positieve
integratie).
Het is droevig dat het na 30 jaar economische integratie
noodzakelijk blijkt om alsnog in een nader verdrag de
totstandkoming van een interne markt te regelen in plaats
van te kunnen spreken over een inmiddels voltooide gemeenschappelijke markt, zoals in het EEG-Verdrag is
voorzien. Bovendien wordt in de Europese Akte als het ware verborgen gehouden dat het scheppen van een interne
markt een stap terug is, omdat er al een (voltooide) gemeenschappelijke markt had moeten zijn. In zoverre levert
de Europese Akte een vernieuwende achteruitgang op.
Aan de andere kant is goed dat er met voile kracht en
aandacht zal worden gewerkt aan hetgeen het eerste nodig is: het wegwerken van alle obstakels die terecht of ten
onrechte nog steeds de gemeenschappelijke markt, in de
zin van het EEG-Verdrag, in de weg staan. Dat wegwerken
van obstakels moet volgens art. 13 EA (het nieuwe art. 8A
EEG) op 31 december 1992 zijn voltooid. De inspanningen
van de Gemeenschap moeten de eerste jaren voor een belangrijk deel daarop zijn gericht. Zonder de tussenfase van
de interne markt zal de gemeenschappelijke markt vermoedelijk niet meer tot stand komen, en dreigt de economische integratie, als de grote Unvollendete, te blijven
steken.
In dat opzicht is de Europese Akte van onschatbaar belang: we hebben het vooruitzicht dat alle wezenlijke belemmeringen tot integratie op 1 januari 1993 zijn opgeruimd, zodat de Gemeenschap vervolgens sterker dan
voordien kan werken aan de positieve integratie. De tijdslimiet, die in art. 13 EA isgesteld, is psychologisch, politiek
en economisch essentieel. Immers, zonder die datum van
31 december 1992 zal de ‘opruimingsdienst van de Gemeenschap’, heel menselijk, de prikkel missen het karwei
te voltooien.

Een lege dop?
De Verdragsluitende partijen, die de Europese Akte tot
stand hebben gebracht, hebben in de daarbij behorende
Slotakte, welke van de Europese Akte niet rechtstreeks
lijkt deel uit te maken, in een gezamenlijke verklaring inzake artikel 8A van het EEG-Verdrag (art. 13 EA) gesteld:
,,De vaststelling van de datum van 31 december 1992
schept geen automatische rechtsgevolgen.”
Wat betekent deze verklaring van de Verdragsluitende
partijen? Wat is de juridisch-institutionele betekenis van
een dergelijke mededeling in een slotakte, die van de Europese Akte zelf niet rechtstreeks onderdeel vormt? Hetgeen de Verdragsluitende partijen met ene hand geven,
nemen zij met de andere hand weer terug. Naar het voorkomt, zullen deze vragen alleen door het Europese Hot
van Justitie kunnen worden beantwoord. Dit Hof heeft tot
taak de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toe1182

passing van het EEG-Verdrag, en dus ook van art. 8A van
dat Verdrag, te verzekeren 10).
Tenzij het Hof op dit punt een geheel andere, radicale
beslissing neemt, dreigt het gevaar dat het voor recht zal
(moeten) verklaren dat de datum van 31 december 1992 in
art. 8A EEG blijkens de daartoe strekkende verklaring van
de Verdragsluitende partijen in de aan de Europese Akte
aangehechte Slotakte niet meer betekent dan een politieke streefdatum. Daaraan kunnen de onderdanen binnen
de Gemeenschap geen rechten ontlenen, en zij zullen deze bepaling (art. 8A EEG) niet rechtstreeks voor de nationale rechter kunnen inroepen. Ariders gezegd: het risico
bestaat dat die datum dan in feite niets zal betekenen. De
bepaling van art. 8A EEG zou, bij deze verdragsuitlegging,
een lege dop zijn.
De gevolgen van zodanige beslissing van het Hof van
Justitie zullen nauwelijks overschat kunnen worden. Laten
wij elkaar goed verstaan:
– het Hof heeft die beslissing nog niet genomen en het is
daartoe tot heden ook nog niet geroepen;
– het Hof is tot heden een van de positievere krachten
van de Europese integratie geweest, een waar hoeder
van de Gemeenschap;
– het is dan ook te verwachten dat het Hof een eventuele
uitspraak dat de datum van 31 december 1992 geen
automatische rechtsgevolgen heeft, een voor de Europese eenwording zo positief mogelijke lading zal geven, indien het al tot zodanige beslissing zal (moeten)
komen. Met name zou daarbij kunnen worden beslist
dat de overige termijnen van het EEG-Verdrag met betrekking tot de gemeenschappelijke markt ongewijzigd
blijven gelden 11).

De Verdragsluitende partijen, d.w.z. de lidstaten, die elk
op de wijze die hun nationale wet voorschrijft de Europese
Akte hebben goedgekeurd en geratificeerd, hebben een
bijzondere verantwoordelijkheid op zich genomen door
met de Europese Akte tevens de Slotakte met onder meer
deze interpretatieve Verklaring te aanvaarden. Als de voor
Europa wezenlijke datum van 31 december 1992 slechts
een politieke streefdatum zonder automatische rechtsgevolgen blijkt te zijn, bestaat het risico dat een aantal lidstaten zich onvoldoende inspant om die streefdatum daadwerkelijk te halen. Er moet, technisch gesproken, zoveel
gebeuren dat zelfs bij voile inzet van de Europese instellingen en van alle lidstaten het een bijzonder krappe termijn
zal blijken te zijn.
Er is een parallel te trekken met de datum van 31 december 1969, waarop de overgangsperiode, genoemd in het
EEG-Verdrag, voor het voltooien van de gemeenschappelijke markt verstreek zonder dat toen alle regelingen waren
getroffen die voor de installing van die gemeenschappelijke markt waren voorzien. Het Hof van Justitie heeft in een
aantal belangrijke gevallen beslist dat de burger binnen de
Gemeenschap zich voor de nationale rechter kon beroepen op de veelal nog onvolkomen rechten die hem volgens
het Verdrag bij het verstrijken van de overgangsperiode
toevielen. De datum van 1 januari 1970 had, met andere
woorden, volgens het Hof in bepaalde omstandigheden
wel automatische rechtsgevolgen 12). Het Hof kon naar
10) Art. 164 EEG (vgl. ook art. 177 EEG).

11) Vgl. J. Mertens de Wilmars Het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen na de Europese Akte, SEW, 1986, biz. 601 e.v., op
biz. 613, waarin de achtergrond van de interpretatieve verklaring met
betrekking tot art. 8A EEG nader wordt belicht. Daaruit zou eventueel

kunnen blijken dat de soep niet zo heet behoeft te worden gegeten als
door de Verdragsluitende partijen opgediend. Vgl. voorts P. VerLoren
van Themaat, De Europese Akte, SEW, 1986, biz. 464 e.v. en biz. 473

e.v.
12) Vgl. b.v. HJEG in de zaak 2/74 Reyners, Jur. 1974, biz. 631 e.v.,
biz. 651-652, r.o. 24-28; in de zaak 33/74 Van Binsbergen, Jur. 1974,
biz. 1299 e.v., biz. 1311, r.o. 23-24; in de zaak 48/74 Charmasson, Jur.
1974, biz. 1383 e.v., biz. 1394-1395, r.o. 15-20; in de zaak 11/77 Patrick, Jur. 1977, biz. 1199 e.v., biz. 1204, r.o. 9; in de zaken 110 en
111/78 Van Wesemael, Jur. 1979, biz. 35 e.v., biz. 52, r.o. 26; in de
zaak 231/78 Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jur. 1979, biz. 1447

e.v., biz. 1461, r.o. 15 en in de zaak 232/78 Commissie/Frankrijk, Jur.
1979, biz. 2729 e.v., biz. 2738, r.o. 7.

1

het thans voorkomt destijds eenvoudiger komen tot die belangrijke uitspraken over de rechtsgevolgen van het verstrijken van de overgangsperiode, zoals in het Verdrag
voorzien, aangezien een nadere en interpretatieve verklaring omtrent de betekenis van de datum van 31 december
1969 of 1 januari 1970, in een slotakte of protocol bij het
EEG-Verdrag ontbrak.
Zou blijken dat de datum van 31 december 1992 in art.
8A van de Europese Akte niet meer dan een streefdatum is
en dat een technische overschrijding van die datum geen
automatische rechtsgevolgen zal hebben in die zin dat onderdanen binnen de Gemeenschap aan art. 8A bepaalde
rechten zouden kunnen ontlenen, in te roepen voor een
nationale rechter, die de eerbiediging van die (dan stellig
nog onvolkomen) rechten zou hebben te verzekeren, dan
zal een tijdbom onder de Gemeenschap zijn gelegd. Een
gevolg zou kunnen zijn dat de Commissie dan ook na 1992
rekening moet blijven houden met de inspanning die bepaalde volkshuishoudingen met verschillen in ontwikkeling zich moeten getroosten, in de zin van art. 8C EEG. Dat
zou weer kunnen betekenen dat de Gemeenschap langer
dan bedoeld een ‘Europa met twee snelheden’ zou kunnen blijven. Voor een lidstaat zouden communautaire regels gelden die in andere lidstaten voorlopig buiten toepassing zouden blijven; een mogelijkheid die het nieuwe
art. 100A, lid 4 ook opent. Men mag hopen dat het Europese Hof zijn leer trouw blijft dat een uitzondering op een algemene Verdragsbepaling beperkt moet worden uitgelegd 13).
Het lijkt dan ook bepaald denkbaar dat deze streefdatum niet gehaald zal worden – waarom ook, het niet halen
heeft dan immers geen onmiddellijk rechtsgevolg – en
steeds verder zal worden opgeschoven. Uiteraard zal dit
niet gelden voor alle thans nog te treffen maatregelen,
maar het kan wel gelden voor vele en wezenlijke maatregelen, die voor 31 december 1992 nog niet zullen zijn verwezenlijkt 14).
Is dit gevaarlijk doemdenken? Gevaarlijk, omdat het kan
leiden tot zelfverwezenlijking van de opgeroepen risico’s?
Is het beter te zwijgen en stil af te wachten? De eventuele
zelfverwezenlijking van de bovengenoemde risico’s voor
de Gemeenschap is in de gemeenschappelijke verklaring
van alle Verdragsluitende partijen in de Slotakte vervat.
Het heeft geen zin de ogen daarvoor te sluiten. Het heeft
misschien wel zin om tijdig met elkaar na te denken hoe zo
goed mogelijk het gesignaleerde risico te beperken.
Als gezegd, het is aannemelijk dat het de taak van de
Europese rechter zal zijn om mettertijd op dit punt de
knoop door te hakken. Zou het mogelijk zijn dat de Europese Akte (voordien) in die zin wordt gewijzigd dat de Verdragsluitende partijen hun interpretatieve verklaring omtrent art. 8A EEG alsnog intrekken of althans in positieve
zin veranderen? 15).
Daarmede stuiten we op een geheel andere moeilijkheid. De Europese Akte is om meer dan een reden niet
ideaal. De Akte is een eerste stap als aanvulling, verbetering en vernieuwing van het EEG-Verdrag, dat begrijpelijkerwijze na 30 jaar (1957-1987) op enige onderdelen toe is
aan vernieuwing en aanvulling, aan aanpassing aan de
nieuwe omstandigheden van vandaag. De Akte zelf verdient nadere uitwerking. Is dat politiek mogelijk? Gelet op
de moeizame wijze waarop de Europese Akte is tot stand
gebracht, is aannemelijk dat er thans niet een nader Verdrag tot aanvulling of wijziging van het EEG-Verdrag of van
de Europese Akte mogelijk zal zijn en dat de Europese Akte in de huidige vorm voorlopig het laatste woord zal zijn
over de Europese economische integratie.
Als die hypothese de huidige grondslag voor de noodzakelijke handelingen vormt, zal men niet doof mogen zijn
voor die kritiek op de Europese Akte, die stelt dat dit
aanvullings- en wijzigingsverdrag in meer dan een opzicht
een stap terug is en een deel van hetgeen uit een oogpunt
van integratie is bereikt teniet doet. Wanneer die kritiek op
zich zelf aanvaard zou moeten worden, is het zaak om
door uitlegging van de Europese Akte dat nadeel zo veel
mogelijk weg te nemen. Die uitlegging kan met vertrouwen
aan het Hof van Justitie overgelaten worden, maar dit

ESB 16/23-12-1987

neemt niet weg dat een ieder kan meedenken op welke wijze een zo positief mogelijk resultaat zou kunnen worden
bereikt.
Weer een ander punt van zorg dat uit de Europese Akte
voortkomt is hierboven al even aangestipt en betreft het
feit dat in bepaalde omstandigheden lidstaten mogen weigeren aan de harmonisatie van nationale wetgeving mee
te doen. Zowel art. 8 C als art. 100 A, lid 4 EEG openen de
mogelijkheid dat in lidstaat A het communautaire regime
van toepassing is, terwijl in lidstaat B bepaalde delen van
het nationaal recht onverkort gelding blijven behouden.
Dat betekent een Europa van twee snelheden: het uitgangspunt dat het Gemeenschapsrecht in alle lidstaten
gelijk zal zijn, is daarmede verlaten.
Daarover maakt de een zich meer zorgen dan de ander.
Als men van oordeel is det deze Verdragsbepalingen een
onvermijdelijke overgangsfase vormen, die van nature
eindigt op 31 december 1992, wanneer de interne markt
tot stand zal moeten zijn gebracht, zijn de bezwaren tegen
zodanig regime van twee snelheden van geheel andere
aard en meer pragmatisch dan wanneer de vrees bestaat
dat laatstgenoemde datum geen termijnafsluiting betekent en men in de lidstaten ook ruim nadien met uiteenlopende wetgeving kan blijven zitten.

Slot_______________________
Men behoeft ten aanzien van de noodzakelijke uitlegging van het verdrag niet per se de meest pessimistische
visie te hebben om zich zorgen te maken dat de Europese
Akte op wezenlijke punten een vernieuwende achteruitgang meebrengt, naast de bescheiden verbeteringen welke eveneens tot stand zijn gebracht. Zolang de stappen terug tijdelijk zijn en na 31 december 1992 niet meer kunnen
plaatsvinden, valt met de betrokken Verdragsbepalingen
te leven. Blijkt deze datum Griekse kalendertrekken te vertonen, dan hebben enkele lidstaten zich vermoedelijk verkeken op de negatieve consequenties die de Europese Akte op de lange duur voor de Europese integratie zal kunnen hebben. Indien juist is dat dit nieuwe, aanvullende
Verdrag niet zelf een ‘face lift’ zal kunnen ondergaan, kan
men alleen met positief denken over een zo constructief
mogelijke uitlegging van de Verdragsbepalingen een dreiging van opgangkomen van desintegrerende krachten
binnen de Gemeenschap afwenden. Dat denken moet niet
in de eerste plaats juridisch zijn. Het gaat thans om een levendige inspanning van zeer velen om weer een Europese
geest in de Gemeenschap vaardig te laten worden, een
sprankje enthousiasme over de Europese Gemeenschap,
zoals die geestdrift in de jaren vijftig in de toenmalige zes
lidstaten bestond. Geestdrift levert politieke wil tot integratie en politieke wil doet veel moeilijkheden overwinnen,
met name moeilijkheden die de uitlegging van bepaalde
Verdragsbepalingen betreffen.
Lukt het niet die vonk van enthousiasme voor de Europese eenheid in twaalf lidstaten te doen ontbranden, dan
zou kunnen blijken dat wij alien met de ratificatie van de
Europese Akte het paard van Troje hebben binnen gehaald: de desintegrerende krachten kunnen groter blijken
te zijn dan de integrerende.

B.H. ter Kuile

13) Vgl. HJEG in de zaak 46/76 Bauhuis, Jur. 1977, biz. 5 e.v., biz. 15,
r.o. 12; in de zaak 113/80 Commissie/ lerland, Jur. 1981, biz. 1625
e.v., biz. 1638, r.o. 7 en in de zaak 95/81 Commissie/ltalie, Jur. 1982,
biz. 2187 e.v., biz. 2204, r.o. 27.
14) Vgl.: Commissie, De Voltooiing van de interne markt, Witboek,

COM (85) 310, Bureau voor officiele publikaties, Luxemburg.
15) Een bijzonder kritische benadering van de Europese Akte is te
vinden in: P. Pescatore, Die Einheitliche Europai’sche Akte, Eine ernste Gefahr fur den Gemeinsamen Markt, Europarecht, 1986, Heft 2,
153 e.v.

1183

Auteur