Ga direct naar de content

De erosie van de concurrentiepositie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 30 1980

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN
De erosie van de concurrentiepositie
De Nederlandse betalingsbalans heeft in de afgelopen
jaren een opvallende verandering te zien gegeven. In 1976
was er op de lopende rekening van de betalingsbalans
nog sprake van een overschot van f. 7,6 mrd. (of wel 3,5%
van het nationaal inkomen), in 1978 was het positieve
saldo omgeslagen in een tekort van f. 1,9 mrd. (0,75% van
het nationaal inkomen). In 1979 liep het tekort zelfs op
tot f. 4 mrd. De omslag is nog ,,dramatischerwals men bedenkt dat door het positieve (directe) effect van de aardgasproduktie (d.w.z. aardgasexport en importvervanging
van energie) op de betalingsbalans de lopende rekening
een aanzienlijk zonniger beeld vertoont dan zonder het
aardgasvoordeel het geval zou zijn geweest. Vanwege de
relatieve uitputting van onze aardgasvoorraden moet
worden verwacht dat, met name na 1985, dit positieve
effect zal afnemen, omdat de aardgasexport dan zal teruglopen en de energie-import (kolen) zal toenemen.
Er is een aantal factoren te noemen die hebben bijgedragen aan de verslechtering van de betalingsbalans.
Allereerst is de samenstelling van ons exportpakket eenzijdig. Zoals ook uit het WRR-rapport over de Plaats
en toekomst van de Nederlandse industrie blijkt, heeft
de industrie te lang vastgehouden aan een traditioneel
goederenpakket, dat na de tweede wereldoorlogweliswaar
goed aansloot bij de groeimogelijkheden o p de verschillende wereldmarkten maar daarin is met name in de jaren
zeventig verandering gekomen; doordat in de industrie
geen aanpassing heeft plaatsgevonden aan de veranderende groeipotenties in de wereldeconomie hebben we nu een
exportpakket waarin produkten met een relatief geringe
inkomenselasticiteit zijn oververtegenwoordigd. Bovendien is het Nederlandse exportpakket relatief energieintensief, hetgeen vanwege de fors gestegen energieprijzen
uiteraard een negatieve invloed heeft o p de afzet. Niet
alleen de samenstelling van ons exportpakket is overigens
minder gelukkig. De Nederlandse export is bovendien
sterk gericht o p de landen van de EG, die in de jaren
zeventig een relatief geringe importgroei hadden.
Uiteraard moet met betrekking tot het Nederlandse
exportvermogen ook de ontwikkeling van de loonkosten
worden genoemd. Hoewel de laatste jaren de loonkostenontwikkeling vrij gunstig is geweest, is er wat betreft de
loonkostenontwikkeling per eenheid produkt (dus na
correctie voor de arbeidsproduktiviteit) in dejaren zeventig sprake van een verslechtering van de concurrentiepositie ten opzichte van de EG-landen. De stijging van de
loonkosten heeft ook geleid tot het overbrengen van
produktie naar lage-lonenlanden, waarbij met name moet
worden gedacht aan de opkomst van de ,,newly industrialising countries”.
Niet alleen op de buitenlandse markten is er sprake van
een eroderende concurrentiepositie van het Nederlandse
bedrijfsleven, ook op de binnenlandse markt laten buitenlandse producenten zich meer en meer gelden. Voor de
industrie is de marktpenetratie, gedefinieerd als het aandeel van de concurrerende invoer in het binnenlandse verbruik, in de jaren 1970-1978 toegenomen van 38,5% tot
45%. Deze ontwikkeling is echter niet alleen het gevolg
van een verslechtering van de industriële concurrentiepositie. In de afgelopen jaren is er sprake geweest van knelpunten ten aanzien van de produktiecapaciteit en de
arbeidsmarkt, waardoor vaak niet aan de binnenlandse
vraag kon worden voldaan. Ten slotte kan het reisverkeer
worden genoemd als factor die de betalingsbalans
ongunstig heeft beïnvloed. Door de stijging van de
inkomens werd het voor steeds meer mensen mogelijk in
de vakantie de barre zomer in Nederland te ontvluchten.
Deze opsomming maakt het beeld van de betalingsbalans niet zonniger. Het blijkt dat er sprake is van struc-

ESB 16-7-1980

turele ontwikkelingen die de betalingsbalans hebben verslechterd, terwijl bovendien niet mag wordenverwacht dat
de verstorende invloed van deze factoren in de komende
jaren zal afnemen; de verslechtering van de betalingsbalans zal zich voortzetten. In een verleden week door de
Commissie van Economische Deskundigen (CED) van
de SER gepubliceerd rapport over het concurrentievermogen van de Nederlandse industrie is getracht aan te
geven hoe aan die verslechtering een halt kan worden
toegeroepen en op welke wijze de betalingsbalans kan
worden gestuurd in de richting van een evenwichtssituatie.
De C E D constateert dat het niveau van de nationale
bestedingen in relatie tot de produktie te hoog is om verenigbaar te zijn met een bevredigende externe positie;
het nationale vraagoverschot (gesteld o p 2%) moet worden
teruggedrongen door een bestedingsbeperking. Deze mag
niet ten laste komen van de bedrijfsinvesteringen. Het
bedrijfsleven moet immers juist gestimuleerd worden. Ook
op de materiële overheidsuitgaven kan niet te fors worden
gesnoeid, omdat het ,,inde praktijk moeilijk blijkt tezijnop
dit onderdeel beperkingen aan te brengen” en bovendien
werkgelegenheidsaspecten in aanmerking dienen te worden genomen. Nu is er nogeen onderdeel waar beperkingen
maar moeilijk tot stand kunnen worden gebracht en
bovendien werkgelegenheidsconsequenties hebben: de
particuliere consumptie. Niettemin meent de C E D dat
dáár de bestedingsbeperking moet worden gevonden, of
liever: opgelegd. Z o wordt een instrument gepresenteerd
dat aan twee kanten positief uitvalt voor de betalingsbalans: door de geringere bestedingen neemt de import af
en vanwege het feit dat het relatieve prijspeil van de
binnenlandse produktie achterblijft bij dat in het buitenland, neemt de export toe en de import af.
Dat gaat uiteraard alleen op indien in het buitenland
niet op analoge wijze wordt getracht de export op te
krikken. Naarmate in het buitenland de loonmatiging
groter is, zal in Nederland de bestedingsbeperking forser
moeten uitvallen. Verder is het nog maar de vraag of de
van
negatieve ~erk~ele~enheidseffecteñ de best&ingsbeoerkine inderdaad worden eecom~enseerddoor de
pÃ’sitievegevolgen voor de werk&egehheid vanwege een
verbetering van de concurrentiepositie, zoals ,,naar de
mening van de commissie” het geval is. Het is ook niet
duidelijk of de situatie o p de arbeidsmarkt een toeneming
van werkgelegenheid, en een verschuiving van werkgelegenheid, mogelijk maakt. Daar tekent de C E D bij
aan ,,dat ook een zodanig arbeidsmarktbeleid dient te
worden gevoerd ,,dat een soepele aanpassing van de vraag
naar en het aanbod van arbeid bevordert”, de zoveelste
formulering van iets waar inde praktijk tot nu toe nietsvan
terecht is gekomen.
Belangrijker dan deze punten van kritiek is evenwel
het feit dat het rapport vrijwel geheel voorbij gaat aan het
specifieke beleid. De commissie komt zelfs niet tot een
(voorzichtige) schatting van de bijdrage van het specifieke beleid voor de betalingsbalans, terwijl men wel uit
de losse hand een economische groei van 2% voortovert
en ook elders in het rapport bij nadere kwantificering
het natte-vingerwerk niet schuwt. Gezien de specifieke
problemen van de Nederlandse export lijkt mij dat gerichte maatregelen minstens zo belangrijk zijn als globaal
beleid. Verder is het mij volstrekt onduidelijk hoe een
macrobeleid kan worden aanbevolen zonder inzicht in b.v.
de microrelaties van de exportsector. Voor zo’n inzicht is
echter een grondiger analyse nodig dan waartoe de
commissie is gekomen.

T. de Bruin

797

Auteur