Ga direct naar de content

Concurrentiebeleid en consumentenbeleid

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 20 2006

beleid

Concurrentiebeleid en
consumentenbeleid
Dat consumentenbeleid en mededingingsbeleid innig
met elkaar verweven zijn, wordt in Nederland nog
onvoldoende beseft, getuige de aparte toezichthouders die ervoor zijn opgericht. Dit artikel beschrijft de
relaties, bespreekt witte vlekken in het beleid en de
daaruit resulterende onderzoeksagenda.
p 29 december 2006 is de Wet
handhaving consumentenbescherming (whc) in werking getreden,
waarmee de nieuw opgerichte consumentenautoriteit (vanaf nu: CA) de wettelijke bevoegdheid kreeg om toezicht te houden
op naleving van het consumentenrecht, evenals instrumenten om inbreuken op dat recht
met een collectief karakter te bestraffen. (Zie
de Kamerstukken onder het nummer 30411;
tevens www.consumentenautoriteit.nl.) Directe
aanleiding voor de wet was EG-Verordening
2006/2004 op het gebied van Europese samenwerking bij de handhaving van consumentenbescherming, die Nederland dwong een
toezichthouder op dit terrein aan te wijzen. De
CA zal, in samenwerking met andere toezichthouders, zoals NMa en OPTA, consumenten
(via www.consuwijzer.nl) informeren over hun
rechten, zodat deze op de markt beter tegenspel kunnen bieden.

O

ERIC VAN DAMME
Hoogleraar-directeur
van TILEC, Universiteit
van Tilburg

Met de whc werden geen nieuwe materiële
bepalingen aan het consumentenrecht toegevoegd. Het idee is wel dat dit recht nu effectiever gehandhaafd kan worden. Voorheen
zette Nederland vooral in op handhaving langs
zuiver privaatrechtelijke weg: bij een conflict
moesten aanbieder en consument er zelf maar
zien uit te komen, en bij een overtreding kon
de consument naar de rechter stappen. Om
minstens twee redenen kan zo’n zuiver privaatrechtelijk systeem tekortschieten. Ten eerste

is er de facto geen equal access to justice:
consumenten zijn in het nadeel omdat bedrijven het juridisch gevecht langer vol kunnen
houden (Zhou, 2007). Ten tweede hebben
veel inbreuken op het consumentenrecht
een collectief karakter, zodat het free rider
probleem speelt. Als de ene consument door
reclame misleid wordt, zal dat wellicht ook
bij een andere het geval zijn; elk van hen kan
denken: ‘laat de ander de missstand maar aan
het licht brengen’. Een dergelijk systeem kan
goed werken als consumenten zich eenvoudig kunnen organiseren en privaatrechtelijke
organisaties, zoals de consumentenbond,
kunnen mandateren namens hen op te treden.
Na invoering van de whc staat ook de publiekrechtelijke weg open: bij bepaalde inbreuken
kan de CA direct een boete of last onder
dwangsom opleggen, bij andere kan de CA het
Gerechtshof Den Haag vragen te bevelen dat
de inbreuk gestaakt wordt.

Het beleidsprobleem
Het zal duidelijk zijn dat het consumentenbeleid innig verweven zou moeten zijn met
het concurrentiebeleid. Een goed werkende
markt levert de beste garantie dat de belangen
van de consument optimaal gediend worden.
Anderzijds geldt dat de markt alleen goed
werkt als de consument goed geïnformeerd is
en goede keuzes maakt, zodat de aanbodzijde
effectief gedisciplineerd wordt. Ten derde kan
consumentenbeleid, indien dat te paternalistisch wordt vormgegeven, de concurrentie (en
daarmee het consumentenbelang) schaden
in plaats van dienen. Men zou dus mogen
verwachten dat in het beleidsdebat aan dit
soort aspecten veel aandacht geschonken zou
worden. Niet in Nederland. Wat vooral opvalt
bij lezing van de Kamerstukken over de whc
is hoe inhoudsloos en ideologisch het debat

ESB

april 2007

37

Het zal duidelijk
was, althans vanuit economisch perspectief. Economen
de Consumentenautoriteit
zijn dat het
en economische argumenten waren afwezig; het politiek
gaat beschermen. Is dat ieder
consumentenbeleid natuurlijk persoon die geen
debat (Handelingen TK 85, 1 juni 2006, 5179–5196,
Handelingen EK, 7 november 2006, 192–200) ging
innig verweven zou beroep of bedrijf uitoefent, of
over definities, bevoegdheden, bestuurlijke vormgeving,
wordt ook gelet op een conmoeten zijn met het sument die moet nadenken,
ideologie en middelen.
De VVD betoogde dat de markt zelfreinigend is, en de
concurrentiebeleid voorzichtig zijn, en een zekere
CA dus overbodig. Deze zou alleen ingevoerd moeten
onderzoeksplicht heeft? Een
worden omdat Brussel dat nu eenmaal eist, en zou
consument van wie toch mag
vooral niet meer moeten doen dan waartoe Europa verplichtte. Voor de
worden verwacht dat hij zijn gezonde verstand
partijen ter linkerzijde kon de CA daarentegen niet groot en krachtig
gebruikt.†Het antwoord van de toenmalig
genoeg zijn: de consument is immers weerloos tegen de macht van het
staatssecretaris:
grootkapitaal. In het midden, het CDA in spagaat: de CA is nodig, maar
“Dat is een lastige, maar cruciale vraagâ€
moet alleen in actie komen als marktpartijen er ook via zelfregulering
(Handelingen EK 7 november 2006, 5-196).
niet uitkomen. CDA’er Atsma verzocht in een motie de CA te beperken
De staatssecretaris stelt terecht dat het begrip
tot tien fte, maar hij trok die al snel weer in. Ondertussen is op de
consument niet eenduidig en enigszins in ontwebsite van de CA (www.consumentenautoriteit.nl.) te lezen dat haar
wikkeling is; het is wenselijk als bij de verdere
omvang 29 fte bedraagt, bij een budget van vijf miljoen euro per jaar.
ontwikkeling van dit cruciale begrip economen
Ook op die website zijn economen overigens afwezig. De CA consulbetrokken worden.
teerde het veld over de prioriteiten die zij in 2007 zou moeten stellen.
Een blik op het buitenland, met name GrootEr werd door diverse partijen en hoogleraren Rechten gereageerd. Er zijn
Brittannië en de VS, laat zien dat het gras
geen reacties van economische kant. Werden economen niet gevraagd
daar groener is: het denken is er verder
of hadden zij niets te melden?
ontwikkeld, en er is een intenser interactie
tussen wetenschap en beleid. Toegegeven,
Twee beleidsvragen voor de toekomst
economen zijn ook daar beter vertegenwoorTwee voorbeelden kunnen dienen om te illustreren hoe zeer de inbreng
digd in het debat over het concurrentiebeleid,
van economen gemist wordt. Ten eerste de vraag naar de positie van
maar ze hebben ook over het consumentende CA. In haar advies over de whc, (Kamerstuk 30411, nr. 4) ontkende
beleid veel belangwekkends te melden; zie
de Raad van State de boven genoemde innige verwevenheid: “gelet op
bijvoorbeeld Muris (2002), Vickers (2003)
de aard van de taken en werkzaamheden van de NMa – welke primair
en Salinger (2006). In Nederland zijn sinds
gericht zijn op werkzame concurrentie en bescherming van de mededin- Van Damme (2002) weinig economische
ging en niet op eerlijke concurrentie en bescherming van de consument
bijdragen op dit gebied te noteren.
– is onder de huidige omstandigheden aanwijzing van de NMa als conMarktfalen
sumentenautoriteit minder wenselijk en ligt instelling van een nieuwe
Om de relatie tussen mededingingsbeleid en
toezichthouder voor de hand.†Er was geen inhoudelijke discussie op
consumentenbeleid helder te maken, en te
dit punt, en geen verwijzing naar het feit dat in Groot-Brittannië en de
beoordelen of met NMa en CA en hun instruVerenigde Staten concurrentiebeleid en consumentenbeleid wel in één
menten alle witte vlekken in het consumentenhand zijn, en dat die constructie prima werkt. Over een paar jaar komt
beleid bedekt zijn, is het zinvol de discussie
de herkansing. Kamerlid Örgü (VVD) heeft in een motie (Kamerstuk
vanuit het kader van marktfalen te benaderen.
30411, nr. 19) voorgesteld het aantal toezichthouders niet uit te breiTraditioneel worden een aantal vormen van
den en bij de eventuele toekomstige verzelfstandiging van de CA deze
marktfalen onderscheiden. Voor dit onderwerp
onder te brengen bij een reeds bestaande toezichthouder. De motie
zijn publieke goederen en externaliteiten niet
werd verworpen, maar toenmalig staatssecretaris Van Gennip zegde toe
relevant, deze worden buiten beschouwing
bij de evaluatie van de CA, over vier jaar, hierop op terug te komen. Op
gelaten.
dit moment is staatssecretaris Heemskerk voor het consumentenbeleid
Markttoezichthouders zoals de NMa, OPTA en
verantwoordelijk. Als kamerlid vroeg hij al naar een visie op de rol en
DTe zijn ingesteld om marktfalen als gevolg
taakverdeling tussen toezichthouders; zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II
van marktmacht tegen te gaan of te beteu(2004-2005), 29960, nr. 2.
gelen. De NMa heeft drie instrumenten om
Een tweede voorbeeld betreft de fundamentele vraag opgeworpen door
marktmacht te beteugelen: het kartelverbod,
het CDA Eerste Kamerlid Franken: “De vraag is wat voor consument

38

ESB

april 2007

het verbod op misbruik van een dominante
van trade-offs en two-handed economists. De economische literatuur
positie en fusiecontrole. De sectorspecifieke
op dit gebied is minder uitgekristalliseerd dan die over marktmacht en
toezichthouders hebben een dubbele missie:
laat weinig algemene conclusies toe, behalve dat overheidsingrijpen ook
concurrentie op gang te brengen waar concurdoor kan schieten en contraproductief kan zijn. De traditionele rechtsrentie mogelijk is, en in de overige segmenten
economische literatuur benadrukt dat regulering ook private belangen
de (voor consumenten) wenselijke uitkomsten
kan dienen en waarschuwt dat, als de overheid marktmechanismen
via regulering af te dwingen. Hoewel het beleid uitschakelt of belemmert, het risico van overheidsfalen en daling van
aangrijpt op de aanbodzijde is de doelstelconsumentenwelvaart groot is. Zij stelt dat de overheid terughoudend
ling steeds bescherming of verhoging van de
moet zijn en vooral de informatie voor de consument moet verbeteren
consumentenwelvaart: het idee is dat concurom deze zo in staat te stellen betere keuzes te maken.
rentie ten dienste staat van de consument.
In Nederland is een groot gedeelte van het consumentenrecht geïmpleDe ervaringen met marktliberalisering hebben
menteerd in het Burgerlijk Wetboek. Het uitgangspunt is dat, mits de
geleerd dat concurrentie niet automatisch
consument juist geïnformeerd wordt, hij zelf goed in staat is voor zijn
tot stand komt, dat adequate marktordening
rechten op te komen. Het recht legt bepaalde plichten op aan aanbieessentieel is, dat beleid sectorspecifiek moet
ders. Misleidende reclame is verboden, algemene voorwaarden mogen
zijn, en dat goede marktwerking alleen tot
niet onredelijk bezwarend zijn, en bepaalde informatie moet vooraf
stand komt als ook de consument zijn steenverschaft worden. De prijzenwet schrijft voor dat artikelen voorzien
tje bijdraagt. Verder is het nog van belang te
moeten zijn van een verkoopprijs en een prijs per eenheid. Aanbieders
constateren dat het concurrentiebeleid steeds
moeten voldoen aan redelijke verwachtingen die de kopers hebben.
economischer wordt ingevuld. Op dit terrein is
De colportagewet biedt bescherming bij huis-aan-huis-verkoop, door
de economische wetenschap dus invloedrijk.
consumenten een bedenkperiode toe te kennen. De beschrijving maakt
Dit komt vooral omdat het uitgangspunt zo
duidelijk dat, in tegenstelling tot het mededingingsrecht, de normen
helder is: concurrentie is goed, monopolierelatief open zijn.
macht is slecht.
Consumentenfalen
Het consumentenbeleid wordt in eerste
Een uitgangspunt van het concurrentiebeleid is dat meer keuze voor de
instantie gemotiveerd door marktfalen als
consument beter is. Bij heterogene preferenties van de consumenten,
gevolg van informatieasymmetrie. Veelal is
zal het bij meer keuze voor elke individuele consument inderdaad eende consument slechter geïnformeerd dan de
voudiger zijn om iets van zijn gading te vinden. Bij homogene prefeproductaanbieder en de wetgeving heeft als
renties zal grotere keuze van aanbieders tot meer concurrentie tussen
doel te voorkomen dat de consument uitgeaanbieders leiden, tot druk op de marges, tot lagere prijzen en dus een
buit wordt. De wetgeving verbiedt oneerlijke
grotere consumentenwelvaart. Voorwaarde is wel dat consumenten goed
handelspraktijken die de consument misleigeïnformeerd zijn over de keuzes die ze hebben en dat ze verstandige
den, hem belemmeren een optimale keuze
keuzes maken; alleen als ze de optimale prijs/kwaliteitsverhouding kiete maken en op deze manier de concurrentie
zen worden aanbieders effectief gedisciplineerd. Het consumentenbefrustreren. Het kernartikel op dit gebied is
leid poogt te bewerkstelligen dat consumenten adequaat geïnformeerd
Akerlof (1970), waarin aan de hand van een
zijn, zodat ze de goede keuze kunnen maken. Het consumentenbeleid
simpel model aangetoond werd dat de markt,
is dus complementair aan het mededingingsbeleid. Beide vormen van
als gevolg van asymmetrische informatie,
het beleid gaan echter in grote mate uit van de aanname dat de convolledig in elkaar kan storten. Vergeten wordt
sument, volledig of in belangrijke mate, in staat is om voor zijn eigen
vaak dat Akerlof ook liet zien dat de markt een
groot zelfreinigend vermogen heeft. Marktfalen belangen op te komen. Een belangrijke vraag is nu hoe beperkend deze
aanname is: als consumenten de juiste keuze kunbiedt ondernemers winstnen maken, zullen ze dat dan ook doen?
mogelijkheden en diverse
Het consumentenbeleid De traditionele economische literatuur (gebaseerd op
marktmechanismen (intermediairs, garantievoorwaarwordt in eerste instantie het max U paradigma) beantwoordt de bovenstaande
vraag met een volmondig ja: een grotere keuzeverden, merkbescherming,
gemotiveerd door
zameling kan alleen maar tot meer nut leiden; meer
reputatieeffecten) kunnen
ervoor zorgen dat de markt
marktfalen als gevolg van informatie leidt tot meer keuzemogelijkheden en
dus tot meer nut. Deze literatuur heeft echter geen
het informatieprobleem zelf
informatieasymmetrie
oog voor de kosten van informatieverwerking en de
oplost. Er is dus sprake

ESB

april 2007

39

Behavioral economics
De traditionele economie is gebaseerd op de aanname van homo economicus : mensen worden gekarakteriseerd door een nutsfunctie en ze kiezen die actie die, onder de gegeven randvoorwaarden, het verwachte nut
maximaliseert. Additionele aannames zijn dat het nut afhangt van het
niveau waarop geconsumeerd wordt en dat alleen de eigen consumptie
ertoe doet (egoïsme).
Psychologen hebben er altijd op gewezen dat menselijk handelen op
systematische wijze afwijkt van dit model: omdat informatieverwerking
kostbaar is, maken mensen gebruik van vuistregels; ze maximaliseren
niet, maar vertonen satisfycing gedrag (goed is goed genoeg).
Bovendien zijn we niet goed in kansrekening, noch in het wegen van de
toekomst; veranderingen zijn belangrijker dan niveaus, en verliezen tellen zwaarder dan winsten van vergelijkbare grootte.
In de behavioral economics worden dergelijke inzichten uit de psychologie op systematische wijze in de economie geïntegreerd. Belangrijke
pioniers zijn: Herbert Simon, Daniel Kahneman en Amos Tversky. Ook
de experimentele economie (Reinhard Selten, Vernon Smith) heeft in
belangrijke mate bijgedragen tot de acceptatie en verdere verspreiding
van dit vakgebied. Vooral de gebieden Financiering en Rechtseconomie
zijn vatbaar gebleken voor deze ideeën, waarvoor Richard Thaler een
belangrijke pleitbezorger was.
Een goed startpunt voor een verdere verkenning van dit gebied is
“Behavioral Economics: Past, Present, Future†van Colin Camerer en
George Loewenstein uit 2003; zie http://www.hss.caltech.edu/
~camerer/web_material/be.html

Mensen zijn slechts begrensd rationeel. Net
zoals de meeste van ons de honderd meter
niet in tien seconden kunnen lopen, kunnen
we ook veelal niet de optimale beslissing
nemen. We maken vooral fouten als we tussen een groot aantal alternatieven moeten
kiezen, of als de uitkomsten onzeker zijn, of
als de tijdsdimensie belangrijk is, zoals ook in
andere artikelen in dit dossier wordt aangehaald. Als we tussen veel alternatieven kunnen kiezen, hebben we de neiging ons op een
beperkt aantal te focussen. Hoe complexer
de situatie, hoe eenvoudiger de vuistregels
die we gebruiken en hoe groter de foutkans.
Als het echt complex wordt, hebben we ook de
neiging de keuze uit te stellen, dat wil zeggen,
helemaal geen keuze te maken. Als uitkomsten
onzeker zijn, kennen we meer gewicht toe aan
mogelijk verlies dan aan winstmogelijkheden.
Anderzijds overschatten we onszelf en denken
we vaak: dit zal mij niet gebeuren. We vinden
kiezen vooral lastig als er een tijdsaspect
speelt: we focussen ons teveel op de nabije
toekomst en alternatieven die gepaard gaan
met opofferingen op korte termijn, maar
winsten op langere termijn laten we vaak links
liggen, zoals ook Van Raaij en De Groot elders
in dit dossier naar voren halen.
Als gevolg van het bovenstaande zijn de
baten van meer keuze niet altijd groter dan de
lasten. Meer keuze is niet wenselijk als kiezen
expertise vraagt die mensen niet bezitten.
In zulke situaties kan meer keuze tot minder
concurrentie leiden en tot een lagere consumentenwelvaart. Het huidige mededingingsbeleid en het consumentenrecht lijkt te weinig
oog voor deze mogelijkheid te hebben: er is
een witte vlek.

kosten verbonden aan het maken van keuzes. Eenzelfde opmerking geldt
bijgevolg voor het op deze literatuur gebaseerde concurrentiebeleid en
consumentenbeleid. De moderne literatuur over behavioral (law and)
economics integreert inzichten uit de psychologie en benadrukt dat meer
keuze niet alleen baten heeft, maar ook met extra lasten gepaard gaat
(zie bijvoorbeeld de tekstbox in dit artikel en Loewenstein, 1999). Deze
literatuur laat de conclusie toe dat er in het beleid een belangrijke witte
vlek zit: consumentenfalen kan niet genegeerd worden.
Drie soorten kosten kunnen onderscheiden worden: tijdskosten, foutPsychologie-elasticiteit
kosten en psychologische kosten. Het maken van een keuze kost tijd
Consumentenfalen biedt ondernemers interesen er zijn dus opportuniteitskosten. Iemand die een zondagmiddag
sante winstmogelijkheden. Een beleidsvraag
besteed aan stock picking kan die tijd niet gezellig bij zijn familie dooris hoe slim ondernemerschap
brengen. Als hij op maandagochtend vervolgens Ahold
bevorderd kan worden en tegekoopt (op basis van mean reversion) en op maandagmidConsumentenfalen lijkertijd uitbuiting van (naïeve
dag het boekhoudschandaal naar buiten komt, realiseert
onze belegger zich dat hij een fout gemaakt heeft en
biedt ondernemers of andere) consumenten kan
worden tegengaan.
vermoedelijk beter het advies had opgevolgd om vooral
interessante
Ausubel (1991) laat zien dat
gespreid te beleggen. De ervaring leidt tot spijt achteraf
en is bovendien niet goed voor het gevoel van eigenwinstmogelijkheden creditcardmaatschappijen in de
VS handig gebruik maken van
waarde (psychologische kosten).

40

ESB

april 2007

Concurrentie werkt
de zelfoverschatting en kortals de consument maken, maar ook bij homogene producten zoals elekzichtigheid van Amerikaanse
triciteit en gas. Recente reclamecampagnes (zoals van
meewerkt, maar als Nuon) proberen ons ervan te overtuigen dat stroom
consumenten. De meeste creditcardhouders verwachten dat
aan die voorwaarde stroom is en dat het enige dat ertoe doet de prijs is.
ze op hun kaart geen schuld
Zoals vergelijkingen op www.vergelijk.nl laten zien,
niet voldaan is, ligt zijn veel Nederlanders daar nog niet van overtuigd; de
zullen opbouwen en bij hun
kaartkeuze besteden ze daarom
grote prijsverschillen (tot wel vijftig procent) die daar
het heel anders
weinig aandacht aan de rente
zichtbaar zijn, zijn anders moeilijk te verklaren. Wilson
die ze op het verschuldigde
en Waddams Price (2005) onderzochten de situatie in
tegoed moeten betalen. Dit leidt tot geringe
Groot-Brittannië en hun inzichten zijn vermoedelijk ook voor Nederland
concurrentie op het rentepercentage en geeft
relevant. Zij laten zien dat er een groot aantal Britse consumenten
de maatschappijen de mogelijkheid om hoge
(vijftig procent) is dat niet van aanbieder wisselt hoewel die consumenmarges te hanteren. In werkelijkheid bouwde
ten een kwart van de kosten zouden kunnen besparen als ze dat wel
de gemiddelde kaarthouder een schuld van
zouden doen. Ten tweede kiezen veel van de consumenten die over6.000 euro op en betaalden velen teveel rente
stappen, zelfs diegenen die switchen om een prijsvoordeel te realiseals gevolg van onderschatting van de kans op
ren, niet voor de goedkoopste aanbieder. De gemiddelde overstapper
overbesteding. De Amerikanen lieten zich leibehaalt slechts een kwart van het voordeel dat te behalen is. Sterker
den door introductieaanbiedingen die op korte
nog, ongeveer een derde deel van diegenen die overstapt doet dat naar
termijn (kleine) voordelen boden, zonder dat
een aanbieder die duurder is, met daarbij een gemiddeld verlies van
ze zich realiseerden dat daar op lange termijn
16,50 pond per jaar. Foutkosten zijn dus zeker niet te verwaarlozen.
hoge kosten mee verbonden waren.
Opmerkelijk is ook dat daar waar meer concurrenten op de markt actief
Bertrand et al. (2005) laten zien hoe, bij
zijn, de foutkans toe lijkt te nemen. Verwarring bij consumenten lijkt
het verstrekken van leningen, banken winstdus een rol te spelen.
gevend van presentatie-effecten (framing)
De reactie in wetenschap en in beleid
gebruik kunnen maken. Volgens de standaard
Als consumenten begrensd rationeel zijn en de wetenschap en het
economische theorie doet alleen de rentevoet
beleid daarmee nog onvoldoende rekening houden, is de vraag: wat te
ertoe en gaat het om de prijselasticiteit van
doen? Voor de wetenschap is de opgave helder. De vraag die beantde vraag; een rationele consument doorziet
woord moet worden is: hoe functioneren markten waarin de consumarketingtechnieken volledig. De ‘presentatiementenzijde realistischer gemodelleerd is? Met andere woorden: hoe
elasticiteit’ blijkt echter groter te zijn dan de
werkt concurrentie als de consument niet meewerkt? Een eenvoudig
prijselasticiteit, zodat een bank haar winst
voorbeeld geeft inzicht; denk aan twee aanbieders, constante marginale
eenvoudiger kan verhogen door de marketing
kosten en een dalende vraagcurve. Onder de Bertrand-aanname dat
van de lening te verbeteren dan door de prijs
consumenten voor de goedkoopste aanbieder kiezen, geldt P=MC, is de
ervan te verlagen. Concreet is het beter bij
winst nihil en is de consumentenwelvaart maximaal. Als consumenten
een aanbod geen alternatieven te formulefouten maken, is de prijs hoger: als ze bijvoorbeeld de duurste aanren; dat verwart de consumenten en leidt tot
bieder kiezen, is de prijs oneindig en de vraag nihil. Toegegeven, deze
minder vraag: een eenvoudige beschrijving
simpele aanname is extreem, maar Gabaix et al. (2005) laten zien dat
blijkt in hun situatie even effectief te zijn als
bij realistische aanname over de fouten de marge nauwelijks beïnvloedt
een verlaging van het rentepercentage met
wordt door de mate van concurrentie. Concurrentie is ineffectief als de
2,3 procentpunt. Andere technieken zijn nog
consument niet meewerkt.
effectiever: vooral mannen blijken gevoelig te
Gegeven het feit dat de wetenschap met haar positieve analyse nog niet
zijn voor een boodschap uitgesproken door
heel ver is gevorderd, is op normatief gebied terughoudendheid op zijn
iemand van de andere sekse. Een afbeelding
plaats. Omdat beleidsmakers de beleidsvraag ‘wat te doen?’ echter nu
van een knappe vrouw in de brief waarmee de
reeds moeten beantwoorden (niets doen is immers ook een antwoord),
lening wordt aangeboden, heeft hetzelfde efis het zinvol enkele alternatieven te schetsen. Zie ook OECD (2006)
fect als een verlaging van het rentepercentage
voor een poging de inzichten uit de moderne literatuur in beleidsconsemet 4,5 procentpunten.
quenties te vertalen.
Opmerkelijk is dat consumenten niet alleen
Ten eerste is het natuurlijk mogelijk terug te keren naar hard paternabij complexe producten als creditcards en
lisme: als de consument zelf niet kan beslissen, dan moet de overheid
leningen moeite hebben de juiste keuze te

ESB

april 2007

41

dat maar doen. Ook de overheid is niet immuun voor fouten, zij bestaat immers uit begrensd rationele individuen. Ronald Coase zei ooit:
‘Foolishness follows the universal law of demand. The greater the price
you have to pay for being foolish, the less you do’. Op basis van het
argument dat een individuele consument directer met zijn fouten geconfronteerd wordt en dus beter zijn best zal doen om ernstige fouten
te vermijden, is in de moderne behavioral law and economics literatuur
weinig steun voor hard paternalisme te vinden.
Er is meer steun voor allerlei vormen van zacht paternalisme, waarbij de
consument aan de hand genomen wordt en belet wordt fouten te maken;
zie bijvoorbeeld Camerer et al. (2003) en Sunstein en Thaler (2003). Als
mensen in bepaalde situaties geen goede keuzes kunnen maken, probeer
dan te voorkomen dat ze in die situaties terechtkomen. Als mensen productrisico’s onderschatten of denken ‘dit zal mij niet gebeuren’, dan kunnen door extra hoge veiligheidseisen de risico’s toch beteugeld worden.
Ook hier is de verstoring duidelijk: mensen die een goede risicoinschatting
kunnen maken, worden geconfronteerd met te dure producten. Dergelijk
zacht paternalisme is niet geheel te vermijden en de zoektocht is naar
vormen van asymmetrisch paternalisme die de kwetsbare consumenten
wel helpen, maar de meer rationele consumenten niet schaden.
In het recente (winter 2006) nummer van de Chicago Law Review over
dit thema zijn diverse artikelen opgenomen die waarschuwen tegen
al te groot enthousiasme voor zacht paternalisme, en die het liberale
standpunt verdedigen dat het beter is mensen zo ver te krijgen dat ze
zich bewust worden van hun beperkingen, en de kosten die daaraan
verbonden zijn, zodat ze zelf zullen proberen hun fouten te corrigeren.
In feite wordt hier beargumenteerd dat we de rationaliteit van individuen niet moeten onderschatten. Wel wordt een overgang gemaakt van
uitkomstrationaliteit naar procesrationaliteit: mensen zijn wellicht niet
in staat te optimaliseren, maar ze zijn wel in staat om van hun fouten
te leren en hun situaties te verbeteren. Het thema ‘leren rationeel te
zijn’ krijgt ook in de zuiver academische literatuur op dit moment veel
aandacht.

LITERATUUR
Akerlof, G. (1970) The market for lemons; quality
uncertainty and the market mechanism. Quarterly
Journal of Economics, 84(3), 488–500.
Ausubel, L. (1991) The failure of competition in the
credit market. American Economic Review, 81(1), 50–81.
Bertrand, M., D. Karlan, S. Mullainathan, E. Shafir en
J. Zinman (2005) What’s psychology worth? A field
experiment in the consumer credit market. NBER
Working Paper 11892, December 2005.
Camerer, C., S. Issacharoff, G. Lowenstein,
T. O’Donoghue en M. Rabin (2003) Regulation for
conservatives. University of Pennsylvania Law Review,
151(1211), 101–144.
Chicago Law Review (2006) Symposium: Homo
Economicus, Homo Myopicus, and the Law and Economics of
Consumer Choice, Volume 73, winter 2006.
Damme, E. van (2002) Betere positie consument vraagt
mdw-toezichthouder, ESB 7 juni 2002.
Gabaix, X. Laibson, D. en H. Li (2005) Extreme Value
Theory and the Effects of Competition on Profits,
ongepubliceerd manuscript.
Loewenstein, G. (1999) Is more choice always better?
Social Security Brief, nr. 7, oktober 1999, National
Academy of Social Insurance.
Muris, T.J. (2002) The Interface of Competition and
Consumer Protection, remarks by the Chairman of the
FTC at the Fordham Twenty-Ninth Annual Conference
on International Antitrust Law and Policy, 31 oktober
2002.
OECD (2006) Roundtable on demand-side economics for
consumer policy. OECD, Directorate for Science, technology and industry, Committee on consumer policy,

Conclusie

20 April 2006.

Concurrentiebeleid en consumentenbeleid zijn complementair en kunnen samen marktfalen als gevolg van marktmacht of asymmetrische
informatie afdoende afdekken. Concurrentie werkt als de consument
meewerkt, maar als aan die voorwaarde niet voldaan is, ligt het heel
anders. Consumentenfalen mag niet verwaarloosd worden, zoals ook
de empirische literatuur laat zien. Marktliberalisering kan leiden tot
hogere winsten voor bedrijven, een lagere welvaart en een lager consumentensurplus, en kan dus een slecht idee zijn als consumenten door
liberalisering in verwarring gebracht worden. De vraag hoe het beleid
moet omgaan met consumentenfalen is in feite een oude, maar wel een
die nooit afdoende beantwoord werd, en die een spannende onderzoeksagenda voor de toekomst impliceert.

Salinger, M. (2006) Consumer Protection Economics at the
FTC, remarks prepared for Chief Economics roundtable
by the Director of the Bureau of Economics FTC,
8 April, 2006.
Sunstein, C. en R. Thaler (2003) Libertarian
Paternalism is not an Oxymoron, Working Paper
2003–02, AEI-Brookings Joint Center for Regulatory Study,
April 2003.
Vickers, J. (2003) Economics for Consumer Policy, British
Academy Keynes Lecture, 29 October 2003.
Wilson, C. en Waddams Price, C. (2005) Irrationality in
Consumers’ Switching Decisions: When more firms may mean
less benefit, ESRC Centre for Competition Policy, School
of Economics and School of Management University of
East Anglia, augustus.
Zhou, J. (2007) In litigation, how far do the ‘haves’ come
out ahead? TILEC Discussion Paper 2007–002, Universiteit
van Tilburg.

42

ESB

april 2007

Auteur