Ga direct naar de content

Winst per regio

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: augustus 2 1995

Winst per regio
Het bedrijfsleven in sommige delen van Nederland blijkt winstgevender
dan in andere. Wat zijn de ‘sterke’ en ‘zwakke’ regie’s?
Wanneer is nu een regio in economische zin als ‘sterk’ te betitelen? Globaal kunnen twee benaderingen worden onderscheiden. De eerste richt
zich op de vestigingsplaatskeuze van
bedrijven. Wanneer buitenlandse bedrijven besluiten zich in Nederland te
vestigen, dan strijken ze vooral neer
in de grotere Randstadagglomeraties1.
Deze agglomeraties zouden we dan
ook kunnen beschouwen als ‘sterke’
regie’s. Tegenover de aantrekkelijkheid van de Randstad als vestigingsplaats voor buitenlandse ondernemingen staat echter, dat de Randstad als
vestigingsplaats voor Nederlandse bedrijven bedrijven aan waardering inboet . Oost- en vooral Zuid-Nederland scoren hier steeds beter.
Het tweede type onderzoek richt
zich niet op de locatiekeuze, maar
meet de prestaties van het regionale
bedrijfsleven. Vaak wordt daarbij gewerkt met werkgelegenheidsgegevens. Soms worden echter ook andere
gegevens in de beschouwing betrokken. In de bekende vitaliteitsstudies
van INRO-TNO en de gezamenlijke
Kamers van Koophandel gaat het om
gegevens over netto bedrijfsresultaat,
omzet en investeringen.
Er is een essentieel verschil tussen
beide typen onderzoek. Bij het eerste
type, de locatiekeuze, spelen uitsluitend bedrijfsexterne factoren een rol.
De uitkomst zegt iets over de ‘sterkte’
van een regio om (bepaalde vormen
van) bedrijvigheid aan te trekken. Het
tweede type, het iunctioneren van de
bedrijven in een regio, heeft niet alleen betrekking op bedrijfsexterne,
maar ook, misschien wel vooral, op
bedrijfsinterne factoren. De uitkomst
zegt iets iets over de concurrentiepositie van de regionale bedrijven. Een regio, die goed scoort bij het aantrekken van nieuwe buitenlandse dan wel
Nederlandse bedrijven, is niet noodzakelijkerwijs ‘sterk’, wanneer wordt gekeken naar de financiele performance
van de in die regio gevestigde bedrijvigheid.

Het onderzoek waar dit artikel aan
gewijd is, gaat over ‘sterke’ regio’s in
de betekenis van de tweede benadering. Ingegaan wordt op de verschillen in winstgevendheid van het industrie’le bedrijfsleven in de veertig
Nederlandse Corop-gebieden in de
periode 1987-1991. Het verschil met
de eerder genoemde vitaliteitsstudies
is dat ons onderzoek uitsluitend betrekking heeft op winstgevendheid3.
Data
Geredeneerd vanuit maatschappelijk
perspectief is de netto toegevoegde
waarde de beste maatstaf om de prestaties van ondernemingen vast te stellen . De netto toegevoegde waarde
kan namelijk worden gezien als de
som van de inkomens van de bij de
onderneming betrokken werknemers,
kapitaalverschaffers en overheden.
Gegevens op Corop-niveau voor de
netto toegevoegde waarde zijn echter
niet beschikbaar.
Daarom wordt voor dit onderzoek
uitgegaan van het netto bedrijfsresultaat. Het ligt voor de hand om dan te
werken met de rentabiliteit op het eigen of op het totaal vermogen . Dit
1. R. Buck en W. Pijpers, Buitenlandse bedrijven in Nederland, in W. van Velden en
E. Wever (red.), Nederland is meer dan
de Randstad, Van Gorcum, Assen, 1995.
2. W.J. Meester, Recent changes in the locational preference of Dutch entrepreneurs, Paper European Congress RSA,
Groningen, 1995.
3. Voor een meer uitgebreide bespreking
zie H.J. Nijmeijer, Resultaat en regio, een
onderzoek naar regionale verschillen in
ivinstgevendheid van industriele bedrijven in Nederland, afstudeerproject Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de
Universiteit Utrecht, 1995.
4. Zie H.W. de Jong, Prestaties van grote
ondernemingen, ESB, 22 maart 1995, biz.
277-280.
5. Zie onder meer A.P. Kusters, Winstgevendheid en vermogensverhoudingen,
Onderzoeksmemorandum nr. 115, CPB,
Den Haag, 1994.

Figuur 1. Winstgevendbeid Industrie in 1987 en 1991

cijfers (REJ). In deze Statistiek vormt de Corop-regio
het laagste ruimtelijk niveau

waarvoor gegevens worden
gepubliceerd. Een van de in
deze Statistiek vermelde gegevens is het zogeheten ‘ove-

slechts voor 10% uit ondernemingen

die als multi-regionaal kunnen worden geclassificeerd, maar hiermee is
wel zo’n 40% van de binnen Nederland gerealiseerde toegevoegde waarde gemoeid.
Een tweede vorm van demping

rig inkomen’, de bruto toege-

treedt op door de ophoging van de

voegde waarde tegen
factorkosten minus de arbeidskosten. Men kan dit
‘overig inkomen’ zien als
een redelijke indicator voor

regionale waarden via de kleine bedrijven (minder dan twintig werkzame
personen). Voor deze categoric bedrij-

ven wordt per bedrijfsklasse of bedrijfsgroep over het hele land gewerkt

de winst . Nu is een winst

met dezelfde ophoogverhoudingen.

van een miljoen gulden voor
een klein bedrijf lets fantastisch, voor een bedrijf als
Shell zal het als een ramp
worden opgevat. Daarom is
het overig inkomen in dit

De mogelijke vertekening als gevolg van deze twee vormen van demping is aanleiding geweest om ook
nog een aanvullende analyse uit te

voeren. Hierop zal later worden teruggekomen. Verder hebben we de extra-

betoog gerelateerd aan (ge-

territoriale regio (het continentale plat

deeld door) de bruto toege-

en enclaves in het buitenland (ambas-

voegde waarde (tegen factorkosten). De dan ontstane
winstquote kan worden ge-

sades)) buiten beschouwing gelaten.

zien als het complement van
de arbeidsinkomensquote.
De meningen over deze wij-

ze van schaling zijn overigens wel verdeeld. Sommigen wijzen er op dat

hierdoor de winst van kapitaalintensieve bedrijven of
sectoren te hoog wordt ingeschat. Niettemin wordt deze

Regionale verschillen
Fluctuaties in tijd en ruimte
In deze paragraaf wordt ingegaan op
de winstgevendheid van het industriele bedrijfsleven in de veertig Corop-

regio’s op basis van het overig inkomen gerelateerd aan de bruto
toegevoegde waarde (tegen factorkosten). De analyse heeft betrekking op
de periode 1987-19918. Voor ieder jaar

maatstaf •wel gehanteerd .

is een analyse uitgevoerd en zijn de

Hoewel een redelijk alternatief, levert het gebruik van

uitkomsten in een kartogram weergegeven. In figuur 1 zijn de kartogrammen voor 1987 en 1991 opgenomen.

de Statistiek regionale economische jaarcijfers toch enkele problemen op. In deze
Statistiek is niet de onderneming het uitgangspunt, maar

Op de gegevens voor elk van de
vijf jaren in de periode 1987-1991 is
een clusteranalyse (Ward-methode)

toegepast. Bezien we de uitkomsten

de bedrijfseenheid. Echter,
ook bedrijfseenheden kunnen meerdere vestigingen, in
verschillende regie’s omvatten. Om in zo’n situatie toch

te komen tot een regionale
verbijzondering verdeelt het
CBS de totale toegevoegde
waarde en het totale overig
inkomen van de bedrijfseenheid over de diverse vestigin-

gen en daardoor regie’s, bij
voorbeeld naar rato van het

levert echter onoverkomelijke proble-

personeelsbestand per vestiging. Voor

men op. Weliswaar is er een CBS-Sta-

ons onderzoek is die werkwijze niet
onverdeeld gunstig. De regionale verschillen in ‘performance’ worden hierdoor gedempt, terwijl juist die verschillen in onze beschouwing centraal

tistiek Financien van andernemingen, maar deze is voor onze analyse
niet bruikbaar omdat de gegevens
niet regionaal gegroepeerd zijn.
Een redelijk alternatief vormt de

Statistiek regionale economisehe jaar-

staan. Weliswaar bestaat het industriele bedrijvenbestand van het CBS

6. Zie onder andere L. de Wolff, Het ge-

heim van succesvol ondernemen, Intermediair, nr. 48, 1983, biz. 21-41 en EIM,
Kleinschalig ondernemen deel 2: regionaal-economische dynamiek en iverkgelegenheidscreatie, EIM, Zoetermeer, 1994.
7. Bij voorbeeld P. de Wolf, De relatie tussen concentratiegraad en winstgevendheid in Nederlandse bedrijfsklassen, ESB,
26 mei 1982, biz. 538-542, J.J.M. Pronk,
Verschillen in winstgevendheid van in Ne-

derland gevestigde industriele bedrijven,
Statistisch Magazine, nr. 1, 1987, biz. 1926 en FJ. Krapels en G. van Leeuwen, De
invloed van produktie, winstgevendheid
en kapitaalkosten op de investeringen,

Statistisch Magazine, nr. 2,1992, biz. 6977.
8. Omdat in 1987 een ingrijpende revisie
heeft plaatsgevonden van de REJ, was het

niet mogelijk verder terug te gaan in de
tijd.

daarvan, dan blijkt dat in een aantal

den daarom misschien toch

Figuur 2. Winstgevendbeid Industrie, gestandaardi-

gebieden het industriele bedrijfsleven

als ‘sterk’ moeten worden

seerd, in 1987 en 1991

in ieder jaar van de periode 1987-1991
winstgevender is geweest dan het bedrijfsleven in Nederland als geheel.

aangemerkt. Regie’s met een
meer dan gemiddelde score,
maar met een gunstige be-

Deze ‘sterke’ regie’s zijn de Corop-ge-

drijfsklassenstructuur, zou-

bieden Delfzijl, Groot-Rijnmond,
Zeeuws-Vlaanderen en Overig Zeeland. Corop-gebieden die steeds min-

den volgens deze redenering
minder redenen hebben om

der winstgevend waren dan Nederland als geheel, de ‘zwakke’ regie’s,
zijn: Noord-Friesland, Zuidwest-Fries-

land, Zuidoost-Drenthe, Delft/Westland en Zuidoost-Brabant. Bij de overige regie’s treffen we een aantal
‘stijgers’ aan (constant stijgende presta-

ties), zoals Gooi en Vechtstreek, maar

zich zelf als ‘sterk’ te afficheren. Uiteraard is het ook
denkbaar dat de geconstateerde verschillen wegvallen,
wanneer wordt gecontroleerd voor de regionale bedrijfsklassensamenstelling.
Om de invloed van de be-

Zuid-Holland en ‘springers’, regie’s

drijfsklassenstructuur uit te
schakelen, is een standaardisatieprocedure doorgevoerd.

waarin het bedrijfsleven zeer sterk

Daarbij is de indirecte metho-

fluctuerende prestaties laat zien: Zuidwest-Overijssel, IJmond en Zuid-Lim-

de toegepast . Deze methode bestaat uit twee stappen.

burg. Het overgrote deel van de
Corop-regio’s (25 van de 40) presteert

Eerst wordt in iedere regio
aan iedere bedrijfsklasse de

over de periode 1987-1991 ongeveer
zoals Nederland als geheel. Dit laatste

nationale winstgevendheid

ook ‘dalers’: Noord-Overijssel en Oost-

gegeven geeft een eerste aanwijzing
dat enige voorzichtigheid bij het han-

teren van termen als ‘sterke’ en ‘zwakke’ regie’s verstandig is.

De invloed van de
produktiestructuur
In de ‘sterke’ regie’s van figuur 1 is de
grootschalige, zeehavenindustrie sterk

vertegenwoordigd. Dit gegeven roept,
samen met verschillen in de conjunc-

tuurgevoeligheid van bedrijfsklassen,
de suggestie op dat het weergegeven

beeld vertekend wordt door de ongelijke regionale samenstelling van de industrie. De winstgevendheid kan per
bedrijfsklasse verschillen, waarbij een
relatie zou kunnen bestaan met de
aanwezigheid van ‘groei-‘ respectievelijk ‘stagnerende sectoren’. Zo was in

1991 de winstgevendheid in de (arbeidsintensieve) lederwarenindustrie

het laagst (0,12), in de (kapitaalintensieve) aardolie-industrie het hoogst
(0,77). Verschillen in winstgevendheid
per bedrijfsklasse kunnen er toe leiden dat gebieden waar weinig winstgevende bedrijfsklassen sterk zijn vertegenwoordigd, het moeilijk zullen
hebben om tot een, ten opzichte van
Nederland, hoge score te komen.
Voor gebieden waar winstgevende bedrijfsklassen, zoals de aardolie-industrie, sterk zijn vertegenwoordigd is dat
veel gemakkelijker. Gebieden met

een middelmatige score, maar met
een oververtegenwoordiging van wei-

nig winstgevende bedrijfsklassen, zou-

ESB 23-8-1995

toegekend. Dit levert per regio de totale fictieve winstgevendheid. Deze uitkomst
wordt afgezet tegen de daad-

werkelijke regionale winstgevendheid. Is de laatste waarde groter dan de eerste, dan

heeft de regio, afgezien van
de invloed van de regionale
produktiestructuur, beter gepresteerd dan Nederland als
totaal.
In figuur 2a en 2b is de
regionale winstgevendheid

weergegeven na standaardisatie. Het blijkt dat de regionale verschillen afnemen,
maar geheel verdwenen
zijn ze niet. Bij toepassing
van de clusteranalyse blijkt
Groot-Rijnmond weg te vallen uit de categoric ‘sterke’
regie’s. Daarvoor in de

plaats komt Noord-Drenthe.
De categoric ‘sterk’ bestaat

nu uit vier, binnen de Nederlandse context, vaak als perifeer beschouwde gebieden:
Delfzijl, Noord-Drenthe,
Zeeuws-Vlaanderen en
Overig Zeeland. Ook in de

categoric ‘zwakke’ regio’s doen zich
enkele wijzigingen voor. Bedrijven in
Zuidwest-Friesland en Zuidoost-Brabant doen het beter dan aanvankelijk
werd gedacht. Nieuwe ‘zwakke’ regio’s hebben zich niet aangediend. Behalve Gooi en Vechtstreek, behoort
1

nu ook de eerder als ‘springer gety-

peerde IJmond tot de categorie ‘stijgers’. Bij de ‘dalers’ hebben zich geen
veranderingen voorgedaan. NoordOverijssel en Oost-Zuid-Holland heb9. Zie A.Z. Israels en S.J.M. de Ree, Standaardisatietechnieken, CBS-select, nr. 2.,
1983, SOU, Den Haag, biz. 237-246.

2-digit niveau. Het is
denkbaar dat, bij een

Figuur 3. Spreiding winstgevendheid per regie?

lager niveau, alle regionale verschillen
zouden verdwijnen.

Waarschijnlijk lijkt dit
echter niet. Zo blijkt
dat in Delfzijl en Zeeuws-Vlaanderen de
chemie sterk bijdraagt
aan de hoge regionale winstgevendheid.
In Zuid-Limburg is de
bijdrage van de chemie aan de regionale
winstgevendheid negatief. Toch is in alle
drie gebieden op 3-digit niveau dezelfde
bedrijfsgroep overver-

tegenwoordigd: SBI
294, overige chemi-

sche grondstoffen.
Het lijkt er derhalve

op dat ook andere
verklarende factoren

nog een rol spelen.
Twee mogelijkheden
dienen zich aan.

Produktiemilieu
De eerste is de rol
van het produktiemi-

ben, in die zin, hun positie niet weten
te verbeteren.

Regionale verschillen: beperkt,

maar ook verrassend.
Op basis van de analyse tot nu toe

kan een tussenbalans worden opgemaakt. Benadrukt zij nogmaals de beperkingen van de gebruikte data.
Daarbij is vooral van belang de dempende werking die uitgaat van enerzijds de inschattingsprocedure voor
de kleinere (industriele) bedrijven en
van anderzijds de werkwijze die is gevolgd met betrekking tot de multi-regionale bedrijven. Als we hiervan af-

zien, dan kunnen de volgende
conclusies worden getrokken.

den de ‘sterke’ respectievelijk
‘zwakke’ regie’s kunnen worden
genoemd;
• de regionale verschillen in winstgevendheid worden niet geheel verklaard door verschillen in de regionale bedrijfsklassensamenstelling.
De uitgevoerde standaardisatie

structuur, goede mentaliteit arbeidskrachten, uitstraling kenniscentra,
aanwezigheid regionale netwerken,
alerte overheden enzovoort).
De gevonden uitkomsten lijken echter geenszins in deze richting te wijzen. Onder de ‘sterke’ regie’s vinden
we niet de gebieden die in dit opzicht
aan de weg timmeren, zoals de regie’s

Mogelijke verklaringen

len in de tijd gezien af te nemen;

om de bedrijfsklassensamenstelling,

Nederlandse gemiddelde. Dit zou-

met een technische universiteit. De
hoge waardering die ondernemers

groot. Het merendeel van de Coropregio’s laat een gemiddelde score
zien. Bovendien lijken de verschil-

in negatieve zin afwijken van het

getwijfeld in staat om een aantal factoren te noemen, die de regio ‘sterk’
maken en bedrijven een hogere winstgevendheid opleveren (goede infra-

maar verdwijnen doen ze niet. Na
correctie voor de bedrijfsklassensamenstelling zijn de ‘sterke’ regie’s:
Delfzijl, Noord-Drenthe, ZeeuwsVlaanderen en Overig Zeeland: in
ieder geval voor ons een verrassend lijstje.

De vraag die zich nu aandient is, waardoor de regionale verschillen worden
veroorzaakt. Een mogelijke verklaring
zou kunnen zijn dat het toch draait

• desalniettemin zijn er vier gebieden
die over elk van de jaren 1987-1991
in positieve zin en vijf gebieden die

deze verklaring gaat het immers om
intrinsieke eigenschappen van de regio. Vooral de ‘sterke’ regie’s zijn on-

reduceert de verschillen wel,

• de regionale verschillen in winstge-

vendheid zijn niet opzienbarend

lieu. Dit zal ruimtelijk
wetenschappers en regionale bestuurders aanspreken. Bij

maar dat de gevolgde standaardisatieprocedure beperkingen kent. Bij die
procedure is, noodgedwongen, gewerkt met de regionale bedrijfsklassensamenstelling gemeten op ruwweg

aan Utrecht toekennen als geschikte
vestigingsplaats voor (ook) industriele
bedrijven in de jaarlijkse FEM/Lagendijk-enquete vertaalt zich niet in een
hoge winstgevendheid voor Utrecht.
Uitgezonderd mogelijkerwijs de bestuurders van die regie’s zelf zal men
bij ‘sterke’ regio, in de zin van gebieden met een uitstekend produktiemilieu, ook niet meteen denken aan Zee-

uws-Vlaanderen of Delfzijl. Ook is

nauwelijks aannemelijk te maken dat
het produktiemilieu in Noord-Drenthe
zozeer afwijkt van dat in ZuidoostDrenthe dat dit verklaart waarom de
bedrijven in Noord-Drenthe winstgevender zijn. Wij laten ons verder
geenszins verleiden om te beweren
dat de kwaliteit van het produktiemilieu in Delft/Westland wel erg povertjes afsteekt tegen dat in Zeeuws-

Vlaanderen.

Kwaliteit van de ondernemingen
Een tweede mogelijke verklaring zou
kunnen zijn de kwaliteit van de bij de
analyse betrokken ondernemingen.
De Wolff stelde al eens dat er geen
‘sterke’ en ‘zwakke’ bedrijfsklassen
zijn, alleen ‘sterke’ en ‘zwakke’ bedrij-

ven . Naar analogic daarvan zou kunnen worden gesteld dat er geen ‘ster-

leidde, is dit gebied samengevoegd
met Overig-Groningen. Het opschonen van het bestand leidt er toe dat
de in de analyse meegenomen netto
toegevoegde waarde 32% van het totaal voor de industrie uitmaakt.
Hoe zit het nu met de winstgevendheid op dit micro-niveau? Figuur 3
geeft per Corop-regio de winstgevendheid van de middelste 50% van alle
waarnemingen. De uitschieters naar
boven en beneden zijn in deze figuur
bewust buiten beschouwing gelaten.
Zelfs dan is duidelijk dat de spreiding
in iedere regio groot is. De variatiecoefficienten varieren van 0,94 (NoordDrenthe) tot 3,23 (Kop van NoordHolland). Op basis van deze grote
interne variatie is er weinig aanleiding
orn te veronderstellen dat het regiona-

le produktiemilieu een heel belangrij-

ke’ en ‘zwakke’ regie’s zijn. Een
‘sterke’ regio zou, in onze betekenis,
dan gewoon een regio zijn waarin
zich relatief meer winstgevende bedrijven bevinden. Om meer zicht te krijgen op deze hypothese is op basis
van de meest recente individuele ge-

ke verklarende factor vormt, ook al
blijkt uit een variantie-analyse dat de
spreiding tussen de regie’s net lets
groter is dan de spreiding binnen de
regie’s. De ‘kwaliteit’ van het regionale bedrijfsleven lijkt een aannemelijker verklaringsfactor. Deze kwaliteit
staat voor ondernemerschap, eventu-

gevens (voor het jaar 1992) een aan-

eel ook geluk.

vullend micro-onderzoek verricht
naar de variatie in winstgevendheid
binnen regie’s, gebaseerd op de Pro-

De concurrentiekracht van de regio

is binnen Nederland echter niet alleen
afhankelijk van het produktiemilieu.
Ook, meer nog van belang is de kwaliteit van de regionale bedrijven en on-

dernemers. Daarom zou de regionale
overheid zich ook, al dan niet via het
produktiemilieu, kunnen richten op
het ‘vasthouden’ van goede bedrijven
en ondernemers. In dat kader lijkt
met name aandacht voor zogenaamde
‘doorstarters’, die immers bewezen
hebben kwaliteit in huis te hebben,
een interessante optie. Want het is als
met schaatswedstrijden: de kwaliteit
van het ijs is belangrijk, maar het is
niet de ijsmeester die bepaalt wie er
uiteindelijk wint.
H.J. Nijmeijer, O.A.L.C. Atzema en

E. Wever

Conclusie

duktiestatistiek van de Industrie.
In de micro-analyse is het bestand

H.J. Nijmeijer is medewerker analysegroep
Regionale Rekeningen van het CBS. Zijn
bijdrage is strikt op persoonlijke titel.
O.A.L.C. Atzema en E. Wever zijn verbonden aan de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Universiteit Utrecht, respectievelijk als universitair docent
Economische Geografie en hoogleraar Economische Geografie en Internationale Eco-

Het feit dat veel regie’s een ontwikkeling kennen die niet al te sterk afwijkt

van alle individuele bedrijven met

van het nationale gemiddelde en het

meer dan twintig werkzame personen

feit dat de regionale verschillen afne-

eerst ‘geschoond’. Zo zijn alle multi-re-

men wanneer wordt gecorrigeerd

gionale bedrijven uit het bestand verwijderd. Daarnaast zijn alle bedrijven

voor de regionale bedrijfsklassensamenstelling vormen twee argumenten
om, binnen de Nederlandse context,
terughoudend om te gaan met begrippen als ‘sterke’ en ‘zwakke’ regie’s.
Beide argumenten nemen echter niet
weg dat er regionale verschillen bestaan.
Het lijkt weinig aannemelijk dat
deze verschillen vooral worden veroorzaakt door verschillen in de regionale produktiemilieus. Uit de uitgevoerde micro-analyse blijkt bovendien
dat de spreiding van de winstgevendheid binnen een regio groot is. Het
lijkt er dan ook alleszins op dat winstgevende regie’s deze kwalificatie niet
zozeer ontlenen aan ‘sterke’ intrinsie-

in de voedingsmiddelenindustrie (SBI
201/3 en 203/13) buiten beschouwing

gelaten. Het ontbreken van volledige
gegevens over indirecte belastingen
en subsidies (hier zeer relevant)
maakt het onmogelijk de toegevoegde
waarde tegen factorkosten te berekenen. Daarnaast zijn bedrijven uit de

aardolie-industrie (SBI 28), chemie
(29/3D en basismetaal (33) niet meegenomen. Deze bedrijfsklassen komen, door hun specifieke locatie-ei-

sen, slechts in een beperkt aantal
regie’s voor. Voor een vergelijking
van regie’s zijn ze daarom minder
van belang. Omdat op basis van de individuele bedrijfsgegevens de afschrijvingen bekend zijn, is in de microanalyse gewerkt met het netto
bedrijfsresultaat gedeeld door de net-

to toegevoegde waarde tegen factorkosten. Omdat de gevolgde procedure voor Corop-regio Delfzijl tot een
te gering aantal (6) waarnemingen

ESB 23-8-1995

ke kenmerken van de regio, maar
veel meer aan de kracht van de daar
gevestigde ondernemingen.
Dit betekent geenszins dat een
vraagteken moet wordt geplaatst bij

de inspanningen van de regionale
overheden in ons land om een gunstige bedrijfsomgeving te creeren.

10. L. de Wolff, 1983, op.cit.

t ^ iii
^ Hii

Auteurs