Ga direct naar de content

Winst- en vermogensbepaling in Nederland

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 2 1983

Winst- en vermogensbepaling
in Nederland
De situatie anno 1981
DRS. R. M. VIJN*
Op het gebied van de jaarverslaggeving zijn de laatste jaren zowel nationaal als internationaal
vele ontwikkelingen in gang gezet. Dit geldt met name voor een belangrijk onderdeel van de
jaarverslaggeving: de bepaling van de winst en van het vermogen. In dit artikel wordt in het kort
de huidige stand van zaken in Nederland uiteengezet. Er wordt een schets gegeven van de
relevante regelgeving dienaangaande; tevens wordt de praktijk belicht aan de hand van een
analyse van de jaarverslagen 1981 van een veertigtal grote ondernemingen op het gebied van
de winst- en vermogensbepaling. Besloten wordt met een aantal conclusies die uit het
onderzoek getrokken kunnen worden.
De normen
Inleiding: (de interpretatie van) de wettelijke richtlijnen
Een belangrijk onderdeel van de (gepubliceerde) jaarrekening
van een onderneming is de winst- en vermogensbepaling. De wijze waarop deze bepaling geschiedt is de laatste jaren in toenemende mate ondenverp van discussie geworden in kringen van
overheid en andere regelgevende organen, bedrijfsleven, accountants en wetenschappelijke onderzoekers. Oorzaak hiervan is de
voortdurende inflatie; deze noopt in het bijzonder de ondernemingen een standpunt in te nemen ten aanzien van de vraag of,
en zo ja hoe op enigerlei wijze rekening moet worden gehouden
met de gevolgen van prijsstijgingen bij de vaststelling van vermogen en resultaat.
De keuze van dit standpunt wordt mede bei’nvloed door de regelgeving dienaangaande. Voor Nederland vormen tot op heden
de artikelen 308, 309 en 311 van het tweede boek van het Burgerlijk Wetboek (BW) de belangrijkste wettelijke richtlijnen waarmee de onderneming in dit verband rekening dient te houden.
Volgens art. 308 moet de jaarrekening een zodanig inzicht geven
dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het
vermogen en het resultaat van de onderneming, alsmede voor
zover de aard van de jaarrekening dat toelaat, omtrent haar solvabiliteit en liquiditeit. Art. 309 verlangt dat de jaarrekening getrouw en stelselmatig grootte en samenstelling van vermogen en
resultaat weergeeft, terwijl art. 311 onder andere bepaalt dat de
grondslagen voor de balanswaardering en de winstbepaling moeten voldoen aan „ normen die in het maatschappelijk verkeer als
aanvaardbaar worden beschouwd”.
De zoeven genoemde ,,aanvaardbare normen” zijn een rekbaar begrip. Ten einde de discussie over wat hieronder moet
worden verstaan enigszins te kanaliseren, is op instigatie van de
wetgever in 1971 het zogeheten Tripartiete Over/eg (TO) tot
stand gekomen, een overlegorgaan waarin werkgevers, werknemers en accountants zitting nemen 1). Na een voorgeschiedenis
van enige jaren heeft dit TO inmiddels ,,Richtlijnen voor de jaarrekening” gepubliceerd, waarvan voor ons onderwerp de volgende, z.g. stellige uitspraken van belang zijn:
— met betrekking tot de vaste activa en de voorraden dient de
rechtspersoon informatie over vermogen en resultaat te verstrekken zowel op basis van actuele waarden als op basis van
historische prijzen (1.03 : 211) 2);
— hieruit vloeit voort dat indien de winst- en verliesrekening is
opgesteld op basis van historische prijzen (dan wel actuele
waarden), in de toelichting aanvullende informatie dient te
worden gegeven omtrent het resultaat op basis van actuele
waarden (resp. historische prijzen) (1.03 : 214, 215);
— wijkt het vermogen en/of het resultaat berekend op basis van
192

actuele waarden niet in belangrijke mate af van dat op basis
van historische prijzen, dan kan worden volstaan met in de
toelichting mee te delen dat een alternatieve berekening van
vermogen en/of resultaat geen belangrijk verschil oplevert
(1.03 : 216);
— voor de bepaling van de actuele waarde van de voorraden kan
bij de bepaling van het resultaat het vervangingswaardestelsel
worden gebezigd, alsmede het lifo- en ijzeren-voorraadstelsel
(2.06 : 206). Voor de balanswaardering zijn beide laatstgenoemde stelsels niet aanvaardbaar, omdat zij niet leiden tot
een aanvaardbare vermogensvoorstelling (2.06 : 207).
De eerste twee uitspraken geven aan dat het TO voorstander
is van een twee-sporensysteem, waarbij de winst- en vermogensbepaling geschiedt zowel op basis van historische kosten als op
basis van actuele waarden, met name het vervangingswaardestelsel. Daarbij zij opgemerkt dat het TO blijkbaar geen plaats
inruimt voor de z.g. geldwaardecorrectiemethode, een verzamelnaam voor die methoden waarbij voor de bepaling van winst en
vermogen rekening wordt gehouden met de verandering in de
waarde van de geldeenheid 3).
De invloed van de vierde EG-richtlijn
In het voorgaande is aandacht geschonken aan het ,,inkleuren” van de in art. 311 genoemde ,,aanvaardbare normen”. De
vraag is of, en in hoeverre deze standpuntbepaling zal (moeten)
worden herzien naar aanleiding van het in 1980 ingediende wetsontwerp Aanpassing van de wetgeving aan de vierde richtlijn
van de Raad van de Europese gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht. Dit ontwerp is tot stand gekomen naar aanleiding van het feit dat de in de titel van het ontwerp genoemde
vierde EG-richtlijn in 1978 een definitieve status heeft gekregen.
In dit — inmiddels gewijzigde — ontwerp bevat art. 384 in het
eerste lid onder andere de bepaling dat als grondslag voor de ba* Dit artikel is een bewerkte en verkorte versie van hdofdstuk VIII van
de derde, herziene druk van: R. Slot en R. M. Vijn, De ontwikkeling van
het winstbegrip, Uitgeverij H. E. Stenfert Kroese, Leiden, 1982. De auteur dezes — wetenschappelijk hoofdmedewerker bij het Economise!] Instituut van de Juridische Faculteit van de Rijksuniyersiteit Utrecht —
dankt prof. Slot voor diens toestemming tot publikatie van dit artikel en
prof. Slot en drs. J. C. Geverink voor hun commentaar op dit artikel.
1) In 1981 is het TO ondergebracht in de Stichting voor jaarverslaggeving. De driedeling werkgevers-werknemers-accountants is daarbij vervangen door de driedeling verstrekkers-gebruikers-controleurs van verslaggeving. In de plaats van het TO is de Raad voor de Jaarverslaggeving
(RJ) getreden.
2) Deze nummering verwijst naar de desbetreffende Richtlijnen.
3) Zie o.m. Slot en Vijn, op. cit., biz. 8 en 9.

lanswaardering en de resultatenbepaling in aanmerking komt de
aanschaffings- of vervaardigingsprijs en voor de materiele activa
en de financiele vaste activa tevens de actuele waarde. Volgens
lid 4 van hetzelfde artikel kunnen bij algemene maatregel van
bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud, de grenzen en
de wijze van toepassing van de waardering tegen actuele waarde.

Blijkens de Memorie van Antwoord (biz. 13) zijn er omstandigheden waaronder voor het juiste inzicht de actuele waarde als
grondslag moet worden gekozen en herwaardering verplicht is.

Welke omstandigheden dit zijn, ,,hangt af van het concrete ge-

— de aanpassingen met betrekking tot monetaire posten, tot de

invloed van leenvermogen of tot het eigen vermogen, indien
deze bij de winstbepaling in aanmerking zijn genomen;
— het totaal van de invloed van de aanpassingen op het resultaat;
— de actuele waarde van de materiele vaste activa en van de

voorraden, indien een actuele-waardemethode is gekozen;
— omschrijving van de methoden die gekozen zijn voor de berekening van de te verstrekken informatie, met inbegrip van
de aard van de eventueel gebruikte indexcijfers.

val, waarover uiteindelijk de rechter beslist”. Bovendien is blij-

kens de Memorie van Antwoord een vereiste, dat indien in de ba-

TO en IASC

lans is gekozen voor de aanschaffings- of vervaardigingsprijs, in

de toelichting nadere informatie wordt gegeven, indien het verschil met de actuele waarde niet te verwaarlozen is. De wijze
waarop deze informatie wordt verstrekt, wordt aan de onderneming overgelaten.
Uit het bovenstaande blijkt dat art. 384 niet dwingend actuele
waarden voorschrijft; niettemin bevat de Memorie van Ant-

woord enige passages waaruit zou kunnen worden opgemaakt,
dat in bepaalde gevallen herwaardering van een actief in de officiele jaarrekening nodig is, indien — zoals aangegeven in het
oorspronkelijke ontwerp — het inzicht dat de jaarrekening behoort te geven ,,in ernstige mate wordt geschaad door waardering
op een lagere dan de actuele waarde”. Een schaduwzijde van de
betreffende passages is ongetwijfeld dat de rechtszekerheid op dit
terrein in niet geringe mate nadelig wordt bei’nvloed.

De Ondernemingskamer
Naast het TO is een tweede in ons land werkzame regelgevende instantie de Ondernemingskamer (OK) van het Gerechtshof

te Amsterdam. De OK heeft over het vraagstuk van de waarderingsgrondslagen van de jaarrekening een uitspraak gedaan in de

Ter afsluiting van dit overzicht’van regels en regelgevende instanties op het terrein van winst- en vermogensbepaling, dient
nog het volgende te worden opgemerkt. In de door het TO gepubliceerde Richtlijnen zijn verwerkt de uitspraken van de OK en
de Hoge Raad, voor zover deze geacht worden een algemeen karakter te dragen, alsmede de desbetreffende lAS-standaarden,

voor zover deze voor ons land aanvaardbaar worden geacht. Het
is derhalve niet zo verwonderlijk dat de inhoud van IAS 15 en
die van de eerdergenoemde ,,stellige” uitspraken van het TO inzake het tweesporensysteem op belangrijke punten overeenstem-

men. Niettemin kan geconstateerd worden dat, in tegenstelling
tot het TO, het IASC de geldwaardecorrectiemethode wel een

volwaardig alternatief acht voor het vervangingswaardestelsel.
Aldus kan worden geillustreerd dat aan de mondiale discussie

over de vraag, welk systeem van ,,inflation accounting” 8) het
meest adequaat de consequenties van prijsstijgingen voor de
vaststelling van winst en vermogen weergeeft, vooralsnog geen
eind is gekomen.
De praktijk

zaak SOBI-KSH 4). Daarin was onder meer de waardering van

de voorraden van KSH in het geding. In het boekjaar 1973/1974
werd een voorraadwaardering toegepast die de OK kenschetste
als ,,een in zijn uitvoering vereenvoudigd vervangingswaarde-

stelsel” 5). In het daaropvolgende boekjaar waardeerde KSH de
voorraden tegen historische kostprijs (of marktwaarde indien

deze lager was). De OK nu is van oordeel „.. .dat ieder van deze
stelsels op zichzelf in het maatschappelijk verkeer als aanvaard-

baar wordt beschouwd en dat bij juiste toepassing en toelichting
daarvan de jaarrekening in het algemeen het door de wet vereiste

Inleiding; officiele en aanvullende informatie

Er zijn de laatste jaren verscheidene onderzoekrapporten verschenen die gegevens bevatten over de methoden van de winsten vermogensbepaling die door Nederlandse ondernemingen
worden toegepast. Allereerst dient in dit verband te worden genoemd de dissertatie van J. Klaassen 9). Voorts wordt op dit ter-

rein door het NIVRA het nodige werk verricht. Dit instituut pu-

vangingswaarde van het grondstoffenverbruik, herhaalt de OK

bliceert de resultaten van zijn tweejaarlijks onderzoek betreffende jaarverslaggeving, dat sinds 1973 wordt verricht, in de uitgave
Onderzoek jaarverslagen 10). In deze uitgave worden de ondernemingen genoemd die in het onderzoek zijn betrokken. Met be-

deze visie: ,,.. .aangezien als hiervoor overwogen het door KSH

trekking tot de onderzoeksresultaten wordt vermeld, hoeveel —

gehanteerde stelsel van voorraadwaardering in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar wordt beschouwd en niet is ge-

paald desideratum hebben voldaan, evenwel zonder specificatie

inzicht geeft” 6). In zijn uitspraak m.b.t. de door SOBI gestelde

eis dat het resultaat moet worden vermeld op basis van de ver-

bleken dat bij juiste toepassing en toelichting van dit stelsel de
jaarrekening niet het door de wet vereiste inzicht zou geven” 7).
Uit deze uitspraken blijkt dat de OK met betrekking tot de
voorraadwaardering ook de historische-kostprijsmethode onder

in absolute en in relatieve zin — ondernemingen aan een beper onderneming.

De jaarverslagen van de vijftig grootste particuliere ondernemingen in ons land op het gebied van industrie, handel en ver-

bepaalde voorwaarden aanvaardbaar acht.

voer waren voorwerp van onderzoek van het Economisch Instituut van de Rijksuniversiteit Utrecht. Dit betrof de jaren 1973,
1976, 1978 en 1979 11). De onderzoeksresultaten van deze stu-

Het IASC

dies zijn per onderneming gepubliceerd. Deze werkwijze wordt

Naast de EG is er een tweede internationaal regelgevend or-

gaan dat zijn invloed doet gelden op de winst- en vermogensbepaling in Nederland, nl. het International Accounting Standards
Committee (IASC). Deze organisatie van accountants, waarbij
thans 52 landen zijn aangesloten, heeft in 1977 de (definitieve)

standaard IAS 6 gepubliceerd. Deze standaard beperkt zich tot
het voorschrift dat de wijze waarop in de jaarrekening met prijsfluctuaties is rekening gehouden, moet worden toegelicht, subsi-

diair, dat wanneer geen rekening is gehouden met prijsfluctuaties, daarvan uitdrukkelijk melding moet worden gemaakt.

Inmiddels is het IASC op dit standpunt teruggekomen. Voor
het eerst voor jaarrekeningen over perioden aanvangende op of
na 1 januari 1983 geldt IAS 15, die ten minste de volgende —
eventueel aanvullende — informatie vereist:
— het bedrag van de aanpassing (of het aangepaste bedrag) van
de afschrijving op materiele vaste activa, alsmede van de
kostprijs van de verkopen;
ESB 2-3-1983

4) Rolnummer213/76OK. 16.3.78; eisers: DeStichting Onderzoek Bedrijfs Informatie Sobi en Pieter Tijmen Lakeman; gedaagde: De naamloze vennootschap Koninklijke Scholten-Honig NV.
5) Idem, biz. 23.
6) Idem, biz. 124.
7) Idem, biz. 28 en 29.
8) Onder ..inflation accounting” wordt verstaan alle waarderingsstelsels
die tot doel hebben de gevolgen van prijsstijgingen en inflatie in omvang

(en samenstelling) van vermogen en resultaat tot uitdrukking te brengen;
ze worden ook wel substantialistische stelsels genoemd.
9) J. Klaassen, De vervangingswaarde; theorie en toepassing in de jaar-

rekening, Samsom, Alphen aan den Rijn, 1977.
10) Uitgeverij Kluwer, Deventer. Tot op heden zijn uitgaven verschenen
over de boekjaren 1973, 1975, 1977 en 1979.

11) Het onderzoek betreflende 1973 werd verricht in samenwerking met
anderen; de resultaten ervan verschenen in 1975 in het rapport Vijftig

jaarverslagen, gewogen en te licht bevonden?De overige resultaten werden
gepubliceerd in ESB van 10 augustus 1977, 12 april 1978 en 3 december
1980.

193

ook gevolgd in dit artikel, waarin verslag wordt gedaan van een
vervolgonderzoek dat R. Slot en auteur dezes hebben verricht.

rische koslprijs, dan luidl doorgaans hel gehele jaarverslag — dus

Daarbij zijn de jaarverslagen over 1981 van de veertig grootste
ondernemingen in ons land op het punt van de winst- en vermogensbepaling doorgelicht. De uitkomsten daarvan zijn samengevat in label 1. In deze label is door middel van een code aange-

men van hislorische koslprijs. Wordl aanvullend een loepassing
van inflalion accounling gegeven dan blijft de invloed daarvan
meeslal tol die aanvulling beperkl. Hel onderscheid lussen officiele en aanvullende informalie (kolom I resp. kolom II) is der-

geven welke winst- en vermogensbepalingsmelhode door een on-

halve in dil verband van essenlieel belang.

derneming geheel of in overwegende mate is loegepasl. De belekenis van deze code is als volgl:

Anderzijds is ook de samenhang van deze beide soorten van
informalie van wezenlijke belekenis. Een jaarrekening waarin
naasl de hislorische koslprijs aanvullend inflalion accounling

1. winsl- en vermogensbepaling in de gepubliceerde, officiele
geconsolideerde resultatenrekening en balans 12):
A. in de officiele resullatenrekening en balans wordl zowel
de winsl als het vermogen berekend op zuiver nominalistische grondslag. De methode is gebaseerd op de historische kostprijs (of de lagere vervangingswaarde c.q. ver-

koopprijs);

inclusief hel direclieverslag en het meerjarenoverzichl — in ler-

wordl loegepasl, geeft wezenlijk andere informalie dan een zelfde rekening die geheel op de historische kostprijs berust. Echler,
beide soorten informalie belichlen vanuit een verschillende invalshoek helzelfde objecl door middel van gelijkluidende crileria
als renlabiliteil, liquidileil en solvabilileil. Gesleld wordl wel dal

de relevanlie van beide soorten informalie in hoge mate afhan-

B. in de officiele resullalenrekening en balans worden winsl
en vermogen deels berekend op nominalistische grondslag, deels volgens een inflalion-accounlingmethode. Van
deze mengvorm zijn zes varianlen te onderscheiden volgens onderstaand schema. Hierin betekenl ,,hk”: op nominalislische grondslag (hislorische koslprijs); ,,ia” belekenl: volgens een inflalion-accounlingmelhode;
Resultatenrekening

kelijk is van de categoric lezers voor wie het jaarverslag is beslemd; gedoeld wordl dan op de z.g. gebruikersbenadering 13).

Samenvallend kan worden opgemerkl dal de hiervoor genoemde officiele en aanvullende informatie wel te onderschei-

Tabel 1. Winst- en vermogensbepaling door de veertig grootste
Nederlandse ondernemingen waarvan de aandelen zijn genoteerd aan de Amsterdamse effectenbeurs, 1981 a)

Balans
Rangnummcr b)

vaste activa
Bl
B2
B3
B4
B5
B6

vlottende activa

vaste activa

ia
la
hk

hk

hk
hk
hk
ia
hk

hk
hk
ia
hk

Naam van de onderneming

1. Officieel

II. Aanvullend

vlottende activa

ia
ia
ia

ia
ia
hk
ia
ia

ia

ia
hk

C. in de officiele resullalenrekening en balans wordl zowel
de winsl als hel vermogen volledig berekend volgens een
inflation-accountingmethode.
II. aanvullende gegevens met belrekking lol de winsl- en vermogensbepaling, die zijn vermeld in de loelichling bij de gepu-

bliceerde, officiele geconsolideerde balans en resullalenrekening of elders in hel jaarverslag:
— actuele waarde:
a. de verzekerde waarde van een of meer calegorieen

vasle acliva, als een indicalie van de acluele waarde
van deze acliva;
b. de actuele waarde — of benadering daarvan — van
een of meer categorieen materiele acliva (na afschrijving);

c. de afschrijving op (de) vaste activa op basis van de acluele waarde;
— kwalitatieve beschrijving:
d. een slechts kwalitalieve beschrijving van de relalie
lussen de uilkomslen van de winsl- en vermogensbepaling volgens inflalion accounting en volgens de hislorische-koslprijsmelhode, toegepast in de officiele resullalenrekening en balans;
— inflation accounting:
e. een volledige herberekening van de winst en/of de renlabilileil van hel eigen vermogen en van dal vermogen
zelf, volgens een infialion-accountingmethode;

— historische kostprijs:
f. de afschrijving op vasle acliva op basis van de hislorische koslprijs;
g. een volledige herberekening van de winsl en/of de rentabiliteil van hel eigen vermogen op basis van de hislorische koslprijs;

h. als g, maar tevens herberekening van het eigen vermogen op basis van de hislorische koslprijs.

Mel belrekking tot het onderscheid lussen en de samenhang

van de kolommen I en II merken we hel volgende op. De informalie die in de officiele balans en resullalenrekening is verwerkl

1
2
3
5

Multinationals
Shell
Unilever
Philips
Akzo

A
A
C

e
e
h

A

e

A
B4
A
Bl

b, c

A

a
b.f

9
11
16
17
35
40

Aanneming
HBG
Volker/Stevin
Bos-Kalis
Ballast/Nedam
Bredero
Cindu-Key Kramer

23

Chemie •
Gist-Brocades

B4

10

Diversen
KBB

A

e

A
A
A
A
A
A
A

a

18
20
22
36
37
38

Groolhandel
Internatio-Miiller
Hagemeyer
Deli
Boisumij-Wehry
Ceteco
Pont
Pakhoed

4
15
19
30

Metaal/etektrotechniek
Estel
RSV
VMF-Stork
Holec

B3
B3
B5
B5

7

Papier/Uitgeverij
Biihrmann-Tetterode
Oce-v. d. Grinten

B2

e
e,f

a

b.c
b
b,c

c
a, f
b.f
b,g
f
e, h

EIsevier-NDU
KNP
Kluwer

B5
B4
B4
B4
B5
A

39

Textiel
Gamma

B4

f

8
28
31

Vervoer
Nedlloyd
Fokker
Van Ommeren

A
A
A

b, d
e

13
21
24
25
29
34

6

12
14

26
27
32
33

VNU

Voedings- en genotmiddelen
Ahold
Heineken
Wessanen
Meneba
Schuitema
Bols

CSM

A
C
‘B6
B6
A
B6
Bl

e
b,g
b,c

e
g
h
b
b

a) Exclusief fmandele instellingen; kalendeijaar 1981 of het boekjaar waarin 1 juli 1981 valt.
b) Het rangnummer geeft aan welke plaats de onoememing in 1981 heeft in de rangschikking van de
ondernemingen naar omzetgrootte. Bron: Hetfinancieele Dagblad, 3 September 1981.
Exclusief KLM en NBM; van deze ondernemingen was het jaarverslag niet tijdig beschikbaar..

wordl, gezien de plaals die haar door de ondernemingsleiding in
hel jaarverslag wordl loebedeeld, door deze leiding blijkbaar van
meer belang geachl dan helgeen als aanvullende informalie

12) Hieronder wordt verstaan: de geconsolideerde balans en resultatenrekening die dezelfde grondslagen voor winst- en vermogensbepaling hebben als de enkelvoudige, vennootschappelijke balans en resultatenrekening.

wordl gepresenleerd. Is de officiele melhode b.v. die van hislo-

13) Zie hierover o.m. Slot en Vijn, op. cit., biz. 29.

194

den maar — naar meer en meer wordt onderschreven — niet te
scheiden is. Het valt daarom te betreuren dat de financiele pers
bij de bespreking van jaarverslagen veelal de aanvullende informatie verwaarloost en slechts melding maakt van hetgeen in het
jaarverslag te vinden is met betrekking tot de officiele balans en
resultatenrekcning 14).

Uit label 1 kan worden afgelezen dat aan de hand van de methode van winst- en vermogensbepaling die is toegepast in de ge-

publiceerde, officiele resultatenrekening en balans (kolom I), de
onderzochte ondernemingen kunnen worden gerubriceerd als is

gedaan in label 2.

Aantal

a) Een ondememing die voor de officiele balanswaardering de historische kostprijs als grondslag vermeldt. maar voor de resultatenrekening geen grondslag meedeelt, is tot categorie A getekend.

Categorie B blijkt in bepaalde bedrijfstakken veel voor te komen; in de bedrijfstak \er\oer en groothandel behoren alle ondernemingen er toe.

Categorie A nader bekeken

De in totaal twintig ondernemingen van categorie A kunnen
aan de hand van de aanvullende gevens die zij verstrekken (kolom II van label 1) worden ingedeeld als is gedaan in label 3.

Tabel 3. Samenvatting van kolom II, label 1 voor categorie A
Soort aanvullende gegevens
3 a)
3
2

b, d …………………………………………………………

Netto winst
in mln. gld. a)

4
1
7

a) Dit betreft o.a. Van Ommeren. Deze onderneming deelt echter wel mee, dat ,,de geschatte

marktwaarde van de zeeschepen en de geschatte reele waarde van de overige vaste activa. de boekwaarde van de vaste activa op basis van de historische kostprijs volgens de balans per 3 I – I 2 – ‘ 8 I
met ca. 25% overtreflen” (Jaarverslag 1981, biz. 24)

Drie ondernemingen (Hagemeyer, Deli en Van Ommeren)
blijken hel nominalisme loe te passen in zijn zuivere vorm. Ondanks de reeds enige decennia heersende inflatie geven zij er
blijkbaar de voorkeur aan met dat verschijnsel in hun gepubliceerde jaarcijfers op geen enkele wijze expliciel rekening le houden 15).
In categorie A wordt een eerste stap in de richting van inflation accounting gezet door een drielal ondernemingen; zij vermelden als aanvullend gegeven de verzekerde waarde van een of
meer calegorieen van de acliva. Oil is overigens niel alleen
slechls een eersle slap, hel is ook nog maar een bescheiden slap
op deze weg. Wanl de verzekerde waarde geeft doorgaans slechls
een zeer grove indicalie van de huidige waarde van de desbelreffende acliva. Hel onderscheid lussen de categorieen A en Aa is

Gemiddeld eigen vermogen Rentabiliteit eigen vermogen
in mln. gld.
in procenten a)

hk
Shell b) . . . . . .
Unilever c) . . .
Akzo . . . . . . . .
Bos-Kalis . . . .
KBB

…….

Ahold . . . . . . .

Tabel 2. Samenvatting van kolom I van label 1 a)
Categorie

Tabel 4. Winst- en vermogensbepaling volgens historische
kostprijs resp. inflation accounting (label 1, kolom II: e voor
categorie A

ia

hk

ia

hk

ia

1.797
1.848
239
20
– 34

598
998
62
10
– 36

12.612
11.537
2.357

14
16
10

3
5

176

22.368
20.984
3.068
695
379

54

43

418

557

462

4

– 20
13

2
I
– 9

8

a) Na aftrek van belasting. De rentabiliteit van het eigen vermogen is door ons berekend op basis
van het gemiddelde eigen vermogen.
b) Bedragen luiden in mln. Engelse ponden.
c) Winst en vermogen ,,toekomend aan de houders van het gewone kapitaal”.

Deze wijze van verslaggeving brengt met zich dat de lezer van
het jaarverslag over een bepaald jaar voor de grootte van winst
en eigen vermogen naast elkaartelkens twee cijfers gepresenteerd
krijgt die nogal sterk verschillen en waar hij zelf zijn conclusie
maar uit moet zien te trekken 16). Dit is een opgave die de
krachten van meriige gemiddelde lezer te boven gaat. De vraag

doet zich bij voorbeeld voor, welke van de twee waarderingsstelsels nu ,,een getrouw beeld geeft van grootte en samenstelling
van vermogen en resultaat”; ook de accountantsverklaring biedt
in dit opzicht doorgaans geen uitkomst 17). Daarom verdient
het naar onze mening aanbeveling dat de ondernemingsleiding
in de jaarrekening niet alleen uit de plaats waar een waarderingsstelsel wordt gehanteerd, laat blijken welke van de gepresenteerde berekeningen door haar van primaire betekenis (in de officiele
balans en resultatenrekening) en van secundaire waarde (als aanvullende informatie) wordt gezien, maar ook dat de ondernemingsleiding deze keuze expliciet toelicht. Voorbeelden van ondernemingen die deze gedragslijn toepassen — en die overigens
tot andere calegorieen behoren — zijn Philips (Ch) en Wcssanen
(B6 g).
Twee ondernemingen uit categorie A vragen nog om een nadere beschouwing, nl. Akzo en HBG.
Akzo acht haar aanvullende winstberekening op basis van inflation accounting van zoveel belang dat zij in haar officiele
winstverdeling eerst een winstreservering toepast ter grootte van
het verschil tussen de officiele winst volgens A en de aanvullende
winst volgens inflation accounting. Hetgeen na deze reservering
overblijft als te verdelen winst is derhalve gelijk aan de winst volgens inflation accounting. Akzo vult dus niet alleen haar officieel berekende winst aan met een berekening volgens inflation
accounting, zij corrigeert bovendien met behulp van laatstgenoemde berekening haar officiele, nominalistische winst en wel
via de winstverdeling 18).
De verslaggeving van HBG is hiermee vergelijkbaar. Bij deze
onderneming opent de officiele winstverdeling namelijk met een
reservering, aangeduid als ,,Toevoeging aan de vervangingsreserve”. Ook HBG corrigeert dus haar nominalistisch berekende
winst door middel van de winstverdeling. Zij merkt daarbij op
dat in deze toevoeging tot uitdrukking komt ,,de invloed van afschrijvingen op basis van actuele waarde” 19).
Een schaduwzijde van deze handelwijze is dat men bij de
winstberekening een bepaald bedrag tot de winst rekent en ver-

daardoor maar van zeer beperkte belekenis.
Van meer belang zijn de aanvullingen b l/m e, die nauwelijks
om verdere loelichting vragen.
Aanvulling e verdienl de aandachl omdat de zeven desbelreffende ondernemingen naast hun officiele, op de historische kostprijs gebaseerde resultatenrekening en balans een afzonderlijke
opstelling in hun jaarverslag opnemen waarin de winsl en hel eigen vermogen worden herberekend volgens een inflation-accounlingmethode. Aldus worden enkele cruciale kerngegevens
voor inflalie gecorrigeerd en dal is een belangrijke stap in de goede richling.
Opmerkelijk is voorts dat men uit de meestal grole verschillen

lussen de officiele en de aanvullende cijfers kan aflezen dal de
keuze van de winsl- en vermogensbepalingsmethode een zeer
wezenlijke invloed heeft op de uilkomsl van de berekeningen.
De voorbeelden in label 4 illuslreren dit.

ESB 2-3-1983

14) Dit geldt in mindere mate voor de berichtgeving met betrekking tot
Shell en Akzo. De oorzaak hiervan is dat deze beide ondernemingen in
hun jaarverslag uitdrukkelijk aandacht vragen voor inflation accounting
gegevens naast de historische-kostencijfers.
15) Van Ommeren vermeldt in zijn jaarverslag wel een reden voor het
achterwege laten van inflation accounting (biz. 24). Zie ook de aantekening bij label 3.
16) Dit geldt des te meer voor jaarverslagen waarin meer dan een aanvullend cijfer van winst en/of vermogen wordt vermeld. Shell b.v. geeft met
betrekking tot de winst vier aanvullende berekeningen met sterk verschillende uitkomsten.
17) Vgl. R. M. Vijn, Inflation accounting. ES3. 26 maart 1980, i.h.b. biz.
376.
18) Akzo, Jaarverslag 1981. biz. 56 en 47.
19) HBG, Jaarverlsag 1981, biz. 32 en 35.

195

volgens bij de winstbestemming duidelijk maakt dat dit bedrag
toch niet voor uitkering in aanmerking komt. De achterliggende
gedachte hierbij is waarschijnlijk dat aldus een bijdrage wordt geleverd tot (de handhaving van) de continuiteit van de onderneming. Echter, de effectuering van dit streven is nu typisch een
aangelegenheid die thuishoort bij de winstbepaling en niet bij de
winstbestemming.

De categorieen B en C
Tabel 5. Samenvatting van kolom I, label 1 voor categoric B
Code
Bl . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Aantal
2

B4

B6 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

3

De 18 ondernemingen in categorie B baseren hun officiele balans en resultatenberekening deels op de historische kostprijs.
deels op de actuele waarde. De aldus verkregen cijfers over winst,
vermogen en rentabiliteit komen bij alle zes vormen van deze
dualistische en niet consequente methode in het algemeen te lig-

gen tussen deze zelfde cijfers volgens de historische-kostprijsmethode en die volgens inflation accounting. Zij zijn in het algemeen daardoor moeilijk interpreteerbaar.
De mate waarin bij deze categorie de uitkomsten die volgens
inflation accounting benaderen, loopt overigens voor de diverse
varianten ervan nogal uiteen. Zo blijven b.v. bij Bl de cijfers in
het algemeen verder verwijderd van die volgens inflation accounting dan bij B5 en B6 het geval is. Ook zal bij B4 doorgaans
inflation accounting dichter worden benaderd dan bij B3 omdat
de omloopsnelheid van de vaste activa in de regel lager is dan die
van de vlottende activa. Hierdoor leidt vooral bij de vaste activa
toepassing van de historische-kostprijsmethode tot uitkomsten

die afwijken van die volgens inflation accounting.
In categorie B kan de aanvullende informatie een herberekening van winst en vermogen inhouden, zowel op basis van inflation accounting als op basis van historische kosten. Een voorbeeld van een onderneming die beide mogelijkheden benut, is
VNU.
Opmerkelijk is voorts de verslaggeving door Holec, Btihrmann-Tetterode en KNP. Deze ondernemingen baseren hun officiele cijfers geheel op de vervangingswaarde, behalve ten aanzien van de balanswaarde van de vaste activa. Van deze activa
wordt evenwel de vervangingswaarde in de toelichting alsnog
vermeld. De vraag rijst waarom deze ondernemingen de ofliciele

balanswaarde van deze activa nog op de historische kostprijs baseren. Geschiedt dit wellicht om de rentabiliteit van het eigen
vermogen op basis van de officiele cijfers enigszins te flatteren?

Categorie C is te beschouwen als de meest ge*avanceerde in de
toepassing van inflation accounting; zij omvat slechts twee ondernemingen, nl. Philips en Heineken. Deze ondernemingen
stellen hun officiele balans en resultatenrekening geheel op volgens inflation accounting en wel volgens de vervangingswaardemethode. Philips verstrekt aanvullend tevens de cijfers van winst
en vermogen op basis van historische kosten (II h). Deze onderneming vormt hiermee het spiegelbeeld van de ondernemingen

uit categorie A die aanvullend winst en vermogen publiceren
volgens inflation accounting (II e).
De aandacht moet er op worden gevestigd dat het bij de praktische toepassing van de vervangingswaardemethode in Nederland gebruikelijk is aan de rekening Herwaardering de waardestijging van de materiele activa slechts voor een gedeelte ten goede te doen komen. Er zijn hierbij twee mogelijkheden:

Systeem 1 werd door Philips gevolgd in de jaren 1971 t/m
1980. Heineken past het thans vermoedelijk nog toe. Met ingang
van 1981 ging Philips echter over op systeem 2 20). Ter toelichting hierbij het volgende.
In 1951 werd bij Philips in de gepubliceerde officiele jaarrekening de integrate toepassing van de vervangingswaardemethode
geintroduceerd. Als instandhoudingsdoelstelling gold de handhaving van het complex van materiele activa. Dit werd bereikt
door bij het ontstaan van een waardestijging van deze activa de
rekening Herwaardering te crediteren voor ongeveer de helft van
deze waardestijging; het restant diende voor de vorming van een
voorziening voor latente belastingschuld. Bij de geleidelijke rea-

lisatie van deze waardestijging werd aan de rekening Herwaardering nog eens ongeveer de helft van de stijging toegevoegd, maar
nu ten laste van de winst- en verliesrekening. Aldus werd in
overeenstemming met de instandhoudingsdoelstelling Herwaardering uiteindelijk gecrediteerd voor de voile waardestijging van
de materiele activa. Mede om de druk die dit stelsel op winst- en
verliesrekening legde op te heffen, ging Philips in 1971 over op
systeem 1. Dit kwam hierop neer dat de boeking ten laste van de
resultatenrekening bij realisatie van de waardestijging der materiele activa achterwege werd gelaten. Aldus werd het complex
materiele activa nog slechts voor ongeveer de helft gehandhaafd
en was er dus in de jaren 1971 t/m 1980 sprake van een partieel
substantialisme.
Sinds de overgang in 1981 op systeem 2 hanteert Philips het
uitgangspunt dat het eigen vermogen van de onderneming in beginsel dient voor de financiering van de materiele activa. Slechts
voor zover dit vermogen daarvoor ontoereikend is, worden deze
activa geacht te zijn gefinancierd met vreemd vermogen. Dit uitgangspunt brengt met zich:

— enerzijds de wederinvoering van de boeking ten laste van de
winst- en verliesrekening conform de gehanteerde methode
van voor 1971;
— anderzijds de creditering van de resultatenrekening voor de
gerealiseerde waardestijging van de materiele activa voor
zover deze zijn gefinancierd met vreemd vermogen.

Overigens moet worden opgemerkt dat, gezien de huidige balansverhoudingen bij Philips, de winst bij deze onderneming volgens systeem 1 niet in belangrijke mate afwijkt van de winst volgens systeem 2.
Samenvatting en conclusies

De veelheid van methoden en varianten van methoden van
winst- en vermogensbepaling, die al vele jaren kenmerkend is

voor de jaarverslaggeving in ons land, hield ook in 1981 stand.
Voor dit jaar pasten de veertig grootste ondernemingen blijkens
label I, kolom I in combinatie met kolom II, bij de vaststelling
van resultaat en vermogen 23 verschillende varianten toe.
Ondanks de reeds decennia voortdurende inflatie werd nog in
een relatief groot aantal verslagen de jaarrekening geheel of voor
een groot deel gebaseerd op de historische kostprijs en wel zon-

der dat daarop aanvullend vanwege de inflatie enige correctie
van betekenis werd aangebracht.
Aan de uitspraak van het Tripartiete Overleg (thans Raad
voor de Jaarverslaggeving) van februari 1979, dat met betrekking
tot winst en vermogen, naast informatie op historische grondslag, evenzeer die op actuele grondslag vereist is, voldeden met
betrekking tot 1981 nog slechts acht ondernemingen (varianten
Ae en Ch). Het effect van deze richtlijn is dus bescheiden gebleven. Wel kan worden opgemerkt dat een vergelijking met de resultaten van het onderzoek over vroegere jaren, vermeld in het
begin van deze paragraaf, uitwijst dat in de loop der jaren in ons
land wat de toepassing van inflation accounting betreft geleidelijk maar onmiskenbaar toch een verbetering van de jaarverslaggeving te constateren valt.
R ,y, y-

1. de rekening Herwaardering wordt gecrediteerd voor de waardestijging van de materiele activa onder aftrek van een voor-

ziening voor latente belastingschuld;
2. de rekening Herwaardering wordt gecrediteerd voor de waardestijging van de materiele activa voor zover deze activa wor-

den gefinancierd met eigen .vermogen.
196

20) Voor uitvoerige informatie hierover zie: H. A. Appelo, Nieuwe
grondslagen voor de winstberekening bij Philips, Maandblad voor Bedrijfsadministralie en -organisatie, februari 1982; en F. A. van Tienhoven, Het winstbegrip en de verslaggeving bij Philips, Management Totaal,
juli/augustus 1982.

Auteur