Ga direct naar de content

Vermogenswinstbelasting kan wél snel worden ingevoerd

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 20 2023

Jan van de Streek is hoogleraar aan de Universiteit Leiden

Sinds de Hoge Raad eind 2021 het forfaitaire stelsel van box 3 naar de prullenbak heeft verwezen, is het debat  over het belasten van vermogens weer opgelaaid. Het lijkt daarbij soms net alsof we weer iets meer dan twintig jaar terug in de tijd zijn.

Toen ik economie studeerde in Rotterdam, kruisten de fiscaal-economen Sijbren Cnossen en Leo Stevens de degens over de plannen van het kabinet (Paars II) om een vermogensrendementsheffing in te voeren. De afweging tussen rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid die aan de discussie toen ten grondslag lag, speelt ook nu weer. Maar waar destijds voor uitvoerbaarheid is gekozen, dient nu rechtvaardigheid centraal te staan.

In het wetenschappelijke tijdschrift Socialisme en Democratie van de PvdA haalde Cnossen (1999) hard uit naar de voorgestelde rendementsheffing. In zijn optiek was de voorgestelde wijziging van het belasten van inkomsten uit vermogen onrechtvaardig. Volgens Cnossen was de voorgestelde box 3 in de inkomstenbelasting “duidelijk in strijd met de algemeen gedeelde gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dienen te dragen”. De stelselwijziging noemde hij een “structurele vermindering van de progressie boven in het inkomensgebouw waar mensen met grote vermogens zijn gehuisvest”. Cnossen beweerde hierop dat, in plaats van progressief, de drukverdeling de contouren aannam van een walvis: als een percentage van het inkomen is de druk laag onder in het inkomensgebouw, stijgt deze voor middeninkomens, om weer af te nemen voor hoger inkomensgroepen.

Terugkijkend doet het mij deugd dat een fiscaal-econoom zich uitsprak over het rechtvaardigheidsgehalte van het belastingstelsel. Vaak blijven fiscale wetenschappers steken in technische analyses, en mogen we blij zijn als economen inzien dat herverdeling ook ‘nuttig’ is. Maar nog belangrijker is dat ­Cnossen zijn tijd ver vooruit was: het baanbrekende onderzoek naar vermogensongelijkheid van Piketty moest nog beginnen, en pas recent is vermogensongelijkheid een thema, getuige allerlei economische onderzoeken in Nederland, en bijvoorbeeld het tv-programma Sander en de Kloof.

Cnossen liet het overigens niet bij het afserveren van box 3 vanwege het draagkrachtbeginsel. Naast een vermogenswinst- of aanwasbelasting brak Cnossen een lans voor een integrale vermogensbelasting. Een vermogensbelasting is namelijk een correctie op economische macht, zekerheid, sociale status en politieke invloed die inherent zijn aan bezit.

Voor wie recent Eigentijdse ongelijkheid van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP, 2023) heeft gelezen, zal deze rechtvaardiging van een vermogensbelasting als muziek in de oren ­klinken.

Stevens (1999) had daarentegen wel begrip voor de vermogensrendementsheffing, wijzend op de uitvoeringsproblemen en maatschappelijke haalbaarheid. Hij duidde de heffing aan als een “verantwoorde oplossingsrichting”. De walvis leek hem eerder “een dartelende goudvis die verheugd is over het verhoogde zuurstofgehalte dat de doodse vijver van het draagkrachtprincipe ingeblazen is”.

Hoe is het die goudvis vergaan? Zoals bekend kunnen goudvissen tussen de 20 en 25 jaar oud worden. De goudvis is nu dus aan het eind van zijn levensfase. Onze goudvis is bovendien zwaar gehavend, en zwemt enkel nog in verband gewikkeld rond: vissen hebben een groot herstellend vermogen, maar de schade die de Hoge Raad heeft aangericht op de valreep van 2021 lijkt niet meer te repareren. Ook tieren de belastingconstructies welig die de onevenwichtigheden van het boxenstelsel uitventen.

Een nieuwe hervorming is dus nodig. Laat de politiek niet dezelfde fout te maken als twintig jaar geleden, en de belastingheffing van vermogen nu wel fundamenteel aanpakken. De wenselijke oplossing is mijns inziens de invoering van een vermogenswinstbelasting op de korte termijn. Niet alleen voor rente, dividenden en gerealiseerde waardemutaties van aandelen. De vermogenswinstbelasting moet ook onverkort daadwerkelijke huuropbrengsten en gerealiseerde waardestijgingen van onroerende zaken in de heffing betrekken. Daarbovenop mag er van mij een vermogensbelasting zijn om de ongelijkheid in de vermogensverdeling aan te pakken.

De door het kabinet gebezigde argumenten tegen de invoering van een vermogenswinstbelasting zien vooral op de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst. Het feit dat de Belastingdienst op apegapen ligt, is echter geen reden om nog langer te wachten met het verlossen van de goudvis uit zijn lijden. Wat mij betreft accepteren we dat de Belastingdienst het werkelijke rendement niet bij iedereen kan controleren. Steekproeven met een hoge ‘pakkans’ en boetes zullen belastingplichtigen voldoende afschrikken om de nieuwe vermogenswinstbelasting te ontduiken. Bij een hoge pakkans en dito boetes denkt een pandjesbaas wel drie keer na voordat hij de huur zwart incasseert, of een pand onder de tafel verkoopt. De tijd van smoesjes is voorbij: indienen dat wetsvoorstel over vermogenswinstbelasting!

Literatuur

Cnossen, S. (1999) De walvis van Paars; De onrechtvaardige vermogensrendementsheffing. Socialisme en Democratie, 56(7-8), 349–352.

SCP (2023) Eigentijdse ongelijkheid: De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal. Verschil in Nederland 2023. SCP-publicatie 2023-3.

Stevens, L. (1999) Van de walvis die een goudvis bleek. Socialisme en Democratie, 56(10), 461–465, met repliek van Sijbren Cnossen. Rendementsheffing is groezelig consensusprodukt, p. 465–467.

Categorieën

Plaats een reactie