Ga direct naar de content

Van embryo tot peuter

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 23 2006

ontwikkeling

Van embryo tot peuter
Cognitieve ontwikkelingen in de allereerste levensjaren zijn
cruciaal voor de toekomstig maatschappelijke positie van
kinderen. Beleid zou veel meer gericht moeten zijn op het
voorkomen van achterstanden in deze periode in plaats van
het herstellen daarvan op latere leeftijd.

en drugsgebruik, hogere lonen en een betere maatschappelijke positie. Cunha et al. (2005) laten voor
een aantal westerse landen in de naoorlogse periode
zien dat investeringen in de voorschoolse periode
maatschappelijke baten opleveren die ongeveer het
vijfvoudige zijn van de kosten.
Fryer en Levitt (2006) bevestigen het vermoeden
dat verschillen in cognitieve ontwikkeling op jonge
en groeiend aandeel van de jongste
leeftijd ontstaan. Zij vergelijken scores van baby’s
Nederlandse jeugd – veelal uit gezinnen
die 8-12 maanden oud zijn op een babytoets en
met een relatief zwakke inkomenspositie –
vinden geen significante verschillen in emotionele en
wordt opgevoed onder ongunstige sociale
cognitieve ontwikkeling. Gemiddeld scoren bepaalde
omstandigheden die leiden tot verminderde cognigroepen kinderen echter veel slechter tijdens cognitieve, emotionele en sociale vaardigheden. Ongeveer
tieve toetsen op school wanneer zij vier jaar oud zijn
15 procent van de Nederlandse gezinnen kon in
en dit gat wordt groter naarmate de kinderen ouder
2004 moeilijk rondkomen tegenover ongeveer
worden (Urzua, 2006). Deze verschillen lijken dus
10 procent midden jaren tachtig (Nibud, 2005).
niet bij geboorte bepaald en ontstaan veelal tussen
Het lijkt erop dat er een verband bestaat tussen
het eerste en vierde levensjaar. Naast genetische
een zwakke inkomenspositie en de ontwikkeling en
verschillen bij de geboorte leiden verschillen in
schoolprestaties van kinderen (SCP, 2005). Deze
omgeving en opvoeding op zeer jonge leeftijd waarkinderen kunnen in de toekomst onvoldoende parschijnlijk dus tot permanent verschillende uitkomticiperen op een arbeidsmarkt die steeds hogere
sten voor kinderen met in principe hetzelfde aangeeisen stelt en zullen steeds meer moeite hebben in
boren intelligentieniveau.
hun levensonderhoud te voorzien. In dit artikel wordt
Deze bevindingen worden bevestigd door recente
recent onderzoek uit de neurobiologie, economie
ontwikkelingen in de psychologie en neurobiologie
en psychologie besproken waaruit duidelijk blijkt
die aantonen dat vroege ervaringen van groot belang
dat de eerste levensjaren van cruciaal belang zijn
zijn voor de ontwikkeling van hersenen en gedrag
voor de ontwikkeling van hersenen en gedrag en het
(Nelson, 2000 en Knudsen et al., 2006). De eerste
uiteindelijke maatschappelijke functioneren. Uit dit
vier levensjaren worden gekenmerkt door een snelle
onderzoek komt naar voren dat het proberen weg te
ontwikkeling van fundamentele capaciteiten waarop
werken van achterstanden op latere leeftijd relatief
levenslang zal moeten worden voortgebouwd. Naast
duur is en vaak ineffectief.
een enorme ontwikkeling in taal- en cognitieve
vaardigheden, ontwikkelen kinderen in deze periode
Waar ontstaan verschillen?
emotionele, sociale en morele capaciteiten. In een
Investeringsopbrengsten in menselijk kapitaal zijn
economisch perspectief betekent dit dus dat het
het hoogst wanneer ze in de eerste levensjaren zijn
menselijk kapitaal in de eerste vier levensjaren het
gedaan. Daarnaast zullen vroege investeringen latere
snelst en meest doeltreffend wordt opgebouwd. Uit
investeringen stimuleren, zodat de totale accumulaeen SCP rapport (SCP, 2004) komt naar voren dat
tie van menselijk kapitaal hoger zal zijn. Cunha et al.
kinderen uit maatschappelijke achterstandsgroepen
(2005) laten in een overzichtsstudie zien, dat wanal een grote taalachterstand hebben wanneer ze de
neer kosten en opbrengsten worden verdisconteerd,
kleuterschool instromen. Deze achterstanden nemen
investeringen in de voorschoolse periode (tot vier
dikwijls toe gedurende de lagere school periode.
jaar) het hoogste rendement opleveren, omdat zulke
De meest gevoelige periode, in de zin van het
investeringen naast meer cognitieve vaardigheden,
ontwikkelen van hersenen en
leiden tot betere sociale vaardiggedrag, ligt dus in de eerste
heden en een betere emotionele
Investeringsopbrengsten levensjaren. Dit wordt bevestigd
ontwikkeling. Uit diverse schatdoor een groot aantal studies dat
tingen die de effectiviteit van een
in menselijk kapitaal
is uitgevoerd met apen en ratten
aantal experimenten evalueren,
zijn het hoogst wanneer (Suomi, 1981). De resultaten
blijkt dat vroege investeringen
van deze studies geven aan dat
positief en sterk correleren met
ze in de eerste
de ontwikkeling van hersenen
betere schoolresultaten, minder
levensjaren zijn gedaan en gedrag voor een groot deel
schooluitval, minder criminaliteit

E

Bas ter Weel
Departement Algemene
Economie en MERIT
Universiteit Maastricht.

104

ESB 23

februari 2007

door de omgevingsfactoren wordt
Kinderen die opgroeien In de Verenigde Staten zijn een aantal experimenten uitgebepaald. Zo blijkt de relatie tusvoerd zoals het Perry Pre-school Programme, waarin vierjarige
in achterstandswijken
sen moeder en kind van cruciaal
kinderen uit achterstandsgezinnen in Ypsilanti (Michigan)
belang te zijn voor de ontwikkeling
hebben meer kans in
aselect werden geselecteerd om een intensief scholings­
van temperament. De beroemde
programma te doorlopen. Kinderen die deel hebben genomen
aanraking te komen met aan het experiment worden nog steeds gevolgd en zijn op dit
experimenten met Rhesus aapjes,
waarbij de band tussen moeder
moment ongeveer 35 jaar oud. Uit cijfers komt naar voren
drugs en criminaliteit
en kind wordt verbroken of waarin
dat zij betere leefomstandigheden hebben en minder vaak in
moeder of kind bloot werden gesteld aan zowel preaanraking zijn geweest met justitie dan kinderen uit de controlegroep. De meest
als postnatale stress, hebben aangetoond dat een
interessante bevinding van de studie is dat IQ scores tussen de groepen niet
verstoorde zwangerschap of opvoeding tot ernstig
verschillen, maar dat de deelnemers veel hoger scoren op niet-­cognitieve vaarsociaal afwijkend en agressief gedrag van kinderen
digheden zoals doorzettingsvermogen, discipline en zelfvertrouwen. Het lijkt erop
leidt (Suomi, 1981). Zulk onaangepast gedrag leidt
dat deze vaardigheden de prestaties op school en op het werk positief beïnvloetot maatschappelijke kosten voor speciaal onderwijs
den. Deze programma’s zijn buitengewoon effectief gebleken omdat ze crimineel
en andere opvang van niet-aangepaste kinderen. Het
gedrag hebben verminderd, sociale vaardigheden hebben verhoogd en kinderen
aantal kinderen met een leerachterstand door afwijuit achterstandsgezinnen de mogelijkheid hebben gegeven op een normale
kingen neemt ieder jaar toe (Onderwijsraad, 2002).
wijze deel te nemen aan de maatschappij. Heckman (2000) rekent uit dat de
Daarnaast is ieder kind in staat elke taal te leren
gemiddelde opbrengst van een investering van 1 dollar ongeveer het vijfvoudige
spreken, maar is het resultaat beter wanneer het
oplevert door te analyseren wat er zou zijn gebeurd met kinderen wanneer ze
gebeurt wanneer het voor het eerst mogelijk is.
niet in het programma zouden hebben geparticipeerd. Er zouden dan kosten zijn
Ook het aanleren van een tweede taal is voor een
gemaakt als gevolg van uitkeringen, criminaliteit en extra scholing en baten zijn
jong kind veel eenvoudiger dan voor een volwasmisgelopen zoals lonen en belastingafdrachten.
sene, wat duidt op een bepaalde plasticiteit van
de hersenen op jonge leeftijd (Morgan en Demuth,
Omgeving
1996). Neurologen hebben laten zien dat de ontwikKinderen die opgroeien in achterstandswijken hebben meer kans in aanraking
keling van de hersenen een hiërarchisch proces is
te komen met drugs en criminaliteit. Hierdoor raken ze zelf ook vaker verzeild
waarin de basis wordt gelegd op zeer jonge leeftijd.
in strafbare situaties. Het sociale netwerk en de relaties van ouders zijn van
Dit heeft tot gevolg dat later gedrag en toekomcruciaal belang voor de emotionele en sociale ontwikkeling van kinderen, omdat
stige prestaties in deze periode worden gevormd.
kinderen vaak omgaan met de kinderen van de contacten van hun ouders. Uit
In een economische vertaling betekent dit dat het
verschillende studies blijkt dat vooral kwetsbare groepen zijn uitgesloten van
totale individuele menselijke kapitaal hoger zal zijn
participatie in sociale netwerken die een positief effect op de ontwikkeling van
wanneer investeringen in de eerste levensfase zijn
kinderen hebben (SCP, 2004). Experimenteel onderzoek brengt naar voren dat
geconcentreerd.
het bieden van mogelijkheden om te verhuizen uit achterstandswijken in vijf
Cunha en Heckman (2006) presenteren een ecogrote Amerikaanse steden een positieve invloed heeft op het welzijn van een­
nomisch model en empirische bevindingen waaruit
oudergezinnen. Kling et al. (2006) laten de resultaten zien van een programma
naar voren komt dat hoge investeringen in cognitieve
dat eenoudergezinnen, die in relatief arme buurten leven, de mogelijkheid biedt
vaardigheden die voorafgaan aan investeringen in
te verhuizen. Zeven jaren na het programma wonen deze gezinnen in veiligere
niet-cognitieve vaardigheden het meeste rendement
buurten en waren ze vooral psychisch gezonder, zaten hun kinderen vaker op
opleveren en elkaar complementeren.
school, waren deze kinderen minder vaak betrokken bij criminele activiteiten,
rookten ze minder en gebruikten ze minder drugs en alcohol. Ook namen deze
Bepalende factoren
gezinnen vaker deel aan positieve sociale activiteiten. Het lijkt er dus op dat inEr zijn verschillende factoren die de ontwikkeling
grijpen in de leefsituatie van gezinnen een positief effect op de sociale ontwikkevan kinderen beïnvloeden waarbij in een sociaal­
ling van kinderen uit arme en gebroken gezinnen heeft. De langetermijn­effecten
economisch perspectief drie in het oog springen:
van zulke programma’s, die in de jaren negentig zijn gestart, zijn nog niet duideEen stabiele gezinssituatie, een goed referentiekader
lijk maar de verbeteringen die tot op heden worden gemeten geven goede hoop
en adequate scholing.
voor de toekomst.
Gezin
Ouders houden over het algemeen zielsveel van hun
kinderen en hebben het allerbeste met ze voor. De
verantwoordelijkheid voor de opvoeding van kinderen
zou dan ook bij de ouders moeten liggen.
Er is echter een tendens waarneembaar in Nederland,
waardoor sommige groepen minder goed in staat zijn
zonder hulp een adequate opvoeding voor hun kinderen te garanderen. Vooral de verdubbeling van het
aantal eenoudergezinnen, waarbij de ouder jonger dan
25 jaar is, lijkt een trend. Het zijn vooral deze ouders
die jonge kinderen opvoeden in een ongunstige omgeving, waarin huiselijk geweld relatief vaak voorkomt en
een ongezonde leefstijl er op na wordt gehouden.

School
Er is in de afgelopen jaren veel geld geïnvesteerd in en aandacht besteed aan
klassenverkleining, computertechnologie in de klas en hogere salarissen voor
leerkrachten. De kosten van zulke maatregelen staan echter veelal niet in verhouding tot de opbrengsten. Evaluaties van zulke maatregelen laten immers
telkens zien dat deze bestedingen geen enkel of slechts een klein positief effect
hebben op de prestaties van leerlingen (Hanushek, 2003 en Borghans en ter
Weel, 2002). De positieve effecten die soms worden gerapporteerd lijken veelal
op te gaan voor kinderen met bepaalde achterstanden, terwijl het gemiddelde
kind niets opschiet met deze kostbare bestedingen. Recent is een campagne
gestart om voortijdig schoolverlaten in het onderwijs tegen te gaan, waarvan de
kosten vele tientallen miljoenen euro’s bedragen. Uiteraard zullen de directe en
indirecte opbrengsten van het terugdringen van schooluitval positief zijn, maar
kinderen die uitvallen, behoren vaak tot achterstandsgroepen waarin eerder veel

ESB 23

februari 2007

105

is misgegaan. Op de keper beschouwd zijn zulke maatregelen slechts nodig om problemen die op zeer jonge leeftijd
zijn ontstaan te corrigeren.

Beleidsuitdagingen en Onderzoek

De grootste opbrengsten
zijn te verwachten van
het investeren in kinderen
uit achterstandsgroepen
omdat hun opvoedsituatie
het slechtst is

In een economisch perspectief is het grootste probleem dat
kinderen niet hun eigen ouders en omgeving kunnen kiezen.
Hierdoor ontstaat een zo grote mate van ongelijkheid in de
eerste levensjaren, dat het erg moeilijk is ieder kind gelijke
kansen te bieden.
Toch kan de overheid effectief beleid ontwikkelingen door al op jonge leeftijd
de ontwikkeling van kinderen te stimuleren. De arbeidsmarkt van de toekomst
vraagt steeds meer van mensen in termen van opleiding en inzet, zodat het
benutten van het potentieel steeds belangrijker wordt. Het wetenschappelijke
bewijs dat hierboven is gepresenteerd wijst in de richting van ingrijpen in potentiële probleemgroepen op zeer jonge leeftijd. De grootste opbrengsten zijn te
verwachten van het investeren in kinderen uit achterstandsgroepen omdat hun
opvoedsituatie het slechtst is. In verschillende wetenschappelijke disciplines is
nagedacht over de ontwikkeling van jonge kinderen en ook in Nederland hebben onderwijsachterstanden de aandacht (www.onderwijsachterstanden.nl).
Verschillende rapporten brengen de situaties in kaart, maar er is geen beleidsplan om achterstanden te voorkomen. Naast ontwikkelingen en evaluaties in de
economische wetenschap (Groot et al., 2004), zijn de ontwikkelingen vanuit de
(neuro)biologie van groot belang in het ontwikkelen van beleid en onderzoek.
In deze context is een interdisciplinaire onderzoeksaanpak waarin vragen die
betrekking hebben op de plasticiteit en gevoelige periodes in de ontwikkeling van
hersenen en gedrag van groot belang voor de ontwikkeling van effectief beleid.
Zijn er mogelijkheden cruciale ingrediënten in de opvoeding van jonge kinderen,
zoals goede zorg en aandacht, universeel beter te stimuleren via bijvoorbeeld
consultatiebureaus? Wat is het cumulatieve effect van verschillende input in
de eerste twee levensjaren op gedrag en ontwikkeling? Zijn de maatregelen die
voortvloeien uit de beantwoording van deze vragen doelmatig?
Naast de zorg van ouders, de basisvoorzieningen die al bestaan in Nederland
en de groter wordende aandacht van de media voor ontspoorde kinderen en het
goed opvoeden van kinderen zijn er verschillende initiatieven om te investeren
in jonge kinderen. Een aantal steden is begonnen met voor- en vroegschoolse
educatie programma’s, andere gemeenten bieden opvoedcursussen voor ouders,
de kinderopvang is universeel toegankelijk en gefiscaliseerd, peuterspeelzalen en
consultatiebureaus worden gefinancierd met (lokaal) belastinggeld en verschillende initiatieven zijn ontwikkeld die zich richten op het vroegtijdig constateren
van taalachterstanden. Daarnaast zijn er meer therapeutische programma’s
waarin psychische en lichamelijke afwijkingen of afwijkend gedrag al in een
vroegtijdig stadium worden onderkend.
Deze lappendeken van programma’s en mogelijkheden om te investeren in de
jongste jeugd zijn erg duur, maar zijn nooit op een adequate wijze geëvalueerd in
Nederland. De onderzoeksuitdaging bestaat eruit de juiste vragen te stellen en
te beantwoorden die praktisch toepasbaar zijn en die met empirische methoden
op een adequate manier kunnen worden geanalyseerd. Hiertoe bieden veld­
experimenten, mits goed opgezet en geëvalueerd, een uitgelezen mogelijkheid.
In het licht van het al bestaande wetenschappelijke bewijs is het daarbij niet
alleen de vraag of we meer en beter moeten investeren in jonge kinderen, maar
ook hoe we de huidige kennis over de ontwikkeling in de eerste levensjaren kunnen omzetten in hoogwaardig onderzoek dat leidt tot een effectief beleid.

Literatuur
Borghans, L. & B. ter Weel (2002) ICT in het Onderwijs.
Maandschrift Economie, 66(5), 366-375.
Cunha, F. en J.J. Heckman (2006) Formulating, Identifying and
Estimating the Technology of Cognitive and Noncognitive
Skill Formation. Werkdocument, University of Chicago.
Cunha, F., J.J. Heckman, L. Lochner en D.V. Masterov (2005)
Interpreting the Evidence on Life Cycle Skill Formation.
NBER Working Paper No. 11331.
Fryer, R.G. en S.D. Levitt (2006) Testing for Racial Differences
in the Mental Ability of Young Children. Werkdocument,
Harvard University.
Groot, W., H. Maassen van den Brink, S. Dobbelsteen en N. van
Mierlo (2004) The Economics of Early Childhood Education:
A Survey. In: C. Sofer (ed.), Human Capital over the Life Cycle, 15-35.
Hanushek, E. (2003) The Failure of Input-Based Schooling
Policies. Economic Journal, vol. 113, F64-F98.
Heckman, J.J. (2000) Policies to Foster Human Capital. Research
in Economics, 54(1), 3-56.
Kling, J.R., J.B. Liebman en L.F. Katz (2006) Experimental
Analysis of Neighborhood Effects. Econometrica, te verschijnen.
Knudsen, E.I., J.J. Heckman, J.L. Cameron en J.P. Shonkoff
(2006) Economic, Neurobiological, and Behavioral Aspects
on Building America’s Future Workforce. Proceedings of the
National Academy of Sciences, 103(27), 10155-10162.
Nelson, C.A. (2000) The Neurobiological Bases of Early
Intervention. In J.P. Shonkoff en S.J. Meisels (eds.), Handbook of
Early Child Intervention, 204-227.
Nibud (2005) Eindejaarsenquête 2004. Utrecht: Nibud.
Morgan, J.L. en K. Demuth (1996) Signal to Syntax: Bootstrapping
from Speech to Grammar in Early Acquisition. Hillsdale NJ:
Erlbaum.
SCP (2004) Sociale Uitsluiting in Nederland. Den Haag: SCP.
SCP (2005) Sociale Staat van Nederland 2005. Den Haag: SCP.
Suomi, S.J. (1981) Genetic, Maternal, and Environmental Inf luences
on Social Development in Rhesus Monkeys. Berlijn: Springer.
Urzua, S. (2006) The Role of Abilities and Schooling Choices
in Explaining Racial Labor Market Gaps. Werkdocument,
University of Chicago.

106

ESB 23

februari 2007

Auteur

Categorieën