Ga direct naar de content

Signaal van onvrede

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 27 1991

DEZEWEEK

Signaal van
onvrede
Ditmaal zijn het de werkgevers die
er, voorlopig althans, de brui aan geven. In een brief aan het kabinet
zegt de Raad van Centrale Ondernemersorganisaties (RCO), het samenwerkingsorgaan van de werkgeversorganisaties, in de komende
maanden niet aan het centrale overleg met kabinet en vakbeweging te
zullen deelnemen. De werkgevers
hebben kennelijk alle vertrouwen in
het kabinetsbeleid verloren.
De gezamenlijke werkgeversorganisaties wijzen de Tussenbalans af vanwege de daarin neergelegde financiele voornemens en de visie op het
overlegmodel met sociale partners.
Dit laatste is de ergste steen des aanstoots. De RCO is van oordeel dat
het sinds 1982 ontwikkelde model
van samenwerking, dat in 1989, bij
het optreden van het kabinet-Lubbers/Kok, werd herbevestigd in het
Gemeenschappelijk Beleidskader,
wordt losgelaten. De dreiging om de
lasten te laten stijgen als de sociale
partners zich niet zouden houden
aan de door het kabinet gestelde
norm voor de loonontwikkeling, achten zij onverenigbaar met het ontwikkelde overlegmodel.
Hoe de in de Tussenbalans neergelegde bezuinigingsmaatregelen en
lastenverzwaringen zullen worden
uitgevoerd valt nog niet te overzien,
omdat bij de behandelingen in de
Tweede Kamer gebleken is dat tal
van beslissingen zijn vooruitgeschoven. Uiterlijk op Prinsjesdag, bij de
indiening van de begroting 1992, zal
de definitieve besluitvorming zichtbaar worden gemaakt. Daarom ziet
de RCO zich genoodzaakt in het kader van het overleg met de overheid
“een pas op de plaats te maken”.
Premier Lubbers heeft tamelijk laconiek gereageerd op deze stellingname van de werkgevers. Hij merkte
op dat het kabinet op het ogenblik
ook niet zoveel behoefte heeft aan
tripartite overleg in het voorjaar. Er
lijkt dus niet veel verontrustends aan
de hand te zijn. Van ‘vaandelvlucht’
waarvan prof. Wolfson gewaagde, is

ESB 27-3-1991

geen sprake. De werkgevers hebben
het overleg gewoon even opgeschort tot er meer duidelijkheid is
ontstaan over het kabinetsbeleid.
Hoewel er zeker reden is de brief
van de werkgevers niet al te dramatisch op te vatten is er toch meer aan
de hand dan uit de reactie van de minister-president valt op te maken. Er
is niet alleen weinig behoefte aan
het gebruikelijke voorjaarsoverleg,
omdat er niet zoveel te bespreken
valt. Dat overleg is ook weinig zinvol, omdat er een nieuwe vorm van
geleide loonpolitiek dreigt te worden toegepast.
In het nieuwe wetsontwerp dat de
Wet aanpassingsmechanisme moet
vervangen wordt immers een voorwaarde genoemd waaraan moet worden voldaan bij toepassing van de
koppeling. Die voorwaarde is dat de
loonstijging in de marktsector niet
meer mag zijn dan nodig is om de
koopkracht in stand te houden. Is de
loonstijging hoger dan zullen de hogere kosten voor de helft worden
verhaald op de sociale partners door
vermindering van de rijksbijdrage
aan de sociale fondsen. In dat geval
zullen de premies moeten worden
verhoogd.
Dit kan niet anders worden gezien
dan als een vorm van indirecte geleide loonpolitiek. Het doorschuiven
van de rekening naar werkgevers en
werknemers lijkt een slimme zet.
Het is echter de vraag of het wel zo
verstandig is wat het kabinet zich
voor ogen stelt. Verhoging van de
lasten heeft nog nooit tot een ander
resultaat geleid dan dat de werknemers hun looneisen nog gingen opvoeren.
Afgezien daarvan is het noemen van
een bruto loonnorm op zichzelf al
een beperking van de onderhandelingsvrijheid van werkgevers en
werknemers. Het blijkt dat de koppeling tussen de lonen in het bedrijfsleven en de inkomens in de publieke sector tot een loonmatiging
dwingt die desnoods met lastenverzwaring als sanctie moet worden afgedwongen. De overheid kan het
zich niet veroorloven haar eigen
uitgavenbeleid afhankelijk te maken
van de uitkomst van de loononderhandelingen in de marktsector. Daarmee komt inderdaad een eind aan
het in 1982 gekozen model van vrij,
decentraal overleg over arbeidsvoorwaarden.
Indien de vakbonden een stijging
van de sociale lasten voor lief zouden nemen, dreigt het effect waartegen PJ. Vos, de economisch mede-

werker van de Industriebond FNV,
in zijn .ESB-column gewaarschuwd
heeft1. De afstand tussen de bruto
loonkosten voor de werkgevers en
het nettoloon dat de werknemer ontvangt wordt dan immers vergroot.
Dat dwingt de werkgevers om de
arbeidsproduktiviteit te vergroten.
Ze zullen er dan toe overgaan minder produktieve werknemers in versneld tempo af te voeren. Er dreigt
hier een keten van vicieuze cirkels
te ontstaan. Het is werkelijk een illusie te menen dat de koppeling neutraal zou kunnen worden gefinancierd, dat wil zeggen zonder enig
effect op de werkgelegenheid, wanneer als prijs daarvoor een verhoging van de sociale lasten zou worden aanvaard.
De brief van de werkgevers is op te
vatten als een signaal van onvrede.
In het algemeen hebben de werkgevers niet zoveel op met afspraken
op centraal niveau. Hun houding is
het klimaat tussen de sociale partners dan ook niet ten goede gekomen. De centrale afspraken die zijn
gemaakt over bestrijding van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
hebben weinig tastbaars opgeleverd.
De vraag wordt dan ook steeds klemmender of het overleg op centraal
niveau nog wel veel zin heeft.
Het zou veel beter zijn dat werkgevers en werknemers op bedrijfstaken ondernemingsniveau tot concrete
afspraken komen over de verdeling
tussen werk en inkomen. Maar daarvoor hebben zij voor alles onderhandelingsvrijheid nodig. Wanneer de
ruimte waarbinnen zij hun onderhandelingen kunnen voeren wordt ingeperkt door centraal vastgestelde normen komt er weinig terecht van
zinvolle afspraken, die in overeenstemming zijn met de mogelijkheden
in de verschillende sectoren en ondernemingen.
A.F. van Zweeden

1. PJ. Vos, Golfloon, ESB, 30 januari
1991.

Auteur