Ga direct naar de content

Scholing en werkloosheid

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 21 1981

Toets op taak

Scholing en werkloosheid
IR. D. C. VAN INGEN

De economische achteruitgang heeft
geleid tot een andere opstelling van bedrijven ten opzichte van scholing. De
onzekerheid over de vraag of er in de
toekomst nog voldoende werk zal zijn
maakt werkgevers in mindere mate geneigd tot het treffen van scholingsvoorzieningen. Zij geven in deze situatie de
voorkeur aan arbeidskrachten die ervaring hebben, geen of weinig scholing
behoeven en voldoen aan de eis van directe inzetbaarheid in het arbeidsproces. Daarbij komt dat, afgezien van knelpunten op deelmarkten, in een ruime
arbeidsmarkt de mogelijkheid omdergelijke arbeidskrachten te vinden groter
is dan in een krappe arbeidsmarkt.
Deze ontwikkeling kan allerlei schadelijke gevolgen hebben. Voor de werknemers die scholing mislopen kan een
en ander een grotere kans op werkloosheid betekenen en een kleinere kans om
na een periode van werkloosheid opnieuw aan de slag te komen. Verder zou
deze ontwikkeling op langere termijn het
produktieve vermogen van bedrijven op
bedrijfstakken kunnen aantasten.
Tegen deze achtergrond kunnen twee
visies op de relatie tussen scholing en
werkgelegenheid worden onderscheiden.
De eerste visie is optimistisch over scholing. Als gevolg van de produktiviteitsverbetering die door scholing wordt teweeggebracht, zullen op den duur meer
arbeidsplaatsen ontstaan; omgekeerd
zal van het in onvoldoende mate plaatsvinden van scholing een negatieve invloed op de werkgelegenheid uitgaan.
Volgens de tweede visie zal scholing
voor de betrokkene weliswaar in een
relatieve verbetering van zijn of haar arbeidsmarktpositie resulteren, maar dit
zal ten koste gaan van de relatieve positie van anderen op de arbeidsmarkt.
Scholing van werklozen kan in deze visie
wel behulpzaam zijn bij het bekorten van
de duur van hun werkloosheid.
Scholing van werkenden is in het algemeen geen taak van de overheid. Het
specifieke karakter van scholing brengt
met zich dat de baten voornamelijk toevallen aan afzonderlijke bedrijven en aan
degenen die worden geschoold. De regering houdt vast aan het uitgangspunt
dat scholing tot de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven behoort; daarESB 21-1-1981

mee heeft zij het ons inziens bij het rechte
eind.
Dit uitgangspunt zal in de regel ook
moeten gelden voor scholing van werklozen. Op dit terrein kan het algemene
belang evenwel zo overheersend zijn dat
de overheid het nemen van bepaalde
maatregelen ten aanzien van scholing tot
haar verantwoordelijkheid rekent. De
geschooldheid van werklozen schiet in
vele gevallen te kort en dat kan een handicap zijn bij het vinden van werk. Op
de mogelijkheden van her- en omscholing van werklozen zal in het navolgende
worden ingegaan. Daarbij zullen enkele
vragen aan de orde komen over het beleid van de overheid ten aanzien van de
inkomensvoorziening tijdens de scholing.
Enige aspecten van scholing van werklozen
De scheidslijnen tussen onderwijs,
vorming en scholing zijn niet in alle gevallen duidelijk te trekken. Kenmerkend
voor scholing is een sterke orientatie
op de uitoefening van een specifiek beroep, een specifieke functie of de vervulling van een specifieke taak. Dat betekent dat aan scholing de eis moet worden
gesteld dat hetgeen gedurende de scholing wordt geleerd, in praktijk kan worden gebracht. De effectiviteit van scholing van werklozen dient dan ook te worden beoordeeld aan de vergroting van de
kans op (blijvende) plaatsing in het arbeidsproces. Bij scholing door bedrijven
kan men zich daarvan in betrekkelijk
hoge mate verzekerd weten. De scholing
zal hierbij zijn toegesneden op functievereisten die veelal specifiek zijn voor het
scholende bedrijf en zal in de regel niet
plaatsvinden als er geen werk in het verschiet ligt. Wil een bedrijf tot scholing
van werklozen overgaan dan zullen de
verwachte baten van de scholing de kosten moeten overtreffen.
We kunnen onderscheid maken tussen
de directe scholingskosten en de kosten
die met de inkomensvoorziening tijdens
de scholing zijn gemoeid. Er kunnen zich
gevallen voordoen dat bedrijven wel
scholingsmogelijkheden voor werklozen
hebben, maar dat de inkomensvoorzie-

ning problemen oplevert. Omdat scholing tijd in beslag neemt, kan de betrokken werkloze in een situatie komen te
verkeren waarin formed gezien geen
sprake meer is van directe beschikbaarheid voor arbeidsinpassing. Tenzij aan
de betrokken werkloze door het arbeidsbureau ontheffmg ten aanzien van de
beschikbaarheidseis wordt verleend, zou
het in zo’n geval kunnen gebeuren dat
het recht op uitkering vervalt.
Bij meer dan 300.000 werklozen en een
naar verhouding veel geringer aantal
banen ontstaat zo een merkwaardige
situatie. Scholing van werklozen kan,
mils effectief in bovenbedoelde zin, een
instrument zijn om langdurig beroep op
uitkeringen krachtens de werkloosheidswetten tegen te gaan. Overheid, werkgevers en werknemers blijken gei’nteresseerd te zijn in mogelijke oplossingen
van de bestaande problemen op dit terrein. De Sociale Verzekeringsraad (SVR)
heeft onlangs een rapport gepubliceerd
1) waarin, uitgaande van de bepalingen
in de werkloosheidswetten, een overzicht
wordt gegeven van de scholingsproblematiek. De SVR doet in dit rapport een
aantal aanbevelingen die op zowel het
aanbod van scholing door bedrijven als
op de scholingsbereidheid van werklozen een positieve uitwerking kunnen
hebben. Bij deze twee aspecten speelt
het vraagstuk van de inkomensvoorziening tijdens scholing een rol.
Voor de bevordering van de scholingsbereidheid van werklozen is in de eerste
plaats een ree’le kans op herintreding in
het arbeidsproces van belang. Blijkens
het antwoord van de minister van Sociale Zaken op een vraag uit de Tweede
Kamer 2) wordt ook gedacht aan een
mogelijke verbetering van scholingsvoorwaarden en -omstandigheden en
aan voorzieningen in de sfeer van voorlichting en begeleiding. In de notitie
Knelpunten op de arbeidsmarkt 3) lezen
we bovendien: ,,Te onderzoeken valt op
welke wijze de aantrekkingskracht van
mogelijkheden tot om- en her- en bijscholing — ook fmancieel — voor de
werklozen kan worden vergroot”. Daaraan dient de vraag vooraf te gaan of
er iets schorl aan de scholingsbereidheid van werklozen. Hoewel er sprake
kan zijn van persoonlijke belemmeringen, leert onderzoek dat er weinig aanleiding is voor pessimisme over deze
bereidheid 4).
Scholing op CVV’s
De aandacht voor het scholingsaan1) Sociale Verzekeringsraad. Rapport inzake scholing, onderwijs en vorming tijdens
uitkering wegens werkloosheid, ‘s-Gravenhage, 1980.
2) Tweede Kamer, Knelpunten op de arbeidsmarkt, zitting 1979-1980, 15 960, nr. 4.
3) Idem, nrs. 1-2.
4) 1VA, Onderzoek onder werklozen dee! I.
Moeilijkheden bij (her)intreding, Tilburg,
1977.

71

bod van de overheid blijft in dit artikel
beperkt tot de Centra voor Vakoplei-

nijverheid. Er ontstaat een andere situatie als er niet langer sprake is van een der-

ding van Volwassenen (CVV’s). De cen-

gelijke langdurig openstaande vraag. In

trumopleidingen zijn in het licht van het
voorafgaande in de eerste plaats interessant omdat het hier gaat om een vorm
van scholing waarvan de aantrekkingskracht voor de werkloze met financiele
middelen wordt vergroot. In de tweede
plaats wordt in de discussie over de inkomensvoorziening tijdens scholing
vaak op de CVV’s gewezen. De rechtspositie van de CVV-cursist speelt een
belangrijke rol bij een van de aanbevelingen in het eerder genoemde rapport van
de Sociale Verzekeringsraad, waarop

zo’n situatie loopt een CVV-opleiding
het gevaar haar doel voorbij te schieten.

aan het slot van dit artikel zal worden
ingegaan.
Het bieden van de mogelijkheid tot
scholing op een Centrum voor Vakopleiding van Volwassenen is een van de
scholingsmaatregelen in het kader van
het arbeidsvoorzieningsbeleid van het

Ministerie van Sociale Zaken. Naast de
regeling voor vergoeding van studiekosten (SKR) voor het volgen van een
cursus aan een opleidingsinstituut en de
scholing in samenwerking tussen de
overheid en bedrijven (SOB), vormt de
CVV-regeling een van de drie belangrijkste scholingsinstrumenten van dit
beleid. Zij behoren tot de zogenoemde
scholings- en plaatsingsbevorderende
maatregelen. Eenvoudiggezegd zijndeze
maatregelen crop gericht arbeidskrachten geschikt te maken voor andere, beter
in de markt liggende beroepen. Volgens
de jongste Memorie van Toelichting
op de begroting van het Ministerie van
Sociale Zaken 5) werd in 1979 van de
SKR en de SOB-regeling door circa
9.000respectievelijkcirca7.000personen
gebruik gemaakt. Het aantal CVVcursisten bedroeg in dat jaar ongeveer
3.500. De opleidingscapaciteit van de
CVV’s zal in de komende drie jaar worden verdubbeld. Het gaat om een structurele voorziening, die nochtans met het
oog op de wisselvalligheden op de

arbeidsmarkt een flexibel karakter zal
moeten hebben. De opleidingen zullen
meer dan voorheen worden gekoppeld
aan opleidingsmogelijkheden in het bedrijfsleven. Dit zal gebeurendoorernaar
te streven de scholing deels op de centra
en deels in bedrijven te laten plaatsvinden
en voorts door het inhuren van personele
en materiele opleidingscapaciteit van het
bedrijfsleven.
Het aanbod van scholing door de
overheid wordt bepaalddoorhetarbeidsmarktbelang dat zij aan deze scholing
toekent. Omdat herintreding in het arbeidsproces na de CVV-scholing onzeker is, zouden de effecten van deze
scholing voortdurend moeten worden
nagegaan en geevalueerd. De centrumopleidingen zijn gericht op het doen af-

nemen van de langdurig openstaande
vraag naar bepaalde typen geschoolde
arbeid dan wel op het in stand houden
van het scholingsniveau in een conjunc-

tuurgevoelige bedrijfstak, zoals de bouw72

Inkomensvoorziening
scholing

tijdens

CVV-

Een CVV-cursus duurt gemiddeld
circa lOmaanden. De opleiding is gratis.
De cursisten ontvangen een loondervingsvergoeding en verder eventueel
vergoeding van reis- en verblijfkosten 6).
De inkomenspositie van de deelnemer
kan verschillen naar gelang van de
situatie van waaruit met de CVV-cursus
wordt begonnen. Als zodanig kunnen
drie categoriee’n worden onderscheiden.
Als met de CVV-cursus een aanvang
wordt genomen vanuit een situatie van
werkloosheid in de zin van de Werkloosheidswet (WW) kan niet langer aanspraak worden gemaakt op een WWuitkering. De CVV-cursist wordt in dit
geval namelijk geacht in dienstbetrekking (in de zin van de Werkloosheidswet) te zijn. lemand die vanuit deze
situatie aan de Vakopleiding begint, ontvangt als inkomen in ieder geval de loondervingsvergoeding. Deze is gelijk aan
het minimum(jeugd)loon. Daarnaast

Deze rubriek wordt verzorgd door
het Instituut voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven te ‘s-Gravenhage

kan onder bepaalde voorwaarden aanspraak op loonsuppletie worden gemaakt.
In tegenstelling tot de werkloze die
vanuit een WW-situatie aan een CVVcursus begint, blijft voor de Wet werkloosheidsvoorziening (W W V) degene die
een centrumopleiding gaat volgen, uitkeringsgerechtigd. Op de WWV-uitkering wordt 75% van de loondervingsvergoeding in mindering gebracht 7).
Naar hoogte stemt het inkomen in dit
geval dus overeen met de WWV-uitkering plus 25% van de loondervingsvergoeding.
Bij het volgen van de Vakopleiding

vanuit een vertrekpunt waarin de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers
(RWW) van toepassing is, wordt de centrumcursist gezien als iemand in dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet: het recht op uitkering wordt
buiten werking gesteld en de cursist
ontvangt de loondervingsvergoeding.
Met betrekking tot dit geheel van
regelingen zegt de SVR in het eerder

aangehaalde rapport: ,,In deze constructie is het vraagstuk van het tijdens

de scholing al dan niet behouden van
uitkering uitputtend geregeld. Het vraagpunt van de evenwichtigheid van die
constructie in zichzelf en ten opzichte
van andere scholingsregelingen is echter een zaak, die nadere aandacht verdient”.
Als de inkomensposities van centrumcursisten voor een aantal gevallen, met

als uitgangspunt het loon waarnaar
de uitkeringen WW, WWV en de loonsuppleties (zouden) worden berekend,
naast elkaar worden gezet blijken er
soms niet onaanzienlijke verschillen op
te treden (zie de appendix). In vrijwel
alle gevallen is het voor de CVV-cursist
financieel gunstiger, wanneer vanuit
een WWV-situatie kan worden begonnen. Ongeacht de situatie van waaruit
met de centrumcursus wordt begonnen,
is het inkomen gedurende de scholing

in de regel hoger dan het uitkeringsniveau. Gezien het bestaan van wachtlijsten voor de CVV’s dient zich hier de
vraag aan of deze inkomensniveaus
en de daarin optredende verschillen
vanuit het oogpunt van stimulering van
scholingsbereidheid van werklozen kunnen worden verdedigd.
Scholingsaanbod door bedrijven

In het reeds enkele malen aangehaalde
rapport van de Sociale Verzekeringsraad worden aanbevelingen gedaan die
een positieve invloed kunnen hebben op
zowel het Scholingsaanbod door werkgevers als op de scholingsbereidheid
van werklozen. In zijn rapport heeft
de Raad gezocht naar mogelijkheden
om vanuit de werkloosheidswetten de
scholing in en door bedrijven te bevorderen. De Raad stelt voor de uitkering —
overeenkomstig de huidige praktijk —
niet voort te zetten indien er sprake is
van een arbeidsverhouding tussen het

bedrijf en de belanghebbende, maar
wel indien er sprake is van een scholings-

technische relatie tussen beiden. Dit laatste is nieuw. Volgens het SVR-rapport
is bij een scholingstechnische relatie
,,het scholende bedrijf in wezen te beschouwen als een pendant van het Centrum voor Vakopleiding van Volwassenen of van elk ander niet bedrijfsgebonden scholingsinstituut”. De scholingstechnische relatie zou moeten worden
omschreven in een scholingsovereenkomst tussen het scholende bedrijf en
de belanghebbende. In de aanbeveling
5) Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16400,
nr. 2, Hoofdstuk XV, Departement van
Sociale Zaken, Memorie van Toelichting.
6) J. H. I. W. Diederen en H. A. J. Koekenbier, Effecten van scholing via een Centrum
voor Vakopleiding van Volwassenen, ITS,
Nijmegen, 1978.
7) Wet Werkloosheidsvoorziening, toelichting, hoofdstuk III, artikel 17, lid 2, Departement van Sociale Zaken, februari 1979.

wordt aan het voortzetten van de uitkering de voorwaarde verbonden dat er
garanties nodig zijn dat metterdaad

wordt geschoold.
Over de uitwerking van dit voorstel
is de Raad in zijn aanbevelingen verdeeld. Ben deel van de Raad bepleit, dat
bij scholing in bedrijven een arbeidsovereenkomst van bij voorkeur onbepaalde tijd wordt afgesloten. Overwogen
kan worden, aldus dit deel van de Raad,
om gedurende de scholing de betrokken
werkgevers tegemoet te komen door een

tekeningen geplaatst bij de inkomensvoorziening tijdens scholing als instrument voor de beinvloeding van vraag
naar en aanbod van scholingsmogelijkheden. Bij het met financie’le middelen
stimuleren van scholingsbereidheid van
werklozen kunnen vraagtekens worden
geplaatst. Bij scholing op de Centra voor
Vakopleiding kan het inkomen vrij aanmerkelijk boven het uitkeringsniveau
uitstijgen. Er zijn weinig aanwijzingen

dat het werklozen aan scholingsbereidheid ontbreekt. Ook het bestaan van

Appendix

De onderstaande label geeft een
illustratie van verschillende inkomensposities tijdens CVV-scholing, welke optreden afhankelijk van de situatie van
waaruit met de centrumcursus wordt be-

gonnen.
Tabel. Inkomens CVV-cursisten
Weekloon
tijdens vorige
arbeid

CVV vanuil WW (met evt.
loonsuppletie)

CVV vanuit
WWV

loonsubsidieregeling te treffen ten laste

wachtlijsten voor de CVV’s leidt niet tot

van de uitkeringsinstanties. Wanneer
een bedrijf duidelijk uitsluitend als vervangend scholingsinstituut voor de

de gedachte dat het hier een knelpunt
betreft waaraan een groot gewicht moet
worden toegekend. De knelpunten lig-

CVV’s optreedt zou kunnen worden

gen veeleer aan de aanbodzijde. Scholing
in en door bedrijven verdient in het algemeen de voorkeur boven scholing door
de overheid, om reden van de effectivi-

a) Loonsuppletieregeling n.v.t.

teit van de scholing. Een uitzondering

hebben betrekking op niel-koslwinners

moet daarbij worden gemaakt voor
scholing ten behoeve van specifieke cate-

en ongehuwden beneden de 35 jaar. De
weeklonen in de eerste kolom zijn gelijk

gorieen ,,moeilijk plaatsbare” werklozen

aan 5 maal hel dagloon waarnaar de

in een achterstandsituatie die door scholing kan worden overbrugd.
De aanbevelingen in het Rapport in-

loonsupplelies en uilkeringen worden

overwogen de belanghebbende de
status van een CVV-cursist te geven
met het daaraan verbonden recht op
een loondervingsvergoeding. Een ander
deel van de Raad vindt dat in alle gevallen, waarin thans een arbeidsovereenkomst ontbreekt en waarin alleen sprake
is van een scholingstechnische relatie,
aan de betrokkene de status van CVVcursist zou moeten worden gegeven.
Als de aanbeveling van dit deel van
de Raad zou worden opgevolgd zou een

zake scholing, onderwijs en vorming

max.
130 dagen
f. 450
f 550
f650

f. 434.40a)
f495
f 585

daarna

f. 434.40 a)
f 467.50
f 552.50

f 446. 10
f 521.10
f 596.10

Toelichting: De cijfers in deze label

berekend. Deze weekloonbedragen kunnen enigszins afwijken van de brulo
weeklonen, zonder dal daaraan overi-

tijdens uitkering wegens werkloosheid
van de Sociale Verzekeringsraad vormen
een waardevolle bijdrage tot het zoeken
naar oplossingen voor de scholings-

gens voor de essenlie van de resullalen

aanzienlijk deel van de lasten ten gevolge van scholing door bedrijven op
de schouders van de overheid terecht

komen. Verwacht kan immers worden

problematiek. De aanbeveling die het

van de loonsuppletieregeling aanvulling

dat in de situatie die bij uitvoering van

voortzetten van de werkloosheidsuitke-

deze aanbeveling zou ontstaan, de werkgevers meer geneigd zullen zijn het aangaan van arbeidsovereenkomsten gedurende de scholing achterwege te laten.

ring voor de duur van de scholing in

op de loondervingsvergoeding plaats tol
90% van hel dagloon WW voor een pe-

bedrijven bepleit, kan onder bepaalde
voorwaarden als nastrevenswaardig wor-

derd mel het aantal uilkeringsdagen

den beschouwd. Het verlenen van de

waarvoor in hel lopende uitkeringsjaar

Deze aanbeveling wordt gemotiveerd in

CVV-status aan degenen die zonder

WW werd genoten) en daarna suppletie

het kader van het streven naar optimali-

arbeidsovereenkomst in bedrijven wor-

lol 85% van hel dagloon WW. Omdat

sering van de scholingsmogelijkheden.

den geschoold, zou evenwel niet dienen

Naar het oordeel van de voorstanders
van de in deze aanbeveling vervatte

te worden overwogen zonder nadere stu-

voor de centrumopleidingen lange wachllijden gelden zal bij aanvang van de

gedachte zou het stellen van de voor*
waarde van een dienstverband met dit
streven in conflict zijn. Dat mag zo zijn,
maar optimalisering van scholingsmogelijkheden is geen doelstelling die zonder

beperkingen — koste wat het kost —
. kan worden nagestreefd. De mogelijkheden die zouden ontstaan om lasten
van scholing vrijwel onvoorwaardelijk
op de overheid af te wentelen zijn niet
aanvaardbaar tegen de achtergrond van
de in de inleiding van dit artikel ver-

melde batenoverwegingen. Gezien de
ongewenste situatie die nu op het gebied
van de om-, her- en bijscholing bestaat

moet eerstgenoemde aanbeveling als een
goede oplossing worden beschouwd.
Als een verdergaande stap zou worden
overwogen, zou dit naar onze mening

niet kunnen zonder aan het verlenen
van de CVV-status meer voorwaarden
: te stellen dan het aanwezig zijn van een
scholingstechnische relatie tussen het
ԉۢ-.. bedrijf en de belanghebbende.

Conclusie

In het bovenstaande zijn enkele kantfjESB 21-1-1981

die op het punt van criteria die daarbij
zouden moeten worden gehanteerd.

D. C. van Ingen
Rekenen op kernenergie

Op 12 en 13 februari a.s. wordl aan
de Universileil van Amslerdam hel symposium ,,Rekenen op kernenergie” georganiseerd over de economische aspecien

van besluilvorming rond kernenergie.
Thema’s zijn: de eleklricileilsproduklie,
kernenergie en welvaartslheorie en scenario’s en de vraag naar elektriciteit.

Als sprekers ireden op: ir. P. Brand,
ir. J. W. Slorm van Leeuwen, drs. H.
Damveld, drs. C. Weslra, ir. J. L. Klei,
dr. R. Hueiing, ir. F. A. M. de Graaf,
prof. dr. H. R. van Gunsleren, dr. F.

Lempers, drs. B. de Vries en ir. M. Braskamp. Tevens zijn discussianlen uilgenodigd.
Dala: 12 en 13 februari. Aanvang:

10.00 uur. Plaals: Universileil van Amsterdam, Jodenbreestraal 23, Amslerdam, zaal 2174. Inlichlingen: W. Hafkamp, Commissie Gaslcolleges, Economische Faculleil UvA, lei.: (020)
52591 11.

consequenlies zijn verbonden. Bij scholing vanuit een WW-situatie vindl voor
de beschouwde cursislen bij toepassing

riode van maximaal 130 dagen (vermin-

scholing de lermijn van 130 dagen veelal
verslreken zijn. De meesl relevanie vergelijking is dan ook die lussen de cijfers
in kolom 3 en 4.

Participatie bij stadsvernieuwing
De Commissie van voorbereiding
poslacademisch onderwijs in de ruimlelijke planning en planologie organiseert in samenwerking mel de Kalholieke Universileil Nijmegen, vakgroep
Urbane Sociologie de iweedaagse paocursus ,,Pariicipalie-experimenlen bij
sladsvernieuwing”. De verschillende
participalie-experimenlen bij sladsvernieuwing zullen in een korl referaal wor•den loegelichl, waarna in kleine groepen
over de aard, inhoud, werkwijze en effecien van de experimenlen zal worden
gediscussieerd en waarbij hel accenl zal
liggen op de vraag van loepasbaarheid
elders.
De cursus vindl plaals op 26 en 27
maarl 1981 le Nijmegen op hel Sociologisch Insliluul van de Kalholieke
Universileil Nijmegen, cursusleider is
dr. N. J. M. Nelissen. Deelnamekoslen:
f. 325,—. Inlichlingen: Bureau PAOP,
Van Speijkslraal 27,2518 EV Den Haag,
lei.: (070) 46 96 52, loestel 4.
73

Auteur