Ga direct naar de content

Positieve aanpassing

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 24 1980

=CONOMISCHSTATISTISCHE BERICHTEN
I

Tijdens de UNIDO-conferentie die in 1975 te Lima
(Peru) werd gehouden. werd door ontwikkelde en ontwikkelingslanden gezamenlijk d e doelstelling aanvaard, dat
het aandeel van de ontwikkelingslanden in d e wereldproduktievan industriëlegoederenvannoggeen 7%in 1975 tot
ten minste 25% in het jaar 2000 zou moeten worden opgevoerd. Hoewel geen zinnig woord valt te zeggen over d e
vraag of d e z.g. Limadoelstelling inderdaad zal worden
gerealiseerd, is d e laatste jaren wel steeds duidelijker geworden, dat zich inde mondialeeconomische structuur en
het patroon van d e internationale handel ingrijpende wijzigingen kunnen gaan voltrekken. Van een aantal ..newly
industrialising countries”, zoals Hong Kong, Zuid-Korea.
Singapore en Taiwan. is wel bekend dat zij e r o p specifieke
markten (W.O.kleding, textiel, lederwaren en elektronica)
in geslaagd zijn zeer snel zeer diep te penetreren. Maar
momenteel beginnen ook grotere landen. zoals Brazilië.
Mexico, Argentinië. de Philippijnen en Maleisië, zich als
belangrijke exporteurs opdewereldmarkt te manifesteren.
mindeEn dan zijner nogde,,slapende reuzenWChinaenin
re mate India, die beschikken over een enorm handelspotentieel, en die ongetwijfeld langzaam maar zeker hun
export (verder) tot ontwikkeling zullen brengen.
Het is begrijpelijk dat in de westerse economieën. die
worden geconfronteerd met een stagnerende economische
groei. de toenemende concurrentie van ontwikkelingslanden niet zonder zorg wordt gadegeslagen. Hoewel het aandeel van de ontwikkelingslanden in d e totale wereldhandel
nog maar uiterst bescheiden k r i j n in bepaalde.,gevoelige”
sectoren degevolgen van hun marktpenetratie weldegelijk
merkbaar. De neiging zou dan ook gemakkelijk kunnen
ontstaan om d e werkgelegenheidsproblemen indeontwikkelde landen in belangrijke mateaande opmars vande ontwikkelingslanden toeteschrijven. Dat zouvervolgens kunnen leiden tot protectionistische maatregelen o m d e import
uit ontwikkelingslanden af te remmen. Daarmee zou een
zware domper worden gezet o p d e betrekkingen tussen
Noord en Zuid.
O p het symposium .,Internationale handel. werkgelegenheid en Noord-Zuidsamenwerkingvat o p I I en 12december jl. door het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken te Tilburg werd georganiseerd. kwamen deze
vraagstukken uitvoerig a a n de orde. Reeds direct na d e
aanvang van het symposium sprak minister De Koning
van Ontwikkelingssamenwerking d e wens uit. dat voor
eens en voor altijd zou kunnen worden afgerekend met de
suggestie dat de achteruitlopende werkgelegenheid in ons
land wordt veroorzaakt door toenemendeconcurrentie uit
ontwikkelingslanden. En dat we ons te weer zouden moeten stellen tegen import uit dederde werelddoor het nemen
van protectionistische maatregelen. De minister werd o p
zijn wenken bediend. Zeer duidelijk kwam uit de bijdragen
van de verschillende sprekers naar voren dat een toename
van d e export van ontwikkelingslanden leidt tot een nog
grotere import van deze landen uit de geïndustrialiseerde
wereld. Per saldo zouden door een uitbreiding van de oninde ontwikderlinge handel zowel indeont~likkelings-aIs
kelde landen (en in casu ook in Nederland) meer arbeidsplaatsen tot stand komen. In feite is de vraag van de derde
wereld de laatste jaren zelfs een belangrijke stabiliserende
factor geweest in d e internationale conjunctuur. Daarnaast werd d o o r het merendeel van de aanwezigen ook het
protectionisme resoluut van d e hand gewezen, omdat het
leidt tot een geringere efficiency en produktiviteit dan vrijhandel en het de inflatiebestrijding doorkruist. Bovendien
is het een kortzichtige politiek die vroeg of laat tot vergeldingsmaatregelen leidt welke juist de sterkere exportsectoren treffen.

De conclusie van minister De Koning, dat vrije toegang
van produkten uit ontwikkelingslanden moet worden bevorderd en vergroting van de koopkracht van ontwikkelingslanden gestimuleerd. vond dan ook veel bijval. Maar
waar het aankwam o p de instrumentatie van een dergelijk
beleid. bleef het opmerkelijk stil. Prof. dr. L. J. Emmerij
opperde nog wel de mogelijkheid van trilaterale initiatieven van OPEC-, ontwikkelings- en ontwikkelde landen.
waarbij deze resp. kapitaal. arbeid en technologie beschikbaar zouden stellen, maar tot een nadere uitwerking van
deze gedachte kwam het ook niet. En met deenkeleconstatering dat er een gemeenschappelijk belang bestaat, is d e
internationale vraag nog weinig gestimuleerd. evenmin als
d e financiële hindernissen zijn verkleind.
Iets dergelijks gold in feite het protectionisme. Hoe duidelijk d e uitspraken tegen het protectionisme ook waren,
daarmeeis het verschijnsel d e wereld nog niet uit. Het werkgelegenheidsverlies ten gevolge van marktpenetratie van
ontwikkelingslanden kan in bepaalde sectoren of regio’s
bijzonder hard aankomen. De plaats van bijeenkomst
Tilburg – was als voorbeeld sprekend genoeg. Onder
druk van belangengroepen of onderdreiging vanstemmenverlies kunnen regeringen en politieke partijen zich dan
toch gedwongen zien tot het treffen of sanctioneren van
protectionistische maatregelen. Bijzonder interessant in
dit t.erband waren d e cijfers die prof. dr. L. B. M . Mennes
voor Nederland presenteerde. Hoe netjesons land zich vergeleken met andere landen misschien ook moge gedragen
Nederland moet wel, want het is bij uitstek afhankelijk
van een ongestoorde internationale handel
toch blijkt
ook hier een aanzienlijke mate van protectie te bestaan. In
1975 werd 16% van de toegevoegde waarde en 24% van d e
werkgelegenheid in de industrie met name in arbeidsintensieve sectoren en sectoren die in zwakke regio’s zijn gebeschermd d o o r een effectieve protectie
concentreerd
van meer dan 10%. En daarbij waren nog lang niet allesubsidies meegeteld. terwijl bovendien moet worden aangetekend dat pas sinds 1976de hausse isontstaaninallerleivormen van subsidiëring en steunverlening a a n bedrijven. die
zonder twijfel als protectie kunnen worden beschouwd. De
natuur blijkt weer sterker dan de leer.
Het afwijzen van een defensief protectionistisch beleid.
dat uit oogpunt van werkgelegenheidsbehoud wordt gevoerd. wordt intussen in d e praktijk bepaald niet vergemakkelijkt doordat een offensiever beleidsalternatief
voorhanden zou zijn. Compensatie van werkgelegenheidsverlies in zwakke regio’s en sectoren vindt nauwelijks
plaats. En sinds het kabinet de voorstellen van d e W R R
voor een actief reïndustrialisatiebeleid heeft verworpen is
zelfs opnieuween mogelijkeaanzet in die richting onbenut
gebleven.
De hamvraag die ook in Tilburg naar voren kwam. is
en blijft hoe en waarin d e Nederlandse economie zich zal
moeten specialiseren. als d e internationale arbeidsverdeling voortschrijdt en bepaalde sectoren waarin wij geen
comparatieve voordelen bezitten doet afkalven. De studies
die daaromtrent zijn verricht, leiden niet tot zeer duidelijke uitkomsten. Waarschijnlijk is e r een zeker comparatief voordeel in sectoren waarin relatief veel geschoolde
arbeid en natuurlijke hulpbronnen (m.n. landbouwprodukten) worden gebruikt. Maar dat biedt nog weinigaanknopingspunten voor de vraag hoe daarin de export kan
worden gestimuleerd en o f d a t dan toereikend is. Het blijft
een moeilijke zaak met het zoeken naar devormgevingvan
een positieve herstructureringspolitiek. En ook o p het Tilburgsesymposium werd d e steen der wijzen niet gevonden.

L. van der Geest

Auteur