Ga direct naar de content

De omvang van de belastingfraude door IB-plichtige ondernemers

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 24 1980

teerde methodiek van ophoging van onderzoekresultaten. Maar daarin heeft
prof. Christiaanse nog geen fout aangetoond”.
Het is niet mijn bedoeling om in deze
bijdrage het door Van Bijsterveld gehanteerde fraudebegrip aan de orde te
stellen, noch om zelf een schatting uit
te brengen. Ik wil slechts trachten een
aantal vragen te formuleren die kunnen
rijzen bij de uitkomsten van de analyse
van de boekenonderzoeken bij IB-plichtige ondernemers en de gehanteerde ophogingsmethodiek in het rapport-Van
Bijsterveld, waarvan ik eerst een kort
overzicht geef.

Fisconomie

De omvang van de belastingfraude
door IB-plichtige ondernemers
DRS. M. A. VAN HOEPEN

Over de uitgebrachte schattingen van
de omvang van de belastingfraude
Op het terrein van schattingen van
de omvang van zwart-geldstromen zijn
reeds vele, in verband met de persoon
van de schatter en/ of de omvang van
de schatting, opzienbarende uitspraken
gedaan. Heel wat minder schattingen
zijn er uitgebracht over de omvang van
de belastingfraude. Over de omvang van
de belastingfraude bij inkomstenbelastingplichtige ondernemers heeft W. J.
van Bijsterveld in zijn inmiddels welbekende rapport I) een wel zeer opzienbarende uitspraak gedaan. De. analyse
van 39.012 bij IB-plichtigen ingestelde
boekenonderzoeken bracht hem tot de
conclusie (zie o.m. blz. 146) dat ten
minste twee derde van alle IB-plichtige
ondernemers daadwerkelijk fraudeert
en dat het verlies dat jaarlijks wordt
geleden door niet achterhaalde – maar
wel te achterhalen – fraude in deze sector de belasting over ongeveer f. I à 1,4
mrd. inkomen bedraagt.
Aanvankelijk schijnt deze schatting
onweersproken te blijven. D. Brüll zegt
b.v. dat slechts “… voor wie steeds
de ogen voor de werkelijkheid heeft
gesloten, de cijfers ongetwijfeld opzienbarend zijn … ” 2). Maar al vrij snel
klinken stemmen op, die lijken te suggereren dat deze schatting wel wat aan de
hoge kant is. N. Nobel 3) en Ch. J. LanESB 17-12-1980

gereis 4) beginnen onder meer af te dingen op het door Van Bijsterveld gehanteerde fraudebegrip, en A. G. van der
Spek 5) hekelt in de Tweede Kamer de
statistische grondslagen van het rapport
en memoreert het erosie-effect, dat van
het door Van Bijsterveld gehanteerde
fraudebegrip uitgaat.
Een andere schatting brengen zij echter niet uit. Wat stelliger laten J. H.
Christiaanse en A. Nooteboom zich uit
over de omvang van de belastingfraude
bij IB-plichtige ondernemers. Chris tiaanse, in zijn rede van 13 oktober 1980
voor het Nederlands Christelijk Ondernemers Verbond 6), spreekt ernstige
twijfels uit over de conclusies die uit
het cijfermateriaal van het rapport-Van
Bijsterveld zijn getrokken. Zijns inziens
tonen “… de harde gegevens van het
rapport-Van Bijsterveld … niet aan, dat
% van de belastingplichtigen in Nederland frauderen. Zij tonen ook niet voldoende overtuigend aan, dat % van de
zelfstandigen zouden frauderen”.
Nooteboom daarentegen, in zijn gastcollege aan de TH Twente van 20 oktober 1980 7), verenigt zich volledig met
de door Van Bijsterveld gegeven schatting: ” … de conclusie van Van Bijsterveld blijft dan ook n.m.m. volledig overeind en prof. Christiaanse mag die alléén aantasten als hij aantoont dat wetenschappelijk gesproken er fouten zitten in de door Van Bijsterveld gehan-

Over de uitkomsten van de boekenonderzoeken en de ophogingsmeth0diek: het eerste bod
De controverse over de omvang van
de belastingfraude spitst zich in hoofdzaak toe op de uitkomsten en de ophogingsmethodiek van 38.742 in de periode
oktober 1974 tot en met september
1975 bij 45.134 inkomstenbelastingplichtige ondernemers ingestelde boekenonderzoeken, in het rapport-Van
Bijsterveld aangeduid als project l. De
uitkomsten van dit project vormen
dan ook zonder meer. het spectaculairste onderdeel van het rapport, althans
het onderdeel dat waarschijnlijk tot de
meeste en de vetste koppen in de dagbladen heeft geleid. Deze 38.742 geanalyseerde boekenonderzoeken bleken te
hebben geleid tot een bedrag aan opgespoord en door het rapport-Van Bijsterveld als frauduleus geclasseerd, niet
aangegeven inkomen over het meest recente belastingjaar (1974, 1973 of 1972)
van f. 198 mln. Het verschil tussen het
aantal feitelijk ingestelde boekenonderzoeken (38.742) en het aantal onderzochte belastingplichtigen (45.134) valt te
verklaren uit het bestaan van Z.g. “firrna-posten”, d.W.Z. dat meer dan één
belastingplichtige ondernemer per onderzochte onderneming voorkwam; de

I) W. J. van Bijsterveld, Aangepaste versie
van het verslag van een onderzoek naar de
aard en de omvang van de belastingfraude,
‘s-Gravenhage, 1980.
2) D. Brüll, De overheid en haar onwillig
melkvee, Weekblad voor Fiscaal Recht, 14
augustus 1980, blz. 797.
3) N. Nobel in Het Financieele Dagblad,
12juni 1980.
4) Ch. J. Langereis, Het rapport-Van Bijsterveld: hoe nu verder?, De Naamloze Vennootschap, september 1980, blz. 169.
5) Handelingen Tweede Kamer der StatenGeneraaI, woensdag 3 september 1980, blz.
6066.

6) De basistekst van deze rede vanJ. H. Christiaanse, Belastingmentaliteit in Nederland, is
opgenomen in het Weekblad voor Fiscaal
Recht. van 6 november 1980,blz. 1181e.v.
7) De basistekst van dit gastcollege van A.
Nooteboom, Aard en omvang van belastingfraude in Nederland, is opgenomen in het
Weekblad voor Fiscaal Recht, 13 november
1980, blz. 1209 e.v.

1419

hiervoor gehanteerde ophogingsfactor is
16,5%. Het aantal feitelijk bij het onderzoek betrokken belastingplichtigen
bedroeg echter in verband met “nonresponse” (een deel van de vragenlijsten
is niet verwerkt) en “non-file” (een aantal aanslagen, hoewel nà boekenonderzoek opgelegd, kon niet als zodanig
worden onderkend) geen 45.134 maar
slechts 39.012. Nadat het werkelijk aantal bij de boekenonderzoeken betrokken
belastingplichtigen in verband hiermee
is opgehoogd met een factor van 15,7%
resteert de conclusie dat bij 45.134 inkomstenbelastingplichtige ondernemers
waar in de periode oktober 1974 tot en
met september 1975 boekenonderzoek
werd ingesteld, een bedrag aan als frauduleus geklasseerd, niet aangegeven
inkomen over het meest recente belastingjaar werd aangetroffen van f. 198
mln.
Om tot een ophoging van deze resultaten naar die van het gehele bestand,
groot 483.911 IB-plichtige ondernemers,
te komen werden deze boekenonderzoeken geklassificeerd naar type boekenonderzoek, waar de typen gerangschikt
zijn in afnemende volgorde van omvang
van het per type boekenonderzoek gevonden gemiddeld fraude bed rag over
het meest recente belastingjaar. De typen
boekenonderzoeken werden daarbij onderscheiden afhankelijk van de vragen
of vroeger navordering had plaatsgevonden, of vroeger boekenonderzoek
had plaatsgevonden, of een bijzonder
gegeven of een aanwijzing door aanslagregelende ambtenaren aanleiding
was tot het boekenonderzoek en het
aantal jaren dat verstreken was sedert
het vorig boekenonderzoek of de aanvang van de bedrijfsvoering (tabel J op
blz. 140). Na gemelde ophoging i.V.m.
“non-response” en “non-file” resulteert
dan een tabel K (blz. 143) (zie tabel 1).
Deze tabel (dus in volgorde van afnemend gemiddeld fraudebedrag recent
jaar) wordt gevolgd door de zinsneden:
“Ten aanzien van de boekenonderzoeken vermeld bij de volgnummers I ti m
10 mag worden aangenomen dat er vermoedens van (ernstige) fraude waren
(zie tabel J). Dat geldt niet voor de
boekenonderzoeken vermeld bij de overige volgnummers (11 tlm 18); aangenomen is dat deze veelal werden ingesteld zonder dat er bepaalde verdenkingen waren. Deze boekenonderzoeken
zijn daarom als a-select aangemerkt”.
Vervolgens worden twee hypothesen geformuleerd:
• alle boekenonderzoeken te zamen
vormen een aselecte steekproef uit
het gehele bestand IB-plichtige ondernemers; het maximaal door de belastingdienst achterhaalbare fraude bedrag in het hele bestand wordt dan
berekend op f. 2,12 mrd. (inkomen);
• de in het gehele bestand voorkomende
ernstige fraudeurs zijn alle in de boekenonderzoeken
betrokken (volg1420

Tabel J. Samenvatting van Tabel K uit het rapport- Van Bijsterveld

X 1.000

Voig-

nummer

Aantal

boeken-

onderzoeken

Gemiddeld

fraude-

bedrag recent jaar

Fraudebedrag

Geaccumuleerd
fraudebedrag
recent jaar X 1.000

recent jaar

Geaccumuleerd

aantal

aantal
boekenonderzoeken

I

2.322

7.871

18.276

18.276

2.322

10
11

36
2.450

4.484
3.970

161
9.727

86.352
96.079

13.946
16.396

18

3.211

2.098

6.737

197.957

45.134

nummers I ti mlO), de overige boekenonderzoeken (volgnummers II ti m
18) worden geacht een aselecte steekproef uit het gehele bestand van “niet
op voorhand van ernstige fraude verdachte IB-plichtige ondernemers” te
zijn; het minimaal door de belastingdienst achterhaalbare fraude bedrag
in het hele bestand wordt dan berekend op f. 1,77 mrd. (inkomen).
De berekening van achterhaalbare,
maar niet achterhaalde fraude op jaarbasis is weergegeven in tabel 2.
Vervolgens wordt nog een correctie
(van 10%, d.m.V. steekproef bepaald)
toegepast, omdat soms correcties in één
jaar worden aangebracht die eigenlijk
over meer jaren hadden moeten worden
verdeeld. De slotconclusie luidt t.a.v.
inkomstenbelastingplichtige
ondernemers dan: “het verlies dat jaarlijks wordt
geleden wegens niet achterhaalde maar
wel te achterhalen fraudecorrecties bedraagt …. het belastingbedrag over
ongeveer f. I à f. 1,4 mrd. inkomen”
(blz. 146).
Tot zover het overzicht van de bevindingen en conclusies van Van Bijsterveld
ter zake van de jaarlijske fraude door
IB-plichtige ondernemers. Ik heb hiervan met opzet relatief wat uitgebreid verslag gedaan, niet alleen om een zelfstandig leesbare bijdrage te leveren,
maar ook om de weergave van de thans
volgende opmerkingen en vragen wat
te beperken.
Over de mate van selectiviteit van de
ingestelde boekenonderzoeken
Tabel A van het rapport-Van Bijsterveld (blz. 130) vermeldt dat in 1975 bij
415.374 in beginsel te onderzoeken ondernemingen 38.202 boekenonderzoeken werden ingesteld. De keuze van de
ondernemingen waarbij een boekenonderzoek zal worden ingesteld vindt
uiteraard niet willekeurig plaats. Hierbij
onderscheidt Van Bijsterveld (blz. 131):

• boekenonderzoeken om een bijzondere reden ingesteld, welke als een
selecte steekproef uit het hele bestand
IB-plichtige ondernemers worden beschouwd;
• boekenonderzoeken
ingesteld op
voordracht van de aanslagregelende
ambtenaren, welke ten dele als een
selecte steekproef worden beschouwd;
• boekenonderzoeken ingesteld omdat
de ondernemers nog nooit of lang geleden zijn gecontroleerd, welke als een
aselecte steekproef uit het hele bestand IB-plichtige ondernemers worden beschouwd, ondanks het feit dat
niet ieder element (IB-plichtige ondernemer, ongeacht de vraag of al eens
eerder boekenonderzoek werd ingesteld) een gelijke kans heeft om in de
steekproef betrokken te worden.
Naar aanleiding van tabel G (de effectiviteit van boekenonderzoeken bij ondernemers die door de aanslagregelende
ambtenaren werden voorgedragen voor
controle) concludeert Van Bijsterveld
” …. dat de maatstaven die de aanslagregelende ambtenaren aanleggen bij het
voordragen van ondernemers voor controle, correleren met de belastingmentaliteit afgeleid uit de effectiviteit van de
boekenonderzoeken” (blz. 137). Een
pluim op de hoed van de aanslagregelende ambtenaren: ze dragen een ondernemer niet zomaar voor boekenonderzoek voor. Ook blijkt uit de tabellen
“. . .. dat indien een boekenonderzoek
werd ingesteld na een vroeger boekenonderzoek dat I ti m 5 jaar eerder werd
ingesteld, de (fraude-)resultaten duidelijk hoger zijn dan in andere gevallen.
De belastingmentaliteit was juist beoordeeld door de aanslagregelende ambtenaar. Deze posten zijn duidelijk selectief’ (blz. 136).
Het komt dan wel enigszins vreemd
voor om, deze conclusie indachtig, in de
z.g. tabel J (blz. 140) onder de 26.957
als aselecte steekproef aangemerkte
boekenonderzoeken (de volgnummers
II tlm 18) er 21.188 (dat is meer dan

Tabel 2. De berekening van achterhaalbare. maar niet achterhaalde fraude in het
rapport- Van Bijsterveld
Geschat fraudebedrag (inkomen) over recent jaar in hele bestand:
…………….
– uit boekenonderzoeken achterhaald fraudebedrag ………………•..
f. 198 mln.
– bedrag dat bij boekenonderzoeken in latere jaren over 1975 zal worden
achterhaald
= fraudebedrag
dat in boekenonderzoeken
van 1975 over niet
recente.jaren is achterhaald …………….•……………………
f. 83 mln.
– bij vaststelling van de primitieve aanslagen achterhaalde bedrag
f. 285 mln.
– bij navorderingsaanslagen (zonder boekenonderzoek) acherhaald fraudebedrag (het z.g. project 2)
f. 29 mln .
Achterhaalde
op jaarbasis

fraudebedrag

(afgerond):

meer achterbaaide

f. 1,77 à f. 2. C2 mrd.

……•……………..•……..

fraudebedrag:

………•….•……….•………………

f. 600 mln. f. 1.17

à f. 1.52 mrd.

~

r:.’1″‘,
78%) aan te treffen waar het boekenonderzoek juist op aanwijzing van de
aanslagregelende ambtenaren plaatsvond. Evenzeer bevreemdend is het om
uit deze tabel 1 te kunnen concluderen
dat. het aantal van 5.769 boekenonderzoeken, dat werd ingesteld zonder voorstel van de aanslagregelende ambtenaren
en zonder enige andere reden dan dat
er nooit eerder of lange tijd geleden
werd gecontroleerd, slechts 21,4% uitmaakt van de als een aselecte steekproef aangemerkte boekenonderzoeken
(boekenonderzoeken om bijzondere reden komen in de als aselect aangemerkte steekproef niet voor). Evenwel blijkt
uit tabel I (blz. 139) bij deze laatste
5.769 boekenonderzoeken het percentage fraudegevallen weliswaar niet of
niet veel lager te liggen dan in andere
gevallen, maar het bedrag van de fraude
is het laagst, althans qua absoluut bedrag; een relatie met de omvang van het
belastbaar bedrag wordt hier niet gelegd.
Uit het feit dat uit project 1 (analyse
van de uitkomsten van boekenonderzoeken) veel meer en veel hogere navorderingsaanslagen voortvloeien dan uit project 2 (analyse van navorderingsaanslagen voor ondernemers en niet-ondernemers zonder voorafgaand boekenonderzoek) concludeert Van Bijsterveld
slechts tot de grotere effectiviteit van
boekenonderzoeken. Op mogelijke oorzaken hiervan – mogelijk biedt de
berekening van winst uit onderneming
meer mogelijkheden tot continuele fraude, b.v. door het slepen met gelden, dan
bij andere bronnen van inkomen (zie
de par. “Op hoeveel jaren heeft de
uitkomst betrekking?j,
of blijkbaar
kunnen slechts bijster weinig boekenonderzoeken (slechts de bovengemelde
5.769 van de totaal 39.0 I2?) als aselecte
steekproef uit de sub-populatie van “niet
op voorhand van ernstige fraude verdachte
ondernemers”
worden beschouwd – gaat Van Bijsterveld niet in.
Over de ophogingsmethodiek
Bij de ophogingsmethodiek als zodanig zijn weinig vragen te stellen, maar
m.i. des te meer bij de daarbij gehanteerde hypothesen, die aanleiding moeten
geven tot berekeningen over de bovenen ondergrens van de achterhaalde
fraude. De eerste hypothese (a) gaat ervan uit dat alle boekenonderzoeken te
zame een aselecte steekproef uit het
hele bestand vormen. Een toch wat zonderlinge hypothese als het gaat om een
berekening van de door de belastingdienst achterhaalde fraude door middel
van boekenonderzoeken en wanneer in
ogenschouw wordt genomen dat die belastingdienst, althans de aanslagregelende ambtenaren, even te voren (n.a.v.
tabel G op blz. 137)zijn geprezen om hun
goede neus bij het voordragen van ondernemers voor boekenonderzoeken en
ESB 17-12-1980

dat meer dan 78% van (alle) boekenonderzoeken op aanwijzing van die
ambtenaren hebben plaatsgevonden.
De tweede hypothese (b) gaat uit van het
feit dat alle ernstige fraudeurs in het
selecte deel van de steekproef zitten (de
volgnummers I ti m 10)en dat de overige
boekenonderzoeken (de volgnummers
11 tlm 18) een aselecte steekproef uit
de populatie van “niet op voorhand van
ernstige fraude verdachte ondernemers”
vormen. T.a.v. deze tweede hypothese,
bepalend voor de berekening van de ondergrens van de achterhaalbare fraude,
zijn in het voorgaande reeds twijfels
geuit over de mate van selectiviteit van
de als een aselecte steekproef aangemerkte boekenonderzoeken.
Zulks overwegende, dringt zich de
vraag op of de boven- en ondergrens van
de fraude niet evenwichtiger benaderd
had kunnen worden door een gevoeligheidsanalyse toe te passen op de verlegging van de grens tussen als select en
aselect aan te merken boekenonderzoeken, of door selectiviteitsfactoren toe te
kennen aan ieder type boekenonderzoek,
in stede van twee puntschattingen te
geven op basis van m.i. toch wat wonderlijke, in ieder geval aanvechtbare,
hypothesen.

Deze rubriek wordt verzorgd door het
Fiscaal-Economisch Instituut van de
Erasmus Universiteit Rotterdam
Op hoeveel jaren heeft de
uitkomst betrekking?
Het staat buiten kijf dat de door Van
Bijsterveld uitgebrachte schatting betrekking heeft op de over een periode van
een jaar achterhaalbare fraude. Immers,
steeds is gerekend met de achterhaalde
fraude over het meest recente boekjaar
(1974 of in sommige gevallen 1973 of
1972). Toch is er rond dit probleem wel
een aantal opvallende zaken te melden.
In de eerste plaats blijkt uit tabel A (blz.
84) dat uit 25.654 boekenonderzoeken
waarbij fraude werd achterhaald, slechts
39.992 (primitieve en navorderings-)
aanslagen voortvloeiden (met een bedrag aan fraudecorrecties van f. 243,3
mln.). Op blz. 115 van het rapport wordt
meegedeeld, dat op grond van boekenonderzoeken waarbij fraude werd ontdekt, wegens die fraude 13.338 navorderingsaanslagen werden opgelegd. Dit betekent, dat uit ieder boekenonderzoek
waarbij fraude werd geconstateerd gemiddeld slechts een halve navorderingsaanslag voortvloeide of, rekening houdende met de correctiefactor voor z.g.
“firma-posten” (16,5%), per inkomstenbelastingplichtige ondernemer waarbij
fraude werd ontdekt slechts 0,45 navorderingsaanslag.
Wanneer
rekening
wordt gehouden met de vermelde correctiefactor van 10%(omdat zich in het achterhaalde fraudebedrag over het recente

jaar correcties bevinden die eigenlijk op
meer jaren betrekking hebben) kom ik
tot de schátting dat er onder de 39.992
aanslagen met fraudecorrecties er ongeveer 16.000konden worden aangetroffen
mèt fraudecorrecties voor niet-recente
jaren. Namelijk 0,1 (39.992 -13.338) +
13.338; waarbij dan de correctiefactor
1.0%van het over het recente jaar achterhaalde fraudebedrag is toegepast op het
aantal uit boekenonderzoeken waarbij
fraude werd geconstateerd voortvloeiende primitieve aanslagen met fraudecorrecties. Al met al roept dit ontegenzeggelijk het beeld op van ondernemers
die, als ze fraudeerden, dat in meerderheid .over het meest recente jaar deden,
terwijl zich onder de ondernemers waarbij een boekenonderzoek werd ingesteld
er toch heel wat waren waarin dat onderzoek, gezien de tijdstippen van vorige
boekenonderzoeken, of aanvang van de
bedrijfsvoering, of vorige navorderingsaanslagen, op heel wat meer jaren betrekking kon hebben. Bovendien lijkt het
niet onaannemelijk, dat juist in de sfeer
van winst uit onderneming continuele
fraude door slepen gemakkelijker kan
worden toegepast dan bij andere bronnen van inkomen. Of is hier wellicht
sprake van een nieuw signaal, dat de aanslagregelende ambtenaren niet alleen
uiterst selectief te werk gaan bij het voorstellen van ondernemers voor boekenonderzoek, maar dat ze bovendien uiterst alert reageren?
Een tweede opvallende zaak rond deze
vraag vormt het bedrag van f. 83mln., dat
bij boekenonderzoeken in latere jaren
dan 1975 over het jaar 1975 naar schatting nog zal worden achterhaald: “Over
dat jaar (1975) werd ook nog in latere jaren een bedrag achterhaald. Dat bedrag
is gelijkgesteld aan het bedrag dat over
niet recente jaren is achterhaald in de
boekenonderzoeken 1975: f. 83 miljoen”
(blz. 145). Uit tabel A (blz. 84) blijkt
evenwel dat het totale uit boekenonderzoeken achterhaalde bedrag aan fraudecorrecties f. 243,3 mln. is. In tabel K
(blz. 143) is het geaccumuleerde fraudebedrag over het recente jaar gesteld op
f. 198 mln. Het fraudebedrag dat op andere dan recente jaren betrekking heeft is
dan toch f. 243,3 mln. – f. 198 mln.=
f. 45,3 mln., of rekening houdend met
meergemelde lOo/o-eorrectiefactor maximaal f. 45,3 mln. +0,1 X f. 198mln.=
f. 65 mln. Kennisneming van tabel 12 op
blz. 123 doet vermoeden dat deze f. 83
mln. het verschil is tussen het inkomen
begrepen in de uit alle (niet alleen de wegens fraude) uit het boekenonderzoek.
voortvloeiende navorderingsaanslagen
en het inkomen bij aangifte.
Ook uit project 2 (analyse van navorderingsaanslagen opgelegd bij gelegenheid van de aanslagregeling aan ondernemers en niet-ondernemers) valt een
soortgelijke tendens waar te nemen. Als
werd nagevorderd, werd bij de meeste
belastingplichti8fn (64%) maar over één
jaar nagevorderd. Kortom, er blijft bij
1421

mij toch wel enige verbazing bestaan
over het relatief geringe aantal gevallen
waarin, als bij boekenonderzoek fraude
werd geconstateerd, deze fraude op meer
dan één jaar betrekking bleek te hebben.
Als de oorzaak hiervan gelegen is in een
alerte reactie van de aanslagregelende
ambtenaren in de zin van, als bij de aanslagregeling ook maar enig vermoeden
van onregelmatigheid rijst dan volgt
onmiddellijk voordracht voor boekenonderzoek, dan gaat het m.i. toch zeker
niet meer aan om 26.957 boekenonderzoeken (de volgnummers II t/m 18) als
aselecte steekproef uit de populatie “niet
op voorhand van ernstige fraude verdachte IB-plichtige ondernemers” aan te
merken wanneer meer dan 78% van die
boekenonderzoeken op aanwijzing van
deze ambtenaren plaatsvond.
Over ex ante en ex post schattingen
Benadrukt moet worden dat de door
Van Bijsterveld gegeven schatting van de
jaarlijks achterhaalbare fraude bij IBplichtige ondernemers een ex post schatting is; d. w.z. geschat is de over 1975achterhaalbare fraude, wanneer buiten de
normale frequentie van boekenonderzoeken om, alle IB-plichtige ondernemers in 1975 éénmalig aan een boekenonderzoek zouden zijn onderworpen.
Dit karakter van deze schatting, gemakshalve aangeduid met de term ex
post, blijkt niet altijd even duidelijk uit
het rapport; zo is bv. op blz. 145 sprake
van “een op jaarbasis meer achterhaalbaar fraude bedrag f. 1,17 à f. 1,52 miljard” en ” … in beginsel is de belasting
hierover het bedrag dat jaarlijks wordt
verloren”. Op blz. 146 is sprake van een
“verlies dat jaarlijks wordt geleden wegens niet achterhaalde maar wel te achterhalen iraudecorrecties … “
In hoofdstuk 12 van het rapport
(Eindconclusies
en aanbevelingen)
wordt van deze ex post schatting duidelijk een ex ante schatting gemaakt; er is
. daar namelijk sprake van “de fraude die
de belastingdienst bij optimale bezetting
zou kunnen achterhalen” bij IB-plichtige
ondernemers, welke, uitgaande van de
geschatte in 1975 tè achterhalen, maar
niet achterhaalde fraude van f. I, I mrd.,
“om technische redenen” (de 10% correctiefactor?) wordt gesteld “op een jaarlijks bedrag aan belasting over f 1.000
miljoen inkomen” (blz. 322/323). Blijkbaar wordt bij deze duidelijke ex ante
schatting impliciet een beroep gedaan op
de eerder uit project I getrokken conclusies, dat niet gebleken was dat er enige
preventieve werking uitging van vroeger
opgelegde navorderingsaanslagen en/ of
vroeger ingestelde boekenonderzoeken.
Nu is deze laatste conclusie (geen preventieve werking van vroeger ingestelde
boekenonderzoeken) niet zo verwonderlijk, wanneer uit tabel E3 (blz. 97) blijkt
dat van 21.647 boekenonderzoeken die
werden ingesteld bij ondernemingen
waar reeds eerder boekenonderzoek had
1422

plaatsgevonden, dat eerdere boekenonderzoek in bijna 72% van de gevallen zes
of meer jaren geleden was verricht en dat
in meer dan 30% van de gevallen er zelfs
II of meer jaren waren verlopen sedert
het vorige boekenonderzoek. Daar met 5
jaar in principe de navorderingstermijn
wordt overschreden, lijkt er voor ondernemers bij een dusdanige controle-frequentie wel voordeel te zitten in belastingfraude, zelfs al wordt alle fraude
door de belastingdienst achterhaald, dan
kan soms toch geen belasting meer worden geheven.
Wanneer onder een optimale bezetting van de belastingdienst zou moeten
worden verstaan – Van Bijsterveld zelf
laat zich daarover overigens niet uit een zodanige bezetting van de belastingdienst, dat alle achterhaalbare fraude
d.m.v. boekenonderzoeken daadwerkelijk zou worden achterhaald èn belast
(middels primitieve aansIágen en/ of navorderingsaanslagen), zou dat betekenen dat iedere onderneming, i.v.m. de
navorderingstermijn, ten minste één
maal per vijf jaar aan een boeken onder-

zoek zou worden onderworpen 8). Bij
dergelijke partieel roulerende boekenonderzoeken is het, i.v.m. de mogelijke
verhoging bij navordering, nagenoeg
ondenkbaar dat er nog veel voordeel gelegen is in het plegen van achterhaalbare
belastingfraude. Het plegen van achterhaalbare belastingfraude leidt dan immers slechts tot uitstel van belastingbetaling en wel tegen een aanzienlijk rentetarief (de verhoging bij navordering). Er
zal dan wel degelijk een preventieve werking uitgaan van boekenonderzoek;
m.a.w. het is niet onaannemelijk dat de
ex ante schatting van de jaarlijks meer
achterhaalbare belastingfraude, bij optimale bezetting van de belastingdienst
aanmerkelijk lager uitvalt dan de door
Van Bijsterveld gegeven schatting van
f. I mrd.
M. A. van Hoepen
8) Het ware dan juister te spreken van een
maximale bezetting; een optimale bezetting
immers vereist een afweging van marginale
controlekosten en marginale uit de controle
voortvloeiende belastingopbrengsten.

Auteur