Ga direct naar de content

Ook globale maatstaf bruikbaar

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 2 1999

Ook globale maatstaf bruikbaar
Aute ur(s ):
Bikker, J.A. (auteur)
Werkzaam b ij de Nederlandsche Bank.
Ve rs che ne n in:
ESB, 84e jaargang, nr. 4208, pagina 453, 11 juni 1999 (datum)
Rubrie k :
Naschrift
Tre fw oord(e n):
bank-, verzekeringsw ezen

Dit artikel is een naschrift n.a.v.: P.L.M. van de Ven, Concurrentie is nog geen efficiëntie en L.J.R. Scholtens en D.M.N. van
Wensveen, Concurrentie en concentratie, ESB, 11 juni 1999, blz. 450-453.
Concurrentie in het bankwezen staat sterk in de belangstelling, getuige ook de twee hiervoor staande reacties op mijn ESB-artikel
daarover. Omdat concurrentie niet rechtstreeks is waar te nemen, worden vaak indirecte maatstaven zoals de concentratiegraad of de
rentemarge gebruikt. Volgens mijn berekeningen zijn concentratiegraad en rentemarge volstrekt ongecorreleerd. Het is niet zo dat
deze uitkomst mij onwelgevallig is (zoals Scholtens en van Wensveen suggereren), het ontbreken van correlatie impliceert echter dat
deze maatstaven kennelijk totaal verschillende fenomenen beschrijven. Ze zijn dan niet beide, mogelijk zelfs geen van beide, geschikt
als meetlat van concurrentie. In een poging te voorzien in het gemis van een duidelijke maatstaf, gebruik ik in genoemd artikel de
elegante en theoretisch onderbouwde methode van Panzar en Rosse. Hierin wordt de samenhang onderkend tussen de marktvorm en
de som van de elasticiteiten tussen de prijzen van productiefactoren en ontvangen rente, aangeduid met h. H is een maatstaf van
concurrentie en is berekend voor alle eu landen. Onder perfecte concurrentie is h gelijk aan een (prijsstijgingen worden volledig
doorberekend in de banktarieven), onder monopolie nul of negatief (banktarieven worden onafhankelijk van de kosten vastgesteld) en
onder oligopolistische marktvormen tussen 0 en 1. De concurrentie blijkt in de meeste landen vrij hoog, in sommige landen niet te
onderscheiden van perfecte concurrentie. De concurrentie in Nederland (h = 0,71) verschilt niet significant van het gemiddelde van de
EU (0,74; zie tabel 1 van het artikel).

Tabel 1. Zakenbankieren in Nederland, 1998. Rangorde van banken die de leiding hadden bij beursintroducties en fusies en
overnames in Nederland
beursintroducties
rang

1
2
3
4
5
6
7
8
9
10

ABN Amro Rothschild
Goldman Sachs
ING Bank
UBS
Banco Bilbao Vizcayo
Rabobank
Deutsche Bank
Citigroup
HSBC
Fortis

fusies en overnames
marktwaarde
mln $
1.264
920
616
530
122
116
48
28
26
20

rang

boekwaarde
mln $

1
2
3
4

7

10

Morgan Stanley DW
Goldman Sachs
MeesPierson
Lazard
5
Société Générale
6
Bear Stearns
ABN Amro
8
Schröder
9
ING
Salomon Smith Barney

15.743
11.774
11.467
11.012
10.329
10.254
4.051
4.036
3.721
3.052

Bron: IFR Security Data / Capital Data, NRC Handelsblad 13 februari 1999.

Concurrentie en efficiëntie
Talrijke ontwikkelingen zoals nationale deregulering, internationale integratie, technologische ontwikkelingen, toetreding van nieuwe
concurrenten en de introductie van de euro veranderen de bankenwereld. Om daaraan het hoofd te bieden en om te profiteren van
schaal- en combinatievoordelen kiezen veel banken voor samengaan. Veel bancaire diensten kunnen alleen worden ontwikkeld en
verleend als een voldoende grote schaal is bereikt. Van de Ven gaat daar nader op in en constateert voor een aantal landen de
aanwezigheid van veel banken, voldoende concurrentie maar onvoldoende efficiëntie, terwijl in andere landen het aantal banken gering
en de concurrentie minder groot is, maar deze banken wel innovatief zijn en efficiënt. Concurrentie is dus niet altijd een indicator van een
ideale bancaire markt. Dit verklaart waarom het bankwezen dat als niet zo efficiënt te boek staat (zoals in Duitsland, Frankrijk Griekenland,
Italië en Spanje) vooral op de binnenlandse (‘retail’) markten toch vrij concurrerend kan zijn. In dit verband maakt Van de Ven het verwijt
dat er al snel sprake kan zijn van begripsverwarring: concurrentie is wat anders dan concurrentiekracht of efficiëntie. Hij geeft overigens
toe dat ik dit verschil in mijn artikel expliciet heb duidelijk gemaakt. Van de Ven forceert hier zijn gelijk: in zijn reactie gebruikt hij
concurrentie en efficiëntie herhaaldelijk door elkaar. Zo interpreteert hij mijn schattingen van concurrentie als maatstaven van efficiëntie.

Verder beschrijft hij hoe de marktverhoudingen in Frankrijk en Duitsland door overheidsingrijpen zijn verstoord en kan dat niet rijmen
met mijn maatstaf die voor deze landen een hoge mate van concurrentie aangeeft. Mijn conclusie is dat de genoemde marktverstoringen
wel de efficiëntie hebben aangetast maar veel minder hebben geleid tot banktarieven, die duiden op gebruik van een zekere
monopoliemacht.
Concentratie en concurrentie
Van de Ven wijst net als ikzelf op onvolkomenheden van de gehanteerde maatstaf van concentratie. Hij voegt er ook nog de grote
verschillen in concentratie op lokaal niveau aan toe. Hier geldt uiteraard dat de concentratiegraad is gekozen bij gebrek aan beter.
Vervolgens is voorzichtigheid geboden bij de interpretatie van het, met deze maatstaf gevonden, verband tussen concentratie en
concurrentie. Van de Ven vindt dit verband gezocht en maakt dat op nogal badinerende wijze duidelijk: ‘How to lie with statistics’. Ik vind
dat niet terecht. Er is voor dit verband een plausibele theoretische onderbouwing, namelijk het ‘structure-conduct-performance’ model, en
er is een significant statistisch verband, op basis van lineaire regressie en rang-correlatietoetsen. Mede vanwege het feit dat dit verband
niet in alle varianten overtuigend is, breng ik de uitkomsten heel bescheiden: ‘op het oog’ is er enig verband. Er is geen sprake van enig
misbruik van de statistiek. De conclusie dat “voortschrijdende concentratie van de kredietinstellingen binnen de landsgrenzen voor de
EU als geheel een negatieve invloed op de concurrentie blijkt te hebben”, berust niet (alleen) op de bovenstaande analyse maar (ook) op
het model van Panzar en Rosse, waarin de invloed van de tijd op de concurrentiemaatlat is geschat.
Bancaire deelmarkten
Scholtens en van Wensveen leggen mij een aantal uitspraken in de mond die in het artikel in het geheel niet zijn terug te vinden, zoals “in
Nederland zijn volop monopolietendenzen te ontwaren” en “deregulering en liberalisering in de EU heeft een negatieve invloed gehad op
concurrentie”. Verder dichten zij mij deels dubieuze motieven toe, zoals “deze uitkomst is Bikker onwelgevallig en hij zoekt naar een
maatstaf die wel aansluit bij zijn opvattingen”. Tenslotte worden bezwaren naar voren gebracht waarvan niet duidelijk is in hoeverre zij
juist zijn. Zo stellen de auteurs vragen bij de empirische toepassing van het Panzar en Rosse-model. Ik zou ten onrechte geen
onderscheid maken tussen binnen- en buitenlands bedrijf en provisie-inkomsten, inkomen uit effectenhandel en off-balance activiteiten
verwaarlozen. Onderscheid tussen binnen- en buitenlands bedrijf behoeft echter niet te worden gemaakt 1. Zoals in mijn artikel uiteen
wordt gezet, heeft de maatstaf betrekking op de activiteiten van de banken van een bepaald land, ongeacht waar deze plaatsvinden en
niet op de bancaire activiteiten binnen de landsgrenzen. Provisie-inkomsten en dergelijke worden door mij niet verwaarloosd. In het
empirische model wordt daarmee expliciet rekening gehouden. Eerlijkheidshalve zij vermeld dat Scholten en van Wensveen dat niet uit
het (niet-technische) artikel in ESB konden opmaken; de betrokken achtergrondstudie gaat hier wel nader op in 2.
Het Panzar en Rosse-model zoals door mij toegepast, richt zich op het geheel van de bancaire markten, zonder onderscheid naar
deelmarkten van geografische aard of naar soort dienstverlening 3. Scholten en van Wensveen gebruiken veel ruimte om uit te leggen
dat dit geen pas geeft. Dit is een merkwaardige reactie gegeven het evidente gebrek aan gegevens op dit gebied. Het zou interessanter
zijn om ook deelmarkten te analyseren. Het ontbreken van de benodigde gegevens maakt dit echter onmogelijk. Natuurlijk noopt het
macro-karakter van onze maatstaf tot grote voorzichtigheid; het staat het trekken van interessante conclusies echter niet in de weg

1 Dergelijke (openbare) gegevens zijn overigens slechts voor enkele jaren en een beperkt aantal banken beschikbaar.
2 J.A. Bikker en J.M. Groeneveld, Competition and concentration in the European banking industry, Kredit und Kapital (te verschijnen).
3 Overigens wordt de invloed van concurrerende niet-banken (automatisch) meegenomen.

Copyright © 1999 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur

  • Jaap Bikker

    Hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en senior onderzoeker bij De Nederlandsche Bank