Ga direct naar de content

Nederland in het interbellum

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 19 1989

Nederland in het interbellum
Volgens de gangbare visie op de Nederlandse economie in de jaren dertig heeft de
regering-Colijn te lang aan de gouden standaard vastgehouden. Deze zienswijze is echter
onlangs ter discussie gesteld. In dit artikel gaat de auteur nader in op de rol van de
wisselkoersen. Hij komt tot de conclusie dat ook andere, veelal politieke, factoren van
invloed waren.

DR. W.L. KORTHALS ALTES*
“Geschiedenis is een discussie zonder eind.” Deze uitspraak van de historicus Geijl kan voor de economische
geschiedenis zonder veel moeite beaamd worden, zoals
blijkt uit de gedachtenwisseling in ESS van 17 februari en
30 maart/6 april 1988 over de vraag welke rol de wisselkoers van de gulden in de ontwikkeling van de Nederlandse economie in de jaren dertig heeft gespeeld1. In zijn bespreking van de recente CBS-publikatie over de macroeconomische ontwikkelingen in de jaren 1921-1939 en
1969-1985 nam Prof. Dr. J.L. van Zanden het traditionele
standpunt in dat ons land nadeel heeft ondervonden – hij
spreekt zelfs van bijzonder nadeel – van het feit dat de regering Colijn pas in September 1936 bereid was de gouden
standaard te verlaten. Drs. G.P. den Bakker en dr. C.A. van
Bochove, auteurs van de betreffende publikatie, hielden
daarentegen vast aan hun mening dat dat niet of nauwelijks het geval is geweest en dat de depreciatie van de gulden in de jaren na 1936 per saldo zelfs een ongunstige uitwerking heeft gehad. Evenals Van Zanden acht ik deze
laatste uitspraak niet juist. In dit artikel wil ik evenwel alleen
ingaan op de eerstgenoemde kwestie aan de hand van een
analyse van jaarlijkse ontwikkelingen op een meer gedesaggregeerd niveau zoals die door Den Bakker en Van Bochove bepleit werd. Alleerst komen echter nog enkele punten uit de gedachtenwisseling in ESS ter sprake.

In de pas

__

Bij de beoordeling van de vraag of Nederland in de jaren
dertig in de pas liep met het buitenland dient zich hetzelfde
hartverscheurende dilemma aan als waarmee politici op verkiezingsavonden geconfronteerd worden. Wat wordt waarmee vergeleken en welke tijdstippen of perioden worden
daarbij gehanteerd? Wanneer ervan uitgegaan wordt dat een
te hoge wisselkoers in eerste instantie het volume van de uitvoer nadelig kan be’ihvloeden, en omdat deze laatste variabele in Nederland vanaf 1929 begon te dalen, is dit laatste
jaar als basisjaar gekozen. Een analyse van de ontwikkeling
van onze export volgt later in dit artikel.
Het lijkt me ook volkomen juist om de ontwikkeling van het
reeel bruto binnenlands produkt en de werkloosheid in de beschouwingen te betrekken. Wat de eerste grootheid betreft
mag gesteld worden dat de door het CBS herziene cijfers
voor Nederland er vanaf 1932 in het algemeen minder gunstig uitzien dan de ongewogen gemiddelden van de overige

60

landen. Er moet evenwel rekening worden gehouden met het
feit dat in die jaren het gemiddelde van die landen vooral ook
in positieve zin be’invloed werd door de groeicijfers van Duitsland. Dit land liep om zo te zeggen in zijn eigen pas, waaraan zoals bekend zeer bedenkelijke aspecten kleefden.
Evenals in Nederland zette in Frankrijk het herstel nogal laat
in. Omdat ook dit land pas in September 1936 de munteenheid Net deprecieren (na een periode van circa 10 jaren van
stabiliteit), lijkt een samenhang tussen wisselkoerspolitiek en
conjunctuur voor de hand te liggen.
Indien het trage herstel van de werkgelegenheid in Nederland te wijten is aan het feit dat de regering pas in September 1936 bereid was de gouden standaard te verlaten,
dan zou dat wellicht kunnen worden aangetoond aan de
hand van gegevens per bedrijfstak. Verwacht mag dan worden dat de werkloosheid zich ongunstiger zou ontwikkelen
in sectoren waarvan de produktie vooral op de export gericht was. In de Jaarcijfers voor Nederland van het CBS
zijn gegevens opgenomen over het aantal geheel en gedeeltelijk werklozen per bedrijfsklasse2. Uit de cijfers, die
overigens de indruk wekken slechts een partieel karakter
te hebben, blijkt dat in de volgende sectoren de werkloosheid relatief groot was : zie tabel 1.
Uit een noot bij de betreffende tabellen kan worden geconcludeerd dat het aantal personen “van wie de werkloosheid is nagegaan” een maximum bereikte in 1932. Daarna
volgde een bescheiden daling tot 1936 welke in 1937 en
1938 weer door een toeneming gevolgd werd. Mijn conclusie uit deze onvolledige cijfers is dat de ontwikkeling van de
werkloosheid in Nederland zich in ongunstige zin van het buitenland onderscheidde, maar dat een rechtstreeks verband
met de valutapolitiek van de Nederlandse regering moeilijk
aantoonbaar is. Het enige dat hieromtrent wel met stelligheid
kan worden gezegd is dat de slechte gang van zaken in de
textielnijverheid duidelijk te wijten was aan een gevoelige daling van de uitvoer van textielprodukten naar NedertandschIndie, dat een sterke voorkeur ging vertonen voor dergelijke
produkten uit Japan. Hierna zal nog aan de orde komen dat
ook monetaire factoren daarbij een rol speelden.

* De auteur is dank verschuldigd aan J. Teijl en Joh. de Vries voor
hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
1. J.L. van Zanden, Nederland in het interbellum, ESB, jg. 73,
1988, biz. 172-178 en 186; G.P. den Bakker, C.A. van Bochove en
J.L. van Zanden, Discussie, ESB, jg. 73,1988, biz. 341-344.
2. CBS, Jaarcijfers voor Nederland 1933, biz. 107 en idem, 1938,
biz. 115, Den Haag, 1934 respectievelijk 1939.

Tabel 1. Sectoren met hoge werkloosheid en jaar waarin
sectorale werkloosheid maximaal was
Sectoren

jaren

Bouwbedrijven

1936

Metaalbewerking enz.

1932

Textielnijverheid

1932

Landbouw, veenderij

1933

Verkeerswezen

1936

Overige (voornamelijk fabrieksarbeiders)

1936

Bran: CBS, Jaardjfers voor Nederland 1933 en 1938.

Concurrentiepositie en marktaandeel
In de gedachtenwisseling in ESB wordt nogal wat aandacht besteed aan de verandering van de concurrentiepositie als mogelijke verklaring voor een ongunstige ontwikkeling van de uitvoer. Ik ben het geheel met Van Zanden
eens dat daarbij niet alleen de uitvoerprijzen in de beschouwing betrokken moeten worden. Want ook al behoefde de
Duitse importeur, die spruitjes uit het land van Colijn wenste te betrekken om het ‘Eintopfgericht’ van zijn ‘Volksgenossen’ op te fleuren, zich op het eerste gezicht niet te bekommeren om de ontwikkeling van de lonen, huren of andere puur binnenlandse prijzen in Nederland, dat neemt
niet weg dat de medaille wel degelijk een Nederlandse zijde had. Een exporteur die geen verliezen wil lijden en niet
bereid is tot dumping zal zeker het kostenaspect van zijn
produkten in de gaten moeten houden.
Hoewel de door Van Zanden gebruikte indicatoren waarschijnlijk niet helemaal representatief geacht mogen worden voor de kosten der exporteurs komt het me voor dat
het moeilijk zal zijn daarvoor betere alternatieven te vinden.
Wel dient mijns inziens altijd rekening te worden gehouden
met het feit dat bij een eventuele devaluatie van de eigen
munteenheid door een stijging van prijzen van grondstoffen en halffabrikaten de kosten eveneens kunnen stijgen.
Verder is het denkbaar dat de exporteurs, ondanks betrekkelijk hoge produktiekosten, dank zij exportsubsidies in
staat worden gesteld hun goederen tegen lagere prijzen in
het buitenland af te zetten. In de jaren dertig gebeurde dat
niet alleen in Duitsland maar ook in Nederland.
In zijn artikel van 17 februari jl. vermeldt Van Zanden cijfers die aantonen dat het aandeel van de Nederlandse export in de totale importen van onze zes belangrijkste handelspartners in de jaren 1931-1937 een dalende tendens
vertoonde. In het naschrift van 30 maart/6 april krijgt Nederland in de beklaagdenbank gezelschap van Belgie en
wordt gesteld dat de ongunstige ontwikkelingen alleen door
Tabel 2. Aandeel van de uitvoer in % van de totale werelduitvoer, 1929-1938
Duitsl. Ver.Kon. Belgie Frankr.

1929 9,2
1930 10,8
1931 12,1
1932 10,7
1933 9,9
1934 8,6
1935 8,8
1936 9,1
1937 9,2
1938 9,4

10,8
10,5
9,4
10,1
10,4
10,5
10,7
10,4
9,9
10,2

2,7
2,7
3,4
3,2
3,3
3,3
3,0
3,1
3,3
3,2

6,0
6,3
6,3
6,1
6,2
6,2
5,3
4,4
3,7
3,9

Nl.

Nl.lnd.

VS

2,4
2,6
2,8
2,7
2,5
2,5
2,3
2,3
2,4
2,5

1,8
1,8
1,6
1,8
1,6
1,7
1,6
1,6
2,0
1,6

15,8
14,3
12,6
12,4
10,9
11,0
11,5
11,4
12,7
13,6

Bran: Societe des Nations, Annuaire Statistique de la Societe des Nations
1937/38 en 7939/40.

de valutapolitiek verklaard kunnen worden. Hoewel ikgeen
enkele reden neb om aan de juistheid van deze cijfers te
twijfelen ben ik minder zeker van de conclusie. Bovendien
lijkt het me logischer om de uitvoercijfers van een land te
relateren aan de totale werelduitvoer. Voor Nederland en
zijn zes belangrijkste handelspartners leidt dat totde in tabel 2 vermelde uitkomsten3. Commentaar:
– afgaande op deze cijfers zou men zeggen dat de tendens
in deze jaren in Nederland nauwelijks en in Belgie niet ongunstig is geweest. Opvallend is de daling van het Franse aandeel in de werelduitvoer. Het is uiteraard mogelijk
dat dit te wijten was aan het feit dat Frankrijk tot de laatste
landen behoorde die in de jaren dertig de gouden standaard vetlieten. Dit verschijnsel kan ook als argument worden aangevoerd voor de door P.W. Klein in het begin van
de jaren zeventig geponeerde gedachte dat landen met
een grotere agrarische sector op structurele gronden
zwaarder door de depressie getroffen werden4;
– wie van mening is dat het verloop der wisselkoersen een
belangrijke rol speelt bij de verklaring van de ontwikkeling van het aandeel der verschillende landen in de totale werelduitvoer zou op grand van de munteenheid een
betrekkelijk grote correlatie tussen de cijfers voor Nederland en Nederlandsch-lndie mogen verwachten. Welnu,
voor deze periode luidt de uitkomst r = -0,002;
– opvallend zijn ook de relatief grote veranderingen in de
jaren 1929-1931, toen de grootste onrust aan het valutafront nog komen moest.

De nadere analyse van de Nederlandse uitvoer
Een analyse op jaarbasis van de ontwikkeling van de Nederlandse uitvoer, gesplitst per land van bestemming en per
goederencategorie, is in het kader van een artikel aan tamelijk drastische beperkingen onderhevig. Daarom zijn alleen
de uitvoercijfers naar de belangrijkste zes uitvoerbestemmingen onderzocht. Dat zijn in deze periode exact dezelfde landen waarvoor eerder gegevens ten tonele werden gevoerd.
In de jaren 1929-1937 bedroeg het gemiddelde aandeel van
deze landen in de totale waarde van onze uitvoer ruim 71 %.
De volgende stap in de analyse hield in dat voor ieder jaar
in de periode 1929-1937, voor de bovengenoemde zes uitvoerbestemmingen in de Nederlandse handelsstatistiek de
waarden en hoeveelheden van de tien goederensoorten
werden opgezocht waarvan in 1929 de totaalwaarcten het
hoogst waren. Alleen het exportpakket naar de VS veranderde sindsdien zodanig dat bepaalde goederensoorten die in
1929 nog tot de tien belangrijkste behoorden in latere jaren
van te verwaarlozen betekenis waren. Desalniettemin werd
het pakket constant gehouden, omdat mag worden aangenomen dat het algemene beeld daardoor nauwelijks bei’nvloed, laat staan geflatteerd wordt. De waarde van de betreffende goederensoorten was in deze periode gemiddeld 53%
van de totale Nederlandse exportwaarde.
Om te onderzoeken welke invloed veranderingen in de
wisselkoersen gespeeld kunnen hebben bij het verloop van
de uitvoer van de belangrijkste goederensoorten naarde zes
uitvoerbestemmingen, moeten de gegevens zodanig bewerkt worden dat een onderscheid kan worden gemaakt tussen volume- en prijsmutaties. Aan prijsmutaties zal verder
geen aandacht worden besteed, ondanks de grote beteke3. Societe des Nations, Annuaire Statistique de la Societe des Nations 1937/38, biz. 224-225, respectievelijk 1939/40 biz. 188-189,
Geneve, 1938 respectievelijk 1940.

4. P.W. Klein, Depressie en beleid tijdens de jaren dertig, Kanttekeningen bij de ontwikkeling van de Nederlandse volkshuishouding in de jaren dertig, in: J. van Herwaarden (red.), Lot der Historie, Opstellen over geschiedenis en maatschappij, Rotterdam,
1973, biz. 317-322.

ff-ESB 18-1-1989

61

Tabel 3. Nederlandse uitvoer naar de zes belangrijkste
handelspartners, 1929-1937. Bedragen in miljoenen guldens in prijzen van 1929
Duitsl. Ver.Kon. Belgie Frankr. Nl.-lnd. VS
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
1937

totaal

267,4
254,2
213,6
190,8
157,3
171,5
122,7
106,6
135,9

859,4
835,6
768,0
582,8
511,8
510,4
500,8
539,6
659,9

247,7
262,6
263,4
183,6
171,3
179,5
200,8
232,9
248,1

104,1
98,3
106,3
85,9
76,2
63,7
62,3
66,9
69,6

62,7
82,2
84,0
66,1
60,0
48,1
38,9
45,2
54,2

137,6
107,5
79,6
39,9
23,1
28,4
32,9
51,9
105,4

39,9
30,8
21,1
16,5
23,9
19,5
43,2
36,1
46,7

Bron: berekend op basis van Societe des Nations, Annuaire Statistique de
la Societe des Nations 1937/38 en 1939/40.

nis ervan in het begin van de jaren dertig . Dit is gebaseerd
op de gedachte dat een achteruitgang van de concurrentiepositie zich vooral zal manifesteren door een daling van de
uitgevoerde hoeveelheden. Per land van bestemming zijn
voor alle goederensoorten voor de jaren 1930-1937 de hoeveelheden in waarden omgerekend op basis van de in 1929
in de handelsstatistiek gehanteerde waarde per volume-eenheid. Dat leidttot de in label 3 vermelde resultaten.
Alvorens bovenstaande cijfers van commentaar te voorzien moet worden stilgestaan bij de vraag of het verloop van
het totale volume van de uitvoer er in voldoende mate door
gerepresenteerd wordt. Daartoe zijn de jaarlijkse procentuele mutaties van beide reeksen vergeleken6. De correlatiecoefficienlblijklO,97lebedragen. In de jaren 1931-1935 vertonen de totaaluitkomsten van de geselecteerde landen een
minder gunstige ontwikkeling dan de cijfers van het volume
van de gehele export. Om deze redenen en omdat in 1935
een dieptepunt werd bereikt, meen ik dat de hier gepresenteerde reeksen geen geflatteerd beeld geven en zonder
meer bruikbaar zijn voor een onderzoek van de vraag in hoeverre onze uitvoer nadeel heeft ondervonden van de late devaluatie van de gulden.Allereerst is het interessant om per
land van bestemming de totale daling van het volume van
onze export in de jaren 1929-1936 te bezien. Zie label 4.
Ruim 50% van de daling komt voor rekening van Duitsland. In zijn eerste arlikel slelde Van Zanden op begrijpelijke gronden dal de wisselkoers van de Duilse mark vanaf 1931 eigenlijk geen zinvolle informalie meer geeft over
de relatieve concurrentieverhoudingen7. Maar de zware
klappen die onze export naar Duilsland in deze periode
heeft moelen incasseren, rechlvaardigen een nader onderzoek naar deze kweslie. De resultaten daarvan komen
hierna nog aan de orde. Op deze plaats beperk ik me lol
de opmerking dat de wisselkoersen van de rijksmark ten
opzichte van de gulden een volslrekl ondergeschikle rol in
de debacle lijken te hebben gespeeld.
De uitvoer naar Nederlandsch-lndie heeft in de jaren
1929-1933 een dramatische achleruilgang vertoond. De daling was voor een belangrijk deel le wijten aan een sterk verminderde vraag naar Nederlandse textielprodukten. De con-

juncluurdaling, die in Indie overigens eerder begonnen was
dan in hel moederland, droeg ertoe bij dat de Indonesische
bevolking een voorkeur kreeg voor de goedkopere Japanse
invoergoederen. Vanaf eind 1931 zal deze tendens zonder
Iwijfel nog bevorderd zijn door de nogal drastische koersdaling van de yen. Het was bijzonder moeilijk voor de Nederlandse regering om hieraan iets le doen, le meer daar een
devalualie van de Nederlandse gulden ten opzichte van de
Indische gulden volkomen ondenkbaar zou zijn.
De daling van de Nederlandse uitvoer naar Belgie en
Frankrijk zetle pas duidelijk in vanaf 1931. Afgaande op het
aandeel van onze import in de tolale import van deze landen
mag geconcludeerd worden, dal deze andere leveranciers
gingen prefereren8. Omdal Belgie pas in 1935 en Frankrijk
in 1936 de gouden slandaard verlielen en de relalief kleine
achleruilgang vooral in de daaraan voorafgaande jaren
plaalsvond, is deze onlwikkeling niel nader onderzochl.
De zeer scherpe achteruitgang van de uitvoer naar Engeland in 1932 zal zeker in belangrijke mate een uilvloeisel zijn
geweesl van de val van gemiddeld ruim 24% van het pond
sterling in hel voorafgaande najaar. Daamaasl moet erevenwel rekening mee worden gehouden dat in 1932 het stelsel
van de z.g. ‘imperial preference’ werd ingevoerd. Dil hield
een nadeel in voor produklen die afkomsfig waren van builen hel Brilse Gemenebest. De bescheiden koersdalingen
van het pond ten opzichte van de gulden in 1934 en 1935
waren kennelijk geen belemmering voor een gunslige ontwikkeling van onze (gedeeltelijk gesubsidieerde) export naar
Engeland. Deze bestond evenals de uitvoer naar Duilsland
voor een grool deel uit agrarische produkten.
Hel volume van de Nederlandse uilvoer naar de Verenigde Staten bereikle in 1932 een dieptepunt. Daarna volgde,
weliswaar met horten en stolen, een herstel dat er al mel
al mochl wezen. Dil kon plaalsvinden ondanks hel fell dal
Roosevell de dollar van april 1933 tol januari 1934 lot bijna 41% beneden de goudpariteil liel dalen.

Het geval Duitsland
Eerder in dil beloog werd gesleld dal de koersverhouding rijksmark/gulden nauwelijks als verklaring kan fungeren voor de draslische daling van hel volume van onze uilvoer naar Duilsland. De vraag moel daarom aan de orde
komen welke die verhouding was.
De financiele crisis in Duilsland in juli 1931 noodzaakle de
Duilse regering de gouden slandaard le verlalen. Tot een devalualie van de rijksmark wensten de aulorileiten evenwel
niet over le gaan omdal een waardevermindering van de
munteenheid herinneringen zou oproepen aan de ellendige
inflatieperikelen van nog geen tien jaren tevoren9. Omdal de
grole builenlandse schulden in vreemde valula’s luidden,
zou dal bovendien minder aanlrekkelijk zijn geweesl. Daarnaasl was er een overschol op de lopende rekening van de
belalingsbalans. De maatregelen waren dan ook in eerste inslantie bedoeld om kapitaalvluchl legen le gaan. Daartoe
werd een stelsel van deviezenreglemenlering ingevoerd.
Een uileenzetting over dit stelsel en de lalrijke verfijningen
die in de loop der jaren in daf sysleem werden aangebrachl
5. De prijsmutaties kunnen in verscheidene of in mindere mate

Tabel 4. Totaal over de periode 1929-1936 van de daling
van het uitvoervolume naar de zes belangrijkste handelspartners. Bedragen in miljoenen guldens

met de depreciaties der verschillende valuta’s samenhangen. Dit
is afhankelijk van de wijze waarop de prijzen der in- en uitvoerprodukten tot stand komen en gefactureerd worden. Hierbij spelen
marktverhoudingen een rol.

Duitsland.

Ver. Kon.

Belgie

Frankrijk.

Nl.-lndie

VS

160,8

14,8

37,2

17,5

85,7

3,8

6. Omdat in de door Van Zanden besproken CBS-publikatie de uitvoer van diensten is inbegrepen, is gebruik gemaakt van cijfers
van A. Maddison, Groeifasen van het kapitalisme, Utrecht/Antwerpen,1982, biz. 326-327.
7. J.L. van Zanden, ESB, jg. 73,1988, biz. 176.
8. Idem, biz. 177.
9. R.F. van Lier, Duitschland als debiteurland, ESB, jg. 17, 1932,
biz. 910-913.

Bron: berekend op basis van Societe des Nations, Annuaire Statistique de
la Societe des Nations 1937/38 en 1939/40.

62

zou hier veel te ver voeren10. Met is echter nodig te vermelden dat er verschillende soorten marken ontstonden welke
in twee hoofdgroepen kunnen worden onderscheiden:
– vrije marken, waarvan de koers praktisch overeenkwam
met de vroegere goudpariteiten;
– z.g. ‘Sperrmarken’, dat wil zeggen tegoeden in rijksmarken die slechts onder bepaalde voorwaarden convertibel waren.
Met was logisch dat deze laatste in het buitenland tegen
een lagere waarde verhandeld werden dan de vrije marken. Maar afgaande op de vele literatuur hebben de Sperrmarken in de Nederlands-Duitse handel in deze jaren nauwelijks enige betekenis gehad11. Dit betekent dat de koers
van de vrije, dat wil zeggen niet-gedeprecieerde mark, als
maatstaf moet worden gehanteerd voor een beoordeling
van de concurrentiepositie van Duitsland. Het mag dan ook
geen verbazing wekken dat de auteurs over dit onderwerp
unaniem van mening zijn dat de rijksmark in deze jaren een
overgewaardeerde munteenheid was12.
Deze laatste factordroeg ertoe bij dat de uitvoer van Duitsland zich betrekkelijk ongunstig ontwikkelde en de
deviezenschaarste steeds nijpender werd. In de zomer van
1934 raakte ook de financiele afwikkeling van de handel met
Nederland in het gedrang. Na diverse onderhandelingen
kwam er later in het jaar een clearingverdrag tussen beide
landen. Dit hield onder andere in dat de Nederlandse exporteurs voor hun afzet in Duitsland guldens ontvingen uit een
fonds dat voor een belangrijk deel gealimenteerd werd door
stortingen van importeurs van Duitse goederen in ons land.
Afgaande op de passieve handelsbalans van Nederland ten
opzichte van Duitsland zouden deze laatste bedragen voldoende moeten zijn om de vorderingen van de exporteurs te
dekken. Dit was echter niet het geval, omdat ook nog de afwikkeling van achterstallige vorderingen, de handel tussen
Nederlandsch-lndie en Duitsland (die een actieve balans
voor Indie opleverde) en transacties in de diensten- en kapitaalopbrengstensfeer via de clearing liepen. Er ontstond een
achterstand in de clearing welke de Nederlandse regering
meende te moeten terugdringen door betalingscontingenten
voor de uitvoer naar Duitsland in te stellen. Exporteurs die
voor hogere bedragen dan de vastgestelde contingenten wilden uitvoeren, kregen voor het surplus geen guldens, maar
weinig aanlokkelijke tegoeden in Sperrmarken.
De meest voor de hand liggende remedie om de clearingachterstand – en daarmede de belemmering van de export – weg te werken zou een vergroting van onze invoer
uit Duitsland zijn geweest. In een artikel in ESB in begin
1935 stelde de bankier C.A. Klaasse dan ook voor dat de
Nederlandse uitvoer naar Duitsland het meest gediend zou
zijn met een devaluatie van de clearingkoers van de mark
welke praktisch overeenkwam met de koers van de nietgedeprecieerde vrije mark14. Een paradoxale situatie: om
de uitvoer te stimuleren zou een relatieve appreciate van
de eigen munteenheid moeten plaatsvinden.
Nu de late devaluatie van de gulden niet meer als de verklaring voor de aanzienlijke vermindering van onze uitvoer
naar Duitsland kan worden gehanteerd, blijft de vraag aan
welke factoren die daling dan wel te wijten is geweest.
Naast de moeilijke deviezensituatie die in het voorgaande
al genoemd werd, kunnen in min of meer chronologische
volgorde worden genoemd:
– de conjunctuur: Duitsland werd betrekkelijk vroeg door
de depressie getroffen, die in dit land een uitgesproken
zwaar karakter heeft gehad;
– protectionisme in het algemeen en agrarisch protectionisme in het bijzonder. Aan het einde van de jaren twintig werden de invoerrechten reeds verhoogd omdat de
politici tot het inzicht waren gekomen dat Duitsland alleen zijn buitenlandse schulden uit hoofde van de herstelbetalingen en de kapitaalinvoer in de voorafgaande

ESB 18-1-1989

jaren zou kunnen aflossen indien de tekorten op de lopende rekening van de betalingsbalans werden omgezet in overschotten. De Nederlandse uitvoer naar Duitsland, die voor een belangrijk deel uit agrarische produkten bestond, werd extra gedupeerd doordat de noodlijdende landbouw in dat land speciale bescherming wist
te verkrijgen. Zo werden in 1932 onze exporteurs getroffen door verhogingen van de invoerrechten en een aantal contingenteringsmaatregelen. In volgende jaren werd
deze tendens door de Nazi-politiek bevorderd omdat er
op grand van strategische overwegingen naar gestreefd
werd ten aanzien van de voedselvoorziening zo onafhankelijk als mogelijk van het buitenland te zijn. In 1933
verkondigde Hitler dat het Duitse Rijk een boerenrijk zou
moeten zijn of anders ten onder zou gaan15. Wat dit althans betreft hebben de feiten hem in het gelijk gesteld;
– een herorientering van de landen van herkomst en bestemming van de Duitse handel: hiermee beoogden de
nieuwe machthebbers de invoer van noodzakelijke grondstoffen bij een mogelijke oorlog veilig te stellen. Het resultaat van dit beleid was dat het aandeel van West-Europa
en de VS in de Duitse in- en uitvoer aan het einde van de
jaren dertig duidelijkafgenomen was16. Deze politiek werd
mogelijk door een drastische verscherping van de deyiezenreglementering vanaf September 1934. Sindsdien
moesten Duitse importeurs voor alle individuele transacties toestemming aan controlerende instanties vragen. Op
deze wijze werden de beperkingen, die aanvankelijk
slechts monetaire achtergronden hadden, omgesmeed tot
een instrument van handelspolitiek.

Conclusies
Het economisch herstel zette in Nederland in de jaren dertig bepaald aan de late kant in. Een nadere analyse van de
volume-ontwikkeling van de belangrijkste uitvoerprodukten
per land van bestemming leert echter dat ook andere factoren dan de wisselkoerspolitiek van de regering een belangrijke rol hebben gespeeld. Dit moge blijken uit het herstel van
onze uitvoer naar Engeland, ondanks de depreciatie van het
pond sterling, en de drastische achteruitgang van de export
van met name de landbouwprodukten naar Duitsland met
zijn door kunstgrepen overgewaardeerde munteenheid.
Deze feiten tonen wellicht aan dat er geen tijdvak is waarvoor in zo sterke mate de uitspraak van S. Posthuma geldt
dat er in de internationale economische betrekkingen een
meer dan normale kloof gaapt tussen de theorie en de werkelijkheid17.

W.L. Korthals Altes
10. zie: H. van Capelle, Economie en buitenlandse handel in nationaal-socialistisch Duitsland, Assen, 1978 en voor Nederland in

het bijzonder: Beknopte beschrijving van regelingen op het gebied
van het internationale betalingsverkeer, in: Verslagen en Mededeelingen van de Directie van Handel, Nijverheiden Scheepvaart,
jg. 1936, no. 1, Den Haag.
11. Bij voorbeeld: Van Capelle, op. cit., biz. 44 en 46.

12. Zie bij voorbeeld H.M. Hirschfeld, Herinneringen uit de jaren
1933-1939, Amsterdam/Brussel, 1959, biz. 175 en Van Capelle,
op. cit., biz. 42.
13. F.A.G. Keesing, De conjuncturele ontw/kkeling van Nederland

en de evolutie van de economische overheidspolitiek 1918-1939,
(herdr.) Nijmegen, 1978, biz. 218.
14. C.A. Klaasse, De markenkoers en onze Duitsche import, ESB,
jg. 20, 1935, biz. 67.
15. Economische toestand van Duitschland in 1934, in: Economische verslagen van Nederlandse diplomatieke en consulaire ambtenaren, jg. 29, 1935, No. 1, biz. 8.
16. K. Hardach, Wirtschaftsgeschichte Deutschlands im 20.
Jahrhundert, Gottingen, 1976, biz. 87.
17. J. Kymmell, De ontwikkeling van het internationale betalingsverkeer, in: S. Posthuma (red), Capita selecta der economie, Leiden, 1950, deel XIII.

63

Auteur