Ga direct naar de content

Musea tussen overheid en particulier initiatief

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 30 1998

Musea tussen overheid en particulier initiatief
Aute ur(s ):
Scholten, T. M. (auteur)
De auteur vervult verschillende b estuurs- en adviesfuncties bij b edrijven en in de kunstsector, waaronder het voorzitterschap van de commissie
van toezicht van de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Ve rs che ne n in:
ESB, 83e jaargang, nr. 4172, pagina 779, 16 oktober 1998 (datum)
Rubrie k :
Tre fw oord(e n):
kunst, cultuur

Musea verlangen meer overheidsgeld voor aankopen, maar het belang van particuliere financiering neemt ondertussen gestaag toe.
Musea doen er goed aan zich op deze financieringsbron te richten.
De meeste bekende Nederlandse musea zijn ontstaan op initiatief van particulieren; de meeste collecties zijn geschonken door
particulieren, die soms ook de gebouwen gaven. Na de oorlog werden de musea in ons land een zaak van de overheid. De inkomens- en
vermogensverhoudingen lieten geen andere keus en de overheid wilde wel. De mecenassen – zo is wel eens gezegd – waren zelf
hulpbehoevend geworden. Het aldus gegroeide museale bestel is sterk onder kritiek komen te staan.
Een aantal jaren geleden gaf de Rekenkamer een onthullend beeld over het beleid, vooral in zakelijk opzicht, van de Rijksmusea. Minister
Brinkman (van wat toen WVC heette) die zich daarvoor in de Kamer moest verantwoorden, deed er nog een schepje bovenop. Inmiddels
zijn de Rijksmusea en enkele aanverwante instellingen verzelfstandigd in stichtingen.
Dit privatiseringsproces is niet alleen maar ingezet omdat het mislukken van het centralistische beheer door de Rijksoverheid niet meer
viel te ontkennen. Er zijn naast negatieve ook positieve overwegingen. De erkenning van de onmacht van de overheid gaat gepaard met
de terugkeer, ook in deze sector van de samenleving, van het besef dat initiatief en beheer in geprivatiseerde kaders betere kansen
krijgen.
Ook in ander opzicht zijn de grenzen voor de overheid scherper in het zicht gekomen, duidelijker voelbaar geworden. De rek bij de
overheidsfinanciën is niet onbeperkt, maar ook de legitimatie van overheidsoptreden op dit gebied staat ter discussie. Is het wel goed
voor de kunst als de overheid de keuzen maakt? Zijn de criteria houdbaar? Is het gewenst, is het nodig, bij de huidige inkomensniveaus,
juist dit gedeelte van de consumptie zo zwaar te subsidiëren? Komen die subsidies niet vooral bij de beter gesitueerden terecht?
Vervullen de musea in het huidige bestel hun taken optimaal?
Zelfs aan degenen die geneigd zijn deze aarzelingen te delen, moet het duidelijk zijn dat instituten en verhoudingen die in tientallen jaren
zijn gegroeid, niet zomaar kunnen worden beëindigd. Het massaal en snel terugtreden van de overheid zou niet minder dan een ramp zijn
op het terrein van de cultuur. Maar het proces van verandering, verschuiving, is onmiskenbaar en onomkeerbaar.
Financiering van aankopen: een onderzoek
Af en toe komen deze spanningen tot een zekere ontlading. Momenteel speelt de discussie over de aankoopbudgetten van musea. De
‘museumwereld’ beklaagt zich: de structurele aankoopbudgetten zijn sterk achtergebleven bij de prijsontwikkeling in de kunst en bij wat
elders gebeurde (d.w.z. in andere sectoren van de samenleving of in het buitenland) en dienen (dus) drastisch te worden verhoogd 1. Een
deel van de munitie werd ontleend aan het rapport Aankoopbudgetten van Nederlandse musea van het Instituut voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven, dat eind vorig jaar verscheen.
Het IOO-rapport geeft blijk van een gedegen aanpak. Het onderzoek werd langs twee lijnen ingesteld. Er wordt een macro-beeld
geschetst aan de hand van CBS gegevens voor de (81) grootste musea over de periode 1985-1995, aangevuld met informatie verkregen
uit een schriftelijke enquête onder dezelfde groep musea. Daarnaast zijn er, bij wijze van micro-benadering, case-studies verricht bij een
achttal musea van verschillend karakter.
De verwervingsmogelijkheden van musea ontstaan uit drie bronnen:
» de structurele (jaarlijkse) aankoopbudgetten. Deze bedroegen in de tienjaars periode 1985-1995 ƒ 10 mln.
» de incidentele aankoop-budgetten (bijv. verstrekt ter financiering van de verwerving van een bijzondere Rembrandt of Hobbema). In
tien jaar bedroeg deze bron Æ’ 28 mln.
» de alternatieve verwervingsmogelijkheden (schenkingen, legaten en bruiklenen). De musea schatten de waarde hiervan op ƒ 58 mln.

Tezamen bedroegen de aankoopbudgetten dus Æ’ 96 miljoen. Het Rijk en de lokale overheden nemen elk ongeveer een derde van de totale
financiering van aankopen (structurele en incidentele, samen Æ’ 38 mln) voor hun rekening. Het resterende derde deel komt grotendeels uit
de categorie ‘vriendenverenigingen en steunstichtingen’.
De structurele aankoopbudgetten zijn in de periode 1985-1995 in nominale termen bij de meeste musea constant gebleven en
achtergebleven bij de ontwikkeling van de exploitatie-uitgaven. Bedenk daarbij ook dat de prijsstijging van museale objecten weliswaar
grillig verliep (tot 1990 trad er een sterke stijging op, daarna heeft een substantiële neerwaartse correctie van het prijsniveau
plaatsgevonden), maar in elk geval het inflatiepercentage ruimschoots overtrof. Een stijging van de aankopen konden de musea
zodoende alleen realiseren met de incidentele financiering 2.
Grote onderlinge verschillen
Deze getallen voor alle musea tezamen bieden maar een beperkt inzicht, omdat er grote verschillen zijn tussen de verschillende (typen)
musea. Zo geldt bijv. de bovenvermelde conclusie over het gelijk blijven van de structurele aankoopbudgetten niet voor de musea voor
moderne kunst en voor natuur(historie); daar stegen die budgetten. Uitsplitsing naar categorie levert weinig additionele informatie omdat
er van elk type slechts een beperkt aantal in de statistieken voorkomt; incidentele factoren en statistische vertekeningen hebben een
verstorende werking.
De enquête bij de tachtig grootste musea bevestigt de grote onderlinge verschillen. Circa 55% van de totale structurele
aankoopbudgetten komt terecht bij 10% van de musea. Bij de incidentele financiering krijgen 10% van de musea zelfs 75% van het totale
bedrag. En nog schever is de verdeling van de derde bron: circa 10% van de onderzochte musea is samen goed voor 85% van de
alternatieve verwervingen.
Het IOO rapport geeft met zijn vele, terechte relativeringen, uiteindelijk weinig houvast over de vraag of de musea in hun collectieuitbreiding beknot zijn geworden.
Wel blijkt er o.a. uit
» dat bij een aantal musea de structurele budgetten sec gelijk zijn gebleven;
» dat de andere twee verwervingsbronnen samen kwantitatief 8 à 9 maal zo belangrijk zijn als de structurele;
» dat de grootste musea er het beste af komen;
In het begin van dit artikel werd de verschuiving geschetst van overheid naar particulier bestel op het terrein van de cultuur. De
conclusies uit het IOO-rapport lijken deze tendens enigszins te bevestigen. De schenkingen (uit particuliere bron) blijken de grootste
verwervingsbron en de sterkste marktpartijen komen er het beste af: zij slagen er in het leeuwendeel van de totale incidentele
aankoopfinanciering (die, zoals hierboven vermeld, bijna driemaal zo belangrijk is als de structurele) naar zich toe te halen en domineren
nog sterker bij de schenkingen van particulieren.
Particuliere middelen
Het onderzoek wijst uit dat schenkingen van particulieren in de laatste jaren de voornaamste bron van museale collectie-uitbreiding
vormen. Hoe komt dat, wat is er momenteel in de particuliere sector gaande?
» Loterijen en toto’s leveren steeds meer geld op. De groei van de Nationale Postcode Loterij (NPL) heeft de beneficianten ervan, zoals
de Novib en Natuurmonumenten, een inkomstenbron van onverwachte omvang opgeleverd. Recentelijk is de wat zieltogende Sponsor
Loterij overgenomen door de NPL; het is te verwachten dat de opbrengsten van de Sponsor Loterij door het nieuwe management naar
een andere orde van grootte zullen stijgen. Een van de ‘partijen’ die hier van gaat profiteren is de cultuursector; de eerste ‘deal’ is al met
een viertal musea gemaakt. Er is al enige tijd een loterij, speciaal voor de kunstsector, in aantocht. De recente ervaring in Engeland laat
zien hoe belangrijk zo’n nieuwe bron voor musea kan zijn. De discussie gaat vooral nog over de vraag aan wie de concessie voor deze
kunstloterij zal worden verleend; de Staatsloterij en de NPL zijn de voornaamste kandidaten.
» In de laatste tien jaar zijn uiterst omvangrijke bedragen beschikbaar gekomen, ook voor de cultuursector, uit enkele nieuwe door
bedrijven gestichte fondsen. De jaarlijkse potentie van alleen de VSB Fondsen overtreft, naar mijn inschatting, het budget van het Prins
Bernhard Fonds, de Mondriaan Stichting en de Vereniging Rembrandt bij elkaar.
» Er zijn de laatste jaren een groot aantal kleinere, maar geenszins onbelangrijke zogenaamde Fondsen op Naam gesticht. Bij vele van
deze fondsen is het beheer toevertrouwd aan het Prins Bernhard Fonds. Een indicatie: het PBF beheert thans 56 van deze fondsen met
een totaal vermogen van Æ’ 53 mln;
» Er komen steeds meer rijke particulieren en er komen steeds meer particuliere verzamelaars. De ervaring – in vele tijden en in vele landen
– leert dat ettelijke van die collecties in musea terecht komen. Er zijn in het laatste decennium ook verschillende particuliere musea
gesticht, zoals de Pont/Tilburg, van der Togt/Amstelveen, Beelden aan Zee/Scheveningen, de Buitenplaats/Eelde.
» Last but not least. Kort geleden heeft de Nederlandse Bank bekend gemaakt een bedrag van ƒ 110 miljoen te storten in het door de
Vereniging Rembrandt gestichte Nationale Aankoopfonds. Tachtig miljoen uit dit fonds is gebruikt om de Victory Boogie Woogie van
Mondriaan aan te kopen ten behoeve van het Gemeentemuseum in Den Haag.
Strategie voor musea

Het door het IOO verzamelde materiaal is voldoende om te concluderen dat er hier en daar achterstanden zijn ontstaan in de
aankoopbudgetten van musea. Terwijl de overheidsbudgetten stagneren, lijkt de particuliere sector meer mogelijkheden te bieden. Is de
particuliere sector dan een voor elk museum toegankelijke, consistente en veilige bron? Was het maar waar. Duidelijk is, dat ook in de
particuliere sector de grote musea bijna altijd de beste papieren hebben. Ook, want bij de verdeling van de Rijkssubsidies voor aankopen
krijgen de grote musea thans eveneens meer dan de andere. Bij veel steun uit de particuliere sector, bijv. sponsoring door bedrijven,
heeft men een voorkeur voor musea met hoge bezoekersaantallen. Nu is daarvoor niet alleen de grootte van belang, maar ook de locatie.
Wat de locatie betreft heeft Amsterdam nog altijd veruit de beste troeven. De Van Gogh collectie van het Kröller-Müller museum is
volgens kenners vast niet minder dan die van het Van Gogh museum, maar in Amsterdam komen véél meer bezoekers dan in Otterlo.
Maar ook het management is van invloed. Dat bleek uit de metamorfose bij het Van Gogh Museum toen Ronald de Leeuw er de leiding
kreeg. En dat wijst er op dat hier ook voor kleine musea kansen liggen. Zo blijkt uit de case-studies in het IOO-rapport dat het Haags
Historisch Museum een actief en succesvol beleid voert m.b.t. de verwerving van schenkingen.
Beleid van de overheid
De ontwikkelingen in de particuliere sector van de cultuur moeten invloed hebben op het beleid van de overheid. Misschien niet zozeer
op de omvang van de budgetten, dat is een politieke vraag waar politieke personen en organen over moeten beslissen. Maar wel zal het
overheidsbeleid voor de museale aankopen op enkele punten moet veranderen:
» er zal er een hoger bedrag voor structurele aankoopsubsidies moeten worden uitgetrokken, desnoods ten koste van de incidentele;
» de overheid dient, omdat de particuliere sector uit ‘bedrijfsbelang vooral bij de grote musea zal aansluiten, meer aandacht te geven dan
thans aan kleinere musea; daarbij
» is, binnen die categorie, enig respect voor de markt niet ongepast, zoals die met name in bezoekersaantallen tot uitdrukking komt;
» tevens verdient het aanbeveling bij de toedeling van aankoopsubsidies een breder kwaliteitscriterium te hanteren dan thans gangbaar
is; van belang is nl niet alleen het collectiebeleid in een museum, maar ook wat er met die collecties gedaan wordt; aldus zou ook meer
recht worden gedaan aan de internationaal aanvaarde definitie van een museum, te weten: een museum is een permanente instelling ten
dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die de materiële
getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor
doeleinden van studie, educatie en genoegen.
Voorts geldt in het algemeen dat ernst moet worden gemaakt met het doortrekken van de maatschappelijke tendensen m.b.t. privatisering
en decentralisatie. Het moet meer aan de musea zelf overgelaten worden hoe zij hun aankoopsubsidies wensen te besteden. Bij de
concessieverlening voor een kunstloterij kan men eerder aan een gekwalificeerde particuliere instelling denken dan aan een
overheidsinstelling. En het beheer over een met overheidsmiddelen gesticht nationaal aankoopfonds kan liever worden toevertrouwd
aan een gekwalificeerde particuliere instelling dan aan een overheidslichaam; de keuze van De Nederlandse Bank voor de particuliere
Vereniging Rembrandt is een signaal.
De nieuwe staatssecretaris voor cultuur zal in deze beslissingen een belangrijke stem hebben. Hij is socialist en economist met respect
voor de werking van de markt. Hij geldt als onconventioneel. Hem wacht een interessante uitdaging. Bij de presentatie van de Victory
Boogie Woogie gaf hij te kennen ernst te willen maken met de vorming van het nationale aankoopfonds; een bemoedigend geluid!

Cultuurfondsen in Nederland
De Vereniging Rembrandt of Nationaal Fonds Kunstbehoud, gesticht in 1883, is een particuliere instelling met als doel “het
behouden van kunstschatten voor Nederland en het vermeerderen van het openbare bezit aan kunstschatten in Nederland”.
Elk jaar worden, voor een totaalbedrag van
f 1 à f 2 miljoen, een aantal musea ondersteund bij hun kunstaankopen. De inkomsten van de VR bestaan in hoofdzaak uit
een bijdrage van het Prins Bernhard fonds en uit contributies van de leden;
Het doel van de Mondriaan stichting is “het bevorderen van de ontwikkeling van de beeldende kunsten en vormgeving en het
bevorderen van de kwaliteit van museale activiteiten”. Ondersteund worden 1) museale activiteiten, waaronder aankopen, 2)
projecten en publicaties en 3) activiteitenprogramma’s van kunstenaarsinitiatieven. De primaire functie van de MS is die van
verdeelstation van gelden van de Rijksoverheid. In 1997 werd in totaal ruim f 23 miljoen besteed, waarvan f 4,8 miljoen voor
behoud van collecties en f 3,8 miljoen voor museale aankopen.
De Stichting Prins Bernhard Fonds stelt zich ten doel “activiteiten op het gebied van de cultuur en het natuurbehoud in
Nederland te bevorderen, alsmede de Nederlandse cultuur buiten Nederland uit te dragen”. Het PBF werkt met een landelijk
bureau en 15 Anjerfondsen, waarvan 12 provinciale en 3 in de grootste steden. De bestedingen beliepen in 1997 bijna f 29
miljoen. De inkomsten komen in hoofdzaak uit de Algemene Loterij Nederland, de Nationale Instant Loterij en de Nationale
Sporttotalisator.

1 Bijvoorbeeld in brieven aan de vorige staatssecretaris van de Nederlandse Museum Vereniging, de Vereniging van
Rijksgesubsidieerde musea, de Raad voor Cultuur, de Vereniging Rembrandt en de Mondriaan Stichting (zie kader).
2 De rapporteurs wijzen op een aantal factoren die het beeld uit het macro-onderzoek ernstig vertroebelen. De CBS gegevens leiden tot

een onderschatting van de museale aankopen in verband met de wijze van rapportage door de musea; daarin ontbreken bijv. de
aankopen door de zogenoemde steunstichtingen. Daarom is ook het beeld van de trendmatige ontwikkeling in die aankopen
onbetrouwbaar

Copyright © 1998 – 2003 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl)

Auteur