Ga direct naar de content

Monetair beleid

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 11 1981

Ingezonden

Monetair beleid
PROF. DR. H. W. J. BOSMAN

Met veel belangstelling heb ik het stuk
van collega Gans in ESB van 4 februari
1981 gelezen (,,Is het monetaire beleid
voor ‘s lands welvaart het meest dienstig?”). Het lijkt mij goed als het monetaire
beleid meer dan tot voor kort in de
publieke discussie wordt betrokken en
Gans’ betoog is daar een bijdrage toe.
Ik wil eerst ten aanzien van zijn mening
over artikel 9 van de Bankwet 1948 een
kanttekening maken. De schrijver concludeert ,,dat het parlement zich, samen
met de regering, een mening zal moeten
vormen over de vraag, welke rol het
monetaire beleid moet spelen bij het
dienen van de welvaart” (biz. 117, 2e
kolom). En ook ,,Regering en parlement
moeten inhoud geven aan het door De
Nederlandsche Bank te voeren beleid,
niet andersom” (biz. 116, le kolom).
Met de eerste opmerking ben ik het
eens. Ik geloof, dat het goed zou zijn als
de volksvertegenwoordiging zich meer
en intensiever met het monetaire beleid
zou bezighouden. Als men ziet, wat zoal
in het parlement ter sprake wordt gebracht, dan zou iets meer aandacht voor
een zo belangrijk onderdeel van het beleid niet misstaan. (Terzijde zij opgemerkt, dat er onder de Kamerleden ook
wel wat meer figuren met specifiek financie’le deskundigheid mochten zijn.) Maar
met de tweede hierbpven aangehaalde
opmerking van Gans ben ik het minder
eens: het zou betekenen dat de centrale
bank alleen uitvoerster zou zijn van het
door regering en parlement vastgestelde
beleid. Dat is een interpretatie van de
Bankwet, die ik in het licht van de wetgeving en de naoorlogse praktijk niet zou
willen steunen.
Ik begrijp artikel 9 zo, dat monetaire
zaken het specifieke terrein is van De
Nederlandsche Bank. Waarbij de minister van Financien uiteraard niet wordt
uitgesloten. Deskundigheid en afstand
van de politick van elke dag zijn de argumenten die voor deze oplossing pleiten 1).
Zolang de minister van Financien geen
aanwijzing ex artikel 26 van de Bankwet
geeft, kan ervan worden uitgegaan dat
de minister dit Bankbeleid steunt en is
hij er ook in de Kamer voor verantwoordelijk. Als Gans het hiermee eens is, dan
blijft over, dat hij een ander beleid voorstaat, dat zijns inziens meer rechtstreeks
250

,,voor ‘s lands welvaart het meest dienstig
is”.
Dan komen we dus in de normale discussie welk monetair beleid het beste is
en we zullen daar steeds weer met elkaar
over moeten praten, want dat De Nederlandsche Bank aan de ene of de andere
politick de voorkeur geeft, is natuurlijk
op zich zelf geen argument om die visie
te beamen.
De eigen voorkeur van Gans is mij
niet geheel duidelijk geworden. Enerzijds wil hij het bestaande financieringstekort van de overheid in meerdere mate
dekken door rechtstreekse leningen in
het buitenland, anderzijds wil hij het bestaande tekort vergroten door extra
woningen te financieren. Op zijn beurt
zou de staat dit moeten financieren door
in het buitenland geld op te nemen.
Dit laatste lijkt mij in ieder geval onjuist. Het financieringstekort zou nog
weer groter worden en de pijnlijke keuze
aan welke uitgaven de overheid en de
volkshuishouding werkelijk prioriteit
geven, wordt dan opnieuw verschoven.
Wat betreft het lenen voor het bestaande financieringstekort het volgende.
Er is natuurlijk niet zoveel verschil of
de overheid nu leent in het buitenland,
of dat buitenlanders inschrijven op
Nederlandse staatsleningen. Maar het
eerste zou al spoedig als een zeer elastisch financieringsmiddel worden gezien
dat alle limitering van de overheidsuitgaven illusoir zou maken. En ook al
doen andere landen het, dan is er structured geen reden voor een hoogontwikkeld aardgasexporterend land om een
blijvend tekort op de lopende rekening
en een blijvend hoog financieringstekort
van de overheid te vertonen. De afhankelijkheid van de OPEC-landen (die
langs allerlei intermediairs uiteindelijk
de kapitaalverschaffers zijn) zou verder
nog groter worden, naast de reeds bestaande olie-afhankelijkheid en dat lijkt
mij verre van verkieslijk. Voor het overige
verwijs ik naar het voortreffelijke artikel
van drs. P. Stek (ESB, 10 december 1980)
waarin onze monetaire en financiele
problematiek uitvoerig uit de doeken
is gedaan.
Zoekend naar het fundamentele verschil tussen prof. Gans en mij vond ik
dat in zijn zin ,,Wel zijn wij van mening

dat de monetaire autoriteiten zich in te
sterke mate geroepen voelen om een
tegenwicht te vormen tegen het falen
van de politici om de fundamentele
problemen aan te pakken” (biz. 117,
2e kolom).
Ik geloof inderdaad, dat het feitelijke
beleid zo kan worden gezien en wie de
brief van 19 december 1980 van de
directie van de Bank aan de minister van
Financien goed leest, zou tot de conclusie
kunnen komen dat dat tegenwicht nog
wel eens zwaarder zou kunnen worden.
Ik vind dat daar alles voor te zeggen is.
Als de diagnose niet wijst op een met
keynesiaanse methoden te bestrijden
conjuncturele teruggang, maar op een
structurele problematiek, dan mag worden verwacht dat regering en volksvertegenwoordiging hun keuze doen. Kunnen of willen zij dat niet doen, dan kan
van de monetaire autoriteiten niet worden verwacht, dat zij daarin berusten.
Integendeel: het is goed dat zij daarop
de aandacht vestigen en die keuze desnoods afdwingen. Als die keuze gedaan
wordt, zal de rente ook op een natuurlijke wijze kunnen dalen.
H. W. J. Bosnian

1) De Memorie van Toelichting op de Bankwet geeft aanknopingspunten voor een wat
minder grote zelfstandigheid van de Bank,
dat geef ik Gans toe. Maar men zal toch ook
met de gegroeide praktijk rekening moeten
houden.

Naschrift
Collega Bosman is het met mij eens
dat publiek en parlement zich intensiever
met het monetaire beleid moeten bezighouden dan thans het geval is. Toch zal
De Nederlandsche Bank volgens prof.
Bosman zelfstandig het beleid moeten
vastellen — een opinie waaromtrent de
geachte inzender in de voetnoot bij zijn
reactie overigens opmerkt dat deze
vooral gebaseerd is op de ,,gegroeide
praktijk” en minder op de Bankwet,
althans op de Memorie van Toelichting.
Hierbij teken ik aan dat het juist de bedoeling van mijn artikel is geweest aan
te tonen dat er een discrepantie is ontstaan tussen de intentie van de werkgever en de gegroeide praktijk, want de
wetgever heeft immers met zoveel woorden gesteld dat het vaststellen van het
monetaire beleid niet aan de circulatiebank kan worden overgelaten, maar een
kwestie van regeringsbeleid is. In de
tweede plaats merk ik op dat als De
Nederlandsche Bank werkelijk autonoom zou zijn bij het vaststellen van het
beleid, discussies in het parlement uitsluitend een vrijblijvend karakter zouden hebben, hetgeen ik een weinig bevredigende situatie zou vinden.
Behalve op de kwestie van de autonomie van De Nederlandsche Bank gaat
Bosman in op mijn opmerkingen inzake
de inhoud van het monetaire beleid.
Hierbij schrijft hij dat mijn eigen voor-

keur hem niet geheel duidelijk is geworden. Mijn visie is dat het monetaire
beleid zich in te sterke mate richt op de
stabilisatie van de waarde van de gulden
en dat hieruit een rentestand voortvloeit die nadelig is voor de werkge-

legenheid, voor de rendementspositie
van het bedrijfsleven en zelfs voor de
omvang van het financieringstekort van
de overheid. De primaire taak van de
Bank— het dienen van de welvaart —
kan aldus in het gedrang komen.
Prof. Bosnian verschilt met mij van
mening over de vraag of, als de politici
er niet in slagen de fundamentele problemen aan te pakken, De Nederlandsche Bank geroepen is dit te corrigeren.
Mijn stalling is dat, als de Bank dit ,,in
te sterke mate” doet, de gevolgen van
de onevenwichtigheden verergerd wor-

den. Volgens Bosman is dit niet zo,
althans als de aard van onze economische problematiek structured is en
niet conjunctureel. Met deze onderscheiding voegt Bosman een belangwekkende
dimensie toe aan de analyse van het
economisch beleid in het algemeen en
van het monetaire beleid in het bijzonder.
De kern van het probleem kan met behulp van dit onderscheid als volgt wor-

den geformuleerd. Het beleid behandelt
de huidige constellatie alsof deze louter
door structurele oorzaken wordt bepaald, terwijl in werkelijkheid daarnaast
van een conjuncturele component sprake
is. Voor zover het beleid al effectief is
om de structurele problemen aan te
pakken, dreigt het de conjuncturele factoren te versterken. De hoge rente, in
tijden van lage investeringen en hoge

werkloosheid, is hiervan een voorbeeld.
Het grote probleem vandaag de dag is
dan ook een beleid te ontwerpen dat de
structurele oorzaken van de neergang
aanpakt zonder de conjuncturele elementen in ongunstige zin te beinvloeden.
Een interessante vraag hierbij is of het
mogelijk zou zijn om ook in het kader
van het monetaire beleid, dat in beginsel
een globaal karakter draagt, een dergelijke differentiatie aan te brengen tussen
structurele en conjuncturele doelstellingen en instrumenten.
In concrete betekent dit voor mij dat
het monetaire beleid zich er niet tegen
zou mogen verzetten dat aan het economisch leven impulsen worden gegeven
— ook monetair — ter compensatie van
de conjuncturele component van de
onderbezetting van ons produktieapparaat, al zal de omvang hiervan niet

exact kunnen worden vastgesteld. Ter
illustratie heb ik in dit verband genoemd

het geven van een stimulans aan de woningbouw, een sector waarin bepaald
nog niet van vraagverzadiging sprake is

en waarin vele tienduizenden werkloos
zijn. Financiering van een dergelijke impuls langs inflatoire weg lijkt mij verantwoord, ook al zou dit ten koste gaan
van de stabiliteit van de waarde van de
gulden. Het dienen van de welvaart —
ESB 11-3-1981

i.e. de bestrijding van woningnood en
werkloosheid — heeft, ook volgens
artikel 9 van de Bankwet, immers prioriteit. Een stabiele guldenswaarde moet
worden nagestreefd zoveel als in het

kampen met een structurele en niet met
een conjuncturele problematiek deel ik
dus niet, maar we! ben ik het volstrekt

kader van de welvaartsbevordering mo-

met hem eens dat, voor zover van structurele problemen sprake is, aan moeilijke (politieke) keuzen niet is te ont-

gelijk is.

komen.

De opvatting, althans de hypothese,

van prof. Bosnian dat wij momenteel

M. P. Cans

Auteur