Ga direct naar de content

Migranten verschillen sterk qua arbeidsparticipatie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 6 2024

Het aantrekken van nieuwe migranten wordt vaak gezien als oplossing voor arbeidskrapte. Maar welke groepen migranten leveren de meeste arbeidskrachten op, en op welke termijn? Een nieuw gebruik van bestaande data biedt inzicht in de arbeidsparticipatie van verschillende migrantengroepen.

In het kort

  • Een analyse van migratie-effecten vraagt focus op instroom, verblijfsduur en arbeidsdeelname.
  • Asiel- en gezinsmigranten blijven over het algemeen lang in Nederland en hebben een lage arbeidsdeelname.
  • Arbeids- en studiemigranten hebben lage ‘blijfpercentages’ en een hoge arbeidsdeelname.

In het kort

Kort voor zijn overlijden op 2 november 2023 heeft Pieter van Winden deze tekst geschreven voor ESB. De collega’s van Pieter bij het ministerie van SZW en de redactie van ESB hebben de tekst gereedgemaakt voor publicatie.

De vergrijzing in Nederland leidt tot een relatieve afname van het aantal personen in de werkende leeftijd, en dit kan weer leiden tot een (verdere) krapte op de arbeidsmarkt. Als een mogelijke oplossing wordt er in het publieke debat geregeld gekeken naar nieuwe migratie (NPO Radio 1, 2023). Dit debat roept echter de vraag op welke bijdrage de verschillende vormen van de al bestaande migratie leveren aan de werkgelegenheid en bevolking. Is onder groepen migranten nog onbenut arbeidspotentieel te vinden?

Door middel van een nieuwe combinatie van statistieken voorziet dit artikel in een analyse die de instroom van de verschillende groepen migranten koppelt aan hun structurele effect op zowel bevolking als werkgelegenheid. Statistieken gaan namelijk doorgaans enkel op de jaarlijkse instroom van migranten in, of op de standcijfers in een bepaald jaar. Bestaande standcijfers van het aantal personen met een buitenlandse herkomst in de Nederlandse bevolking en werkgelegenheid zijn bovendien niet uit te splitsen naar migratiemotief. Dit artikel poogt in deze leemte te voorzien. Op basis van de cumulatieve instroom van 1999 tot 2021 worden in de analyse voor migranten die in 2021 nog in Nederland zijn de standcijfers opgesteld, en uitgesplitst naar migratiemotief en arbeidsdeelname.

De gegevens over de instroom zijn afkomstig van de statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over migratiemotieven. Deze statistieken schetsten, voor alle migranten uit de EU (CBS, 2023a) en daarbuiten (CBS, 2023b), vanaf 1999 wanneer zij zijn ingestroomd, of en wanneer ze weer zijn vertrokken, en wat hun sociaal-­economische positie is. Daarbij kunnen migranten worden onderscheiden naar hun migratiemotief (werk, studie, gezin, asiel of overig) en naar nationaliteit op het moment van migratie.

Omdat de statistiek is ingericht op een cohortanalyse, is het niet direct mogelijk om te achterhalen hoeveel migranten er op enig moment nog in Nederland verblijven. Bovendien beperkt de statistiek zich tot migranten die zijn ingeschreven in het bevolkingsregister en ontbreekt de groep migranten van vóór 1999. Vóór die tijd kan er namelijk geen onderscheid gemaakt worden tussen arbeids-, gezins-, studie- en asielmigranten. Het nadeel daarvan is dat de oudere lichtingen van migranten buiten beeld blijven. Bijbehorend voordeel is dat de analyse in dit artikel betrekking heeft op recentere migratiestromen en daarmee dus actueler is.

Ontwikkeling instroom migranten

In de periode 2001–2021 is de jaarlijkse immigratie meer dan verdubbeld, van 94.000 mensen in 2001 naar 208.000 in 2021 (figuur 1). Dit komt met name door de structurele toename van de reguliere migratie, oftewel van alle migratie exclusief asiel. Sinds 2001 is de reguliere migratie bijna verdriedubbeld – van 67.000 in 2001 tot naar 187.000 in 2021. Vooral de migratie uit de EU is sterk toegenomen, met name door de toetreding tot de EU van een aantal Oost-Europese lidstaten vanaf 2004, en door de afschaffing van de werkvergunningsplicht voor hun werknemers in 2007. Tussen 2006 en 2021 steeg de reguliere migratie vanuit de EU van 32.000 tot 118.000 personen. Ook het aantal arbeids- en studiemigranten van buiten de EU, oftewel de ‘derdelanders’, is de afgelopen decennia sterk gegroeid, van 12.000 in 2001 tot 37.000 in 2021.

De instroom van asielmigranten kent een onregelmatiger verloop dan die van de andere migrantengroepen. Tussen 2001 en 2006 nam het aantal asielmigranten sterk af, van 27.000 tot 3.000 personen per jaar – terwijl deze tussen 2011 en 2016 weer groeide, van 7.000 naar 43.000 personen. In 2021 bestond de instroom van asielmigranten uit 22.000 personen, ongeveer tien procent van de totale migratie.

Migranten in bevolking en werkgelegenheid

Het effect van migratie op de bevolking en de werkgelegenheid kan niet worden bepaald op basis van de instroom alleen. De vraag is ook hoelang mensen blijven en welke bijdrage ze aan de arbeidsmarkt leveren.

De groeiende instroom migranten heeft zich doorvertaald in een groei van de bevolking en werkgelegenheid.  In 2021 woonden er 2,3 miljoen mensen in Nederland die in het buitenland zijn geboren, en dus als migrant aangeduid kunnen worden. Hun aandeel is gegroeid van tien procent in 2010 tot veertien procent in 2021 (CBS, 2023c). Het totale aantal werknemers met een buitenlandse herkomst bedroeg in 2021 een miljoen, waarbij het aandeel buitenlandse werknemers is gestegen van acht procent in 2010 tot twaalf procent in 2021 (CBS, 2023d).

‘Buitenlandse werknemers’ omvat hier niet alleen  arbeidsmigranten die zich voor een langere tijd in Nederland willen vestigen, maar ook Duitsers en Vlamingen die over de grens werken, evenals seizoenarbeiders die korter dan vier maanden in Nederland verblijven en daarom niet verplicht zijn om zich als ingezetene in te schrijven in het bevolkingsregister. Zelfstandigen en in het buitenland premieplichtige werknemers worden niet meegeteld.

Doorwerking instroom op standcijfers

Verschillende groepen migranten verschillen sterk in hun gemiddelde verblijfsduur (figuur 2). Van de 2,6 miljoen migranten die tussen 1999–2020 arriveerden, verbleven er in 2021 nog 1,2 miljoen in Nederland. In 2021 is het overgrote deel van de arbeidsmigranten (65 procent) en studiemigranten (70 procent) die vanaf 1999 binnenkwamen, alweer vertrokken. Dit geldt in veel mindere mate voor asielmigranten (29 procent) en gezinsmigranten van buiten Europa (35 procent).

De demografische invloed van asiel- en gezinsmigratie is dus groter dan hun aandeel in de instroom doet vermoeden. De langetermijnimpact van migranten op de demografische ontwikkeling mag dus niet enkel beoordeeld worden op basis van hun aandeel in de instroom.

Groepen migranten verschillen ook sterk in de mate waarin zij actief zijn of worden op de arbeidsmarkt. Arbeidsmigranten hebben de hoogste arbeidsdeelname; van de arbeidsmigranten die sinds 1999 zijn binnengekomen en die in 2021 nog in Nederland zijn, werkt 85 procent. Voor asielmigranten ligt dit cijfer op 27 procent.

De verschillen in arbeidsparticipatie tussen verschillen de migrantengroepen kan deels voortkomen uit hun verschillende demografische kenmerken. Arbeidsdeelname wordt hier gemeten als percentage van álle migranten en niet alleen van migranten in de werkzame leeftijd. Kinderen en migranten die met pensioen zijn gegaan kunnen dus niet uitgesloten worden in deze berekeningen. Het is aannemelijk dat er meer kinderen meekomen met asielmigratie dan arbeidsmigratie, wat de lagere arbeidsparticipatie van deze groep deels kan verklaren.

Daarnaast is de relatief lage participatie van asielmigranten mogelijk mede te verklaren door de oververtegenwoordiging van asielmigranten uit recentere instroomjaren en de belemmeringen die asielzoekers en statushouders ervaren bij het toetreden op de arbeidsmarkt (Regioplan, 2023; MinSZW, 2023).

De combinatie van instroom, blijfkans en participatiegraad bepaalt welke bijdrage verschillende groepen migranten leveren aan de totale werkgelegenheid. Opvallend is dat er in absolute zin meer gezins- en asielmigranten werkzaam zijn dan arbeidsmigranten, ondanks hun lagere participatiegraad. Een analyse van de impact van migratie op de arbeidsmarkt mag zich dus niet beperken tot enkel arbeidsmigranten.

Cohortanalyse

Figuur 3 toont het aandeel van verschillende groepen migranten die zijn ingestroomd tussen 2012 en 2016, en hun positie in 2021. Door te kijken naar dit specifieke cohort worden de cijfers niet meer getekend door de sterke groei van de migratie in de afgelopen jaren. Zo wordt een scherper beeld van de recente bijdrage van verschillende groepen migranten aan de demografie en de arbeidsmarkt verkregen.

Qua instroom lijkt er sprake te zijn van een redelijk gelijke verdeling tussen de verschillende migrantengroepen in deze cohort. Maar in 2021 is een groter deel van de asielmigranten en gezinsmigranten uit derde landen nog in Nederland dan van de arbeidsmigranten en studiemigranten. Het aandeel asiel- en gezinsmigranten dat nog in Nederland verblijft, is daardoor groter dan de instroomcijfers doen vermoeden. Asiel- en gezinsmigranten vormen 43 procent van de instroom van 2012 tot 2016, en maar 66 procent van de migranten die in 2021 nog in Nederland verblijven. Voor arbeids- en studiemigranten geldt dat zij eveneens 40 procent van de instroom vormen, en maar slechts 25 procent van de migranten die in 2021 nog in Nederland verblijven.

Arbeids- en studiemigranten hebben wel een hogere arbeidsdeelname dan asiel- en gezinsmigranten. Hun aandeel in de werkende populatie migranten is daardoor nog altijd substantieel. Niettemin werken er in absolute zin meer asiel- en gezinsmigranten dan arbeids- en studiemigranten uit het cohort van 2012–2016, dankzij hun hoge aandeel in de populatie die in 2021 nog in Nederland is.

Hierbij moet wel worden aangetekend dat arbeidsmigranten gemiddeld meer uren werken en een hoger uurloon verdienen dan gezins- en asielmigranten (CBS, 2023e). Verder geldt dat een forse groep migranten niet staat ingeschreven als ingezetene in het bevolkingsregister en daarmee buiten de analyse blijft. Volgens CBS-data bestaat de groep werknemers die geboren is in het buitenland en niet ingeschreven staat in het bevolkingsregister in 2021 uit 209.900 personen met herkomst in de EU en 15.700 personen met herkomst van buiten de EU (CBS, 2023d).

Asiel- en gezinsmigranten hebben relatief hoge blijfpercentages en een relatief lage arbeidsdeelname. Dat betekent dat er sprake is van een aanzienlijk ongebruikt arbeidspotentieel onder deze groepen. De groep niet-werkende migranten die tussen 2012 en 2016 zijn binnengekomen en in 2021 nog in Nederland zijn, bestaat grotendeels uit asielmigranten (48 procent) en gezinsmigranten (34 procent). Verschillen in de arbeidsdeelname van migrantengroepen zijn mogelijk ten dele te verklaren aan de hand van hun uiteenlopende demografische kenmerken.

Stroomanalyse

Een stroomanalyse kan verder verhelderen hoe lang verschillende groepen in Nederland blijven en in welke mate ze actief zijn op de arbeidsmarkt. Figuren 4 en 5 tonen voor de migranten die in 2021 nog in Nederland zijn, uitgesplitst naar immigratiejaar, welk deel zij uitmaken van de oorspronkelijke instroom, en in welke mate zij actief zijn op de arbeidsmarkt.

Uit de figuren 4 en 5 wordt duidelijk dat arbeids- en studiemigranten over het algemeen kort in Nederland verblijven. Tien jaar na hun aankomst in 2011 is slecht één op de vijf van hen nog in Nederland. De participatiegraad van arbeidsmigranten is hoog en neemt niet sterk af met de verblijfsduur in Nederland. De arbeidsdeelname van studiemigranten neemt in de eerste vijf jaar van hun verblijf sterk toe, met als logische verklaring dat hun studie in deze periode wordt afgerond en ze vervolgens de arbeidsmarkt betreden. Ook is er sprake van selectie-effecten: arbeids- en studiemigranten die hun baan verliezen of geen baan kunnen vinden zullen vaker weer terugkeren naar hun vaderland. Daarmee kan de stijgende participatie voor studiemigranten bijvoorbeeld ook deels een effect zijn van de kleinere populatie en samenstelling aan migranten uit vroegere instroomcohorten die in 2021 nog in Nederland zijn.

Asiel- en gezinsmigranten van buiten Europa blijven gemiddeld veel langer in Nederland. Tien jaar na aankomst is de helft nog in ons land, en dit percentage neemt vervolgens nauwelijks verder af. Hun arbeidsdeelname is initieel laag, maar neemt gedurende hun verblijf continu toe. De arbeidsdeelname komt echter niet op het niveau van de arbeids- en studiemigranten. Dit maakt dat er nog een aanzienlijk ongebruikt arbeidspotentieel bestaat onder asiel- en gezinsmigranten.

Bij de interpretatie van de stroomanalyse moet rekening gehouden worden met achterliggende samenstellingseffecten. De blijfpercentages na vijf jaar zijn bijvoorbeeld bepaald op basis van het cohort dat in 2016 is binnengekomen en de blijfpercentages na tien jaar op basis van het cohort dat in 2011 is binnengekomen. Deze groepen kunnen verschillen in samenstelling naar bijvoorbeeld demografie, nationaliteit of opleidingsniveau. Ook is het beleid in de afgelopen jaren veranderd. Cijfers uit het verleden bieden dus geen garantie dat de blijfkans en participatiegraad van toekomstige instroomcohorten dezelfde trend volgen.

Tot slot

In de afgelopen decennia is migratie in Nederland grofweg verdubbeld van 100.000 naar 200.000 mensen per jaar. Migranten vertegenwoordigen inmiddels veertien procent van de bevolking en twaalf procent van de werkgelegenheid, vergeleken met respectievelijk tien en acht procent in 2010. Migratie is daarmee een onmisbaar onderdeel geworden van de Nederlandse arbeidsmarkt.

Wat betreft de toekomst wordt het aantal migranten in de Nederlandse beroepsbevolking niet alleen gestuurd door hun instroom, maar ook door hun verblijfsduur en arbeidsdeelname. Arbeids- en studiemigranten verblijven over het algemeen kort in Nederland, maar zijn in die tijd wel actief op de arbeidsmarkt. Voor asiel- en gezinsmigranten van buiten Europa geldt het tegenovergestelde; zij blijven doorgaans langer in Nederland, maar hun arbeidsdeelname blijft achter.

Arbeidsmarktbeleid gericht op het vergroten van het arbeidsaanbod zou daarmee kunnen kijken naar het beter benutten van het arbeidspotentieel onder asiel- en gezinsmigranten. Ook kan er gekeken worden naar het verlengen van de verblijfsduur van arbeids- en studiemigranten.

Op basis van de CBS-statistieken Migratiemotieven heeft de huidige analyse voor gezinsmigratie geen onderscheid kunnen maken tussen verschillende groepen ‘meegekomen gezinsmigranten’ (gezinsmigratie die volgt op arbeids-, asiel- of studiemigratie en overige gezinsmigranten). De ministeries van SZW en J&V zijn samen met het CBS bezig om de informatiebasis op dit punt verder te versterken. Informatie over gezinsmigratie uit derde landen die volgt op arbeid- of studiemigratie is momenteel al beschikbaar via het Dashboard Arbeidsmigratie niet-EU/EFTA (CBS, 2023e). In 2024 wordt het daarbovenop inzichtelijk welke gezinsmigranten meekomen in de kielzog van asielmigratie. Daarnaast wordt het mogelijk om het onderscheid tussen meegekomen gezinsmigranten ook te maken voor gezinsmigratie uit EU-landen. Gezien de lage participatiegraad onder gezinsmigranten, is het interessant om specifieker te kunnen kijken binnen deze groep.

In 2024 komt gedetailleerdere informatie beschikbaar over de arbeidspositie van alle migranten die sinds 1999 zijn binnengekomen, onder andere over gewerkte uren, lonen en bedrijfstak. Ook zullen standcijfers in kaart gebracht worden, uitgesplitst naar onder andere migratiemotief en nationaliteit. Dat alles zal een scherpere analyse mogelijk maken van de omvang van verschillende migrantengroepen in Nederland en welke arbeidsmarktpositie zij innemen.

Getty Images

Literatuur

CBS (2023a) Immigranten EU/EFTA; afgeleid migratiedoel, sociaaleconomische categorie. CBS StatLine, 30 juni.

CBS (2023b) Immigranten niet EU/EFTA; migratiemotief, sociaaleconomische categorie. CBS StatLine, 8 september.

CBS (2023c) Bevolkingsontwikkeling; migratieachtergrond en generatie; 1996–2021. CBS StatLine, 1 september.

CBS (2023d) Werknemers geboren in buitenland; wel/niet ingezeten, persoonskenmerken; 2010–2020. CBS StatLine, 12 mei.

CBS (2023e) Dashboard Arbeidsmigratie niet-EU/EFTA. CBS, 30 juni.

MinSZW (2023) Plan van aanpak: Statushouders aan het werk. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, april.

NPO Radio 1 (2023) Kan ‘circulaire migratie’ een uitkomst bieden voor de krapte op de arbeidsmarkt? EO, Dit is de Dag, 31 mei.

Regioplan (2023) Belemmeringen asielzoekers bij het toetreden tot de arbeidsmarkt. Regioplan Eindrapport, 22097. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.

Auteur

  • Pieter van Winden

    Beleidsmedewerker bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Plaats een reactie